<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR210461_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GB2012-056</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">aert. 147 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-11-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Rvs 63/2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>APV</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.<onderstreept>Openbare plaats</onderstreept>: </al><al>een voor publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als
                            bedoeld onder b; zie ook art.1 Wet openbare manifestaties; </al><lijst><li nr="b."><al><onderstreept>Weg</onderstreept>:</al><al> weg als bedoeld in artikel 1 eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Openbaar water</onderstreept>:</al><al> wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze
                                    toegankelijk zijn; </al></li><li nr="d."><al><onderstreept>Bebouwde kom</onderstreept>: </al><al> de bebouwde kom of kommen waarvan de gedeputeerde staten de
                                    grenzen hebben vastgesteld;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Rechthebbende</onderstreept>:</al><al> degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een
                                    zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>Bouwwerk</onderstreept>:</al><al> bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; elke
                                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                    materiaal, welke op de plaats van bestemming, hetzij direct of
                                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                    steun vindt in of op de grond;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>Gebouw</onderstreept>:</al><al> gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>Handelsreclame</onderstreept>:</al><al> iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee
                                    kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>Bevoegd gezag</onderstreept>: bestuursorgaan als
                                    bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet Algemene
                                    bepalingen Omgevingsrecht;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>Vierdaagsefeesten en de vierdaagse(marsen):
                                        Vierdaagse feesten: jaarlijkse feesten die
                                        starten</onderstreept> op de zaterdag voorafgaande aan de
                                    derde week van juli en eindigen in de nacht van vrijdag/zaterdag
                                    in de derde week van juli. Vierdaagse(marsen): jaarlijkse
                                    wandeltocht van dinsdag tot en met vrijdag in de derde week van
                                    juli.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd met ten hoogste negen weken</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een aanvraag om
                                een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, artikel 2.1.5.3,
                                artikel 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsemarsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de
                                vierdaagsemarsen wordt ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar
                                waarin de vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag
                                betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid,
                                afwijken van de in lid 1 bedoelde termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op aanvragen voor vergunningen als bedoeld in artikel
                                3.2.1 </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3:9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.2, 2.1.5.3,
                                2.4.15, 4.4.2 en 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                            krachten deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.11</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt; </al><lijst><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                        vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege
                                        het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                        vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                        ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Een besluit tot intrekking of wijziging van een vergunning of
                                ontheffing is met redenen omkleed;</al><lijst><li nr="b."><al>dit besluit wordt niet genomen dan nadat de houder van de
                                        vergunning of ontheffing in de gelegenheid is gesteld binnen
                                        een door het bevoegde orgaan te stellen termijn zijn oordeel
                                        kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit
                                        besluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.12</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.13</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.14</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.15</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid; </al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid; </al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.16</nr><titel>Positieve fictieve beschikking</titel></kop><al>1.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                            fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor
                            de volgende artikelen in deze verordening:</al><al>a.Artikel 2.1.4.1: Ontheffing van het verbod optreden als
                            straatartiest;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.17</nr><titel>Positieve fictieve beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="·"><al>Artikel 2.2.2.: Evenementenvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.2.7: Voetbalvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.1.6: Exploitatievergunning openbare
                                        inrichtingen;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.1.5: Terrasvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.3.2: Exploitatievergunning
                                        speelgelegenheden;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 3.2.1: Exploitatievergunning seksinrichtingen en
                                        escortbedrijven;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 3.2.6 (bijlage 2A): registratie tippelzone;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 5.8.2: Ontheffing van het verbod tot recreatief
                                        nachtverblijf buiten kampeerterreinen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg zich tezamen met anderen te
                                        begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te
                                        nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                        uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden,
                                        dan wel te vechten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het
                                        bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenkomsten, betogingen en optochten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Kennisgeving samenkomst, vergadering of betoging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging, een vergadering of een betoging te
                                        houden, geeft hiervan voor de openbare aankondiging daarvan
                                        en tenminste 48 uur voor de aanvang, schriftelijk kennis aan
                                        de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft om op een openbare plaats op
                                        een vooraf bepaalbaar tijdstip een regelmatig terugkerende
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging te houden, geeft hiervan voor de openbare
                                        aankondiging daarvan en ten minste 48 uur voordat deze voor
                                        de eerste keer gehouden zal worden na de inwerkingtreding
                                        van dit artikel, eenmalig schriftelijk kennis aan de
                                        burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                        eerste en in het tweede lid genoemde termijn van 48 uur
                                        verkorten en/of een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                        verklaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, is niet van
                                        toepassing op overtreding van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de kennisgeving wordt opgave gedaan van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene, die de samenkomst,
                                                vergadering of betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de samenkomst, vergadering of
                                                betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de samenkomst, vergadering of
                                                betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang
                                                en beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene, die de samenkomst, de
                                                vergadering of betoging houdt, zal treffen om een
                                                regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs,
                                        waarin in ieder geval het tijdstip van de kennisgeving is
                                        vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen en dergelijke op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of
                                        gids op of aan de weg op te treden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien
                                        wordt voldaan aan door de burgemeester te stellen nadere
                                        regels ten aanzien van de plaatsen, uren waarbinnen, duur en
                                        wijze van optreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al>1 Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen
                                    of stoffen in, op, aan of boven de weg aan te brengen, te hebben
                                    of achter te laten. </al><al>2 Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwobjecten, voor zover deze niet zodanig zijn
                                            opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen
                                            opleveren mits wordt voldaan aan de door het college te
                                            stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen
                                            van deze voorwerpen of stoffen;</al></li><li nr="b."><al>objecten op de weg bij feesten als bedoeld in artikel
                                            2.2.1 tweede lid onder e , voor zover deze niet zodanig
                                            zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen
                                            opleveren en mits wordt voldaan aan de door het college
                                            te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen
                                            van deze voorwerpen of stoffen;</al></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                            kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                            laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden
                                            verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat
                                            onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
                                            voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                            verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; </al></li><li nr="d."><al>voertuigen; </al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard; </al></li><li nr="f."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.5;</al></li><li nr="g."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3 en
                                            uitstallingen als bedoeld hierna onder h;</al></li><li nr="h."><al>uitstallingen, mits gelegen in door het college
                                            aangewezen gebieden en indien voldaan is aan de door het
                                            college gestelde regels ten aanzien van
                                            uitstallingen;</al></li><li nr="i."><al>spandoeken mits aangebracht op de door het college
                                            aangewezen locaties en voldaan is aan de door het
                                            college vastgestelde regels omtrent spandoeken;</al></li><li nr="j."><al>informatiekramen voor zover er niet commerciële
                                            informatie wordt verschaft aan het publiek mits wordt
                                            voldaan aan de door het college gestelde regels omtrent
                                            informatiekramen. </al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg
                                                  een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens
                                                  worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of
                                                  te hebben, indien:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of
                                            plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,</al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg.</al></li></lijst><al>4 Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                    weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    daaronder verstaat. </al><lijst><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                                  de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                                  de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                                  het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                  overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                  gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                            Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement,
                                            artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
                                            verkeerstekens 1990 of de Gelderse wegenverordening van
                                            toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                        weg aan te leggen, de verharding van een weg op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan hetgeen artikel l van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van
                                        gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap ter
                                        uitvoering van zijn of haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Gelderse
                                        wegenverordening, de Algemene Verordening Ondergrondse
                                        Infrastructuur van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                            gezag.</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van
                                                  een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                                  naar de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                  omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van de groenvoorziening in de
                                                  gemeente.</al></li></lijst></li></lijst><al>4 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994, de Waterschapskeur of de Gelderse wegenverordening van
                                    toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere
                                        beplanting, die aan personen en aan het wegverkeer het vrije
                                        uitzicht kan belemmeren of op andere wijze hinder of gevaar
                                        kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te
                                        knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na
                                        aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een
                                        door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun
                                        aanwijzingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te
                                        plaatsen of te hebben dat aan personen en aan het wegverkeer
                                        het uitzicht belemmert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken en dergelijke</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen, koekoeken en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden aan of in wegen openingen of ingangen van
                                        kelders, regenbakken of putten te hebben, tenzij de
                                        openingen of ingangen gedekt zijn met luiken van geribd
                                        scheepsplaat van een gewicht van tenminste 50 kg per
                                        vierkante meter, welke zuiver vlak en vastliggen op een
                                        hardstenen rand of ijzeren ramen en gelijk van hoogte zijn
                                        met het omliggende wegdek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5,
                                        eerste lid onder h van het Rijkswegenreglement, de Gelderse
                                        wegenverordening of artikel 385 Nijmeegse Bouwverordening
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>(Dit artikel is aangepast en vernummerd tot artikel
                                        4.3.7)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Rookverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen of op heidegronden of
                                        binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen periode. Deze
                                        aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig
                                        artikel 3:42 Algemene Wet Bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen of op heidegronden of binnen een
                                        afstand van honderd meter daarvan brandende of smeulende
                                        voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                        liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 3e van het
                                        Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7a</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden
                                        en gedurende de door de burgemeester aangewezen tijden in de
                                        open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzingbesluit als bedoeld in het eerste lid kan
                                        enkel voorschriften bevatten ter bescherming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de flora en fauna;</al></li><li nr="b."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="c."><al>de openbare veiligheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van
                                        het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan twee meter
                                        boven de hoogte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de
                                        uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders
                                        aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek
                                        toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels,
                                        slagwapens of andere voorwerpen die als wapen gebruikt
