<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR210888_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blik op Barendrecht, 28-06-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;g=2012-08-23">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>344248</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit 'Regeling implementatie Wet elektronische bekendmaking 2012\ Burgemeester en College van burgemeester en wethouders'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening 
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders stellen de volgende regeling vast.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1. Inleiding</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In de rapportage van de VROM-inspectie van 2006 staat de aanbeveling om te komen tot </al>
            <al>vrijstellingenbeleid. Deze nota legt het beleid, dat in de gemeente Barendrecht op het gebied van </al>
            <al>vrijstellingen geldt, vast. Het opstellen van dergelijk beleid heeft een aantal voordelen: </al>
            <lijst>
              <li nr="•"><al>Het waarborgt de eenheid van het beleid </al></li>
              <li nr="•"><al>Het bevordert de rechtmatigheid van vrijstellingsbesluiten </al></li>
              <li nr="•"><al>Het vergroot de kenbaarheid van het beleid </al></li>
              <li nr="•"><al>Het doet de doorlooptijd van procedures afnemen </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Vrijstellingenbeleid staat overigens in directe relatie met het proces van bestemmingsplanherziening. </al>
            <al>Het beleid anticipeert immers op ruimtelijk toelaatbare wensen die in één of meerdere </al>
            <al>bestemmingsplannen nog niet zijn opgenomen. Het vrijstellingenbeleid vormt daarmee een </al>
            <al>belangrijke onderlegger voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Te zijner tijd zal het </al>
            <al>beleid hierdoor overbodig worden. </al>
            <al/>
            <al>Met de Nota vrijstellingenbeleid wordt enerzijds een ruimtelijk kader vastgelegd voor het beoordelen </al>
            <al>van bouwplannen die strijdig zijn met het geldende bestemmingsplan. Die vrijstellingen worden </al>
            <al>thans doorgaans via een vrijstelling op grond van artikel 19, lid 3 of artikel 19, lid 2 van de Wet op de </al>
            <al>Ruimtelijke Ordening verleend. Met de invoering van de Wro vervalt deze vrijstellingsbevoegdheid </al>
            <al>voor een deel. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (nieuw) blijft een bevoegdheid bestaan </al>
            <al>om voor zogenaamde kruimelgevallen ontheffing te verlenen. Hoewel deze regeling veel minder </al>
            <al>mogelijkheden omvat dan het huidige artikel 20 BRO (in relatie met artikel 19, lid 3 WRO) kan de </al>
            <al>Nota vrijstellingbeleid voor die gevallen als toetsingskader blijven dienen. Tevens kan de nota </al>
            <al>gebruikt worden voor het bepalen of al dan niet ontheffing wordt verleend via een </al>
            <al>projectbesluitprocedure (een procedure die vergelijkbaar is met artikel 19, lid 1 WRO). </al>
            <al/>
            <al>Daarnaast dient de nota als onderlegger voor onder meer de bijgebouwenregeling in nieuw op te </al>
            <al>stellen bestemmingsplannen. In dat kader wordt nog opgemerkt dat wij op dit moment onderzoeken </al>
            <al>of de inhoud van de nota kan worden omgezet in een paraplubestemmingsplan. Dit houdt in dat één </al>
            <al>bestemmingsplan wordt vastgesteld dat in één keer alle Barendrechtse bestemmingsplannen voor </al>
            <al>een gedeelte herziet c.q. aanvult waardoor de inhoud van de onderhavige nota als binnenplanse </al>
            <al>vrijstellingsbevoegdheid kan worden toegepast binnen (vrijwel) het hele Barendrechtse grondgebied. </al>
            <al/>
            <al>In voornoemde zin blijft het beleid dus ook onder de werking van de Wro zijn waarde behouden. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2.</label>
            <label>Procedure</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Procedureel bestaat de behandeling van een vrijstellingsverzoek uit twee delen: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Toetsing verzoek</al></li>
              <li nr="2."><al>Keuze van de (lichtste) procedure en het doorlopen hiervan.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>2.1 Toetsing verzoek</label>
            </kop>
            <al>Een verzoek om vrijstelling kan al dan niet gepaard gaan met een verzoek om bouwvergunning. </al>
            <al/>
            <al>De toetsing van een verzoek om vrijstelling vindt plaats aan de hand van algemene en specifieke </al>
            <al>toetsingscriteria. De algemene criteria gelden voor alle vrijstellingsverzoeken. De specifieke criteria </al>
            <al>zijn alleen van toepassing voor bepaalde soorten of categorieën bouwwerken of gebieden. </al>
