<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR209976_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Integraal toezicht en handhavingsbeleidsplan 2012-2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D'n Uitkijk, 06-01-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Integraal toezicht en handhavingsbeleidsplan 2012-2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 125</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 11-586</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemeen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Uitvoeringsprogramma 2012</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De bijlagen zijn niet digitaal beschikbaar.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Integraal Toezicht- en Handhavingsbeleidsplan 2012-2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>DEEL 1. Algemene achtergrond (uitgangspunten, afbakening en afwegingskader) </label></kop><paragraaf><kop><label>1.1 Algemeen</label></kop><structuurtekst><al>De gemeente Reusel-De Mierden zet zich in voor een optimaal woon- ,
                                werk- en leefklimaat voor de inwoners op basis van landelijk,
                                provinciaal of door de gemeenteraad geformuleerd beleid. Om dit
                                beleid te verwezenlijken staat ons een aantal middelen ter
                                beschikking. Belangrijke aspecten hierbinnen zijn toezicht &amp;
                                handhaving. Onze gemeente spreekt burgers en bedrijven aan op het
                                nakomen van afspraken die vastgelegd zijn in wet- en regelgeving of
                                in gemeentelijk beleid.</al><al>Daarnaast zijn alle gemeenten in Nederland op grond van wet- en
                                regelgeving verplicht om de handhaving op hun grondgebied vorm en
                                inhoud te geven. Hierdoor worden gemeenten gedwongen om keuzes te
                                maken, dus prioriteiten te stellen. Het omgevingsbeleidsplan wordt
                                op grond van het Besluit omgevingsrecht vastgesteld door de
                                gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders zal
                                jaarlijks invulling geven aan het beleidsplan door middel van het
                                vaststellen van een uitvoeringsprogramma. Met deze beleidsnotitie
                                wordt beoogd de bestuurlijke beleidsuitgangspunten met betrekking
                                tot vergunningverlening en handhaving vast te leggen en tevens
                                gestalte te geven aan de praktische uitvoering daarvan. </al><al>De keuze voor een integraal beleidsplan wordt mede ingegeven door de
                                per 1 oktober 2010 ingevoerde Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht, hierna Wabo genoemd alsmede de Wet samenhangende
                                besluiten Awb. In de Wabo worden de verschillende
                                vergunningenstelsels geïntegreerd en is er enkel sprake van één
                                omgevingsvergunning met verschillende onderdelen zoals bouwen,
                                milieu, gebruiksbesluit, ruimtelijke ontwikkeling en sommige
                                APV-onderwerpen. Op grond van het visiedocument wordt de klantvraag
                                echter nog integraler benaderd door ook overige,
                                niet-Wabo-toestemmingen zoveel mogelijk te laten aanhaken. In dit
                                beleidsplan krijgt de wijze waarop deze onderdelen worden
                                gehandhaafd een plaats. </al><al>Het beleidsplan heeft een sterk operationeel karakter. Het is
                                gericht op uitvoering en maakt keuzes hoe de gemeente diverse
                                onderdelen handhaaft. Het beleidsplan richt zich op het wegnemen van
                                de grootste risico’s. Bij het opstellen van het beleidsplan is onder
                                meer rekening gehouden met de ontwikkelingen op het gebied van
                                handhaving binnen de gemeente. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.2 Rapport rekenkamercommissie</label></kop><structuurtekst><al>Vanuit de Kempengemeenten is het onderwerp handhaving onderzocht. De
                                rekenkamercommissie heeft in 2007/2008 dit onderwerp gekozen vanwege
                                het maatschappelijk belang van handhaving, en de toenemende aandacht
                                en strengere regelgeving hiervoor als gevolg van situaties als de
                                cafébrand in Volendam. Deze brand heeft geleid tot strengere regels
                                ten aanzien van de brandveiligheid in de horeca. Het maatschappelijk
                                belang laat zich bijvoorbeeld gelden voor de brandveiligheid van
                                openbare gebouwen of het handhaven van bouwregelgeving. Ook in de
                                gemeenteraden is handhaving een onderwerp dat leeft. Het onderzoek
                                had tot doel om enerzijds inzicht te geven in het handhavingsbeleid
                                in de Kempengemeenten en anderzijds of de wijze waarop handhaving in
                                de praktijk wordt uitgevoerd doeltreffend is. De doelmatigheid van
                                het gemeentelijke handhavingsbeleid en de uitvoering daarvan is
                                alleen getoetst om een beeld te kunnen vormen over de
                                doeltreffendheid er van. Hiervan zijn in januari 2008 de volgende
                                aanbevelingen gedaan aan de gemeente Reusel-De Mierden. Daar nu voor
                                de eerste maal na dit onderzoek het beleid wordt aangepast, worden
                                deze aanbeveling zoveel mogelijk overgenomen en verankerd in het
                                beleid. De aanbevelingen die de rekenkamercommissie heeft gegeven
                                worden in de bijlage nogmaals gegeven. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 Begrippenkader</label></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Vergunningverlening:</onderstreept> heeft betrekking
                                op het in behandeling nemen van een vergunningaanvraag, het
                                beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de
                                aanvraag in de vorm van een beschikking.</al><al><onderstreept>Toezicht:</onderstreept> betreft de controle op de
                                naleving van wet- en regelgeving en het zonder formeel juridische
                                instrumenten optreden tegen overtredingen/ afwijkingen. Onder
                                toezicht wordt tevens verstaan de controles in het kader van de
                                handhaving.</al><al><onderstreept>Handhaving:</onderstreept> de (bestuurlijke)
                                oordeelsvorming over bevindingen tijdens toezicht en het –waar nodig
                                en bestuurlijk wenselijk geacht- plegen van interventies
                                (maatregelen en sancties) met formeel juridische instrumenten, zoals
                                het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van dwangsommen of het
                                intrekken van de vergunning.</al><al><onderstreept>Kernbepalingen:</onderstreept> onderdelen van wet- en
                                regelgeving die een zodanig afbreukrisico hebben dat zij kunnen
                                leiden tot maatschappelijk onacceptabele risico’s en hierdoor het
                                speerpunt van de gemeente zijn bij het uitvoeren van de toetsen. </al><al><onderstreept>Aangehaakte onderdeel:</onderstreept> toestemming die
                                niet opgaat in de omgevingsvergunning, maar indien deze tegelijk met
                                een Wabo-onderdeel wordt aangevraagd, wordt het onderdeel wel in de
                                omgevingsvergunning opgenomen. Dit noemt met “aanhaken”.</al><al><onderstreept>Niet Wabo-onderdelen:</onderstreept> onderdelen die
                                niet opgaan in de omgevingsvergunning.</al><al><onderstreept>PVC methode: product- vraag-combinatie:
                                </onderstreept>systeem waarbij wordt gewerkt met een integrale
                                klantvraagbenadering en niet wordt geredeneerd vanuit gemeentelijke
                                producten.</al><al><onderstreept>Wabo: </onderstreept>Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht</al><al><onderstreept>Bor:</onderstreept> Besluit omgevingsrecht</al><al><onderstreept>Mor:</onderstreept> Ministeriële regeling
                                omgevingsrecht</al><al><onderstreept>HUM Bbk:</onderstreept> HandhavingsUitvoeringsMethode
                                Besluit bodemkwaliteit </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.4 Uitgangspunten</label></kop><structuurtekst><al>Het geformuleerde beleid is gebaseerd op bepaalde uitgangspunten. De
                                volgende wettelijke uitgangspunten zijn relevant:</al><al>De primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van (ver)bouwen,
                                slopen en gebruik ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan
                                wel de partijen die namens hen optreden, zogenaamd “high trust
                                society”.</al><al>De gemeente ziet toe of de verantwoordelijkheid voldoende wordt
                                genomen en onderneemt acties op basis van ingeschat risico en
                                wettelijke voorschriften.</al><al>De gemeente heeft een vangnetfunctie op het gebied van wet- en
                                regelgevingen op het gebied van de fysieke omgeving.</al><al>De vangnetfunctie heeft een publiekrechtelijk en geen
                                privaatrechtelijk karakter, tenzij de gemeente zelf eigenaar
                                is.</al><al>De vangnetfunctie is gekoppeld aan kernbepalingen; onderdelen van
                                wet- en regelgeving met een groot maatschappelijk belang. Deze
                                kernbepalingen zijn bij de toetsing leidend. De gemeente ziet hierop
                                consequent, onafhankelijk en objectief toe.</al><al>De kernbepalingen hebben vooral betrekking op de ruimtelijke
                                kwaliteit, veiligheid en gezondheid vanuit het oogpunt van de wet-
                                en regelgeving op het gebied van de fysieke omgeving.</al><al>De kernbepalingen moeten een bepaalde basiskwaliteit waarborgen
                                zodat risico’s tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt.</al><al>De gemeente hanteert bij het vorm en inhoud geven van de
                                vangnetfunctie de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil
                                zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden
                                aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie met de klant
                                speelt daarbij een zeer centrale rol. Er is sprake van een
                                proactieve en preventieve benadering die probeert te voorkomen dat
                                zaken achteraf tegen hoge kosten voor klant en gemeente moeten
                                worden rechtgezet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.5 Afbakening en centrale vragen</label></kop><structuurtekst><al>Het terrein van de wet- en regelgeving van de fysieke omgeving is
                                een breed terrein. Het is het terrein van de Woningwet, het
                                Bouwbesluit, de bouwverordening, de welstandsnota, de Wet
                                ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer en aangehaakte niet
                                landelijk geldende verordeningen, zoals de Algemene Plaatselijke
                                Verordening e.d. De Wabo bundelt een aantal fysieke onderdelen tot
                                één integrale vergunning met op elkaar afgestemde voorschriften. De
                                afzonderlijke toetsingskaders blijven echter intact. Zij vormen de
                                onderdelen van de integrale beschikking. Daarnaast blijven er
                                diverse onderdelen over die niet onder de Wabo vallen maar wel om
                                een integrale klantbenadering vragen. Voorbeelden hiervan zijn
                                overige APV-onderdelen zoals uitstallingen, terrassen en dergelijke
                                en bijzondere wetten zoals de Drank- en Horecawet en de Wet op
                                kansspelen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.6Afwegingskader/risico-inschatting</label></kop><structuurtekst><al>Het schrijven van een beleidsplan betekent zoeken naar evenwicht
                                tussen kwaliteit en kwantiteit. De producten kunnen op verschillende
                                uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan elk uitvoeringsniveau
                                hangt een prijskaartje. Dit prijskaartje wordt vooral bepaald door
                                de inzet van capaciteit. Aan elk uitvoeringsniveau hangt ook een
                                risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde
                                risico’s wel of niet gedekt. Dit komt tot uitdrukking in het
                                separaat vast te stellen uitvoeringsprogramma.</al><al>Het zoeken naar evenwicht heeft in dit beleidsplan twee kanten:</al><lijst><li nr="1."><al>Welke risico’s tegen welke prijs wil de gemeente structureel
                                        afdekken? Hoeveel heeft de gemeente in termen van capaciteit
                                        over om bepaalde risico’s structureel af te dekken?</al></li><li nr="2."><al>Op welke wijze wordt met de bij het voorgaande punt
                                        vastgestelde niveau omgegaan bij tijdelijke ontwikkelingen
                                        zoals hoger werkaanbod dan gemiddeld of het niet ingevuld
                                        zijn van de basisformatie?</al></li></lijst><tussenkop> 1.6.1 Risicoanalyse</tussenkop><al>Een risicoanalyse is een methode waarbij nader benoemde risico’s
                                    worden gekwantificeerd door het bepalen van de kans dat een
                                    dreiging zich voordoet en de gevolgen daarvan: risico = kans x
                                    effect. Daarbij spelen onderstaande factoren een rol:</al><al>Fysieke veiligheid en gezondheid van mensen, het milieu maar ook
                                    aspecten als economische-, en imagoschade. Per dreiging wordt de
                                    kans van het optreden ervan bepaald en wordt vervolgens berekend
                                    was als gevolg de schade is die op zou kunnen treden als een
                                    bedreiging zich daadwerkelijk voordoet. Op grond van een
                                    risicoanalyse kan worden vastgesteld welk risico men bereid is
                                    te accepteren en waar de prioriteiten van de gemeente komen te
                                    liggen. </al><al>In dit beleidsplan is voor elk hoofdaspect een risicoanalyse
                                    uitgevoerd. Dus voor de hoofdaspecten bouw/sloop, milieu en APV
                                    &amp; bijzondere wetten. Deze is opgenomen in bijlage H1.</al><tussenkop> 1.6.2 Prioriteitenstelling</tussenkop><al>Op grond van de risicoanalyse stelt de gemeente prioriteiten in
                                    het onderliggend beleidsplan. Het jaarlijks op te stellen
                                    uitvoeringsprogramma zal op deze prioriteiten worden afgestemd. </al><al>Op grond van wet- en regelgeving worden bepaalde activiteiten
                                    vergunningsvrij genoemd. Deze activiteiten worden in deel 2,
                                    Toezicht en handhaving, per onderdeel verder uitgewerkt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.7 Het proces</label></kop><structuurtekst><al>Het plan is tijdens het opstellen afgestemd met de vakafdelingen die
                                relatie hebben met toezicht en handhaving. Aan de hand van dit
                                beleidsplan zal jaarlijks een uitvoeringsprogramma worden opgesteld
                                dat een uitvloeisel is van dit vastgesteld beleidsplan. Dit
                                programma dient ook jaarlijks te worden geëvalueerd, wat o.a. kan
                                leiden tot aanpassing van de prioriteitstelling.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>DEEL 2 Toezicht en Handhaving</label></kop><paragraaf><kop><label>2.1 Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Dit deel van het beleidsplan is opgebouwd volgens de
                                kwaliteitscriteria van de professionalisering van de handhaving. </al><al>We starten in paragraaf 2 “Doelen en condities” met het vastleggen
                                van onze handhavingsvisie en het aangeven van de doelstelling die we
                                willen bereiken. </al><al>Paragraaf 3 beschrijft de handhavingsstrategieën en de werkwijzen. </al><al>In paragraaf 4 is aangegeven hoe het beleid in de uitvoering wordt
                                vormgegeven en hoe de ervaringen uit de praktijk gebruikt worden
                                voor de evaluatie van het geformuleerde beleid.</al><al>In paragraaf 5 werken we per beleidsveld nader uit hoe we het
                                toezicht en de handhaving zullen uitvoeren.</al><al>Opgemerkt wordt dat het opstellen en het vaststellen van het
                                beleidsplan en de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s onderdeel zijn
                                van het cyclische en programmatische handhaven. Het alleen op papier
                                zetten is uiteraard niet voldoende. In de dagelijkse praktijk moet
                                aan het vastgestelde beleid uitvoering en een vervolg gegeven
                                worden. Deze beleidsnotitie heeft alleen betrekking op de aspecten
                                van de bebouwde en de onbebouwde omgeving ofwel de fysieke
                                leefomgeving.</al><al>In onderstaande figuur, genaamd de ‘Big-Eight’ is het cyclische
                                proces van het programmatische handhaven schematisch weergegeven.
                                Het bovenste gedeelte richt zich op het beleid en het onderste
                                gedeelte van de Big-Eight op de uitvoering. </al><al/><al>De professionalisering van de handhaving is een ontwikkelingsproces.
                                De afgelopen jaren heeft de gemeente veel geleerd en is gegroeid tot
                                een betere handhavingsorganisatie. De komende jaren zullen we ons
                                ons omgevingsbeleid periodiek blijven evalueren en actualiseren en
                                naar aanleiding van ervaringen steeds weer bijstellen. Stap voor
                                stap bouwen we verder aan een steeds betere integrale
                                handhaving.</al><al><cursief>Doelen en condities</cursief></al><al>Om een goed handhavingsbeleid mogelijk te maken moeten we onze
                                doelstellingen aangeven en inzicht hebben in de regelgeving en de te
                                controleren doelgroepen en objecten. Op basis van een risicoanalyse
                                en aandachtspunten moeten we prioriteiten stellen en moeten we de
                                handhavingsorganisatie zodanig organiseren dat de gestelde doelen
                                kunnen worden bereikt. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.2 Handhavingsvisie</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.2.1 Doelstelling</tussenkop><al>Het college van de gemeente Reusel-De Mierden gaat er op het
                                    gebied van de hun bij wet toegewezen taken van uit dat toezicht
                                    en (preventieve) handhaving uiteindelijk zullen leiden tot een
                                    betere en betrouwbare dienstverlening voor de inwoners en
                                    bedrijven van de gemeente. Het college verliest daarbij echter
                                    niet uit het oog dat repressief handhaven soms noodzakelijk zal
                                    blijken, maar dat ook dit uiteindelijk leidt tot betrouwbare
                                    gemeenten en een beter naleefgedrag van de wet- en regelgeving.
                                    Om de doelstelling te bereiken kiezen wij voor een uniforme en
                                    transparante aanpak die bij ons past en voeren we de taken uit
                                    op basis van een goede informatiebasis en met competente
                                    medewerkers. We zeggen wat we doen en hoe we het doen, waarbij
                                    we de diverse betrokkenen met vertrouwen benaderen. Om het doel
                                    te bereiken maken we ook gebruik van de regionale samenwerking
                                    die op basis van de Bestuursovereenkomst handhaving
                                    omgevingsrecht is overeengekomen met alle SRE-gemeenten, de
                                    waterschappen, de provincie Noord-Brabant, de VROM-inspectie, de
                                    Algemene Inspectiedienst en de strafrechtpartners het Openbaar
                                    Ministerie en de regiopolitie.</al><al>Handhaving is voor ons geen doel op zich, maar op basis van
                                    goede prioriteiten is het wel gewenst en ook wettelijk
                                    opgedragen. Handhaving wordt door ons gebruikt om te komen tot
                                    een verbeterde naleving van de regels door de normadressanten.