                                        kunnen worden, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                        behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                        munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze
                                        voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar
                                        komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen,
                                        borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                                        of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis
                                        aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun
                                        voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                        van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als gebouwen of bouwwerken hoger dan twee meter te plaatsen
                                        of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische
                                        spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                        toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van objecten die deel uitmaken van de
                                        hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.12</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of
                                        de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoop-, theater- en schouwburgvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen, indien dit
                                            onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van
                                            de inrichting en gedurende minimaal 40 weken per jaar
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2.2.6 tot en
                                            met 2.2.11 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1,
                                            2.1.4.2 en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>het voor publiek muziek ten te gehore brengen, behoudens
                                            straatmuziek;</al></li><li nr="d."><al>een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als
                                            bedoeld in artikel 2.1.2.1;</al></li><li nr="e."><al>een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een
                                    natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de
                                    bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde,
                                    die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet
                                    houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in
                                    het eerste lid moet worden ingediend uiterlijk 12 weken vóór de
                                    datum van het evenement. De burgemeester kan voor bijzondere
                                    en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor
                                    vermelde termijn afwijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de woon- en leefklimaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd categorieën evenementen aan te wijzen
                                    waarvoor in verband met relatief geringe omvang of anderszins
                                    weinig hinder opleverende aard het verbod in het eerste lid niet
                                    geldt, mits de door het college te stellen algemene regels
                                    worden nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede
                                    lid, onder d, van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
                                    juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Beëindiging evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de
                                    veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of
                                    gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het
                                    bevel geven een evenement te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement
                                    feitelijk de leiding heeft, is verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester
                                    hiertoe een bevel geeft;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de
                                    burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement
                                    toegelaten wordt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde
                                    toegang hebben tot het evenement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een
                                    ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat
                                    evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding
                                    heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het
                                    evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het
                                    evenement toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien
                                    waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, of in het
                                    derde lid gegeven is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Verwijderplicht</titel></kop><al>Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als
                                bedoeld in artikel 2.2.4 is gegeven, is een ieder die zich op de
                                plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op
                                eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich
                                terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen
                                richting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Betaald voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder organisator verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de betaalvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de
                                    betaalvoetbalorganisatie NEC als thuis spelende ploeg betrokken
                                    is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen
                                    een amateurvoetbalorganisatie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten
                                    de gemeente Nijmegen, waarbij ten minste één
                                    betaalvoetbalorganisatie is betrokken;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een
                                    voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één
                                    betaalvoetbalorganisatie is betrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd
                                    georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Voetbalvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de organisator verboden zonder vergunning van de
                                    burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.
                                    Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk
                                    vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd. De
                                    burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de
                                    uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de
                                    vergunning voorschriften verbinden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Verbod voetbalwedstrijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd
                                    verbieden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de
                                    openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de krachtens artikel 2.2.7, derde lid, opgelegde
                                    voorschriften niet worden nageleefd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien geen of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een
                                    verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.9</nr><titel>Orde in verband met voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd
                                    tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet
                                    toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te
                                    verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.10</nr><titel>Verwijderingplicht voetbalsupporters</titel></kop><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen
                                manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van
                                een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie
                                het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren,
                                zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar
                                van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het
                                bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te
                                begeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.11</nr><titel>Stadionomgevingsverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een
                                    persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de
                                    omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur voor het
                                    vastgestelde aanvangstijdstip van een voetbalwedstrijd in het
                                    stadion tot 4 uur na afloop van de voetbalwedstrijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde
                                    periode welke niet langer is dan 24 maanden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf en de daaruit volgende bepalingen wordt
                                        verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan
                                        behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken
                                        van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt
                                        uitgeoefend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door
                                        middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken
                                        of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden
                                        bereid om te worden afgehaald;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting
                                        exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van
                                        die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                        persoon of personen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in
                                        een inrichting;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede diens
                                        elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
                                        onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de personen die voorkomen in het register, bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in
                                        hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie
                                        of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis,
                                        deze inrichting van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers
                                        geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te
                                        laten verblijven.</al><al> De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van
                                        tijdelijke aard ontheffing te verlenen van dit verbod.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet
                                        tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00 uur voor publiek
                                        gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                        leefmilieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor
                                        publiek toegankelijke ruimte gesloten dient te zijn, zich
                                        daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor
                                        zover op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                        vergunningsvoorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2a</nr><titel>Venstertijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Drank-
                                        en Horecawet, onverminderd de bevoegdheid om voor reeds
                                        aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen
                                        04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van
                                        toepassing in de nacht van 31 december op 1 januari.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Toegang ambtenaren van politie</titel></kop><al>De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht er
                                    voor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg
                                    onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die
                                    inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers
                                            geopend is; dan wel</al></li><li nr="b."><al>gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te
                                            zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig
                                            zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig
                                        spel waarbij met of om geld - voor geld inwisselbare
                                        voorwerpen daaronder begrepen - wordt gespeeld, dan wel
                                        daartoe gelegenheid te geven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Terrasvergunningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning tot het hebben van een terras bevat in elk
                                        geval voorschriften met betrekking tot de terrasafmetingen,
                                        het onderhoud en de verzorging en het uiterlijk aanzien van
                                        het terras. Indien deze vergunning geen voorschriften
                                        omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het terras
                                        te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning ten behoeve van een of
                                        meer bij een horecabedrijf behorende terrassen
                                        weigeren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                        wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                        het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije
                                        omgeving van het terras;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien op het pand ten behoeve waarvan de terrasvergunning
                                        wordt aangevraagd krachtens het ter plaatse geldende
                                        bestemmingsplan geen horecabestemming rust.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van
                                        de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3van deze
                                        verordening te exploiteren (exploitatievergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor door de
                                        burgemeester aangewezen soorten inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij
                                        de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de
                                        burgemeester vast te stellen formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt
                                        tenminste:</al><al> a: opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de
                                        exploitant en de beheerder;</al><al> b: opgaaf gedaan van het adres en de aard en
                                        exploitatiewijze van de inrichting;</al><al> c: overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten
                                        behoeve van de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                        natuurlijke perso(o)n(en)- en beheerder afgegeven verklaring
                                        omtrent het gedrag;</al><al> d: overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de
                                        inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en
                                        een plattegrond van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig
                                        in behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                        gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De
                                        vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging
                                        of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de
                                        exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling
                                        te doen aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te
                                        verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te
                                        onderscheiden naar aard en exploitatiewijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Aanwezigheid van exploitant en beheerder</titel></kop><al>Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                    zonder dat de ingevolge artikel 2.3.1.6, zesde lid op de
                                    vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting
                                    aanwezig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Weigeringgronden exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, indien:</al><al> a: de vestiging of de exploitatie van de inrichting in
                                        strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure
                                        zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                        leefmilieuverordening;</al><al> b: de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester
                                        vastgestelde inrichtingseisen;</al><al> c: gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen
                                        gebied;</al><al> d: een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een
                                        rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of
                                        beheerder jonger is dan 21 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens
                                        oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie
                                        in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde
                                        weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met:</al><al> a: het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                        inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;</al><al> b: de aard van de inrichting;</al><al> c: de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
                                        van de inrichting;</al><al> d: de concentratie van inrichtingen in een bepaald
                                        gebied;</al><al> e: de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of
                                        beheerder van de inrichting in deze of andere
                                        inrichtingen;</al><al> f: de wijze van exploitatie van de inrichting in het
                                        verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd
                                        is gebleven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of
                                        de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het
