<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR21250_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering Gemeente Oldebroek 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan Huis, 02-10-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering Gemeente Oldebroek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 19</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-03-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AVV+NK</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum inwerkingtreding is bij benadering.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2018-70578">Verordening WI def 2007.pdf</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering Gemeente Oldebroek 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al> Nr. </al><al/><al>De raad van de gemeente Oldebroek,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 juli 2007; </al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende Verordening Wet inburgering Gemeente Oldebroek
                        2007:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Oldebroek;</al></li><li nr="b"><al>de wet: de Wet inburgering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                    regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                    verordening worden gebruikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op
                                    een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over
                                    hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod
                                    van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></li><li nr="2."><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                    inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                    middelen:</al><lijst><li nr="a"><al>Centraal informatiepunt, vooralsnog het loket afdeling
                                            sociale zaken.</al></li><li nr="b"><al>Informatiemateriaal voor nieuwkomers.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de vijf jaren de
                                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking
                                    aan de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de
                                    raad. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij bij
                            voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de
                            volgende rangorde:</al><lijst><li nr="1."><al>Uitkeringsgerechtigden/werkzoekenden;</al></li><li nr="2."><al>Oudkomers die gemotiveerd zijn en snel willen inburgeren;</al></li><li nr="3."><al>16-23 jarigen;</al></li><li nr="4."><al>Ouders met kinderen in de leeftijd van 0-12 jaar;</al></li><li nr="5."><al>Ouders met kinderen in de leeftijd van 13-18 jaar;</al></li><li nr="6."><al>Overige oudkomers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering
                                    van de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op
                                    het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke
                                    omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                    inburgeringsplichtige.</al></li><li nr="2."><al>Als de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                    voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al></li><li nr="3."><al>Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is
                                    geregeld, een of meer van de volgende onderdelen bevatten:
                                    trajectbegeleiding; voortgangsgesprekken; maatschappelijke
                                    stage. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                    wordt in ten hoogste 12 termijnen betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                    inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Als het
                                    college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand,
                                    wordt dat in de beschikking vastgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de
                                    klantmanager/trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden als door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of
                                    tweede lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden
                                    naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                    basisadministratie is ingeschreven. </al></li><li nr="2."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                    inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de
                                    rechten en verplichtingen vermeld die aan de
                                    inburgeringsvoorzie-ning worden verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                    binnen vier weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod
                                    al dan niet aanvaardt. </al></li><li nr="4."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                    college binnen acht weken na ontvangst van deze mededeling het
                                    besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening,
                                    overeenkomstig het gedane aanbod. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid van boetes;</al></li><li nr="e."><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="f."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 als de
                                    inburgeringsplichtige of de persoon over wie het college op
                                    redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                    geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek,
                                    bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 als de
                                    inburgeringsplichtige geen of on-voldoende medewerking verleent
                                    aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                    inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van
                                    de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 als de
                                    inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid,
                                    van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op
                                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet
                                    verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                    eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 als de
                                    inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige
                                    als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt
                                    aan dezelfde overtreding. </al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                    tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 als de
                                    inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige
                                    als verwijt-baar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt
                                    aan dezelfde overtreding. </al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 als de
                                    inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond
                                    van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                    inburgeringsexamen heeft behaald. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Oldebroek.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de gemeenteraad van Oldebroek</ondertekening><ondertekening>op 18 september 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De Wet inburgering (WI) treedt op 1 januari 2007 in werking en komt in
                            de plaats van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                            oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel
                            alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in
                            Nederland willen en mogen verblijven. Bij het invulling geven aan de
                            inburgeringsverplichting staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in
                            financiële zin) van de inburgeringsplichtige centraal. De
                            inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich wil
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsverplichting
                            is voldaan wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een
                            resultaatsverplichting). Gemeenten krijgen in de WI een aan-tal
                            belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben gemeenten de opdracht om de
                            inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te informeren over de rechten
                            en plichten die voortvloeien uit deze wet. Daarnaast hebben gemeenten de
                            taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een
                            inburge-ringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening
                            leidt inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen. Ook moeten
                            gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                            Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een
                            inburgeringplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen
                            die voor hem gelden. In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op
                            om bij verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang
                                    tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen aan bijzondere groepen
                                    inburgeringsplichtigen en over de rechten en plichten van de
                                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is
                                    vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid,
                                    WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 WI).</al></li></lijst><divisie><kop><label/><nr/><titel>Regels over de informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Artikel 8 - WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatiever-strekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rech-ten en
                            plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van
                            inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen. </al></divisie><divisie><kop><label/><nr/><titel>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                inburgeringsvoorzieningen</titel></kop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet
                            extra faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                            inburgerings-plichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het
                            gaat om de volgende vier groepen in-burgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering
                                    ontvangen die is aangewezen in het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, WWB of uitkering
                                    hebben;</al></li><li nr="3."><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; </al></li><li nr="4."><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. </al><al/><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee
                                    groepen (nieuw- en oudkomers die al-gemene bijstand en of een
                                    nader aangeduide uitkering ontvangen en oudkomers die zelf geen
                                    in-komsten uit werk of uitkering hebben) kán het college een
                                    inburgeringsvoorziening aanbieden (artikel 19, eerste lid, WI).
