<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21446_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Overbetuwe 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-10-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hét Gemeente Nieuws; 12-11-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Overbetuwe 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 6.1 t/m 6.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit ruimtelijke ordening, art. 6.1.3.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08rb000266</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9334</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Overbetuwe 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening advisering tegemoetkoming in planschade gemeente
                        Overbetuwe 2008</al><al/><al>Ons kenmerk: 08rb000266</al><al/><al>Nr. 14J</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 2 september
                        2008;</al><al/><al>gelezen het advies van de Commissie Ruimte van 1 oktober 2008;</al><al/><al>gelet op artikelen 6.1 t/m 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel
                        6.1.3.3 van het Besluit ruimtelijke ordening;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Overbetuwe
                            2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade
                                als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;</al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te
                                wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c., Besluit
                                ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel
                                3, vijfde lid, van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende(n): belanghebbende(n) als bedoeld in artikel 6.4a,
                                tweede en derde lid, Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>Besluit: Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="f."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="g."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede
                                lid, Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="h."><al>schade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet
                                ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="i."><al>wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                        artikel 6.1.3.1 van het Besluit verstrekt het college aan één of meerdere
                        adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te
                        brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het Besluit
                        of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wijst
                                het college een adviseur aan die beschikt over voldoende
                                deskundigheid inzake advisering op het gebied van schade.</al></li><li nr="2."><al>Als het college, na de in het eerste lid bedoelde adviseur te hebben
                                gehoord, vindt dat de aanvraag betrekking heeft op schade vanwege
                                inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de
                                aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wijst het college
                                een tweede adviseur aan die deskundig is op het gebied van
                                accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering.</al></li><li nr="3."><al>Als het college, na de in het eerste lid bedoelde adviseur te hebben
                                gehoord, vindt dat de aanvraag betrekking heeft op schade vanwege
                                waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de
                                complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan
                                extra deskundigheid wijst het college een tweede adviseur aan die
                                deskundig is op het gebied van de waardering van onroerende zaken en
                                van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische
                                verslechtering.</al></li><li nr="4."><al>Als naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van
                                toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid
                                bedoelde adviseurs aangewezen.</al></li><li nr="5."><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze adviseurs een
                                adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                                voorzitter is.</al></li><li nr="6."><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college
                                verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring
                                deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, eerste, tweede
                                of derde lid, van deze verordening bedoelde aspecten waarop deze
                                persoon de aanvraag moet beoordelen.</al></li><li nr="2."><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van
                                de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de
                                planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager, bestuursorganen en andere belanghebbende(n)
                            bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2
                        van deze verordening verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele
                        andere betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende(n)
                        schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:</al><lijst><li nr="a."><al>een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze
                                verordening, of</al></li><li nr="b."><al>meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze
                                verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie
                                en de voor de beoordeling noodzakelijke stukken aan de adviseur of
                                de adviescommissie ter beschikking.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie houdt één of
                                meer hoorzittingen, waar de aanvrager, het college, eventuele andere
                                betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval belanghebbende(n)
                                worden gehoord.</al></li><li nr="3."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter
                                plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de
                                plaatsopneming uit.</al></li><li nr="4."><al>Voor een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak,
                                wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met
                                de aanvrager een afspraak gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het derde
                                lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder
                                verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie een kort zakelijk verslag gemaakt, dat onderdeel
                                vormt van het uit te brengen advies.</al></li><li nr="6."><al>Voordat een advies wordt uitgebracht stuurt de adviseur of de
                                adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de
                                opdracht tot advisering een concept daarvan aan de aanvrager, het
                                college, eventuele andere betrokken bestuursorganen en in voorkomend
                                geval belanghebbende(n). De adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie kan deze termijn met ten hoogste vier weken
                                verlengen.</al></li><li nr="7."><al>De aanvrager, het college, eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen en in voorkomend geval belanghebbende(n) worden in
                                de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na het toesturen van het
                                concept advies schriftelijk hierop te reageren.</al></li><li nr="8."><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of
                                de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in
                                het achtste lid bedoelde termijn advies uit aan het college, waarbij
                                de betreffende reacties zijn betrokken.</al></li><li nr="9."><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                                adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken
                                van de in het achtste lid bedoelde termijn advies uit aan het
                                college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten
                        toepassing laten of daarvan afwijken, voorzover toepassing gelet op het
                        belang van het adviseren over de tegemoetkoming in de schade, leidt tot een
                        onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2008.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening advisering tegemoetkoming
                        in planschade gemeente Overbetuwe 2008.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 28 oktober 2008.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>E. Tuijnman.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft 27 september 2005 de
                    ‘Procedureregeling Planschadevergoeding 2005’ vastgesteld voor het in
                    behandeling nemen en besluitvorming over planschadeverzoeken als bedoeld in
                    artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al><al>Deze regeling is deels achterhaald omdat in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening
                    (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) al regels omtrent het in
                    behandeling nemen van een aanvraag om planschade zijn opgenomen.</al><al/><al>Op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in
                    de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende
                    zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op
                    aanvraag een tegemoetkoming in (plan)schade worden toegekend, voor zover de
                    schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en
                    voor zover de tegemoetkoming in schade niet voldoende anderszins verzekerd is. </al><al/><al>Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het
                    tijdstip waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend (artikel 6.1, vierde en
                    vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de
                    aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het
                    bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op de aanvraag om een
                    tegemoetkoming in schade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro).</al><al/><al>Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming,
                    die op grond van artikel 6.7 Wro in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn
                    uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en standaardisering
                    van regels omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van
                    een aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond
                    de noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de
