<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR209750_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nota Archeologiebeleid Heemstede, Toekomst voor het verleden, mei 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nota Archeologiebeleid Heemstede, Toekomst voor het verleden, mei 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBV0002031">Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:r:BWBR0021162">Wet op de Archeologische Monumentenzorg</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>458579</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Niet van toepassing</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Nota Archeologiebeleid Heemstede, Toekomst voor het verleden,
                2010
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <tekst>
          <al>
            <vet>I</vet>
            <vet>NLEIDING</vet>
          </al>
          <al>Sporen van ons verleden zijn overal om ons heen te zien. Naast deze
                        zichtbare overblijfselen uit ons verleden, bevinden zich in de bodem sporen
                        uit lang vervlogen tijden. De bodem is als het ware een omvangrijk archief.
                        Dit archeologische bodemarchief - ook wel het archeologisch erfgoed genoemd
                        - is veel omvangrijker en gevarieerder dan onze geschreven bronnen én gaat
                        ook nog eens veel verder terug in de tijd. Het vormt een belangrijke bron
                        van kennis van het verleden. De archeologie is de wetenschap die zich
                        bezighoudt met dit bodemarchief en het verleden bestudeert aan de hand van
                        voorwerpen (bijvoorbeeld aardewerk) en andere overblijfselen (bijvoorbeeld
                        resten van huizen, verdedigingswerken of grafvelden). De archeologie streeft
                        er op deze wijze naar dat verleden te reconstrueren. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Aanleiding</vet>
          </al>
          <al>Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) van
                        kracht geworden. Hiermee is de verantwoordelijkheid voor het archeologisch
                        erfgoed in belangrijke mate bij gemeenten neergelegd. Dit is nieuw. Voorheen
                        was de zorg voor het archeologisch erfgoed vooral een rijksaangelegenheid. </al>
          <al/>
          <al>De Wamz is de vertaling van de uitgangspunten van het Europees verdrag
                        inzake de bescherming van het archeologische erfgoed (kortweg, het Verdrag
                        van Malta). Het voornaamste uitgangspunt van het verdrag is het streven naar
                        het behoud van archeologische waarden in de bodem (in situ). Niet overigens
                        om alles voor altijd in de bodem te houden. Integendeel. De veronderstelling
                        is dat komende generaties beter in staat zullen zijn om archeologische
                        resten te onderzoeken. Een ander belangrijk uitgangspunt van het verdrag is
                        dat de veroorzaker - de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten -
                        in beginsel de kosten van archeologisch onderzoek betaalt. Dit vanuit het
                        idee dat een zekere financiële prikkel kan stimuleren dat wordt gezocht naar
                        initiatieven zonder dat het archeologische bodemarchief wordt verstoord. En
                        kan bijdragen aan bewustmaking van het historisch erfgoed. </al>
          <al/>
          <al>De uitgangspunten kunnen volgens het verdrag het beste vorm krijgen door de
                        archeologische belangen tijdig en volwaardig in het ruimtelijk planproces op
                        te nemen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen het behoud en de integratie
                        van archeologische waarden te worden afgewogen tegen andere belangen.
                        Hiermee versterkt het verdrag de relatie tussen archeologie en ruimtelijke
                        ordening. Anders gezegd, het verdrag streeft ernaar het belang van de
                        archeologie een goede plaats te geven in de processen van planologie,
                        ontwerpen, bouwen en aanleggen van werken. De gemeenten hebben in de Wamz
                        een centrale rol gekregen: zij worden gezien als de overheidslaag die de
                        uitgangspunten van het Verdrag van Malta het beste kan realiseren. </al>
          <al/>
          <al>De wijze waarop de gemeente Heemstede invulling wil geven aan haar nieuwe
                        taken op het gebied van archeologie treft u in deze nota aan. </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Het formuleren van archeologiebeleid is voor gemeenten op grond van de
                            Wamz geen verplichting, maar wel een nuttig - en door het rijk en de
                            provincie gestimuleerd - instrument om gemeentelijke keuzes voor alle
                            betrokkenen helder te maken. Ook kunnen zo relaties worden gelegd met
                            andere beleidsterreinen, zoals ruimtelijke ordening en cultuur. </al>
            <al>Wij zien het formuleren van archeologiebeleid echter niet alleen als
                            nuttig, maar ook - en vooral - als wenselijk. Dit vanuit de overtuiging
                            dat de rijke cultuurhistorische identiteit van onze gemeente niet alleen
                            wordt gevormd door ons zichtbare erfgoed (zoals de historische
                            landschappen en de verschillende monumenten), maar ook uit het kwetsbare
                            archeologische bodemarchief. Het bodemarchief van Heemstede en omstreken
                            bestaat uit archeologische waarden uit een periode die circa 52 eeuwen
                            beslaat. Met deze nota willen we het belang van ons waardevolle
                            archeologisch erfgoed behartigen. Niet alleen vinden we dat dit
                            archeologisch erfgoed van wezenlijk belang is voor vergroting van de
                            kennis van de historie van Heemstede, ook zien we het belang van
                            cultuurhistorie in het algemeen als inspiratiebron voor de ruimtelijke
                            inrichting en als kwaliteitsimpuls voor de leefomgeving. Op deze wijze
                            kan het archeologisch erfgoed bijdragen aan de versterking van onze
                            cultuurhistorische identiteit. </al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Het is voor ons een uitdaging om het belang van archeologie op zodanige
                        wijze uit te dragen dat het maatschappelijk draagvlak voor het behoud van
                        sporen uit het verleden wordt vergroot. We kennen daarom in het
                        archeologiebeleid een belangrijke rol toe aan publieksinformatie, - educatie
                        en -participatie in de ruimste zin van het woord. Deze aspecten zien we als
                        belangrijke voorwaarden voor het welslagen van het archeologiebeleid. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Gevolgde traject</vet>
          </al>
          <al>In oktober 2009 hebben we de conceptnota “Archeologiebeleid Heemstede”
                        voorgelegd aan de Commissie Samenleving om haar zienswijze te vernemen over
                        de in de betreffende nota opgenomen beleidsvoornemens (B-stuk). De commissie
                        heeft positief gereageerd op het gestelde in de nota. </al>
          <al/>
          <al>Vervolgens is door ons een reactie op de conceptnota verzocht en ontvangen
                        van de Historische Vereniging Heemstede Bennebroek. Deze reactie is
                        betrokken bij de opstelling van de nu voorliggende nota. De conceptnota is
                        tot slot - inclusief de reactie van de Historische Vereniging Heemstede
                        Bennebroek - voorgelegd aan en besproken met het Steunpunt Cultureel Erfgoed
                        Noord-Holland. Ook de reactie van het steunpunt is verwerkt in de nota die
                        nu voorligt.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Opbouw nota</vet>
            </al>
            <al>Deze nota laat zich als volgt lezen. In hoofdstuk 1 geven we een kort
                            overzicht van de kaders van deze nota. Nu de verantwoordelijkheid voor
                            het archeologisch erfgoed in belangrijke mate is gedecentraliseerd en op
                            gemeentelijk niveau ligt, staat de vraag centraal hoe de gemeente
                            Heemstede invulling gaat geven aan de nieuwe wettelijke verplichtingen
                            op grond van de Wamz. Wat zijn die wettelijke verplichtingen precies? En
                            welke ruimte wordt gemeenten binnen de wet geboden? Ook gaan we in dit
                            hoofdstuk kort in op rol van de provincie en het rijk. In hoofdstuk 2
                            geven we een beeld van de geschiedenis van Heemstede. Hierbij richten we
                            de aandacht met name op het archeologische bodemarchief. In hoofdstuk 3
                            formuleren we beleidsvoorstellen voor de invulling van archeologie in de
                            ruimtelijke plannen. Hierbij maken we gebruik van de Archeologische
                            waardenkaart Heemstede die het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland
                            voor ons heeft opgesteld. In dit hoofdstuk geven we tevens inzicht in de
                            procedure van het archeologische onderzoek en schetsen we de
                            rolverdeling bij bodemingrepen. </al>
            <al>Wat zijn de kosten en de risico’s van de nieuwe wettelijke
                            verplichtingen, zowel voor de gemeente als voor de initiatiefnemer? En
                            hoe financieren we dit beleid? Op de beantwoording van deze vragen
                            richten we ons in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 richt zich op de communicatie
                            en voorlichting over het archeologisch erfgoed. In dit hoofdstuk geven
                            we aan hoe we de kennis van de Heemsteedse historie en het
                            maatschappelijk draagvlak voor het behoud van ons archeologisch erfgoed
                            willen vergroten. Er wordt omschreven hoe we in de toekomst
                            publieksbereik vorm willen geven. In dit hoofdstuk wordt tevens aandacht
                            geschonken aan de educatieve rol van archeologie. De nota sluit af met
                            enkele bijlagen, waaronder een begrippenlijst. Voor de leesbaarheid
                            hebben we de voorstellen die in deze nota worden gedaan in gele kaders
                            aangegeven.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>
            <vet>Evaluatie</vet>
          </al>
          <al>Archeologiebeleid is voor de gemeente een nieuw beleidsterrein. Het beleid
                        dat in deze nota wordt neergelegd en de uitvoering die daaruit voortvloeit
                        zal op basis van de nieuwe kennis over de bodem, de archeologische
                        ontwikkelingen en de ervaringen uit de praktijk dan ook regelmatig en
                        adequaat geëvalueerd dienen te worden. Regelmatige actualisering zal de
                        kwaliteit van het archeologiebeleid ten goede komen. We stellen voor hierbij
                        uit te gaan van een eerste evaluatie en herijking na een periode van 2 jaar. </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel</vet>
            </al>
            <al>Wij stellen voor het beleid dat in deze nota is neergelegd en de
                            uitvoering daarvan na een periode van 2 jaar te evalueren en
                            herijken.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>
            <vet>1 WETTELIJK EN BELEIDSMATIG KADER ARCHEOLOGIE</vet>
          </al>
          <al>Bodemerstoring als gevolg van bouwactiviteiten, infrastructurele projecten,
                        grondwaterpeilverlagingen en intensivering van de landbouw, heeft er vaak
                        toe geleid dat archeologische waarden ongezien verloren zijn gegaan. Zo is
                        in Nederland volgens schattingen in de laatste 70 jaar bijna de helft van
                        het bodemarchief voorgoed verdwenen. Dat gedeelte van onze geschiedenis kan
                        nooit meer worden teruggehaald. Ook in andere delen van Europa zijn grote
                        delen van het bodemarchief ongezien en ongedocumenteerd weggeschept. Alleen
                        al daarom is het van belang zorgvuldig om te gaan met het bodemarchief dat
                        nog in meer of mindere mate intact is. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.1 Verdrag van Malta</vet>
          </al>
          <al>Dát belang vormt de kern van Europees verdrag inzake de bescherming van het
                        archeologische erfgoed (kortweg, het verdrag van Malta) dat in 1992 door de
                        lidstaten van de Raad van Europa werd afgesloten en in 1998 door het
                        Nederlandse parlement werd goedgekeurd. Het Verdrag van Malta is de opvolger
                        van een eerder Europees verdrag uit 1969 waarin vooral de bescherming van
                        archeologische monumenten werd geregeld. Het Verdrag van Malta gaat er
                        daarentegen vanuit dat het archeologische erfgoed al vóórdat het tot
                        monument is verklaard bescherming nodig heeft én krijgt. </al>
          <al/>
          <al>Het voornaamste uitgangspunt van het Verdrag van Malta is het streven naar
                        het behoud van archeologische waarden in de bodem (in situ). Niet overigens
                        om alles voor altijd in de bodem te houden: de veronderstelling is dat de
                        komende generaties meer en betere technieken zullen hebben om archeologische
                        resten te onderzoeken. En tevens een grotere kennis om wat zij vinden te
                        kunnen verklaren. Een ander belangrijk uitgangspunt van het verdrag is dat
                        de veroorzaker - de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten - in
                        beginsel de kosten van archeologisch onderzoek moet betalen. </al>
          <al/>
          <al>Die uitgangspunten kunnen volgens het verdrag het beste gestalte krijgen
                        door de archeologische belangen tijdig en volwaardig in het ruimtelijk
                        planproces op te nemen. Hiermee versterkt het verdrag de relatie tussen
                        archeologie en ruimtelijke ordening. Doel is het belang van de archeologie
                        een goede plaats te geven in de processen van planologie, ontwerpen, bouwen
                        en aanleggen van werken. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.2 Wet op de archeologische monumentenzorg</vet>
          </al>
          <al>De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn vertaald in de Wet op de
                        Archeologische Monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is
                        geworden. Deze wet wijzigt met name de Monumentenwet 1988, die uitging van
                        het uitsluitend beschermen van het bodemarchief als sprake was van een
                        aanwijzing als rijksmonument. In vervolg op de Wamz zijn het Besluit op de
                        archeologische monumentenzorg (Bamz) en de Regeling archeologische
                        monumentenzorg (Ramz) van kracht geworden. De Bamz en Ramz zijn als het ware
                        nadere uitwerkingen van de Wamz. In Bijlage 1 treft u de tekst van de Wamz
                        aan. </al>
          <al/>
          <al>Met de wet- en regelgeving wordt het streven naar behoud en bescherming van
                        archeologische waarden geformaliseerd in het proces van ruimtelijke
                        ordening. De nieuwe wet- en regelgeving brengt een aantal ingrijpende
                        veranderingen met zich mee op bestuurlijk en beleidsmatig gebied en leidt
                        tot een grotere eigen verantwoordelijkheid voor de initiatiefnemer van
                        ruimtelijke plannen én tot een grotere taak voor gemeenten. De gemeenten
                        hebben in de Wamz een centrale rol gekregen, omdat zij worden gezien als de
                        overheidslaag die de uitgangspunten van het Verdrag van Malta het beste
                        kunnen realiseren. De gemeentelijke sleutelrol wordt soms aangeduid als de
                        “archeologische zorgplicht”. </al>
          <al/>
          <al>* De Wamz wijzigt naast de Monumentenwet 1988 op enkele kleine onderdelen de
                        volgende andere wetten: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de
                        Ontgrondingenwet en de Wet milieubeheer.</al>
          <al/>
          <al>We zetten de belangrijkste uitgangspunten van de Wamz hieronder op een
                        rij:</al>
          <al/>
          <al>- <vet>Preventie: behoud in situ</vet></al>
          <al>Er wordt naar gestreefd archeologische waarden zoveel mogelijk ongestoord in
                        de grond (in situ) te bewaren. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is,
                        mogen archeologische waarden worden opgegraven. Hierdoor blijft de
                        archeologische informatie wel behouden, maar buiten haar oorspronkelijke
                        context. De archeologische monumentenzorg dient tevens verankerd te worden
                        in bestemmingsplannen.</al>
          <al/>
          <al>- <vet>Versterking relatie archeologie en ruimtelijke ordening</vet></al>
          <al>De relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening wordt versterkt, zodat
                        behoud, beheer en ontwikkeling van het bodemarchief onderdeel worden van het
                        planologische besluitvormingsproces. Archeologie moet in een zo vroeg
                        mogelijk stadium worden mee gewogen bij het maken van plannen op het gebied
                        van ruimtelijke ordening. Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten
                        verplicht aan te geven hoe bij ruimtelijke ordeningstrajecten rekening wordt
                        gehouden met het archeologische erfgoed. </al>
          <al/>
          <al>De Wamz verplicht gemeenten overigens niet om bij de ruimtelijke planvorming
                        in alle gevallen voorrang te geven aan archeologie. Het is enerzijds van
                        belang om het bodemarchief als bron voor de toekomst beschikbaar te houden.
                        Anderzijds behoeven ruimtelijke ontwikkelingen niet altijd te worden
                        tegengehouden door de aanwezigheid van archeologisch erfgoed in de bodem.
                        Bij ruimtelijke ontwikkelingen zal het behoud van archeologische waarden
                        moeten worden afgewogen tegen andere (maatschappelijke en economische)
                        belangen.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>- Verantwoordelijkheid gemeenten</vet>
          </al>
          <al>Er is sprake van een verregaande decentralisatie naar het gemeentelijke
                        niveau van verantwoordelijkheden ten aanzien van archeologisch waardevolle
                        terreinen. Dit wordt gekoppeld aan het bestaande instrumentarium. Gemeenten
                        kunnen bijvoorbeeld aan de verlening van aanleg-, sloop- en bouwvergunningen
                        archeologievoorwaarden verbinden, te starten met archeologisch
                        vooronderzoek. Gemeenten geven aan voor welke gebieden dit geldt. Dit is
                        gebaseerd op de mate waarin aantasting van de (waarschijnlijk) aanwezige
                        archeologische waarden in een bepaald gebied van de gemeente is te
                        verwachten. Op grond van de Wamz worden initiatiefnemers van projecten die
                        kleiner zijn dan 100 m2 niet belast met archeologische onderzoeksplichten
                        (artikel 41a Wamz). Gemeenten kunnen echter van deze vrijstelling afwijken,
                        zowel in opwaartse als neerwaartse zin. Hierdoor is maatwerk mogelijk. Om
                        deze afweging te kunnen maken is het uiteraard vereist dat gemeenten de
                        aanwezige of te verwachten archeologische waarden in beeld brengen. </al>
          <al/>
          <al>De beslissing over behoud of verwijdering van archeologische waarden moet
                        door gemeenten worden genomen op basis van inhoudelijk archeologische
                        redenen. Een gemeente kan andere (economische of maatschappelijke) belangen
                        laten prevaleren boven het belang van de bescherming van archeologische
                        waarden. Aan de motivering om andere belangen te laten prevaleren worden
                        zwaardere eisen gesteld, naarmate het belang bij de bescherming van de
                        betreffende archeologische waarden groter is.</al>
          <al/>
          <al>- <vet>Invoering verstoorder-betaalt-principe</vet></al>
          <al>De kosten van noodzakelijke archeologische werkzaamheden - vanaf het
                        archeologische vooronderzoek tot en met mogelijke opgravingen - komen voor
                        rekening van de initiatiefnemer van de bodemroerende activiteit
                        (particulier, projectontwikkelaar of overheid). Een uitzondering hierop
                        vormen toevalsvondsten. Ook bij excessieve kosten kan de initiatiefnemer
                        zich in bepaalde gevallen tot de gemeente wenden. </al>
          <al/>
          <al>- <vet>Verbetering informatievoorziening</vet></al>
          <al>De informatievoorziening dient duidelijk te zijn: beslissingen over het
                        bodemarchief moeten transparant zijn en open staan voor beroep en bezwaar;
                        de resultaten van archeologisch onderzoek en eventuele andere relevante
                        informatie moeten voor alle betrokkenen toegankelijk zijn. Gestreefd wordt
                        naar de verzameling en verspreiding van wetenschappelijk onderzoek en
                        bewustmaking van het publiek.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>- Kwaliteitwseisen opgravingen</vet>
          </al>
          <al>De vergunning om een opgraving te mogen doen is verruimd en is niet langer
                        beperkt tot overheden en universiteiten. Ook gekwalificeerde bedrijven mogen
                        deze werkzaamheden uitvoeren. Het rijk ziet toe op de kwaliteit van de
                        uitvoering via de introductie van een kwaliteitssysteem, de Kwaliteitsnorm
                        Nederlandse Archeologie (KNA), waaraan alle binnen de archeologie werkzame
                        instanties en bedrijven zich dienen te conformeren. Gemeenten zijn verplicht
                        erop toe te zien dat het archeologische onderzoek wordt geleid door daartoe
                        gekwalificeerde instanties en bedrijven.</al>
          <al/>
          <al>Resumerend heeft de gemeente met de vaststelling van de Wamz een grote
                        verantwoordelijkheid en rol gekregen met betrekking tot het archeologische
                        erfgoed. Provincie en rijk hebben echter ook een verantwoordelijkheid en
                        rol.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>1.3 Rol en verantwoordelijkheid rijksoverheid</vet>
            </al>
            <al>Het rijk draagt zorg voor de opstelling van de wetgeving op het gebied
                            van archeologische monumentenzorg. Hierbij speelt de Rijksdienst voor
                            Cultureel Erfgoed (RCE) een belangrijke rol. Het rijk heeft hiernaast
                            een taak op het gebied van de aanwijzing en de bescherming van
                            archeologische monumenten en het beheer van het landelijk archeologisch
                            informatiesysteem ARCHIS. Meldingen van archeologische vondsten en de
                            registratie van vindplaatsen vinden onder meer plaats in dit systeem. </al>
            <al>De belangrijkste uitvoerder van het rijksbeleid, de Rijksdienst voor
                            Cultureel Erfgoed, vervult tevens de functie van kenniscentrum op het
                            gebied van de archeologische monumentenzorg. </al>
          </al-groep>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Via de Erfgoedinspectie Sector Archeologie houdt het rijk toezicht op de
                            kwaliteit van de uitvoering van archeologische werkzaamheden en op de
                            eisen die gesteld worden aan opgravingsvergunningen. Hierbij wordt
                            uitgegaan van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). </al>
            <al>Het rijk behartigt tevens de archeologische belangen van zijn ‘eigen’
                            projecten, bijvoorbeeld de aanleg van de HSL-lijn of de Betuweroute. </al>
            <al/>
          </al-groep>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="i8a93024e-49b4-41aa-8795-c8b1f1245b68" naam="i128172i8a93024e-49b4-41aa-8795-c8b1f1245b68.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="6.2cm"/>
              <bijschrift>Fig. 1.1. Tijdens de aanleg van de Betuwelijn stuitten
                                archeologen 1997 bij Hardinxveld-Giessendam op een 7500 jaar oud
                                skelet van een vrouw. Het is het oudste skelet dat in Nederlandse
                                bodem is aangetroffen.</bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <al-groep>
            <al>Ook schept het rijk de voorwaarden voor een goede uitvoering van de
                            Wamz, de Bamz en de Ramz. Waarbij weer sprake is van een belangrijke rol
                            voor de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Deze dienst stelt
                            bijvoorbeeld de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van
                            Nederland samen. </al>
            <al>Vanuit de rijksoverheid zijn de laatste jaren tevens verschillende
                            initiatieven genomen om de cultuurhistorie in het algemeen en de
                            archeologie in het bijzonder meer onder de aandacht te brengen. Een goed
                            voorbeeld hiervan is de Nota Belvedere, waarin het belang van
                            cultuurhistorie als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting en
                            kwaliteitsimpuls voor de omgeving wordt onderstreept.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>
            <vet>1.4 Rol en verantwoordelijkheid provinciale overheid</vet>
          </al>
          <al>Het archeologische beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in
                        het cultuurconvenant tussen het rijk en de provincie Noord-Holland, de
                        Provinciale Cultuurnota 2005-2008 en de Cultuurhistorische Regioprofielen.