                                    Het college is verplicht een inburgeringsvoorziening aan te
                                    bieden aan alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en
                                    nieuwkomers) en aan nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als
                                    geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid, WI). Het aanbod
                                    behelst een inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                                    inburgeringsexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat
                                    examen. Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                                    inburgeringsvoorzie-ning ook uit maatschappelijke begeleiding. </al><al/><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te
                                    stellen met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen aan deze vier groepen. In de wet is
                                    ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels
                                    moeten worden gesteld: </al></li><li nr="•"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod aan inburge-ringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="•"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    aan inburgeringsplichtigen (arti-kel 19, vijfde lid, onderdeel
                                    a, WI).</al></li><li nr="•"><al>De vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                                    de samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19,
                                    vijfde lid, on-derdeel b, WI).</al></li><li nr="•"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in
                                    ieder geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door
                                    het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                                    (artikel 23, derde lid, WI). </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label/><nr/><titel>Het vaststellen van de bedrag van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet be-paalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze</label><nr/><titel>toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                            wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt
                            georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de in-formatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de
                            toegang tot inburgeringsvoorzieningen. Dit artikel in de verordening
                            vormt de uitwerking van deze verplichting. Gemeenten kunnen er voor
                            kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te stellen voor een
                            adequate informatievoorziening door het college aan de
                            inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het eerste en
                            derde lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor worden
                            gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college
                            (in ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen te organiseren. In dat geval moet het tweede lid
                            in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden
                            gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet. Overeenkomstig
                            de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit artikel de
                            kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                            inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                            informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af
                            aan de raad. De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op
                            allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                            informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket). Het is ook mogelijk om
                            de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij
                            een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                            gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                            bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. In het tweede lid
                            geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een aantal
                            middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                            gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan
                                    personen ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens
                                    uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs
                                    kan worden aangenomen dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                    aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                    gemeentelijke website.</al><al/><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te
                                    rapporteren over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                                    informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen. Om aan
                                    deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen, zou een
                                    informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de
                                    informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk
                                    informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst kunnen
                                    worden waarbij eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen.
                                    Om effici-ent aan de verplichting van het tweede lid te kunnen
                                    voldoen, is wellicht ook aansluiting mogelijk bij de uitvoering
                                    van de actieve informatieplicht van het college aan de raad op
                                    grond van artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet. Vanwege
                                    het gering aantal nieuwkomers op jaarbasis, circa 8 tot 10
                                    personen, ligt het inrichten van een afzonderlijk informatiepunt
                                    niet voor de hand en is gekozen voor onderbrenging bij het loket
                                    sociale zaken van de afdeling samenleving waar de volledige
                                    uitvoering van de wet is ondergebracht. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                            inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op
                                    grond een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                                    socialezekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen
                                    ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering
                                    hebben.</al><al/><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met
                                    betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het doen
                                    van een aanbod aan deze twee groepen inburgeringsplichtigen
                                    (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI). Dit artikel vorm de
                                    uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het
                                    college opgedragen om vast te stellen aan welke groepen
                                    inburgeringsplichtigen (binnen de twee doelgroepen van artikel
                                    19, eerste lid, WI) bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan
                                    worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd
                                    binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen
                                    moet komen. Het is van belang dat deze kaders (in casu het
                                    aan-wijzen van groepen waaraan een inburgeringsvoorziening wordt
                                    aangeboden) niet te eng te defi-niëren. Het college zal binnen
                                    deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten kunnen
                                    aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit
                                    onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden
                                    om de kaders niet te strak vast te stellen is dat gemeenten op
                                    dit mo-ment geen duidelijk zicht hebben op de precieze omvang
                                    van de groep oudkomers zonder werk of uitkering waaraan een
                                    inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Te strenge
                                    criteria zou-den wel eens kunnen leiden tot het niet benutten
                                    van de beschikbare middelen voor het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen. Dit artikel regelt dat de groepen die
                                    het college aanwijst bij voor-rang een inburgeringsvoorziening
                                    krijgen aangeboden. Dit betekent dat het college de ruimte heeft
                                    om in bepaalde gevallen ook een inburgeringsvoorziening aan te
                                    bieden aan inburgeringsplichti-gen die niet behoren tot de groep
                                    of groepen die hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de
                                    doelgroepen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, WI). Om te
                                    voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of
                                    groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een
                                    recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit
                                    artikel dat het college aan de groe-pen die hij aanwijst een
                                    inburgeringsvoorziening kan aanbieden. Voorbeelden van criteria
                                    die in verordening kunnen worden neergelegd en op basis waarvan
                                    het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn:</al></li><li nr="•"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="•"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="•"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="•"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="•"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="•"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al><al/><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te
                                    geven aan specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit
                                    te geven aan oud- en nieuwkomers die graag voor een
                                    inburgeringsvoorziening in aanmerking willen komen (bijvoorbeeld
                                    voorrang op basis van eigen aanmelding of gemotiveerdheid).