            <al/>
            <al>De algemene en specifieke toetsingscriteria worden beschreven in respectievelijk paragraaf 3 en 4 </al>
            <al>van deze nota. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>2.2. Keuze van de (lichtste) procedure en het doorlopen hiervan </label>
            </kop>
            <al>Indien de gemeente wenst mee te werken aan een vrijstellingsverzoek, wordt bepaald welke </al>
            <al>vrijstellingsprocedure gevolgd moet worden. Hierbij geldt dat omwille van efficiency altijd wordt </al>
            <al>gekozen voor de minst zware procedure aan de hand van het onderstaande schema: </al>
            <al/>
            <al>Vrijstellingsverzoeken Vrijstellingsverzoeken </al>
            <al>Permanent Tijdelijk </al>
            <al>(meer dan 5 jaar) ( minder dan 5 jaar) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 17 WRO </al>
            <al>Binnenplanse </al>
            <al/>
            <al>Artikel 15 WRO </al>
            <al/>
            <al>Artikel 19 lid 3 WRO </al>
            <al>In gevallen conform </al>
            <al>art. 20 BRO </al>
            <al/>
            <al>Artikel 19 lid 2 WRO </al>
            <al>In gevallen conform </al>
            <al>algemene/specifieke </al>
            <al>verklaring van geen </al>
            <al>bezwaar </al>
            <al/>
            <al>Artikel 11 WRO </al>
            <al>(Indien) </al>
            <al>Wijzigingsmogelijkheid </al>
            <al>binnen het </al>
            <al>bestemmingsplan </al>
            <al/>
            <al>Artikel 19 lid 1 WRO </al>
            <al>Na de keuze voor de te volgen procedure kan deze worden gestart. De procedures zijn wettelijk </al>
            <al>vastgelegd in: </al>
            <lijst>
              <li nr="•"><al>het bestemmingsplan – o.g.v. art. 11 en 15 WRO </al></li>
              <li nr="•"><al>de Wet op de Ruimtelijke Ordening - art. 17, 18 19.1, 19.2, 19.3 en 19a WRO </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>3. Algemene toetsingscriteria</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Medewerking aan een vrijstellingsverzoek wordt slechts verleend: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van dit beleid </al><al>en het betreffende bestemmingsplan ouder is dan 5 jaar; </al></li>
                  <li nr="b."><al>het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van dit beleid en </al><al>het betreffende bestemmingsplan ouder is dan 7 jaar. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Indien het (bouw)plan stedenbouwkundig inpasbaar is en er voorts vanuit sectorale </al><al>belangen geen onevenredige bezwaren tegen het plan bestaan (o.a. verkeer, parkeren, water, </al><al>milieu etc). </al></li>
              <li nr="3."><al>Indien de vrijstelling betrekking heeft op een bouwplan wordt slechts medewerking verleend </al><al>indien een bouwplan voldoet aan alle overige wettelijke vereisten, waaronder in ieder geval </al><al>het bouwbesluit, welstand, de monumentenwetgeving en de milieuwetgeving. </al></li>
              <li nr="4."><al>Indien voor het betreffende gebied een conceptbestemmingsplan voor inspraak is </al><al>vrijgegeven, wordt het verzoek daaraan getoetst. </al></li>
              <li nr="5."><al>Van het beleid kan slechts worden afgeweken indien: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>er sprake is van initiatieven of omstandigheden die bij het opstellen van het </al><al>bestemmingsplan onvoorzien waren; </al></li>
                  <li nr="b."><al>er sprake is van initiatieven of omstandigheden die bij het opstellen van het </al><al>vrijstellingenbeleid onvoorzien waren; </al></li>
                  <li nr="c."><al>Er sprake is van bijzondere sociale, economische of maatschappelijke omstandigheden </al><al>die afwijking van het beleid rechtvaardigen. </al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4. Specifieke toetsingscriteria</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.1 Balkons en Dakterrassen</label>
            </kop>
            <al>Het komt steeds vaker voor dat een dakvlak geschikt gemaakt wordt voor het gebruik als dakterras of </al>
            <al>balkon. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat hier bezwaar tegen voor zover de belijning van de </al>
            <al>architectuur van de gebouwen verstoord wordt. Medewerking aan verzoeken om vrijstelling voor een </al>
            <al>balkon/dakterras wordt slechts verleend indien en slechts voor zover dit al in de bestaande </al>
            <al>architectuur van het pand en/of bouwblok aanwezig is en/of tijdens de bouw als optie is </al>
            <al>aangeboden. Tevens zal altijd rekening gehouden worden met burenrechtelijke bepalingen uit het </al>
            <al>Burgerlijk Wetboek. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2 Zendmasten</label>
            </kop>