                        Met de vaststelling van de Wamz dient de provincie een actieve, stimulerende
                        rol te gaan vervullen bij de integratie van de archeologie in ruimtelijke
                        ordeningsprocessen. </al>
          <al/>
          <al>De provincie Noord-Holland streeft er onder andere naar het archeologisch
                        erfgoed beter herkenbaar en toegankelijk te maken én het toe te passen als
                        inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een belangrijk instrument
                        voor het beleid van de provincie Noord-Holland is de Cultuurhistorische
                        Waardenkaart. Op deze waardenkaart is voor elk van de disciplines
                        historische (steden)bouwkunde, historische geografie en archeologie een
                        kaartlaag samengesteld. De op de archeologische kaartlaag aangegeven
                        terreinen zijn voor de provincie van belang vanuit cultuurhistorisch
                        oogpunt. De Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie heeft een hoger
                        detailniveau dan de hierboven genoemde landelijke Indicatieve Kaart
                        Archeologische Waarden. </al>
          <al/>
          <al>De taken van de provincie Noord-Holland die van direct belang zijn voor het
                        archeologisch beleid van gemeenten kunnen we als volgt samenvatten. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>- Aanwijzen van attentiegebieden</vet>
          </al>
          <al>De provincies krijgen de belangrijke mogelijkheid archeologisch gevoelige
                        gebieden - attentiegebieden - binnen en buiten de bebouwde kom aan te
                        wijzen. Dit is een vorm van bescherming van archeologische waarden die door
                        de provincie toegepast kan worden, indien zij van mening is dat bij de
                        vaststelling van geldende bestemmingsplannen onvoldoende rekening is
                        gehouden met (verwachte) archeologische waarden</al>
          <al/>
          <al>- <vet>Beheer provinciaal depot</vet></al>
          <al>Voor de gemeenten die geen eigen depot hebben - zoals Heemstede -, is de
                        provincie de beheerder én eigenaar van de roerende archeologische vondsten
                        die bij opgravingen (en vooronderzoek) aan het licht komen. Voor deze
                        bodemvondsten heeft de provincie een speciaal depot in het Mercurius gebouw
                        te Wormerveer ingericht. Het toegankelijk maken van de archeologische
                        vondsten die in het depot liggen, is één van de belangrijkste doelstellingen
                        van de provincie voor de komende tijd. Hierdoor kan de kennis over
                        archeologie in de provincie worden verspreid. </al>
          <al/>
          <al>- <vet>Ondersteuning van gemeenten</vet></al>
          <al>Het door de provincie georganiseerd Steunpunt Cultureel Erfgoed
                        Noord-Holland biedt gemeenten ondersteuning in het formuleren en uitvoeren
                        van cultuurhistorisch beleid. Het is bedoeld als een soort vraagbaak voor
                        monumentenzorg en archeologie. Ook biedt het steunpunt ondersteuning aan
                        particulieren.</al>
          <al/>
          <al>* De provincie Noord-Holland heeft aangegeven de komende jaren geen
                        prioriteit te leggen bij het aanwijzen van attentiegebieden en de gemeenten
                        de tijd te geven de nieuwe archeologische zorgplicht invulling te
                        geven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>2. DE GESCHIEDENIS EN HET BODEMARCHIEF VAN HEEMSTEDE</vet>
          </al>
          <al>Archeologische vindplaatsen, historische landschappen en monumentale
                        gebouwen vertellen ons over ons verleden. Samen vormen ze onze
                        cultuurhistorie. In het gebied dat wij nu kennen als Zuid-Kennemerland leven
                        al duizenden jaren mensen. Aan de hand van de sporen die zij achter hebben
                        gelaten in de bodem, kunnen archeologen vertellen hoe vroegere landschappen
                        eruit zagen en hoe de mensen vroeger leefden. Vooral als er weinig of niets
                        is opgeschreven, moet de bodem het verhaal vertellen; de oudste geschiedenis
                        is te lezen in de grond.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Het bodemarchief van Heemstede (en omstreken) bestaat uit archeologische
                            waarden uit een periode die maar liefst circa 52 eeuwen beslaat.</al>
            <al/>
            <al>Iedere archeologische periode heeft zijn eigen kenmerken en
                            verschijningsvormen. Figuur 2.1 geeft een overzicht van de namen en
                            tijdsduur van de verschillende perioden.</al>
            <al>
              <plaatje>
                <illustratie id="i46d52f91-9862-4d26-8c7d-ef612fe71a36" naam="i128171i46d52f91-9862-4d26-8c7d-ef612fe71a36.jpg" type="foto" breedte="6.1cm" hoogte="18.4cm"/>
                <bijschrift>Fig. 2.1. Tijdsbalkperiode</bijschrift>
              </plaatje>
            </al>
          </al-groep>
          <al>
            <vet>Steentijd</vet>
          </al>
          <al>De oudste sporen van bewoning in (de omgeving van) Heemstede zijn nauw
                        verbonden met de landschappelijke ontwikkeling van het Hollandse
                        kustgebied.</al>
          <al/>
          <al>Na de laatste IJstijd, zo’n tienduizend jaar geleden, steeg de zeespiegel
                        door het afsmelten van de ijskappen, waardoor Noord- en Zuid-Holland
                        grotendeels deel uitmaakten van de Noordzee. </al>
          <al/>
          <al>Toen de zeespiegelstijging circa zesduizend jaar geleden afnam, ontstonden
                        er door de aanvoer van zand geleidelijk lange smalle zandbanken, evenwijdig
                        aan de huidige kustlijn. Deze zandbanken worden ook wel strandwallen
                        genoemd. Op deze strandwallen vond duinvorming plaats. </al>
          <al/>
          <al>In de perioden waarin de opbouw van de strandwallen stagneerde, ontstond een
                        lage strandvlakte tussen de strandwal en de zee. Als de zandaanvoer in een
                        volgende periode weer toenam, ontstond weer een nieuwe strandwal. Zo breidde
                        de kust zich in westwaartse richting uit en ontstond een landschap met
                        afwisselend hoger en lager gelegen zandstroken. Tussen de strandwallen waren
                        lager gelegen, nattere, strandvlakten gelegen: hier ontstond veenvorming.
                        Veenriviertjes, zoals het Spaarne, zorgden voor de afwatering.</al>
          <al/>
          <al>De strandwallen zijn in de regio gevormd tussen 5600 en 4600 jaar geleden.
                        Een van de oudste strandwallen, ongeveer 5200 jaar geleden ontstaan, loopt
                        van Heemstede naar Spaarnwoude en is in het zuiden op zijn breedst en wordt
                        naar het noorden steeds smaller.</al>
          <al/>
          <al>Op enkele plaatsen in de kuststreek zijn sporen aangetroffen die aantonen
                        dat de strandwallen en de duinen al vrij snel na de vorming door de mens in
                        gebruik zijn genomen. Het waren de eerste bewoonbare plaatsen in het
                        Nederlandse kustgebied. De prehistorische bewoners van de strandwallen
                        leefden hier overigens niet permanent: ze kwamen hier uitsluitend in het
                        zomerseizoen. Ze leefden van het verzamelen van voedsel (begroeiing op de
                        strandwallen zorgde voor appel, braam, hazelaar en meidoorn) en van de
                        jacht, waarbij stenen werktuigen werden gebruikt. Door de ligging kon er
                        tevens gevist worden.</al>
          <al/>
          <al>Duidelijk is dat er in de Nieuwe Steentijd al mensen in deze regio leefden.
                        De oudste archeologische vondst uit de omgeving (huidige grondgebied van
                        Haarlem), een vuistbijl van bruin kwartsiet, stamt uit circa 3600 voor
                        Christus (figuur 2.2). </al>
          <al/>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="iaa778f4e-d2a0-41ae-903d-dd2463618045" naam="i128173iaa778f4e-d2a0-41ae-903d-dd2463618045.jpg" type="foto" breedte="4.3cm" hoogte="6.3cm"/>
              <bijschrift>Fig. 2.2. kwartsietbijl, ca 3600 v. Chr, Haarlem
                            </bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <al>Uit deze vroegste bewoningsperiode zijn uit Heemstede geen sporen bekend.
                        Het feit dat er geen archeologische waarnemingen zijn gedaan - onder andere
                        als gevolg van de beperkte hoeveelheid onderzoek tot nu toe - betekent
                        uiteraard niet dat er geen archeologische waarden aanwezig, dan wel te
                        verwachten zijn. </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Bronstijd en Ijzertijd</vet>
            </al>
            <al>Heel geleidelijk schakelde men in de Bronstijd (2000-800 voor Christus)
                            over op landbouw en veeteelt. </al>
            <al>Het gebied van de strandwallen werd vanaf die tijd permanent bewoond.
                            Ploegsporen, werktuigen en aardewerk getuigen in de regio van de
                            leefwijze van deze vroege boeren. In het begin leverde de landbouw
                            alleen nog niet genoeg op. Jagen, vissen en verzamelen bleven tot het
                            midden van de Bronstijd nodig. Zo ook het gebruik van stenen werktuigen.
                        </al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Hiervan getuigt de vondst van een pijlpunt uit het begin van de Bronstijd
                        gevonden in een tuin van een huis aan de Glipperdreef (figuur 2.3). </al>
          <al/>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="i9adebb53-94ca-47f0-8318-763e362ab4c5" naam="i128176i9adebb53-94ca-47f0-8318-763e362ab4c5.jpg" type="foto" breedte="6.6cm" hoogte="4.0cm"/>
              <bijschrift>Fig. 2.3. pijlpunt uit de Bronstijd gevonden in een tuin van
                                een huis aan de Glipperdreef</bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <al>Door de overgang op de landbouw ontstond er behoefte aan goede grond. Er
                        werden hekken, hagen en greppels aangelegd om het landeigendom te
                        accentueren en de rechten op het land controleerbaar te maken. In de
                        Bronstijd ontstonden paden tussen de verschillende met elkaar in contact
                        staande woonplaatsen. Hoogstwaarschijnlijk zijn in onze regio de
                        strandwallen voor dit doel gebruikt. </al>
          <al/>
          <al>Uit de Bronstijd en IJzertijd (800-13 voor Christus) zijn in de regio meer
                        bewoningssporen aanwezig dan uit de Steentijd. Ook in Heemstede. Zo zijn op
                        het terrein van Hageveld bij opgravingen in 2005 sporen uit de zowel de
                        Brons- als IJzertijd aangetroffen (scherven). Daarnaast is er bijvoorbeeld
                        in 1987 in het bos van Groenendaal achter de Algemene begraafplaats een
                        zeldzame mantelspeld (spiraalfibula) uit de IJzertijd gevonden. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Romeinse tijd</vet>
          </al>
          <al>De Romeinen hebben sinds 13 voor Christus (keizer Augustus) verscheidene
                        pogingen ondernomen om het noorden van het huidige Nederland te veroveren.
                        Dit is niet gelukt: na diverse nederlagen staakte keizer Claudius in 47 na
                        Christus de pogingen om het gebied boven de Rijn te veroveren; de Rijn werd
                        onderdeel van de formele grens (Limes) van het Romeinse rijk. Wel ontstonden
                        er intensieve handelscontacten van de Romeinen met Noord-Nederland. Er zijn
                        aanwijzingen dat er destijds in onze regio - met name de omgeving van
                        Heemstede en Haarlem - sprake was van (boeren) nederzettingen. Tijdens een
                        verkennend archeologisch onderzoek in het kader van nieuwbouwplannen op het
                        landgoed Hagenduin werd een deels verstoorde cultuurlaag aangeboord met
                        ijzerslakken, grote hoeveelheden houtskool en delen van een ovenwand. Deze
                        vondsten duiden op ijzerproductie en vermoedelijk een nederzetting uit de
                        late IJzertijd/Romeinse Tijd. Zeer bijzonder zijn de vondsten die in 1958 op
                        Hageveld zijn gedaan. Deze vondsten bestaan, naast het gebruikelijke
                        inheemse aardewerk, uit scherven van luxe geïmporteerde serviesgoed, het
                        zogenaamde terra sigillata. De meest bijzondere vondst is een aardewerken
                        inktpotje. </al>
          <al/>
          <al>De Romeinen introduceerden in ons land aardewerk dat op de draaischijf was
                        vervaardigd. Hoewel de inheemse bevolking hier te lande nog lange tijd
                        handgevormd, inheems aardewerk bleef produceren, werd het op de draaischijf
                        vervaardigde, Romeinse steeds populairder. Het verdrong het inheemse
                        aardewerk op den duur volkomen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Middeleeuwen</vet>
          </al>
          <al>In de 3<sup>e </sup>en 4<sup>e</sup> eeuw na Christus lijkt er sprake van
                        een breuk in de bewoningsgeschiedenis van onze regio. Dit als gevolg van
                        politieke onrust (de Grote volksverhuizing) en klimatologische veranderingen
                        in het gebied (vernatting). </al>
          <al/>
          <al>Sporen uit de periode sinds de Romeinse tijd tot en met de Karolingische
                        tijd (8<sup>e</sup> eeuw) zijn vooralsnog in Heemstede niet aangetroffen.
                        Dit geldt overigens voor de hele regio. Uit historische bronnen kan wel
                        worden afgeleid dat er rondom Haarlem sprake moet zijn geweest van bewoning.
                        Over de omvang hiervan is echter niets bekend. </al>
          <al/>
          <al>Bekend is wel dat er in de loop van de Vroege middeleeuwen (449-1050 na
                        Christus) sprake is geweest van bewoning van het kustgebied van
                        Zuid-Kennemerland. En dat de oostelijke rand van de strandwallen bewoond
                        werd. Het bouwland uit die tijd, in dit gebied “geest” genoemd, was gelegen
                        op de strandwallen. Er zijn uit deze periode echter geen archeologische
                        sporen bekend. </al>
          <al/>
          <al>Wel zijn er bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen (1050 tot 1500 na Chr.)
                        bekend. Heemstede maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van het
                        Haarlemmerambacht, dat was gelegen tussen de zee en het Haarlemmermeer. De
                        grens werd verder gevormd door - het huidige - Zuid-Holland en Velsen.
                        Haarlem was tot 1245 het hoofddorp van dit uitgestrekte gebied. In dat jaar
                        werd door graaf Willem II van Holland aan Haarlem stadsrecht verleend. De
                        overige nederzettingen van het gebied, waaronder Heemstede, werden in de
                        jaren na de stadswording van Haarlem zefstandige ambachtsheerlijkheden
                        (bestuurs- en rechtskringen). Deze verschillende heerlijkheden werden in de
                        loop van de 13<sup>e</sup> eeuw door de graaf van Holland aan zijn
                        leenmannen in leen uitgegegeven. </al>
          <al/>
          <al>De heerlijkheid Heemstede wordt voor het eerst vermeld in een akte uit 1284.
                        Omstreeks deze tijd is het door graaf Floris V in leen gegeven aan een lid
                        van het adellijke geslacht Van Hoijlede (later Van Heemstede genaamd), een
                        geslacht dat oorspronkelijk afkomstig was uit Vlaardingen. Deze leenheer
                        vestigde zich rond 1290 in een voor hem gebouwd kasteel aan het Spaarne. Het
                        terrein van het kasteel is nog altijd bekend als Het Oude Slot. Door
                        archeologisch onderzoek van het Oude Slot zijn verschillende bouwfasen
                        onderscheiden. Daarnaast zijn grote hoeveelheden gebruiksvoorwerpen
                        gevonden. De fundamenten van het oorspronkelijke kasteel zijn ondergronds
                        bewaard. Het Oude Slot heeft de rijksmonumentale status. Dit is mede
                        gebaseerd op het grote archeologische belang van deze fundamenten. </al>
          <al/>
          <al>Het oorspronkelijke grondgebied van de ambachtsheerlijkheid besloeg een
                        veeel groter oppervlak dan het huidige Heemstede. Aan de Noordzijde strekte
                        het zich uit tot ver in het huidige Haarlem. Bij de stadsuitbreiding van
                        1428 werd de zuidelijke grens van Haarlem verlegd tot aan de Haarlemmerhout.
                        Hoewel de naam anders doet vermoeden, behoorde dit bos tot de heerlijkheid
                        Heemstede. Tot 1653 liep de zuidelijke grens van Heemstede tot aan het
                        huidige Hillegom: Bennebroek maakte dus oorspronkelijk deel uit van de
                        heerlijkheid Heemstede.</al>
          <al/>
          <al>In de middeleeuwen werd de noord-zuid verbinding gevormd door de nu nog
                        bestaande Herenweg. Vermoedelijk was het van oorsprong een smal pad, dat pas
                        in de 14<sup>e</sup> eeuw gebruikt werd voor doorgaand verkeer.
                        Vrachtrijderij ontstond op deze weg uit de verplichting van de
                        Heemstedenaren om de leden van het Hollands grafelijk huis (gevestigd te
                        Haarlem) en hun vrachten te vervoeren. Aangezien daardoor continu wagens en
                        paarden voor dat doel beschikbaar moesten zijn, ging men zich ook in het
                        algemeen met particulier vervoer bezig houden. Hiernaast vormde onder andere
                        het Manpad een doorgaande weg (naar het westen). Een al te weidse
                        voorstelling moeten we ons overigens niet maken van van dit Manpad: het was
                        oorspronkelijk een gewoon voetpad dat door het bos liep. Het Manpad is de
                        plek waar volgens de overlevering Witte van Haemstede in 1304 de opdringende
                        Vlamingen versloeg*.</al>
          <al/>
          <al>Ook de wegen binnen de ambachtsheerlijkheid waren oorspronkelijk slechts
                        gering in aantal: onder andere de Achterweg, de Voorweg en de Hoflaan. Dit
                        geringe aantal wegen is de voornaamste reden van de eigenaardige structuur
                        die Heemstede had: de verschillende buurtschappen, kernen, waren nauwelijks
                        met elkaar verbonden. Naast kernen die bestonden uit agrarische
                        gemeenschappen, ontstonden er geleidelijk verschillende buurtschappen in het
                        noorden van Heemstede. Om de stedelijke accijnzen van Haarlem te ontlopen
                        vestigden tal van neringdoenden zich juist buiten de Haarlemse stadsgrenzen.
                        Het buurtschap "Heemstede" - rond het huidige Wilhelminaplein - werd
                        beschouwd als de hoofdkern of het "dorp" van de heerlijkheid. Op het
                        Wilhelminaplein verrees in 1345 een kerk.</al>
          <al/>
          <al>Heemstede kende in de Late Middeleeuwen naast Het Oude Slot nog een kasteel:
                        Berkenrode. De oudste bronnen maken in 1284 melding van de “camp” (akker)
                        Berkenrode. De naam Berkenrode geeft aan dat er sprake was van een, door het
                        rooien van bomen (berken) bebouwbaar gemaakt stuk land. Wat hiermee is
                        gebeurd, is niet bekend. Pas in 1451 werd er melding gemaakt van het huis,
                        dat bekend is van afbeeldingen en een kasteelachtig uiterlijk vertoont. Het
                        bevond zich op de plek waar nu de grote vijver ligt en werd met een
                        slotgracht omgeven. Tot 1797 zou hier in verschillende gedaantes het huis
                        Berkenrode hebben gestaan. Tijdens opgravingen zijn er restanten van
                        teruggevonden. Het landgoed Berkenrode heeft de rijksmonumententale status:
                        de resten van het middeleeuwse kasteel zijn hierbij van groot archeologisch
                        belang. </al>
          <al/>
          <al>Bij een recente opgraving op het terrein van Hageveld is er nog meer
                        bewoning vanuit de Late Middeleeuwen aangetoond. Een deel van het
                        15<sup>e</sup> eeuwse Bernardijnenklooster “Porta Coeli” is opgegraven.
                        Diverse opmerkelijke vondsten zijn er bij deze opgraving aangetroffen,
                        waaronder een grote hoeveelheid botresten en bijzonder versierd zilveren
                        boekbeslag.</al>
          <al/>
          <al>* Hiernaast is het Manpad volgens overlevering het strijdtoneel geweest van
                        de veldslag die leidde tot de val van Haarlem tijdens de Tachtigjarige
                        Oorlog (8 juli 1573). Bewijs van het daadwerkelijk plaatsvinden van deze
                        veldslagen is overigens niet aanwezig. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Nieuwe Tijd</vet>
          </al>
          <al>Vanaf de Middeleeuwen komen steeds meer secundaire bronnen beschikbaar
                        waarmee het verleden gereconstrueerd kan worden: kronieken, registers,
                        verslagen, prenten en kaartmateriaal. In de Nieuwe Tijd ontwikkelde
                        Heemstede zich steeds verder. Er ontstonden op de strandwallen in de
                        heerlijkheid Heemstede noordzuidlopende nederzettingen. Langs de wegen die
                        langs de rand van de strandwallen lagen, zoals de Herenweg, verrezen
                        hofsteden en herbergen. </al>
          <al/>
          <al>De "Heren van Heemstede"</al>
          <al>Heemstede ging vanaf de 14e eeuw door schulden van opeenvolgende Heemsteedse
                        heren in verschillende handen over. In december 1620 werd de heerlijkheid
                        Heemstede (inclusief het in vervallen toestand verkerende Oude Slot)
                        aangekocht door de Amsterdamse koopman Adriaan Pauw, die rijk geworden was
                        door de handel op Oost-Indië. Pauw liet het kasteel grondig herstellen en
                        verfraaien, met als resultaat dat de middeleeuwse burcht werd omgebouwd tot
                        een renaissancistisch bouwwerk, dat waardig was om vorstelijke personen te
                        kunnen herbergen. </al>
          <al/>
          <al>Tevens gaf hij opdracht voor de bouw van de huidige protestantse kerk aan
                        het Wilhelminaplein, gebouwd op de fundamenten van het eerdere kerk van
                        1345. Deze kerk had de Tachtigjarige Oorlog niet overleefd. Pauw stichtte
                        tevens een school, waardoor Heemstede de oudste basisschool - op de
                        oorspronkelijke locatie - van Nederland heeft: de Voorwegschool. Na het
                        overlijden van Pauw in 1653 werden Heemstede en Bennebroek gescheiden: zoon
                        Gerard kreeg Heemstede en diens jongere broer Adriaan jr. werd ambachtsheer
                        van Bennebroek. </al>
          <al/>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="i766986be-8ce5-45f5-866d-8eceea310894" naam="i128177i766986be-8ce5-45f5-866d-8eceea310894.jpg" type="foto" breedte="11.9cm" hoogte="8.2cm"/>
              <bijschrift>Fig. 2.4. Heemstede rondom het Wilhelminaplein in 1627.