                                    Criteria op basis waarvan het college doelgroepen aanwijst,
                                    kunnen ook worden ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals
                                    bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en veilig’. Daarmee kan de
                                    uitvoering van de WI een onderdeel vormen van een integrale
                                    aanpak van sociaal beleid. Op grond van de actieve
                                    informatieplicht van het college aan de raad (artikel 169,
                                    tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college
                                    zijn besluit aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                                    voorrang een aanbod zal worden gedaan ter kennisname aan de raad
                                    aanbiedt. Bij de vaststelling van de criteria is in Oldebroek de
                                    uitkeringsafhankelijkheid, afstand tot de arbeidsmarkt en
                                    (schoolgaande) leeftijd van de kinderen betrokken. Oudkomers die
                                    erg gemotiveerd zijn en eerder willen inburgeren kunnen eerder
                                    een aanbod krijgen. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening,
                            met in begrip van de totstandkoming en samenstelling van de
                            inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In
                            dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de
                            opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in
                            aanmerking komt, een op de persoon toegesneden inburgeringsvoorzie-ning
                            samen te stellen. In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het
                            college een passende inburgeringsvoorziening moet vaststellen. </al><al/><al>Bij het bepalen van de passendheid van een inburgeringsvoorziening,
                            kunnen de volgende factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="•"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="•"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="•"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen. </al><al/><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                                    bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten
                                    hebben dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening
                                    die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht
                                    vorm te geven. In geval van uitkeringsgerechtigde
                                    inburgeringsplichtigen die een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is
                                    wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een
                                    aanbod voor een inburgeringsvoorziening aan een
                                    uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet wordt gedaan,
                                    als dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al/><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening
                                    gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een
                                    inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan een
                                    inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                                    uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet
                                    of sociale zekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Als in
                                    deze specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt
                                    aangeboden, kan de gemeente derhalve geen
                                    inburgeringsvoorziening aanbieden. Het college is
                                    verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                                    inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede
                                    lid van artikel 4 van de verordening draagt het college op om er
                                    voor te zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op
                                    de reïntegratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het
                                    kader van de uitkeringsverstrekking op grond van sociale
                                    zekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen dan het
                                    college (kunnen) worden verstrekt, zal het college afspraken
                                    moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinsti-tuut
                                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of
                                    overheidswerkgevers (artikel 21 WI). Het derde lid regelt de
                                    bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                                    inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                                    aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een
                                    inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een cursus
                                    die toe leidt naar het inburgeringsexamen en het eenmaal
                                    kosteloos afleggen van dat examen (artikel 19, derde lid, WI).
                                    Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én
                                    nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke be-geleiding een
                                    verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel
                                    19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die
                                    het college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan
                                    inburgeringsplichtigen kan aanbieden, kan worden gedacht aan
                                    trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan
                                    worden gedacht aan een uitbreiding van de opleiding,
                                    bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke stage of een
                                    aparte module die gericht is op het verwerven van kennis van de
                                    Nederlandse samenleving. </al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen
                                    vooral van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen
                                    inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden in combinatie met een
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij voorzieningen
                                    gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten
                                    reeds een vast onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het
                                    inburgeringsexamen ook een praktijkgericht deel omvat, waarin de
                                    praktische (taal)vaardigheden worden getoetst. Het is
                                    vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                                    inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de
                                    ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van
                                    duale trajecten een belangrijke rol vervullen. </al><al/><al>Artikel 5 - De inning van de eigen bijdrage </al><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking
                                    hebben op de inning van de eigen bijdrage van de
                                    inburgeringsplichtige door het college en de mogelijkheid van
                                    betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte van
                                    de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270,00.
