<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR209800_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Beuningen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier, 10 oktober 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Beuningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet artikel 8 en 11</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 2.1. en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW12.00831</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling vervangt de Bouwverordening 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Bouwverordening Gemeente Beuningen 2012
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Uitleg:</vet>
          </al>
          <al>In deze versie van de Bouwverordening is de VNG-ledenbrief
                        met de 14e serie wijzigingen verwerkt.</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                                Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan
                                                wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                                                bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                                wethouders;</al></li>
                  <li nr="b."><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                                bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; </al></li>
                  <li nr="c."><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92,
                                                tweede lid, van de Woningwet in samenhang met
                                                artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                                woningtoezicht;</al></li>
                  <li nr="d."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                                plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                                met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                plaatse te functioneren; </al></li>
                  <li nr="e."><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het Bouwbesluit. </al></li>
                  <li nr="f."><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor
                                                een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1,
                                                eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                        gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een
                                        gebouw. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2</nr>
              <titel>Termijnen</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling
                                        van de gemeente:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op
                                        de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is
                                        aangegeven. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>2</nr>
            <titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.1</nr>
                <titel>Aanvraag bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.2</nr>
                <titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.3</nr>
                <titel>Bij de aanvraag in te
                                        dienen bescheiden</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.4</nr>
                <titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                        vergunningaanvragen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.5</nr>
                <titel>Bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als
                                            bedoeld in <onderstreept>artikel 8</onderstreept>,
                                            vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                  bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                  2009, in overeenstemming met het
                                                  onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.
                                                  Milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober
                                                  1993)</al></li>
                    <li nr="b."><al>(vervallen).</al></li>
                    <li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                  bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                  mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                  de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                  plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                                  uitgave 2003. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking
                                            heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                                            aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                            omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                            verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                                            Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.
                                        </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk
                                            afwijken van de plicht tot het indienen van een
                                            onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van
                                            de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing
                                            van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                            recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                            bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                            omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een
                                            beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel
                                            2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel
                                            5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in
                                            NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                            historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt,
                                            dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen
                                            verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN
                                            5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li>
                <li nr="5."><al> Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het
                                            bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                                            voordat met de bouw wordt begonnen. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.6</nr>
                <titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij
                                        de aanvraag om omgevingsvergunning </titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.7</nr>
                <titel>Bouwregistratie</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.8</nr>
                <titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                        omgevingsvergunning woonwagens en standplaatsen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.1</nr>
                <titel>Ontvangst van de aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)
                                    </vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.2</nr>
                <titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                        ordening</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.3</nr>
                <titel>Bekendmaking van termijnen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.4</nr>
                <titel>In behandeling nemen en fasering
                                        omgevingsvergunningverlening</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.5</nr>
                <titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.6</nr>
                <titel>Kennisgeving van rechtswege verleende
                                        omgevingsvergunning</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Welstandstoetsing</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.3.1</nr>
                <titel>Welstandscriteria</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.1</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                            verblijven; </al></li>
                <li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen is vereist; en </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li>
                    <li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                                  gebruik niet wordt gehandhaafd. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.2</nr>
                <titel>Voorwaarden omgevingsvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de
                                    Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden
                                    verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het
                                    geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht
                                    bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                                    onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                                    tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                    goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid,
                                    van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor
                                    het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog
                                    geschikt kan worden gemaakt. </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.1</nr>
                <titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
                                        van de stedenbouwkundige bepalingen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.2</nr>
                <titel>Anti-cumulatiebepaling</titel>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning in
                                    aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                    verlening van een omgevingsvergunning voor een ander bouwwerk in
                                    aanmerking worden genomen. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                                        wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3A</nr>
                <titel>Brandweeringang</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.4</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                        gehandicapten</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.5</nr>
                <titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen
                                            lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging
                                            van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li>
                <li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij
                                            een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                            op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                                            geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit
                                            de as van de weg. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.6</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                    bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                                </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.7</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                            de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                            bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.te weten: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten; </al></li>
                    <li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits
                                                  zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                  overschrijden. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.8</nr>
                <titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn.</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                  kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                  bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                  straatpeil; </al></li>
                    <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan
                                                  bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van
                                                  bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die
                                                  naar hun aard en bestemming op een voor de
                                                  voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;
                                                </al></li>
                    <li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de
                                                  grens van de weg overschrijden; </al></li>
                    <li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                                  balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met
                                                  niet meer dan 1,50 m overschrijden; </al></li>
                    <li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                  hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                  luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                  schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                  draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn
                                                  in <onderstreept>artikel 2.5.7</onderstreept>;
                                                </al></li>
                    <li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding
                                                  tussen twee bouwwerken; </al></li>
                    <li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld
                                                  in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale
                                                  of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                                                  zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de
                                                  in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                                  aansluiting bij het karakter van de bestaande
                                                  omgeving. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking
                                            worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met
                                                  inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter
                                                  weerszijden van die rijweg; </al></li>
                    <li nr="b."><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                  weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                  gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.9</nr>
                <titel>Bouwen op de weg</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                    bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                    voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                            18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
                                        </al></li>
                <li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c
                                            en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
                                        </al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li>
                <li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;
                                        </al></li>
                <li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                            bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.10</nr>
                <titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in
                                            de voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                            in: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                                  2.5.7 </onderstreept>en in die waarin de afwijking
                                                  genoemd in de <onderstreept>artikelen
                                                  2.5.8</onderstreept> en
                                                  <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend;
                                                </al></li>
                    <li nr="b."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                                  2.5.13</onderstreept> en in die waarin de
                                                  afwijking genoemd in <onderstreept>artikel
                                                  2.5.14</onderstreept> is verleend, voor zover het
                                                  bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                                  geplaatst; </al></li>
                    <li nr="c."><al>de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die
                                            een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover
                                            elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen
                                            of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                                            van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de
                                            hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet
                                            meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                            afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor
                                            onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                            behoeft te zijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;
                                                </al></li>
                    <li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;
                                                </al></li>
                    <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;
                                                </al></li>
                    <li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2,
                                                  onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                                  bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht </al></li>
                    <li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en
                                                  veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                  daarbijbehorende woningen; </al></li>
                    <li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li>
                    <li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het bij het
                                                  toestaan van de afwijking is gebaat. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                            voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                  bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan de helft van de straal van de
                                                  ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                  doch op geen grotere afstand van de
                                                  voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan
                                                  één ingeschreven cirkel binnen de
                                                  voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt
                                                  de grootste; </al></li>
                    <li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                  bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm
                                                  op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                                                  bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                                  herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of
                                                  meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij
                                                  op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het
                                                  bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter; </al></li>
                    <li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                  bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                  zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                  gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                  elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                                                  van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van
                                                  de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li>
                    <li nr="d."><al> in een slechts aan twee tegenover elkaar
                                                  gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                                  bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand
                                                  van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                                  afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                                                  zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                                  bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                                  grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                                  meter; </al></li>
                    <li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde
                                                  gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                                  inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                                  neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                                  geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                                                  15 meter. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                            achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                            toetreding van daglicht - over een afstand van ten
                                            minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten
                                            minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                            achtergevelrooilijnen. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover
                                            de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in
                                            de hoekbebouwing dit toelaten. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                        2.5.13</onderstreept> is het verboden bouwwerken waar voor
                                    de activiteit bouwen een omgevingsvergunning is vereist, te
                                    bouwen met een overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken,
                                            geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li>
                <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                            bedraagt; </al></li>
                <li nr="c."><al>onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist,die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                            uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                            onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
                                            bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                            vereist </al></li>
                <li nr="d."><al>onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist,die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de artikel
                                            3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="e."><al>andere onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen
                                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist,die bij het
                                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van
                                            artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                  funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                  rioolputten; </al></li>
                    <li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15
                                            en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                        </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label> Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                            bedraagt; </al></li>
                <li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li>
                <li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li>
                <li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd; </al></li>
                <li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de
                                                <onderstreept>artikelen 2.5.3</onderstreept> en
                                                <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd;
                                        </al></li>
                <li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel
                                            3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het
                                            Besluit omgevingsrecht.</al></li>
                <li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend; </al></li>
                <li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan
                                            een omgevingsvergunning is vereist.; </al></li>
                <li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw; </al></li>
                <li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                            vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                            onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht. </al></li>
                <li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                                2.5.13</onderstreept>; </al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn
                                            dat ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit
                                                  aan de achtergevel, en </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen
                                                  deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                  zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                                  meter. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst
                                            achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten
                                            de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>, en de
                                            balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li>
                <li nr="3."><al> Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen
                                            in afwijking van het bepaalde in: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                                  betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag
                                                  niet tot bewoning bestemd is; </al></li>
                    <li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                                  voorwaarden wordt voldaan: </al><lijst>
                        <li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig; </al></li>
                        <li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht; </al></li>
                        <li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan
                                                  de bepalingen voor te bouwen woningen en
                                                  woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                                                  bestaande toestand verbeterd. </al></li>
                      </lijst></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders
                                            dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                            behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2
                                            meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het
                                            gebouw en over de volle breedte daarvan. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw
                                                  hiervoor geen beletsel vormen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is
                                                  toegestaan van het verbod tot overschrijding van
                                                  de achtergevelrooilijn. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten
                                            opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig
                                            zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                                            aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                                            ontstaan die: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                                                  daarboven minder dan 1 meter breed zijn; </al></li>
                    <li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                            voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                            onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                            artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                            omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het
                                            belang van het af te scheiden erf of terrein. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                            hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                            andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                            uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van
                                            deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                            uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                            hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn
                                            met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of
                                            meer. </al></li>
                <li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                            ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                            bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd. </al></li>
                <li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien de elektrische
                                                  spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                                                  bezwaar oplevert; </al></li>
                    <li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft
                                                  de afstand van 6 meter, indien daartegen met het
                                                  oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                                                  leiding geen bezwaar bestaat. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                                2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte
                                            van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                            voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                  voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;
                                                </al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
                                                  tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                                  desbetreffende weg. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval
                                            aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan
                                            de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een
                                            lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen
                                            grotere lengte dan 15 meter. </al></li>
                <li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het
                                            midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie
                                            daarvan op de voorgevelrooilijn. </al></li>
                <li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                            ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                            hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij
                                            gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                                            tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                            geldt ter plaatse van die onderbreking de verst
                                            verwijderde van de beide ter weerszijden van de
                                            onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                                2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte
                                            van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunnning is vereist in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                                  tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                                  bouwblok; </al></li>
                    <li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
                                                  de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
                                                  hetzelfde bouwblok. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten
                                            haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                            bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen
                                            niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                                            van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de
                                            gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.