                                Tekening van Balthazar Florisz</bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <al>De ambachtsheerlijkheid (en het slot) bleven generaties in bezit van de
                        familie Pauw, totdat Heemstede in 1793 werd verkocht aan Johanna Maria
                        Dutry. Toen zij vrouwe van Heemstede was maakte de Franse Revolutie
                        geleidelijk een eind aan de ambachtsheerlijkheden. In de volgende periode
                        kwam er een gemeentebestuur met burgemeester. Na haar overlijden is het in
                        verval geraakte slot in 1808 verkocht en gesloopt. Slechts enkele gebouwen,
                        waaronder het koetshuis, het poortgebouw, de duivenpoort en de Vredesbrug
                        bleven behouden.</al>
          
          <tussenkop>Buitenplaatsen</tussenkop>
          <al>Vanaf de 17de eeuw ontstonden er met name aan weerszijden van de Herenweg
                        buitenplaatsen, zoals de Hartekamp, het huis te Manpad en Ipenrode. De
                        eigenaren - veelal kooplui, bankiers en vermogende regenten uit Amsterdam en
                        Haarlem - lieten de buitenplaatsen aanleggen om enkele maanden in het jaar
                        in een natuurlijke omgeving te kunnen doorbrengen. Vele Heemstedenaren
                        vonden, als tuinlieden, koetsiers, palfreniers of huisknechten, werk op deze
                        buitenplaatsen. </al>
          
          <tussenkop>Blekerijen</tussenkop>
          <al>Een belangrijke bron van inkomsten, typerend voor de duinstreek, was het
                        afgraven van zand. Voor de uitbreidingen van Amsterdam, Leiden en Haarlem
                        werd zand afgevoerd uit Heemstede. Om het zand te vervoeren werden diverse
                        vaarten aangelegd, zoals de Blekersvaart en de Heerenzandvaart. Deze vaarten
                        zorgden er tevens voor dat Heemstede minder geïsoleerd kwam te liggen. De
                        Haarlemmer Trekvaart (ook wel Leidse Vaart genoemd) is, in tegenstelling tot
                        de genoemde zandvaarten, gegraven voor het vervoer per trekvaart.</al>
          <al/>
          <al>De grootste bron van inkomsten vormden in de periode van en na de
                        Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) de blekerijen. Veel bewoners uit de
                        Zuidelijke Nederlanden trokken naar het noorden en vestigden zich in grote
                        getale rond Haarlem. Van oudsher geschoold in de bleektechniek, vormde de
                        aanwezigheid van zuiver water (duinwater), wind en zon voor hen aanleiding
                        tot het stichten van diverse lijnwaad-, garen- en kleerblekerijen. De
                        blekersbedrijven werden gevestigd op de afgegraven zandgronden en maakten
                        gebruik van de zandvaarten: zo werd Amsterdamse, Haarlemse en Leidse vuile
                        was naar Heemstede vervoerd. Als gevolg van de snelle toename van de
                        blekerijen (in 1628 waren er al 28) steeg het inwonertal van Heemstede
                        enorm: in de periode tussen 1514 en 1632 had Heemstede 300 á 400 inwoners,
                        in 1651 telde de heerlijkheid circa 1400 zielen. Er was in korte tijd een
                        groei van de beroepsbevolking van circa 900 personen (voornamelijk vrouwen).
                        In de omgeving van de blekerijen ontstonden nieuwe buurtschappen, zoals het
                        buurtschap Crayenest aan de Gasthuiszandvaart (nu de Crayenestervaart). </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Na 1850 ging als gevolg van de droogmaking van het Haarlemmermeer - en
                            het stoppen van de doorstroming - de kwaliteit van het water achteruit.
                            Van het blekersbedrijf bleven na 1850 alleen de kledingblekerijen
                            (wasserijen) bestaan: hieruit ontwikkelden zich stoomwasserijen aan
                            weerszijden van de Blekersvaart. Van deze wasserijen zijn enkele
                            restanten bewaard gebleven. </al>
            <al>Belangrijker voor Heemstede werd de bloembollencultuur die rond 1800 in
                            de omgeving van Haarlem tot bloei was gekomen. In de daarop volgende
                            periode werden steeds meer velden die oorspronkelijk in gebruik waren
                            voor het bleken in gebruik genomen voor het telen van bloembollen. Tot
                            het begin van de 20<sup>e</sup> eeuw waren buitenplaatsen, enkele
                            historische kernen, blekerijen en tuinderijen de belangrijkste elementen
                            waaruit het landschap van Heemstede bestond. </al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Tussen 1900 en 1940 verstedelijkte het gebied al grotendeels. Na de Tweede
                        Wereldoorlog zette deze verstedelijking zich voort. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Verwachting bodemarchief</vet>
          </al>
          <al>Relatief gezien zijn er in Heemstede weinig archeologische sporen
                        aangetroffen. Dit komt onder andere door de beperkte omvang van het
                        archeologisch onderzoek tot nu toe (zie hiervoor Bijlage 2). Er blijven
                        hierdoor nog vele vragen omtrent de bewoningsgeschiedenis van het gebied.
                        Het feit dat er vooralsnog weinig archeologische waarnemingen zijn gedaan,
                        betekent echter niet dat er geen archeologische waarden aanwezig, danwel te
                        verwachten zijn. Integendeel. Binnen (het huidige) Heemstede is bewoning al
                        circa 52 eeuwen mogelijk. De verwachting is gerechtvaardigd - mede vanwege
                        de aanwezigheid van een strandwallenlandschap - dat sprake is van een rijk
                        bodemarchief. Wij vinden dat het belang hiervan niet kan niet worden
                        onderschat. Niet alleen is dit archeologisch erfgoed van wezenlijk belang
                        voor vergroting van de kennis van de bewoningsgeschiedenis van Heemstede en
                        de lokale ontwikkeling van de samenleving, ook zien we het belang van
                        cultuurhistorie in het algemeen als inspiratiebron voor de ruimtelijke
                        inrichting en als kwaliteitsimpuls voor de leefomgeving. Op deze wijze kan
                        het archeologisch erfgoed bijdragen aan de versterking van onze
                        cultuurhistorische identiteit. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3. ARCHEOLOGIE EN RUIMTELIJKE ORDENING IN HEEMSTEDE</vet>
          </al>
          <al>Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten verplicht aan te geven
                        hoe bij ruimtelijke ordeningstrajecten rekening wordt gehouden met het
                        archeologische erfgoed. Gemeenten kunnen hierbij een koppeling maken met het
                        bestaande instrumentarium: zo kunnen zij aan de verlening van aanleg-,
                        sloop- en bouwvergunningen archeologievoorwaarden verbinden, te starten met
                        archeologisch vooronderzoek. Gemeenten dienen duidelijk aan te geven voor
                        welke gebieden dit geldt. Dit gebaseerd op de mate waarin aantasting van de
                        (waarschijnlijk) aanwezige archeologische waarden in een bepaald gebied van
                        de gemeente is te verwachten. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.1 Archeologische waardenkaart Heemstede</vet>
          </al>
          <al>Verantwoord beheer van het eigen bodemarchief begint met het inzichtelijk
                        maken waar en wanneer met het bodemarchief rekening dient te worden
                        gehouden. En waar en wanneer dat niet hoeft. Een groot probleem in de
                        archeologische monumentenzorg is echter dat de concrete kennis over
                        archeologische resten in de bodem beperkt is. Dit geldt ook voor Heemstede. </al>
          <al/>
          <al>Wel kan, gelet op de historie en de archeologische waarnemingen, worden
                        aangegeven welke gebieden potentieel archeologisch waardevol zijn. Gemeenten
                        kunnen dit aangeven op een zogenoemde “waardenkaart”. We hebben het
                        provinciale Steunpunt cultureel erfgoed gevraagd een dergelijke waardenkaart
                        op te stellen. Aan de hand hiervan kan worden bepaald - én uitgelegd -
                        waarom er voor een bepaalde bodemkundige ingreep archeologisch onderzoek
                        nodig is binnen het gemeentelijk grondgebied of waarom juist niet. Het moet
                        voor alle betrokkenen inzichtelijk zijn in welke gebieden onderzoek
                        noodzakelijk is en waarom op andere plaatsen niet. Alleen dan kan van meet
                        af aan rekening gehouden worden met archeologische waarden en de eisen die
                        worden gesteld aan de omgang daarmee.</al>
          <al/>
          <al>Het provinciale Steunpunt cultureel erfgoed heeft het gehele bodemarchief
                        van Heemstede geïnventariseerd op het gebied van archeologie. Hierbij is
                        eerst een studie gedaan naar de landschappelijke ontstaans- en
                        ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente. Op basis daarvan zijn binnen de
                        gemeente voor wat betreft de verschillende tijdvakken de mogelijkheden
                        verkend van bewoning en landgebruik. In hoofdstuk 2 hebben we u daar een
                        beeld van gegeven. Daarnaast is historisch kaartmateriaal gebruikt en zijn
                        archeologische onderzoeksresultaten van de afgelopen decennia geraadpleegd.
                        En is gebruikgemaakt van de eerder genoemde Indicatieve Kaart Archeologische
                        Waarden (IKAW) van het rijk en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van
                        de provincie Noord-Holland. Met de door het Steunpunt cultureel erfgoed
                        opgestelde waardenkaart zijn de waardenkaarten van het rijk en de provincie
                        als het ware verder verfijnd. </al>
          <al/>
          <al>Zoals in paragraaf 1.2 aangegeven worden projecten kleiner dan
                        100m<sup>2</sup> op grond van de Wamz vrijgesteld van archeologisch
                        onderzoek. De gemeenteraad kan hiervan zowel op- als neerwaarts afwijken.
                        Het is voor de wetgever immers onmogelijk om voor iedere gemeente een
                        passende maatgeving te verschaffen. Omdat in Heemstede de archeologische
                        waarde van het grondgebied sterk uiteenloopt, is het volgens het Steunpunt
                        cultureel erfgoed wenselijk deze oppervlaktebepaling te nuanceren. Gevolg is
                        dat sommige gebieden op de aangeleverde waardenkaart een veel grotere
                        vrijstelling krijgen van archeologisch onderzoek dan 100 m2<sup/>en andere
                        gebieden juist een strenger regime. </al>
          <al/>
          <al>De waardenkaart die het Steunpunt cultureel erfgoed voor Heemstede heeft
                        opgesteld, hanteert een indeling in zes verschillende zones of categorieën.
                        Voor elk van deze categorieën is bepaald vanaf welke planomvang rekening
                        gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek -
                        het zogenaamde archeologieregime - te beginnen met een archeologisch
                        vooronderzoek. Voor de gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting
                        wordt door het Steunpunt cultureel erfgoed een strenger regime voorgesteld
                        dan 100m2 en voor de gebieden met een lage archeologische verwachting een
                        ruimer regime. </al>
          <al/>
          <al>In de praktijk houdt dit het volgende in. Alleen in die gevallen dat een
                        grondroerende werkzaamheid het betreffende regime te boven gaat, dient
                        archeologisch onderzoek plaats te vinden, te beginnen met een archeologisch
                        vooronderzoek. In alle andere gevallen niet. Concreet betekent dit dat
                        huis-tuin-en keukengevallen geen archeologisch onderzoek vereisen als de
                        minimale oppervlakte én de minimale diepte niet worden overschreden.</al>
          <al/>
          <al>Hiernaast is van belang dat de regimes op grond van de Wamz niet voor álle
                        bodemverstorende activiteiten gelden. Ze gelden uitsluitend voor
                        bodemverstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van
                        plannen waarvoor het vereist is aan te vragen:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al> een reguliere bouwvergunning;</al></li>
            <li nr="b."><al> een aanlegvergunning;</al></li>
            <li nr="c."><al> een vrijstelling (ontheffing) van het bestemmingsplan. </al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Dit betekent dat bij lichte bouwaanvragen volgens de Wamz nooit een
                        archeologisch onderzoek verplicht gesteld kan worden. In de praktijk houdt
                        dit in dat bij kleine bouwwerken, zoals een aan- of uitbouw of een klein
                        bijgebouw, normaliter geen onderzoek nodig is. </al>
          <al/>
          <al>De Wamz (in werking getreden per september 2007) gebruikt nog niet de
                        terminologie van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (in werking getreden op
                        1 juli 2008). Onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening worden
                        “vrijstellingen” aangeduid als “ontheffingen”. In het vervolg van deze nota
                        zal de actuele term “ontheffing” worden gebruikt.</al>
          <al/>
          <al>De door het Steunpunt cultureel erfgoed opgestelde Archeologische
                        waardenkaart voor Heemstede is opgenomen in figuur 3.1 (pagina 20). Hierbij
                        wordt een korte toelichting op de zes gehanteerde regimes gegeven. U treft
                        bijbehorende, gedetailleerde informatie met betrekking tot de kaart aan in
                        Bijlage 3 en Bijlage 4.</al>
          <al/>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="ifb88d2ff-1fb2-464d-a4fc-fca705885b90" naam="i128178ifb88d2ff-1fb2-464d-a4fc-fca705885b90.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="21.1cm"/>
            </plaatje>
            <plaatje>
              <illustratie id="i16b6dc48-a577-456d-ae96-dd5e0d2fcb31" naam="i128179i16b6dc48-a577-456d-ae96-dd5e0d2fcb31.jpg" type="foto" breedte="7.3cm" hoogte="5.3cm"/>
              <bijschrift>Fig. 3.1. Archeologische Waardenkaart Heemstede</bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <al>
            <vet>Toelichting figuur 3.1 </vet>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>Het regime “alle bodemroering” wordt, in afwijking op artikel 42a
                                van de herziene Monumentenwet, voorgesteld, omdat in deze gebieden
                                bijzondere archeologische waarden zijn aangetoond of in sterke mate
                                zijn te verwachten. </al></li>
            <li nr="2"><al>Het regime “plannen groter dan 70 m2 én dieper dan 40 cm” wordt, in
                                afwijking op artikel 42a van de herziene Monumentenwet voorgesteld,
                                omdat het in deze gebieden gaat om molens, buitenplaatsen of
                                landgoederen op de strandwal en een galgenveld buiten de strandwal.
                                Rondom buitenplaatsen is de grond over het algemeen onverstoord
                                waardoor mogelijke archeologische waarden intact zijn gebleven. De
                                landgoederen op de strandwal zijn ook van groot belang, omdat
                                vroegere bewoning hier veelal plaatsvond. Ook deze gebieden zijn in
                                de meeste gevallen onverstoord. Tevens zijn er in deze gebieden
                                archeologische waarden aangetoond.</al></li>
            <li nr="3"><al>Het regime “plannen groter dan 100 m2 én dieper dan 40 cm” wordt
                                voorgesteld, omdat het hierbij gaat om dorpskernen op de strandwal.
                                Deze gebieden zijn van belang, omdat bewoning in deze gebieden al in
                                het verre verleden aanwezig was.</al></li>
            <li nr="4"><al>Het regime “plannen groter dan 500 m2 én dieper dan 40 cm" wordt
                                voorgesteld voor gebieden die op de strandwal liggen en onverstoord
                                zijn, maar waarbij er geen archeologische waarden bekend zijn.</al></li>
            <li nr="5"><al>Het regime “plannen groter dan 2.500 m2 én dieper dan 40 cm” wordt
                                voorgesteld, voor gebieden die weliswaar op de strandwal liggen,
                                maar in het recente verleden al verstoord zijn. Tevens zijn er geen
                                archeologische waarden in deze gebieden bekend.</al></li>
            <li nr="6"><al>Het regime “plannen groter dan 10.000 m2 én dieper dan 40 cm” wordt
                                voorgesteld voor gebieden die recent verstoord zijn én niet op de
                                strandwal liggen. Tevens zijn er geen archeologische waarden in deze
                                gebieden bekend. </al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De archeologische verwachting neemt als het ware per categorie af. Per
                        categorie wordt aangegeven bij welke minimale oppervlakte en diepte onder
                        het maaiveld voorwaarden aan bouw-, aanleg-, of ontheffingen kunnen worden
                        verbonden. Startend met een archeologisch vooronderzoek (zie verder
                        paragraaf 3.4). </al>
          <al/>
          <al>Voor wat betreft de gebruikte dieptemaat (dieper dan 40 cm onder het
                        maaiveld) geeft het Steunpunt cultureel erfgoed Noord-Holland aan dat uit de
                        praktijk is gebleken dat de grond daarboven al verstoord (geroerd) is en dus
                        geen bescherming behoeft. Met betrekking tot de oppervlaktemaat van groter
                        dan 70 m2 kan als toelichting worden opgemerkt dat hiermee aansluiting wordt
                        bewerkstelligd bij de Erfbebouwingsregeling.</al>
          <al/>
          <al>Resultaten van archeologisch veldonderzoek kunnen leiden tot nieuwe
                        inzichten omtrent de aanwezigheid van archeologische waarden en de daarmee
                        verbonden voorwaarden die aan bodemverstorende activiteiten worden gesteld.
                        Bij de regelmatig terugkerende evaluatie van het archeologiebeleid zal de
                        kaart, indien noodzakelijk, worden verfijnd. </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel<cursief>:</cursief></vet>
            </al>
            <al>Wij stellen voor in te stemmen met de archeologische waardenkaart
                            gemeente Heemstede en de daarbij behorende archeologieregimes zoals
                            weergegeven in fig 3.1.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>De archeologische waardenkaart zal voor de ambtelijke organisatie worden
                        vertaald in interne procesbeschrijvingen, zodat het beleid in de praktijk op
                        efficiente wijze kan worden uitgevoerd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.1.1 Uitzonderingen</vet>
          </al>
          <al>De Wamz heeft een afwijkende regeling in geval er sprake is van een aanvraag
                        voor een sloopvergunning binnen het beschermd stads- of dorpsgezicht. in die
                        gevallen dient altijd de verplichting te worden gesteld van archeologisch
                        onderzoek; bij sloopaanvragen binnen het beschermd stads- of dorpsgezicht
                        wordt altijd een archeologisch rapport gevraagd. We merken op dat Heemstede
                        vooralsnog geen beschermde dorpsgezichten kent.</al>
          <al/>
          <al>Voorzover archeologische waarden op grond van de Monumentenwet zijn
                        aangewezen als (deel van een) rijksmonument, gelden alle voorwaarden en
                        verplichtingen die aan rijksmonumenten worden gesteld. In dat geval is bij
                        wijziging aan de zaak een Monumentenvergunning vereist. </al>
          <al/>
          <al>Bij de grondroerende werkzaamheden waarbij noch een archeologisch onderzoek
                        verplicht gesteld kan worden, noch sprake is van een archeologisch
                        rijksmonument, is de gemeente bij grondroerende werkzaamheden afhankelijk
                        van de meldingen van toevalsvondsten. Artikel 53 van de Wamz legt namelijk
                        de vinder een meldingsplicht op.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.2 Relatie waardenkaart - bestemmingsplan</vet>
          </al>
          <al>De Monumentenwet stelt gemeenten verplicht om bij de vaststelling van de
                        bestemming van een gebied of terrein rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige of te verwachten archeologische resten (artikel 38a). In de nieuwe
                        Wet ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan ge(her)positioneerd als het
                        controle-instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente: de
                        opname van archeologie in bestemmingsplannen is als eis geformuleerd. </al>
          <al/>
          <al>In het bestemmingsplan stelt de gemeente (conform artikel 39, 40 en 41 Wamz)
                        voorwaarden aan het uitvoeren van bodemverstorende activiteiten voor die
                        gebieden waarvan is vastgesteld dat ze (potentieel) archeologisch waardevol
                        zijn. Hierdoor krijgt het archeologisch belang een volwaardige plaats in de
                        ruimtelijke ordening. </al>
          <al/>
          <al>Bij de actualisatie van de bestemmingsplannen zal er middels een
                        dubbelbestemming “archeologisch waardevol gebied” rekening worden gehouden
                        met mogelijke archeologische waarden. Hierbij is de Archeologische
                        waardenkaart Heemstede het centrale beleidsinstrument. </al>
          <al/>
          <al>In de komende periode zullen verschillende bestemmingsplannen worden
                        geactualiseerd; de actualisering van het bestemmingsplan Noord-West heeft
                        recent plaatsgevonden. Hierin is, vooruitlopend op de voorliggende nota,
                        reeds uitgegaan van het betreffende archeologieregime, zoals opgenomen in de
                        Archeologische waardenkaart Heemstede. </al>
          <al/>
          <al>Er zijn wettelijk gezien overigens geen termijnen waarbinnen
                        bestemmingsplannen verplicht “archeologie-vriendelijk” of “Malta-proof”
                        moeten worden gemaakt. Zolang bestemmingsplannen echter niet zijn
                        geactualiseerd zouden bodemverstorende activiteiten kunnen plaatsvinden
                        zonder dat met het archeologisch belang rekening wordt gehouden. Dit is een
                        ongewenste situatie, die met de vaststelling van een Erfgoedverordening kan
                        worden opgelost. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.3 Erfgoedverordening Heemstede</vet>
          </al>
          <al>Zolang niet alle bestemmingsplannen zijn geactualiseerd, biedt een
                        zogenoemde erfgoedverordening de nodige bescherming aan archeologische
                        waarden (artikel 38 van de Wamz). De Vereniging Nederlandse Gemeenten
                        adviseert - evenals het Steunpunt cultureel erfgoed Noord-Holland -
                        gemeenten in het geval van verouderde bestemmingsplannen een
                        Erfgoedverordening vast te stellen. </al>
          <al/>
          <al>Wanneer archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied beschermd
                        zijn via planologische voorschriften in het bestemmingsplan of op grond van
                        een Erfgoedverordening kan de gemeente in de hoedanigheid van bevoegd gezag
                        voorwaarden verbinden aan de verlening van een vergunning voor bodemroerende
                        ingrepen (zie verder paragraaf 3.4). </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel:</vet>
            </al>
            <al>Wij stellen voor - in afwachting van de actualisering van
                            bestemmingsplannen - archeologische waarden te beschermen via de
                            vaststelling van een Erfgoedverordening Heemstede.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Tevens zullen er in de Erfgoedverordening voorwaarden worden opgenomen met
                        betrekking tot de compensatie bij excessieve kosten en kosten van
                        toevalsvondsten. Hierop gaan we in het volgende hoofdstuk nader in. Een
                        voorstel voor de vaststelling van de Erfgoedverordening Heemstede (onder
                        intrekking van de Monumentenverordening Heemstede) wordt u separaat
                        voorgelegd. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.4 Vergunningen en ontheffingen: procedure archeologisch
                            onderzoek</vet>
          </al>
          <al>De aanvrager van een reguliere bouwvergunning, aanlegvergunning of
                        ontheffing dient, indien dit op basis van de Archeologische waardenkaart
                        Heemstede noodzakelijk wordt geacht, een archeologisch bureauonderzoek te
                        laten uitvoeren. Het doel is primair het vaststellen van de
                        behoudenswaardigheid van archeologische resten. Indien de gemeente
                        verantwoordelijk is voor een bepaalde vergunningverlening wordt voortaan
                        nagegaan of er archeologische waarden in het geding zijn. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.4.1 Bureauonderzoek</vet>
          </al>
          <al>De cyclus van archeologische monumentenzorg begint met een inventarisatie
                        van wat er van een gebied bekend is. Hierbij wordt informatie verzameld over
                        al bekende vindplaatsen, historische structuren, geologie, bodemgesteldheid,
                        historisch grondgebruik en archeologie ter plaatse. Ook wordt gekeken naar
                        het huidige grondgebruik en of er al verstoringen van het gebied hebben
                        plaatsgevonden. </al>
          <al/>
          <al>Dit bureauonderzoek dient, afhankelijk van de resultaten, aangevuld te te
                        worden met nader onderzoek. Indien er geen archeologische waarden in de
                        grond aanwezig blijken te zijn, zijn er vanuit archeologisch oogpunt geen
                        bezwaren tegen vergunningverleningen of ontheffingen van het
                        bestemmingsplan. </al>
          <al/>
          <al>Indien de rapportage(s) niet voldoet (voldoen) aan de inhoudelijke
                        voorschriften die hiervoor gelden, kan de gemeente, conform de
                        standaardprocedure bij de ontvankelijkheidstoets, binnen 4 weken om
                        aanvullende gegevens vragen. De aanvrager heeft vervolgens maximaal 4 weken
                        de tijd om de aanvullende gegevens aan te leveren. Doet de aanvrager dit
                        niet of is de aanvulling onvoldoende, dan kan de gemeente besluiten de
                        aanvraag verder buiten behandeling te laten. Via het Bamz vindt hiervoor een
                        wijziging plaats van het Besluit Indieningsvereisten aanvraag
                        bouwvergunning. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.4.2 Invetariserend veldonderzoek</vet>
          </al>
          <al>Om op een verantwoorde manier rekening te kunnen houden met de
                        archeologische waarden, is het belangrijk om terreinen met een
                        archeologische verwachting nader te onderzoeken. Dit gebeurt door een
                        veldkartering en slootkantinspectie, waarbij het oppervlak van een
                        toekomstige bouwlocatie wordt belopen om archeologische sporen te traceren
                        en de eventuele zichtbaarheid ervan vast te stellen. Door middel van
                        grondboringen wordt geprobeerd om vindplaatsen die onder een afzettingslaag
                        schuilgaan op te sporen. Ook zal het in sommige gevallen noodzakelijk zijn
                        om proefsleuven te graven, om te weten te komen of er archeologische waarden
                        in de bodem aanwezig zijn. </al>
          <al/>
          <al>Het veldonderzoek mondt uit in een schriftelijke rapportage. Het rapport
                        besluit met een zogenoemd selectieadvies over het vervolgtraject. Op basis
                        van dit selectieadvies neemt het college een selectiebesluit, na het
                        raadplegen van een onafhankelijke senior archeologische adviseur. Hierbij
                        wordt besloten of er aan de vergunningverlening of ontheffing voorwaarden
                        worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden. En zo ja,
                        welke. Met andere woorden, in het selectiebesluit wordt aangegeven welke
                        gevolgen de bevindingen hebben voor de verdere uitwerking van het
                        betreffende plan of besluit. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.4.3 Archeologish vervolgonderzoek</vet>
          </al>
          <al>Bij deze besluitvorming is het behoud van archeologische waarden in situ (in
                        de bodem) het uitgangspunt. We stellen hierbij voor geen onderscheid te
                        maken in de perioden waaruit de archeologische waarden dateren. Anders
                        gezegd, álle historische perioden worden vooralsnog van belang geacht. </al>
          <al/>
          <al>Behoud in situ kan worden gerealiseerd door een archeologisch waardevolle
                        vindplaats buiten ruimtelijke ontwikkelingen te houden of - plantechnisch of
                        civieltechnisch - in te passen in de inrichting van het plangebied.