                                    We doen het ook niet klakkeloos of alleen maar op basis van het
                                    ‘piepsysteem’ waarbij gereageerd wordt op basis van klachten,
                                    meldingen of officiële handhavingsverzoeken. Om duidelijkheid te
                                    verschaffen aan de inwoners van en de bedrijven in de gemeente
                                    stellen wij duidelijk en vooraf onze prioriteiten vast. Op basis
                                    daarvan komen we tot een duidelijk en herkenbaar beleid. Daarin
                                    geven we aan wat we zeker doen, wat we zo veel mogelijk doen,
                                    maar ook waar we geen tijd of energie aan spenderen. Het beleid
                                    zal derhalve leiden tot een gefaseerd en over de kalender
                                    uitgespreid handhavingsplan. Daarbij houden we rekening met wat
                                    we regionaal op basis van gezamenlijke prioriteiten afspreken.
                                    Zoals wij de andere partners in de samenwerking vertrouwen
                                    zullen ook zij van ons verlangen dat we doen wat gezamenlijk
                                    wordt afgesproken. En die afspraken liggen vast in een
                                    provinciebreed handhavingsprogramma.</al><al>Binnen ons handhavingsbeleid maken we duidelijk waar we wel of
                                    geen regionale afspraken over maken omdat we niet alles kunnen
                                    maar ook omdat we dicht bij onze eigen gemeente en karakter
                                    willen blijven. Daarom hechten wij er veel waarde aan dat een
                                    goede risico- en probleemanalyse is uitgevoerd op basis waarvan
                                    de prioritering wordt uitgevoerd. De prioritering is dan ook
                                    door het college van B&amp;W vastgesteld teneinde te komen tot
                                    een breed gedragen beleid. Bij de prioritering hebben we
                                    rekening gehouden met het steeds integralere karakter van
                                    toezicht en handhaving. </al><al>Wij staan een professionele organisatie voor. Dat betekent dat
                                    we voldoen aan de criteria zoals gesteld in het Besluit
                                    kwaliteitseisen handhaving milieubeheer. Maar we gaan verder dan
                                    dat omdat we ook het toezicht van bouwzaken, ruimtelijke
                                    ordening en bijzondere wetgeving willen meewegen in het systeem
                                    van visie, beleid, uitvoeringsprogramma, verslaglegging en
                                    evaluatie. Bij de daadwerkelijke uitvoering van de taken
                                    proberen we deze zo effectief en efficiënt mogelijk te doen.
                                    Daar waar we kunnen, maken we gebruik van hetgeen ter
                                    ondersteuning van het toezicht regionaal of provinciebreed is
                                    vastgesteld. We hebben daarbij als uitgangspunt om de “Integrale
                                    handhavingstrategie omgevingsrecht” van oktober 2010 toe te
                                    passen (bijlage H.4). Daar waar mogelijk breiden we de strategie
                                    nog verder uit door ook communicatie als preventief middel in te
                                    zetten. Te denken valt aan het bekendmaken van projecten die we
                                    zullen uitvoeren maar ook aan het communiceren van acties die
                                    uitgevoerd zijn. Dit alles om repressieve handhaving juist te
                                    voorkomen en naleving van de regels te bevorderen.</al><tussenkop> 2.2.2 Definitie van toezicht en handhaving</tussenkop><al>De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als “elke
                                    handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van
                                    rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te
                                    beëindigen”.</al><al>Wij onderscheiden verschillende stappen in het “doen naleven van
                                    rechtsregels”:</al><al>voorlichting: creëren van draagvlak, stimuleren van gewenst of
                                    verplicht gedrag, uitleg over de achtergronden van de regel en
                                    communiceren van de resultaten van de
                                    handhavingsinspanningen;</al><al>preventieve handhaving: uitvoeren van controles en
                                    toezicht;</al><al>repressieve handhaving: opleggen en uitvoeren van
                                    bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke
                                    sancties.</al><al>Onze handhavingsactiviteiten zijn primair gericht op beëindiging
                                    van de overtreding of overlast, op herstel van een situatie
                                    volgens de gestelde normen, op het ontmoedigen om soortgelijke
                                    overtredingen (nogmaals) te begaan.</al><al>Daar waar nodig zullen wij samenwerken met politie en justitie
                                    die zich met het strafrecht vooral richten op het straffen van
                                    de overtreder en op het wegnemen van diens wederrechtelijk
                                    genoten (concurrentie)voordeel. </al><al>Als geloofwaardige overheid zullen wij zelf een voorbeeld moeten
                                    zijn in het naleven van gestelde regels en een transparant en
                                    consequent beleid moeten voeren hoe met overtredingen wordt
                                    omgegaan. Onze handhaving geschiedt volgens transparante
                                    processen. Daarmee is voor iedereen duidelijk wat men van ons
                                    kan verwachten. Vergelijkbare situaties zullen op vergelijkbare
                                    wijze worden benaderd.</al><tussenkop> 2.2.3 Werkwijze</tussenkop><al>Handhaving van wet- en regelgeving wordt uitgevoerd om
                                    geformuleerde doelen in beleid en/of wet- en regelgeving te
                                    realiseren. In bepaalde gevallen zijn wij verplicht om toezicht
                                    op een bepaald niveau uit te voeren. In andere gevallen is op
                                    basis van ervaringen een inspanningsniveau bepaald waarop
                                    handhaving het meest effectief is gebleken. Daarnaast kunnen
                                    burgers en bedrijven constateringen melden of klachten uiten die
                                    als een handhavingsverzoek worden behandeld.</al><al>De toepassing van de bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen is
                                    een zogeheten discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het
                                    bestuursorgaan in beginsel vrij is al dan niet handhavend op te
                                    treden. Artikel 125 Gemeentewet bepaalt namelijk dat handhaving
                                    van bestuursrechtelijke regels een bevoegdheid is en geen
                                    verplichting. In de jurisprudentie wordt echter een vrij strenge
                                    lijn gevolgd tegenover gedogende gemeentebesturen ook wel
                                    genoemd de ‘beginselplicht tot handhaving’. </al><al>Na het signaleren van overtredingen zullen wij dan ook altijd
                                    eerst individueel toetsen of legalisatie mogelijk is aan de hand
                                    van de laatste inzichten en ontwikkelingen van wet- en
                                    regelgeving, beleidsplannen, jurisprudentie en rechtsgelijkheid.
                                    Indien dit het geval is en er is geen sprake van verstoorde
                                    concurrentieverhoudingen en het algemeen normbesef is geen
                                    geweld aangedaan, dan zullen wij de gelegenheid bieden de
                                    overtreding te legaliseren.</al><al>Bij het behandelen van overtredingen, zullen wij steeds voorrang
                                    geven aan zaken waarbij de veiligheid in het geding is.</al><tussenkop> 2.2.4 Evaluatie</tussenkop><al>De resultaten van de handhaving zullen we regelmatig evalueren.
                                    Wij zullen onze handhavingsinspanningen op basis van de
                                    evaluatie eventueel bijstellen.</al><al>We zullen ook analyseren waarom bepaalde regels worden
                                    overtreden en als hiervoor duidelijke redenen zijn aan te
                                    wijzen, zullen we proberen hier op in te spelen voor zover dit
                                    binnen onze reikwijdte ligt.</al><tussenkop> 2.2.5 Handhavingstaken</tussenkop><al><cursief>Risico-analyse</cursief></al><al>Programmatisch handhaven is bewust voeren van een
                                    handhavingsbeleid. Dat vereist het maken van keuzes. Het is niet
                                    mogelijk om de uitvoering van alle handhavingstaken te
                                    intensiveren. Hiervoor is de beschikbare handhavingscapaciteit
                                    te klein. Voor een duidelijke richting in de aanpak is het
                                    noodzakelijk dat het bestuur prioriteiten stelt. Zo zal
                                    regelgeving met een hoge prioriteit met een grotere frequentie
                                    en intensiteit gecontroleerd worden. Voor andere regelgeving is
                                    het mogelijk om steekproefsgewijze controles uit te voeren en
                                    controles op basis van klachten te organiseren. Om prioriteiten
                                    te kunnen stellen moet eerst een beeld worden geschetst van de
                                    aard en omvang van de handhavingsproblemen van de gemeente.</al><al>In het kader van het landelijke actieprogramma “Handhaven op
                                    Niveau” heeft in 2005 een inventarisatie plaatsgevonden van alle
                                    gemeentelijke handhavingstaken. Op basis van de landelijke en
                                    gemeentelijke wet- en regelgeving is een overzicht opgesteld van
                                    meer dan 300 gemeentelijke handhavingstaken. Dit varieert van
                                    het controleren van vergunningen en ontheffingen tot het
                                    controleren van voorwaarden tot het verlenen van uitkeringen. </al><al><cursief>Van thema’s naar taken</cursief></al><al>Aan de prioriteitenstelling ligt een rekenkundige methode ten
                                    grondslag. De resultaten van deze rekenkundige methode zijn
                                    richtinggevend, doch niet bepalend. De resultaten worden lokaal
                                    verder ingevuld. Zo is de huidige prioriteitenstelling ook
                                    gegaan. Hieronder is verder uitgewerkt hoe wij gekomen zijn tot
                                    7 topprioriteiten vastgelegd in handhavingsthema’s met de
                                    daaronder vallende handhavingstaken. Schematisch ziet het
                                    prioriteringsproces er als volgt uit:</al><al><plaatje><illustratie id="i76c3bc79-c38d-4965-8727-3002f1c73b1b" naam="i129091i76c3bc79-c38d-4965-8727-3002f1c73b1b.png" type="foto" breedte="15.7cm" hoogte="6.1cm"/></plaatje></al><al>Landelijk is een methode ontwikkeld om een benadering te kunnen
                                    geven van de risico’s van niet handhaven. Het betreft een
                                    rekenkundige formule die een (subjectieve) score geeft en zo
                                    ondersteunt bij het bepalen van de prioriteiten. Het risico
                                    wordt bepaald aan de hand van het negatieve effect dat kan
                                    ontstaan bij niet handhaven en de kans op overtredingen wanneer
                                    er geen handhavingsinspanningen worden gedaan. Negatieve
                                    effecten kunnen zijn effecten voor de fysieke veiligheid,
                                    kwaliteit, onherstelbare schade, verlies van of schade aan
                                    natuurschoon, schade aan de (volks)gezondheid en schade aan het
                                    bestuurlijke imago.</al><al>Met de risico-analyse wordt de grootte van een risico bepaald
                                    door de som van een aantal weegfactoren, die staan voor een
                                    mogelijk gevolg van niet-naleven van regels, te vermenigvuldigen
                                    met de kans dat een bepaald gevolg zich daadwerkelijk zal
                                    voordoen. </al><al>Bij het maken van de risicoanalyse spelen de volgende
                                    weegfactoren een rol:</al><lijst><li nr="1."><al>Fysieke veiligheid: in welke mate draagt het voldoen aan
                                            de gedragsvoorschriften die tot dit thema behoren bij
                                            aan de fysieke veiligheid en in welke mate zijn de
                                            gedragsvoorschriften bedoeld om de fysieke veiligheid te
                                            beschermen?</al></li><li nr="2."><al>Sociale leefbaarheid en/of welzijn: in welke mate draagt
                                            het voldoen aan de gedragsvoorschriften die tot dit
                                            thema behoren bij aan de kwaliteit van de sociale
                                            leefomgeving en in welke mate zijn de
                                            gedragsvoorschriften bedoeld om de kwaliteit van de
                                            sociale leefomgeving te beschermen?</al></li><li nr="3."><al>Financiële en economische aspecten (maatschappelijke
                                            schade) : hoe groot is de financieel-economische schade
                                            voor de gemeente als alle subjecten de tot haar gerichte
                                            gedragsvoorschriften overtreden?</al></li><li nr="4."><al>Natuur / milieu: in welke mate draagt het voldoen aan de
                                            gedragsvoorschriften die tot dit thema behoren bij aan
                                            het beschermen van de natuur en het milieu en in welke
                                            mate zijn de gedragsvoorschriften bedoeld om de natuur
                                            en het milieu te beschermen?</al></li><li nr="5."><al>Gezondheid: in welke mate draagt het voldoen aan de
                                            gedragsvoorschriften die tot dit thema behoren bij aan
                                            de bescherming van de volksgezondheid en in welke mate
                                            zijn de gedragsvoorschriften bedoeld om de
                                            volksgezondheid te beschermen?</al></li><li nr="6."><al>Imago van de gemeente: hoe groot is de
                                            politiek-bestuurlijke afbreuk als de voorschriften uit
                                            het thema onvoldoende worden nageleefd?</al></li></lijst><al>De berekening is gebaseerd op de volgende formule: risico =
                                    negatief effect x kans. Er wordt gescoord op een 5-puntsschaal
                                    (1 is zeer klein, 5 is zeer groot). De ingevulde risicomatrix is
                                    opgenomen in bijlage H1 In de tabel wordt in de verticale kolom
                                    “negatieve effect” de gemiddelde verwachte ernst van de gevolgen
                                    van overtreding van gedragsregels die voor het desbetreffende
                                    beleidsveld gelden ingevuld. In algemene woorden gesteld gaat
                                    het om het belang dat het gedragsvoorschrift beschermt en in
                                    welke mate het die bescherming biedt.</al><al>De “kans” wordt ingevuld op grond van de verwachte
                                    overtredingskans van die regels bij de huidige
                                    handhavingsinspanning.</al><al><cursief>Prioriteiten in de handhaving</cursief></al><al>Het hiervoor beschreven model is niet meer dán een model. De
                                    hieruit voortkomende scorelijst is geen verplichtend keurslijf
                                    voor het vervolg (stellen van prioriteiten, doelen en
                                    uitvoering). De resultaten worden sterk lokaal bepaald, omdat de
                                    invoer op de volgende manieren ‘lokaal’ gekleurd is:</al><lijst><li nr="-"><al>de lijst van overtredingen is gebaseerd op lokale
                                            ervaringen;</al></li><li nr="-"><al>hetzelfde geldt voor de inschatting van de kans op
                                            overtredingen en de ernst van de gevolgen.</al></li></lijst><al>Prioriteitstelling op het niveau van (de genoemde 300)
                                    handhavingstaken is vrijwel onmogelijk en voegt in het kader van
                                    een integrale aanpak weinig toe. Er is gekozen voor een
                                    prioriteitstelling op basis van handhavingsthema’s. Deze thema’s
                                    zijn in 2005 door de ambtelijke werkgroep uitgewerkt op
                                    productbladen. Deze productbladen hebben als basis gediend voor
                                    de prioritering, die met ingang van 1 januari 2008 opnieuw is
                                    vastgesteld. Aangezien deze prioriteitenstelling in principe
                                    iedere twee jaar dient te worden herzien, heeft in 2010
                                    ambtelijk een herziening van de handhavingstaken plaatsgevonden.
                                    Hieruit is naar voren gekomen dat in de prioriteitenstelling
                                    voor de gemeente Reusel-De Mierden nauwelijks gewijzigd is.
                                    Alleen de handhavingsthema’s “Kinderopvang” en “Drank-en
                                    horecawet en Wet op kansspelen” zijn toegevoegd. Verder is veel
                                    regelgeving de afgelopen jaren gewijzigd, hetgeen een kleine
                                    verschuiving in handhavingstaken en handhavingsomvang betekent.
                                    Deze prioriteitenstelling is hier uitgewerkt en in de bijlage H1
                                    toegevoegd.</al><al>De resultaten vormen een momentopname. Via jaarlijkse evaluatie
                                    kan op basis van ervaringen in de praktijk, veranderende
                                    regelgeving of verandering van gemeentelijke visie (wat vindt
                                    het gemeentebestuur meer of minder belangrijk), de
                                    risico-analyse twee-jaarlijks worden bijgesteld. Dit krijgt
                                    vervolgens doorwerking in de prioriteitsteling, doelstellingen
                                    en uitvoering.</al><al>Het college heeft op basis van een risicoanalyse een
                                    prioriteringsproces naar thema’s uitgevoerd met het volgende
                                    resultaat:</al><al><vet>Prioriteit heel hoog</vet></al><al>Afval niet bedrijfsgebonden</al><al>Brandveiligheid </al><al>Milieutoezicht risicovolle bedrijven</al><al><vet>Prioriteit hoog</vet></al><al>Afval</al><al>Bestemmingsplan Buitengebied</al><al>Illegale bouw- en sloopactiviteiten</al><al>Wonen </al><al><vet>Prioriteit laag</vet></al><al>Bestemmingsplan bebouwde kom</al><al>Bouwen/slopen met vergunning</al><al>Openbare ruimte</al><al>Op basis van deze prioriteitenstelling zijn de volgende
                                    prioriteiten gesteld:</al><al><vet>Prioriteit </vet></al><al>Bestrijden van brandonveiligheid</al><al>Waarborgen van voldoende toezicht op risicovolle bedrijven</al><al>Voorkomen van illegaal storten en aanbieden van afval</al><al>Intensiveren van handhaving bestemmingsplan buitengebied</al><al>Bestrijden van illegale bouw- en sloopactiviteiten</al><al>Aanpak illegale bewoning</al><al>Professionalisering handhaving</al><al>Regionale projecten*</al><al>* De uitvoering van regionale projecten is niet in de
                                    risicoanalyse meegewogen maar op grond van de
                                    bestuursovereenkomst krijgen deze projecten de hoogste
                                    prioriteit mee. Deze projecten zullen altijd worden
                                    uitgevoerd.</al><al>Wat direct opvalt en ook aansluit bij de gemeentelijke visie op
                                    de woon-, werk- en leefomgeving is dat kwaliteit van de
                                    leefomgeving en veiligheidsaspecten hoog op de risicoscorelijst
                                    staan. Dit geldt zowel voor de bouwregelgeving (met name
                                    brandveiligheid en constructieve veiligheid) als de
                                    milieuregelgeving (gevaarlijke stoffen). Daarnaast scoren
                                    overlast veroorzakende aspecten hoog: met name afval, illegaal
                                    gebruik en illegale bouw- en sloopactiviteiten. </al><al><cursief>Restrisico</cursief></al><al>De prioriteitenstelling betekent overigens niet dat taken die
                                    geen hoge prioriteit hebben, niet gehandhaafd zullen worden.