                                            Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn
                                            ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                            voorgevelrooilijn. </al></li>
                <li nr="3."><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                            maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                            achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                            hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al></li>
                <li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
                                            dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
                                            hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                                            onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
                                            voltooiing van de bouw. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                            bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot
                                            aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien
                                            in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                            onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                                2.5.24</onderstreept> - de maximale hoogte van de
                                            zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg
                                            nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze
                                            zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                            eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                            wijze worden bepaald als beschreven is in
                                                <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, tweede
                                            lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                            achtergevelrooilijnen. </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                            zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                                2.5.24</onderstreept> mag een bouwwerk, voor het
                                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen
                                            de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                            tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                            voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden
                                            op de - krachtens de <onderstreept>artikelen
                                                2.5.20</onderstreept> en <onderstreept>2.5.21
                                            </onderstreept>- maximale bouwhoogte en die met het
                                            horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li>
                    <li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                            zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                                            bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak
                                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                            hoogte van de - krachtens <onderstreept>artikel
                                                2.5.22</onderstreept> - maximale bouwhoogte en dat
                                            met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.
                                        </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen
                                            dan 15 meter. </al></li>
                <li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                            wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte
                                            ten opzichte van de laagst gelegen weg. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                                <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                                <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept>
                                            toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een
                                            weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70
                                            meter met dien verstande dat - uitgaande van een
                                            goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak
                                            met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.
                                        </al></li>
                <li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                            aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor
                                            geen beletsel vormen. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een
                                            ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten
                                            ten opzichte van straatpeil. </al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                            door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld
                                            in <onderstreept>artikel 2.5.27</onderstreept>, onder d,
                                            en <onderstreept>artikel 2.5.28</onderstreept>, onder h,
                                            i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte
                                            overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>,
                                    eerste lid, <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste
                                    en derde lid, <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>,
                                    eerste lid, <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en
                                        <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> is niet van
                                    toepassing op: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                            omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                            aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van
                                            bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                            onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                            voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij
                                            niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                            geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                            gemeten, niet groter is dan het product van de breedte
                                            van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse;
                                        </al></li>
                <li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan
                                            0,60 meter. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte.</label>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20,
                                    eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid,
                                    2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken,
                                            schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden
                                            van bijeenkomsten en vergaderingen; </al></li>
                <li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan
                                            van de afwijking is gebaat; </al></li>
                <li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels- en industrieterrein; </al></li>
                <li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li>
                <li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel
                                            7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en
                                            indien: </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                  bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                  toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li>
                    <li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                  hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                  worden dan de bestaande; </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in
                                            artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht; </al></li>
                <li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard; </al></li>
                <li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter; </al></li>
                <li nr="i."><al> dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren; </al></li>
                <li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li>
                <li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li>
                <li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid.</label>
              </kop>
              <al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot
                                    bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li>
                <li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel
                                            3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                            toepassing is;</al></li>
                <li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                            zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li>
                <li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede
                                            ruimtelijke ordening, en</al></li>
                <li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                            onderbouwing bevat.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                            aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                            stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn
                                            aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of
                                            onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
                                            Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                            gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening
                                            moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                                            openbaar vervoer. </al></li>
                <li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren
                                            van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op
                                            gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te
                                            zijn voldaan: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten
                                                  ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m
                                                  bij 6,00 m bedragen; </al></li>
                    <li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde
                                                  parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover
                                                  die ruimte niet in de lengterichting aan een
                                                  trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                                  bedragen. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot
                                            een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of
                                            lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende
                                            mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel
                                            op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                            behoort. </al></li>
                <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                            afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde
                                            lid: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                  bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                  stuit; of </al></li>
                    <li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer-
                                                  of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                                  wordt voorzien. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.3 Eis tot
                                        aansluiting aan het aardgasnet</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                        riolering</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                        riolering</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>&gt;Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                        buitenriolering op erven en
                                        terreinen</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de
                                        leidingen van het openbare net van de
                                        nutsvoorzieningen</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr>3</nr>
            <titel>De melding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.2 Welstandscriteria</label>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen, zie Hoofdstuk 9)</vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                    tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
                                (vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                                    (vervallen)</vet>
              <vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de
                                    bouw</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
              <vet>Artikel 4.5 Kennisgeving
                                    aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                                    bouwwerkzaamheden</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                    onderzoekingen</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
              <vet>Artikel 4.7
                                    Bemalen van bouwputten</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
              <vet>Artikel
                                    4.8 Veiligheid op het
                                bouwterrein</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het
                                    bouwterrein</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet> Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                    hinder</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                    bouwwerkzaamheden</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage
                                    temperaturen</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 4.14 Verbod tot
                                    ingebruikneming</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al/>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
              <al>
                <vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                        terreinen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                        </vet>
                <vet>Brandblusvoorzieningen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                        gehandicapten</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                                        brandveiligheids-installaties en
                                        vluchtrouteaanduidingen</vet>
                <vet>(vervallen)
                                    </vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van
                                        brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde
                                        woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                        kantoorgebouwen (vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                        in woongebouwen van bijzondere aard
                                    (vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                        in logiesverblijven en logiesgebouwen
                                    (vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                                        in kantoorgebouwen (vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
                                        waterleiding</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 5.3.2
                                        Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet>
                <vet>
                                        (vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan
                                        het aardgasnet</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 5.3.4
                                        Eis tot aansluiting aan de openbare
                                        riolering</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                        riolering</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
                                        buitenriolering op erven en
                                        terreinen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de
                                        leidingen van het openbare net van de
                                        nutsvoorzieningen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid.</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
              <al>
                <vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>6 Brandveilig gebruik</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>7 Overige gebruiksbepalingen </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Overbevolking</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van
                                        woningen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van
                                        woonwagens</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
                                        bouwvalligheid</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 7.2.2
                                        Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                                        aan hygiëne</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                        woonwagen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf
                                        (vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 7.3.2
                                        Hinder</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 5 WatergebruikArtikel 7.5.1 Verboden gebruik van water(vervallen)</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 6 Installaties</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                                        installaties</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>8 Slopen</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het
                                        slopen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag
                                        sloopvergunning</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.3 In behandeling
                                        nemen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.4 Termijn van
                                        beslissing</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en
                                        bouwen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                        slopen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
                                        </vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
              <al>
                <vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                        een omgevingsvergunning voor het slopen
                                        </vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op
                                        sloopterrein</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 8.3.2
                                        Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                        bescheiden</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
                <vet>Artikel 8.3.3
                                        Plichten van de houder van de </vet>
                <vet>omgevingsvergunning
                                        voor het slopen </vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die
                                        sloopt</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                        asbest</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al>
                <vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                        tuinbouwkassen</vet>
                <vet> (Vervallen )</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval
                                        algemeen</vet>
                <vet>(vervallen)</vet>
              </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>9 Welstand</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.1 De advisering door de Commissie ruimtelijke kwaliteit</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is
                                        opgedragen aan het Gelders Genootschap die uit haar midden
                                        personen voordraagt als lid van de Commissie ruimtelijke
                                        kwaliteit, hierna gezamenlijk te noemen: de Commissie. </al></li>
              <li nr="2."><al>De Commissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                        aanvragen voor omgevingsvergunning voor het bouwen, als
                                        bedoeld in artikel 2.1 a van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht. De Commissie baseert haar advies op de in de
                                        Nota ruimtelijke kwaliteit genoemde welstandscriteria. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.2 Samenstelling van de Commissie ruimtelijke kwaliteit</label>
            </kop>
            <al>
              <cursief>Alternatief 1 </cursief>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De Commissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 2
                                        leden, waarvan ten minste 2 leden deskundig zijn op het
                                        gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                        cultuurhistorie. </al></li>
              <li nr="2."><al>Voor de voorzitter en leden worden 2 plaatsvervangers
                                        aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. </al></li>
              <li nr="3."><al>De Commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                        minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee
                                        leden beschikken over deskundigheid op het gebied van
                                        welstand. </al></li>
              <li nr="4."><al>De voorzitter en leden van de Commissie zijn onafhankelijk
                                        ten opzichte van het gemeentebestuur. </al></li>
              <li nr="5."><al>De Commissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                        plaatsvervanger. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.3 Benoeming en
                                    zittingsduur</label>
            </kop>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label>
            </kop>
            <al>De Commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                                voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de
                                        welstandscriteria uit de Nota ruimtelijke kwaliteit; </al></li>
              <li nr="·"><al>de werkwijze van de Commissie; </al></li>
              <li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                        vergaderen; </al></li>
              <li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li>
              <li nr="·"><al>de bijzondere projecten. </al></li>
            </lijst>
            <al>De Commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                                van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en
                                de aanpassing van de gemeentelijke Nota ruimtelijke kwaliteit in het
                                bijzonder.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De Commissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken
                                        nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                        verzocht. </al></li>
              <li nr="2."><al>De Commissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                        betrekking heeft op een deel van een project of een
                                        gefaseerde aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door
                                        of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
                                    </al></li>
              <li nr="3."><al> burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies
                                        de Commissie een langere termijn dan genoemd in de
                                        bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het
                                        uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan
                                        door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met
                                        toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht; </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door of onder
                                        verantwoordelijkheid van de Commissie is openbaar. De agenda
                                        voor de vergadering van de Commissie wordt tijdig
                                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                                        een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een
                                        andere geschikte wijze. Indien bevoegd gezag - al dan niet
                                        op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot
                                        niet-openbare behandeling, dan dienen bevoegd gezag daaraan
                                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                        openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                        beoordeling als de adviezen. Behandeling van bouwplannen
                                        onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders
                                        al dan niet op verzoek van de aanvrager een verzoek doen tot
                                        niet openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                                        van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                        leggen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om
                                        omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of
                                        namens de Commissie in staat gesteld tot het geven van een
                                        toelichting op het bouwplan. </al></li>
              <li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        Commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                                        ontvangen voor de vergadering van de Commissie, waarin de
                                        aanvraag wordt behandeld. </al></li>
              <li nr="4."><al>Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                                        spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie dat als
                                        bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in
                                        een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt
                                        aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.