                                        indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd
                                        die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is
                                        geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.9</nr><titel>Intrekkinggronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de
                                    vergunning intrekken:</al><al>a: indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de
                                    inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
                                    verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
                                    gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen
                                    voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
                                    inrichting;</al><al>b: indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat
                                    dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                    gepleegd;</al><al>c: indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten
                                    hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven
                                    van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een
                                    bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                                    van de inrichting;</al><al>d: indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich
                                    schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een
                                    verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering
                                    daarvan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.10</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt, indien:</al><al> a: gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen
                                        handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de
                                        vergunning;</al><al> b: er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor
                                        geen nieuwe vergunning is aangevraagd;</al><al> c: de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft
                                        verloren;</al><al> d: een vergunning, strekkende ter vervanging van de
                                        eerstbedoelde vergunning is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of
                                        beheerder deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke
                                        aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt
                                        ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c
                                        buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is
                                        beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.11</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de
                                        meldingsplicht voor alcoholvrije inrichtingen een melding
                                        hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving
                                        beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn
                                        opgetreden in de gemelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande
                                        inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet,
                                        etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het eerste en tweede lid genoemde inrichtingen na
                                        afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de
                                        exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om
                                        vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de
                                        burgemeester is beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende vier weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van
                                        inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2.3.1.1 op
                                        grond van het vervallen artikel 2.3.1.1 eerste lid onder b
                                        niet beschouwd werden als een inrichting, maar wel
                                        beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de
                                        burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde
                                        inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het vorige lid genoemde inrichtingen na afloop van
                                        de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant
                                        binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft
                                        ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is
                                        beslist.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde
                                        inrichtingen zijn de artikelen 2.3.1.6, zevende lid,
                                        2.3.1.8, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet
                                        van toepassing, voor zover er geen wijziging ten aanzien van
                                        de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2.3.1.8,
                                        vierde lid is niet van toepassing voor zover het sluitingen
                                        voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.3.1.6
                                        betreft.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een
                                        regeling, beschikt de burgemeester.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen
                                            tijdelijk de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                            gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="b."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel
                                    kampeert, is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn naam, woonplaats, dag
                                    van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a Wet: de Wet op de kansspelen; </al><al>b kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c
                                    van de Wet;</al><al>c speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek
                                    gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te
                                    beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van
                                    de Wet;</al><al>d exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de
                                    speelautomatenhal exploiteert;</al><al>e beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de
                                    onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Exploitatie speelautomatenhal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een
                                        vergunning verlenen, te weten: 2 speelautomatenhallen voor
                                        het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier
                                        de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het
                                        grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.3</nr><titel>Bescheiden vergunningaanvraag</titel></kop><al>De exploitant dient bij de vergunningaanvraag de volgende
                                    gegevens en bescheiden over te leggen:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij
                                            is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een
                                            plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de
                                            speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of
                                            behendigheidsautomaten worden opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van
                                            Koophandel;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over
                                            de ruimte te beschikken;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent het gedrag:</al></li><li nr="-"><al>van de exploitant dan wel, indien de exploitant een
                                            rechtspersoon is, van de tot vertegenwoordiging van die
                                            rechtspersoonbevoegde natuurlijke perso(o)n(en)</al></li><li nr="-"><al>van de beheerder;</al></li><li nr="e."><al>een verklaring dat hij beschikt over een
                                            exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste
                                            lid van de Wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.4</nr><titel>Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en
                                        beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de
                                        exploitant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder
                                        vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen
                                        verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.5</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede
                                        lid van de Wet, wordt de vergunning geweigerd, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                        speelautomatenhallen is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                        openbare weg voor het publiek toegankelijk is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft
                                        (hebben) bereikt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder(s) onder curatele staat
                                        (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen
                                        toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van
                                        het Burgerlijk Wetboek;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
                                        oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de
                                        naaste omgeving of het karakter van de
                                        winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig
                                        wordt beïnvloed;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                        oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel een
                                        stadsvernieuwingsplan c.q. leefmilieuverordening in de zin
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                        het vorige lid, onder b en onder c. Een ontheffing van het
                                        bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes
                                        maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.6</nr><titel>Beëindiging vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een overeenkomstig artikel 2.3.3.4, tweede lid, in de
                                        vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder
                                        heeft verloren, dient de exploitant onder overlegging van de
                                        in artikel 2.3.3.3, onder d, genoemde bescheiden, binnen
                                        drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvraag
                                        voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel
                                        exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand
                                        onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvraag is
                                        ingediend binnen drie maanden na het verlies van de
                                        hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.7</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid
                                    van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan
                                    de burgemeester de vergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan
                                            de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat
                                            een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.3.3.5,
                                            onder e;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een
                                            periode van langer dan zes maanden wordt
                                            onderbroken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.8</nr><titel>Voortzetting exploitatie na overlijden exploitant</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een exploitant komt te overlijden dient, indien
                                        voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen drie
                                        maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle andere gevallen van wisseling van exploitant dient
                                        binnen één maand na overname van de speelautomatenhal een
                                        nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang op een tijdig ingediende aanvraag niet is beslist, is
                                        voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming
                                        van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van
                                        rechtswege vervallen vergunning.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toezicht op kansspelautomaten in andere inrichtingen dan
                                    speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>a.Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>Kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in
                                            artikel 30, onder c, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>Hoogdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>Laagdrempelige inrichtingen: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In de hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2
                                            kansspelautomaten toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>In de laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten
                                            niet toegestaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><al>Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het
                                belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt,
                                verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te
                                bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen
                                gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in
                                de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend
                                    goed dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding,
                                    aan te plakken of op andere wijze aan te brengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid, aanhef en sub a gestelde verbod, geldt
                                    niet voor het aanplakken op daartoe door de gemeente geplaatste
                                    publicatieborden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer zaken met verboden handeling als kennelijk
                                    doel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende
                                    de openingstijden daarvan, een tas te vervoeren of aanwezig te
                                    hebben die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                    winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in die leden
                                    bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in die leden
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3.a</nr><titel>Handel in verdovende middelen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op of
                                aan de openbare weg te bevinden, indien redelijkerwijze kan worden
                                aangenomen, dat dit er kennelijk op gericht is een verdovend middel
                                als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                stof, te koop aan te bieden of de verkoop, aflevering of
                                verstrekking daarvan te bevorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3b</nr><titel>Gebruik harddrugs op straat</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen,
                                dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten
                                behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te
                                hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3c</nr><titel>Samenscholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer
                                    dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband
                                    houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling
                                    verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3
                                    van de Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of
                                    zich in de aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                    leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van
                                    de houder van de ruimte die het betreft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte
                                    verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar
                                    bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd
                                    dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de
                                    burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek
                                    toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid
                                    door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn,
                                    zich daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers
                                    verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de
                                    gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners van de bij de
                                    ruimte behorende woning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>logeergasten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt
                                    vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Verbod betreden van voor het publiek gesloten ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><al>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te
                                                bevinden op een beeld, monument, overkapping,
                                                constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,
                                                hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
                                                en daarvoor niet bestemt straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat
                                                aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg
                                                gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                                veroorzaakt. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis, of 431
                                        van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Verbod slapen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg op een voor anderen hinderlijke wijze als
                                    slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig,
                                    woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar dit