                                    Handhaven is en blijft een normale gemeentelijke taak. Willen we
                                    naar een veiligere en leefbaardere omgeving, dan moeten we
                                    elkaar aanspreken op elkaars verantwoordelijkheid. Het moet
                                    echter niet zo zijn dat als iets fout gaat, iedereen een dikke
                                    boom zoekt om achter te schuilen. Geen enkele gemeente kan alles
                                    handhaven, dat is technisch onuitvoerbaar. Burgers en bedrijven
                                    hebben de eigen verantwoordelijkheid voor naleving van de regels
                                    en de gemeente kan en mag deze verantwoordelijkheid niet
                                    overnemen. Het is wel van belang, zoals ook aangegeven in
                                    aanbeveling 4 van de rekenkamercommissie, inzichtelijk te maken
                                    welke handhavingstaken blijven liggen. Dit zijn de volgende
                                    taken:</al><al><vet>Geen prioriteit</vet></al><al>Bestemmingsplan bebouwde kom</al><al>Bouwen/slopen met vergunning</al><al>Openbare ruimte</al><al><cursief>Systematiek van handhaven</cursief></al><al>Afhankelijk van het risico dat aan een handhavingstaak verbonden
                                    is en de prioriteit die aan de handhavingstaak gegeven is, wordt
                                    de intensiteit van het toezicht bepaald. Taken met een hoog
                                    risico of een hoge prioriteit zullen eerder actief gehandhaafd
                                    worden terwijl bij een taak met een lage prioriteit en laag
                                    risico eerder een afwachtende rol wordt aangenomen. </al><al>Bij actieve handhaving heeft de gemeente een initiërende rol van
                                    waaruit zij gericht onderzoek doet naar mogelijke overtredingen
                                    door middel van steekproefsgewijze controles, mede afhankelijk
                                    van het risico. Reactieve handhaving wordt gekenmerkt door de
                                    afwachtende rol van de gemeente: er wordt uitsluitend gereageerd
                                    op signalen uit de samenleving. </al><tussenkop> 2.2.6 Middelen voor de handhavingsinspanningen</tussenkop><al>Voor de uitvoering van de handhavingstaken worden middelen
                                    ingezet in de vorm van personeel en financiën. In het jaarlijkse
                                    uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt wat de huidige beschikbare
                                    capaciteit is om de verschillende handhavingstaken uit te
                                    voeren. </al><al><cursief>Personeel </cursief></al><al>Zoals waarschijnlijk elke gemeente kampen wij ook met het feit
                                    dat de gewenste inzet hoger is dan de beschikbare middelen. We
                                    moeten onze middelen dus op een slimme manier inzetten. Aan
                                    taken met de hoogste prioriteit zal steeds de meeste aandacht
                                    worden besteed. De noodzakelijke capaciteit en de beschikbare
                                    capaciteit moeten daar nagenoeg in evenwicht zijn. De taken met
                                    een lage prioriteit worden op een minimaal niveau uitgevoerd
                                    waarbij de beschikbare capaciteit de ondergrens vormt. </al><al>Naast scherpere prioritering van de taken en de middeleninzet
                                    kan ook meer rendement worden gehaald uit de bestaande
                                    handhavingscapaciteit en ruimte ontstaan voor nieuwe
                                    handhavingsacties door vorm en inhoud te geven aan andere,
                                    slimmere manieren van handhaving. </al><al>Met de professionalisering van de handhaving willen we ook een
                                    kwaliteitsslag maken aan de voorkant van het proces. In de
                                    beleidsfase zal meer aandacht besteed worden aan “het waarom”
                                    van regelgeving. Duidelijk beleid en begrijpelijke regelgeving
                                    zullen resulteren in een grotere betrokkenheid en draagvlak voor
                                    spontaan naleefgedrag. Ook zal voorlichting en communicatie
                                    worden ingezet om dit effect te bereiken. De regelgeving zal op
                                    basis van de handhavingsresultaten worden geëvalueerd en indien
                                    nodig binnen de gemeentelijke bevoegdheid worden aangepast.</al><al><cursief>Hulpmiddelen</cursief></al><al>Een belangrijk onderdeel van de professionalisering van de
                                    handhaving is het in een kwaliteitssysteem vastleggen en
                                    omschrijven van strategieën, werkwijzen, protocollen enz. Voor
                                    een groot deel wordt in de praktijk al overeenkomstig gewerkt
                                    maar niet alles is in documenten vastgelegd.</al><al>In de eerstvolgende jaren zal het kwaliteitssysteem verder
                                    worden uitgewerkt en zullen de protocollen en strategieën
                                    gezamenlijk vastgelegd en vastgesteld worden. Het
                                    kwaliteitssysteem heeft tot doel het adequate handhavingsproces
                                    te borgen, de efficiency en het kwaliteitsniveau te verhogen en
                                    de monitoring en rapportage te vereenvoudigen.</al><al><cursief>Financiële middelen</cursief></al><al>In de begroting moet een bedrag opgenomen worden voor integrale
                                    handhaving en moet de begroting geen versnippering van bedragen
                                    voor verschillende handhavingstaken kennen. </al><al>Eén product in de begroting levert duidelijkheid, past binnen de
                                    functiescheiding vergunningverlening / handhaving en leidt tot
                                    efficiëntere handhaving. We zullen onze regels evalueren en
                                    onderzoeken of we regels die we overbodig vinden, kunnen
                                    intrekken. Maar wat we regelen, moeten we handhaven en daarvoor
                                    zal de gemeente er naar streven voldoende financiële middelen
                                    ter beschikking te stellen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.3 Instrumenten handhaving</label></kop><structuurtekst><al>In hoeverre gestelde normen ook daadwerkelijk worden nageleefd,
                                wordt bepaald door een groot aantal factoren, variërend van de
                                kennis van de regels, via het nut en de noodzaak ervan inzien, tot
                                het bewust overtreden ervan. Een aantal van deze factoren zijn te
                                beïnvloeden door consequent handhaven in de meest brede zin van het
                                woord. Handhaven is niet alleen “dwang” gebruiken om de naleving van
                                de regels af te dwingen maar ook het geven van voorlichting over
                                deze regels.</al><al>In het kader van het landelijke project “Professionalisering van de
                                milieuhandhaving” zijn kwaliteitscriteria vastgesteld voor het
                                handhavingsproces. In het Provinciaal Handhavingsoverleg is
                                afgesproken dat deze criteria ook zullen worden gehanteerd voor het
                                rode en groene spoor.</al><al>Op basis van deze kwaliteitscriteria dient de gemeentelijke
                                handhavingsorganisatie te handelen op grond van de volgende
                                vastgestelde strategieën (deze strategieën zijn vastgelegd in het
                                handhavingsprogramma):</al><lijst><li nr="-"><al>Nalevingstrategie (criterium 2.1): hierin is vastgelegd met
                                        welke instrumenten zij naleving wil bereiken en welke rol
                                        handhaving daarbinnen speelt;</al></li><li nr="-"><al>Toezichtstrategie (criterium 2.2): hierin is vastgelegd
                                        welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de
                                        basiswerkwijze daarbij is;</al></li><li nr="-"><al>Sanctiestrategie (criterium 2.3): hierin is de basisaanpak
                                        voor het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden bij
                                        overtredingen vastgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Gedoogstrategie (criterium 2.4): hierin is vastgelegd in
                                        welke situaties en onder welke condities inzet van sancties
                                        tegenover overtreders tijdelijk achterwege kan blijven.</al></li></lijst><tussenkop> 2.3.1 Nalevingsstrategie</tussenkop><al>De nalevingsstrategie omvat alle activiteiten die erop gericht
                                    zijn om er voor te zorgen dat regels worden nageleefd en dient
                                    ten minste te omvatten: de toezichtstrategie, de
                                    sanctiestrategie en de strategie voor inzet van overige
                                    instrumenten niet zijnde handhaving. De toezichts- en
                                    sanctiestrategie komen in de volgende paragrafen aan de orde. In
                                    deze paragraaf zal ingegaan worden op de aanvullende
                                    instrumenten: zorgen voor handhaafbare regelgeving en zorgen
                                    voor voldoende kenbaarheid van en duidelijkheid over de
                                    regelgeving.</al><al><onderstreept>Handhaafbare regelgeving</onderstreept></al><al>Veel van de door de gemeente te handhaven regels zijn wettelijk
                                    bepaald (Bouwbesluit, Wet milieubeheer, Wet bodembescherming,
                                    Woningwet, etc.). De gemeente kan de handhaafbaarheid daarvan
                                    niet direct beïnvloeden. De regels die de gemeente zelf
                                    vaststelt zijn verordening (APV, bouwverordening), beleid
                                    (horecabeleid, welstand en vrijstellingenbeleid),
                                    bestemmingsplannen en vergunningvoorschriften.</al><al>Regels zijn handhaafbaar als ze voldoen aan een aantal
                                    criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>actueel: op basis van geldende wetgeving en beleid,
                                            passend bij de actuele maatschappelijke situatie;</al></li><li nr="2."><al>eenduidig: op één manier uit te leggen en niet
                                            tegenstrijdig;</al></li><li nr="3."><al>controleerbaar: gebaseerd op zichtbare en/of meetbare
                                            feiten.</al></li></lijst><al>Bovendien moeten regels consequent worden toegepast, omdat
                                    anders de geloofwaardigheid en rechtspositie van de gemeente in
                                    het geding is. Afwijken van vastgesteld beleid zou slechts in
                                    absolute uitzonderingsgevallen mogelijk moeten zijn. Als de
                                    uitzondering regel wordt betekent dat, dat de regelgeving moet
                                    worden aangepast.</al><al><onderstreept>Kenbaarheid</onderstreept></al><al>Regels moeten voor iedereen duidelijk en bekend zijn. Niet
                                    alleen uit preventief oogpunt, maar ook om geen (juridisch)
                                    verwijt te krijgen dat men onvoldoende is geïnformeerd. Door de
                                    gemeente wordt op verschillende manieren informatie verstrekt,
                                    bijvoorbeeld via publicaties op de gemeentepagina in de Uitkijk,
                                    op de gemeentelijke website en via de gemeentegids. Voor het
                                    bekend maken van beleidsregels, verordeningen, wetswijzigingen,
                                    etc. is intensiever gebruik van de bestaande informatiekanalen
                                    mogelijk. Bovendien verdient het aanbeveling preventieve
                                    voorlichting meer te richten op specifieke thema’s of
                                    doelgroepen.</al><al><onderstreept>Draagvlak</onderstreept></al><al>Als regels actueel en éénduidig zijn en ook consequent worden
                                    gecontroleerd en gehandhaafd, zal het draagvlak om aan de regels
                                    te voldoen vanzelf vergroten. Daarnaast dient bij het
                                    vaststellen van regels uiteraard uitgangspunt te zijn dat
                                    belangen van betrokkenen voldoende worden meegewogen. De bij het
                                    vaststellen van bestemmingsplannen te volgen procedure voorziet
                                    hier in ieder geval in. Toch kan in de handhavingspraktijk
                                    blijken dat bepaalde regels door betrokkenen als onredelijk
                                    worden ervaren. Dit element zou als criterium bij de evaluatie
                                    van beleidsregels moeten worden betrokken.</al><al>Een andere insteek is niet het aanpassen van regels, maar het
                                    beïnvloeden van het gedrag. Het verdient aanbeveling specifieke
                                    doelgroepen ook op hun gedrag aan te spreken. De meest
                                    eenvoudige ingang hiervoor is het regulier overleg met
                                    doelgroepen, zoals verenigingen, bedrijven en jeugd.</al><tussenkop> 2.3.2 Toezichtstrategie</tussenkop><al>Bij het bepalen van het toezichtsbeleid is uitgangspunt dat dit
                                    ook zoveel als mogelijk integraal wordt aangepakt. Omdat het
                                    toezichtsbeleid praktijkgericht is ontkomen we er echter niet
                                    aan om voor bepaalde taakvelden sectoraal de toezichtsstrategie
                                    vast te stellen. In deze paragraaf maken we onderscheid tussen
                                    het rode en groene kleurspoor en het grijze kleurspoor. Dit
                                    neemt uiteraard niet weg dat, waar de diverse sectorale
                                    taakvelden overlap vertonen, samenwerking tussen disciplines op
                                    het gebied van toezicht effectief is.</al><al><onderstreept>Rode en groene kleurspoor</onderstreept></al><al>Bij de toezichtsstrategie voor deze kleursporen is onderscheid
                                    gemaakt tussen taken die toezicht betreffen en taken die
                                    controle betreffen. Het onderscheid tussen toezicht en controle
                                    is als volgt:</al><al><onderstreept>Toezicht</onderstreept> betreft alle taken die te
                                    maken hebben met legale activiteiten. Dit betreft voornamelijk
                                    toezicht op verleende vergunningen en de eventuele overtreding
                                    van voorschriften van deze vergunningen.</al><al><onderstreept>Controle</onderstreept> betreft alle taken die te
                                    maken hebben met illegale activiteiten. Dit betreft
                                    overtredingen van wettelijke regels (zowel landelijke als
                                    gemeentelijke regels).</al><al><onderstreept>Toezicht</onderstreept></al><al>Uitgangspunt bij het toezicht op verleende vergunningen is de
                                    eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouder. Van de gemeente
                                    kan niet worden verwacht dat op alle vergunningen intensief
                                    wordt gecontroleerd. Het toezicht zal met name gericht zijn op
                                    de activiteiten die in de prioriteitstelling hoog scoren. In
                                    zijn algemeenheid betekent dit dat binnen de kleursporen rood en
                                    groen alle verleende vergunningen worden gecontroleerd.</al><al>Daarnaast zal jaarlijks worden bezien welke thema’s voor een
                                    projectmatige aanpak in aanmerking komen. Hierbij zal zoveel
                                    mogelijk integraal worden gecontroleerd. Als voorbeeld zou een
                                    projectmatige aanpak van de horeca kunnen plaatsvinden waarbij
                                    in één controle op zowel omgevingsvergunningen (activiteit:
                                    gebruik, bouw- en milieu) wordt gecontroleerd.</al><al><onderstreept>Controle</onderstreept></al><al>Om aan de wettelijke handhavingsplicht te voldoen is het
                                    noodzakelijk overtredingen ook te constateren. Dit houdt in dat
                                    regelmatig het gehele gemeentelijk grondgebied moet worden
                                    gecontroleerd. Ook hier geldt de noodzaak van een effectieve
                                    inzet van beperkte capaciteit. Binnen de hoge prioriteiten zal
                                    de controlefrequentie hoger liggen dan bij lage prioriteiten.
                                    Uitgangspunt is dat alle toezichthouders als ze buiten zijn een
                                    “oog- en oorfunctie” hebben. Als deze een overtreding of
                                    mogelijke overtreding constateren, ook al behoort die niet
                                    direct tot hun taakveld, wordt dit gemeld bij de coördinator.
                                    Deze meldingen zullen op de handhavingslijst worden opgenomen. </al><al>Om te voorkomen dat er illegale situaties ontstaan die bij
                                    wijziging van een bestemmingsplan onder het overgangsrecht gaan
                                    vallen zal er gericht worden gecontroleerd in delen van de
                                    gemeente waarvoor een wijziging van een bestemmingsplan wordt
                                    voorbereid. </al><al>Bij de controles op de “groene regelgeving” wordt de nadruk met
                                    name gelegd op de aspecten die van invloed zijn op de kwaliteit
                                    van de leefomgeving. </al><al>Aspecten met een lage prioriteit worden in beginsel naar
                                    aanleiding van meldingen of klachten gehandhaafd. Op meldingen
                                    en klachten wordt adequaat gereageerd. </al><al><onderstreept>Grijze kleurspoor</onderstreept></al><al>Binnen het grijze kleurspoor wordt de volgende
                                    toezichtsfrequentie gehanteerd:</al><lijst><li nr="-"><al>Type A: inrichtingen niet opnemen in regulier
                                            controleprogramma. Controleren alleen op basis van
                                            meldingen, klachten en handhavingsverzoeken.</al></li><li nr="-"><al>Type B: agrarisch 1 x 2 - 3 jaar*</al><al> industrieel 1 x 4 jaar </al></li></lijst><al>* er bestaat een grote diversiteit aan agrarische bedrijven die
                                    onder de meldingplicht activiteitenbesluit gaan vallen (medio
                                    2012). Het gaat hier om bedrijven die toekomstbestendig
                                    zijn/worden en de bedrijven die (uiterlijk) 2020 gaan stoppen
                                    (Besluit huisvesting). </al><al>+ stoppers, controlefrequentie 1 x 2/jaar gericht op
                                    dieraantallen; </al><al>+ overige, controlefrequentie 1 x 3/jaar bij invoering
                                    electronisch toezicht luchtwassystemen. </al><lijst><li nr="-"><al>Type C / vergunningplichtig (IPPC en enkele industriële
                                            bedrijven): 1 x 2 jaar</al></li><li nr="-"><al>Risicovolle bedrijven: LPG/Propaan 1 x per jaar</al></li><li nr="-"><al>Opleveringscontrole: bij agrarische bedrijven (nieuwbouw
                                            veestallen/installaties mn. luchtwassystemen) wordt een
                                            opleveringscontrole uitgevoerd (meldingplichtig/type B
                                            en vergunningplichtig/IPPC)*</al></li></lijst><al>* Na aanpassing van het activiteitenbesluit (verwachting medio
                                    2012) wordt het Besluit landbouw milieubeheer onderdeel van
                                    activiteitenbesluit en wordt de werkingssfeer vergroot. Dit
                                    betekent dat in Reusel-De Mierden alleen de IPPC (gpbv)
                                    bedrijven vergunningplichtig blijven (agrarische bedrijven). De
                                    IPPC bedrijven wordt ondergebracht in de RUD. Alle andere
                                    veehouderijen worden meldingplichtig. </al><lijst><li nr="-"><al>Deelname aan (sub)regionale handhavingprojecten
                                            (SEPH).</al></li><li nr="-"><al>Controles bij bedrijven zonder vergunning/melding.</al></li></lijst><tussenkop> 2.3.3 Sanctiestrategie</tussenkop><al>In de beleidsuitgangspunten uitvoering handhaving die zijn
                                    vastgesteld op 3 januari 2006 is een duidelijke sanctiestrategie
                                    vastgelegd. Deze strategie is in deze beleidsnota overgenomen en
                                    waar nodig verscherpt dan wel aangepast aan de tijd.</al><al>Op basis van het criterium 2.3 van de Kwaliteitscriteria
                                    Professionalisering van de Handhaving dient elke
                                    handhavingsorganisatie een sanctiestrategie te hebben opgesteld.