                                    </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                        advies, in afwijking van artikel 9.2, onder
                                        verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of
                                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de
                                        aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag
                                        worden verondersteld.</al></li>
              <li nr="2."><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd
                                        aan de welstandscommissie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De Commissie adviseert en motiveert haar advies
                                        schriftelijk. </al></li>
              <li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                                    </vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>10 Overige administratieve bepalingen</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening
                                en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en
                                andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij
                                deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de
                                bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of
                                het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of
                                vervanging heeft gepubliceerd. </al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>11 Handhaving (vervallen)</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling
                                    bodemonderzoek</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
              <vet>Artikel 12.3
                                    Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                    terreinen</vet>
              <vet>(vervallen)</vet>
              <vet>Artikel 12.4
                                    Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                                    (vervallen)</vet>
            </al>
            <al>
              <vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet>
              <vet>
                                    (vervallen)</vet>
            </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.6 Overgangsbepaling </label>
            </kop>
            <al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een
                                aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór <vet>1 april
                                    2012</vet> en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn
                                de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die
                                luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de
                                gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 12.7 Slotbepaling</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op moment van
                                        inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012.</al></li>
              <li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                        bouwverordening, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit d.d.
                                        15 juni 2010, ingetrokken.<inf> (1-4-2012</inf>)</al></li>
              <li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening
                                        gemeente Beuningen'. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 oktober
                        2012,</ondertekening>
        <ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>BIJLAGEN</label>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag
                                    bouwvergunning. Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag
                                    gebruiksvergunning. Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken.
                                    Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met
                                    uitzondering van de</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>nietgemeenschappelijke ruimten in woonfuncties.
                                    Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen.
                                    Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 6 Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken
                                    van de buitenriolering</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>op erven en terreinen,
                                Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 8 Vervallen.</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Bijlage 9 Reglement op de Commissie ruimtelijke
                                    kwaliteit in Beuningen. </onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Bijlage 9</vet>
          <vet>Reglement op de
                                Commissie ruimtelijke kwaliteit in </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Beuningen versie juni 2010</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de Commissie ruimtelijke
                                    kwaliteit1.1 Benoemingsprocedure1.2 Samenstelling Commissie 2.
                                    Taakomschrijving2.1 Taakomschrijving Commissie 2.1.1 Wettelijke
                                    taken2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken2.2 Taakomschrijving
                                    commissieleden2.2.1 Taken van de rayonarchitect2.2.2 Taken van
                                    de voorzitter2.2.3 Taken van externe commissieleden2.2.4
                                    Burgerlid/-leden</al></li>
          <li nr="3."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht4. Werkwijze van de Commissie
                                    4.1 Vooroverleg over bouwplannen4.2 Gemandateerde
                                    behandeling4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’4.2.2 Het
                                    mandaatadvies4.2.3 Openbaarheid4.2.4 Toelichting
                                    opdrachtgever/ontwerper4.2.5 Spreekrecht4.3 Openbare
                                    commissievergadering4.3.1 Locatie vergadering4.3.2 Publicatie
                                    agenda4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper4.3.4
                                    Spreekrecht4.4 Het welstandsadvies4.5 Afwijken van het
                                    welstandsadvies4.5.1 Second opinion5. Evaluatie
                                    welstandstoezicht5.1 Jaarverslag B&amp;W5.2 Jaarverslag
                                    Commissie ruimtelijke kwaliteit </al><al>
              <vet>1.</vet>
              <vet> Benoeming en samenstelling van de Commissie
                                        ruimtelijke kwaliteit</vet>
            </al><al>
              <vet>1.1</vet>
              <vet> Benoemingsprocedure</vet>
            </al><al>De gemeente wijst op voordracht van het college van B&amp;W de
                                    vereniging ‘<cursief>Het Gelders Genootschap’ </cursief>aan als
                                    de Commissie. Het Gelders Genootschap legt de gemeente een lijst
                                    voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter,
                                    de rayonarchitect, de externe deskundigen en hun
                                    plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen
                                    het Gelders Genootschap en de gemeente. Voor de benoeming van
                                    burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende
                                    procedure. De gemeente kan burgerleden voordragen ter benoeming.
                                    Alvorens dit te doen, overleggen B&amp;W met het Gelders
                                    Genootschap over het gewenste profiel van het burgerlid of de
                                    burgerleden. Er mogen maximaal twee burgerleden in de Commissie
                                    worden benoemd. Burgerleden ontvangen via de gemeente een
                                    onkostenvergoeding.Alle leden van de Commissie en hun
                                    plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar,
                                    met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij
                                    afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie,
                                    treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De
                                    rayonarchitect kan zich door een collega-rayonarchitect laten
                                    vervangen. De voorzitter, de rayonarchitect, de externe
                                    deskundigen, het burgerlid/de burgerleden en hun
                                    plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen
                                    bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de
                                    welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig
                                    gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie
                                    streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                                    ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al>
              <vet>1.2</vet>
              <vet> Samenstelling van de commissie</vet>De
                                    Commissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de
                                    rayonarchitect van het Gelders Genootschap en tenminste twee
                                    externe deskundigen van buiten het bureau en een burgerlid. De
                                    rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de
                                    commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee
                                    commissieleden deskundig op het terrein van architectuur,
                                    stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De Commissie kan zich
                                    naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het
                                    bureau van het Gelders Genootschap of daarbuiten. Dit betreft
                                    disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en
                                    landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet
                                    worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de
                                    vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als
                                    commissielid zijn benoemd door de gemeente. De Commissie kan
                                    slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig
                                    zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en
                                    waarvan tenminste twee leden deskundig zijn op het gebied van
                                    welstand.</al><al>
              <vet>2.</vet>
              <vet> Taakomschrijving </vet>
            </al><al>
              <vet>2.1</vet>
              <vet> Taakomschrijving Commissie ruimtelijke
                                        kwaliteit</vet>De Commissie is belast met zowel
                                    wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De
                                    wettelijke taken van de Commissie worden uitgevoerd op grond van
                                    de Woningwet 2002. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het
                                    gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de
                                    gemeentelijke Nota ruimtelijke kwaliteit.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>2.1.1</vet>
          <vet> Wettelijke taken</vet>1. Toetsing van
                            omgevingsvergunningplichtige bouwwerken.</al>
        <al>De commissie adviseert B&amp;W over de welstandsaspecten van
                            omgevingsvergunning voor het bouwen en gefaseerde omgevingsvergunning
                            voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1 a van de Wabo en artikel 2.5
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                            Omgevingsvergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen
                            twee weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</al>
        <al>2.Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken aan de
                            sneltoetscriteria van de Nota ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al>Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken aan de
                            sneltoetscriteria van de Nota ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in
                            artikel 2.1 a van de Wabo, worden in principe door een gemandateerd
                            ambtenaar van de gemeente behandeld. Bij twijfel legt de ambtenaar het
                            betreffende bouwplan voor aan de gemandateerde rayonarchitect van de
                            Commissie. Toetsing van omgevingsvergunningplichtige bouwwerken aan de
                            sneltoetscriteria van de Nota ruimtelijke kwaliteit worden in de regel
                            binnen één week na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al>
        <al>3.Jaarverslag Commissie ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al>De Commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                            de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de Commissie
                            tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                            welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                            jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging
                            van het gemeentebestuur en de Commissie. </al>
        <al>
          <vet>2.1.2</vet>
          <vet> Niet wettelijk verplichte taken</vet>
        </al>
        <al>De Commissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende
                            (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:a. Beoordeling
                            van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV).b. Onder de
                            regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de gemeente of </al>
        <al>de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de
                            voorbereiding van bouwplannen. </al>
        <lijst>
          <li nr="c."><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de
                                    welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen,
                                    bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige
                                    plannen en andere relevante beleidsstukken.</al></li>
          <li nr="d."><al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen:
                                    buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor
                                    niet-deskundigen evident zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet> 2.2</vet>
          <vet> Taakomschrijving
                                commissieleden</vet>
          <vet>2.2.1</vet>
          <vet> Taken van de
                                rayonarchitect</vet>
        </al>
        <al>De rayonarchitect van het Gelders Genootschap is secretaris-deskundige
                            van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de Commissie de
                            eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners,
                            ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en
                            bereidt de behandeling van bouwplannen in de Commissie voor. De plannen
                            waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door hem/haar van
                            een advies voorzien (<cursief>Zie verder 4.2 Gemandateerde
                                behandeling).</cursief>De rayonarchitect stelt de agenda
                            voor de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend
                            ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht. Tijdens de commissievergadering
                            introduceert de rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt gegevens over
                            het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied.