                                    verbod niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van
                                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid
                                    voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en
                                    beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld,
                                    verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op
                                    de Openluchtrecreatie van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6b</nr><titel>Overlast skateboarden</titel></kop><al>1.Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich
                                voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het is
                                verboden om te skateboarden.</al><lijst><li nr="3."><al>De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden
                                        aangewezen in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede
                                        begrepen de bescherming van verkeersdeelnemers en de
                                        verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg;</al></li><li nr="b."><al>de voorkoming of opheffing van hinder of overlast;</al></li><li nr="c."><al>de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat deel uitmaakt van of behoort bij een inrichting,
                                    als bedoeld in artikel 2.3.1.1 lid 1, onder a, sub 1;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gedeelte van de weg, waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                    artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7a</nr><titel>Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de
                                    burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende
                                    glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van
                                    dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel
                                    2.3.1.5;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van
                                    de Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel
                                    2.3.1.1 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf
                                    uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan
                                    een door de burgemeester aangewezen weg of weggedeelte, verboden
                                    dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of
                                    drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de
                                    burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst de wegen
                                    of weggedeeltes, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in
                                    het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor
                                    zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en
                                    dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze
                                    aanwijzing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort, onder een
                                    luifel, afdak, overkapping of onderdoorgang op te houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te
                                    zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Neerzetten van fietsen en bromfietsen</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="1."><al>indien dit schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor
                                        de bruikbaarheid van de</al><al> weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan, dan wel
                                        een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg;</al></li><li nr="2."><al>tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                                        gebouw dan wel in de</al><al> ingang van een portiek, indien:</al></li><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die doorgang gehinderd of die ingang versperd
                                        wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets bij publiek trekkende
                                    activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden op door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen
                                zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het
                                    verboden is om buiten de daarvoor aangewezen stallingruimten
                                    fietsen en bromfietsen te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-b</nr></kop><al>Het is verboden om een (brom-)fiets, al of niet voor onmiddellijk
                                gebruik geschikt, langer dan 4 weken onbeheerd in een
                                fietsenstalling in een door Burgemeester en Wethouders aangewezen
                                zone achter te laten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al><al>2 Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                bevindende persoon te bespieden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene,
                                    die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze te laten
                                    verblijven of lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op de weg zonder dat de hond aangelijnd en voldoende in zijn
                                    macht is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op de weg zonder dat de hond voorzien is van een aan de halsband
                                    bevestigde, van gemeentewege verstrekte, hondenpenning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen en als
                                    zodanig aangeduide plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het
                                    verbod sub a niet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene
                                    die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze zich van
                                    zijn uitwerpselen te laten ontdoen in tuinen van derden en op de
                                    weg met uitzondering van de als zodanig door het college van
                                    burgemeester en wethouders aangewezen en ingerichte
                                    hondenuitlaatplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod wordt opgeheven indien het gaat om openbare
                                    wegen en perken en de eigenaar, houder of verzorger van een hond
                                    dan wel degene die een hond onder zijn toezicht heeft, er zorg
                                    voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op of aan de openbare weg bevindt
                                    is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat
                                    geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel
                                    aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of hem, die
                                    een hond onder zijn toezicht heeft verboden die hond te laten
                                    verblijven of te laten lopen op de weg of enig andere -al dan
                                    niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke plaats of
                                    op het terrein van een ander:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd en voldoende in iemands macht, nadat
                                    burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk
                                    hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                    achten en zij een kortaanlijngebod in verband met het gedrag van
                                    die hond noodzakelijk vinden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat
                                    burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk
                                    hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                    achten en zij een kortaanlijn- en muilkorfgebod in verband met
                                    het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                    Regeling agressieve dieren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Bescherming tegen gevaarlijke honden op eigen erven</titel></kop><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem, die een
                                hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf
                                zonder muilkorf te laten loslopen, indien burgemeester en wethouders
                                hebben medegedeeld, dat zij het dier gevaarlijk achten, dan wel
                                indien de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en
                                verdedigingswerk, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>op een vanaf de weg zichtbare plaats een -ter beoordeling
                                        van burgemeester en wethouders- duidelijk leesbaar
                                        waarschuwingsbord is aangebracht;</al></li><li nr="b."><al>de gelegenheid bestaat een brievenbus te bereiken en aan te
                                        bellen zonder dat men het erf behoeft te betreden;</al></li><li nr="c."><al>het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke
                                        afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet
                                        buiten het erf kan komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><al>1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                Milieubeheer, plaatsen aanwijzen </al><al>waar ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de
                                openbare gezondheid </al><al>verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        hem gestelde regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        plaats daarbij aangeduide </al></li></lijst><al>dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                aanwezig te hebben in een groter aantal dan door</al><al>het college is aangegeven.</al><al>3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                verbod. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee en kleinvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of kleinvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee en kleinvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar;</al></li><li nr="c."><al>horecabedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub a;</al></li><li nr="d."><al>houder: de exploitant of beheerder als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub b en c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten ten aanzien van de verkoop of
                                    overdracht van bepaalde categorieën gebruikte of ongeregelde
                                    goederen de verplichting op te leggen een verkoopregister bij te
                                    houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De handelaar houdt de verkoop of op andere wijze overdracht van
                                    aangewezen goederen als bedoeld in het eerst lid bij in een
                                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                                    register en vermeldt daarin onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van</titel></kop><al><onderstreept>Strafrecht </onderstreept></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij in overeenstemming met het bepaalde in artikel
                                        437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                        burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                        schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                                        te doen van zijn woonadres en van het volledige adres van
                                        elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
                                        gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de onder a bedoelde functionaris.;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.2.1, 2.1.5.1, 2.1.5.2,
                                2.1.6.4, 2.1.6.8, 2.1.6.8a, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.4.6, 2.4.7,
                                2.4.8, 2.4.9 en 4.3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening van
                                de gemeente Nijmegen groepsgewijze niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Spreiding van vuurwerk verkooppunten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Vuurwerk verkooppunten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor
                                    zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het
                                    in het belang van de openbare orde en in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde
                                    afstandscriterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in
                                    werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke
                                    aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer
                                    indienden, geldt het verbod van lid 1 niet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                    plaatsen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>parkeerterreinen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet
                                    onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet
                                    openbare manifestaties (Wom) vallen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden
                                    cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de
                                    gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht;</al><al>f raamprostitutiebedrijf: een seksinrichting met één of meer ramen
                                van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op
                                zich te vestigen;</al><al>g straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan
                                wel aanlokken;</al><al>h exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>i beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>j bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al> 1 de exploitant;</al><al> 2 de beheerder;</al><al> 3 de prostituee;</al><al> 4 het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al><al> 5 toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a</al><al> 6 andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de
                                bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. </al><al>2 Het bevoegd orgaan kan een maximum stellen aan het aantal te
                                verlenen vergunningen.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval overgelegd respectievelijk vermeld:</al><al> a de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b de persoonsgegevens van de beheerder; </al><al> c vervallen;</al><al> d de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al> e de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting
                                        door middel van een situatietekening met een schaal van
                                        tenminste 1:1000;</al><al> f een plattegrond van de seksinrichting door middel van een
                                        tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al><al> g een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                        Kamer van Koophandel;</al><al> h een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                        tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                        seksinrichting.</al></li><li nr="4."><al>Een aanvraag om een vergunning voor een seksinrichting wordt
                                        in behandeling genomen als blijkt dat er een aanvraag voor
                                        een geschiktheidsverklaring is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                    door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                    Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                    artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                    toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan driehonderd vijfenzeventig euro
                                    bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van
                                    beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van
                                    de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    perso(o)n(en) - of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor
                                    ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                                    gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1
                                    is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen
                                    verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1 Het bevoegd orgaan kan door middel van voorschriften als bedoeld
                                in artikel 1.9 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden
                                vaststellen. </al><al>2 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden.</al><al>3 Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 eerste lid, gesloten
                                dient te zijn.</al><al>4 Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al>1 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan
                                het bevoegd bestuursorgaan:</al><al> a tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid,
                                geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. </al><al>2 De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe
                                te zien dat in de seksinrichting:</al><al> a geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek
                                van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                                en munitie;</al><al> b geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet bepaalde. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1 Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet op of aan door het
                                college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en gebieden,
                                indien de bij dat besluit vastgestelde voorschriften in acht worden
                                genomen; deze voorschriften betreffen in ieder geval de tijden,
                                waarop het verbod in het eerste lid vermeld niet geldt, de leeftijd
                                van de prostituee en de locatie waar het afwerken dient te
                                geschieden.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit met beleidsregels:
                                        bijlagen 2A-1 en 2A-2 bij de
                                slotpagina's)</cursief></vet></al><al>3 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon
                                opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht van de gemeente
                                Nijmegen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                richting te verwijderen.</al><al>4 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het tweede lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>5 Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden op de in lid 2 bedoelde wegen en
                                gebieden dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een
                                ander doel dan waarvoor deze gebieden zijn bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><onderstreept>goederen, afbeeldingen en
                                dergelijke</onderstreept></al><al>1 Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al> a indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al> b anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringgronden;</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</al><al>2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>1 De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                geweigerd indien:</al><al> a de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                perso(o)n(en) - of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2
