<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR213295_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 44, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 44, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 95</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 96</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 97</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 98</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-03-16</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Rechtspositie raads- en commissieleden</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling werkt terug tot en met 16 maart 2006.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>commissie</vet>:een commissie als bedoeld in hoofdstuk
                                        V van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al><vet>Rechtspositiebesluit wethouders</vet>:het Koninklijk
                                        Besluit van 22 maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c."><al><vet>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</vet>:het
                                        Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al><vet>Regeling rechtspositie wethouders</vet>:de ministeriële
                                        regeling van 20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in
                                        artikel 23 van het Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="e."><al><vet>Verplaatsingskostenregeling 1989</vet>:het besluit van
                                        de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                        AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212; </al></li><li nr="f."><al><vet>Reisregeling binnenland</vet>:het besluit van de
                                        Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr.
                                        AB93/U280, Stcrt. 56. </al></li><li nr="g."><al><vet>Reisregeling buitenland</vet>:het besluit van de
                                        Minister van Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr.
                                        AD94/U1011, Stcrt. 181; </al></li><li nr="h."><al><vet>raadslid</vet>:lid van de gemeenteraad, niet zijnde
                                        wethouder; </al></li><li nr="i."><al><vet>Verplaatsingskostenbesluit 1989</vet>:het Koninklijk
                                        Besluit van 6 oktober 1989, Stb. 424; </al></li><li nr="j."><al><vet>griffier</vet>:de griffier, bedoeld in artikel 107 van
                                        de Gemeentewet; </al></li><li nr="k."><al><vet>gemeentesecretaris</vet>:de secretaris, bedoeld in
                                        artikel 102 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR RAADSLEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                                gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 7 (18.0001 – 24.000)
                                vastgestelde maximum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 7,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 7, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                                raadslid vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                                verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een
                                uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                                arbeidsongeschiktheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt € 175 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 10 tot en met 12 blijven van toepassing
                                op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet
                                tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of
                                ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit
                                raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de
                                helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van
                                toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, en 11 tot en met 13 van deze
                                verordening zijn van toepassing op raadsleden die tijdelijk worden
                                benoemd ter vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10
                                van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap
                                en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR COMMISSIELEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 (20.001 – 50.000) vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en een taxi:
                                        een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                        noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in artikel 4, onderdeel b van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Buitenlandse excursie or reis</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>DE PROCEDURE VAN DECLARATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                                door</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de
                                        gemeente.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, en
                                15 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier, waarvan het
                                model door het college is vastgesteld, indien deze kosten uit eigen
                                middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid of het commissielid dient het declaratieformulier binnen 2
                                maanden bij de griffier of een door hem aangewezen ambtenaar in,
                                onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikel 7 kan plaatsvinden
                                door rechtstreekse toezending van de door het raadslid voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het raadslid dient het begeleidingsformulier en de factuur binnen 2
                                maanden in bij de griffier of de door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op 1 juni 2008 en werkt terug tot en
                                met 16 maart 2006.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                                raads- en commissieleden 2008.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>TOELICHTING</titel></kop><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="a."><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26).</al></li><li nr="b."><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor raadsleden (artikelen 3 en
                            14);</al></li><li nr="c."><al>reis- en verblijfkosten van raads- en commissieleden (artikelen 5, 6, 15
                            t/m 19, 27 en 28);</al></li><li nr="d."><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan raads-
                            en commissieleden (artikelen 8, 21, 22 en 30) Deze voorziening wordt
                            vooralsnog niet overgenomen door de gemeente Heiloo. Alsmede
                            beschikbaarstelling van faciliteiten in de vorm van deelname van raads-
                            en commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 20 en
                            29).</al></li><li nr="e."><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden zoals de
                            spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen 10 en 23);</al></li><li nr="f."><al>de procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34). </al></li></lijst><al><vet>De arbeidsverhouding van het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in
                    dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat
                    betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet
                    vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en
                    WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                    vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Als gevolg
                    van een wijziging van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij
                    verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                    worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is
                    vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun
                    inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid
                    opteren voor de loonbelasting door te kiezenvoor het fictief werknemerschap (zie
                    hieronder).</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting</vet><cursief>Opting in
                    regeling</cursief></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid
                    kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                    “opting in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                    ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                    gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden
                    loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de
                    formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding.</al><al>Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling.</al><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief>Als niet voor de loonbelasting wordt
                    geopteerd dan geldt voor het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting
                    2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van
                    toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                    onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan
                    de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                    onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Zij kunnen niet deelnemen aan
                    de spaarloonregeling en de levensloopregeling en fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><al><cursief>Eénmalige keuze per zittingsperiode</cursief>Zoals hierboven naar voren
                    is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het
                    raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor
                    de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen
                    op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting
                    hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                    de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt
                    moeten bestuurders niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                    vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn,
                    verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin
                    de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                    terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                    gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de
                    kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo
                    nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                    vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="a."><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="b."><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="c."><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="d."><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt. </al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het
                        volgende.<cursief>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                        bedrijfsvoering</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur (niet van toepassing
                            voor Heiloo);</al></li><li nr="b."><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s (niet van toepassing voor
                            Heiloo);</al></li><li nr="c."><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door het raadslid maar
                    worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet in
                    bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast
                        kunnen worden vergoed</cursief>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals
                    reis- en verblijfkosten, blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke
                    uitgaven het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als
                    is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                        kunnen worden vergoed</cursief>Voor een aantal andere beroepskosten wordt
                    een vaste (bruto) kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen
                    3 en 14 is aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als
                    voor de besteding van alle andere publieke middelen - transparantie van groot
                    belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor
                    het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke
                    verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen
                    dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van
                    onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de
                    eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun
                    functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden
                    omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er
                    een zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat
                    er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de
                    uitgaven.</al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld
                    waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om
                    afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen.</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</vet></al><al>In het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden voor
                    hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding wordt
                    bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit het
                    maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2