                                    In deze beleidsuitgangspunten wordt de in het
                                    handhavingsprogramma opgenomen sanctiestrategie verder
                                    uitgewerkt. Voor de handhaving van de regelgeving staan de
                                    bestuursorganen een aantal wettelijke instrumenten ter
                                    beschikking. </al><al>Door het Servicepunt Handhaving (hierna: SEPH) is een
                                    handreiking bestuurlijke sanctiemiddelen opgesteld. De hoogte
                                    van de in laatstgenoemde handreiking opgenomen dwangsombedragen
                                    en de begunstigingstermijnen zijn overgenomen in deze
                                    gemeentelijke beleidsuitgangspunten.</al><al>In de handhavingszaken moet steeds per geval worden beoordeeld
                                    welke sanctie het beste in het vooruitzicht kan worden gesteld
                                    om een overtreder te bewegen een overtreding ongedaan te maken.
                                    De sanctiestrategie zorgt voor meer uniformiteit en voorkomt dat
                                    steeds opnieuw moet worden bepaald hoe de sanctie moet luiden.
                                    In concrete afwijkende situaties biedt de sanctiestrategie een
                                    referentiekader. De handreiking heeft betrekking op de algemene
                                    bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten, te weten
                                    bestuursdwang, dwangsom en intrekking vergunning. </al><al>Opgemerkt wordt dat onderhavig document slechts een handreiking
                                    betreft met daarin opgenomen richtinggevende voorbeelden. De
                                    aangetroffen omstandigheden blijven altijd bepalend voor het
                                    vaststellen van de wijze van optreden. </al><al><onderstreept>Bestuurlijke sanctiemiddelen </onderstreept></al><al>Met betrekking tot het optreden tegen overtredingen van regels
                                    bestaat de mogelijkheid gebruik te maken van een drietal
                                    bestuurlijke sanctiemiddelen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het toepassen van bestuursdwang;</al></li><li nr="2."><al>Het opleggen van een last onder dwangsom;</al></li><li nr="3."><al>Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een
                                            vergunning;</al></li><li nr="4."><al>Bestuurlijke boete;</al></li><li nr="5."><al>Bestuurlijke strafbeschikking.</al></li></lijst><al>Ad 1) Het toepassen van bestuursdwang </al><al>Bestuursdwang kan bij uitstek worden toegepast in de volgende
                                    situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>Bij onomkeerbare situaties</al></li><li nr="-"><al>Er is sprake van een overtreding waardoor een acuut
                                            milieubedreigende situatie is ontstaan. Het voortduren
                                            van een overtreding kan onherstelbare schade aan het
                                            milieu tot gevolg hebben. (bijvoorbeeld: het constateren
                                            van een uitbreidende olieverontreiniging op het
                                            oppervlaktewater);</al></li><li nr="-"><al>Er dreigt acuut milieugevaar te ontstaan, er is echter
                                            nog geen sprake van een overtreding. In dat geval kan
                                            preventieve bestuursdwang worden toegepast;</al></li><li nr="-"><al>Bij acuut dreigende calamiteiten. Met name indien de
                                            overtreder in dergelijke situaties niet bereikbaar is
                                            (bijvoorbeeld bij XTC-afval of kadavers in of langs het
                                            water);</al></li><li nr="-"><al>Indien de overtreder niet genegen of (financieel) niet
                                            in staat is om de overtreding ongedaan te maken, kan
                                            bestuursdwang een adequaat instrument zijn;</al></li><li nr="-"><al>Het opleggen van dwangsom heeft niet het gewenste effect
                                            gehad of legalisering is niet mogelijk (bijvoorbeeld bij
                                            een dreigend faillissement van de overtreder).</al></li></lijst><al>Ad 2) Het opleggen van een last onder dwangsom </al><al>Een dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per
                                    tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt
                                    indien of zolang de overtreding voortduurt. Met het opleggen van
                                    een last onder dwangsom wordt, naast de plicht zich conform de
                                    voorschriften te gedragen, een voorwaardelijke plicht
                                    toegevoegd, namelijk die tot het betalen van een bedrag wanneer
                                    de dwangsom wordt verbeurd. De beschikking bevat een last om de
                                    overtreding te beëindigen en voortzetting en herhaling te
                                    voorkomen. Veelal zal daartoe een zogenaamde
                                    begunstigingstermijn worden gegeven. Een begunstigingstermijn is
                                    niet noodzakelijk indien de overtreder onmiddellijk tot naleving
                                    van de voor hem geldende verplichtingen in staat is.</al><al>Ad 3) Het intrekken van een vergunning </al><al>Het ten aanzien van een vergunning bevoegde gezag kan de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet
                                    overeenkomstig die vergunning is of wordt gehandeld, dan wel
                                    indien aan de vergunning verbonden voorschriften of regels niet
                                    worden nageleefd. Het bevoegd gezag mag pas tot intrekking
                                    overgaan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden
                                    binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in
                                    overeenstemming te brengen met de vergunning. Als zelfstandig
                                    sanctiemiddel lijkt de intrekking weinig effectief. Je ontneemt
                                    hiermee immers iemands rechten maar je dwingt hiermee nog niet
                                    om iets te doen of na te laten. In de praktijk ziet het
                                    intrekken van een vergunning vaak op milieuvergunningen. Dit
                                    gaat dan vaak samen met sluiting van de inrichting. Dan dwingt
                                    men wel iemand om iets te doen of na te laten.</al><al>Ad 4) Bestuurlijke boete</al><al>Formeel kan vanaf 2009 de bestuurlijke boete ook als bestuurlijk
                                    sanctiemiddel worden ingezet door gemeenten. De gemeente
                                    Reusel-De Mierden heeft echter van deze mogelijkheid afgezien
                                    omdat dit instrument te veel administratieve lasten met zich
                                    meebrengt en hetzelfde resultaat bereikt kan worden met de
                                    bestuurlijke strafbeschikking. </al><al>Ad 5) Bestuurlijke strafbeschikking</al><al>Artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering biedt de basis
                                    op grond waarvan gemeenten de mogelijkheid kunnen hebben een
                                    bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. Hierin staat
                                    vermeld dat bij algemene maatregel van bestuur aan
                                    bestuursorganen, zoals gemeenten, maar ook aan goa’s/boa’s, de
                                    bevoegdheid kan worden verleend een strafbeschikking uit te
                                    vaardigen. Van de bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt onder
                                    toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door het
                                    College van procureurs-generaal (OM). Bij algemene maatregel van
                                    bestuur zullen voorschriften worden gegeven met betrekking tot
                                    het toezicht op de wijze waarop gemeenten van de hun verleende
                                    bevoegdheid gebruik maken alsmede de intrekking van een
                                    verleende bevoegdheid door het College van procureurs-generaal. </al><al>Indien een gemeente kiest voor het instrument van de
                                    bestuurlijke strafbeschikking biedt artikel 576a Wetboek van
                                    Strafvordering een grondslag om geldbedragen die uit de
                                    tenuitvoerlegging van bestuurlijke strafbeschikkingen zijn
                                    verkregen deels ten goede te laten komen aan het handhavende
                                    bestuursorgaan. </al><al>Met de invoering in januari 2010 van de bestuurlijke
                                    strafbeschikking heeft de gemeente een instrument in handen om
                                    zelf kleine overlastfeiten aan te pakken.</al><al>Dit betekent dat de Buiten gewoon opsporingsambtenaar (Boa)
                                    zelfstandig overtredingen uit de Algemene Plaatselijke
                                    Verordening (APV) kan bestraffen. Door het gebruik van dit
                                    instrument zijn gemeenten minder afhankelijk van de inzet door
                                    de politie. Daarnaast wordt de politieorganisatie gedeeltelijk
                                    ontlast.</al><al>De bestuurlijke strafbeschikking is vanaf januari 2010 gefaseerd
                                    ingevoerd. Dit gebeurde onder leiding van het CJIB. De gemeenten
                                    in de regio Brabant Zuidoost kunnen de bestuurlijke
                                    strafbeschikking pas in december 2010 invoeren. Het Regionaal
                                    College van het politiekorps Brabant Zuid-Oost heeft een
                                    projectcoördinator aangesteld en de regio begeleid bij de
                                    invoering van de bestuurlijke strafbeschikking. Het college van
                                    burgemeester en wethouders heeft in oktober 2010 besloten om de
                                    bestuurlijke strafbeschikking overlast te gaan implementeren. </al><al><onderstreept>Bestuursdwang of dwangsom? </onderstreept></al><al>Ingevolge de artikelen 122 van de Provinciewet of 125 van de
                                    Gemeentewet of 61 van de Waterschapswet en 5:21 en volgende van
                                    de Algemene wet bestuursrecht zijn de betreffende colleges
                                    bevoegd met bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten op te
                                    treden tegen overtreding van regels welke die specifieke
                                    bevoegde gezagen uitvoeren. Handhavend optreden bestaat uit het
                                    toepassen van bestuursdwang. Deze bestuursdwangbevoegdheid
                                    impliceert tevens de dwangsombevoegdheid, wat inhoudt dat het
                                    bestuur aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.
                                    Deze strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere
                                    overtreding dan wel een herhaling daarvan te voorkomen.</al><al>Het bestuursorgaan kan voor een last onder dwangsom kiezen
                                    indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te
                                    beschermen, zich daartegen niet verzet. Kortom: de dwangsom mag
                                    NIET worden gekozen als niet het risico mag worden gelopen dat
                                    de overtreding ondanks de last onder dwangsom nog zou worden
                                    voortgezet of herhaald. Gelijktijdige toepassing van
                                    bestuursdwang en een last onder dwangsom ter zake van één en
                                    dezelfde overtreding is niet mogelijk. </al><al>Toepassing van bestuursdwang leidt veelal tot aanzienlijk hogere
                                    bestuurslasten dan het opleggen van een last onder dwangsom. Het
                                    ongedaan maken van een overtreding door de gemeente vraagt een
                                    gedegen voorbereiding en zorgvuldige uitvoering van taken die
                                    flink wat organisatie vragen. Ook het kostenverhaal vraagt de
                                    nodige aandacht. </al><al>Het opleggen van een last onder dwangsom legt de
                                    verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die taken bij de
                                    overtreder zelf en geeft de gemeente slechts de plicht om te
                                    toetsen of na het verstrijken van de gestelde termijn de
                                    overtreding ongedaan is gemaakt. </al><al>Keuze:</al><al>Ons college kiest dan ook, behoudens bijzondere omstandigheden,
                                    voor het opleggen van een last onder dwangsom als
                                    handhavingsinstrument, en wel om de volgende redenen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestuurslasten bij een dwangsombeschikking zijn
                                            aanzienlijk lager dan bij bestuursdwang (louter
                                            administratief-juridisch; geen feitelijk optreden);</al></li><li nr="b."><al>bij repeterende overtredingen is de dwangsom beduidend
                                            effectiever omdat de last na verwijdering blijft
                                            bestaan; als de overtreding opnieuw plaatsvindt, wordt
                                            de dwangsom alsnog verbeurd;</al></li><li nr="c."><al>bij een eventuele vernietiging in beroep kan het besluit
                                            eenvoudig worden teruggedraaid;</al></li><li nr="d."><al>een deel van de bestuurslast kan worden gefinancierd uit
                                            de opbrengsten van de verbeurde dwangsommen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Preventieve bestuursdwang en dwangsom
                                    </onderstreept></al><al>Preventieve handhaving houdt in dat op een tijdstip vóórdat een
                                    overtreding heeft plaatsgevonden, een bestuursdwangbesluit of
                                    een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom wordt
                                    genomen en bekendgemaakt. Het wettelijk stelsel gaat ervan uit
                                    dat bij een besluit tot het toepassen van bestuursdwang het
                                    bestuursorgaan de feitelijke situatie precies kan overzien en op
                                    dat moment een volledige belangenafweging kan maken. Aan dat
                                    vereiste kan alleen worden voldaan indien met voldoende
                                    zekerheid kan worden aangenomen dat een overtreding op een
                                    afzienbare termijn zal worden begaan. In de jurisprudentie wordt
                                    voor het besluiten tot en een aanzeggen van preventieve
                                    bestuursdwang als criterium aangehouden dat het gevaar dat een
                                    overtreding van een voorschrift zou plaatsvinden,
                                    klaarblijkelijk moet zijn.</al><al>Op grond van artikel 5:32, lid 2 Awb kan een last onder dwangsom
                                    alleen worden opgelegd teneinde een reeds gepleegde overtreding
                                    ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling
                                    daarvan te voorkomen. In de rechtspraak is uitgemaakt dat een
                                    preventieve last onder dwangsom aanvaardbaar is onder bijzondere
                                    omstandigheden.</al><al>Uit verschillende uitspraken blijkt dat de oplegging van
                                    bestuursdwang of een dwangsom gericht op voorkoming van
                                    herhaling van de overtreding onrechtmatig wordt geacht als het
                                    gaat om een eenmalige overtreding en er geen vrees bestaat dat
                                    er een herhaling of voortzetting zal plaatsvinden.</al><al>Keuze:</al><al>Een preventief handhavingsbesluit mag worden genomen als er
                                    sprake is van:</al><lijst><li nr="-"><al>klaarblijkelijk gevaar van een overtreding;</al></li><li nr="-"><al>een concreet bij of krachtens de wet gesteld
                                            voorschrift,</al></li><li nr="-"><al>op zeer korte termijn te verwachten overtreding.</al></li></lijst><al><onderstreept>Bepaling
                                        dwangsomhoogte/begunstigingstermijn</onderstreept></al><al>Dwangsomhoogte</al><al>Het opleggen van een dwangsom heeft tot doel overtredingen
                                    ongedaan te maken en eventuele vervolgovertredingen te
                                    voorkomen. Het bevoegde bestuursorgaan stelt een dwangsom vast
                                    alsmede een maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
                                    De hoogte van een dwangsom is afhankelijk van de aard van de
                                    overtreding en staat in (redelijke) verhouding tot de zwaarte
                                    van het geschonden belang. Daarnaast is de beoogde werking van
                                    de dwangsomoplegging van belang.</al><al>Hoe de hoogte van een dwangsom zich dus exact laat berekenen,
                                    kan niet worden vastgelegd. Duidelijk is dat de hoogte van een
                                    dwangsom afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="1."><al>de (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de
                                            overtreding op te heffen of met andere woorden de
                                            dwangsom moet hoger zijn dan het (geschatte) financiële
                                            voordeel;</al></li><li nr="2."><al>de dwangsom moet voldoende dwang tot gevolg hebben om de
                                            overtreding op te heffen c.q. te beëindigen;</al></li><li nr="3."><al>voorkoming van herhaling, beperking van schade en
                                            herstel in de oorspronkelijke toestand;</al></li><li nr="4."><al>het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de
                                            overtreder heeft genoten;</al></li><li nr="5."><al>de bevestiging van normen gesteld in het belang van het
                                            milieu, ruimtelijke ordening, natuur en landschap of de
                                            volksgezondheid; de geloofwaardigheid van de
                                            (normerende) overheid; de mogelijkheid tot
                                            overheidscontrole (meetvoorschriften en dergelijke);
                                            eerlijke concurrentieverhoudingen en
                                            rechtsgelijkheid;</al></li><li nr="6."><al>de financiële draagkracht van de overtreder.</al></li></lijst><al>In bijlage 1 is een lijst met dwangsombedragen voor een aantal
                                    overtredingen opgenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat
                                    deze lijst niet uitputtend is bedoeld. De lijst is bedoeld als
                                    leidraad voor het opleggen van dwangsommen. Bij het opleggen van
                                    een dwangsom zal nog altijd een afweging gemaakt moeten worden
                                    met betrekking tot de hoogte van het opgelegde bedrag en het
                                    economisch voordeel dan wel de schade voor het milieu. </al><al>Keuze:</al><al>Als uitgangspunt gelden de in de lijst (bijlage H5) opgenomen
                                    bedragen. Van deze bedragen kan gemotiveerd worden afgeweken
                                    waarbij, afhankelijk van de zwaarte van de overtreding, gekozen
                                    kan worden voor een hoger of lager bedrag, een andere
                                    begunstigingstermijn of het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Termijn voor beëindiging </al><al>De toepassing en het verbeuren van de dwangsom kan slechts
                                    plaatshebben nadat de overtreder de gelegenheid heeft gehad zelf
                                    de geëigende maatregelen te treffen om de overtreding ongedaan
                                    te maken. Een uitzondering op dit voorschrift is alleen de
                                    spoedshalve bestuursdwang.</al><al>De termijn moet zo worden gekozen dat de overtreder voldoende
                                    tijd heeft om de overtreding ongedaan te maken of ongedaan te
                                    laten maken. Van geval tot geval moet dit beoordeeld worden. </al><al>Om tot een onderscheid in de te bieden termijnen te komen is
                                    voor de verschillende situaties in de eerder genoemde lijst met
                                    dwangsombedragen een tabel opgenomen. Daarbij gelden de
                                    termijnen als richtlijnen, waarbij afwijkingen gemotiveerd
                                    moeten worden. De keuze voor de lengte van een
                                    begunstigingstermijn zoals gesteld in de Algemene wet
                                    bestuursrecht die van toepassing is op het bestuursrechtelijk
                                    handhaven, moet ook een weloverwogen beslissing zijn. Veel
                                    besturen hanteren een termijn die nagenoeg overeenkomt met de
                                    termijn om een voorlopige voorziening aan te vragen en/of een
                                    bezwaarschrift in te dienen (6 weken). Dit is geenszins
                                    standaard of een verplichting. Het indienen van een
                                    bezwaarschrift schorst namelijk de werking van het besluit niet.