            <al>De aanwezigheid van zendmasten voor UMTS en GSM zorgt in veel gevallen voor de nodige </al>
            <al>maatschappelijke onrust. Voor een deel vloeit deze voort uit het gebrekkige inzicht dat op dit </al>
            <al>moment bestaat in de lange termijneffecten van GSM/UMTS zendmasten op de gezondheid. </al>
            <al>Daarnaast bestaan er ook stedenbouwkundige en welstandsbezwaren tegen dergelijke masten. Om </al>
            <al>deze reden wordt geen medewerking verleend aan een verzoek om vrijstelling ten behoeve van een </al>
            <al>GSM-/UMTS zendmast </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.3 Beroep of bedrijf aan huis</label>
            </kop>
            <al>Thuiswerken wordt steeds populairder. Het aantal bedrijfjes dat in woningen gevestigd is neemt toe. </al>
            <al>Thuiswerken kan een woonomgeving verlevendigen. Maar het uitoefenen van een beroep of een </al>
            <al>bedrijf in een woning kan ook ongewenste situaties met zich meebrengen. Voor het starten van een </al>
            <al>bedrijf aan huis is vaak meer nodig dan een vrijstelling van een bestemmingsplan. Voor wat betreft </al>
            <al>vrijstellingen wordt alleen medewerking verleend aan verzoeken indien wordt voldaan aan de </al>
            <al>volgende voorwaarden: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>het pand blijft het uiterlijk van een woning houden; </al></li>
              <li nr="2."><al>maximaal 30% van de oppervlakte van de woning wordt gebruikt ten behoeve van het bedrijf </al><al>of beroep aan huis, met een maximum van 40m²; </al></li>
              <li nr="3."><al>er vinden geen detailhandelsactiviteiten plaats; </al></li>
              <li nr="4."><al>er worden uitsluitend activiteiten uitgevoerd die vallen onder milieucategorie 1 uit de VNG-</al><al>brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2 worden </al><al>toegestaan indien dit naar aard en omvang gelijk te stellen is met een bedrijfsactiviteit uit </al><al>milieucategorie 1. </al></li>
              <li nr="5."><al>de parkeerdruk of de verkeersbelasting in het openbare gebied zal niet onevenredig </al><al>toenemen. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4 Aanbouwen; algemene voorwaarden</label>
            </kop>
            <al>Een aanbouw architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Daarnaast is een aanbouw ook in </al>
            <al>bouwkundig opzicht aan het hoofdgebouw verbonden. De aanbouw kan vanuit het hoofdgebouw </al>
            <al>worden bereikt. </al>
            <al>Om voor vrijstelling in aanmerkingen te komen moet een aanbouw voldoen aan de volgende </al>
            <al>algemene voorwaarden: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De aanbouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw. </al></li>
              <li nr="2."><al>De aanbouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, helling- </al><al>en nokrichting. </al></li>
              <li nr="3."><al>De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag boven vloerpeil </al><al>van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter, gemeten boven vloerpeil. </al></li>
              <li nr="4."><al>Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het </al><al>totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m². </al></li>
              <li nr="5."><al>Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het </al><al>totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m². </al></li>
              <li nr="6."><al>Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet </al><al>meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd. </al></li>
              <li nr="7."><al>Indien de aanbouw plaatsvindt achter de voorgevelrooilijn met het enkele doel om de </al><al>woning levensloopbestendig te maken dan wel gebeurt op basis van een indicatie, als </al><al>bedoeld in de Wet voorzieningen gehandicapten, dan kan worden afgeweken van de in deze </al><al>beleidsregels genoemd maten. Het perceel, het hoofdgebouw niet meegerekend, mag echter </al><al>nooit meer dan 50% worden bebouwd. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.1 Aanbouwen binnen de bebouwde kom </label>
            </kop>
            <al>Meewerking aan vrijstellingsverzoeken wordt slechts verleend voor aanbouwen achter de </al>
            <al>voorgevelrooilijn. Deze kunnen aan de achterzijde van de woning worden geplaatst of aan de zijkant, </al>
            <al>zoals hieronder is afgebeeld. Vrijstelling voor dergelijke aanbouwen is verder slechts mogelijk indien </al>
            <al>voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De voorgevel van de aanbouw ligt op een afstand van tenminste 3 meter achter de </al><al>voorgevelrooilijn indien sprake is van een geschakelde woning en 5 meter indien het een </al><al>vrijstaande woning betreft. </al></li>