                        Plantechnische inpassing van archeologie houdt in dat het plan zodanig wordt
                        geherstructureerd dat op de locatie van de archeologische waarden geen
                        bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden. Bij civieltechnische
                        inpassing worden bouwingrepen ter plaatse van de archeologische waarden
                        zodanig uitgevoerd dat aantasting wordt voorkomen of geminimaliseerd. Dit
                        kan worden bereikt door diverse technische maatregelen (bijvoorbeeld door
                        voorwaarden te stellen bij het plaatsen van paalfunderingen). Het ophogen
                        van een plangebied is ook een mogelijkheid om archeologische waarden te
                        beschermen tegen bodemverstorende activiteiten. </al>
          <al/>
          <al>Niet in alle gevallen hoeft het college echter te kiezen voor behoud in
                        situ. Wanneer andere (maatschappelijk of economische) belangen zwaarder
                        wegen - dit ter beoordeling van het college - zal aan de vergunningverlening
                        of ontheffing de voorwaarde worden verbonden dat de aanvrager over dient te
                        gaan tot archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving.
                        Oftewel er wordt besloten tot behoud ex situ. </al>
          <al/>
          <al>Voorafgaand aan de archeologisch vervolgonderzoek - de opgraving - wordt een
                        programma van eisen opgesteld, waarin het uitgevoerde onderzoek wordt
                        samengevat, de verwachtingen worden gegeven wat voor soort archeologische
                        sporen en vondsten aanwezig kunnen zijn en welke bijdrage het onderzoek kan
                        leveren aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen naar de
                        bewoningsgeschiedenis. Ook worden de eisen opgeschreven, die aan de
                        uitvoering van het veldwerk en de rapportage worden gesteld. Een nauwe
                        werkafstemming over het inpassen van het onderzoek, voorafgaand of tijdens
                        het bouwproces, is daarbij een voorwaarde om vertragingen te voorkomen.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Tijdens de opgraving worden de archeologische structuren in kaart
                            gebracht, gefotografeerd en beschreven. Vervolgens wordt de gehele
                            administratie in een digitaal bestand omgezet, zodat de gegevens voor
                            analyse toegankelijk worden. De vondsten en monsters worden na opgraving
                            gedocumenteerd en bewaard in het archeologisch depot. </al>
            <al>Dit conform alle geldende kwaliteitsregels van de Kwaliteitsnorm
                            Nederlandse Archeologie. Het eigendomsrecht komt na opgravingen toe aan
                            de provincie. Vanuit het provinciaal depot kunnen vervolgens vondsten
                            ter beschikking worden gesteld ten behoeve van lokale exposities. </al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Ter toelichting wordt u gewezen op schema 3.2. Hierin is het proces
                        aangegeven dat doorlopen dient te worden, indien een vergunningaanvraag
                        uiteindelijk leidt tot een opgraving. Tevens geeft het schema aan hoe de
                        rolverdeling in het proces is. Iedere stap eindigt met de afweging of er
                        voldoende informatie beschikbaar is om een verantwoorde beslissing over
                        eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Voor de volledigheid wordt nog
                        opgemerkt dat, als er geen archeologische waarden in de grond blijken te
                        zitten of worden verwacht, het proces stopt na stap 4 of 7. </al>
          <al/>
          <al>Er vindt op deze wijze een trechtering plaats van betrekkelijk eenvoudige
                        onderzoeksmethoden in de beginfase, naar meer complexe en kostbare
                        werkzaamheden. Op deze wijze wordt in de ruimtelijke ordening het
                        archeologisch belang meegewogen via een proportionele inzet van middelen.
                        Het spreekt voor zich dat we hierbij grote waarde hechten aan de utwerking
                        van het archeologisch onderzoek: het draagt immers bij aan de
                        kennisvergroting van het Heemsteedse bodemarchief. </al>
          <al/>
          <al>Tevens merken we op dat - zoals uit schema 3.2 duidelijk naar voren komt -
                        het college zich in dit besluitvormingstraject dient te laten adviseren en
                        ondersteunen door een seniorarcheoloog. </al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>Tot slot het volgende. De gemeente Heemstede is niet alleen bevoegd
                            gezag, maar ook initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten. Net
                            als iedere andere “verstoorder” dient zij in de onderhavige gevallen
                            archeologisch (voor)onderzoek uit te laten voeren. Bij aanbesteding van
                            archeologische werkzaamheden gelden dezelfde (Europese)
                            aanbestedingsregels als voor andere overheidsopdrachten. Op basis van de
                            Monumentenwet of de provinciale monumentenverordening zijn ook
                            bodemingrepen op rijks- of provinciaal archeologische monumenten
                            vergunningplichtig. Rijk, respectievelijk provincie treden dan op als
                            bevoegd gezag.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>
            <vet>3.5 Toevalsvondsten</vet>
          </al>
          <al>Hoewel bepaalde kenmerken in het aardoppervlak en/of een goed vooronderzoek
                        de aanwezigheid van archeologische waarden kunnen aangeven, is dat pas zeker
                        na een concrete vondst. Indien na het vooronderzoek geen archeologische
                        sporen aanwezig blijken te zijn, blijft het mogelijk dat tijdens de bouw bij
                        toeval verrassende vondsten worden gedaan. </al>
          <al/>
          <al>Bij een toevalsvondst geldt er een meldingsplicht (artikel 53 van de Wamz).
                        Bij iedere aanleg- en bouwvergunning kan worden gewezen op deze wettelijke
                        meldingsplicht. Indien een vondst van nationale betekenis wordt gedaan,
                        kunnen de werkzaamheden op last van de minister worden stilgelegd ten
                        behoeve van archeologisch onderzoek.</al>
          <al/>
          <al>
            <plaatje>
              <illustratie id="i796ca8b5-5a21-4868-aadf-40c35300066b" naam="i128180i796ca8b5-5a21-4868-aadf-40c35300066b.jpg" type="foto" breedte="14.6cm" hoogte="6.6cm"/>
              <bijschrift>Fig. 5.1. Het Romeinse schip dat in 2003 bij
                                graafwerkzaamheden op de Nieuwe Markt in Woerden bij toeval werd
                                ontdekt.</bijschrift>
            </plaatje>
          </al>
          <tussenkop> 3.2 Schema besluitvormingstraject aanvraag vergunning -
                        opgraving</tussenkop>
          <table frame="all">
            <tgroup cols="4" colsep="1" rowsep="1">
              <colspec colname="col1" colwidth="219.00pt"/>
              <colspec colname="col2" colwidth="1.00*"/>
              <colspec colname="col3" colwidth="1.13*"/>
              <colspec colname="col4" colwidth="1.25*"/>
              <thead>
                <row rowsep="0">
                  <entry colname="col1" rowsep="0">
                    <al>Gemeente</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Initiatiefnemer</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>Archeologisch senior-adviseur</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>Archeologisch bedrijf </al>
                  </entry>
                </row>
              </thead>
              <tbody>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>Gemeente, particulier, projectontwikkelaar</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>(gecertificeerd)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>(gecertificeerd)</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>1. Vraagt vergunning aan in verband met
                                            planrealisatie</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>2. Stelt op basis van de archeologische beleidskaart de
                                            initiatiefnemer de eis tot archeologisch bureauonderzoek
                                            (archeologisch vooronderzoek)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>3. Geeft opdracht tot bureauonderzoek</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>4. Verricht bureauonderzoek, leidend tot archeologisch
                                            advies</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>5. Stelt aan initiatiefnemer de eis tot inventariserend
                                            veldonderzoek (archeologisch vooronderzoek)</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>6. Geeft opdracht voor uitvoering inventariserend
                                            veldonderzoek</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>7. Voert inventariserend velonderzoek uit en verzorgt de
                                            rapportage (vooronderzoek)</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>8. Analyseert en interpreteert resultaten van het
                                            inventariserend veldonderzoek in de vorm van een
                                            selectieadvies</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>9. Neemt selectiebesluit op basis van
                                            selectieadvies</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>10. Geeft opdracht tot opstellen van het programma van
                                            eisen voor definitieve opgraving</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>11. Stelt het programma van eisen op voor definitieve
                                            opgraving</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>12. Keurt programma van eisen goed</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>13. Geeft opdracht tot directievoering van de
                                            definitieve opgraving</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al>14.Geeft opdracht tot uitvoering van de definitieve
                                            opgraving</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>15. Realiseert directievoering tijdens de definitieve
                                            opgraving</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al>15a. Voert de definitieve opgraving uit en verzorgt de
                                            rapportage</al>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al>16. Adviseert de bevoegde overheid over de
                                            rapportage</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
                <row>
                  <entry colname="col1">
                    <al>17. Keurt de rapportage goed</al>
                  </entry>
                  <entry colname="col2">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col3">
                    <al/>
                  </entry>
                  <entry colname="col4">
                    <al/>
                  </entry>
                </row>
              </tbody>
            </tgroup>
          </table>
          <al/>
          <al>
            <vet>4. ARCHEOLOGIE EN FINANCIEN</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.1 Algemene uitvoeringskosten gemeente</vet>
          </al>
          <al>De kosten die met archeologie gemoeid zijn, worden grotendeels binnen de
                        betreffende projectbegroting van de initiatiefnemer van de bodemverstorende
                        activiteit opgenomen. Dit vanuit de gedachte dat de “verstoorder betaalt”.
                        Ook voor de gemeente is echter sprake van het maken van kosten. De kosten
                        die voor rekening van de gemeente komen betreffen de archeologische
                        advisering, het schrijven of toetsen van een Programma van Eisen, het
                        toetsen van archeologische rapportages, en het toezicht tijdens de
                        uitvoering van opgravingen. Hiervoor dient een seniorarcheoloog te worden
                        ingeschakeld. Gemeenten die geen archeoloog in dienst hebben, zoals
                        Heemstede, kunnen deze inhuren bij de Stichting Cultureel Erfgoed
                        Noord-Holland. Hierbij zijn twee opties mogelijk:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>het sluiten van een detacheringsovereenkomst voor een vast aantal
                                uren per week of per maand;</al></li>
            <li nr="b."><al>het vooraf kopen van een strippenkaart van 20, 40, 60 uur of meer.
                                De strippenkaart heeft een onbeperkte geldigheidsduur.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De Stichting Cultureel Erfgoed Noord-Holland heeft aangegeven dat het in de
                        verwachting ligt dat voor de gemeente Heemstede de jaarlijkse inzet van een
                        seniorarcheoloog maximaal 40 uur zal omvatten. Een strippenkaart van 40 uur
                        kost € 3.400. </al>
          <al/>
          <al>Voor de algemene uitvoeringskosten van gemeenten, wordt door het rijk een
                        tegemoetkoming (bestuurslastenvergoeding) verstrekt. Heemstede ontvangt
                        hiervoor op jaarbasis een bedrag van € 10.000. De jaarlijkse dekking van de
                        inzet van de seniorarcheoloog kan hieruit worden bekostigd.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel</vet>
            </al>
            <al>We stellen voor ten behoeve van taken binnen het archeologiebeleid
                            waarvoor een seniorarcheoloog vereist is de ondersteuning in te
                            schakelen van Stichting Cultureel Erfgoed Noord-Holland. Dit in de vorm
                            van de (jaarlijkse) aankoop van een strippenkaart voor 40 uur
                            ondersteuning. De kosten hiervan bedragen € 3.400. Deze structurele
                            uitgave kan ten laste worden gebracht van de jaarlijkse door het rijk
                            verstrekte bestuurslastenvergoeding ad € 10.000.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>De rest van het jaarlijkse bestuurslastenbudget (€ 6.600) kan worden ingezet
                        voor archeologische activiteiten, gericht op informatievoorziening.
                        Bijvoorbeeld het ontwikkelen van educatieve mogelijkheden, tentoonstellingen
                        of open dagen bij opgravingen. We zullen hier in hoofdstuk 5 nader op
                        ingaan. </al>
          <al/>
          <al>Ook de organisatie zal worden geconfronteerd met extra werkzaamheden,
                        voornamelijk op het gebied van beleid en advies, toetsing, regie,
                        communicatie en educatie. We gaan er vanuit dat deze taken binnen het
                        bestaande takenpakket van de verschillende afdelingen kunnen worden
                        uitgevoerd. Bij de regelmatig uit te voeren evaluatie zal ook deze inzet
                        worden bezien. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.2 Projectkosten: veroorzaker-betaalt-principe</vet>
          </al>
          <al>Een belangrijk uitgangspunt van de Wamz is de introductie van het
                        veroorzakerprincipe. Initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten zijn
                        in beginsel verplicht de kosten van het benodigde archeologische onderzoek
                        voor hun rekening te nemen. Dit vanuit het idee dat een zekere financiële
                        prikkel kan stimuleren dat wordt gezocht naar initiatieven, zonder het
                        archeologische bodemarchief te verstoren. En kan bijdragen aan bewustmaking
                        van het historisch erfgoed.</al>
          <al/>
          <al>Indien een archeologisch onderzoek als voorwaarde wordt gesteld bij de
                        verlening van een reguliere bouwvergunnning, een aanlegvergunning of een
                        ontheffing, zijn de uitvoering en de kosten de verantwoordelijkheid van de
                        initiatiefnemer. De kosten dienen ten laste van het project te worden
                        gebracht. De gemeente Heemstede valt overigens als (mede)initiatiefnemer van
                        bodemverstorende projecten ook onder dit principe.</al>
          <al/>
          <al>Omdat er sprake is van een nieuwe situatie, is het niet mogelijk om op dit
                        moment een uitspraak te doen over de exacte financiële consequenties voor
                        initiatiefnemers. De kosten van archeologisch onderzoek zijn sterk
                        afhankelijk van de grootte van het plangebied, de aard van de
                        bodemverstorende activiteiten en de aard en hoeveelheid van de aangetroffen
                        archeologische waarden. Om een indruk te geven van de prijzen van het
                        archeologische vooronderzoek: een archeologisch bureauonderzoek kost
                        gemiddeld circa € 500 à € 1.000, een inventariserend veldonderzoek door
                        middel van boringen € 2.000 à € 4.000. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.3 Excessieve kosten</vet>
          </al>
          <al>Allereerst zijn de kosten voor de veroorzaker. Het kan echter voorkomen dat
                        de kosten van archeologisch onderzoek zeer hoog zijn ten opzichte van de
                        totale investeringslasten. Uit de toelichting op de Wamz en Bamz blijkt dat
                        vooral gedacht moet worden aan kosten in verband met opgravingen. </al>
          <al/>
          <al>De Wamz spreekt in dit geval van schade die een aanvrager lijdt en die
                        redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven. Bij
                        dergelijke schade (excessieve kosten) kan de initiatiefnemer op grond van de
                        Wamz de gemeente verzoeken een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                        toe te kennen. Deze billijkheid is afhankelijk van een aantal aspecten: </al>
          <lijst>
            <li nr="·"><al>de kenbaarheid van het risico</al></li>
            <li nr="·"><al>de voorzienbaarheid van het risico</al></li>
            <li nr="·"><al>de vermijdbaarheid van het risico</al></li>
            <li nr="·"><al>de redelijke verhouding van het archeologisch belang ten opzichte
                                van de kosten</al></li>
            <li nr="·"><al>de redelijke verhouding tot het economisch voordeel dat met de
                                bodemverstorende activiteiten wordt verkregen</al></li>
            <li nr="·"><al>de redelijke verhouding tot de draagkracht van de veroorzaker.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Via de Archeologische Waarderingskaart Heemstede, in de toekomst gekoppeld
                        aan nieuwe bestemmingsplannen, zijn de gebieden met een (hoge)
                        archeologische verwachting bekend. Indien door een initiatiefnemer wordt
                        besloten om in gebieden met een hoge archeologische verwachting
                        ontwikkelingen te laten plaatsvinden, leidt vroegtijdig archeologisch
                        vooronderzoek tot voorzienbaarheid ten aanzien van de aanwezige waarden. Dit
                        kan bij de initiatiefnemer leiden tot een afweging om het risico te
                        vermijden, bijvoorbeeld door planaanpassing of door af te zien van een
                        ontwikkeling op de betreffende locatie. De redelijke verhoudingen zoals
                        genoemd bij de laatste 3 aandachtsstreepjes zijn lastiger te concretiseren.