                    is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De gemeenteraad
                    kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister vastgestelde
                    maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr="b."><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn.</al></li><li nr="c."><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de
                    verordening in algemene zin is aangegevendat de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 3 vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding
                    geregeld voor aan het ambt van het raadslidmaatschap verbonden kosten. De
                    vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="a."><al>representatie</al></li><li nr="b."><al>vakliteratuur</al></li><li nr="c."><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="d."><al>telefoonkosten</al></li><li nr="e."><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="f."><al>zakelijke giften</al></li><li nr="g."><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="h."><al>ontvangsten thuis </al></li><li nr="i."><al>excursies </al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 17 en 18). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld.</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten raadsleden het maximale bedrag van de
                    kostenvergoeding aangegeven. In artikel 3 is de hoogte van de kostenvergoeding
                    bepaald op het maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op
                    een lager bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het
                    door de minister vastgestelde maximum. Het bedrag van de kostenvergoeding is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van de
                    consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming
                    nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven of de
                    onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan.</al><al><vet>Artikelen 5, 6 en 15 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor
                    ‘woon-werkverkeer’ voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van
                    de Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                    reizen binnen het grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet
                    voorziet voor raads- en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en
                    verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering
                    van een beslissing van het gemeentebestuur. Aan commissieleden kan krachtens
                    artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet echter wel een vergoeding worden
                    gegeven de reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de
                    gemeente.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                    vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die overeenkomt
                    met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor wordt het aantal
                    regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De vergoeding van
                    noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook voor raads- en
                    commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door
                    de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting gezocht kan
                    worden bij de uitvoeringsregeling voor de wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt
                    De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                    kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen </cursief><cursief>van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                        benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de
                        auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige
                        verstrekkingen vallen onder de eindheffing.</cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.</al><al><vet>Artikelen 7 en 17 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals
                    hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht en
                    komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in verband
                    hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is gemaakt tussen
                    cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het gemeentelijk
                    belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het individuele
                    raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op eigen
                    initiatief deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de
                    gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen
                    belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende
                    voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en
                    een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikelen 8 en 18 Computer en internetverbinding</vet></al><al>Deze artikelen zijn
                    en worden in de gemeente Heiloo niet opgenomen in de verordening zolang het
                    zakelijk gebruik van de computer niet kan worden aangetoond. Hierdoor worden er
                    geen computers in bruikleen gegeven of een vergoeding verstrekt voor het zelf
                    aanschaffen van computerapparatuur.</al><al><vet>Artikel 9 Spaarloon/levensloop</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het
                    fictieve werknemerschap kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de
                    levensloopregeling. Een combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin het
                    mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden in hun
                    politieke functie geen verlof kennen. Het saldo valt bij beëindiging van het
                    ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere levensloopregeling.</al><al><vet>Artikel 10 Fietsregeling</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het
                    fictieve werknemerschap kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier
                    niet om een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                    werknemers. Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken.
                    Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste
                    het bedrag dat in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is
                    vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29
                    800 VII, nr. 21) is aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de
                    bevolking dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden
                    of te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                    indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                    verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit
                    omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                    arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor
                    raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door
                    een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van
                    een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op
                    grond van artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel
                    11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een
                    lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                    anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al><vet>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van
                    de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat iemand een
                    werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden
                    aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe
                    functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
                    kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe
                    betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt
                    gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                    voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                    WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                    negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                    gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het
                    voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad
                    kan ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten.
                    In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                    artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van
                    meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht
                    heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de
                    vaste onkostenvergoeding.</al><al><vet>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</vet></al><al>Ongeacht of een raadslid gekozen
                    heeft voor het fictieve werknemerschap of de status van fiscaal zelfstandige
                    moet over de raads- en onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke bijdrage
                    worden betaald van 4,4%. Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve
                    werknemerschap wordt deze door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen
                    deze via de inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand
                    van de vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt geheven
                    (dus alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen)
                    worden vastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat
                    door de Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen van
                    4,4%.</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel 11
                    van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald. Deze
                    tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op verzoek van
                    een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert. De
                    tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al><al><vet>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                    bevalling of ziekte</vet></al><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens
                    zwangerschap en bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan
                    is opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen
                    wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de
                    vervanger. Er is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel
                    het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                    vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over
                    de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de
                    termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk
                    de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt
                    gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw
                    sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al><vet>Artikel 14 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</vet></al><al>In
                    dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen. Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt
                    echter ook de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in
                    bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het
                    eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 14, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al><vet>Artikel 16 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Ook gemeenteraden of
                    raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang excursies of reizen
                    naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet toestemming
                    verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege de gemeente
                    georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse dienstreizen
                    van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen
                    van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikelen 19 t/m 22 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 19 zijn de
                    twee wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 20 t/m 22 is vervolgens
                    aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en welke
                    procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden.</al><al><cursief>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</cursief> Daarbij gaat het om
                    vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="b."><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="c."><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="d."><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies. </al></li></lijst><al><cursief>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</cursief>Rekeningen kunnen
                    rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de volgende
                    gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                            raadsleden. </al></li></lijst><al><vet>Artikelen 23 t/m 24 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor
                    inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde bepalingen tot en
                    met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad.</al><al>In Heiloo was nog geen verordening van toepassing vandaar dat de oude niet
                    ingetrokken kan worden.</al><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd.
                    Inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden geldt derhalve met
                    terugwerkende kracht tot en met 16 maart 2006.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>