                                gestelde eisen;</al><al> b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in
                                procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                leefmilieuverordening;</al><al> c er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel
                                250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de
                                Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al><al> d de aanvrager niet door het overleggen van een door het college
                                van burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidverklaring kan
                                aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3
                                gestelde nadere regels;</al><al> e het maximale aantal af te geven vergunningen voor
                                seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend;</al><al> f de vergunning is aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf dat
                                niet is gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even
                                nummers).</al><al>2 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, kan
                                worden geweigerd:</al><al> a in het belang van de openbare orde;</al><al> b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                het woon- en leefklimaat;</al><al> d in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1 De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid,
                                onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd,
                                geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
                                beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2,
                                eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Verbod geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om met toestellen of geluidsapparaten dan
                                        wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor
                                        een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                        wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen
                                        worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het
                                        eerste lid ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid van het artikel omschreven verbod
                                        geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college te
                                        stellen nadere regels met betrekking tot het vrijstellen van
                                        bepaalde soorten geluidhinder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de
                                        Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of
                                        het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>"Festiviteitenregeling voor inrichtingen"</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                            milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>Inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in
                                            het Besluit; </al></li><li nr="c."><al>Houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                            bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                            drijft; </al></li><li nr="d."><al>Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek
                                            aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
                                        </al></li><li nr="e."><al>Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                            gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
                                        </al></li><li nr="f."><al>Geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op
                                            grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden
                                            aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
                                            uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                            inrichting; </al></li><li nr="g."><al>Stadscentrum: Het gebied van de stad Nijmegen, dat wordt
                                            afgebakend door de spoorbrug, Waal, Generaal James
                                            Gavinweg, Keizer Trajanusplein, St. Canisiussingel,
                                            Oranjesingel, Keizer Karelplein, Van Schaek
                                            Mathonsingel, Stationsplein en de Spoorlijn
                                            Arnhem-Nijmegen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Algemene voorwaarden</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                        2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                        kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                        gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                        van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                        4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld onder a) en b), kan het
                                        college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde
                                        gebieden en/of voor bepaalde inrichtingen. </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit aanwijzen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarden voor collectieve festiviteiten</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                        inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) / 78 dB(C),
                                        gemeten op 1 meter buiten de gevel van gevoelige gebouwen op
                                        een hoogte van 1,5 meter boven plaatselijk maaiveld. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                        bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege. </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                        gehore brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm als
                                        bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit -
                                        uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Tijdens de collectieve festiviteit blijven ramen en deuren
                                        gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                        personen of goederen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvullende voorwaarden voor de Vierdaagsefeesten</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                        inrichting tijdens de vierdaagsefeesten, bedraagt niet meer
                                        dan 80 dB(A) / 93 dB(C), gemeten op 5 meter van een geheel
                                        of gedeeltelijk geopende gevel van een inrichting.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                        bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De luidspreker(s) moeten binnen het gebouw zijn
                                        opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>De luidspreker(s) binnen 3 meter van een geheel of
                                        gedeeltelijk geopende gevel mogen niet geheel of
                                        gedeeltelijk naar de geopende gevel zijn gericht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al>1.<vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twee
                                            incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
                                            waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen
                                            2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing
                                            zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                            weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                            daarvan in kennis heeft gesteld. </al></li><li nr="b."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal
                                            twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar de
                                            verlichting langer aan te houden ten behoeve van
                                            sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 lid 1 van het
                                            Besluit niet van toepassing is mits de houder van de
                                            inrichting ten- minste twee weken voor de aanvang van de
                                            festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                            gesteld.</al></li><li nr="c."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van
                                            een kennisgeving.</al></li><li nr="d."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                            formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                            ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="e."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan
                                            wanneer het college op een schriftelijk verzoek van de
                                            houder van een inrichting een incidentele festiviteit,
                                            die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                            toestaat.</al></li></lijst><al><vet>2. Specifiek aangewezen gebieden</vet></al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>Het is een inrichting die niet gelegen is in het
                                                  stadscentrum, toegestaan om één van de twee
                                                  incidentele festiviteiten binnen de inrichting
                                                  maar buiten een gebouw van de inrichting te laten
                                                  plaatsvinden. </al></li><li nr="b."><al>Voor deze incidentele festiviteiten gelden de
                                                  voorschriften uit de Beleidsregels geluid bij
                                                  evenementen in de openlucht.</al></li><li nr="c."><al>Het is het Openluchttheater gelegen aan de
                                                  Steinweglaan 2 te Nijmegen toegestaan maximaal zes
                                                  incidentele festiviteiten per kalenderjaar te
                                                  houden waarbij de geluidnormen uit het Besluit
                                                  niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                                  inrichting tenminste twee weken voor de aanvang
                                                  van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                                  heeft gesteld.</al></li><li nr="d."><al>Het is de Atletiekbaan, gelegen aan de
                                                  Heemraadstraat 3 te Nijmegen toegestaan maximaal
                                                  zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te
                                                  houden waarbij de geluidnormen uit het Besluit
                                                  niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                                  inrichting tenminste twee weken voor de aanvang
                                                  van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                                  heeft gesteld.</al></li><li nr="e."><al>Het is de Vasim, gelegen aan de Winselingseweg
                                                  41 te Nijmegen toegestaan maximaal zes incidentele
                                                  festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij
                                                  de geluidnormen uit het Besluit niet van
                                                  toepassing zijn mits de houder van de inrichting
                                                  tenminste twee weken voor de aanvang van de
                                                  festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                                  gesteld. </al></li><li nr="f."><al>Het is een inrichting, gelegen aan een locatie
                                                  zoals benoemd in de Beleidsregels geluid bij
                                                  evenementen in de openlucht, toegestaan om een
                                                  incidentele festiviteit te houden op de dagen en
                                                  tijden dat op die locatie openbare evenementen
                                                  plaatsvinden als bedoeld in Hoofdstuk 2 Afdeling 2
                                                  van deze Algemene Plaatselijke Verordening.</al></li><li nr="g."><al>Een incidentele festiviteit buiten een gebouw en
                                                  binnen de inrichting die aan een locatie of binnen
                                                  de invloedssfeer van een locatie zoals benoemd in
                                                  de Beleidsregels geluid bij evenementen in de
                                                  openlucht ligt, kan worden gehouden indien de
                                                  maximaal toegestane gebruiksfrequentie, zoals
                                                  bedoeld in de Beleidsregels geluid bij evenementen
                                                  in de openlucht niet wordt overschreden. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Aanvullende voorwaarden voor incidentele
                                                festiviteiten binnen een gebouw van een
                                                inrichting</vet></al></li><li nr="a."><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                            inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A) / 78 dB(C),
                                            gemeten op 1 meter buiten de gevel van geluidgevoelige
                                            gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></li><li nr="b."><al>Het ten gehore brengen van muziek - hoger dan de
                                            geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                            2.20 van het Besluit wordt uiterlijk om 01.00 uur
                                            beëindigd.</al></li><li nr="c."><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                            bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens incidentele festiviteiten blijven ramen en
                                            deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk
                                            doorlaten van personen of goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Een incidentele festiviteit mag niet worden gehouden tijdens
                                        een door het college voor bepaalde locaties vastgesteld
                                        evenementenvrij weekend, zoals vermeld in de Beleidsregels
                                        geluid bij evenementen in de openlucht. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Een incidentele festiviteit mag niet worden gehouden door
                                        een inrichting aan welke inrichting door het college een
                                        last onder dwangsom is opgelegd of een andere
                                        bestuursrechtelijke maatregel is getroffen wegens
                                        geluidsoverlast.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 551 zoals sindsdien
                                            gewijzigd);</al></li><li nr="b."><al>autowrakken: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
                                            wet;</al></li><li nr="c."><al>inzameldienst: de dienst bedoeld in artikel
                                            4.2.1.2;</al></li><li nr="d."><al>wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden, de zijkanten;</al></li><li nr="e."><al>motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om
                                            anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen
                                            uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of
                                            aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door
                                            elektrische tractie met stroomtoevoer van elders;</al></li><li nr="f."><al>doelmatige verwijdering:</al><al> zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder
                                            geval:</al></li><li nr="1."><al>de continuïteit van de verwijdering wordt
                                            gewaarborgd;</al></li><li nr="2."><al>de afvalstoffen (met inachtneming van artikel 10.1, Wm)
                                            op effectieve en efficiënte wijze wordt verwijderd;</al></li><li nr="3."><al>de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is
                                            afgestemd op het aanbod te verwijderen
                                            afvalstoffen;</al></li><li nr="4."><al>een onevenwichtige spreiding van
                                            afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen;</al></li><li nr="5."><al>een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is
                                            en</al></li><li nr="6."><al>gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of in de
                                            bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij buiten gebruik
                                            is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu
                                            veroorzaakt;</al></li><li nr="g."><al>afvalstoffen:</al><al> alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan
                                            de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan
                                            - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet
                                            ontdoen;</al></li><li nr="h."><al>huishoudelijke afvalstoffen:</al><al> afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens,
                                            afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen,
                                            behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde
                                            bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn
                                            aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;</al></li><li nr="i."><al>grof huisafval:</al><al> huishoudelijke afvalstoffen die te groot en/of te zwaar
                                            zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke
                                            afvalstoffen aan de inzameldienst te worden
                                            aangeboden;</al></li><li nr="j."><al>restafval: huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering
                                            van klein chemisch afval, groente-, fruit- en tuinafval,
                                            glas, oud papier en karton, textiel en grof
                                            huisafval.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.2</nr><titel>Inzameldienst</titel></kop><al>Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en
                                    deze afdeling inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen DAR
                                    NV.</al><al>DAR NV wordt hiertoe concessie verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1</nr><titel>Uitsluiting grof huisafval</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op grof