                        De wetgever laat de beoordeling over aan het bestuursorgaan. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Billijkheidsgrens</vet>
          </al>
          <al>In hoeverre kosten al dan niet ten laste komen van de aanvrager
                        (initiatiefnemer) is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een
                        regeling voor de vergoeding van de excessieve archeologische
                        onderzoekskosten geeft de wetgever niet, die moeten gemeenten zelf
                        ontwikkelen. Wij stellen voor in deze op te stellen regeling, naast de
                        hierboven genoemde billijkheidsaspecten, het volgende op te nemen:</al>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>Een particulier (natuurlijk persoon) in verband met een
                                archeologisch (voor)onderzoek ten behoeve van een (op te richten)
                                bebouwing, die gebruikt wordt of zal worden als zijn
                                hoofdwoonverblijf dient in ieder geval de kosten van dit onderzoek
                                voor zijn rekening te nemen, voorzover deze minimaal 10% van de
                                totale projectkosten* bedragen. </al><al>Ter toelichting het volgende voorbeeld. Indien een bebouwingsproject
                                in totaal € 100.000 kost, wordt er vanuit gegaan dat de kosten van
                                het archeologische (voor)onderzoek tot € 10.000 in ieder geval voor
                                rekening van de particuliere initiatiefnemer komen. Indien de kosten
                                van het betreffende onderzoek € 15.000 bedragen, kan de
                                initiatiefnemer voor het bedrag van € 5.000 een verzoek tot een
                                tegemoetkoming in de kosten indienen.</al><al/></li>
            <li nr="b."><al>De initiatiefnemer, zijnde een natuurlijke persoon die niet aan de
                                bovengenoemde voorwaarden voldoet of een rechtspersoon, dient de
                                kosten voor archeologisch (voor)onderzoek geheel te dragen, tenzij
                                er zeer bijzondere omstandigheden zijn, dit ter beoordeling van het
                                college van burgemeester en wethouders. </al><al/></li>
          </lijst>
          <al>
            <onderstreept>Ad a</onderstreept>
          </al>
          <al>Een percentage van 10% wordt redelijk geacht. Bij het aanvragen van een
                        reguliere bouwvergunning, een aanlegvergunning, of een ontheffing van het
                        bestemmingsplan, kunnen initiatiefnemers van bodemverstorende activiteiten
                        zich immers via de Archeologische waardenkaart Heemstede op de hoogte
                        stellen van de archeologische verwachting van het plangebied. Zij kunnen
                        hier vervolgens rekening mee houden bij hun plannen en maatregelen treffen
                        om behoud van de verwachte archeologische waarden te bewerkstelligen en
                        kosten van mogelijk archeologisch onderzoek te beperken. </al>
          <al/>
          <al>Voor kosten boven de billijkheidsgrens van 10% van de bruto projectkosten,
                        in het kader van projecten van particulieren genoemd onder sub a, zullen de
                        (toetsing)voorwaarden worden vastgelegd in de op te stellen
                        Erfgoedverordening Heemstede (paragraaf 3.3). Daardoor ontstaat een
                        transparante en toetsbare systematiek. Naast de voorwaarden genoemd onder
                        sub a, bestaan de toetsingsvoorwaarden uit de zes, reeds genoemde,
                        "billijkheidsaspecten". Voor de volledigheid merken we nog op dat we met het
                        bovenstaande aansluiten bij de systematiek met betrekking tot de compensatie
                        van excessieve kosten van de gemeente Haarlem. We zullen in de
                        Erfgoedverordening Heemstede tevens nadere criteria formuleren met
                        betrekking tot de maximale tegemoetkoming die per geval aan compensatie kan
                        worden verstrekt.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel</vet>
            </al>
            <al>We stellen voor alleen de mogelijkheid van compensatie van excessieve
                            kosten van een archeologisch (voor)onderzoek te bieden indien sprake is
                            van: een particulier (natuurlijk persoon) die een archeologisch
                            (voor)onderzoek dient uit te voeren met betrekking tot bebouwing, die
                            gebruikt wordt of zal worden als zijn hoofdwoonverblijf. De
                            onderszoekskosten komen tot een percentage van 10% van de totale bruto
                            projectkosten voor rekening van de initiatiefnemer. Hierboven kan pas
                            sprake zijn van excessieve kosten waarvoor een compensatie aan het
                            college kan worden gevraagd.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>Over de hoogte van de totale kosten van het toekennen van vergoeding van
                        excessieve kosten voor archeologisch onderzoek kan, gezien het feit dat er
                        op dit moment nog geen ervaring is, geen uitspraak worden gedaan. Gezien het
                        vermoedelijk incidenteel karakter ligt het niet in de rede hiervoor op dit
                        moment een voorstel voor een structureel budget voor te doen. Wel stellen we
                        de volgende incidentele inzet voor.</al>
          <al/>
          <al>Bruto projectkosten: de directe projectactiviteiten (waaronder arbeidsuren,
                        materiaal, onderaannemers, algemene bouwplaatskosten (maximaal 8%), algemene
                        bedrijfskosten (maximaal 5%), onvoorzien (maximaal 5%) en stelposten) en
                        indirecte projectactiviteiten (waaronder directiekosten zoals
                        werktekeningen, toezicht, adviseurs (totaal maximaal 9%)).</al>
          <al/>
          <al>Voor wat betreft het eerder genoemde (paragraaf 4.1) bestuurslastenbudget
                        dat structureel door het rijk wordt verstrekt, zijn de jaarlijkse
                        overschotten van voorgaande jaren ad € 28.600 gereserveerd. We stellen voor
                        dit gereserveerde budget in te zetten ten behoeve van mogelijke aanvragen in
                        het kader van excessieve kosten.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel</vet>
            </al>
            <al>We stellen voor de (toetsings)voorwaarden, waaraan dient te worden
                            voldaan om voor een tegemoetkoming in de excessieve kosten in aanmerking
                            te kunnen komen, vast te leggen in de op te stellen Erfgoedverordening
                            Heemstede. Tevens stellen we voor nadere criteria te formuleren met
                            betrekking tot de maximale tegemoetkoming die per geval als compensatie
                            voor de excessieve kosten kan worden verstrekt. Tot slot stellen we voor
                            het gereserveerde budget dat is opgebouwd uit de jaarlijkse overschotten
                            van de tot nu toe verstrekte bestuurslastenvergoeding (totaal € 28.600)
                            in te zetten ten behoeve van mogelijke aanvragen in het kader van
                            excessieve kosten.</al>
          </al-groep>
          <al/>
          <al>
            <vet>Gemeente als initiatiefnemer</vet>
          </al>
          <al>Excessieve kosten voor archeologisch onderzoek ten gevolge van
                        bodemverstorende projecten, waarbij de gemeente initiatiefnemer is, komen
                        ten laste van de betreffende projectbegroting. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>4.4 Kosten van toevalsvondsten</vet>
          </al>
          <al>Ook kan er sprake zijn van toevalsvondsten. Onder toevalsvondsten wordt
                        verstaan: archeologische resten (objecten en sporen) die “anders dan bij het
                        doen van opgravingen” worden aangetroffen, maar waarvan de vinder “weet, dan
                        wel redelijkerwijs moet vermoeden” dat het van oudheidkundige waarde is. Als
                        de vinder niet tot doel had archeologische vondsten op te sporen dan spreekt
                        men van een toevalsvondst.</al>
          <al/>
          <al>Omdat dergelijke vondsten wel gemeld (Wamz art. 53) en nader onderzocht
                        moeten worden, zal de verdere handelswijze van geval tot geval moeten worden
                        afgewogen. De initiatiefnemer kan bij het college op grond van de Wamz
                        aanspraak maken op vergoeding van daaruit voortvloeiende kosten (een
                        mogelijke opgraving), te bepalen naar redelijkheid en billijkheid.</al>
          <al/>
          <al>Als de archeologische belangen op de juiste wijze worden meegenomen in het
                        planproces zullen toevalsvondsten nauwelijks voorkomen. In die gevallen dat
                        een toevalsvondst zich wel voordoet, betekent het niet automatisch dat dit
                        tot kosten voor de gemeente zal leiden. Hier vindt een afweging plaats van
                        de redelijkheid, de billijkheid en de importantie van de betrokken
                        archeologische waarden. Gezien het vermoedelijk zeer incidentele karakter
                        ligt het niet in de rede hiervoor op dit moment een voorstel voor een
                        regeling en een budget te doen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5. ARCHEOLOGIE EN INFORMATIEVOORZIENING</vet>
          </al>
          <al>Archeologiebeleid is voor de gemeente geheel nieuw. Dat betekent dat er
                        gezocht moet gaan worden naar draagvlak binnen de gemeente. En naar manieren
                        om de verschillende doelgroepen te bereiken (zoals initiatiefnemers, burgers
                        in het algemeen en jeugd). </al>
          <al/>
          <al>We zien het als een uitdaging om het belang van archeologie op zodanige
                        wijze uit te dragen dat het maatschappelijk draagvlak voor het behoud van
                        sporen uit het verleden wordt vergroot. We kennen daarom in ons beleid een
                        belangrijke rol toe aan publieksinformatie, - educatie en -participatie in
                        de ruimste zin van het woord. Deze aspecten zien we als belangrijke
                        voorwaarden voor het welslagen van ons archeologiebeleid.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5.1 Publieksinformatie: folders, website, pers</vet>
          </al>
          <al>Het openbaar maken van archeologische gegevens heeft mede tot doel het
                        publiek kennis te laten nemen van het eigen archeologische erfgoed. Hierdoor
                        kan het cultuurhistorisch besef en het begrip voor het streven naar behoud
                        in situ worden vergroot. Aan publieksinformatie en publiekseducatie op het
                        gebied van archeologie wordt in het archeologiebeleid van de gemeente
                        Heemstede een belangrijke rol toegekend. Dit willen we doen op een
                        laagdrempelige, aantrekkelijke en op de actualiteit inspelende manier. Wij
                        willen een actief communicatiebeleid voeren op het gebied van archeologische
                        monumentenzorg, zodat de consequenties van het archeologiebeleid van meet af
                        aan voor iedereen helder zijn. Zo dient voor alle Heemsteeds inwoners - en
                        met name ook voor initiatiefnemers - duidelijk te zijn waar én waarom in
                        bepaalde gebieden archeologisch onderzoek noodzakelijk is. En wat de
                        Archeologische waardenkaart Heemstede betekent. Dit geldt temeer nu
                        wettelijk sprake is van het "veroorzaker-betaalt-principe". We willen de
                        communicatie hierover breed vormgeven via een huis-aan-huis te verspreiden
                        publieksfolder en het inzetten van onze gemeentelijke website. </al>
          <al/>
          <al>Maar de informatievoorziening dient verder te gaan dan informatie over de
                        Archeologische waardenkaart Heemstede. Het geregeld informeren van de
                        bevolking over de resultaten van actueel archeologisch onderzoek is voor ons
                        een belangrijk punt van aandacht. Archeologie zal op de website toegankelijk
                        worden gemaakt voor een breder publiek (inclusief scholieren). Informatie
                        over het Heemsteedse archeologiebeleid, het Heemsteedse verleden, oude en
                        lopende opgravingen en een database van de collectie van vondsten kan op de
                        site worden geplaatst. En de presentatie van nieuw beleid, een bijzondere
                        archeologische vondst, een opgraving en een expositie bieden volop
                        aanknopingspunten om actief de pers te benaderen, op lokaal en regionaal
                        niveau. Regelmatige publieksinformatie kan burgers een beter beeld geven van
                        de noodzaak van archeologiebeleid.</al>
          <al/>
          <al>Door de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek is aangegeven dat zij
                        graag een rol speelt bij de bevordering van de publieksinformatie en in dit
                        kader onder andere haar medewerking wil verlenen aan het publiceren over
                        archeologie (bijvoorbeeld via haar tijdschrift Heerlijkheden en/of via haar
                        website). Wij zullen van dit aanbod gebruikmaken en bij de uitwerking van
                        ons communicatiebeleid de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek
                        intensief betrekken.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5.2 Tentoonstellingen</vet>
          </al>
          <al>Voor de verspreiding van kennis van de Heemsteedse bewoningsgeschiedenis en
                        de educatie daarover hechten we tevens grote waarde aan tentoonstellingen.
                        Zo kunnen de archeologische vondsten die in het provinciale depot zijn
                        opgeslagen worden gebruikt voor exposities. De expositie in de openbare
                        bibliotheek uit 2009 van vondsten die zijn gedaan rondom het Oude Slot is
                        hier een voorbeeld van. We stellen voor om jaarlijks minimaal 1
                        tentoonstelling te organiseren, bijvoorbeeld in de Burgerzaal, over
                        uiteenlopende archeologische onderwerpen. Hierbij kan zoals aangegeven
                        gebruik worden gemaakt van de Heemsteedse vondsten en beschrijvingen uit het
                        provinciale depot.</al>
          <al/>
          <al>Ook willen we de mogelijkheid onderzoeken om te komen tot een meer
                        permanente vorm van tentoonstellen van het cultuurhistorische erfgoed
                        (inclusief archeologie). Op die manier kunnen de inwoners van Heemstede op
                        een laagdrempelige wijze in contact worden gebracht met het cultureel
                        erfgoed van de gemeente. Verschillende gemeenten kennen in dit verband een
                        zogenoemd Historisch Informatiepunt (HIP) of een Historische Ontmoetingsplek
                        (HOP). De Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek heeft aangegeven graag
                        te willen meedenken over de mogelijkheden om invulling te geven aan een meer
                        permanente vorm van het in contact brengen van de bevolking met
                        archeologische vondsten en historische voorwerpen. Ook de Stadsbibliotheek
                        Haarlem en omstreken heeft aangegeven te willen onderzoeken wat de
                        mogelijkheden van een HIP of een HOP in Heemstede zijn.</al>
          <al/>
          <al>Hiernaast willen we extra activiteiten op het gebied van archeologie
                        organiseren bij speciale gelegenheden, zoals de Open Monumentendag. </al>
          <al/>
          <al>De kosten van de bovenstaande (structurele) activiteiten kunnen naar
                        verwachting worden gedekt uit het restant - na bekostiging van de inzet van
                        een seniorarcheoloog - van het jaarlijkse bestuurslastenbudget (zie
                        paragraaf 4.1), zijnde € 6.600. Ook de kosten van de eerder genoemde
                        publieksmateriaal en de in paragraaf 5.3. genoemde open dagen bij
                        opgravingen kunnen ten laste worden gebracht van dit budget. </al>
          <al/>
          <al>We stellen voor de mogelijke restanten van de bestuurslastenvergoeding per
                        2010 te reserveren ten behoeve van archeologische activiteiten, zoals
                        genoemd in dit hoofdstuk. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5.3 Open dagen opgravingen</vet>
          </al>
          <al>Veel mensen hebben belangstelling voor het leven dat zich vroeger afspeelde
                        in hun eigen stad, dorp, wijk of straat. Deze betrokkenheid willen we graag
                        vergroten. Vooral het uitvoerende archeologische werk, een opgraving, trekt
                        veel belangstelling. Het archeologische verleden kan dan ook meer gaan leven
                        door het organiseren van open dagen tijdens een opgraving. Opgravingen zijn
                        tevens bij uitstek geschikt om de schoolgaande generatie te enthousiasmeren.
                        De resultaten daarvan leveren dan ook een belangrijke bijdrage aan het
                        cultuurhistorische besef binnen de gemeente.</al>
          <al/>
          <al>De Historische Vereniging Heemstede Bennebroek kan bij het organiseren van
                        dergelijke open dagen een rol spelen. </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5.4 Educatieve projecten jeugd</vet>
          </al>
          <al>Deze vereniging kan tevens een rol spelen bij het opzetten van educatieve
                        projecten over het Heemsteedse archeologische erfgoed voor jongeren. De
                        jeugd is een belangrijke doelgroep met het oog op de toekomstige omgang met
                        het archeologisch erfgoed. Door kinderen in het basis- en voortgezet
                        onderwijs kennis te laten maken met archeologie, kan het inzicht in het
                        belang van het cultuurhistorisch bodemarchief bij hen worden vergroot. We
                        willen educatieve projecten per 2011 - met prioriteit - subsidiëren vanuit
                        het budget Lokaal culturele initiatieven.</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>5.5 Informatie bij archeologische waarden</vet>
          </al>
          <al>Niet alleen zijn we van mening dat het archeologisch erfgoed van wezenlijk
                        belang is voor vergroting van de kennis van de historie van Heemstede, ook
                        zien we het belang van cultuurhistorie in het algemeen als inspiratiebron
                        voor de ruimtelijke inrichting en als kwaliteitsimpuls voor de leefomgeving.
                        Ook informatie over en bij archeologisch waardevolle objecten draagt bij aan
                        het inzicht van de bevolking in het Heemsteedse archeologische erfgoed.
                        Bijvoorbeeld in de vorm van informatiepanelen. Een voorbeeld hiervan de
                        informatie met betrekking tot het vroegere kasteel van Het Oude Slot. Het
                        sloteiland - gelegen aan de zuidkant van de Vredesbrug - is enige jaren
                        geleden vergroot tot de contouren van de oude fundamenten van het vroegere
                        kasteel. Hierdoor is een belangrijk onderdeel van de Heemsteedse
                        cultuurhistorie zichtbaar gemaakt, zonder dat de oude fundamenten aan de
                        buitenlucht bloot gesteld worden. Tevens is, in samenwerking met de
                        Historische Vereniging Heemstede Bennebroek, een informatiebord aangebracht
                        dat een beeld geeft van de indeling van het vroegere kasteel. </al>
          <al/>
          <al>De indeling van het vroegere kasteel kan volgens ons nóg explicieter gemaakt
                        worden door deze indeling boven de grond aan te brengen via enigszins
                        verhoogde markeringen. We willen in samenwerking met de Historische
                        Vereniging Heemstede Bennebroek hier uitvoering aan geven. Voor de
                        uitvoering van dit project kan(een gedeelte van) het voor de culturele
                        invulling van het gebied gereserveerde ISV-budget (bijna € 60.000) worden
                        ingezet. Met deze visualisering gaat het verleden leven en kan de kennis en
                        de beleving van de lokale geschiedenis verder worden vergroot.</al>
          <al-groep>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorstel:</vet>
            </al>
            <al>Wij stellen voor een actief informatie- en communicatiebeleid te voeren
                            op het gebied van archeologie. Hiertoe willen we overgaan
                                tot<cursief>:</cursief></al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>het (laten) opstellen van publieksmateriaal over o.a.