                                    In de geest van de wetgeving dient de begunstigingstermijn zo
                                    kort mogelijk te zijn. Dit betekent dat de begunstigingstermijn
                                    dient overeen te komen met de termijn waarbinnen het voor de
                                    overtreder mogelijk is de strijdigheid ongedaan te maken. Een
                                    begunstigingstermijn is niet noodzakelijk indien de overtreder
                                    onmiddellijk tot naleving van de voor hem geldende
                                    verplichtingen in staat is.</al><al>Keuze:</al><al>De in bijlage H5 opgenomen begunstigingstermijnen zijn bedoeld
                                    als leidraad. </al><al>Het verbeuren van de dwangsommen </al><al>Voor het verbeuren van de dwangsom is het voldoende dat na het
                                    verstrijken van de termijn de overtreding nog steeds wordt
                                    geconstateerd. Een rapport (met datum, situatietekening en
                                    foto’s) van de toezichthouder is in principe voldoende. </al><al>Op verzoek van de overtreder kan de last worden opgeheven indien
                                    gedurende een jaar na het van kracht worden van een
                                    dwangsombeschikking geen dwangsom is verbeurd, met andere
                                    woorden: geen overtreding is gepleegd. De strekking van de
                                    bepaling is dat een overtreder die zich een jaar lang netjes
                                    heeft gedragen, aanspraak heeft op een heroverweging van de aan
                                    hem opgelegde dwangsombeschikking. Het bestuur is niet verplicht
                                    om na een jaar van goed gedrag de dwangsombeschikking in te
                                    trekken. Indien niet wordt overgegaan tot het intrekken van een
                                    dwangsom dan dient het bestuur voldoende te motiveren waarom het
                                    de dwangsombeschikking nog wil handhaven.</al><al>Keuze:</al><al>Ons college zal bij invorderingsbeschikking, het verschuldigde
                                    bedrag, verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende
                                    kosten, invorderen.</al><al>Dat moet dan wel gebeuren binnen 12 maanden na de datum van het
                                    verbeuren van de dwangsom want daarna is deze bevoegdheid
                                    verjaard. Elke aanspraak op betaling stuit de verjaringstermijn.
                                    Er zal dan ook stringent op worden toegezien dat deze, geheel in
                                    de Awb geregelde procedure, zorgvuldig wordt uitgevoerd. Voor
                                    het innen van de dwangsom is inmiddels een procesbeschrijving
                                    opgesteld.</al><al>Toetsing van een dwangsom </al><al>Slechts zelden vindt een toetsing van de hoogte van een dwangsom
                                    door de rechter of de Raad van State plaats. Er zijn wel
                                    voorbeelden bekend dat de hoogte van een dwangsom onderwerp van
                                    gesprek en advies is geweest tijdens de behandeling en
                                    advisering van een commissie bezwaar- en beroepschriften. Ook de
                                    vraag of terecht is gekozen voor het middel dwangsom, is geen
                                    vraag die indringend door de rechter wordt getoetst.</al><al>Concluderend wordt gesteld dat er geen duidelijke regels zijn om
                                    de hoogte van dwangsommen alsmede de eventueel daaraan verbonden
                                    maxima vast te stellen. Belangrijk is dat de vaststelling
                                    gemotiveerd plaatsvindt. Dan lijkt de jurisprudentie (in elk
                                    geval op dit moment) in het voordeel van de overheid te werken.
                                    De rechter zal dan van een opgelegde dwangsom niet snel zeggen
                                    dat de dwangsom te hoog is. Overigens behoudt de rechtbank
                                    bijvoorbeeld bij een inningprocedure altijd de bevoegdheid om de
                                    maximale dwangsom te matigen. Er zijn enkele uitspraken bekend
                                    dat de hoogte van de maximaal te verbeuren dwangsom daarbij is
                                    gereduceerd.</al><al>Feitelijke uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal</al><al>Als de overtreder/rechthebbende niet binnen de vastgestelde
                                    begunstigingstermijn tot beëindiging of ongedaanmaking van de
                                    overtreding is overgegaan, zal worden overgegaan tot uitvoering
                                    van de bestuursdwang. </al><al>Artikel 5:25 van de Awb geeft aan dat de overtreder de kosten
                                    verbonden aan het toepassen van bestuursdwang moet betalen. Een
                                    uitzondering op deze regel vormt de situatie waarin het niet
                                    redelijk wordt geacht om die kosten geheel of gedeeltelijk te
                                    verhalen. Deze vraag moet worden beantwoord door een
                                    afzonderlijke belangenafweging. Daarbij spelen diverse factoren
                                    een rol, zoals het algemeen belang dat met de toepassing van
                                    bestuursdwang wordt gediend, de mate van verwijtbaarheid van de
                                    overtreder en de hoogte van de kosten. </al><al>Het college zal bij de uitvoering van bestuursdwang de kosten
                                    verhalen op de overtreder. </al><al>Er dient rekening mee gehouden te worden dat kosten alleen op de
                                    overtreder kunnen worden verhaald. </al><al><onderstreept>Legalisatiemogelijkheid </onderstreept></al><al>In het licht van het waarom een dwangsom wordt opgelegd is extra
                                    aandacht nodig voor de mogelijkheid tot legalisatie van een
                                    overtreding. Lange tijd leek jurisprudentie voeding te geven aan
                                    de theorie dat niet zou kunnen worden opgetreden tegen
                                    bijvoorbeeld het zonder vergunning in werking hebben van een
                                    inrichting, indien voor die inrichting zonder problemen alsnog
                                    een vergunning zou kunnen worden verleend. Het standpunt van de
                                    Raad van State dat dus in redelijkheid niet kan worden
                                    opgetreden als legalisering mogelijk is, is inmiddels iets
                                    gunstiger geworden. Er moet uitzicht zijn op legalisatie op
                                    korte termijn. In dat kader lijkt het dus gerechtvaardigd te
                                    stellen dat zonder ontvankelijke aanvraag er geen concreet
                                    uitzicht op legalisering op korte termijn is en niets handhaving
                                    in de weg lijkt te staan.</al><al>Overigens kunnen ook verstoringen van concurrentieverhoudingen
                                    of het geweld aandoen van het algemeen normbesef en dergelijke
                                    worden meegewogen. Indien er, ondanks legalisatiemogelijkheid,
                                    zulke nalevingsdoelen zijn geschaad dan is er ook legitimatie
                                    voor handhavend optreden. Naar de aard van de gezochte sanctie
                                    ligt in zo’n geval de inzet van het strafrecht – in dit geval
                                    dus op instigatie van het bestuur - het meest voor de hand, maar
                                    het is denkbaar dat het bestuur redenen ziet om toch (ook)
                                    bestuursrechtelijk op te treden. De betreffende overwegingen
                                    moeten dan natuurlijk wel in de handhavingsbeschikking worden
                                    benoemd.</al><tussenkop> 2.3.4 Gedoogstrategie</tussenkop><al>Ook de gedoogstrategie is (grotendeels) overgenomen uit de
                                    beleidsuitgangspunten uitvoering handhaving die zijn vastgesteld
                                    op 3 januari 2006. In het beleidsplan is uitgegaan van een
                                    zwart-wit situatie: een situatie is legaal of illegaal; tegen de
                                    laatste situatie moet opgetreden worden. Omdat de bevoegdheid
                                    tot bestuursrechtelijke handhaving moet worden aangemerkt als
                                    een discretionaire bevoegdheid bestaat niet in alle gevallen van
                                    overtredingen de plicht om gebruik te maken van deze
                                    bevoegdheid. In sommige gevallen is op basis van de
                                    jurisprudentie zelfs sprake van onontkoombare situaties waarin
                                    gedoogd moet worden, nl.:</al><al>in gevallen van overmacht;</al><al>in het geval er zwaarder wegende belangen in het spel zijn dan
                                    het belang van handhaving (hieronder valt ook een terecht beroep
                                    op een algemeen rechtsbeginsel) en</al><al>in het geval een beleid- of wetswijziging aanstaande is
                                    waarbinnen de overtreding past.</al><al>Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het
                                    wenselijk om vast te leggen in welke gevallen en onder welke
                                    voorwaarden geen gebruik wordt gemaakt van de ter beschikking
                                    staande handhavingsbevoegdheden.</al><al>Uitgangspunt is dat gedogen van overtredingen zoveel mogelijk
                                    dient te worden voorkomen. Tot gedogen wordt slechts overgegaan
                                    op schriftelijk verzoek, voor een beperkte periode en alleen in
                                    die gevallen waarin handhavend optreden kennelijk onredelijk zou
                                    zijn. Passief gedogen wordt expliciet niet toegestaan in dit
                                    beleid. Hiermee is aanbeveling 2 van de rekenkamercommissie
                                    opgevolgd.</al><al>Tot gedogen wordt slechts overgegaan, indien aan de volgende
                                    inhoudelijke vereisten is voldaan:</al><al>de te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van
                                    bescherming van de fysieke leefomgeving;</al><al>er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de te gedogen
                                    activiteit;</al><al>indien vooruitlopend op besluitvorming omtrent
                                    vergunningverlening wordt gedoogd is een ontvankelijke
                                    vergunningaanvraag ingediend;</al><al>indien vooruitlopend op besluitvorming omtrent
                                    vergunningverlening wordt gedoogd wordt een voorlopige
                                    inschatting gemaakt waaruit blijkt dat de te gedogen activiteit
                                    vergunbaar is en</al><al>er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die
                                    gedogen in het concrete geval rechtvaardigen.</al><al>In geval van overmacht zijn de eisen sub 2, 3 en 4 niet van
                                    toepassing. Indien aan de hiervoor gestelde eisen is voldaan,
                                    wordt niettemin niet tot gedogen overgegaan indien aan de zijde
                                    van de overtreder sprake is van recidiverend dan wel calculerend
                                    gedrag. Ook wordt niet tot gedogen overgegaan als blijkt dat de
                                    te gedogen activiteit strijdig is met enige andere bij of
                                    krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de
                                    handhaving van die regel bevoegde gezag kenbaar heeft gemaakt
                                    dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen de
                                    overtreding optreedt dan wel zal optreden.</al><al>Het is niet vanzelfsprekend dat in bovenstaande situaties een
                                    gedoogbeschikking wordt genomen. Elk gedoogbesluit moet immers
                                    expliciet en na een zorgvuldige belangenafweging worden genomen.
                                    Het gedoogbesluit moet uiteraard ook voldoen aan de eisen die de
                                    Algemene wet bestuursrecht stelt, zoals de motiveringseisen.
                                    Alleen dan weten alle betrokkenen waar zij aan toe zijn en
                                    kunnen eventuele derde-belanghebbenden in staat worden gesteld
                                    om hun rechtsmiddelen aan te wenden. Een gedoogbeschikking is
                                    immers een besluit in de zin van de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al><al><cursief>Bestuurlijke strafbeschikking</cursief></al><al>De bestuurlijke strafbeschikking biedt gemeenten de mogelijkheid
                                    om bij geconstateerde overtredingen strafbeschikkingen uit te
                                    vaardigen. De boetes worden geïnd door het CJIB en geldbedragen
                                    die uit de tenuitvoerlegging van de beschikkingen zijn
                                    verkregen, komen via een proces-verbaal vergoeding deels ten
                                    goede aan het handhavend bestuursorgaan. De burger die de
                                    beschikking heeft ontvangen dient zelf het initiatief te nemen
                                    om bij het Openbaar Ministerie verzet aan te tekenen. Dit
                                    betekent dat de gemeente de oplegging doet en de inning en
                                    verzetszaken respectievelijk door het CJIB en door het Openbaar
                                    Ministerie worden gedaan. De gemeente dient de zaken rechtsreeks
                                    aan te leveren bij het CJIB. Aanlevering van deze zaken via de
                                    politie is dus niet langer mogelijk.</al><al>Belangrijk verschil tussen de politiestrafbeschikking en de
                                    bestuurlijke strafbeschikking is dat door het OM in het geval
                                    van een bestuurlijke strafbeschikking geen beleidssepot meer zal
                                    worden toegepast (om beleidsreden zaak terzijde leggen). Bij de
                                    politie strafbeschikking kan dat wel. </al><tussenkop> 2.3.5 Interne en externe afstemming</tussenkop><al>Interne afstemming behelst in eerste instantie een goede
                                    afstemming tussen de vergunningverlener en de
                                    toezichthouder/handhaver. Deze afstemming is van wezenlijk
                                    belang voor een eensluidend en uniform optreden naar buiten toe.
                                    Daarnaast omvat interne afstemming de afstemming met andere
                                    organisatie-onderdelen, zoals beleid.</al><al>Externe samenwerking is van belang om te komen tot een optimaal
                                    en integraal resultaat in handhavingsactiviteiten. De
                                    samenwerkende partners (waterschap, AID, politie enz.) benutten
                                    zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en
                                    informatie over en weer. </al><tussenkop> 2.3.6 Communicatie en informatie</tussenkop><al>De gemeente maakt beleidsvoornemens en resultaten met betrekking
                                    tot handhaving actief openbaar. Openbaarheid is een aspect dat
                                    een goede handhaving nog eens kwalitatief kunnen ondersteunen.
                                    Beide hebben naast een voorlichtende ook een preventieve
                                    werking. Doordat wij laten zien dat bepaalde zaken aangepakt
                                    worden, kunnen potentiële overtreders worden weerhouden van het
                                    begaan van eenzelfde overtreding.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.4 Uitvoering en evaluatie</label></kop><structuurtekst><al>De professionalisering van de handhaving is een ontwikkelproces. Ten
                                einde te kunnen meten of de gestelde doelen zijn bereikt dienen voor
                                de monitoring de juiste gegevens te worden geregistreerd. Voor de
                                toekomst zal hiervoor gebruik worden gemaakt van een
                                automatiseringssysteem. Tot deze tijd worden de gegevens bijgehouden
                                die jaarlijks door het SEPH worden opgevraagd. Deze gegevens stellen
                                ons in staat om te monitoren op vastgelegde taken. </al><al>Van de Handhavingsuitvoeringsprogamma’s zal jaarlijks verslag worden
                                gedaan. Door jaarlijks het uitvoeringsprogramma te evalueren wordt
                                ook gekeken hoe het staat met de uitgevoerde taken en of deze nog
                                steeds haalbaar zijn of bijgesteld moeten worden.</al><al>Om te waarborgen dat alle financiële en personele inspanningen
                                leiden tot een daadwerkelijke en blijvende verhoging van de
                                kwaliteit van de handhaving is het noodzakelijk dat de werkwijze en
                                de opgestelde documenten structureel worden getoetst en verbeterd.
                                Hiertoe zijn procedures, instructies en protocollen gebundeld in een
                                Kwaliteitssysteem. Dit Kwaliteitssysteem is een hulpmiddel bij de
                                bedrijfsvoering, waarmee gewerkt kan worden aan continue
                                verbetering, middels monitoring. In onderstaande figuur is de
                                relatie tussen het Handhavingsprogramma en het Kwaliteitssysteem
                                grafisch weergegeven.</al><al>Wanneer we onze handhaving programmatisch willen aanpakken, betekent
                                dat we de handhavingsdoelen, strategieën en werkwijzen jaarlijks
                                moeten uitwerken in een uitvoeringsprogramma en concrete
                                werkplanningen. Voor de uitvoering van dit programma zijn
                                menskracht, deskundigheid en ondersteunende voorzieningen nodig. In
                                het uitvoeringsprogramma leggen we jaarlijks concreet vast hoe we
                                uitvoering zullen geven aan de handhavingsactiviteiten. De basis van
                                het uitvoeringsprogramma wordt gevormd door de
                                handhavingsprioriteiten en de handhavingsdoelstellingen zoals ze in
                                dit omgevingsbeleidsplan zijn vastgelegd. Het uitvoeringsprogramma
                                geeft ook concreet de capaciteit weer die voor de uitvoering van de
                                handhavingsactiviteiten wordt ingezet. </al><al>De handhavingsorganisatie beschikt op deze manier over een
                                transparante systematiek voor inzicht in en voortgangsbewaking van
                                de daadwerkelijk beschikbare handhavingscapaciteit. Ook is het een
                                controlesysteem voor de dynamiek die bij de uitvoering van het
                                uitvoeringsprogramma kan ontstaan tussen de gemaakte planning en de
                                praktijk. Door diverse oorzaken (ziekte, vertrek of mutaties
                                personeel) kan in de uitvoeringsfase deze planning aangepast moeten
                                worden. Op basis van een transparante voortgangsbewaking zorgen we
                                in dergelijke gevallen voor inzicht in hetgeen de mutaties betekenen
                                voor de uitvoering van de geplande handhavingsactiviteiten en kunnen
                                we actie ondernemen teneinde de geplande activiteiten alsnog te
                                realiseren. Indien dit onmogelijk blijkt, wordt in de verantwoording
                                van het volgend uitvoeringsprogramma beargumenteerd waarom eventueel
                                een aanpassing van de prioriteiten en de programmering heeft
                                plaatsgevonden.</al><al>Communicatie en informatie zijn belangrijk, ook in het
                                handhavingsproces. Daarom zullen wij dit omgevingsbeleidsplan
                                gedurende de gehele bestuursperiode samen met de
                                uitvoeringsprogramma’s ter inzage leggen. Een openbare beleidsnota
                                geeft voor ieder van ons en voor de burgers en bedrijven binnen onze
                                gemeente een helder en transparant beeld van datgene wat onze
                                gemeente gaat doen om de handhavingstaak verder inhoud te geven. Dit
                                zal ook bijdragen aan het vertrouwen van de burger in de handhaving
                                door onze gemeente. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.5 Niveau van uitvoering van toezicht en handhaving</label></kop><structuurtekst><al>Uit de risico-analyse komen zes hoofdaspecten naar voren namelijk: </al><lijst><li nr="-"><al>Wabo/ Woningwet </al></li><li nr="-"><al>Wabo/ Wet milieubeheer/ Wet bodembescherming </al></li><li nr="-"><al>Wabo/ Wet ruimtelijke ordening </al></li><li nr="-"><al>Wabo/ Bouwbesluit 2012</al></li><li nr="-"><al>Algemene plaatselijke verordening </al></li><li nr="-"><al> Wabo/ Bijzondere wetten/ verordeningen</al></li></lijst><al>Per hoofdaspect zullen we aangeven hoe we de handhavingstaken zullen
                                organiseren. </al><al>Wij zullen daarbij, conform de laatste aanbeveling van de
                                rekenkamercommissie, de SMART definiëring hanteren:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>S</vet>pecifiek: welke onderwerpen en handhavingstaken
                                        vallen onder het hoofdaspect en wat moet er gedaan worden om
                                        op adequaat niveau (wettelijk verplicht niveau) te
                                        handhaven. </al></li><li nr="2."><al><vet>M</vet>eetbaar: hoeveel moet er gedaan worden om op
                                        adequaat niveau (wettelijk verplicht niveau) te
                                        handhaven.</al></li><li nr="3."><al><vet>A</vet>cceptabel: is er draagvlak voor wat we
                                        doen.</al></li><li nr="4."><al><vet>R</vet>ealistisch: kunnen we datgene wat we willen
                                        doen.</al></li><li nr="5."><al><vet>T</vet>ijdgebonden: wanneer zullen we de handhaving van
                                        de taken uitvoeren.</al></li></lijst><al>Welke handhavingstaken we gaan oppakken en de wijze waarop de
                                handhaving moet worden uitgevoerd op adequaat niveau werken we uit
                                in dit hoofdstuk (punten 1 en 2). </al><al>De vaststelling van dit beleidsplan door de gemeenteraad vormt het
                                draagvlak voor de handhaving (punt 3).</al><al>In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma zal nader ingegaan worden op
                                wat we gaan uitvoeren in een bepaald jaar (punten 4 en 5).</al><al>Om te meten of toezicht en handhaving effect hebben op het
                                nalevingsgedrag zullen we moeten monitoren. Om op adequaat niveau te
                                handhaven conform artikel 10.6 Mor zullen de volgende gegevens
                                geregistreerd moeten worden: </al><lijst><li nr="-"><al>aantal uitgevoerde controles; </al></li><li nr="-"><al>geconstateerde overtredingen;</al></li><li nr="-"><al>opgelegde bestuurlijke sancties;</al></li><li nr="-"><al>processen-verbaal;</al></li><li nr="-"><al>over mogelijke overtredingen ontvangen klachten. </al></li></lijst><al>Het moge duidelijk zijn dat het niet haalbaar is om alle
                                handhavingstaken op bovenstaand niveau te monitoren. In het
                                jaarlijks uitvoeringsprogramma zal daarom ook steeds bij elke taak
                                het concreet niveau van monitoring worden aangegeven.</al><tussenkop> 2.5.1 Reactief handhaven </tussenkop><al><cursief>Klachten en handhavingsverzoeken </cursief></al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>De gemeente heeft een eigen verantwoordelijkheid om actief te
                                    handhaven op alle beleidsterreinen. Sinds haar uitspraak van 30
                                    juni 2004 (JB 2004, 293) hanteert de Afdeling
                                    bestuursrechtspraak van de Raad van State de overweging dat het
                                    bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last
                                    onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid
                                    gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere
                                    omstandigheden mag een bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit
                                    kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie
                                    bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn
                                    in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat van optreden
                                    in die situatie behoord te worden afgezien. </al><al>Het beleid en de organisatie dienen zo te worden ingericht dat
                                    de gemeente zelf prioriteiten stelt, actief onderzoek verricht,
                                    controles uitvoert en de verantwoordelijkheid neemt om
                                    handhavingsbesluiten ook daadwerkelijk ten uitvoer te brengen.