                                    huisafval, behoudens voor zover bij artikel 4.2.3.4
                                    bepaalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1a</nr><titel>Overdragen of aanbieden restafval aan de
                                        inzameldienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Restafval wordt éénmaal per week door de inzameldienst
                                        ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen over te dragen
                                        of ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de
                                        inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        burgemeester en wethouders krachtens paragraaf 4 van deze
                                        afdeling aan anderen dan de inzameldienst vergunning hebben
                                        verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde wordt
                                        restafval door de inzameldienst bij laagbouw éénmaal per
                                        twee weken ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet in het gebied
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.2</nr><titel>De dagen en tijden voor het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen dagen en tijden vast voor
                                        het overdragen of het ter inzameling aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen
                                        op andere dan de krachtens dat lid vastgestelde dagen en
                                        tijden over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.3</nr><titel>De wijze en de plaats van het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><al>Het is verboden restafval anders aan de inzameldienst over te
                                    dragen, ter inzameling aan te bieden of achter te laten in van
                                    gemeentewege geplaatste wijkcontainers dan in groene
                                    huisvuilzakken van het type dat vastgesteld is door Burgemeester
                                    en wethouders en waarvoor gemeentelijke belastingen zijn
                                    afgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.4</nr><titel>Verpakking van huishoudelijk afval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vuilniszakken moeten goed gesloten zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het overdragen of ter inzameling aanbieden moet de
                                        inhoud van de vuilniszakken die niet zwaarder mag zijn dan
                                        12 kg, zonder uitsteeksels in de zakken zijn gepakt, zodanig
                                        dat zulks geen aanleiding kan geven tot verwondingen of het
                                        scheuren van de zakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.5</nr><titel>Ordelijke overdracht of aanbieding van huishoudelijk
                                        afval</titel></kop><al>Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    in vuilniszakken moet ordelijk geschieden door plaatsing
                                    daarvan, na 06.00 uur op een krachtens artikel 4.2.2.2, eerste
                                    lid, vastgestelde inzameldag, op het voetpad, zo dicht mogelijk
                                    bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de
                                    kant van de rijweg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.6</nr><titel>Aangewezen plaats</titel></kop><al>In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de
                                    vuilniszakken overgedragen of ter inzameling aangeboden moeten
                                    worden op een door hen te bepalen plaats nabij de percelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in containers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat huishoudelijke
                                        afvalstoffen in een gedeelte van de gemeente in van
                                        gemeentewege op of nabij de percelen geplaatste containers
                                        moeten worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in gesloten verpakking en op
                                        een zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de
                                        containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten en, indien gesitueerd op voor het publiek
                                        toegankelijke plaatsen, tussen 18.00 en 06.00 uur afgesloten
                                        te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7a</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in wijkcontainers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het navolgende gedeelte van de gemeente dient restafval
                                        in van gemeentewege geplaatste wijkcontainers te worden
                                        overgedragen of ter inzameling te worden aangeboden:
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in de gesloten
                                        huisvuilzakken en op zodanige wijze dat geen afvalstoffen
                                        buiten de containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.8</nr><titel>Verwijdering container</titel></kop><al>De gebruiker van een container moet er voor zorgen dat de
                                    container zo spoedig mogelijk, na lediging door de
                                    inzameldienst, doch uiterlijk op het eind van een krachtens
                                    artikel 4.2.2.2, eerste lid, vastgestelde inzameldag, van de weg
                                    is verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.9</nr><titel>Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling
                                        aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het in
                                    bijzondere gevallen op afroep overdragen of ter inzameling
                                    aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                    inzameldienst</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.10</nr><titel>Aangewezen plaats achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Indien krachtens artikel 10.11, vijfde lid, van de wet een
                                    plaats binnen de gemeente is aangewezen, waar in voldoende mate
                                    gelegenheid geboden wordt huishoudelijke afvalstoffen achter te
                                    laten, stellen burgemeester en wethouders de dagen, tijden en
                                    wijzen vast waarop deze afvalstoffen daar kunnen worden
                                    achtergelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.11</nr><titel>Incidenteel achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het
                                    incidenteel achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12</nr><titel>Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen,
                                    tijden, wijzen en plaatsen achter te laten dan bij of krachtens
                                    de artikelen 4.2.2.4 tot en met 4.2.2.11 is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12a</nr><titel>Achterlaten in daartoe bestemde bakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden andere huishoudelijke afvalstoffen dan van
                                        zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier,
                                        plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde vloeistoffen,
                                        achter te laten in daartoe van gemeentewege geplaatste of
                                        voorgeschreven bakken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden glas op andere plaatsen achter te laten dan
                                        in daartoe van gemeentewege geplaatste glasbakken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden papier op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        papierbakken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden textiel op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        textielbakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13</nr><titel>Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën
                                        huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden de volgende categorieën
                                        van huishoudelijke afvalstoffen anders dan afzonderlijk over
                                        te dragen of aan te bieden aan de inzameldienst of achter te
                                        laten in daartoe in de nabijheid van de percelen geplaatste
                                        bakken of op een daartoe ter beschikking gestelde
                                        plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Klein Chemisch Afval.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Glas.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Oud papier en karton.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Textiel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst en/of een vergunninghouder
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.4.1 wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>klein chemisch afval één maal per week met behulp van de
                                        chemokar ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glas via de van gemeentewege geplaatste glasbakken
                                        ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>oud papier en karton één maal per maand ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>textiel vier maal per jaar ingezameld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13a</nr><titel>Groente-, fruit- en tuinafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden groente-, fruit- en
                                        tuinafval anders dan afzonderlijk over te dragen of aan te
                                        bieden aan de inzameldienst of achter te laten in daartoe in
                                        de nabijheid van percelen geplaatste bakken of op een
                                        daartoe ter beschikking gestelde plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst wordt éénmaal per week groente, fruit
                                        en tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt door de inzameldienst
                                        bij laagbouw éénmaal per twee weken groente-, fruit- en
                                        tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid dient in het voormalig
                                        sportpark Grootstal het groente-, fruit- en tuinafval achter
                                        te worden gelaten in van gemeentewege geplaatste groente-,
                                        fruit- en tuinafvalcontainers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overdracht van groente-, fruit- en tuinafval aan het de
                                        in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moet geschieden op
                                        zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de containers
                                        achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moeten na het
                                        deponeren van het groente-, fruit- en tuinafval goed worden
                                        gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.14</nr><titel>Nadere regels bijzondere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop het groente-,
                                        fruit- en tuinafval en/of de in artikel 4.2.2.13. bedoelde
                                        categorieën van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden het groente-, fruit- en tuinafval en/of de
                                        in artikel 4.2.2.13. bedoelde categorieën van huishoudelijke
                                        afvalstoffen over te dragen, aan te bieden of achter te
                                        laten in strijd met het krachtens het eerste lid
                                        bepaalde.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het zich ontdoen van grof huisafval</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.1</nr><titel>Verbod ontdoen grof huisafval</titel></kop><al>Het is verboden grof huisafval op een andere wijze of plaats aan
                                    de inzameldienst over te dragen of ter inzameling aan te bieden
                                    dan bij of krachtens deze paragraaf is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.2</nr><titel>Aanbieden en overdragen grof huisafval</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen vast op welke plaats, op
                                    welke tijden en op welke wijze, grof huisafval ter inzameling
                                    kan worden aangeboden en overgedragen aan de inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.3</nr><titel>Omvang en inhoud grof huisafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een stuk grof huisafval mag bij het overdragen of het
                                        aanbieden niet langer, hoger en breder zijn dan 1,5 meter.
                                        Kleinere stukken grof huisafval moeten zoveel mogelijk in
                                        één of meer bundels samengedrukt en -gebonden worden
                                        overgedragen of aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Stukken of bundels grof huisvuil mogen geen grotere inhoud
                                        hebben dan 1 m<sup>3</sup> of zwaarder zijn dan 30 kg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.4</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>De artikelen 4.2.2.1a, 4.2.2.10, 4.2.2.12 en 4.2.2.13 zijn op
                                    het overdragen, het ter inzameling aanbieden en het achterlaten
                                    van grof huisafval van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en grof
                                    huisafval door anderen dan de inzameldienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.1</nr><titel>Inzamelvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ander dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders van derden
                                        afkomstige huishoudelijke afvalstoffen en grof huisafval in
                                        te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                        moet deze tijdens het inzamelen steeds bij zich hebben en op
                                        verzoek van degenen bij wie hij inzamelt tonen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met
                                        redenen is te vrezen dat het verlenen van een vergunning
                                        niet in het belang is van een doelmatige verwijdering van
                                        huishoudelijke afvalstoffen of grof huisafval.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.2</nr><titel>Aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop huishoudelijke
                                        afvalstoffen kunnen worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden aan degene die op grond van artikel 4.2.4.1
                                        bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in strijd met
                                        het krachtens eerste lid bepaalde over te dragen of ter
                                        inzameling aan te bieden aan degene die op grond van artikel
                                        4.2.4.1 bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Het zich ontdoen van andere categorieën van
                                    afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.1</nr><titel>Aanwijzing andere categorieën afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van derden afkomstige
                                        andere categorieën afvalstoffen dan huishoudelijke
                                        afvalstoffen aanwijzen, die aan de inzameldienst kunnen
                                        worden overgedragen of ter inzameling aangeboden dan wel
                                        kunnen worden achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Andere motorrijtuigen op meer dan twee wielen dan
                                        autowrakken, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                                        onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                        verkeren, kunnen ter verwijdering worden afgegeven op door
                                        burgemeester en wethouders tenminste één daartoe aangewezen
                                        plaats binnen de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijze en plaatsen waarop de in het eerste lid
                                        bedoelde afvalstoffen aan de inzameldienst kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid
                                        over te dragen, aan te bieden of achter te laten in strijd
                                        met het krachtens het vorige lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer, de Destructiewet of de Provinciale
                                        Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.2</nr><titel>Inzameling andere categorieën afvalstoffen door
                                        derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan anderen dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders de krachtens
                                        artikel 4.2.5.1, eerste lid aangewezen afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de in het vorige lid
                                        bedoelde vergunning voorschriften verbinden ter bescherming
                                        van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt in ieder
                                        geval geweigerd indien vaststaat of met redenen valt te
                                        vrezen dat het verlenen van een vergunning niet in het
                                        belang is van een doelmatige verwijdering van deze
                                        afvalstoffen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Openbare bekendmaking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.6.1</nr><titel>Bekendmaking van besluiten burgemeester en
                                        wethouders</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen
                                    4.2.2.2, eerste lid, 4.2.2.6, 4.2.2.7, eerste lid, 4.2.2.9,
                                    4.2.2.10, 4.2.2.11, 4.2.2.14, 4.2.3.2, 4.2.4.2 en 4.2.5.1,
                                    eerste, tweede en derde lid genomen besluiten worden openbaar
                                    bekend gemaakt overeenkomstig artikel 3:42 Algemene Wet
                                    Bestuursrecht.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en andere milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde
                                    plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem
                                    te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins
                                    te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of
                                    nadelige beïnvloeding van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van
                                    huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of
                                    worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen
                                    of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere
                                    werkzaamheden op of aan de weg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorziet in
                                    de beoogde bescherming van het milieu.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1.a</nr><titel>Achterlaten van straatafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te
                                    laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of