                                    archeologische waarden in Heemstede en bijvoorbeeld via de inzet
                                    van de gemeentelijke website</al></li>
              <li nr="·"><al>het organiseren van tentoonstellingen (minimaal 1 per jaar)</al></li>
              <li nr="·"><al>het nader onderzoeken van de instelling van een permanente vorm
                                    van het tentoonstellen van archeologisch erfgoed en overige
                                    historische voorwerpen</al></li>
              <li nr="·"><al>educatieve projecten op het gebied van archeologie ondersteunen
                                    via het budget Lokaal culturele initiatieven</al></li>
              <li nr="·"><al>open dagen bij opgravingen organiseren</al></li>
              <li nr="·"><al>informatie bij de archeologische waarden aanbrengen; hierbij
                                    wordt in ieder geval gedacht aan het expliciet maken van de
                                    vroegere indeling van het vroegere kasteel van Het Oude
                                    Slot.</al></li>
            </lijst>
          </al-groep>
        </tekst>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld door de raad op 24 juni 2010</al></slotformulering></regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1</nr>
          <titel>Wet op de archeologische monumentenzorg</titel>
        </kop>
        <al>Staatsblad </al>
        <al>van het Koninkrijk der Nederlanden </al>
        <al/>
        <al>Jaargang 2007 </al>
        <al>42 </al>
        <al/>
        <al>Wet van 21 december 2006 tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele
                    andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband
                    met de implementatie van het Verdrag van Valletta (Wet op de archeologische
                    monumentenzorg) </al>
        <al/>
        <al>Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
                    Oranje-Nassau, enz. enz. enz. </al>
        <al/>
        <al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: </al>
        <al/>
        <al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven
                    aan het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen Europees Verdrag inzake
                    de bescherming van het archeologisch erfgoed (herzien), dat bij Rijkswet van 26
                    februari 1998 (Stb.196) voor het gehele Koninkrijk is goedgekeurd, en dat het
                    ook overigens wenselijk is aanvullende voorschriften te stellen ten behoeve van
                    de archeologische monumentenzorg en in verband daarmee de Monumentenwet 1988 en
                    enkele andere wetten te wijzigen; </al>
        <al/>
        <al>Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
                    Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
                    verstaan bij deze: </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL I</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De Monumentenwet 1988 wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <al/>
        <al>A </al>
        <al>Aan artikel 14 worden twee leden toegevoegd, luidende: </al>
        <al/>
        <al>3. Indien een aanvraag om vergunning een archeologisch monument betreft, kan
                    Onze minister een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het
                    terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze
                    minister in voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
                    met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het derde
                    lid.</al>
        <al/>
        <al>B </al>
        <al>Aan artikel 19 wordt een derde lid toegevoegd, luidende: </al>
        <al/>
        <al>3. Indien de vergunning een archeologisch monument betreft, kunnen daaraan in
                    ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:</al>
        <al>a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor
                    monumenten in de bodem kunnen worden behouden;</al>
        <al>b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of</al>
        <al>c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten
                    begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische
                    monumentenzorg die voldoet aan door Onze minister bij de vergunning te stellen
                    kwalificaties.</al>
        <al/>
        <al>C</al>
        <al>In artikel 21, eerste lid, onder b, vervalt: , eerste lid,. </al>
        <al/>
        <al>D</al>
        <al>De aanduiding «Hoofdstuk III. Subsidie» wordt vervangen door: </al>
        <al>Hoofdstuk III. Subsidies en specifieke uitkeringen </al>
        <al/>
        <al>E</al>
        <al>Na artikel 34 wordt een nieuw artikel 34a ingevoegd, luidende: </al>
        <al/>
        <al>Artikel 34a</al>
        <al>1. Onze minister kan, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen
                    regels, aan een gemeente of provincie een specifieke uitkering verstrekken voor
                    de bestrijding van de kosten van het doen van opgravingen, voor zover die kosten
                    in redelijkheid niet volledig ten laste dienen te komen van:</al>
        <al>a. degene die tot het doen van opgravingen is verplicht;</al>
        <al>b. de gemeente waarvan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders tot het
                    doen van de opgravingen heeft onderscheidenlijk hebben verplicht;of</al>
        <al>c. de provincie waarvan provinciale staten of gedeputeerde staten tot het doen
                    van de opgravingen hebben verplicht.</al>
        <al>2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op:</al>
        <al>a. de criteria op grond waarvan de uitkering kan worden verstrekt;</al>
        <al>b. de wijze waarop het uitkeringsbedrag wordt bepaald;</al>
        <al>c. de aanvraag van een uitkering;</al>
        <al>d. de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verleend;</al>
        <al>e. de verplichtingen van de ontvanger van de uitkering;</al>
        <al>f. de vaststelling van de uitkering; en</al>
        <al>g. de betaling en terugvordering van de uitkering, alsmede het verlenen van
                    voorschotten.</al>
        <al>3. Onze minister kan de schadebeoordelingscommissie, bedoeld in artikel 23,
                    advies vragen over verzoeken om specifieke uitkeringen als bedoeld in het eerste
                    lid. De artikelen 24 tot en met 29 zijn daarbij niet van toepassing.</al>
        <al>4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene
                    maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
                    aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de
                    overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn
                    buiten een reces van de kamers valt.</al>
        <al/>
        <al>E1</al>
        <al>Artikel 37, derde lid, wordt vervangen door drie nieuwe leden, luidende:</al>
        <al>3. Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager van een sloopvergunning als
                    bedoeld in het eerste lid verplichten een rapport over te leggen waarin de
                    archeologische waarde van de bodem onder het af te breken bouwwerk naar het
                    oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>4. Aan een sloopvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang
                    van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden met
                    betrekking tot de wijze van slopen.</al>
        <al>5. De artikelen 21 en 22 van de Wet op de stads-en dorpsvernieuwing zijn van
                    toepassing.</al>
        <al/>
        <al>F</al>
        <al>De aanduiding «Hoofdstuk V. Opgravingen en vondsten» wordt geplaatst na artikel
                    37 en wordt vervangen door: Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg. </al>
        <al/>
        <al>G</al>
        <al>De artikelen 38 tot en met 73 worden vervangen door de artikelen 38 tot en met
                    70, luidende: </al>
        <al/>
        <al>§ 1. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en vrijstellingen</al>
        <al/>
        <al>Artikel 38</al>
        <al>1. De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij
                    verordening onder meer:</al>
        <al>a. regels vaststellen met betrekking tot de eisen die burgemeester en wethouders
                    kunnen stellen aan onderzoek in het kader van het doen van opgravingen; of</al>
        <al>b. gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders kunnen afzien van
                    nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende
                    verplichtingen.</al>
        <al>2. Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een
                    gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38a is vastgesteld,
                    blijft die verordening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in
                    strijd is.</al>
        <al>3. Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid is
                    afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 38a</al>
        <al>1. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld
                    in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bij de bestemming van de
                    in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te
                    verwachten monumenten.</al>
        <al>2. Voor zover de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor de gemeente tot
                    kosten leidt als gevolg van het doen van opgravingen, kunnen die kosten worden
                    verhaald op degenen ten behoeve van wie medewerking wordt verleend als bedoeld
                    in artikel 42, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening volgens bij de
                    exploitatieverordening, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, te stellen
                    voorschriften.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 39</al>
        <al>1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
                    monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening verplicht worden gesteld.</al>
        <al>2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
                    monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een
                    rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat
                    blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en
                    wethouders in voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>3. Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval de
                    volgende voorschriften worden verbonden:</al>
        <al>a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor
                    monumenten in de bodem kunnen worden behouden;</al>
        <al>b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of</al>
        <al>c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten
                    begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische
                    monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning
                    te stellen kwalificaties.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 40</al>
        <al>1. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
                    monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een reguliere bouwvergunning
                    als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet een rapport dient over
                    te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.</al>
        <al>2. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische
                    monumentenzorg worden bepaald dat aan een reguliere bouwvergunning als bedoeld
                    in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voorschriften kunnen worden
                    verbonden als bedoeld in artikel 39, derde lid.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 41</al>
        <al>1. De aanvrager van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in de artikelen 15,17
                    of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan in het belang van de
                    archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen,
                    waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal
                    worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders of, in geval
                    van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet, naar
                    het oordeel van de gemeenteraad, in voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>2. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                    vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening in ieder geval de volgende voorschriften worden
                    verbonden:</al>
        <al>a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor
                    monumenten in de bodem kunnen worden behouden;</al>
        <al>b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of</al>
        <al>c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten
                    begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische
                    monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders of, in geval van
                    een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders, bij de
                    vrijstelling te stellen kwalificaties.</al>
        <al>3. Artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                    is op de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 41a</al>
        <al>De artikelen 39, 40 en 41 zijn niet van toepassing op projecten met een
                    oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende
                    andere oppervlakte vaststellen. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 42</al>
        <al>Voor zover blijkt dat de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in
                    artikel 37, eerste lid, van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van
                    de Wet op de Ruimtelijke Ordening, van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in
                    de artikelen 15, 17 of 19 van die wet of van een reguliere bouwvergunning als
                    bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet tengevolge van de weigering
                    daarvan in het belang van de archeologische monumentenzorg of ten gevolge van
                    voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan het
                    desbetreffende besluit zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of
                    niet geheel te zijner laste behoort te blijven, kennen burgemeester en
                    wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                    toe. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 43</al>
        <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
                    betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen
                    39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste lid. </al>
        <al/>
        <al>§ 2. Archeologische attentiegebieden</al>
        <al/>
        <al>Artikel 44</al>
        <al>1. Voor zover bij de vaststelling van geldende bestemmingsplannen onvoldoende
                    rekening is gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten
                    monumenten, kunnen provinciale staten binnen het grondgebied van de provincie
                    gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch
                    waardevol zijn, aanwijzen als archeologische attentiegebieden.</al>
        <al>2. De gemeenteraad stelt binnen een door provinciale staten te stellen termijn
                    in verband met een aangewezen archeologisch attentiegebied een bestemmingsplan
                    vast.</al>
        <al>3. Gedeputeerde staten melden een aanwijzingsbesluit als bedoeld in het eerste
                    lid aan Onze minister.</al>
        <al>4. Provinciale staten houden bij de vaststelling of de herziening van een
                    streekplan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                    rekening met aangewezen archeologische attentiegebieden.</al>
        <al>5. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling
                    3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>§ 3. Opgravingsvergunning</al>
        <al/>
        <al>Artikel 45</al>
        <al>1. Het doen van opgravingen zonder of in afwijking van een opgravingsvergunning
                    van Onze minister is verboden.</al>
        <al>2. De opgravingsvergunning wordt verleend, indien de aanvrager aantoont bekwaam
                    te zijn tot het doen van opgravingen.</al>
        <al>3. De opgravingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend.</al>
        <al>4. In verband met de verlening van een opgravingsvergunning kunnen door Onze
                    minister kosten in rekening worden gebracht volgens door hem vast te stellen
                    tarieven.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 46</al>
        <al>1. De houder van een opgravingsvergunning meldt de aanvang van een opgraving aan
                    Onze minister.</al>
        <al>2. Binnen twee weken na voltooiing van de opgraving meldt de houder van een
                    opgravingsvergunning aan Onze minister de eerste bevindingen.</al>
        <al>3 Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving conserveert de houder van een
                    opgravingsvergunning de roerende monumenten die zijn gevonden bij die opgraving
                    en draagt de geconserveerde monumenten alsmede de daarbij behorende
                    opgravingsdocumentatie over aan de eigenaar.</al>
        <al>4. Binnen twee jaar na voltooiing van de opgraving legt de houder van een
                    opgravingsvergunning zowel aan Onze minister als aan de eigenaar als aan
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving is voltooid, een
                    rapport over, waarin de resultaten van de opgraving zijn beschreven.</al>
        <al>5. Aan de opgravingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische
                    monumentenzorg andere voorschriften worden verbonden dan genoemd in het eerste
                    tot en met vierde lid.</al>
        <al>6. Onze minister kan ontheffing verlening van de voorschriften, bedoeld in het
                    tweede tot en met het vierde lid.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 47</al>
        <al>Onze minister kan de opgravingsvergunning intrekken indien de vergunninghouder
                    naar het oordeel van Onze minister niet langer bekwaam is tot het doen van
                    opgravingen, zich niet houdt aan de gestelde beperkingen of de gestelde
                    voorschriften niet naleeft. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 47a</al>
        <al>De artikelen 45 tot en met 47 zijn van toepassing in de aansluitende zone,
                    bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 48</al>
        <al>1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten
                    aanzien van de bekwaamheidseis, bedoeld in artikel 45, tweede lid, de
                    beperkingen, bedoeld in artikel 45, derde lid, en kunnen nadere regels worden
                    gesteld ten aanzien van de voorschriften, bedoeld in artikel 46, eerste tot en
                    met het vierde lid.</al>
        <al>2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, geeft in ieder
                    geval regels over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het onderzoek in verband
                    met en de uitvoering van de opgravingen voldoen aan eisen van wetenschappelijke
                    zorgvuldigheid en wetenschappelijke relevantie.</al>
        <al>3. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene
                    maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
                    aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Het tijdstip van de
                    overlegging wordt zodanig gekozen dat ten minste drie vierde deel van de termijn
                    buiten een reces van de kamers valt.</al>
        <al/>
        <al>§ 4. Wetenschappelijk onderwijs</al>
        <al/>
        <al>Artikel 49</al>
        <al>1. Op verzoek van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in
                    artikel 1.1, onder c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
                    onderzoek, kan Onze minister beslissen dat een bepaalde opgraving door die
                    instelling wordt uitgevoerd, indien:</al>
        <al>a. de desbetreffende opgraving van uitzonderlijk belang is voor het specifieke
                    onderzoeksprogramma van de instelling;</al>
        <al>b. de instelling over voldoende capaciteit beschikt om de opgraving binnen een
                    redelijke termijn uit te voeren;</al>
        <al>c. de mogelijke marktverstorende effecten van het besluit van Onze minister
                    beperkt zijn;</al>
        <al>de mogelijke nadelige financiële gevolgen voor degene die tot het doen van d. de
                    opgraving is verplicht, niet onevenredig zijn; en</al>
        <al>e. aan de instelling een vergunning als bedoeld in artikel 45 is verleend.</al>
        <al>2. Voordat Onze minister een beslissing als bedoeld in het eerste lid neemt,
                    wint hij advies in van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk
                    onderzoek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor
                    wetenschappelijk onderzoek.</al>
        <al/>
        <al>§ 5. Eigendom</al>
        <al/>
        <al>Artikel 50</al>
        <al>Roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop
                    niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van: </al>
        <al>a. de provincie waar zij zijn gevonden, of</al>
        <al>b. de gemeente waar zij zijn gevonden, indien die gemeente beschikt over een
                    depot als bedoeld in artikel 51, tweede lid, of</al>
        <al>c. de Staat, indien die monumenten buiten het grondgebied van enige gemeente
                    zijn gevonden.</al>
        <al/>
        <al>§ 6. Depots</al>
        <al/>
        <al>Artikel 51</al>
        <al>1. Gedeputeerde staten houden een depot in stand waarin roerende monumenten die
                    zijn gevonden bij het doen van opgravingen binnen die provincie kunnen worden
                    opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid
                    verantwoord is.</al>
        <al>2. Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de
                    desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin roerende monumenten die zijn
                    gevonden bij het doen van opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die
                    uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is.</al>
        <al>3. Onze minister wijst ten behoeve van de opslag van scheepsarcheologische
                    monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen één of meer depots
                    aan, die voor die opslag naar zijn oordeel in het bijzonder geschikt zijn.</al>
        <al>4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot verantwoorde en
                    toegankelijke opslag van monumenten en de daarbij behorende documenten en
                    rapporten eisen worden gesteld.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 52</al>
        <al>1. Roerende monumenten als bedoeld in artikel 50 alsmede de daarbij behorende
                    opgravingsdocumentatie, bedoeld in artikel 46, derde lid, worden opgeslagen in
                    depots als bedoeld in artikel 51, eerste tot en met derde lid.</al>
        <al>2. Onze minister kan bepalen dat scheepsarcheologische monumenten die zijn
                    gevonden bij het doen van opgravingen alsmede de daarbij behorende
                    opgravingsdocumentatie worden opgeslagen in een depot als bedoeld in artikel 51,
                    derde lid.</al>
        <al>3. Onze minister kan, de Raad gehoord, binnen zes maanden na de melding, bedoeld
                    in artikel 46, tweede lid, bepalen dat een monument als bedoeld in artikel 50,
                    onder a of b, in verband met het belang daarvan voor het publiek, in beheer
                    wordt gegeven aan een museale instelling.</al>
        <al/>
        <al>§ 7. Meldingsplichten</al>
        <al/>
        <al>Artikel 53</al>
        <al>1. Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij
                    weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, meldt die
                    zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister.</al>
        <al>2. De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is
                    gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het
                    eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor
                    wetenschappelijk onderzoek.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 54 </al>
        <al>Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij verstoring van de
                    bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet
                    vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische
                    monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister. </al>
        <tussenkop>Artikel 54a </tussenkop>
        <al>De artikelen 53 en 54 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in
                    artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone. </al>
        <al/>
        <al>§ 8. Centraal archeologisch informatiesysteem</al>
        <al/>
        <al>Artikel 55</al>
        <al>1. Onze minister houdt een Centraal archeologisch informatiesysteem in stand
                    waarin in ieder geval worden opgenomen en openbaar gemaakt:</al>
        <al>a. de registers, bedoeld in de artikelen 6 en 7, voor zover die archeologische
                    monumenten betreffen;</al>
        <al>b. de beslissingen die op de aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11,
                    tweede lid, zijn genomen voor zover die beslissingen archeologische monumenten
                    betreffen;</al>
        <al>c. de besluiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid;</al>
        <al>d. het rapport, bedoeld in artikel 46, vierde lid; en</al>
        <al>e de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste
                    lid, en 54.</al>
        <al>2. Het auteursrecht op de rapporten, bedoeld in artikel 46, vierde lid, en de
                    daarin opgenomen werken is voorbehouden.</al>
        <al>3. Het auteursrecht en het databankenrecht, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                    van de Databankenwet, op het Centraal archeologisch informatiesysteem zijn
                    voorbehouden.</al>
        <al>4. Voor de verstrekking van informatie uit het Centraal archeologisch
                    informatiesysteem kunnen kosten in rekening worden gebracht, volgens door Onze
                    minister vast te stellen tarieven.</al>
        <al/>
        <al>§ 9. Bijzondere bevoegdheden</al>
        <al/>
        <al>Artikel 56</al>
        <al>Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan archeologische
                    monumenten voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van het werk dat
                    die schade dan wel die dreiging veroorzaakt, dan wel gelasten dat dat werk voor
                    bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 57</al>
        <al>1. Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein
                    moet dulden dat dat terrein in het belang van een archeologisch onderzoek wordt
                    betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel daarin opgravingen worden
                    gedaan.</al>
        <al>2. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rechthebbende ten aanzien
                    van een terrein moet dulden dat een terrein in het belang van archeologisch
                    onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin
                    opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of
                    ter uitvoering van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 15, 17 of 19 van
                    de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 58</al>
        <al>1. Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in de artikelen 56 of 57,
                    eerste lid, wordt door Onze minister naar redelijkheid vergoed.</al>
        <al>2. Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 57, tweede lid,
                    wordt door burgemeester en wethouders naar redelijkheid vergoed.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 59</al>
        <al>Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 58 staan ter
                    kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het werk,
                    onderscheidenlijk het onderzoek, wordt uitgevoerd. </al>
        <al/>
        <al>§ 10. Formulieren</al>
        <al/>
        <al>Artikel 60</al>
        <al>Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de meldingen, bedoeld
                    in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, en 54. </al>
        <al/>
        <al>HOOFDSTUK VI. HANDHAVING EN STRAFBEPALINGEN</al>
        <al/>
        <al>Artikel 61</al>
        <al>1. Hij die opzettelijk handelt in strijd met de artikelen 11, 37, eerste lid,
                    45, eerste lid, 53, eerste lid, dan wel opzettelijk handelt in strijd met een
                    maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met gevangenisstraf
                    van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.</al>
        <al>2. De feiten zijn misdrijven.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 62</al>
        <al>1. Hij die handelt in strijd met de artikelen 11, 37, eerste lid, 45, eerste
                    lid, 53, eerste lid, dan wel handelt in strijd met een maatregel getroffen op
                    grond van artikel 56, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden
                    of geldboete van de vijfde categorie.</al>
        <al>2. De feiten zijn overtredingen.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 63</al>
        <al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet
                    zijn belast de bij besluit van Onze minister onderscheidenlijk de bij besluit
                    van burgemeester en wethouders aangewezen personen.</al>
        <al>2. Met de opsporing van de bij de artikelen 61 en 62 strafbaar gestelde feiten
                    zijn, onverminderd artikel 141 van de Wetboek van Strafvordering, belast de in
                    het eerste lid bedoelde ambtenaren, voor zover zij bij besluit van Onze Minister
                    van Justitie daartoe zijn aangewezen. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de
                    opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182
                    van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een
                    bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.</al>
        <al>3. De in het eerste en het tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een
                    woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.</al>
        <al>4. Van een besluit van Onze minister als bedoeld in het eerste lid of van Onze
                    Minister van Justitie als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door
                    plaatsing in de Staatscourant.</al>
        <al/>
        <al>HOOFDSTUK VII. OVERGANS-EN SLOTBEPALINGEN</al>
        <al/>
        <al>Artikel 64</al>
        <al>1. Zolang een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 15 niet van
                    kracht is, beslist Onze minister omtrent aanvragen voor vergunning als bedoeld
                    in artikel 11.</al>
        <al>2. Op de beslissing omtrent de aanvraag zijn de artikelen 17 tot en met 21 van
                    toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 65</al>
        <al>Een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente
                    die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg over een opgravingsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt,
                    blijft gerechtigd tot het doen van opgravingen onder de beperkingen en
                    voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden, gedurende twee jaar na
                    inwerkingtreding van die wet. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 66</al>
        <al>1. Roerende monumenten die worden gevonden bij het doen van opgravingen die zijn
                    begonnen, maar niet zijn voltooid ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet
                    op de archeologische monumentenzorg en waarop niemand zijn recht van eigendom
                    kan bewijzen, zijn eigendom van de Staat.</al>
        <al>2. Roerende monumenten als bedoeld in het eerste lid die zijn gevonden bij het
                    doen van wettige opgravingen door een gemeente, zijn eigendom van die
                    gemeente.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 67</al>
        <al>Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg kunnen roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van
                    opgravingen worden opgeslagen in de depots van de vergunninghoudende gemeenten,
                    bedoeld in artikel 65. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 68</al>
        <al>Gedeputeerde staten maken binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wet op de
                    archeologische monumentenzorg aan de gemeentelijke vergunninghouders, bedoeld in
                    artikel 65, kenbaar, hoe zij gebruik zullen maken van hun bevoegdheid, bedoeld
                    in artikel 51, tweede lid. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 69</al>
        <al>Besluiten die voor de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg op grond van het bij die wet vervallen artikel 58, eerste lid,
                    zijn genomen, berusten na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische
                    monumentenzorg op artikel 63, eerste lid. </al>
        <al/>
        <al>Artikel 70</al>
        <al>Deze wet wordt aangehaald als: Monumentenwet 1988. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL II</vet>
        </al>
        <al>De Ontgrondingenwet wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <al/>
        <al>A</al>
        <al>Aan artikel 3, derde lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van
                    onderdeel j door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd, luidende: </al>
        <al>k. dat de vergunninghouder verplicht is technische maatregelen te treffen
                    waardoor monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Monumentenwet
                    1988 in de bodem kunnen worden behouden;</al>
        <al>l.dat de vergunninghouder verplicht is opgravingen te doen als bedoeld in
                    artikel 1, onderdeel h, van de Monumentenwet 1988;</al>
        <al>m. dat de vergunninghouder verplicht is de ontgronding te laten begeleiden door
                    een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet
                    aan door het vergunningverlenende bestuursorgaan te stellen kwalificaties.</al>
        <al/>
        <al>B</al>
        <al>Na artikel 3 wordt een nieuw artikel 3a ingevoegd, luidende: </al>
        <al/>
        <al>Artikel 3a</al>
        <al>1. Voor zover op grond van deze wet voor een ontgronding een vergunning is
                    vereist, kunnen de bestuursorganen, genoemd in artikel 8, eerste en tweede lid,
                    in het belang van de archeologische monumentenzorg van de aanvrager een rapport
                    verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de
                    aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan
                    in voldoende mate is vastgesteld.</al>
        <al>2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
                    met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het
                    eerste lid.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL IIA</vet>
        </al>
        <al>Indien het bij koninklijke boodschap van 4 november 2005 ingediende voorstel van
                    wet tot wijziging van de Ontgrondingenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 346, nr.