                                    Klachten, meldingen en verzoeken van derden kunnen niet als
                                    enige en tamelijke willekeurige basis fungeren voor het
                                    gemeentelijke optreden. Dit werkt immers ongelijkheid en
                                    willekeur in de hand. Zoals gesteld gaat het zowel om actief als
                                    reactief handhaven. Vanuit deze invalshoek ontstaat de noodzaak
                                    beleid te ontwikkelen, te verbeteren en de inzet en capaciteit
                                    daarop af te stemmen. Voor de burgers en het bedrijfsleven wordt
                                    helder wat zij van de gemeente mogen verwachten: een actieve
                                    gemeente die duidelijk aangeeft dat zij optreedt en hoe zij
                                    optreedt. Dit gebeurt door middel van het stellen van
                                    prioriteiten. </al><al>Indien een handhavingsverzoek zich richt op een
                                    handhavingsaspect, welke laag is geprioriteerd in het beleid, is
                                    het mogelijk om gemotiveerd te beargumenteren waarom het verzoek
                                    niet direct wordt behandeld, maar in het kader van de
                                    prioritering wordt gewraakt en in een project zal worden
                                    meegenomen. </al><al>De gemeente kan de burgers niet tegen elke vorm van last of
                                    overlast in hun leefomgeving beschermen en op elk
                                    handhavingsverzoek en iedere melding van een illegale situatie
                                    meteen ingaan. Met de beperkte middelen die we hebben, moeten we
                                    keuzes maken. Dit betekent niet dat we problemen waar burgers
                                    tegenaan lopen willen bagatelliseren. Door de prioritering
                                    proberen wij de beperkte middelen zo effectief mogelijk in te
                                    zetten. Voor burgers is het belangrijk dat zij weten wat zij in
                                    redelijkheid van hun gemeente mogen verwachten. De burger moet
                                    weten waar hij aan toe is. Dat is ook de kern van de spelregels
                                    van de Handhavingswijzer van de Nationale ombudsman die wij
                                    toepassen. Een behoorlijke behandeling van handhavingsverzoeken
                                    kenmerkt zich door transparant, betrokken en onpartijdig
                                    handelen van gemeenten. </al><al><cursief>Transparant </cursief></al><al>De gemeente verstrekt actief informatie over het
                                    handhavingsbeleid en de manieren waarop zij kan optreden. De
                                    gemeente betrekt en informeert actief alle belanghebbenden bij
                                    de afhandeling van een handhavingsverzoek, een melding, een
                                    signaal of een klacht over een illegale situatie. </al><al>De gemeente motiveert haar besluiten duidelijk en begrijpelijk. </al><al><cursief>Betrokken </cursief></al><al>De gemeente neemt na ontvangst van een handhavingsverzoek, een
                                    melding, een signaal of een klacht over een illegale situatie zo
                                    snel mogelijk persoonlijk contact op met de burger. </al><al>De gemeente bespreekt met de burger het belang en het doel van
                                    zijn handhavingsverzoek, melding, signaal of klacht en wat hij
                                    verwacht van de gemeente. De gemeente legt de burger in een
                                    persoonlijk gesprek uit, wat de (on)mogelijkheden van de
                                    gemeente zijn. De gemeente zoekt in samenspraak met de burger
                                    naar een snelle en informele oplossing van het probleem (zonodig
                                    met behulp van buurtbemiddeling, mediationtechnieken). </al><al><cursief>Onpartijdig</cursief></al><al>De gemeente:</al><lijst><li nr="·"><al>ziet toe op de naleving van wet- en regelgeving en
                                            handhaaft consequent. </al></li><li nr="·"><al>onderzoekt na ontvangst van een handhavingsverzoek, een
                                            melding, een signaal of een klacht de situatie ter
                                            plekke. </al></li><li nr="·"><al>maakt bij haar optreden of besluit een transparante
                                            onpartijdige afweging van alle belangen en maakt dat
                                            kenbaar.</al></li><li nr="·"><al>handelt voortvarend en houdt zich aan de afgesproken
                                            termijnen. </al></li><li nr="·"><al>doet te allen tijde recht aan de strekking van de
                                            rechterlijke uitspraak. </al></li></lijst><al>De bestuursrechtelijke handhaving van handhavingsverzoeken wordt
                                    uitgevoerd volgens eerder omschreven sanctiestrategie. </al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een
                                    bestuursorgaan binnen 8 weken te reageren op een
                                    handhavingsverzoek. Een handhavingsverzoek moet volgens artikel
                                    1:3 Awb aangemerkt worden als een aanvraag, namelijk een verzoek
                                    van een belanghebbende om een besluit te nemen. Artikel 4:2 Awb
                                    regelt de vereisten van een aanvraag wat inhoudt onder andere de
                                    naam en het adres van de aanvrager. </al><al>Ingeval een handhavingsverzoek anoniem wordt ingediend kan het
                                    bevoegd gezag het verzoek niet in behandeling nemen (artikel 4:5
                                    Awb). Probleem is echter dat het besluit tot het niet in
                                    behandeling nemen van de aanvraag bekend moet worden gemaakt aan
                                    de aanvrager (artikel 3:41 Awb), maar dat niet bekend is wie dat
                                    is. Bovendien moet alvorens besloten wordt de aanvraag niet in
                                    behandeling te nemen, de aanvrager in de gelegenheid worden
                                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen (artikel 4:5 Awb). </al><al>Deze artikelen zijn bij anonieme klagers niet toepasbaar.
                                    Anonieme handhavingsverzoeken zullen in principe dan ook niet in
                                    behandeling genomen worden, tenzij er sprake is van een
                                    veiligheidsrisico, waarna ambtshalve tot handhaving kan worden
                                    overgaan.</al><al>De gemeente staat ten dienste van de burger. De dienstverlening
                                    heeft dan ook een hoge prioriteit binnen de gemeente Reusel-De
                                    Mierden. In een enkele situatie wordt van deze dienstverlenende
                                    houding oneigenlijk gebruik gemaakt. Er wordt door de burger in
                                    dat geval geen genoegen genomen met het antwoord van de
                                    gemeente. De Nationale Ombudsman stelt zich op het uitgangspunt
                                    dat de overheid in beginsel op brieven van burgers dient te
                                    reageren, maar dat er situaties kunnen zijn waar de gemeente
                                    aankondigt in het vervolg niet meer te reageren. Bijvoorbeeld
                                    als correspondentie leidt tot een onevenredig tijdsbeslag,
                                    waardoor werkzaamheden in het belang van anderen in het gedrang
                                    komen. ’Dan kan de overheid eenzijdig een gedragslijn opleggen
                                    waardoor een adequate reactie mogelijk blijft, maar een
                                    onevenredige belasting wordt beperkt. Bij het eenzijdig opleggen
                                    van zo’n gedragslijn mag de klager echter niet worden beperkt in
                                    zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden en in zijn mogelijkheden om
                                    zich schriftelijk tot het bestuursorgaan te wenden’. Die
                                    maatstaf van de Ombudsman is gebaseerd op een uitspraak van het
                                    gerechtshof Arnhem, over de vraag of onrechtmatig jegens een
                                    gemeente was gehandeld door onevenredig veel contact met de
                                    gemeente op te nemen, zonder dat daarvoor een goede reden
                                    bestond, en door de wijze (lengte, toonzetting en tijdstippen)
                                    waarop dat gebeurde. Het gerechtshof overwoog dat het
                                    individuele belang van de burger om zich tegenover de gemeente
                                    te kunnen uiten, staat tegenover het belang van de gemeente om
                                    zijn werkzaamheden in het belang van andere burgers nog naar
                                    behoren te kunnen blijven verrichten. Welk belang de doorslag
                                    hoort te geven hangt dan af van de omstandigheden, zoals de
                                    ernst van de klachten en de toonzetting. </al><al>Het nieuwste middel voor gemeenten tegen klagende burgers heet
                                    ’mediation’.</al><al>De relatief nieuwe soort conflictbemiddeling waarbij een
                                    mediator de onderhandeling steunt, lijkt een goede manier om met
                                    klachten van burgers om te gaan. </al><al>Alle handhavingsverzoeken dienen dus te worden behandeld en
                                    afgehandeld. Dit kan door middel van het opstarten van een
                                    handhavingsprocedure, het versturen van een wrakingsbrief, het
                                    niet in behandeling nemen of het weigeren van een
                                    handhavingsverzoek (bijvoorbeeld vanwege mogelijke legalisatie)
                                    steeds uitgaande van de prioritering. </al><tussenkop> 2.5.2 Intrekken omgevingsvergunning</tussenkop><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>Na het verlenen van een omgevingsvergunning wordt meestal snel
                                    gevolg gegeven aan de uitvoering. Het komt ook voor dat er geen
                                    of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende
                                    omgevingsvergunning en regelmatig komt het voor dat ongebruikte
                                    vergunningen jaren geleden zijn verleend en nooit zijn
                                    ingetrokken. De houder van de omgevingsvergunning behoudt echter
                                    nog steeds het recht om de omgevingsvergunning uit te voeren. </al><al>Om een aantal uiteenlopende redenen is het niet wenselijk om
                                    verleende omgevingsvergunningen in stand te laten zonder dat
                                    daar binnen een bepaalde termijn uitvoering aan wordt gegeven.
                                    Het dient voorkomen te worden dat (nieuwe) planologische,
                                    stedenbouwkundige of andere inzichten aangaande de fysieke
                                    leefomgeving doorkruist worden door vergunde, nog te bouwen of
                                    te slopen zaken of dat gebouwd wordt naar verouderde
                                    bouwtechnische inzichten of milieutechnische aspecten. Het is
                                    dus zaak dat na verloop van een bepaalde periode
                                    omgevingsvergunningen worden ingetrokken. </al><al><cursief>Reguliere voorbereidingsprocedure</cursief></al><al>Op basis van de Wabo kan het bevoegd gezag geheel of
                                    gedeeltelijk de omgevingsvergunning intrekken via een reguliere
                                    of uitgebreide voorbereidingsprocedure. In artikel 3.15 Wabo
                                    staat de procedure van intrekking beschreven. Onderscheid moet
                                    worden gemaakt tussen het op verzoek van vergunninghouder of
                                    ambtshalve wijzigen of intrekken van de
                                    omgevingsvergunning.</al><al>Uitgangspunt is dat het ambtshalve intrekken van een
                                    omgevingsvergunning dezelfde procedure kent als het verlenen
                                    ervan. </al><al><cursief>Intrekkingsgronden</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen onder bepaalde omstandigheden
                                    een omgevingsvergunning intrekken. De intrekkingsgronden zijn
                                    grotendeels ontleend aan de Woningwet ( art. 59 Ww), de Wet
                                    ruimtelijke ordening, en de wet Milieubeheer (art. 8.25 Wm). In
                                    (artikel 5.19) de Wabo is een duidelijker onderscheid gemaakt
                                    met de gronden bedoeld om het intrekken als sanctie. Binnen de
                                    gemeente Reusel-De Mierden is een beleid opgesteld voor het
                                    intrekken van omgevingsvergunningen met de activiteit bouwen.
                                </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.6 Onderdeel bouw en/ of sloop</label></kop><structuurtekst><al><cursief>Onderwerpen / handhavingstaken</cursief></al><al>Bouwen met vergunning</al><al>Bouwen zonder vergunning</al><al>Bestaande gebouwen met vergunning</al><al>Slopen met vergunning met asbest</al><al>Slopen met vergunning zonder asbest</al><al>Slopen zonder vergunning</al><al>Verwijderen bouwwerk na verstrijken instandhoudingstermijn</al><al>Vergunningsvrij bouwen</al><al><cursief><onderstreept>Specifiek:</onderstreept></cursief></al><al>Hoofdstukken 5 van de Wabo en VI van de Woningwet zijn de wettelijke
                                basis voor bestuursrechtelijke handhaving. Artikel 92 van de WW
                                bepaald dat het bevoegd gezag zorg draagt zorg voor de
                                bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de
                                hoofdstukken I tot en met III van die wet en hierin wordt de
                                koppeling met de Wabo aangegeven.</al><al>In artikel 5.2 van hoofdstuk 5 van de Wabo staan de nadere
                                voorschriften voor de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>De bestuursrechtelijke handhaving van de Wabo en de Woningwet wordt
                                uitgevoerd volgens de eerder omschreven sanctiestrategie, die
                                gebaseerd is op de wettelijke eisen uit beide wetten.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar:</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Bouwen en slopen met vergunning (met of zonder
                                    asbest)</cursief></al><al>Voor verleende omgevingsvergunningen met bouw- en/ of
                                sloopactiviteiten is geen wettelijk minimum qua controlefrequentie
                                aangegeven. Constateringen, waar zondermeer de veiligheid in het
                                geding is, hebben de hoogste prioriteit. Er dient dan per direct
                                actie te worden ondernomen. Voor het slopen van een bouwwerk met een
                                sloopvergunning waarbij asbest aangetroffen is, zijn specifieke
                                wettelijke eisen opgenomen, maar die betreffen met name een
                                administratieve controle van de momenten van asbestverwijdering en
                                de wijze waarop en waar naartoe de asbest afgevoerd is. Daarnaast is
                                wettelijk bepaald dat een bouwwerk pas geheel gesloopt kan worden
                                nadat alle asbest is verwijderd uit het bouwwerk.</al><al><cursief>Bouwen en/of slopen zonder vergunning</cursief></al><al>Nieuwe constateringen en klachten waar zondermeer de veiligheid in
                                het geding is hebben de hoogste prioriteit. Dan dient er direct
                                actie te worden ondernomen. Hierbij valt te denken aan
                                sloop-werkzaamheden waarbij asbesthoudende dakplaten worden
                                verwijderd op destructieve wijze en zonder enige
                                beschermingsmiddelen. Voor constateringen en ontwikkelingen waar
                                niet direct de veiligheid in het geding is zal volgens de
                                bijgevoegde risicomatrix bekeken moeten worden hoe deze
                                geprioriteerd zijn en daaruit zullen vervolgstappen worden genomen
                                of niet. </al><al><cursief>Bestaande gebouwen (met (bouw)vergunning)</cursief></al><al>De dynamiek in de bouwpraktijk kan ertoe leiden dat bepaalde
                                risico’s die door de gemaakte keuzes onderbelicht worden op enig
                                moment toch een groter maatschappelijk gewicht gaan krijgen waardoor
                                beleid dient te worden bijgesteld. Zo kunnen landelijke
                                overheidsacties (bijvoorbeeld het onderzoek naar de platte daken en
                                de veiligheidsproblemen qua gevelbekleding en spouwankers van het
                                ministerie van VROM) een heroverweging van de gemaakte keuzes
                                noodzakelijk maken. </al><al><cursief>Verwijderen bouwwerk na verstrijken instandhoudingstermijn
                                </cursief></al><al>Ineen tijdelijke<vet> (</vet>bouw)vergunning is in de voorwaarden
                                opgenomen dat na verlopen van de instandhoudingstermijn het
                                betreffende bouwwerk verwijderd dient te worden. Als deze termijn
                                verstreken is en het bouwwerk is niet verwijderd dan ontstaat er
                                feitelijk een bouwwerk wat zonder de vereiste bouwvergunning
                                gerealiseerd is. Hiertegen zal handhavend opgetreden moeten worden
                                als ware het een bouwwerk zonder bouwvergunning en volgens de
                                bijgevoegde risicomatrix zal bekeken moeten worden hoe deze
                                geprioriteerd zijn en welke vervolgstappen er zullen worden genomen
                                of niet.</al><al><cursief>Bouwen zonder omgevingsvergunning</cursief></al><al>Voor bepaalde categorieën bouwwerken is conform het Besluit
                                omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning vereist, maar moet wel
                                worden voldaan aan technische voorschriften (Bouwbesluit en
                                Bouwverordening). Aangezien landelijk ervoor gekozen is veel
                                bouwwerken vergunningsvrij te maken, is een hoog toetsingsniveau
                                niet gewenst. Daarnaast streeft de gemeente Reusel-De Mierden naar
                                een “high trust society” waarin burgers een eigen
                                verantwoordelijkheid hebben in de naleving van regels.