                                    Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden
                                    gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI). In dit artikel van de
                                    verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige het
                                    recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te
                                    betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                                    inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk
                                    dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering.
                                    Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat wor-den
                                    vastgelegd in de beschikking tot toekenning van de
                                    inburgeringsvoorziening. Als de inburgeringsplichtige een
                                    uitkering van het UWV ontvangt, kan het college het UWV
                                    verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op
                                    de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                                    geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente.
                                    Deze wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door
                                    de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening geregeld.
                                </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de
                            bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                            worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                            inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking
                            tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen
                            vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten
                            zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is
                            van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het
                            goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgerings-voorziening. In het eerste lid van dit artikel wordt
                            geregeld dat het college het aanbod van een inburgeringsvoorziening aan
                            de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod
                            wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                            ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan
                            over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft
                            gedaan. Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als
                            de uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de
                            instemming met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de
                            beschikking tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening (die
                            eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan
                            wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). De
                            zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige
                            het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de
                            ge-meente meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze
                            schriftelijke mededeling ge-schiedt in de vorm van het laten
                            ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring die door
                            de gemeente is opgesteld. Het kan natuurlijk voorkomen dat een
                            inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt dat hij wel een
                            inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie
                            bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de
                            gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane
                            aanbod moeten aanpassen. Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet
                            te accepteren. Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij
                            zich zelfstandig moeten voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het
                            om een oudko-mer, dan is er geen termijn vastgesteld waarbinnen de
                            betreffende persoon het inburgeringsexamen moet hebben behaald. Het ligt
                            voor de hand dat het college in een dergelijke situatie een
                            handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26 WI
                            waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige
                            het inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van
                            deze termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college deze
                            handel-wijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen
                            duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren
                            van een aanbod voor een inburgeringsvoorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                            beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid
                            heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel
                            wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                            worden neergelegd. In de beschikking zullen de toegekende
                            inburgeringsvoorziening en de daaraan ver-bonden rechten en plichten van
                            de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a
                            en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te
                            verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening (artikel 23,
                            eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                            verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en
                            aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend
                            zijn gemaakt. De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het
                            inburgeringsexamen moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7,
                            eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn
                            alleen melding worden gemaakt (onderdeel c). Onderdeel d bepaalt dat in
                            beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen
                            bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling plaatsvindt
                            (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering). Dit is
                            geregeld in artikel 5 van de verordening. Onderdeel e heeft betrekking
                            op beschikkingen voor oudkomers. Als het college een
                            inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het
                            college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                            termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel
                            22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen vijf jaar ná deze datum
                            moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het
                            college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                            inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn
                            direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum
                            waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze datum
                            waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend
                            zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                            vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de
                            inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het uitgangs-punt van de
                            wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en
                            in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het
                            inburgeringsexamen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. De boetebedragen
                            die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en géén
                            gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de
                            bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de
                            mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet
                            het college daarbij ook zonodig rekening houden met de omstandigheden
                            waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). Deze
                            bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                            bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                            individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. In
                            het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                            inburge-ringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere sociale
                            zekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze
                            samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                            géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                            mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden
                            opgenomen als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere maximum
                            boetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De
                            verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                            uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI
                            worden genoemd. Om te kunnen spreken van een herhaling van een
                            overtreding, moeten de overtredingen zich wel binnen een bepaalde
                            tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een
                            kortere of langere termijn vaststellen. Artikel 34, onderdeel d, WI
                            biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de bestuurlijke boete te
                            verhogen van maximaal € 500,00 naar maximaal € 1.000,00 in het geval dat
                            de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de verplichting
                            binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit is
                            geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. Als de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een
                            bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is
                            neergelegd in artikel 9, derde lid, van de verordening. Op grond van
                            artikel 32 WI moet het college in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                            vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                            inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen
                            deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het
                            derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het college een hogere boete
                            vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1.000,00 (artikel 34,
                            onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe
                            termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                            inburgeringsexamen moet behalen. De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm
                            van het vaststellen van maximumbedragen het kader voor het college bij
                            het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele
                            gevallen. Het college zal binnen deze kaders zelf een beleid moeten
                            ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat het college in beleidsregels
                            vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel
                            opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag wordt de boete in
                            beginsel verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige dezelfde
                            overtreding nogmaals pleegt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Oldebroek/i29238.pdf">Verordening WI def 2007.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>