                    2) tot wet wordt verheven en eerder dan artikel II van deze wet in werking
                    treedt, komt artikel II van deze wet te luiden: </al>
        <al/>
        <al>ARTIKEL II</al>
        <al>Aan artikel 3, derde lid, van de Ontgrondingenwet worden, onder vervanging van
                    de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, de volgende onderdelen
                    toegevoegd, luidende:</al>
        <al>h. dat de vergunninghouder verplicht is technische maatregelen te treffen
                    waardoor monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Monumentenwet
                    1988 in de bodem kunnen worden behouden;</al>
        <al>i. dat de vergunninghouder verplicht is opgravingen te doen als bedoeld in
                    artikel 1, onderdeel h, van de Monumentenwet 1988;</al>
        <al>j. dat de vergunninghouder verplicht is de ontgronding te laten begeleiden door
                    een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet
                    aan door het vergunningverlenende bestuursorgaan te stellen kwalificaties. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL III</vet>
        </al>
        <al>De Wet milieubeheer wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <al/>
        <al>A</al>
        <al>In de artikelen 2.17, tweede lid, onder a, 2.18, 2.19, tweede en vijfde lid, en
                    2.23 wordt «Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
                    Visserij» telkens vervangen door: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw,
                    Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschap. </al>
        <al/>
        <al>B</al>
        <al>In artikel 4.1 en artikel 4.2, derde lid en vierde lid, wordt «Onze Ministers
                    van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van
                    Economische Zaken» telkens vervangen door: Onze Ministers van Verkeer en
                    Waterstaat, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Economische Zaken en
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. </al>
        <al/>
        <al>C</al>
        <al>Artikel 4.9, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <al>1. In onderdeel a vervalt aan het slot het woord «en».</al>
        <al>2. In onderdeel b wordt aan het slot de punt vervangen door: , en.</al>
        <al>3. Na onderdeel b wordt een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:</al>
        <al>c. de archeologische attentiegebieden, die zijn aangewezen op grond van artikel
                    44 van de Monumentenwet 1988.</al>
        <al/>
        <al>D </al>
        <al>Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd: </al>
        <al>1. In het eerste lid wordt «Onze Minister en Onze Minister van Landbouw,
                    Natuurbeheer en Visserij» vervangen door: Onze Minister, Onze Minister van
                    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschap.</al>
        <al>2. In het tweede lid, onder a, wordt «een door Onze Minister aangewezen
                    bestuursorgaan en een door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
                    aangewezen bestuursorgaan» vervangen door:</al>
        <al/>
        <al>een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan, een door Onze Minister van
                    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze
                    Minister van Onderwijs, Cultuur en </al>
        <al>Wetenschap aangewezen bestuursorgaan. </al>
        <al/>
        <al>3. In het tweede lid, onder b, wordt «een door Onze Minister van Landbouw,
                    Natuurbeheer en Visserij aangewezen bestuursorgaan» vervangen door: een door
                    Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan
                    en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen
                    bestuursorgaan.</al>
        <al/>
        <al>E </al>
        <al>In artikel 21.6, derde lid, eerste volzin, wordt «Onze Minister en Onze Minister
                    van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij» vervangen door: Onze Minister, Onze
                    Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel IIIA</vet>
        </al>
        <al>Indien het bij koninklijke boodschap van 28 september 2004 ingediende voorstel
                    van wet tot Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van
                    richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
                    Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu
                    van bepaalde plannen en programma’s (PbEG L 197) (milieu-effectrapportage
                    plannen) (Kamerstukken II 2004/05, 29 811, nr. 2) tot wet wordt verheven en
                    artikel I, onderdeel B, van die wet eerder dan artikel III, onderdeel D, van
                    deze wet in werking treedt, wordt in artikel III, onderdeel D, «Natuurbeheer en
                    Visserij» telkens vervangen door: Natuur en Voedselkwaliteit. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel IV</vet>
        </al>
        <al>Artikel 56 van de Woningwet komt te luiden: </al>
        <al/>
        <al>Artikel 56</al>
        <al>Onverminderd artikel 40, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 mogen
                    burgemeester en wethouders aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden
                    ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken
                    krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de
                    aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL IVA</vet>
        </al>
        <al>Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vier jaar na de
                    inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
                    doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL V</vet>
        </al>
        <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
                    dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan erschillend kan worden
                    vastgesteld. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARTIKEL VI</vet>
        </al>
        <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de archeologische monumentenzorg. </al>
        <al>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
                    ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
                    nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. </al>
        <al/>
        <al>Gegeven te ’s-Gravenhage, 21 december 2006 </al>
        <al>Beatrix </al>
        <al/>
        <al>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, </al>
        <al>M.J. A. van der Hoeven </al>
        <al>Uitgegeven de zesde februari 2007 </al>
        <al>De Minister van Justitie, </al>
        <al>E.M. H. Hirsch Ballin </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>2</nr>
          <titel>Overzicht archeologische vondsten in Heemstede</titel>
        </kop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>3</nr>
          <titel>Gebiedsbeschrijving archeologische waardenkaart</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Historische dorpskern en/of bewoningsconcentratie (HDE1A t/m HDE3A)</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Beschrijving</cursief>
        </al>
        <al>De huidige gemeente Heemstede heeft zich niet ontwikkeld vanuit een centrale
                    dorpskern, maar vanuit meerdere bewoningsconcentraties die in de loop van de
                    tijd aan elkaar zijn vastgegroeid. De drie bewoningsconcentraties bestaan uit
                    Heemstede, de Zandvaarterbuurt en De Glip. De begrenzing van deze kernen zoals
                    deze op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) en de Indicatieve kaart
                    archeologische waarden (IKAW) is vastgesteld is gebaseerd op de
                    bebouwingsoppervlakte rond het midden van de 19<sup>e</sup> eeuw. Daar waar
                    noodzakelijk zijn deze grenzen met behulp van de kadastrale minuut uit 1811-1832
                    nader gepreciseerd. </al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>De historische kernen Heemstede, de Zandvaarterbuurt en De Glip worden op de
                    CHW-kaart en de IKAW aangeduid als gebied van hoge archeologische waarde.
                    Archeologische waarnemingen en opgravingen in verschillende gemeenten in
                    Noord-Holland hebben aangetoond dat historische stads- en dorpskernen vrijwel
                    overal belangrijke archeologische waarden bevatten, behalve daar waar de bodem
                    in de 20<sup>e</sup> eeuw is verstoord. Deze waarden leveren informatie over de
                    ruimtelijke ontwikkeling van dorpskernen in het verleden, over het dagelijks
                    leven van de bewoners en hun werkzaamheden en over het gebruik en de
                    ontwikkeling van individuele gebouwen. De te verwachten archeologische sporen
                    bevinden zich vaak reeds binnen enkele decimeters onder de oppervlakte en
                    bestaan concreet uit fundamenten van huizen, ophogingen, afvalkuilen,
                    waterputten, beerputten, slootvullingen, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 70
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. Voor een deelgebied (het kerkterrein) binnen de historische
                    kern van Heemstede geld een andere vrijstellingsgrens en is een afzonderlijke
                    gebiedsbeschrijving opgesteld. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Kerkterrein met kerk en kerkhof (HDE4A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Binnen de historische kern van Heemstede bevindt zich een middeleeuws
                    kerkterrein. De (nog bestaande) kerk is gebouwd in 1623-1625 op restanten van
                    een ten tijde van het Beleg van Haarlem in 1573 geruineerde 14<sup>e</sup>
                    eeuwse kapel. </al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Op de CHW-kaart en de IKAW wordt het terrein aangeduid als gebied van hoge
                    archeologische waarde. Het kerkgebouw zelf is aangewezen als Rijksmonument. Het
                    is goed mogelijk dat zich in de ondergrond nog restanten bevinden van de uit
                    schriftelijke bronnen bekende 14<sup>e</sup>-eeuwse kapel. Het is daarnaast niet
                    ondenkbaar dat de kapel een voorloper heeft gekend, aangezien bewoning hier
                    vermoedelijk al in de 11<sup>e</sup> eeuw hier aanwezig was. Voorts zijn op het
                    kerkterrein nog sporen van grafrituelen en grafbestel aan te treffen. Onderzoek
                    aan menselijke beenderen levert vaak wetenschappelijke informatie op.</al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij alle niet reguliere grondroerende werkzaamheden<sup>1 </sup>in de bodem van
                    de kerkterreinen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van
                    archeologische waarden, ook bij grondroerende werkzaamheden tijdens
                    restauratiewerk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Kasteelterreinen (HDE5A en HDE6A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>De gemeente Heemstede is in het bezit van twee kasteelterreinen: Slot Heemstede
                    en Berkenrode. Slot Heemstede is gebouwd aan het einde van de 13<sup>e</sup>
                    eeuw door de Heren van Heemstede. De locatie is gelegen aan de monding van de
                    Zuider Buiten Spaarne op een uitloper van de strandwal. Berkenrode is van latere
                    datum. Dit kasteel is in de 15<sup>e</sup> eeuw gebouwd op de strandvlakte langs
                    de Herenweg. Later is op dit terrein sprake van een buitenplaats.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) en de Indicatieve kaart
                    archeologische waarden (IKAW) wordt kasteel Berkenrode aangeduid als gebied van
                    hoge archeologische waarde. Slot Heemstede wordt van zeer hoge archeologische
                    waarde geacht. Archeologisch onderzoek op beide terreinen heeft aangetoond dat
                    zich in de ondergrond nog restanten van het kasteel bevinden. Voorts kunnen in
                    de ondergrond ook bijvoorbeeld ophogingslagen, (afval)kuilen en
                    gebruiksvoorwerpen aanwezig zijn. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Slot Heemstede: Bij alle grondroerende werkzaamheden dient rekening dient te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden.</al>
        <al>Berkenrode: Bij alle grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden
                    gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Buitenplaatsen (HDE8A t/m HDE12A, HDE14A t/m HDE18A, HDE20A en
                    HDE22A</vet>)</al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>De buitenplaatsen in Heemstede zijn talrijk en ontwikkelden zich voornamelijk
                    langs de Herenweg en de Binnenweg. Een buitenplaats kan worden omschreven als
                    een deftig plattelandshuis, geliefd bij de welgestelde bevolking als (tijdelijk)
                    onderkomen om het stadse leven te ontvluchtten. Buitenplaatsen kennen vaak hun
                    oorsprong in de 16<sup>e</sup> eeuw, waarbij een al bestaand boerenbedrijf werd
                    verbouwd tot een (klein) landhuis. Pas in een later stadium werd dan eventueel
                    een nieuw huis gebouwd waardoor de oorspronkelijk aanwezige boerderij verdween.
                    Een voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling is te vinden bij het huis
                    Ipenrode. Aan het einde van de 18<sup>e</sup> en het begin van de 19<sup>e</sup>
                    eeuw werden door de afnemende welvaart veel landgoederen verlaten en raakten
                    zodoende in verval.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>In de bodem kunnen zich, met name waar deze nog niet zo sterk verstoord is,
                    archeologisch relevante resten van buitenplaatsen en boerderijen bevinden. Deze
                    zullen voornamelijk bestaan uit fundamenten van hoofd- en bijgebouwen,
                    gebruiksvoorwerpen, voormalige vijvers, grachten en waterlopen en sporen van
                    tuinaanleg (bij buitenplaatsen). Zij leveren informatie over de ruimtelijke,
                    bouwkundige en tuinarchitectonische ontwikkeling van de buitenplaatsen en het
                    dagelijks leven van bewoners en personeel.</al>
        <al/>
        <al>Daarnaast bieden de bewaard gebleven landgoederen van de buitenplaatsen in
                    archeologisch opzicht een bijzondere conserverende werking voor onder meer
                    prehistorische bewoningssporen. De bodemverstoring is op de terreinen die enkele
                    eeuwen geleden als landgoed zijn ingericht immers doorgaans gering geweest. De
                    eventueel aanwezige archeologische sporen zijn hierdoor waarschijnlijk goed
                    bewaard gebleven. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 70
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht<sup>2</sup>. Een uitzonderlijke positie vormen de
                    buitenplaatsen Bronstee en Meer en Bos. Beide bevinden zich namelijk in de
                    bebouwde kom. Bronstee is inmiddels verdwenen, maar de kans bestaat dat hiervan
                    nog restanten in de bodem aanwezig zijn. Het voormalige Meer en Bos is voor een
                    belangrijk deel nog bewaard gebleven, zowel de bebouwing als de tuinaanleg.
                    Ondanks een mate van recente verstoring geldt ook voor deze gebieden de
                    hierboven genoemde vrijstellingsgrens.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Galgenveld (HDE23A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Historisch kaartmateriaal laat vanaf de 17<sup>e</sup> eeuw in de omgeving van
                    de huidige J.H. Weisenbruchweg de aanwezigheid van een galgenveld of ‘gerecht’
                    zien. Ook op de topografische kaart van 1894-1923 wordt de benaming ‘Het
                    Galgeveld’ nog gebruikt. Doorgaans bestaat een galgenveld uit één of meerdere
                    galgen met daaronder een put waarin de stoffelijke resten vielen nadat ze door
                    weer en wind waren verteerd. Soms werden op het galgenveld ook hoofden op staken
                    en lichaamsdelen op raden tentoongesteld.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>In de bodem kunnen zich, met name waar deze nog niet zo sterk verstoord is,
                    archeologisch relevante resten bevinden. Deze resten kunnen bestaan uit
                    onderdelen die behoren tot de karakteristieken van het voormalige galgenveld
                    zoals sporen van een galgconstructie, maar ook een galgenput met daarin
                    menselijke overblijfselen. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 70
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Molenplaatsen (HDE24A T/M HDE28A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Op een aantal plaatsen in de gemeente Heemstede zijn windmolens aanwezig
                    geweest. Uit onderzoek van historische kaarten in het kader van deze nota zijn
                    vijf plaatsen aangetroffen waarop in het verleden molens hebben gestaan. Het
                    molentje van Groenendaal en de Molen van Höcker/De Nachtegaal zijn nog
                    zichtbaar. </al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>In de bodem kunnen zich, met name waar deze nog niet zo sterk verstoord is,
                    archeologisch relevante resten van de molens en eventuele bijgebouwen bevinden.
                    Deze zullen voornamelijk bestaan uit funderingssporen van gebouwen,
                    gereedschappen en gebruiksvoorwerpen. Ook waar de molen nog aanwezig is kunnen
                    zich in de ondergrond sporen bevinden die bijvoorbeeld wijzen op een voorganger
                    of van inmiddels verdwenen bijgebouwen. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 70
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Overig onbebouwd gebied op de strandwal (HDE7A, HDE13A, HDE19A, en
                        HDE29A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Dit gebied betreft het gebied buiten de bebouwde kom van Heemstede, ter hoogte
                    van de strandwal, waar vooralsnog geen bekende archeologische waarden zijn
                    aangetroffen. Hiertoe worden ook de terreinen gerekend waarvan bekend is dat zij
                    eens tot een bepaald landgoed hoorden, maar waarvan verwacht wordt dat zij niet
                    tot nauwelijks bebouwd is geweest.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Dit deel van de gemeente kan archeologische waarden bevatten, maar de aard en
                    precieze ligging daarvan is (deels) nog onbekend. Op grond van de ontbrekende
                    bebouwing bestaat de kans dat de eventueel aanwezige archeologische waarden in
                    de bodem bewaard zijn gebleven. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 500
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Overig onbebouwd gebied op de strandvlakte (HDE30A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Dit gebied betreft het gebied buiten de bebouwde kom van Heemstede, ter hoogte
                    van de strandvlakte, waar vooralsnog geen bekende archeologische waarden zijn
                    aangetroffen. Hiertoe worden ook de terreinen gerekend waarvan bekend is dat zij
                    eens tot een bepaald landgoed hoorden, maar waarvan verwacht wordt dat zij niet
                    tot nauwelijks bebouwd is geweest.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Dit deel van de gemeente kan archeologische waarden bevatten, maar de aard en
                    precieze ligging daarvan is (deels) nog onbekend. Op grond van de ontbrekende
                    bebouwing bestaat de kans dat de eventueel aanwezige archeologische waarden in
                    de bodem bewaard zijn gebleven. Deze kans wordt iets minder groot geacht op de
                    strandvlakte dan op de strandwal (zie vorige gebiedsbeschrijving).</al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 2500
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Recent verstoord gebied op de strandwal (HDE31A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Dit gebied betreft het recent verstoorde gebied ter hoogte van de strandwal. De
                    recente verstoring kan zijn veroorzaakt door bebouwing (tot stand gekomen in de
                    20<sup>e</sup> en 21<sup>e</sup> eeuw) of door bijvoorbeeld afgraving van de
                    strandwalgrond. </al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Dit deel van de gemeente kan archeologische waarden bevatten, maar de aard en
                    precieze ligging daarvan is (deels) nog onbekend. Op grond van de aanwezige
                    bebouwing en andere bodemroerende activiteiten bestaat de kans dat de eventueel
                    aanwezige archeologische waarden verstoord zijn geraakt. </al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 2500
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Recent verstoord gebied op de strandvlakte (HDE32A)</vet>
        </al>
        <tussenkop>Beschrijving</tussenkop>
        <al>Dit gebied betreft het recent verstoorde gebied ter hoogte van de strandvlakte.
                    De recente verstoring is veroorzaakt door bebouwing die tot stand is gekomen in
                    de 20<sup>e</sup> en 21<sup>e</sup> eeuw.</al>
        <tussenkop>Waardebepaling</tussenkop>
        <al>Dit deel van de gemeente kan archeologische waarden bevatten, maar de aard en
                    precieze ligging daarvan is (deels) nog onbekend. Op grond van de aanwezige
                    bebouwing bestaat de kans dat de eventueel aanwezige archeologische waarden
                    verstoord zijn geraakt. Het aantreffen van archeologische waarden is iets minder
                    waarschijnlijk op de strandvlakte dan op de strandwal (zie vorige
                    gebiedsbeschrijving).</al>
        <tussenkop>Vrijstellingsgrens</tussenkop>
        <al>Bij grondroerende werkzaamheden in plannen met een oppervlakte van 10.000
                    m<sup>2</sup> of groter en een diepte van 40 cm of dieper dient rekening te
                    worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Plannen die niet
                    aan deze criteria voldoen zijn vrijgesteld van de archeologische
                    onderzoeksplicht. </al>
        <al/>
        <al>1: Het begraven wordt op de begraafplaatsen die nog in gebruik zijn tot de
                    reguliere werkzaamheden gerekend.</al>
        <al>2: Binnen het kader van deze nota is het niet mogelijk alle buitenplaatsen
                    zodanig te analyseren dat een verfijning van de invulling van de landgoederen
                    kan worden gepresenteerd. Dit betekent dat bijvoorbeeld de verdwenen
                    buitenplaatsen, maar vooral de eventuele voorgangers (middeleeuwse hofsteden)
                    niet zijn gelokaliseerd en zijn opgenomen op de bijbehorende kaart. Zodra
                    ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden op deze locaties zal bureauonderzoek
                    moeten plaatsvinden waarbij de inrichting van de verschillende landgoederen
                    nader kan worden weergegeven. Op basis hiervan kan dan ook de bij dit
                    afwegingskader behorende kaart meer in detail worden uitgewerkt en de
                    bijbehorende vrijstellingsgrenzen worden aangepast.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>4</nr>
          <titel>Lijst van archeologische waarden genoemd op de archeologische
                        waardenkaart</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Terreinen die op de archeologische kaartlaag van de Cultuurhistorische
                        Waardenkaart van Noord-Holland voorkomen:</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE1A Historische bewoningsconcentratie Heemstede</vet>
        </al>
        <al>De oorsprong van de historische bewoningsconcentratie Heemstede gaat terug
                    tot minimaal de 11<sup>e</sup> eeuw. Historisch kaartmateriaal laat zien dat de
                    bewoning zich oorspronkelijk concentreerde langs de zogenoemde ‘Voorwegh’ en
                    ‘Achterwegh’, twee noord-zuid (op de lijn van de strandwal) georiënteerde wegen.
                    Met de komst van de Heren van Heemstede en de bouw van het slot aan het Spaarne
                    zal in de bewoningskern naast de gewoonlijke activiteiten veel gespecialiseerde
                    vormen van ambacht en nijverheid zijn ontstaan die in de behoeftes van de
                    kasteelheren konden voorzien.</al>
        <al>Aan de westzijde van de historische bewoningsconcentratie is in 1977 een
                    waarneming gedaan<sup>3</sup> waarbij restanten van een kelder, aardewerk en
                    menselijk botmateriaal (1500-1850) zijn aangetroffen. </al>
        <al>• KEN373A<sup>4</sup>: Archeologisch van hoge waarde -&gt;Correctie op
                    CHW-kaart: Op basis van historisch kaartmateriaal is de begrenzing van de
                    historische kern aangepast.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE2A Historische bewoningsconcentratie Zandvaarterbuurt</vet>
        </al>
        <al>De Zandvaarterbuurt bevindt zich ten noordwesten van de oude kern van
                    Heemstede. Het is niet duidelijk hoe oud deze bewoningskern is. De naam
                    suggereert dat de kern is ontstaan naar aanleiding van de
                    zandwinningsactiviteiten die typerend waren voor de duinstreek. Voor de
                    grootschalige stadsuitbreidingen van steden zoals Amsterdam werd in de
                    16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw namelijk grote hoeveelheden zand
                    aangevoerd uit Zuid-Kennemerland. Voor het verschepen van het zand werden
                    vaarten aangelegd. De Zandvaarterbuurt bevond zich aan een dergelijke
                    ‘Santvaert’, te zien op kaartmateriaal uit het begin van de 17<sup>e </sup>eeuw.
                    Na de 16<sup>e</sup>- en 17<sup>e</sup>-eeuwse zandwinningen ontwikkelde de
                    Zandvaarterbuurt zich tot centrum van blekerijen. Dit duurde voort tot in de
                    20<sup>e</sup> eeuw.</al>
        <al>Binnen de bewoningsconcentratie zijn geen archeologische waarnemingen bekend. </al>
        <al>• KEN372A<sup>5</sup>: Archeologisch van hoge waarde -&gt; Correctie op
                    CHW-kaart: Op basis van historisch kaartmateriaal is de begrenzing van de
                    historische kern aangepast</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE3A Historische bewoningsconcentratie De Glip</vet>De
                    Glip is een voormalig buurtschap ten zuiden van het historische Heemstede. Sinds
                    1653 maakte het onderdeel uit van de heerlijkheid Heemstede. De Glip werd ook
                    wel de 'Princebuurt' genoemd en als zodanig al in 1580 in een akte vermeld. Over
                    de exacte ouderdom van deze buurt is weinig bekend. De naam De Glip wordt pas
                    vanaf de 17<sup>e</sup> eeuw gebruikelijk. Aanvankelijk vormde De Glip de kern
                    van Bennebroek, ook eens behorende bij de heerlijkheid Heemstede. In 1653 werd
                    Bennebroek zelfstandig en kwam al het land ten noorden van de Swartsenburgerlaan
                    - waaronder De Glip - bij Heemstede. Binnen de bewoningsconcentratie is één
                    archeologische waarneming bekend<sup>6</sup>. In 2004 zijn tijdens een
                    inventariserend onderzoek zand- en turfwinningkuilen en een greppel
                    aangetroffen, respectievelijk te dateren in de 20<sup>e</sup> en 18<sup>e</sup>
                    eeuw.</al>
        <al>• KEN376A<sup>7</sup>: Archeologisch van hoge waarde -&gt; Correctie op
                    CHW-kaart: Op basis van historisch kaartmateriaal is de begrenzing van de
                    historische kern aangepast.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE4A Kerkterrein centrum Heemstede</vet>
        </al>
        <al>De kerk van Heemstede kent een laatmiddeleeuwse oorsprong. Bekend is dat al in
                    de 14<sup>e</sup> eeuw aan de Achterweg een kapel werd gebouwd. Nadat deze werd
                    verwoest is op dezelfde plek een kerk gebouwd. Tegenwoordig bevindt zich hier
                    nog steeds de in 1623 gebouwde éénbeukige dorpskerk. In 1652 is de kerk vergroot
                    met een zijbeuk, het zogenoemde Noorderkruispand. Vanwege de zeer hoge
                    bouwhistorische waarde is het gebouw aangewezen als Rijksmonument. Op het
                    terrein zijn geen archeologische waarnemingen bekend. Wel is ten noordwesten van
                    de kerk in het verleden menselijk botmateriaal aangetroffen (zie HDE1A).</al>
        <al> • KEN380A<sup>8</sup>: Archeologisch van hoge waarde. Correctie op CHW-kaart:
                    De begrenzing van het kerkterrein is aangepast overeenkomstig de ligging van de
                    huidige kerk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE5A Het Oude Slot</vet>
        </al>
        <al>Het Oude Slot is vermoedelijk gebouwd tussen 1280 en 1290. Vervolgens is het
                    kasteel een aantal malen verwoest (in 1393, 1404 en 1426) en wederom opgebouwd.