                                    anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of
                                    soortgelijke voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te
                                    laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of
                                    voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                                    werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te
                                    laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te
                                    verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig
                                    kan worden beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen,
                                    stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu
                                    nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden
                                    verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te
                                    reinigen of te laten reinigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de
                                    verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of
                                    beschadiging van het wegdek oplevert;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de
                                    verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer
                                    of beschadiging van het wegdek oplevert;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag
                                    direct na beëindiging van de werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of een andere
                                    inrichting waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht welke ter
                                    plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a)</lidnr><al>een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de
                                    inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben,
                                    waarin het publiek afval kan achterlaten;</al></lid><lid><lidnr>b)</lidnr><al>zorg te dragen dat die deze afvalbak, -mand of soortgelijke
                                    voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin
                                    deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of dat
                                    voorwerp steeds tijdig wordt geledigd;</al></lid><lid><lidnr>c)</lidnr><al>zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van
                                    de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging
                                    van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van
                                    het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van de inrichting
                                    op de weg achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van
                                    die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Wegwerpen van reclamebiljetten en ander
                                    promotiemateriaal</titel></kop><al>Degene die op de weg reclamebiljetten of dergelijke of ander
                                promotie materiaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze
                                of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen,
                                indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of
                                een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek
                                worden weggeworpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Verbod op het verspreiden van strooibiljetten e.d. met
                                    commerciële doeleinden gedurende de Vierdaagsefeesten</titel></kop><al>Het is verboden in de week van de Vierdaagsefeesten gedrukte of
                                omschreven stukken alsmede samples, monsters en andere goederen die
                                vallen onder het begrip commerciële handelsreclame onder het publiek
                                te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                                bekend te maken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter
                                    inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter
                                    inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen, deze omver te
                                    werpen of deze anderszins te behandelen waardoor er zwerfafval
                                    ontstaat. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>houtopstand: hakhout, een houtwal, bos, bosplantsoen of één of
                                    meer bomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld opnieuw op de
                                    stronk uitlopen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bosplantsoen: houtopstand, hoofdzakelijk bestaande uit heesters,
                                    struiken en jonge bomen met een oppervlakte van 250m<sup>2</sup>
                                    en een breedte van minimaal 5 m. </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>dode bomen: bomen die medio juni geen of nauwelijks bladeren
                                    hebben. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                    van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>iepenspintkever: het insect in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus
                                    multistriatus (Marsh.) en Scolytus pygmaeus (F.);</al><al> bosplantsoen: aanplant van jong bos, hoofdzakelijk bestaande
                                    uit heesters, struiken en jonge bomen met een oppervlakte van
                                    minimaal 250m² en een breedte van minimaal 5 m.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand
                                    ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        houtopstand te kappen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt een kaart vast waarop gebieden zijn
                                        aangewezen. <vet>(Bijlagen 26A en 26B)</vet></al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een lijst vast waarop bijzondere bomen
                                        staan vermeld. <vet>(Bijlage 27 (lijst) </vet>als apart
                                        aanhangsel bij het gemeenteblad gepubliceerd)</al></li><li nr="4."><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                        voor:</al><lijst><li nr="a."><al>dode bomen;</al></li><li nr="b."><al>bomen die een stamomtrek hebben van minder dan 95
                                                centimeter;</al></li><li nr="c."><al>bomen die geen eigendom zijn van de gemeente en niet
                                                zijn gelegen binnen de op de kaart </al><al> aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits
                                                de stamomtrek van de boom kleiner is </al><al> dan 160 centimeter;</al></li><li nr="d."><al>bomen die eigendom zijn van de gemeente, en niet
                                                vallen binnen de op de kaart </al><al> aangewezen gebieden, zoals bedoeld in lid 2, mits
                                                de boom niet staat op de lijst van </al><al> bijzondere bomen, zoals bedoeld in lid 3;</al></li><li nr="e."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of
                                                langs landbouwgronden, beide voor zover </al><al> bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;
                                            </al></li><li nr="f."><al>fruitbomen die deel uitmaken van een bedrijfsmatige
                                                exploitatie en windschermen om </al><al> boomgaarden;</al></li><li nr="g."><al>naaldbomen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                                dienen als kerstbomen en geteeld op </al><al> daarvoor in bijzonder bestemde terreinen; </al></li><li nr="h."><al>kweekgoed; </al></li><li nr="i."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                                geveld;</al></li><li nr="j."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij
                                                het Bosschap geregistreerde </al><al> bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                                bebouwde kom, tenzij de houtopstand</al><al> een zelfstandige eenheid vormt die:</al><al> ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10
                                                are;</al></li></lijst></li></lijst><al>ofwel bestaat uit rijbepalingen van niet meer dan 20 bomen, gerekend
                                over het totale aantal rijen;</al><lijst><li nr=""><al>k.houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektenwet of krachtens een </al><al>k. aanschrijving of last van het college. </al></li><li nr="5."><al>Voor het bepalen van de stamomtrek als bedoeld in het tweede
                                        lid geldt:</al></li><li nr="a."><al>de stamomtrek van de stam 1.30 m. boven het maaiveld;</al></li><li nr="b."><al>bij meerstammigheid de diameter van de dikste stam.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3a</nr><titel>Weigeringsgronden en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de vitaliteit van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de monumentale waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>de bepalingen in het bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de
                                    in het eerste lid genoemde belangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning het voorschrift
                                    verbinden, dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                    door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                    herplant. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn
                                    na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                    herbeplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat
                                    een financiële compensatie moet worden betaald in het belang van
                                    de instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de rooivergunning ook het voorschrift
                                    verbinden, dat niet wordt gerooid eerder dan nadat de
                                    bouwvergunning waarvoor de vergunning wordt aangevraagd
                                    onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Herplant- en instandhoudingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                    gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                    grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen de grond opnieuw te beplanten. Deze
                                    beplanting geschiedt overeenkomstig de door het bevoegd gezag te
                                    geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplant en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden
                                    vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag van de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
                                    zich de houtopstand bevond dan wel van degene die uit andere
                                    hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, een
                                    financiële compensatie eisen, in het belang van de
                                    instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede, derde of vierde lid is opgelegd, alsmede diens
                                    rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van
                                artikel 17 juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het collegegevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente
                                in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                                groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Opslag bromfietsen of motorvoertuigen, caravans,
                                    afvalstoffen, mest of ingekuilde landbouwproducten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een van de weg zichtbare plaats aanwezig te
                                    hebben:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan, indien het
                                    plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                    verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                    gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen,
                                    indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor
                                    verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afval, afbraakmaterialen en oude
                                    metalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod ontheffing te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                    Provinciale Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerend goed alsmede de
                                    hoofdgebruiker van dat goed verboden zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag dit goed of een daarop aanwezige zaak te gebruiken
                                    of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van
                                    handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                    afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een
                                    andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen gericht op het
                                    inwendig gedeelte van een onroerend goed, dan wel deel uitmakend
                                    van een etalageopstelling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere
                                    constructies, aangewezen door burgemeester en wethouders;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of
                                    verpachting van een onroerend goed, voor zolang zij feitelijke
                                    betekenis hebben;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op het onroerend
                                    goed wordt uitgeoefend of waarvoor dat goed is bestemd, zomede
                                    op naamborden: mits deze opschriften en aankondigingen
                                    gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15
                                    m<sup>2</sup> en geen van alle een grotere afmeting in een
                                    richting hebben dan 0,50 meter en mits deze opschriften en
                                    aankondigingen zijn aangebracht op of aan het onroerend
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die
                                    bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                    zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op
                                    de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn,
                                    zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van
                                    openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van
                                    dat vervoer;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard,
                                    voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het
                                    aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende of de
                                    hoofdgebruiker van het onroerend goed schriftelijk kennisgeving
                                    is gedaan aan burgemeester en wethouders en dit college niet
                                    binnen 14 dagen na ontvangst van die kennisgeving van enig
                                    bezwaar heeft doen blijken.</al><al> Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun
                                    tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende
                                    meer dan 4 weken op het onroerend goed aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover de Woningwet, de Monumentenwet, de gemeentelijke
                                    monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                    omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                artikel 4.6.2, tweede lid dan wel aangebracht voor een ander doel
                                dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt
                                gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende
                                onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van het onroerend goed aan te
                                schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder.</al><al>Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger,
                                is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.4</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.5</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. voertuigen: </al><al>voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van
                                kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al><al>b. parkeren: </al><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990); </al><al>c.aanhangwagens: aanhangwagens als bedoeld in artikel 1 onder a, van
                                het </al><al>c. Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990)</al><al>c.<vet>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                    e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                        gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor
                                        deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                        bedoelde persoon.</al></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze
                                        voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</vet></al><al>c.Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al>c.<vet>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                        staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                        toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.5 Parkeren van voertuigen met gevaarlijke
                                    stoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om een voertuig dat wordt gebezigd voor het
                                        vervoer van meer dan 300 kilogram gevaarlijke stoffen als
                                        bedoeld in artikel 2 van de Wet gevaarlijke stoffen te
                                        parkeren indien zich binnen een straal van 250 meter
                                        gebouwen bevinden waarbinnen zich personen plegen op te
                                        houden.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet Milieubeheer
                                        van toepassing is.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.6 Caravans en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een kampeerwagen, een caravan of een ander
                                        voor de recreatie bestemd voertuig en aanhangwagens langer
                                        dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg of op
                                        een van af de weg zichtbare plaats te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wegenverordening Gelderland 2010 van toepassing is.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat kennelijk bedoeld is als
                                        voorwerp om reclame mee te maken op de weg te parkeren.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod ontheffing
                                        verlenen. </al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                        van meer dan 2,4 meter te parkeren op andere dan door
                                        burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit
                                        aangewezen wegen. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend
                                        gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende
                                        de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren
                                        van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig
                                        ter plaatse noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.9 Parkeren van uitzicht belemmerende
                                    voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                        een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer
                                        dan 2,4 meter op de weg te parkeren bij een voor bewoning of
                                        ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat
                                        daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat
                                        gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                        gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                        de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
                                        is.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen
                                        te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van
                                        nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of
                                        overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet Milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.1.11 Aantasting groenvoorziening door
                                    voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te
                                        doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                        gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. </al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al></li><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                        vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                        terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Afdeling 2 Collecteren, venten en standplaatsen</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.2.1 Collectes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                        daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld en goederen wordt mede
                                        verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk voor een
                                        ideëel of liefdadig doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                        kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het college is bevoegd collectes die aan te wijzen die
                                        voorkomen op een landelijk vastgesteld collecteplan en
                                        waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet
                                        geldt.</al><al> Het college is bevoegd algemene regels te geven met
                                        betrekking tot het houden van deze collectes. De
                                        vrijstelling van het verbod geldt slechts, in het geval van
                                        vaststelling van deze algemene regels, indien zij worden
                                        nageleefd.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.2.2 (Vervallen)</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.2.3 Standplaatsen:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan
                                        wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor
                                        publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met
                                        een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                        standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de
                                        uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te
                                        verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een voor publiek toegankelijk en
                                        in de openlucht gelegen perceel verboden toe te staan, dat
                                        daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                        standplaats wordt of is ingenomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of
                                        gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in art. 7 eerste
                                        lid van de Grondwet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door
                                        de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden
                                        waarop die markt gehouden wordt en voor een evenement als
                                        bedoeld in artikel 2.2.1.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet Milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement
                                        of de Gelderse wegenverordening van toepassing is.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                                        redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                        gevaar komt.</al></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de
                                        aanvraag tevens een activiteit betreft die
                                        vergunningplichtig is op basis van de Wet Milieubeheer en
                                        indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid,
                                        tot de dag waarop de beslissing omtrent de vergunning
                                        ingevolge de Wet Milieubeheer is genomen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.2.4 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen wegen een
                                        voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan
                                        te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Afdeling 3 Slachten van dieren</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.3.1 Publiekelijk slachten</vet></al><al>c.Het is verboden op of zichtbaar vanaf voor het publiek
                                toegankelijke plaatsen, dieren te slachten.</al><al>c.<vet>Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer
                                    in natuurgebieden</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                        motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 1,
                                        onderdeel z, en een bronfiets als bedoeld in artikel 1,
                                        onderdeel i van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding
                                        van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of
                                        te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                        motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                        daartoe aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet
                                        van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het
                                        gebruik van deze terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de omgeving en ter bescherming van andere
                                        milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                        het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                        publiek.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat</al></li></lijst><al>c.artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. </al><al>c. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>c. door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie
                                sportmotoren</al><al>c.<vet>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                        natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                        gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden
                                        met een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 1 onder z,
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een
                                        bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                        Verkeersregels en verkeerstekens 1990, of met een fiets of
                                        met een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het
                                        eerste gestelde lid verbod niet van toepassing is. Het kan
                                        daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                        terreinen. </al></li><li nr="a."><al>in het belang van het vorkomen van overlast</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                        milieuwaarden</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                        motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders
                                        van paarden; </al></li><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                        hulpverlening en van andere krachtens artikel 29 van het
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen
                                        hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                        exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                        wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van
                                        percelen die gelegen zijn de terreinen als bedoeld in het
                                        eerste lid.</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                        van de onder d. bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts
                                        niet:</al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                        de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                        ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden te aanzien van
                                        motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                        aangewezen als ‘toestel’.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het tweede lid gestelde verbod.</al></li></lijst><al>c.<vet>Afdeling 5 Verstrooiing van as</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.5.1 Begripsomschrijving</vet></al><al>c.In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al><al>c.<vet>Artikel 5.5.2 Regulering incidentele
                                asverstrooiing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></li><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></li><li nr="c."><al>kinderspeelterreinen;</al></li><li nr="d."><al>ligweiden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                        termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in
                                        het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                        voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden
                                        ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid,
                                        behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                        crematoriumterreinen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.5.3 Verbod incidentele asverstrooiing bij hinder of
                                    overlast voor derden</vet></al><al>c.Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al><al>c.<vet>Afdeling 6 Straatnaamborden, huisnummers, brandkranen en
                                    dergelijke (</vet>vervallen)</al><al>c.<vet>Artikel 5.6.1 (Vervallen)</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.6.2 (Vervallen)</vet></al><al>c.<vet>Afdeling 7 Gevonden voorwerpen</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.7.1 (Vervallen)</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.7.2 Detectorverbod </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen
                                        waarvoor een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt
                                        openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 3:42
                                        Awb.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich anders dan met vergunning van
                                        burgemeester en wethouders, met een metaaldetector te
                                        bevinden op de onder lid 1 bedoelde terreinen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op
                                        degene aan wie ingevolge artikel 40 van de Monumentenwet
                                        1988 een opgravingvergunning is verstrekt.</al></li></lijst><al>c.<vet>Afdeling 8 Recreatief nachtverblijf buiten een
                                    kampeerterrein</vet></al><al>c.<vet>Artikel 5.8.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>c.In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een
                                onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van
                                artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al><al>c.<vet>Artikel 5.8.2 Recreatief nachtverblijf buiten een
                                    kampeerterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                        kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten
                                        een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is
                                        bestemd of mede bestemd. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                        voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein
                                    </al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                        eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 5.8.3 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod in
                                        artikel 5.8.2, lid 1 niet geldt. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen met betrekking
                                        tot tijdstippen, perioden en soort kampeermiddel voor de
                                        plaatsen in lid 1. </al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>c.<onderstreept> Hoofdstuk 6 STRAF-, OVERGANGS- EN
                                SLOTBEPALINGEN</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>c.<vet>Artikel 6.1 Strafbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Behoudens het bepaalde in de volgende leden, wordt overtreding
                                    van het bij of krachtens deze verordening en de op grond van
                                    artikel 1.9 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen
                                    gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een
                                    geldboete van de tweede categorie.</al></li><li nr="2."><al>Overtredingen van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                    bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven
                                    voorschriften en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de
                                    eerste categorie: artikel 2.4.10, artikel 2.4.11, artikel
                                    2.4.11a, artikel 2.4.11b, artikel 2.4.22, artikel 2.5.2 en
                                    artikel 4.1.1.</al></li><li nr="3."><al>Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4.2.2.1 tot en
                                    met 4.2.4.2 bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij
                                    gegeven voorschriften en beperkingen geldt als strafbaar feit op
                                    grond van artikel 1a van de Wet economische delicten.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 6.1a Toezichthouders</vet></al><al>1.Met inachtneming van de uitzonderingen als bedoeld in het tweede lid
                            van dit artikel zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                            bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij
                            gegeven voorschriften en beperkingen belast de toezichthouders van het
                            bureau Toezicht afdeling Stadstoezicht.</al><al>c.2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor: </al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.1.1.1</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.2.3</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.2.3</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2.2.10 en 2.2.11</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.3.1.4</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.12</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.6.1</al></li><li nr="-"><al>hoofdstuk 3 met uitzondering van artikel 3.2.6</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.4.2</al></li><li nr="3."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9
                                    daarbij gegeven voorschriften en beperkingen belast de door
                                    burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aangewezen
                                    personen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 6.2 (Vervallen)</vet></al><al>c.<vet>Artikel 6.3 Het binnentreden in woningen zonder toestemming van
                                de bewoners </vet></al><al>c.Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                            van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al><al>c.<vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en
                                    wethouders nader te bepalen dag na die waarop zij is
                                    afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip worden de volgende verordeningen of bepalingen
                                    uit verordeningen ingetrokken:</al></li><li nr="1."><al>de Nijmeegse Politieverordening, vastgesteld op 27 juni1962,
                                    sedertdien gewijzigd;</al></li><li nr="2."><al>de Afvalstoffenverordening;</al></li><li nr="3."><al>artikelen 30 en 31 Brandbeveiligingsverordening;</al></li><li nr="4."><al>verordening houdende toepassing van de artikelen 8 en 22, lid 6
                                    van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="5."><al>de Geluidhinderverordening recreatie-inrichtingen;</al></li><li nr="6."><al>de verordening speelautomatenhallen;</al></li><li nr="7."><al>de verordening tot wering van overlast als gevolg van het zonder
                                    toestemming van rechthebbende in gebruik nemen van
                                    gebouwen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 6.5 Overgangsbepalingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel
                                    6:4 lid 1, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                                    deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                    besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Vervallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe
                                    ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel
                                    6.4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvrage
                                    is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de
                                    onderhavige verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Vervallen.</al></li><li nr="5."><al>Vervallen.</al></li><li nr="6."><al>Vervallen.</al></li><li nr="7."><al>Vervallen.</al></li></lijst><al>c.<vet>Artikel 6.6 Aanhalingstitel</vet></al><al>c.Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene
                            Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>c.Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Nijmegen d.d.
                        29 januari 1992.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>c.De Voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Secretaris.</ondertekening><ondertekening>c.mr. E.M. d'Hondt mr. F.J. Derks </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al>Voor de volledige versie van de APV, inclusief (aanwijzings)besluiten en
                    bijlagen zie de website van de gemeente Nijmegen (onder verordeningen en
                    regels).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>