                            Onder de verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de
                            beraadslaging en conclusie over een bouwplan uitgewerkt in een
                            schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee weken na de
                            commissievergadering verzonden wordt.</al>
        <al>
          <vet>2.2.2</vet>
          <vet> Taken voorzitter</vet>
        </al>
        <al>De voorzitter van de Commissie is in principe gekozen uit de kring van
                            gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren
                            van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat
                            de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk
                            welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                            als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de
                            vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een
                            bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is
                            besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte
                            samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is.
                            De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de
                            gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt
                            ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een
                            voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De
                            voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda.Bij het overleg met
                            de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de
                            voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert
                            met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de
                            werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het
                            jaarlijks verslag van de Commissie.</al>
        <al>
          <vet>2.2.3</vet>
          <vet> Taken externe deskundigen</vet>
        </al>
        <al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied
                            van de architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring
                            en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                            adviesaanvragen. Op het moment dat een extern commissielid op de een of
                            andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat
                            hij/zij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij
                            langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt
                            en waarbij de extern deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze
                            in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug.</al>
        <al>
          <vet> 2.2.4 </vet>
          <vet>
            <cursief> Burgerlid
                            /-leden</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>Een burgerlid moet inwoner zijn van de gemeente Beuningen.</al>
        <al>Burgerleden zijn alleen betrokken bij de beoordeling van de plannen uit
                            de gemeente Beuningen.</al>
        <al>Burgerleden hebben geen vertegenwoordigende functie, maar zij spreken op
                            persoonlijke titel. Zij geven vanuit hun ervaring en beleving een
                            onafhankelijke visie op de adviesaanvragen en proberen ‘de kijk van de
                            burger’ in een welstandsadvies te vertalen. Bovendien kunnen zij een rol
                            hebben bij het bevorderen van een heldere en begrijpelijke communicatie
                            tussen de Commissie en een aanvrager.</al>
        <al>Op het moment dat een burgerlid op de een of andere wijze een
                            persoonlijke binding heeft met een bepaald bouwplan trekt hij/zij zich
                            voor de betreffende commissievergadering terug. Bij langlopende
                            projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en het
                            burgerlid een persoonlijke binding heeft, treedt deze in overleg met de
                            commissie en het bureau tijdelijk terug. In voorkomende gevallen wordt
                            de vrijgekomen positie ingenomen door een plaatsvervangend lid (indien
                            beschikbaar).</al>
        <al>
          <vet>3.</vet>
          <vet> Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet>
        </al>
        <al>De welstandsprocedure begint met het sorteren van bouwplannen bij de
                            afdeling Bouw- en Woningtoezicht in omgevingsvergunningplichtige
                            bouwwerken die aan de sneltoetscriteria kunnen worden getoetst en
                            aanvragen die niet aan de sneltoetscriteria kunnen worden getoetst.
                            Bouw- en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het
                            bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstandstoets
                            beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde
                            bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                            vastgelegd in de AMvB ‘Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning’
                            en in de gemeentelijke bouwverordening. </al>
        <al>
          <vet>4.</vet>
          <vet> Werkwijze van de Commissie ruimtelijke
                                kwaliteit</vet>
          <vet>4.1</vet>
          <vet> Vooroverleg over
                                bouwplannen</vet>
        </al>
        <al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                            aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de Commissie toe te lichten
                            en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een verslag van het
                            vooroverleg. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats.
                            Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager
                            en de Commissie. </al>
        <al>
          <vet>4.2</vet>
          <vet> Gemandateerde behandeling</vet>
        </al>
        <al>De rayonarchitect behandelt, in samenspraak met het burgerlid, in de
                            regel om de twee weken op locatie de bouwplannen. Hij/zij heeft een
                            mandaat van de commissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het
                            uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de rayonarchitect in
                            samenspraak met het burgerlid alleen de plannen beoordeelt van een
                            relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op
                            meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend
                            mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de rayonarchitect het
                            bouwplan voor aan de Commissie. De rayonarchitect heeft voor
                            omgevingsvergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve
                            adviezen uit te brengen. Bij omgevingsvergunningplichtige bouwwerken die
                            aan de sneltoetscriteria kunnen worden getoetst maar daar niet aan
                            voldoen, mag de rayonarchitect ook negatief adviseren. De commissie zelf
                            is eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies. Tenminste één keer per
                            jaar vindt overleg plaats tussen de rayonarchitect en de Commissie over
                            het mandaat.</al>
        <al>
          <vet> 4.2.1</vet>
          <vet> Mandaat ‘ kleine commissie’</vet>
        </al>
        <al>Het burgerlid maakt ook deel uit van de “ kleine commissie”</al>
        <al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de Commissie, de
                            gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een ander commissielid.
                            Deze ‘<cursief>kleine commissie’</cursief> beschikt over hetzelfde
                            mandaat als de rayonarchitect.</al>
        <al>
          <vet>4.2.2</vet>
          <vet> Het mandaatadvies</vet>
        </al>
        <al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag
                            of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats,
                            zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten
                            ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van
                            welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww 2002 art. 12 lid 1 Ww 2002 en
                                artikel 2.10 lid 1 juncto d</cursief>). Dit wordt beoordeeld aan de
                            hand van de criteria zoals opgenomen in de Nota ruimtelijke kwaliteit.
                            Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel
                            ‘geen bezwaar’ op het adviesformulier te plaatsen. Een negatief
                            mandaatadvies (alleen bij omgevingsvergunningplichtige bouwwerken die
                            aan de sneltoetscriteria kunnen worden getoetst) wordt schriftelijk
                            gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de Nota
                            ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al>
          <vet>4.2.3</vet>
          <vet> Openbaarheid gemandateerde behandeling</vet>
        </al>
        <al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Via het
                            huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                            tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda wordt op
                            het gemeentehuis ter inzage gelegd.</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>4.2.4</cursief>
          </vet>
          <vet>
            <cursief> Toelichting
                                    opdrachtgever/ontwerper</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om
                            de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te
                            lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden
                            ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en
                            Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al>
        <al>
          <vet>4.2.5</vet>
          <vet> Spreekrecht</vet>
        </al>
        <al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot
                            spreekrecht geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben
                            spreekrecht.</al>
        <al>
          <vet>4.3</vet>
          <vet> Openbare commissievergadering</vet>
        </al>
        <al>De Commissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                            rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode, in samenspraak
                            met het burgerlid, de kleinere bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor
                            taken rayonarchitect, voorzitter en externe deskundigen tijdens de
                            commissievergadering). De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over
                            bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De
                            commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in
                            gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van
                            Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt
                            tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al>
        <al>
          <vet>4.3.1</vet>
          <vet> Locatie vergadering</vet>
        </al>
        <al>De Commissie vergadert op een vaste locatie in het rayon. Bij de
                            behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente
                            - worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>4.3.2</cursief>
          </vet>
          <vet>
            <cursief> Publicatie
                                    agenda</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>De agenda voor de commissievergadering wordt ter inzage gelegd op het
                            gemeentehuis. Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte
                            gesteld van het tijdstip en plaats van de commissievergadering. De
                            agenda wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd.</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>4.3.3</cursief>
          </vet>
          <vet>
            <cursief> Toelichting
                                    opdrachtgever/ontwerper</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om
                            de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij
                            bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het
                            daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht.