              <li nr="2."><al>De breedte van aanbouwen aan de zijgevel van de woning bedraagt maximaal 75% van de </al><al>breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw met een maximum van 5 meter. </al></li>
              <li nr="3."><al>De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een aanbouw aan de zijgevel </al><al>minimaal 2 meter indien deze grenst aan de openbare weg of openbaar groen. In overige </al><al>gevallen bedraagt deze afstand minimaal 1 meter. </al></li>
              <li nr="4."><al>De diepte van de aanbouw bedraagt niet meer dan de diepte van het hoofdgebouw. </al><al>=3 of </al><al>=5 m </al><al>Hoofdgebouw </al><al>Max. 75% </al><al>en =5m </al><al>=1 of </al><al>=2 m </al><al>=</al><al>=3 of </al><al>=5 m </al><al>Hoofdgebouw </al><al>Max. 75% </al><al>en =5m </al><al>=1 of </al><al>=2 m </al><al>=</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.2 Aanbouwen buiten de bebouwde kom </label>
            </kop>
            <al>Vrijstelling kan worden verleend onder de volgende voorwaarden: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor aanbouwen aan de zijgevel geldt dat deze ten minste 5 meter achter de voorgevel </al><al>liggen </al></li>
              <li nr="2."><al>De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.2.1 Specifieke voorwaarden bij aanbouwen voor de voorgevelrooilijn </label>
            </kop>
            <al>Medewerking aan bouwen voor de voorgevelrooilijn wordt zeer beperkt toegestaan omdat dit in de </al>
            <al>regel de stedenbouwkundige en architectonische opzet van het bouwwerk en de omgeving </al>
            <al>verstoord. Vrijstelling wordt daarom slechts verleend indien de aanbouw voldoet aan de volgende </al>
            <al>voorwaarden: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De overschrijding van de voorgevelrooilijn bedraagt niet meer dan 1,5 meter, gemeten vanuit </al><al>de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw. </al></li>
              <li nr="2."><al>De breedte bedraagt niet meer dan 50% van de breedte van de gevel van het woongebouw </al></li>
              <li nr="3."><al>De oppervlakte van de uitbouw bedraagt maximaal 6 m² </al></li>
              <li nr="4."><al>De afstand van de aanbouw tot de openbare weg bedraagt minimaal 10 meter. </al></li>
              <li nr="5."><al>De zijkant van de aanbouw staat op minimaal 50 cm afstand tot het hart van de bouwmuur </al><al>of is gekoppeld aan de aanbouw van de buren. </al><al>50% </al><al>=50 cm </al><al>=1,5 m </al><al>=10 m </al><al>Hoofdgebouw </al><al>voorgevelrooilijn </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.5 Bijgebouwen; Algemene voorwaarden</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Medewerking aan vrijstelling wordt slechts verleend voor bijgebouwen achter </al>
              <al>de voorgevelrooilijn. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bijgebouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het </al>
              <al>hoofdgebouw. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het bijgebouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide </al>
              <al>kapvorm, helling- en nokrichting. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag </al>
              <al>boven vloerpeil van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter, </al>
              <al>gemeten boven vloerpeil. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De functie van het bijgebouw mag niet detailhandel en/of wonen zijn. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.5.1 Bijgebouwen binnen de bebouwde kom </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet </al>
              <al>meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het </al>
              <al>totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m². </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het </al>
              <al>totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m² </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van bijgebouwen aan de zijgevel van het </al>
              <al>hoofdgebouw bedraagt minimaal 1 meter indien de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de </al>
              <al>openbare weg of het openbaar groen </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt 3 meter indien het een geschakelde woning </al>
              <al>betreft en 5 meter in geval van een vrijstaande woning. </al>
              <al>=3 of </al>
              <al>=5 m </al>
              <al>Hoofdgebouw </al>
              <al>Max. </al>
              <al>75% </al>
              <al>en = 5m </al>
              <al>=1 </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.5.2. Bijgebouwen buiten de bebouwde kom </label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het perceelsgedeelte mag, het hoofdgebouw niet meegerekend in totaal voor niet meer dan </al>
              <al>50% worden bebouwd, met een maximum van 65 m². </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien bestaande bijgebouwen worden vervangen door nieuwe bijgebouwen mag een </al>