                                Vergunningsvrij bouwen handhaven we daarom naar aanleiding van
                                handhavingsverzoeken, klachten, meldingen en eigen constateringen.
                                Er zullen reactief met name visuele controles en controles op
                                hoofdlijnen plaatsvinden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.7 Onderdeel Milieu</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.7.1 Inrichtingen/bedrijven/afvalstoffen</tussenkop><al><onderstreept>Onderwerpen / handhavingstaken
                                    :</onderstreept></al><al>In werking zijn zonder (milieu-)vergunning of –melding</al><al>Inrichtingen type C Bor</al><al>Inrichtingen type B Bor</al><al>Inrichtingen type A Bor</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen opslaan</al><al>Ontdoen van afvalwater in afvalwatervoorziening</al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>Conform hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer moeten
                                    milieucontroles bij inrichtingen en bij werken gestructureerd,
                                    planmatig en conform een uitvoeringsprogramma plaatsvinden. Bij
                                    de controle van vergunningsplichtige inrichtingen en
                                    activiteitenwerken moet de naleving aan de vergunning en de
                                    geldende regelgeving getoetst worden.</al><al>Volgens het Bor Activiteitenbesluit (Nota van Toelichting) zijn
                                    de inrichtingen van het type A voor toezicht en handhaving
                                    minder relevant. De mogelijkheid om te kunnen optreden in geval
                                    van overlast blijft bestaan, omdat het algemeen deel van het
                                    Activiteitenbesluit van toepassing blijft.</al><al>De opslag van gevaarlijke stoffen en het ontdoen van afvalwater
                                    in een afvalwatervoorziening worden gecontroleerd bij de
                                    reguliere controle van de inrichting. De voorschriften waaraan
                                    voldaan moet worden zijn opgenomen in het Bor
                                    Activiteitenbesluit en in de Waterwet.</al><al>De bestuursrechtelijke handhaving van de milieuactiviteiten
                                    wordt uitgevoerd volgens de eerder omschreven strategie.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we doen)
                                        </onderstreept></cursief></al><al>Zodra de inrichting in werking is getreden wordt een
                                    opleveringscontrole uitgevoerd. Daarbij wordt gekeken of aan
                                    alle voorschriften van de milieuvergunning dan wel alle
                                    voorschriften van het betreffende besluit wordt voldaan. Binnen
                                    de gemeente Reusel-De Mierden worden controles op de volgende
                                    wijze uitgevoerd:</al><lijst><li nr="-"><al>Type A: inrichtingen niet opnemen in regulier
                                            controleprogramma. Controleren alleen op basis van
                                            meldingen, klachten en handhavingsverzoeken.</al></li><li nr="-"><al>Type B: agrarisch 1 x 2 - 3 jaar*</al><al> industrieel 1 x 4 jaar </al></li></lijst><al>* er bestaat een grote diversiteit aan agrarische bedrijven die
                                    onder de meldingplicht activiteitenbesluit gaan vallen (medio
                                    2012). Het gaat hier om bedrijven die toekomstbestendig
                                    zijn/worden en de bedrijven die (uiterlijk) 2020 gaan stoppen
                                    (Besluit huisvesting). </al><al>+ stoppers, controlefrequentie 1 x 2/jaar gericht op
                                    dieraantallen; </al><al>+ overige, controlefrequentie 1 x 3/jaar bij invoering
                                    electronisch toezicht luchtwassystemen. </al><lijst><li nr="-"><al>Type C / vergunningplichtig (IPPC en enkele industriële
                                            bedrijven): 1 x 2 jaar</al></li><li nr="-"><al>Risicovolle bedrijven: LPG/Propaan 1 x per jaar</al></li><li nr="-"><al>Opleveringscontrole: bij agrarische bedrijven (nieuwbouw
                                            veestallen/installaties mn. luchtwassystemen) wordt een
                                            opleveringscontrole uitgevoerd (meldingplichtig/type B
                                            en vergunningplichtig/IPPC)*</al></li></lijst><al>* Na aanpassing van het activiteitenbesluit (verwachting medio
                                    2012) wordt het Besluit landbouw milieubeheer onderdeel van
                                    activiteitenbesluit en wordt de werkingssfeer vergroot. Dit
                                    betekent dat in Reusel-De Mierden alleen de IPPC (gpbv)
                                    bedrijven vergunningplichtig blijven (agrarische bedrijven). De
                                    IPPC bedrijven wordt ondergebracht in de RUD. Alle andere
                                    veehouderijen worden meldingplichtig. </al><lijst><li nr="-"><al>Deelname aan (sub)regionale handhavingprojecten
                                            (SEPH).</al></li><li nr="-"><al>Controles bij bedrijven zonder vergunning/melding.</al></li></lijst><al>Bij een reguliere controle wordt standaard gekeken naar de
                                    vergunningsituatie, de activiteiten, milieuzorg, externe
                                    veiligheid, verruimde reikwijdte (energie/ water/ vervoer/
                                    afval), afvalstoffen, lozing van afvalwater en alle op de
                                    betreffende inrichting van toepassing zijnde besluiten.</al><al>In onderstaande tabel is het gemiddelde toezichtsniveau
                                    opgenomen, in bijlage H3 is dit per onderdeel nader uitgewerkt.
                                    Daarbij is uitgegaan van de in het algemeen deel genoemde
                                    toezichtniveaus.</al><al><cursief>Inrichtingen van het type A volgens het
                                        Activiteitenbesluit</cursief></al><al>Volgens het Bor Activiteitenbesluit (Nota van Toelichting) zijn
                                    de inrichtingen van het type A voor toezicht en handhaving
                                    minder relevant. De mogelijkheid om te kunnen optreden in geval
                                    van overlast blijft bestaan, omdat het algemeen deel van het
                                    Activiteitenbesluit van toepassing blijft.</al><al>Aangezien landelijk ervoor gekozen is deze inrichtingen
                                    vergunningsvrij te maken, is een hoog toetsingsniveau niet
                                    gewenst. Daarnaast streeft de gemeente Reusel-De Mierden naar
                                    een “high trust society” waarin burgers een eigen
                                    verantwoordelijkheid hebben in de naleving van regels. </al><al>Inrichtingen die onder het type A vallen handhaven we daarom
                                    naar aanleiding van handhavingsverzoeken, klachten, meldingen en
                                    eigen constateringen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.8 Bodem</label></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Onderwerpen / handhavingstaken:</onderstreept></al><al>Besluit bodemkwaliteit (lozingen bodem)</al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                    doen)</onderstreept></cursief></al><al>Bij een goed beheer van de (water)bodem hoort goed toezicht op het
                                grondverzet in de gemeente. Om gemeenten te ondersteunen bij
                                toezicht en handhaving is de HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit
                                bodemkwaliteit (HUM Bbk) ontwikkeld.</al><al>De HUM Bbk is een instrument om in de dagelijkse praktijk een goede
                                invulling te geven aan toezicht bodembeheer, en beschrijft de meest
                                voorkomende situaties vanaf het ontstaan van een partij bouwstof,
                                grond of baggerspecie tot en met de toepassing daarvan.</al><al>In de HUM Bbk staat een beschrijving van wat wordt verstaan onder
                                een adequaat niveau van handhaving. Dit adequaat niveau is door de
                                VROM-Inspectie opgesteld. Hiermee geeft de VROM-Inspectie aan dat
                                van de gemeente binnen haar grondgebied structureel toezicht en
                                controle verwacht wordt op toepassingen van bouwstoffen, grond en
                                baggerspecie. Daarnaast moet de gemeente inzichtelijk hebben welke
                                toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie binnen haar
                                grondgebied plaatsvinden. Bij toepassing binnen één of meer
                                bodembeheersgebieden wordt door de desbetreffende bestuursorganen
                                een bevoegd gezag aangewezen dat zorg draagt voor een gecoördineerd
                                toezicht. </al><al>Bij overtredingen wordt handhavend opgetreden tegen de
                                opdrachtgever. Daarbij wordt het landelijk toezichtloket
                                geïnformeerd om handhaving door de VROM-Inspectie in de keten
                                mogelijk te maken.</al><al>De gemeente handelt signalen af over overtredingen die zij daartoe
                                ontvangt van het toezichtloket. Zij meldt terug hoe dit signaal is
                                afgehandeld.</al><al>Aanbevolen wordt om op het gebied van toezicht en handhaving te
                                streven naar samenwerkingsverbanden en schaalvergroting om zo meer
                                capaciteit en meer kennis en kwaliteit te genereren voor toezicht en
                                handhaving in het veld.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we doen)
                                    </onderstreept></cursief></al><al>Alle toepassingen van bouwstoffen, grond en baggerspecie die bekend
                                zijn bij de gemeente zullen gecontroleerd worden en er zal
                                opgetreden worden tegen geconstateerde overtredingen.</al><al>Daarnaast zal de gemeente invulling geven aan haar voorbeeldrol als
                                overheid waarbij dat met name gaat om de opdrachtgevende en
                                uitvoerende rol bij projecten waarbij bouwstoffen, grond en bagger
                                worden toegepast.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.9 Onderdeel Ruimtelijke Ordening</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 2.9.1 Bestemmingsplan</tussenkop><al><onderstreept>Onderwerpen /
                                    handhavingstaken:</onderstreept></al><lijst><li nr="·"><al>Bewoning in strijd met bestemmingsplan</al></li><li nr="·"><al>Gebruik in strijd met bestemmingsplan (niet zijnde
                                            bewoning)</al></li><li nr="·"><al>Afloop termijn tijdelijke ontheffing / beschikking</al></li><li nr="·"><al>Aanlegactiviteiten</al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>De Wabo en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelen hoe
                                    ruimtelijke plannen in Nederland tot stand komen en gewijzigd
                                    worden. Deze wet bepaalt de taken van de overheid en de rechten
                                    en plichten van burgers, bedrijven en instellingen. Het college
                                    van burgemeester en wethouders is primair verantwoordelijk voor
                                    de bestuursrechtelijke handhaving. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat
                                    burgemeester en wethouders zorg dragen voor de
                                    bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens
                                    de Wro. Aan deze zorgplicht ligt de in de rechtspraak van de
                                    Afdeling ontwikkelde beginselplicht tot handhaving ten
                                    grondslag. </al><al>De overtredingen van het bestemmingsplan vallen vanaf 13
                                    september 2004 onder de Wet op de economische delicten (Wed).
                                    Deze strafrechtelijke handhaving is in het leven geroepen om
                                    ernstige onomkeerbare gevolgen, zoals het afbreken van
                                    monumentale panden, te voorkomen. In dergelijke gevallen zijn de
                                    bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen minder geschikt
                                    gebleken, omdat die gericht zijn op herstel van de illegale
                                    situatie. Die wet maakt het mogelijk om bij het opleggen van de
                                    straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de
                                    overtreder heeft behaald met de overtreding. Ook biedt de wet de
                                    mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de
                                    gevolgen van het delict goed te maken. Naast toepassing van de
                                    Wet op de economische delicten op de persoon gerichte
                                    bestraffende sanctie kan, eventueel in samenhang daarmee, ook
                                    een op de overtreding gerichte herstellende sanctie worden
                                    toegepast in de vorm van bestuursdwang dan wel, als het algemeen
                                    belang zich daartegen niet verzet, dwangsom of het intrekken van
                                    de vergunning. De last onder dwangsom en last onder
                                    bestuursdwang vinden hun grondslag in artikel 125-138
                                    Gemeentewet en hoofdstuk 5 Awb. </al><al>De bestuursrechtelijke handhaving van de Wro wordt uitgevoerd
                                    volgens eerder omschreven strategie.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                            doen)</onderstreept></cursief></al><al>Er is geen wettelijk niveau van periodiek toezicht vastgesteld.
                                    Wel bevat de Wro de verplichting voor het college van
                                    burgemeester en wethouders om jaarlijks hun voornemens bekend te
                                    maken over hoe zij in het komende jaar uitvoering gaan geven aan
                                    de bestuursrechtelijke handhaving. Achteraf moet het college van
                                    burgemeester en wethouders verslag doen aan de gemeenteraad. </al><al>Ook worden controles meestal uitgevoerd tijdens controle van
                                    verleende omgevingsvergunningen met onderdeel bouw, sloop en/ of
                                    milieuactiviteiten.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.10 Onderdeel brandveilig gebruik</label></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Onderwerpen / handhavingstaken:</onderstreept></al><al>Brandveilig gebruik gebouwen en permanente c.q. tijdelijke
                                inrichtingen </al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                    doen)</onderstreept></cursief></al><al>De gebruiksfunctie van een gebouw of een inrichting kan op basis van
                                de handleiding PREVAP (preventie activiteitenplan) van de
                                Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding in
                                één van de vier risicoklassen (A, B, C en D) worden onderverdeeld.
                                Per risicoklasse wordt een controlefrequentie bepaald.</al><al>Bij bouwwerken en/of inrichtingen die eerder een gebruiksvergunning
                                hebben gekregen en waarbij het gebruik wijzigt, kan in principe
                                worden volstaan met regulier toezicht. Dit geldt ook voor een
                                bouwwerk met een onlangs verleende bouw- of omgevingsvergunning. Het
                                bouwwerk is op dat moment al “bekend” en getoetst aan de bouwkundige
                                en installatietechnische voorschriften omtrent de brandveiligheid.
                                Wanneer het bouwwerk nog niet getoetst is, is een
                                opleveringscontrole nodig.</al><al>Het is echter van belang om bestaande bouwwerken periodiek te
                                toetsen omdat het gebruik van bouwwerken dynamisch van aard is.</al><al>De bestuursrechtelijke handhaving van dit onderdeel wordt uitgevoerd
                                volgens de eerder omschreven sanctiestrategie.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                        doen)</onderstreept></cursief></al><al>Er is geen wettelijk niveau van periodiek toezicht vastgesteld. Wel
                                heeft de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en
                                Rampenbestrijding een advies uitgebracht in een handleiding PREVAP
                                (preventie activiteitenplan):</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="55*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Opleveringscontrole</al></entry><entry colname="col3"><al>Reguliere controle</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Risicoklasse A</al></entry><entry colname="col2"><al>Direct na het ontvangen van de melding of ten
                                                  minste 4 weken na ingebruikname </al></entry><entry colname="col3"><al>2 maal per jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Risicoklasse B</al></entry><entry colname="col2"><al>Direct na het ontvangen van de melding of ten
                                                  minste 4 weken na ingebruikname</al></entry><entry colname="col3"><al>1 maal per jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Risicoklasse C</al></entry><entry colname="col2"><al>Kort voor of kort na ingebruikname</al></entry><entry colname="col3"><al>1 maal per 2 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Risicoklasse D</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij de reguliere controle</al></entry><entry colname="col3"><al>1 maal per 4 jaar</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Brandveilig gebruik zonder
                                omgevingsvergunning</cursief></al><al>Voor bepaalde categorieën bouwwerken is conform het Besluit
                                omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning vereist, maar moet wel
                                worden voldaan aan technische voorschriften (Bouwbesluit en
                                Gebruiksbesluit). </al><al>Aangezien landelijk ervoor gekozen is veel bouwwerken
                                vergunningsvrij te maken, is een hoog toetsingsniveau niet gewenst.