                            De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>4.3.4</cursief>
          </vet>
          <vet>
            <cursief>
                                Spreekrecht</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                            geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben spreekrecht.</al>
        <al>
          <vet>4.4</vet>
          <vet> Het advies van de Commissie ruimtelijke
                                kwaliteit</vet>
        </al>
        <al>De Commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                            B&amp;W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk
                            of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of
                            de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke
                            eisen van welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww 2002 en artikel 2.10 lid
                                1 juncto d</cursief>). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                            criteria zoals opgenomen in de Nota ruimtelijke kwaliteit / Nota
                            ruimtelijke kwaliteit. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten
                            hebben:</al>
        <al>Akkoord</al>
        <al>De Commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                            zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van
                            welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al>
        <al>Akkoord mits</al>
        <al>De commissie adviseert aan B&amp;W het plan te laten aanpassen omdat het
                            volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal punten (nog)
                            niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een akkoord mits wordt
                            gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager kan volstaan met
                            enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q. dit
                            redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente controleert of de
                            definitieve bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarden van de
                            Commissie.</al>
        <al>Niet akkoord</al>
        <al>De commissie brengt een negatief advies uit aan B&amp;W omdat het plan
                            volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan
                            redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt gegeven als de
                            commissie van mening is dat een bouwplan ingrijpend moet worden
                            aangepast. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige
                            schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                            ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op
                            die punten. De gemeente maakt een inschatting of de gevraagde
                            aanpassingen nog binnen de vereisten van het bestemmingsplan en de
                            resterende vergunningtermijn te realiseren zijn. Indien dat niet
                            mogelijk is, betekent het negatief advies dat de vergunning opnieuw moet
                            worden aangevraagd.</al>
        <al>Aanhouden</al>
        <al>De Commissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en Woningtoezicht
                            aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                            vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een toelichting van de
                            ontwerper noodzakelijk is. </al>
        <al>
          <vet>4.5</vet>
          <vet> Afwijken van het welstandsadvies en/of
                                -criteria</vet>
        </al>
        <al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan
                            welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor
                            afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden
                            vermeld.</al>
        <al>B&amp;W kunnen, eventueel op advies van de Commissie, gemotiveerd (op
                            welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij
                            plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan
                            redelijke eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de
                            algemene criteria in de Nota ruimtelijke kwaliteit.</al>
        <al>
          <vet> 4.5.1</vet>
          <vet> Second opinion</vet>
        </al>
        <al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                            Commissie ruimtelijke kwaliteit de mogelijkheid tot heroverweging van
                            het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt
                            gevraagd, wordt dit gemeld aan de Commissie. Bij een second opinion
                            wordt de bouwaanvraag voorgelegd aan een commissie buiten het Gelders
                            Genootschap. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie
                            Welstand.</al>
        <al>
          <vet>5.</vet>
          <vet> Evaluatie welstandstoezicht</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>5.1</cursief>
          </vet>
          <vet>
            <cursief> Jaarverslag
                                    B&amp;W</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag
                            voor waarin zij uiteenzetten:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                    Commissie;</al></li>
          <li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                                    lichte omgevingsvergunning niet aan de Commissie hebben
                                    voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing
                                    hebben gegeven aan de welstandscriteria.</al></li>
          <li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen:</al></li>
        </lijst>
        <al>* zij tot aanschrijving op grond van art. 19 Ww 2002 zijn overgegaan en
                            daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de
                            aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats
                            binnen de door hen te bepalen termijn, en</al>
        <al>* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww 2002 zijn
                            overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 Ww
                            2002.</al>
        <al>
          <vet>5.2</vet>
          <vet> Jaarverslag Commissie ruimtelijke
                            kwaliteit</vet>
        </al>
        <al>Zie onder punt 2.1.1</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet> Artikel C Inwerkingtreding </vet>
        </al>
        <al>Deze wijzigingen treden in werking op moment van inwerkingtreding van
                            het Bouwbesluit 2012.<inf> (1-4-2012)</inf></al>
        <al/>
        <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 oktober
                            2012.</al>
        <al/>
        <al>De voorzitter, De griffier,</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>* Ingangsdatum gewijzigd in 1 april 2012 (op 13 december 2011)
                            </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>** Artikel B gewijzigd (op 13 december 2011) in volgende
                                tekst:</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>In artikel B staat dat de aanvrager die een bouw- of
                                omgevingsvergunning voor de gewijzigde bouwverordening heeft
                                ingediend, de mogelijkheid heeft de regelgeving van toepassing te
                                laten zijn die geldt na de wijziging van de bouwverordening. Dit
                                geldt uiteraard niet voor de van rechtswege vervallen artikelen van
                                de bouwverordening, omdat het voor deze artikelen in de plaats
                                komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet
                                kent.”</vet>
        </al>
        <al/>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting</label>
        </kop>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Bouwtoezicht</cursief>
        </al>
        <al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester
                            en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving
                            van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                            Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                            die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al>
        <al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op
                            rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen
                            in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                            toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau
                            kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al>
        <al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis
                            ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn,
                            zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde
                            toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen.
                            Zij verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat
                            consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. </al>
        <al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve
                            arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt
                            het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als
                            ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd
                            aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op
                            basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via
                            particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al>
        <al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon
                            opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde
                            eisen. </al>
        <al>Zie hiervoor:
                            http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                            over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                            (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al>
        <al>
          <cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief>
        </al>
        <al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van
                            de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term
                            bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                            jurisprudentie. </al>
        <al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                            bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in
                            artikel 1 van de Woningwet.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking
                            van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op
                            grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor
                            de bebouwde kom.</al>
        <al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen,
                            indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden
                            verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond
                            van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan
                            nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de
                            gemeente.</al>
        <al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                            bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van
                            de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                            bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor
                            de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden
                            gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde
                            kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde
                            kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                            vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                            bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                            geworden.</al>
        <al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden
                            binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met
                            voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5
                            van deze toelichting.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 3</cursief>
        </al>
        <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw,
                            maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken
                            - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of
                            een terrein voor zware industrie.</al>
        <al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te
                            sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                            besluit niet dan nadat op het voornemen inspraak is verleend en het
                            advies van de welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld
                            in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens
                            artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 4</cursief>
        </al>
        <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                            binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                            ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                            vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                            terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij alternatief
                            3).</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>
          <cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al>
        <al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                            omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                            indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al>
        <al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                            aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond
                            van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit
                            omgevingsrecht (Bor).</al>
        <al>
          <cursief>Wet BIBOB</cursief>
        </al>
        <al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                            (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb.
                            2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en
                            nadien gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na
                            ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen,
                            door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of over de aanvrager een
                            integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. </al>
        <al> Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd
                            om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel
                            natuurlijke als rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden
                            waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                            het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. </al>
        <al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien
                            een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor
                            de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken);
                            artikelen. 15 en 31 Wet Bibob).</al>
        <al>
          <cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief>
        </al>
        <al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                            rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                            besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                            voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                            geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                            openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al>
        <al>
          <cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief>
        </al>
        <al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                            vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al>
        <al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                            kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit
                            paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel
                            (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van
                            hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de
                            bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat
                            of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                            bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                            vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt.
                            Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit
                            hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en
                            10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                            opgelost.</al>
        <al>
          <cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag
                                omgevingsvergunning voor het bouwen</cursief>
        </al>
        <al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond
                            van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een
                            verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager
                            gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te
                            leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de
                            zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende
                            bouwplan.</al>
        <al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet
                            ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen
                            de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die
                            in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze
                            gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al>
        <al>
          <cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief>
        </al>
        <al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                            omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                            omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning
                            voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de
                            vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de
                            13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde
                            behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals
                            bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van
                            de omgevingsvergunning.</al>
        <al>
          <cursief>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</cursief>
        </al>
        <al>
          <vet> Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Inleiding</cursief>
        </al>
        <al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te
                            bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                            bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is
                            een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                            bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de
                            relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de
                            Regeling omgevingsrecht.</al>
        <al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een
                            uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de
                            toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in
                            combinatie met elkaar te lezen.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                            milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                            wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve
                            van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele
                            onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                            historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is,
                            kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken
                            van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                            Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond.
                            Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in
                            grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003
                            ontwikkeld.</al>
        <al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                            beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen.
                            Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van
                            de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan
                            nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De
                            gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                            plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een
                            intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                            organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden
                            heeft uitbesteed.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                            bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk
                            besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van
                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles
                            in één brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen
                            onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2
                            Bor.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn,
                            van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                            categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan
                            hiervoor beleid ontwikkelen.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                            plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel
                            ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die
                            dan niet wordt gesignaleerd.</al>
        <al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan
                            worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later
                            kunnen worden ingediend. </al>
        <al>
          <cursief>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                bodem</cursief>
        </al>
        <al>
          <vet> Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                            gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften
                            op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In
                            het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken
                            deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend'
                            in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de
                            bouwverordening niet is toegestaan.</al>
        <al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek
                            behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als
                            volgt:</al>
        <al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                            onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                            aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al>
        <al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                            waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden
                            verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in
                            de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als
                            archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3
                            van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het
                            bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen
                            van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag
                            verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn.</al>
        <al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                            bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                            opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                            wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al>
        <al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                            bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat
                            de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt
                            voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een
                            termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden
                            worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. </al>
        <al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk
                            vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en
                            gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901
                            belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de
                            Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de
                            voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van
                            bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet
                            bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen
                            van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van
                            belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel
                            milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de
                            Wabo.</al>
        <al>
          <cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief>
        </al>
        <al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het
                            Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien
                            hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen
                            zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd.</al>
        <al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is
                            dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat
                            hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.</al>
        <al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of
                            nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van
                            toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het
                            tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr.