                    schadeverzoeken moest opstellen. De regeling met betrekking tot de behandeling
                    van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro.</al><al/><al>In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het
                    indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de
                    regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro
                    verplicht het college een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op
                    de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt
                    voorgeschreven dat de gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze
                    waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies
                    komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in
                    ieder geval betrekking moet hebben op:</al><al>a. de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al><al>b. de gevallen waarin een commissie als adviseur wordt ingeschakeld;</al><al>c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al><al>d. de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel deze na
                    aanwijzing kunnen wraken;</al><al>e. de wijze waarop de aanvrager, de betrokken bestuursorganen en in voorkomend
                    geval de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                    de Wro door de adviseur, onder verslaglegging, worden gehoord en bij de
                    opstelling van het advies worden betrokken, en de dienaangaande geldende
                    termijnen.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                    gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast het
                    raadplegen van artikel 1 het kennisnemen van de algemene bepalingen in artikel
                    6.1.1.1 Bro van belang. </al><al>Voor de duidelijkheid van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze
                    verordening een van het Bro afwijkende omschrijving van het begrip adviseur
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2 Opdrachtverstrekking</vet></al><al>Het college moet binnen twaalf weken een opdracht verstrekken aan één of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                    6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag
                    binnen vier, dan wel acht weken als de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de
                    aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1,
                    tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet
                    worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot
                    het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan
                    de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is
                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na
                    het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om
                    het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De
                    laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. </al><al>Als de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt
                    gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in
                    artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval moeten niettemin
                    één of meerdere adviseurs worden aangewezen en moet er een opdracht worden
                    verstrekt.</al><al><vet>Artikel 3 Adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie moet worden ingeschakeld en over
                    welke deskundigheid een adviseur moet beschikken.</al><al/><al>Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze
                    tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente
                    overgelaten (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63).
                    Een adviesbureau gespecialiseerd in schade, als bedoeld in deze verordening, kan
                    dus worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de
                    adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie.</al><al/><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                    noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde
                    adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie).</al><al/><al>In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over
                    voldoende deskundigheid op het gebied van (plan)schadeadvisering moet
                    beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de schade kan een tweede
                    en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het
                    gebied van schade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens
                    waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische
                    verslechtering beschikt.</al><al/><al>Het is aan het college om, na de (eerste) adviseur te hebben gehoord, te
                    beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren over
                    inkomensderving en waardevermindering van de onroerende zaak, of dat er gezien
                    de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of
                    derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over die specifieke
                    deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens
                    moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van
                    een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel
                    6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken.</al><al/><al>Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie
                    zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn
                    gemoeid is instemming van het college vereist.</al><al><vet>Artikel 4 Deskundigheid en onafhankelijkheid</vet></al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid, onder a, Bro schrijft voor dat de verordening
                    regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de
                    adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste
                    lid bepaald dat het college voordat zij tot het aanwijzen van een persoon als
                    adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van
                    opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3,
                    tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij de aanvraag moet
                    beoordelen.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto
                    artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam
                    mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt
                    geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens
                    niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. </al><al/><al>Verder bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn
                    bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft
                    deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde
                    planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen
                    behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van
                    planologische maatregelen.</al><al><vet>Artikel 5 Betrokkenheid aanvrager, bestuursorganen en andere
                        belanghebbende(n) bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                    en andere belanghebbende(n) als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                    van de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing
                    van een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient
                    schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden
                    aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend
                    gemaakt.</al><al><vet>Artikel 6 Werkwijze adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, het college, eventuele
                    andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbende(n) als bedoeld in
                    artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder korte en zakelijke
                    verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden
                    betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd.</al><al/><al>In het eerste lid is bepaald dat alle voorhanden zijnde informatie met
                    betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in schade als ook alle stukken die
                    nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan de adviseur of
                    adviescommissie ter beschikking worden gesteld.</al><al/><al>Het tweede, derde, vierde lid bevatten regels over achtereenvolgens de
                    hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Het is mogelijk om de hoorzitting te
                    combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede
                    lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, als uit de inhoud van de
                    aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen.</al><al/><al>Het concept advies moet binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan
                    de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    worden toegestuurd. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd
                    (zesde lid).</al><al/><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht
                    moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, de betrokken bestuursorganen en
                    in voorkomend geval de belanghebbende(n) als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken.
                    De Nota van Toelichting bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de
                    gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies
                    te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In
                    dit kader bepaalt het zevende lid dat de aanvrager, het college, eventuele
                    andere bestuursorganen en in voorkomend geval andere belanghebbende(n) als
                    bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid
                    worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te
                    reageren.</al><al/><al>Het achtste en het negende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het
                    advies aan het college.</al><al><vet>Artikel 7 Hardheidsclausule</vet></al><al>Als, gelet op het belang van het adviseren over de tegemoetkoming in de schade,
                    het bepaalde in deze verordening tot onbillijkheden zou leiden, dan is het
                    college bevoegd om de verordening buiten toepassing te laten dan wel daarvan af
                    te wijken. Deze bepaling ziet op gevallen, die met het vaststellen van deze
                    verordening niet zijn voorzien. Het spreekt dan ook voor zich dat van deze
                    bepaling niet licht gebruik zal worden gemaakt. </al><al>Wordt er overigens gebruik gemaakt van deze bepaling, dan moet de verordening
                    hierop worden aangepast, omdat het dan immers een voorzienbaar geval is
                    (geworden).</al><al><vet>Artikel 8 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 9 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i143399.pdf">verordening advisering tegemoetkoming in planschade 2008 08 10 28.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>