                                Daarnaast streeft de gemeente Reusel-De Mierden naar een “high trust
                                society” waarin burgers een eigen verantwoordelijkheid hebben in de
                                naleving van regels. </al><al>Vergunningsvrij bouwwerken, waar brandveiligheid een rol speelt,
                                handhaven we daarom alleen naar aanleiding van handhavingsverzoeken,
                                klachten, meldingen en eigen constateringen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.11 Onderdeel Algemene Plaatselijke Verordening</label></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Onderwerpen / handhavingstaken:</onderstreept></al><al><cursief>Veiligheid:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
                                        (artikel 2:73 APV)</al></li><li nr="-"><al>Drugsoverlast (H 2 afdeling 14 APV)</al></li><li nr="-"><al>Evenementen (H 2 afdeling 7 APV)</al></li><li nr="-"><al>Speelautomaten/Kansspelvergunningen (H 2 afdeling 10
                                        APV)</al></li><li nr="-"><al>Stoken (artikel 5:34 APV)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren openbare ruimte (H 5 afdeling 1 APV)</al></li><li nr="-"><al>Exploiteren seksinrichtingen (H 3 APV)</al></li><li nr="-"><al>Horeca algemeen (H 2 afdeling 8 APV)</al></li></lijst><al><cursief>“Kleine ergernissen”:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Overlast honden (artikel 2:57 – 2:59 APV)</al></li><li nr="-"><al>Beperken / ontnemen van het uitzicht aan het wegverkeer
                                        (artikel 2:19 en 5:9 APV)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijke/gevaarlijke dieren (artikel 2:59 en 2:60
                                        APV)</al></li><li nr="-"><al>Plakken en kladden (artikel 2:42 APV)</al></li><li nr="-"><al>Defecte voertuigen, wrakken, caravans en reclamevoertuigen (
                                        artikel 5:4 - 5:7 APV)</al></li><li nr="-"><al>Voorwerpen aan of op de openbare weg (artikel 2:10 APV)</al></li><li nr="-"><al>Gebruik openbaar groen /openbare grond (artikel 5:11
                                        APV)</al></li><li nr="-"><al>Crossen in natuurgebieden (artikel 5:32 en 5:33 APV)</al></li><li nr="-"><al>Kappen (H 4 afdeling 3 APV)</al></li><li nr="-"><al>Kamperen buiten kampeerterreinen (H 4 afdeling 5 APV)</al></li><li nr="-"><al>Maken of veranderen van een uitweg (artikel 2:12 APV)</al></li><li nr="-"><al>Standplaatsen (H 5 afdeling 4 APV)</al></li><li nr="-"><al>Collecteren (H 5 afdeling 2 APV)</al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                    doen)</onderstreept></cursief></al><al>Een gemeentelijke verordening is een regeling die vaak tot doel
                                heeft de gemeente netjes en leefbaar te houden voor iedereen. Op
                                grond van de Gemeentewet mogen en moeten gemeenten verordeningen
                                uitvaardigen en ook sanctioneren. De gemeentelijke verordening die
                                Algemene plaatselijke verordening (APV) wordt genoemd, is de
                                belangrijkste en meest omvattende gemeentelijke verordening. </al><al>In de APV staan in feite de huisregels van een gemeente: hoe zorgen
                                we er samen voor dat het voor iedereen prettig en veilig is. De APV
                                bevat regels ter bescherming van de openbare orde, openbare
                                veiligheid, volksgezondheid en ter bescherming van het milieu voor
                                inwoners, bezoekers en ondernemers. Sommige regels zijn een verbod,
                                omdat overtreding van deze regels overlast, gevaar of hinder
                                veroorzaakt. Het is logisch dat de onderwerpen die onder
                                    <cursief>veiligheid </cursief>vallen een hogere prioriteit
                                hebben dan de zaken die onder <cursief>kleine ergernissen</cursief>
                                vallen aangezien niet naleving ervan tot grote schade en leed kan
                                leiden. </al><al>In veel gevallen kan een gemeente misstanden of overlast op twee
                                manieren aanpakken: </al><lijst><li nr="1."><al>Door middel van strafrechtelijke handhaving. </al></li><li nr="2."><al>Met gebruikmaking van bestuursrechtelijke bevoegdheden.
                                    </al></li></lijst><al>Strafrechtelijke handhaving betekent dat de gemeente het ongewenst
                                gedrag verbiedt en bij overtreding aangifte kan doen bij het
                                Openbaar Ministerie (OM). De rechter kan dan een straf opleggen. In
                                veel gevallen biedt men eerst een schikking (transactievoorstel) aan
                                dat inhoudt dat de burger een bedrag betaalt (informeel: “boete”)
                                ter voorkoming van strafvervolging.</al><al>Bestuurlijke handhaving betekent dat de gemeente een burger
                                aanschrijft en opdraagt om de situatie in overeenstemming te brengen
                                met de voorschriften (bijvoorbeeld het verwijderen van een verkeerd
                                gestalde caravan). Daarbij kan een bestuurlijke boete of een
                                bestuurlijke dwangsom in het vooruitzicht worden gesteld, die wordt
                                opgeëist als de overtreding voortduurt. </al><al>Beide manieren van handhaving hebben nadelen:</al><lijst><li nr="1."><al>Bestuursrechtelijk optreden betekent dat de gemeente het
                                        zelf moet afhandelen, waar men vaak niet de capaciteit voor
                                        heeft en het vaak een tijdrovende procedure betreft.
                                        Daarnaast is het traject grotendeels onzichtbaar voor de
                                        burgers, wat het argument oplevert dat dit tot
                                        rechtsongelijkheid leidt en de indruk wekt dat de gemeente
                                        niets doet tegen dit dikwijls zeer storende gedrag.</al></li><li nr="2."><al>Als de gemeente het OM de zaak laat vervolgen moet men het
                                        eens zien te worden met het OM, dat zelf zijn prioriteiten
                                        kan stellen. Als het OM te veel tijd aan dit soort zaken
                                        besteedt, kan het onder kritiek komen: "heeft het OM niets
                                        beters te doen?" Dit zal over het algemeen in het
                                        driehoeksoverleg met officier van justitie, burgemeester en
                                        politiechef aan de orde komen. </al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                        doen)</onderstreept></cursief></al><al>Er is voor de onderwerpen in de APV geen wettelijk niveau van
                                periodiek toezicht vastgesteld. Hieronder een korte toelichting per
                                onderwerp. </al><al><cursief><onderstreept>Veiligheid:</onderstreept></cursief></al><al>a.Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om
                                consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31
                                december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende
                                jaar. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is
                                toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk
                                te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en
                                eigen constateringen.</al><al>b.Drugsoverlast</al><al>Door specifieke bevoegdheden en strafbepalingen op te nemen in de
                                APV kunnen gemeenten het feitelijk optreden van de politie en het
                                vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie ondersteunen. De APV
                                bevat een bepaling over drugshandel op straat, opgenomen om
                                verstoring van de openbare orde en het plegen van strafbare feiten
                                te voorkomen. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers
                                en bemiddelaars ('drugsrunners') strafbaar gesteld. Flankerend
                                beleid kan ingezet worden als politie daarom verzoekt. Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en
                                eigen constateringen.</al><al>c.Evenementen</al><al>Gemeenten stellen – wanneer nodig - regels voor evenementen. Actie
                                wordt ondernomen op basis van klachten, meldingen,
                                handhavingsverzoeken, eigen constateringen en ingediende aanvragen
                                voor vergunning.</al><al>d.Speelautomaten/Kansspelvergunningen</al><al>De APV biedt de mogelijkheid om het aantal kansspelautomaten en
                                behendigheidsautomaten te reguleren. Actie wordt ondernomen op basis
                                van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken, eigen constateringen
                                en ingediende aanvragen voor vergunning.</al><al>e.Stoken</al><al>Het is verboden om in de open lucht afvalstoffen te verbranden
                                buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of
                                te hebben. Actie wordt ondernomen op basis van klachten, meldingen,
                                handhavingsverzoeken en eigen constateringen.</al><al>f.Parkeren openbare ruimte</al><al>In de APV zijn maatregelen opgenomen ter voorkoming van overlast,
                                hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie
                                van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer. Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en
                                eigen constateringen.</al><al>g.Exploiteren seksinrichtingen</al><al>Voor het exploiteren van een seksinrichting is ingevolge de APV een
                                vergunning nodig. Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken, eigen constateringen en ingediende
                                aanvragen voor vergunning.</al><al>h.Horeca algemeen</al><al>Voor deze handhavingstaak is in de gemeente Reusel-De Mierden op 21
                                april 2009 een beleid vastgesteld genaamd het “Horecastappenplan”.
                                De aanwezigheid van horecabedrijven in Reusel-De Mierden zorgt mede
                                voor een levendig dorp. Voor vele mensen is de horeca een sociale
                                ontmoetingsplaats. Daarnaast vervult de horeca een ondersteunende
                                rol voor activiteiten zoals winkelen en diverse evenementen. De
                                horeca is een belangrijke factor in het economisch en sociaal
                                functioneren van een dorp. Deze positieve bijdrage betekent niet dat
                                er geen grenzen behoeven te worden getrokken ten aanzien van de
                                ontwikkelingsmogelijkheden van de horeca. Immers de exploitatie van
                                horecabedrijven kan leiden tot aantasting van de openbare orde, de
                                gezondheid en de veiligheid en kan een bron zijn van overlast voor
                                de omgeving.</al><al>Een aanpak van horecabedrijven die zich niet aan de regels houden is
                                van belang voor de openbare orde c.q. voor een goed woon- en
                                leefklimaat en de ontwikkelingsmogelijkheden van de bonafide
                                horeca-inrichtingen.</al><al>In dit horecastappenplan wordt het handhavinginstrumentarium uiteen
                                gezet. Voor een effectieve en efficiënte handhaving is een integrale
                                benadering en samenwerking tussen de partners - politie Brabant
                                Zuid-Oost, SRE Milieudienst, Voedsel en Warenautoriteit, brandweer
                                en gemeente - noodzakelijk. In deze notitie is aangegeven wie,
                                wanneer, wat doet. Het doel hiervan is om enerzijds een leidraad te
                                bieden voor functionarissen die betrokken zijn bij de handhaving van
                                de wet- en regelgeving voor de horeca. De handleiding bevordert de
                                praktische oriëntatie en de snelheid waarmee deze functionarissen
                                kunnen optreden. Anderzijds biedt het horecastappenplan ook voor
                                leidinggevenden en derden belanghebbenden meer inzicht in het
                                bestuurs- en strafrechtelijk optreden. Voor de inhoudelijke en
                                procedurele aspecten van het “Horecastappenplan” wordt verwezen naar
                                bijlage H6.</al><al><onderstreept>“Kleine ergernissen”:</onderstreept></al><al>·Overlast honden</al><al>Iedere gemeente heeft eigen beleid op dit gebied. Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en
                                eigen constateringen.</al><al>·Beperken/ontnemen van het uitzicht aan het wegverkeer</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert. Actie wordt ondernomen op basis van klachten, meldingen,
                                handhavingsverzoeken en eigen constateringen.</al><al>·Hinderlijke/gevaarlijke dieren</al><al>Er zijn mogelijkheden opgenomen om op te kunnen treden tegen
                                hinderlijke of gevaarlijke dieren als deze overlast/hinder of schade
                                voor de openbare gezondheid dreigt. Actie wordt ondernomen op basis
                                van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en eigen
                                constateringen.</al><al>·Plakken en kladden</al><al>Het is ingevolge de APV verboden te plakken en kladden. Hieronder
                                valt bijvoorbeeld het hangen van posters/affiches op
                                straatmeubilair. Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken en eigen constateringen.</al><al>·Defecte voertuigen, wrakken, caravans en reclamevoertuigen</al><al>Er is een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                                oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid
                                ontoelaatbare opslag van voertuigen. Actie wordt ondernomen op basis
                                van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en eigen
                                constateringen.</al><al>·Voorwerpen aan of op de openbare weg</al><al>Voor het plaatsen op, aan of boven de openbare weg van voorwerpen is
                                een vergunning nodig van burgemeester en wethouders. Er is dus
                                mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder/gevaar kunnen
                                opleveren of ontsierend kunnen zijn zoals bijvoorbeeld het plaatsen
                                van containers of reclameborden. Actie wordt ondernomen op basis van
                                klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en eigen constateringen. </al><al>·Gebruik openbaar groen /openbare grond.</al><al>De APV biedt de mogelijkheid om op te treden tegen het parkeren in
                                plantsoenen. Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken en eigen constateringen. </al><al>·Crossen in natuurgebieden</al><al>Er wordt de mogelijkheid geboden om op te treden tegen het crossen
                                buiten de daarvoor speciaal ingerichte terreinen zoals in bos- en
                                heidegebieden. De politie en de gemeente werken hierin samen
                                (projectvorm). Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken en eigen constateringen. </al><al>·Kappen (opgenomen in omgevingsvergunning)</al><al>Het is verboden zonder vergunning houtopstand met een bepaalde
                                stamomtrek, te vellen of te doen vellen (uitzonderingen
                                daargelaten). Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken en eigen constateringen.</al><al>·Kamperen buiten kampeerterreinen</al><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen buiten een kampeerterrein. Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken en
                                eigen constateringen.</al><al>·Maken of veranderen van een uitweg (opgenomen in
                                omgevingsvergunning)</al><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                college een uitweg (in-/uitrit) aan te leggen of te veranderen.
                                Actie wordt ondernomen op basis van klachten, meldingen,
                                handhavingsverzoeken en eigen constateringen.</al><al>·Standplaatsen</al><al>Voor het hebben van een standplaats is een vergunning noodzakelijk.
                                Dit om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast
                                wordt tegengegaan. De vergunning is persoonsgebonden. Actie wordt
                                ondernomen op basis van klachten, meldingen, handhavingsverzoeken,
                                eigen constateringen en ingediende aanvragen voor vergunning.</al><al>·Collecteren</al><al>Het is verboden zonder vergunning een openbare inzameling van geld
                                of goederen te houden. Actie wordt ondernomen op basis van klachten,
                                meldingen, handhavingsverzoeken, eigen constateringen en ingediende
                                aanvragen voor vergunning.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.12 Onderdeel Bijzondere wetten</label></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Onderwerpen / handhavingstaken:</onderstreept></al><al>Horeca-inrichtingen (vergunningen)</al><al>Sluitingstijden winkels </al><al><cursief>Horeca-inrichtingen (vergunningen)</cursief></al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                    doen)</onderstreept></cursief></al><al>Op dit moment treedt de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) vanuit het
                                staatstoezicht op de Volksgezondheid - conform een eigen
                                handhavings- en maatregelen beleid – op dit gebied autonoom
                                handhavend op. Deze inspectiedienst is belast met toezicht en
                                opsporing en neemt bij overtredingen of handelingen in strijd met
                                regelgeving, maartregelen in de vorm van een schriftelijke
                                waarschuwing, een bestuurlijke boete (bestuursrecht) of een
                                proces-verbaal (strafrecht). Ten aanzien van de Drank- en Horecawet
                                zijn uitsluitend ambtenaren van deze dienst als toezichthouder
                                aangewezen. Gemeenten hebben geen toezichthoudende bevoegdheden. De
                                gemeente kan wel ondersteunend werkzaam zijn. De taak van de
                                gemeente strekt zich hierbij met name uit over de aanwezigheid van
                                een geldende vergunning. </al><al>Op dit moment is een nieuwe Drank- en Horecawet in ontwikkeling. In
                                deze nieuwe wet worden burgemeesters voortaan belast met de
                                uitvoering. Door de burgemeester zullen gemeentelijke
                                toezichthouders worden aangewezen. Deze toezichthouders worden onder
                                andere bevoegd om namens de burgemeester bestuurlijke boetes op te
                                leggen aan ondernemers die handelen in strijd met de Drank- en
                                Horecawet. Ook de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom
                                zullen bij overtreding van de nieuwe Drank- en Horecawet door
                                gemeenten toegepast kunnen worden als handhavingsinstrumenten. Het
                                overhevelen van toezichtstaken naar gemeenten zullen extra
                                werkzaamheden, andere disciplines en kennis en uitvoeringskosten met
                                zich meebrengen.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                        doen)</onderstreept></cursief></al><al>Er is geen wettelijk niveau van periodiek toezicht vastgesteld. Met
                                het inwerking treden van de nieuwe Drank- en Horecawet krijgen
                                gemeenten een grotere handhavingstaak. Het kabinet is van mening dat
                                sommige maatregelen het beste op lokaal niveau ingevuld kunnen
                                worden om het aanpakken van problemen te laten aansluiten bij lokale
                                wensen en lokale gewoonten. Het toezicht zal naar verwachting in de
                                toekomst dan ook naar lokale wensen worden ingevuld.</al><al><cursief>Sluitingstijden winkels </cursief></al><al><cursief><onderstreept>Specifiek (wat moeten we
                                    doen)</onderstreept></cursief></al><al>De Winkeltijdenwet bepaalt dat winkels alleen tussen 6 uur 's
                                ochtends en 10 uur 's avonds open mogen zijn, en niet op zon- en
                                feestdagen. De wet bevat een aantal mogelijkheden waarop de gemeente
                                vrijstelling en ontheffing kan verlenen. De gemeenteraad kan
                                bijvoorbeeld voor ten hoogste twaalf dagen per kalenderjaar
                                vrijstelling verlenen. De gemeente is bevoegd bij overtreding van de
                                Winkeltijdenwet handhavend op te treden door het opleggen van een
                                last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Een overtreding
                                van een verbod van de Winkeltijdenwet is daarnaast ook een strafbaar
                                feit in de zin van de Wet op de economische delicten. Met de
                                strafrechtelijke handhaving van de Winkeltijdenwet zijn de politie
                                en de Belastingdienst/FIOD-ECD belast. De Hoge Raad heeft aangegeven
                                dat hierbij sprake is van rechtens naast elkaar staande
                                bevoegdheden, die gelijktijdig als handhavingsinstrument kunnen
                                worden ingezet. </al><al>De bestuursrechtelijke handhaving van de Winkeltijdenwet wordt
                                uitgevoerd volgens eerder omschreven strategie.</al><al><cursief><onderstreept>Meetbaar (hoeveel moeten we
                                        doen)</onderstreept></cursief></al><al>Er is geen wettelijk niveau van periodiek toezicht vastgesteld.
                                Tegen overtredingen op de Winkeltijdenwet zal in veel gevallen met
                                een preventieve last worden opgetreden, aangezien openstelling in
                                strijd met de Winkeltijdenwet veelal van te voren wordt
                                aangekondigd. Het is aan te raden om afspraken te maken over het
                                toepassen van bestuursrechtelijke sancties en strafrechtelijke
                                sancties met de handhavingspartners. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet><cursief>BIJLAGEN TOEZICHT EN HANDHAVING (niet digitaal
                            beschikbaar)</cursief></vet></al><al><cursief>Bijlage H0 : Aanbevelingen Rekenkamercommissie</cursief></al><al><cursief>Bijlage H1 : Risico-analyse</cursief></al><al><cursief>Bijlage H2 : Toezichtsmatrix Woningwet</cursief></al><al><cursief>Bijlage H3 : Toezichtsmatrix milieu, APV en bijzondere
                    wetten</cursief></al><al><cursief>Bijlage H4 : Integrale handhavingstrategie omgevingsrecht 2010 “Zo
                        handhaven wij in Brabant”</cursief></al><al><cursief>Bijlage H5 : Lijst bestuurlijke sanctiemiddelen</cursief></al><al><cursief>Bijlage H6 : Horecastappenplan</cursief></al></bijlage></regeling></body></cvdr>