                            3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks
                            gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te
                            werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet
                            gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                            (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar
                            om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of
                            meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al>
        <al> Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                            kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                            nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                            waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting
                            genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of
                            nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze
                            bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het
                            verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals
                            onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die
                            feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar
                            aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt
                            naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                            (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip
                            'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt,
                            terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</al>
        <al>Bouwwerken die de grond niet raken</al>
        <al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een
                            extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit
                            kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan
                            een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de
                            bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter
                            onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</al>
        <al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                            bodemverontreiniging</al>
        <al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of
                            bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al>
        <al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die
                            daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te
                            nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van
                            verontreinigde grond zijn. </al>
        <al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming
                            (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de
                            toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een
                            provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat
                            de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van
                            de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens
                            genoemd Besluit.</al>
        <al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                            bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al>
        <al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al>
        <al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk
                            vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van
                            verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen
                            geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                            bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                            verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                            verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                            van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan
                            weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van
                            aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                            hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al>
        <al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                            aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                            bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                            saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op
                            de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel
                            verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de
                            aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde
                            saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                            bouwen</vet>
        </al>
        <al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel
                            van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                            verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                            termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                            welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al>
        <al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                            verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al>
        <al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan
                            aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en -
                            in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt
                            te denken aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en
                                    dampremmende laag wordt aangebracht;</al></li>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt
                                    afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone
                                    bodemlaag;</al></li>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                    grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                    totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li>
        </lijst>
        <al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                            verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het
                            overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                            het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de
                            sanering denkt te laten plaatsvinden.</al>
        <al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                            bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden
                            afgedaan.</al>
        <al>
          <cursief>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</cursief>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                            vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet
                            Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                            voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                            2.5. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of
                            een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                            bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                            vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt.
                            Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                            paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8,
                            vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde
                            probleem is opgelost.</al>
        <al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk.
                            Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover
                            planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt
                            voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al>
        <al>
          <cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                                bestemmingsplan</cursief>
        </al>
        <al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat
                            deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen
                            bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende
                            bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige
                            aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd
                            bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of
                            een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te
                            bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                            opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                            duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                            bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                            bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                            bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk
                            zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van
                            onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                            worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                            stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                            bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al>
        <al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                            bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te
                            worden uitgevoerd:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                    onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd?
                                    Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te
                                    worden gesteld of,</al></li>
          <li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening
                                    ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                    gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het
                                    antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te
                                    worden bezien of,</al></li>
          <li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met
                                    de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat
                                    aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat
                                    de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel
                                    of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan
                                    dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden
                                    afgewezen.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief>
        </al>
        <al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van
                            de bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro
                            is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30
                            (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel
                            9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde
                            toelichting blijkt, blijven dit artikel vooralsnog in de MBV
                            bestaan.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening
                            dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open
                            terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van
                            een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt
                            gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                            hebben.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone
                            waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden
                            genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                            bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter
                            breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het
                            onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al>
        <al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op
                                    een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                                    weg;</al></li>
          <li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10
                                    meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                    weg;</al></li>
          <li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn
                            die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                            (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                            (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand
                            te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet
                            getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                            toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                            vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                            voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af
                            te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet
                            vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend)
                            vergunningplichtige bouwplan. </al>
        <al> Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook
                            mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd
                            vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime
                            voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen
                            wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is,
                            dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een
                            bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding
                            van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                            aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch
                            om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                            toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde
                            beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak.
                            Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake
                            zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van
                            een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de
                            rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al>
        <al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                            bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                            bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al>
        <al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                            straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                            overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en
                            gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren; </al>
        <al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                            straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                            overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                            dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                            uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan
                            hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het
                            algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                            bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                            toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen
                            2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan
                            verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                            met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden)
                            onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                            2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                            bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                            omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 1, ad b</cursief>
        </al>
        <al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen
                            in afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                            beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet>
        </al>
        <al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand,
                            dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij
                            bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit
                            te sluiten. </al>
        <al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al>
        <al>
          <vet> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 4, onder a</cursief>
        </al>
        <al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan
                            bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals
                            kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 4, onder f</cursief>
        </al>
        <al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                            zolderverdiepingen e.d.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 4, onder g</cursief>
        </al>
        <al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                            gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende
                            bijlage.</al>
        <al>Lid 1, onder a</al>
        <al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                            achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die
                            elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat
                            artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn
                            die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                            (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                            (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand
                            te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn opgenomen.</al>
        <al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                            worden als een - verboden - overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn.</al>
        <al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                            rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter
                            vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig
                            op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel
                            2.5.14, lid l.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht.</al>
        <al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                            onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden
                            artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                            aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                            zijn. </al>
        <al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel
                            2.5.7.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                            artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale
                            gevallen. </al>
        <al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                            vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                            bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij
                            zijn, uit te sluiten. </al>
        <al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                            verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in
                            acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware
                            er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer
                            bereikbaar moet blijven.</al>
        <al>
          <cursief> Ad a en g</cursief>
        </al>
        <al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan
                            op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g
                            bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of
                            industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of
                            bouwblok) met winkelbebouwing.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet>
        </al>
        <al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                            'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al>
        <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                            voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek,
                            want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                            voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                            vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al>
        <al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het
                            motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk)
                            samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een
                            beletsel.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief>
        </al>
        <al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor
                            patiowoningen.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief>
        </al>
        <al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus
                            open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw
                            behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou
                            kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief>
        </al>
        <al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van
                            de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere
                            oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn
                            ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw
                            waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die
                            gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van
                            het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht
                            moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de
                            vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de
                            brandweer.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet>
        </al>
        <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan
                            het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                            laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                            voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                            vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2, onder a en b</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder
                            meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                            dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                            gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                            woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                            bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                            zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het
                            eerste lid, dan in het andere geval.</al>
        <al>
          <vet> Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                            ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat
                            deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan
                            zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als
                            door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het
                            bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                            bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor
                            onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een
                            opening in de zijgevel van het gebouw.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet>
        </al>
        <al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                            recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                            beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen.
                            Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een
                            bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                            vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans
                            indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                            hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                            vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve
                            preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het
                            onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd
                            gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                            het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van
                            bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein
                            dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet>
        </al>
        <al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige
                            bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het
                            tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                            hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor
                            aardgas, olie, chemische producten e.d.</al>
        <al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in
                            hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                            hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke
                            voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                            eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het
                            algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het
                            bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                            lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                            bouwwerk.</al>
        <al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                            aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                            hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. </al>
        <al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht
                            van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                            Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                            meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                            uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al>
        <al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                            dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster -
                            dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand
                            in een bestemmingsplan geen betekenis. </al>
        <al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                            vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al>
        <al>
          <cursief> Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief>
        </al>
        <al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende
                            Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011
                            in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke
                            veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met
                            gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe
                            veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de
                            gemeentelijke bouwverordening.</al>
        <al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat
                            binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een
                            bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. </al>
        <al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                            opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                            bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen,
                            blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort
                            uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij
                            paragraaf 5.</al>
        <al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al>
        <al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                            voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                            afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                            aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken
                            is bedoeld.</al>
        <al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar
                            ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de
                            vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                            daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                            maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</al>
        <al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                            straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                            aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten
                            beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch
                            geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke
                            vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig
                            (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn
                            van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                            bebouwing.)</al>
        <al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening
                            is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de
                            bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds
                            daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13
                            en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al>
        <al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld
                            een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt.
                            Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een
                            beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs
                            een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een
                            plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld
                            voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur
                            16).</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                            voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                            afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                            aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken
                            is bedoeld.</al>
        <al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar
                            ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de
                            vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                            daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                            maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. </al>
        <al> Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                            straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                            aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten
                            beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch
                            geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke
                            vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig
                            (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn
                            van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                            bebouwing.)</al>
        <al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening
                            is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de
                            bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds
                            daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13
                            en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al>
        <al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de
                            onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral
                            globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een
                            verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij
                            voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke
                            binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen
                            van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                            achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door
                            de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen
                            niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1
                            enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                            achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen
                            gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                            bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al>
        <al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de
                            plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie
                            figuur 18).</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                            anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte
                            in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste
                            t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste
                            hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken.