              <al>oppervlakte bebouwd worden die bestaat uit: </al>
              <al>De oppervlakte van de bestaande bijgebouwen – (de oppervlakte van de bestaande </al>
              <al>bijgebouwen - 65 m²)/2 </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt minmaal 5 m. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 m. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.6 Dakkapellen op achterdak- en zijdakvlakken (niet gericht naar openbare weg en het openbare groen) van woningen.</label>
            </kop>
            <al> Sinds 2003 kunnen dakkapellen op achterdakvlakken en zijvlakken die niet zijn gericht naar de </al>
            <al>openbare weg of het openbare groen, onder bepaalde voorwaarden vergunningsvrij worden </al>
            <al>geplaatst. Eén van de randvoorwaarden is dat de afstand van de onderzijde van de dakkapel tot aan </al>
            <al>de dakvoet maximaal één meter mag bedragen. Bij woningen met dakoverstekken is, omdat deze </al>
            <al>maat veelal wordt overschreden, een bouwvergunning noodzakelijk. Deze aanvragen zijn in strijd met </al>
            <al>het bestemmingsplan omdat hier vaak een maximale breedte is gedefinieerd die minder ver gaat dan </al>
            <al>vergunningvrij mogelijk is. Woningen zonder dakoverstek hebben hier geen last van en er ontstaat </al>
            <al>een onlogische inperking van bouwmogelijkheden voor burgers die toevallig een woning met </al>
            <al>dakoverstek bezitten. </al>
            <al>Meewerking aan vrijstelling voor dakkapellen wordt slechts verleend bij bouwaanvragen voor </al>
            <al>dakkapellen die voldoen aan de randvoorwaarden voor vergunningsvrij bouwen behoudens de </al>
            <al>bovengenoemde 1 metermaat en de overschrijding van de 1 metermaat is een gevolg van een </al>
            <al>dakoverstek. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.7 Vlaggenmasten, baniermasten, reclamezuilen en hekwerken op</label>
            </kop>
            <al>voor- en zij-erven van bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen </al>
            <al>Op bedrijventerreinen laten de bestemmingsplannen op voor- en zijerven veelal geen bebouwing in </al>
            <al>enige vorm toe. Uit de praktijk blijkt dat op deze erven behoefte is aan het plaatsen van </al>
            <al>vlaggenmasten, banieren, reclamezuilen en hekwerken (ter beveiliging). Dit soort elementen is, mits </al>
            <al>de architectuur en stedenbouwkundige situatie wordt gerespecteerd, aanvaardbaar. Om deze reden </al>
            <al>wordt in dergelijke gevallen medewerking aan een vrijstellingsprocedure verleend onder de volgende </al>
            <al>voorwaarden: </al>
            <al/>
            <al>Vlaggenmasten en baniermasten: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Maximaal één mast per 10 meter gevellengte van de gevels van het bedrijfsgebouw die </al><al>zijn georiënteerd naar de openbare weg; </al></li>
              <li nr="2."><al>Minimale afstand tot gevel van bedrijfsgebouw bedraagt 5 meter; </al></li>
              <li nr="3."><al>Maximale hoogte 8 meter. </al><al/></li>
            </lijst>
            <al>Reclamezuilen: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Afstand tot gevel van bedrijfsgebouw minimaal drie meter; </al></li>
              <li nr="2."><al>Maximale breedte 1 meter; </al></li>
              <li nr="3."><al>Maximale hoogte 3 meter. </al><al/></li>
            </lijst>
            <al>Hekwerken: </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Maximale hoogte 2,2 meter;</al></li>
              <li nr="2."><al>Op hekwerk geen hogere elementen in de vorm van lampen, prikkeldraad e.d.;</al></li>
              <li nr="3."><al>Hekwerk in transparante vorm (bv. spijlenhekwerk);</al></li>
              <li nr="4."><al>Hekwerk in donkere kleur (bv. donkergrijs, antraciet, donkergroen).</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering.</al></slotformulering></regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1:</nr>
          <titel>Begrippen</titel>
        </kop>
        <al>Aanbouw </al>
        <al>Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe </al>
        <al>verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in </al>
        <al>architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. </al>
        <al>Bijgebouw </al>
        <al>Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat doorde vorm onderscheiden kan worden </al>
        <al>van het hoofdgebouw,waarmee het niet in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht </al>
        <al>ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. </al>
        <al>Rooilijn </al>
        <al>De lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg </al>
        <al>afgekeerde zijde niet mag worden overschreden. </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>