                            Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel
                            2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet
                            worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het
                            onderhavige vierde lid opgenomen.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door
                            de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen
                            niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1
                            enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                            achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen
                            gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                            bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al>
        <al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de
                            plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie
                            figuur 18).</al>
        <al> Lid 4</al>
        <al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                            anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte
                            in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste
                            t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste
                            hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken.
                            Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel
                            2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet
                            worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het
                            onderhavige vierde lid opgenomen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                                achtergevelrooilijn</vet>
        </al>
        <al>Zie figuur 19.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover
                            een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die
                            zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in
                            overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn
                            om af te wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor
                            het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                achtergevelrooilijnen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                            hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                            hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                            gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek
                            van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding
                            van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al>
        <al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de
                            woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5
                            bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in
                            de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5
                            bouwlaag.</al>
        <al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                            rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter
                            vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel
                            vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie
                            tevens artikel 2.5.28, sub l.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</vet>
        </al>
        <al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                            binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al>
        <al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar
                            in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden
                            lopen tot hun goot.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                            bouwwerken</vet>
        </al>
        <al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Ad a</cursief>
        </al>
        <al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                            bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden
                            als vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval
                            deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                            om te bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al>
        <al>
          <cursief>Ad b</cursief>
        </al>
        <al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen
                            of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de
                            vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een
                            bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing,
                            tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet>
        </al>
        <al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en
                            18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van
                            belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                            hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van
                            het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al>
        <al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                            dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de
                            artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden
                            betrokken. </al>
        <al>
          <cursief>Ad e, onder 1</cursief>
        </al>
        <al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit
                            bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                            hoger is dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane
                            bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                                geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet>
        </al>
        <al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                            afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                            enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                            anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                            bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een
                            bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan
                            regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                            voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor
                            bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de
                            stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                            bestemmingsplan.</al>
        <al>
          <cursief>Sub a.</cursief>
        </al>
        <al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling
                            alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan,
                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan
                            geen strijd kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo
                            dat de reguliere procedure van 3.9 Wabo van toepassing is.</al>
        <al>
          <cursief> Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief>
        </al>
        <al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen
                            worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan
                            sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de
                            aanvraag te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een
                            bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of een
                            voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                            vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al>
        <al>
          <cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                                relevant?</cursief>
        </al>
        <al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                            besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                            motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                            hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de
                            eis opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en
                            van de toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding
                            zijnd ruimtelijk beleid'. </al>
        <al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om
                            de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                            structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota
                            dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al>
        <al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                            situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter
                            inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld
                            voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen
                            basis vormen.</al>
        <al>
          <cursief>Sub d</cursief>.</al>
        <al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke
                            ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt
                            gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat
                            begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische,
                            ecologische en natuurlijke en landschappelijke waarden.</al>
        <al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                            hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                            afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                            milieuzonering'.</al>
        <al>
          <cursief>Sub e</cursief>.</al>
        <al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                            ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie
                            uit de Wabo.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij
                                of in gebouwen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                            parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                            uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald
                            dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al>
        <al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                            Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                            datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer
                            het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien
                            op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin
                            niet is voorzien in een regeling over het parkeren.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                            bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten
                            locatie(s).</al>
        <al> Lid 2</al>
        <al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel.
                            Hieronder wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te
                            spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar
                            vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van
                            de bedoelde verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de
                            aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk
                            terrein) nabij het betrokken gebouw.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid
                            - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op
                            het terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn,
                            maar ook - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene
                            zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn.
                            De daarom ook in dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te
                            bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het
                            gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers,
                            c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar
                            vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                            gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen.
                            Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                            vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en
                            vervoerplan.</al>
        <al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                            aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                            bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                            verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd
                            25 juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij
                            de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-
                            en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel.
                            0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                            parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
                            worden bepaald.</al>
        <al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per
                            te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde
                            parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is
                            - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit
                            in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het
                            aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij
                            voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden
                            op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op
                            locaties die dat niet zijn.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                            voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                            correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden
                            om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen
                            dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                            alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto,
                            respectievelijk het grootste type vrachtauto te maken. Ook het
                            Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218,
                            lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit
                            2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                            bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het
                            opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om
                            de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                            rolstoelgebruikers en stoklopers.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum
                            wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw
                            fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het
                            fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                            vrachtauto's).</al>
        <al> Lid 6</al>
        <al>
          <cursief>Ad a</cursief>
        </al>
        <al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van
                            de eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte
                            parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is
                            onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een
                            gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De
                            mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                            eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op
                            eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                            omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in
                            binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden
                            vergunning worden verleend.</al>
        <al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden.
                            Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste
                            gold voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de
                            ontheffing bedoeld in art. 2.5.30 MBV.</al>
        <al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                            ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                            omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde
                            jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:</al>
        <al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                            parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4
                            augustus 1998</al>
        <al>Parkeergelegenheid Schagen</al>
        <al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen
                            terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde
                            mag worden verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al>
        <al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden
                            aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid
                            heeft om door middel van het verbinden van een financiële voorwaarde aan
                            een vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie
                            te verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus
                            dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt
                            geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de
                            vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de
                            vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een
                            geldbedrag noopt. Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde
                            van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                            tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt
                            verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al>
        <al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een
                            financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op
                            grond van art. 2.5.30 MBV. </al>
        <al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde
                            is toegestaan onder enkele voorwaarden:</al>
        <al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                            doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning
                            berust;</al>
        <al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                            geldbedrag;</al>
        <al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                            hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming
                            meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of
                            compensatie te verlangen.</al>
        <al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het
                            realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel
                            aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van
                            voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al>
        <al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                            www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van
                            de parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te
                            realiseren voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al>
        <al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                            [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in
                            de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter
                            zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met
                            centrumgebied is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het
                            bouwplan. </al>
        <al> Hiermee staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde
                            bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort
                            aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de
                            rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor
                            het parkeren van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar oordeel dat
                            ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de
                            financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte
                            daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft
                            derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met
                            artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is
                            verleend.</al>
        <al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van
                            de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet
                            is voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van
                            ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige
                            parkeerruimte wordt voorzien.</al>
        <al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de
                            vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage
                            concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het
                            herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die
                            parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk
                            geplande inritten voor de vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het
                            college heeft aldus ten aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende
                            aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die door
                            [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als
                            bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal
                            worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge
                            van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld
                            artikelonderdeel gestelde vereiste.</al>
        <al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen
                            geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien,
                            zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al>
        <al>
          <cursief>Ad b</cursief>
        </al>
        <al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door
                            gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede
                            aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels,
                            schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en
                            bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid
                            voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend
                            openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                            overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                            omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van
                            onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                            verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                            aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip
                            waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid
                            van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                            verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer-
                            en vervoerplan.</al>
        <al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                            aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                            bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                            verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                            verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in
                            de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW)
                            te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een
                            verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor
                            het bouwen worden bepaald.</al>
        <al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per
                            te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde
                            parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is
                            - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit
                            in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het
                            aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij
                            voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden
                            op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op
                            locaties die dat niet zijn.</al>
        <al> Lid 2</al>
        <al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                            voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                            correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende
                            parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk
                            kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het
                            kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in
                            het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                            'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat
                            regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan
                            en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van
                            maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                            afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                            rolstoelgebruikers en stoklopers.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum
                            wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw
                            fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het
                            fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                            vrachtauto's).</al>
        <al>Lid 4, ad a</al>
        <al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in
                            afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van
                            voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder
                            meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels
                            e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden
                            worden gesteld.</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</cursief>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet>
        </al>
        <al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van
                            het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen
                            af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst,
                            een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de
                            bouwverordening vaststellen.</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke
                            artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond
                            van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening
                            voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de
                            welstandscommissie.</al>
        <al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet
                            uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                            nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook
                            indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                            gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                            provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief
                            te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze
                            te onderschrijven.</al>
        <al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de
                            lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale
                            welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening.
                            Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de
                            bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde
                            procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.</al>
        <al>
          <cursief> Welstandscriteria en welstandsnota</cursief>
        </al>
        <al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven
                            wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd
                            gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van
                            welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken
                            waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan
                            minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet
                            kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in
                            ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                            aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor
                            moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                            geen welstandstoezicht mogelijk.</al>
        <al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de
                            in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt
                            bepaald dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de
                            onderscheidene categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen
                            verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit
                            biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente
                            uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen
                            gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de
                            verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in
                            een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het
                            kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                            architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de
                            toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend
                            welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid
                            te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan
                            de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek
                            en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander
                            gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding
                            van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al>
        <al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er
                            nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het
                            betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                            vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al>
        <al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                            buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                            afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                            het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al>
        <al>
          <cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief>
        </al>
        <al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de
                            voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                            zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                            bestemmingsplan biedt.</al>
        <al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van
                            de Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor
                            bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet
                            rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van
                            de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995,
                            BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                            Gst.2000, 7119).</al>
        <al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan
                            op de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet.
                            Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van
                            de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                            welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                            advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument
                            waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met
                            bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven
                            en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                            aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot
                            beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende
                            bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS
                            16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                            situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                            mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al>
        <al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                            Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                            bestemmingsplan en welstand.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet>
        </al>
        <al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een
                            welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand
                            van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                            welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al>
        <al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een
                            welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                            de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie
                            van de stadsbouwmeester.</al>
        <al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                            wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen
                            om voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                            welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                            regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de
                            gemeenteraad de leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te
                            benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief </cursief>
        </al>
        <al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van
                            de diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de
                            rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging
                            of stichting. Deze vereniging of stichting dient dan door de
                            gemeenteraad als welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging
                            of stichting draagt uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de
                            gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie adviseert over
                            alle vergunningplichtige bouwwerken.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                            adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Onafhankelijkheid</cursief>
        </al>
        <al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                            onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                            leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur.
                            Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                            welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                            Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of
                            van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de
                            eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                            neemt, is in dit verband uitgesloten.</al>
        <al>
          <cursief>Deskundigen en burgers</cursief>
        </al>
        <al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting
                            te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en
                            opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van
                            deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen,
                            actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's.
                            Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de
                            plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins
                            beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde,
                            die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                            benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige
                            leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te
                            nemen in de welstandscommissie.</al>
        <al> Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 1</cursief>
        </al>
        <al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De
                            secretaris is geen lid van de welstandscommissie.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 2</cursief>
        </al>
        <al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief
                            denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente
                            gebonden inwoners deelnemen.</al>
        <al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                            welstandscommissie.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 3</cursief>
        </al>
        <al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al>
        <al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                            wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                            rayonarchitect.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 4</cursief>
        </al>
        <al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                            burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                            provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar
                            dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al>
        <al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                            provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit
                            veelal de rayonarchitect.</al>
        <al>
          <cursief>Alternatief 5</cursief>
        </al>
        <al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid
                            om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt
                            in de MBV.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Jaarverslag welstandscommissie</cursief>
        </al>
        <al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                            welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden
                            bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid.
                            De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort
                            uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.</al>
        <al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor
                            bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de
                            gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar
                            het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en
                            begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke
                            begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het
                            'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot
                            juni.</al>
        <al>
          <cursief>Jaarverslag burgemeester en wethouders</cursief>
        </al>
        <al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                            welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                            welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders
                            ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd
                            jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te
                            leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de
                            orde dienen te komen:</al>
        <al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; </al>
        <al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al>
        <al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                            tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                            welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit
                            tot uitvoering daarvan zijn overgegaan. </al>
        <al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag
                            over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al>
        <al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                            gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke
                            debat bevorderd.</al>
        <al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                            wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                            bouwregelgeving. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet>
        </al>
        <al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen
                            zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat
                            voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de
                            advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                            verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van
                            de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al>
        <al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                            voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                            ontvangst van verzoek om vergunning. </al>
        <al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten
                            aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is
                            het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                            beslistermijn.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Openbaar vergaderen</cursief>
        </al>
        <al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar
                            bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in
                            artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de
                            welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan
                            slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                            aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht
                            staat openbaarheid te weigeren.</al>
        <al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                            welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                            hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te
                            maken in de bekendmaking.</al>
        <al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                            vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een
                            rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                            advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                            openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                            kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                            burger/bouwer.</al>
        <al>
          <cursief>Belanghebbenden</cursief>
        </al>
        <al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                            onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                            aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                            belanghebbenden.</al>
        <al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid
                            tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie
                            dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen.</al>
        <al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                            aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de
                            aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve
                            bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde
                            adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al>
        <al>
          <cursief> Spreekrecht</cursief>
        </al>
        <al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht
                            wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                            spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in
                            artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens
                            de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die
                            in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning
                            voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen
                            belanghebbenden zijn.</al>
        <al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop
                            de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat
                            tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers
                            voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt
                            geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in
                            dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake
                            is.</al>
        <al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                            vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het
                            is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag
                            of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde
                            leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het
                            stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou
                            dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de
                            korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.</al>
        <al>
          <cursief>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                                welstandscommissie</cursief>
        </al>
        <al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                            waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt
                            gewerkt (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In
                            geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van
                            kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe
                            belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het
                            verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten
                            te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen
                            ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet>
        </al>
        <al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan
                            aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van
                            het welstandadvies.</al>
        <al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’,
                            komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de
                            mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al>
        <al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening
                            onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën
                            bouwwerken </al>
        <al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al>
        <al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de
                            aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie.
                            Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en
                            de lichte bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van
                            welstandsadvies verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor
                            een lichte bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan
                            de welstandscommissie (..) voorleggen).</al>
        <al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en
                            licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn.
                            loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. </al>
        <al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt
                            om de beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig
                            bouwwerk over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende
                            ambtenaar. </al>
        <al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft
                            gevolgen gehad voor deze werkwijze.</al>
        <al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                            commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten
                            aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk,
                            waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met
                            redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).</al>
        <al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien
                            het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag
                            betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand,
                            beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld
                            in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.</al>
        <al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag
                            om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen
                            aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in
                            samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het
                            desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat
                            de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat
                            geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat
                            vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet
                            worden geweigerd.</al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het
                            Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                            omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie
                            bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een
                            omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering
                            aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al>
        <al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om
                            te toetsen aan zgn. loketcriteria.</al>
        <al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                            welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies
                            onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of
                            meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid
                            of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan
                            volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al>
        <al>
          <cursief>Geen mandatering</cursief>
        </al>
        <al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb.
                            Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam
                            van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen
                            bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de
                            Awb) maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te
                            voorkomen, passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de
                            eerstvolgende wijziging aan. </al>
        <al>Samengevat:</al>
        <al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk
                            als:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden
                                    of,</al></li>
          <li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig
                                    is, en</al></li>
          <li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende
                                    bouwplan als bekend mag worden verondersteld.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                            uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                            eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                            ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                            motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                            direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                            ingediend.</al>
        <al>
          <vet> Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</vet>
        </al>
        <al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                            welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van
                            artikel 1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op
                            de kaartbijlage als bedoeld in dit artikel.</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet>
        </al>
        <al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</al>
        <al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                            Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen
                            (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                            bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                            bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                            bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                            opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                            aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2012 geldt voor alle
                            bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                            systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste
                            voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het
                            generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                            Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of
                            ander bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                            Bouwbesluit 2012, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van
                            een open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en
                            dat het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met
                            redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                            vastgelegd in de welstandsnota.</al>
        <al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van
                            de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting
                            bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf
                            in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
                            In het handhavingbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden
                            omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen
                            of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke
                            voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk
                            weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door
                            zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen
                            belanghebbenden de toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24
                            Awb) dan wel overeenkomstig artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van
                            een dwangsom voorkomen.</al>
        <al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de
                            Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep,
                            hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening
                            te vragen).</al>
        <al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid
                            bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32
                            van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                            illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van
                            deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van
                            een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in
                            beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                            overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met bestuursdwang optreden
                            tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te
                            voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor
                            burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                            geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                            uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003
                            (BR 2003, 893).</al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Algemeen</cursief>
        </al>
        <al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is
                            gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder
                            2o van de Wet op de economische delicten.</al>
        <al>
          <vet>Bijlagen</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Bijlage 1</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Toelichting verordening</cursief>
        </al>
        <al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al>
        <al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</al>
        <al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</al>
        <al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al>
        <al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al>
        <al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder a)</al>
        <al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder b)</al>
        <al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder c)</al>
        <al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder c)</al>
        <al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                            onder d)</al>
        <al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                            lid, onder e)</al>
        <al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                            achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                            artikel 2.5.11, lid 2)</al>
        <al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen
                            de bebouwde kom</al>
        <al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten
                            de bebouwde kom</al>
        <al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                            Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24,
                            alternatief 2). Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al>
        <al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                            lid, eerste alinea)</al>
        <al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                            lid, tweede alinea)</al>
        <al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede
                            lid, eerste alinea)</al>
        <al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede
                            lid, tweede alinea)</al>
        <al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                            (artikelen 2.5.22)</al>
      </nota-toelichting>
      
      <bijlage>
        <al>Inhoudsopgave:</al>
        <al/>
        <al>1 Inleidende bepalingen </al>
        <al>Artikel 1.2 Termijnen </al>
        <al>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. </al>
        <al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al>
        <al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </al>
        <al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al>
        <al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen </al>
        <al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al>
        <al>3 De melding </al>
        <al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                    van een bouwwerk </al>
        <al>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen
                    en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte </al>
        <al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al>
        <al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen </al>
        <al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al>
        <al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. </al>
        <al>6 Brandveilig gebruik (vervallen) </al>
        <al>7 Overige gebruiksbepalingen </al>
        <al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </al>
        <al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al>
        <al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al>
        <al>Paragraaf 5 Watergebruik </al>
        <al>Paragraaf 6 Installaties </al>
        <al>8 Slopen </al>
        <al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                    voor het slopen </al>
        <al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </al>
        <al>Paragraaf 4 Vrij slopen </al>
        <al>9 Welstand </al>
        <al>10 Overige administratieve bepalingen </al>
        <al>11 Handhaving (vervallen) </al>
        <al>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </al>
        <al>Bijlage 9 </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>