                    Het oorspronkelijke kasteel bestond uit drie vleugels rond een binnenplein. Aan
                    de zuidzijde bevond zich geen bebouwing. In 1810 is het kasteel afgebroken. De
                    contouren van het slot zijn nog goed waarneembaar (grachten met een klein
                    eiland). Het landgoed draagt ook nog steeds de naam Het Oude Slot. De Vredesbrug
                    uit omstreeks 1648 is nog aanwezig, evenals de ‘Duivenpoort’, het ‘Tecklenburgse
                    Poortje’ en de stenen toegangspoort met heraldische wapens. De huidige
                    Timorstraat en Slotlaan maakten eens onderdeel uit van de ‘Hoff Laen’, de
                    verbinding tussen de woonkern en het toenmalige slot<sup>9</sup>.</al>
        <al>In 1947 is het kasteelterrein met bijbehorende grachten onderzocht. Daarbij
                    konden vijf bouwfasen worden onderscheiden<sup>10</sup>. </al>
        <al>• KEN374A<sup>11</sup>: Archeologisch van zeer hoge waarde</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE6A Berkenrode</vet>
        </al>
        <al>Het kasteel (later buitenplaats) Berkenrode is gelegen langs de Herenweg en
                    dateert vermoedelijk uit de 15<sup>e</sup> eeuw. Net als het Slot Heemstede is
                    Berkenrode meerdere malen verwoest en weer opgebouwd. Zo werd het gebouw in 1573
                    bij het Beleg van Haarlem in de as gelegd, maar ook in 1645 en 1747 is het
                    kasteel afgebrand. Aan het einde van de 18<sup>e</sup> eeuw werd (de nu
                    buitenplaats) Berkenrode op een nieuwe plek gebouwd, namelijk daar waar zich
                    voorheen het kleine buitenplaatsje Westerduin bevond. Westerduin dateert uit het
                    begin van de 17<sup>e</sup> eeuw en bevond zich nabij de Willem Klooslaan. Het
                    oude Berkenrode werd vervolgens gesloopt. </al>
        <al>Tijdens archeologisch onderzoek in 1956 is een deel van de fundamenten en
                    uitbraaksleuven behorende bij Berkenrode getraceerd. Ook zijn drie bakstenen
                    putten gevonden. Het aardewerk dat tijdens het onderzoek van de drooggelegde
                    vijver is aangetroffen dateert uit de 16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw. De
                    aangetroffen funderingen dateren uit de 15<sup>e</sup> eeuw<sup>12</sup>.</al>
        <al>• KEN370A<sup>13</sup>: Archeologisch van hoge waarde </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Terreinen die niet op de archeologische kaartlaag van de Cultuurhistorische
                        Waardenkaart van Noord-Holland voorkomen:</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE7A Overbos</vet>
        </al>
        <al>Kennemeroord, Overbos en Kennemerduin (allen aan de oostzijde van de Herenweg)
                    vormden gezamenlijk eens de overtuin van Berkenrode (HDE6A). Kennemeroord werd
                    in 1793 een zelfstandige buitenplaats (HDE16A). Ook Kennemerduin werd bebouwd
                    (HDE15A). </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE8A Bosbeek</vet>
        </al>
        <al>Buitenplaats Bosbeek wordt voor het eerst vermeld in de 17<sup>e</sup> eeuw als
                    zijnde in eigendom van een Haarlemse koopman. Na 1661 werd de naam van de
                    buitenplaats gewijzigd in Rustmeer. Enkele jaren later werd Rustmeer
                    samengevoegd met het naburige Meervliet. Vervolgens werd de buitenplaats
                    afgebroken. Kort na 1700 werd een nieuw huis gebouwd dat wederom Bosbeek werd
                    genoemd. In 1784 kwam het landgoed in bezit van de familie Hope, die het meer
                    dan een eeuw lang bewoonde in de zomermaanden. Zij bezaten al de ten noordwesten
                    van Bosbeek gelegen buitenplaats Groenendaal. Het huis van Groenendaal werd
                    gesloopt, met uitzondering van de centrale koepelruimte (alsnog afgebroken in
                    1970). Het huis Bosbeek werd zodoende ook het hoofdgebouw van landgoed
                    Groenendaal. In 1913 werd het gezamenlijke landgoed verkocht aan de gemeente
                    Heemstede. Groenendaal werd afgescheiden van Bosbeek en kreeg de functie van
                    openbaar wandelbos. In 1950 werd de buitenplaats gekocht door de congregatie van
                    de Zusters van de Voorzienigheid. In de bijgebouwen is een verpleeginrichting
                    gevestigd. </al>
        <al>Op het landgoed zijn twee waarnemingen gedaan. De eerste betreft een bijzondere
                    vondst, namelijk een mantelspeld (een spiraalfibula) uit de late ijzertijd
                    (250-12 v.C.)<sup>14</sup>. De tweede waarneming bestaat uit een
                    17<sup>e</sup>-eeuwse muntvondst.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE9A</vet>
          <vet> Huis Bronstee</vet>
        </al>
        <al>De buitenplaats Bronstee wordt voor het eerst vermeld in de jaren dertig van de
                    17<sup>e</sup> eeuw. Aan het einde van de 19<sup>e</sup> eeuw is de buitenplaats
                    verdwenen. De Bronsteeweg verwijst nog naar de locatie van de voormalige
                    buitenplaats. Veel is over de ontwikkeling van deze buitenplaats niet
                    bekend<sup>15.</sup></al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE10A Gliphoeve</vet>
        </al>
        <al>De Gliphoeve (ook wel Bleeklust of Bleekrust) is ontstaan uit een laken- en
                    linnenblekerij die tot het buurtschap de Glip behoorde. De blekerij ging in 1811
                    failliet, waarna het grondgebied werd opgekocht door een Amsterdamse koopman.
                    Hij veranderde de blekerij in een buitenplaats dat hij Bleekrust noemde. In 1822
                    werd de naam gewijzigd in Gliphoeve. De Gliphoeve bleef tot de jaren dertig van
                    de 20<sup>e</sup> eeuw in gebruik als buitenplaats, daarna is het huis permanent
                    bewoond geraakt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE11A Groenendaal</vet>
        </al>
        <al>De oorsprong van Groenendaal gaat terug tot in het begin van de 17<sup>e</sup>
                    eeuw. Vervolgens is het landgoed talloze malen uitgebreid. Zo werd in de eerste
                    helft van de 18<sup>e</sup> eeuw de kleine buitenplaats Westberglaan (voordien
                    Het Lam) bij Groenendaal gevoegd. In 1742 werd het huis De Driesprong gesloopt
                    en kwam de bijbehorende grond in het bezit van Groenendaal. Na de sloop van het
                    hoofdgebouw aan het einde van de 18<sup>e</sup> eeuw is Groenendaal verworden
                    tot een bos. Het voormalig landgoed Meer en Berg (HDE20A) maakt sinds 1948 ook
                    deel hiervan uit, tot 1913 ook Bosbeek (HDE.8A). In 1987 is op het landgoed een
                    bijzondere vondst gedaan in de vorm van een mantelspeld uit de late ijzertijd
                    (250-12 v.C.)<sup>16</sup>. Voorts is in 1983 door de Archeologische Werkgroep
                    Haarlem een inspectie uitgevoerd waarbij fundamenten van een kelder en keramiek
                    daterend uit de nieuwe tijd zijn aangetroffen. </al>
        <al> Voorts is in 1983 door de Archeologische Werkgroep Haarlem een inspectie
                    uitgevoerd waarbij fundamenten van een kelder en keramiek daterend uit de nieuwe
                    tijd zijn aangetroffen<sup>17</sup>. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE12A De Hartekamp</vet>
        </al>
        <al>Het landgoed en huis De Hartekamp dateert uit de 17<sup>e</sup> eeuw.
                    Aanvankelijk bevond zich hier een boerenhofstede, Thorenvliet. Vanaf 1662 werd
                    de naam veranderd in Hartekamp, het herenhuis is gebouwd kort na 1692.
                    Tegenwoordig is het terrein in gebruik van een zorginstelling. Het historische
                    landhuis, oranjerie en stallen zijn bewaard gebleven. In 2003 heeft op een deel
                    van het terrein (rond de bestaande bebouwing van De Hartekamp) een
                    inventariserend booronderzoek plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat in het
                    onderzochte gebied geen archeologische waarden mogen worden verwacht. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE13A Eikenrode/ Hertenduin/ Hagenduin/ Linneaushof</vet>
        </al>
        <al>Eikenrode, Hertenduin en Hagenduin (aan de oostzijde van de Herenweg) vormden de
                    overplaats van Hartekamp (HDE12A). De Linneaushof is onder meer bekend geworden
                    doordat Carolus Linneaus hier tussen 1736 en 1738 talrijke planten heeft
                    gekweekt en bestudeerd. </al>
        <al>In 2000 is ter plekke van de voormalige PABO ‘De La Salle’ (Hagenduin) een
                    booronderzoek verricht. Hierbij is vondstmateriaal aangetroffen dat wijst op een
                    plaatselijke ijzerproductie, in de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>H</vet>
          <vet>DE14A Ipenrode<sup>18</sup></vet>
        </al>
        <al>Tussen de Herenweg en de duinen, in de strandvlakte, stond in de 16<sup>e</sup>
                    eeuw het huis de Koeckoek. Vermoedelijk betreft het van oorsprong een boerderij,
                    gebouwd in de late middeleeuwen. Het land behorende bij deze boerderij is aan
                    het einde van de 16<sup>e</sup> eeuw opgesplitst. Op ieder stuk land is
                    vervolgens een nieuwe boerderij of hofstede gebouwd; de Voorkoeckoek (voor het
                    eerst genoemd in 1608, ten oosten van de Aerdenhoutse Vaart) en de
                    Achterkoeckoek (ten westen van de Aerdenhoutse Vaart). Rond het midden van de
                    17<sup>e</sup> eeuw is op het landgoed de Voorkoeckoek een zogenoemde
                    heerschapwoning gebouwd. De oude boerderij de Voorkoeckoek bleef daarna nog
                    enige jaren bestaan. Vanaf het eerste kwart van de 18<sup>e</sup> eeuw is het
                    herenhuis verbouwd (of opnieuw gebouwd) en kreeg het de naam Ipenrode. Kort na
                    1760 werd het terrein uitgebreid met gronden die oorspronkelijk tot Leiduin
                    behoorden. Aan de oostzijde van het terrein staat nog het huidige huis Ipenrode.
                    Tijdens archeologisch inventariserend onderzoek in 1996 zijn binnen de vierkante
                    omgrachting uitbraaksleuven aangetroffen die vermoedelijk behoren tot de
                    voormalige boerderij/hofstede De Voorkoeckoek<sup>19</sup>.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE15A Kennemerduin</vet>
        </al>
        <al>Ten oosten van de Herenweg, bij de Kerklaan, bevond zich in 1672 een posthuis
                    met stal voor het verwisselen van de koetspaarden op het traject Amsterdam - Den
                    Haag. Rond 1760 liet de heer van Heemstede het terrein achter het posthuis
                    afzanden en beplanten. De eigenaar van het posthuis kreeg het terrein vervolgens
                    in erfpacht. In 1854 werd de posterij definitief opgeheven. Kennemerduin vormde
                    gezamenlijk met Kennemeroord (HDE16A) en Overbos (HDE7A) eens de overtuin van
                    Berkenrode.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE16A</vet>
          <vet>Kennemeroord</vet>
        </al>
        <al>Het landgoed Kennemeroord is gelegen tussen de Herenweg en Burgermeester van
                    Lennepweg. Op de hoek van Kennemeroord stond sinds 1642 de herberg De Dorstige
                    Kuil. De herberg werd in 1793 verkocht en een jaar later afgebroken om ruimte te
                    maken voor de bouw van het huis Kennemeroord. Het oorspronkelijke huis is
                    inmiddels gesloopt. Aan de Koediefslaan is nog de oranjerie en de tuinmanswoning
                    bewaard gebleven. Het landgoed vormde eens samen met het Overbos (HDE7A) en
                    Kennemerduin (HDE15A) de overtuin van het landgoed Berkenrode. Ter plekke van
                    het landgoed werd in 1986 een onbekend aantal fragmenten aardewerk aangetroffen
                    uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd<sup>20</sup>. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE17A Hageveld</vet>
        </al>
        <al>De buitenplaats Hageveld is ontstaan op het terrein van het voormalig
                    Bernadieten- of Cisterciënzerklooster, op een voormalige uitloper van de
                    strandwal. Dit klooster stond hier sinds 1456/58 en werd tijdens de reformatie
                    (1572) weer opgeheven. De bezittingen van het voormalige klooster werden onder
                    beheer gesteld van het geestelijk Comtoir van Haarlem, waaronder ook een
                    hofstede met woning. In 1677 wordt deze hofstede met de naam Bernaditen Clooster
                    aangeduid. Dit huis werd in 1860 afgebroken. Kort daarop verrees enigszins ten
                    westen van dit oorspronkelijke huis een nieuwe villa. In de 19<sup>e</sup> eeuw
                    zijn ook de (resterende) kloostergebouwen gesloopt. Tussen 1920 en 1930
                    verscheen op de plaats van het voormalige buitenhuis de nieuwbouw van het
                    Bisschoppelijk Seminarie Hageveld. </al>
        <al>Op het terrein Hageveld zijn tijdens onderzoek in 1958 archeologische vondsten
                    uit de Romeinse tijd gedaan<sup>21</sup>. Naast het gebruikelijk lokaal
                    vervaardigde materiaal zijn ook fragmenten import aardewerk aangetroffen. Recent
                    onderzoek heeft aangetoond dat het landgoed een bewoningsgeschiedennis van 5000
                    jaar heeft.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE18A Huis te Manpad</vet>
        </al>
        <al>In 1558 werd hier voor het eerst melding gedaan van een buitenplaats. In 1630
                    gaf de toenmalige eigenaar de opdracht om het hoofdgebouw te bouwen. Na 1666
                    werd het naastgelegen Cleyne Huys te Manpat aan het landgoed toegevoegd. In 1708
                    werd het Huis te Manpad nogmaals uitgebreid met de aankoop van een stuk land en
                    een huis met de naam De Capel. Rond het jaar 1720 en 1730 werd Huis te Manpad
                    ingrijpend verbouwd. Het huis is tot op heden bewaard gebleven.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE</vet>
          <vet>19a Dennenheuvel &amp; Bloemenoord</vet>
        </al>
        <al>Dennenheuvel en Bloemenoord vormden eens het overbos bij het Huis te Manpad
                    (HDE18A). </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE20A Meer en Berg</vet>
        </al>
        <al>In 1695 wordt voor het eerst gesproken van het huis Meer en Berg. In 1730 werd
                    het terrein uitgebreid met de aangrenzende buitenplaats. In het begin van de
                    20<sup>e</sup> eeuw werd de oude woning aan de Glipperweg gesloopt en door een
                    nieuw huis gebouwd. In 1948 kocht de gemeente de buitenplaats en voegde een deel
                    bij het wandelbos Groenendaal en gebruikte een ander deel voor woningbouw. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE21A Mariënheuvel</vet>
        </al>
        <al>Mariënheuvel maakte tot het begin van de 20<sup>e</sup> eeuw onderdeel uit van
                    Meer en Berg (HDE20A). </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE22A Meer en Bosch</vet>
        </al>
        <al>In 1643 kocht een bewindhebber van de Oostindische Compagnie, het kleine
                    buitenplaatsje Het Paradijs. In 1668 werd het terrein uitgebreid met een
                    boerderij. Tussen 1785 en 1696 werd vervolgens een nieuwe buitenplaats gebouwd.
                    Enkele jaren later werd het terrein uitgebreid met een koepel, een menagerie en
                    bijgebouwen. In 1798 werd de naam Meer en Bos aan de buitenplaats gegeven. Deze
                    naam werd tot ca. 1810 naast de oude naam Het Paradijs gebruikt. Ondanks de
                    gedeeltelijke bebouwing van het terrein zijn het buitenhuis en de tuinaanleg
                    zijn voor een deel bewaard gebleven.<sup/></al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE23A Galgenveld</vet>
        </al>
        <al>De vaste galg bevond zich meestal op een strategische plek aan de rand van het
                    rechtsgebied. Een dergelijke locatie was vooral bedoeld om bezoekers te laten
                    weten dat de wet hier serieus genomen diende te worden. De keuze voor het
                    galgenveld te Heemstede is dan ook niet verwonderlijk. Nieuwkomers over het
                    water konden zo bij binnenkomst van het gebied zien wat hun te wachten stond als
                    zij zich niet aan de regels hielden. De daadwerkelijke executie vond overigens
                    vermoedelijk plaats in het centrum van Heemstede, voor de ogen van de inwoners.
                    Het lijk werd vervolgens vervoerd naar het galgenveld en weer opgehangen, waar
                    het na verloop van tijd in de daaronder liggende galgenput
                    viel<sup>22</sup>.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE24A Molen Schouwbroeker polder</vet>
        </al>
        <al>Voormalige poldermolen, gelegen op de hoek van de Eerelmanstraat/Tooropkade. De
                    molen is in het eerste kwart van de 20<sup>e</sup> eeuw afgebroken.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE25A Molen nabij het oude klooster</vet>
        </al>
        <al>Voormalige molen nabij het oude klooster. De molen is zichtbaar op de
                    topografische kaart van 1894-1923. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE26A Molen nabij het Oude Slot</vet>
        </al>
        <al>Voormalige molen nabij het voormalige klooster. De molen is zichtbaar op de
                    topografische kaart van 1894-1923. Mogelijk is dit één van de molens die ook op
                    17<sup>e</sup>-eeuws kaartmateriaal staat aangeduid bij de ‘Molewerf’. Op deze
                    kaart wordt gesproken van een Korenmolen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE27A Molentje van Groenendaal</vet>
        </al>
        <al>Windmolen op de hoek Herfstlaan/Burgermeester van Rappardlaan. De Molenlaan
                    loopt hier ten noordoosten van. Deze molen is omstreeks 1780 gebouwd in opdracht
                    van de toenmalige eigenaar van het landgoed Groenendaal. De molen had als
                    functie de bevloeiing van het park op de droge zandgrond. In 1781 werd naast de
                    molen een stoommachine gebouwd om zorg te dragen voor voldoende aan- en afvoer
                    van water voor de vijvers, fonteinen, enzovoorts. Het was de één van de eerste
                    stoommachines in Nederland, maar is inmiddels gesloopt. De molen is gespaard
                    gebleven en in 1990 gerestaureerd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE28A Molen van Höcker/De Nachtegaal</vet>
        </al>
        <al>Voormalige stellingmolen (koren) ten zuiden van de Glipperdreef in het verlengde
                    van de Dr. J. Th. De Visserstraat. Een restant van de molen is nog zichtbaar.
                    Het betreft een Rijksmonument.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE29A Overig onbebouwd gebied op strandwal</vet>
        </al>
        <al>Onbebouwd gebied zonder (bekende) archeologische waarden, gelegen ter hoogte van
                    de strandwal. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE30A Overig onbebouwd gebied op de strandvlakte</vet>
        </al>
        <al>Onbebouwd gebied zonder (bekende) archeologische waarden, gelegen ter hoogte van
                    de strandvlakte. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE31A Recent verstoord gebied op de strandwal</vet>
        </al>
        <al>Gebied gelegen op de strandwal zonder (bekende) archeologische waarden waarvan
                    bekend is dat de ondergrond in het recente verleden is verstoord.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HDE32A Recent verstoord gebied op de strandvlakte</vet>
        </al>
        <al>Gebied gelegen op de strandvlakte zonder (bekende) archeologische waarden
                    waarvan bekend is dat de ondergrond in het recente verleden is verstoord.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>1: Het begraven wordt op de begraafplaatsen die nog in gebruik zijn tot de
                    reguliere werkzaamheden gerekend.</al>
        <al>2: Binnen het kader van deze nota is het niet mogelijk alle buitenplaatsen
                    zodanig te analyseren dat een verfijning van de invulling van de landgoederen
                    kan worden gepresenteerd. Dit betekent dat bijvoorbeeld de verdwenen
                    buitenplaatsen, maar vooral de eventuele voorgangers (middeleeuwse hofsteden)
                    niet zijn gelokaliseerd en zijn opgenomen op de bijbehorende kaart. Zodra
                    ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden op deze locaties zal bureauonderzoek
                    moeten plaatsvinden waarbij de inrichting van de verschillende landgoederen
                    nader kan worden weergegeven. Op basis hiervan kan dan ook de bij dit
                    afwegingskader behorende kaart meer in detail worden uitgewerkt en de
                    bijbehorende vrijstellingsgrenzen worden aangepast.</al>
        <al>3: Waarnemingsnummer 211460 </al>
        <al>4: Monumentnummer 13928</al>
        <al>5: Monumentnummer 13927</al>
        <al>6: Waarnemingsnummer 403784</al>
        <al>7: Monumentnummer 13930</al>
        <al>8: Monumentnummer 13929</al>
        <al>9: Kaart van het Rijnlandt 1613-1615</al>
        <al>10: Waarderingsnummer 30954</al>
        <al>11: Monumentnummer 10800</al>
        <al>12: Waarnemingsnummer 30955</al>
        <al>13: Monumentnummer 10888</al>
        <al>14: Waarnemingsnummer 211136</al>
        <al>15: Vanwege de geringe beschikbare informatie en de compacte recente bebouwing
                    is bij deze buitenplaats enkel het huis (en niet het bijbehorende landgoed) op
                    de kaart aangegeven.</al>
        <al>16: Waarnemingsnummer 22439</al>
        <al>17: Waarnemingsnummer 211420</al>
        <al>18: Terrein wordt niet aangeduid op de CHW-kaart, wel op de IKAW: </al>
        <al> monumentnummer 15388</al>
        <al>19: Waarnemingsnummer 44693</al>
        <al>20: Waarnemingsnummer 211178</al>
        <al>21: Waarnemingsnummer 45536</al>
        <al>22: Omdat de exacte locatie vooralsnog onbekend is staat het voormalige
                    Galgenveld op de kaart ruim aangegeven. Het terrein was waarschijnlijk veel
                    kleiner.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>5</nr>
          <titel>Begrippenlijst</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Archeologie: </vet>historische wetenschap die zich ten doel stelt inzicht
                    te verwerven in alle facetten van menselijke samenlevingen uit het verleden door
                    middel van het systematisch opsporen en interpreteren van materiële
                    overblijfselen die in de grond bewaard zijn gebleven.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Archeologische begeleiding: </vet>de registratie van vondst- en
                    spoorgegevens van een vindplaats, zonder dat daarbij sprake is van het aanleggen
                    van sleuven of putten of het uitgraven van grondsporen. De begeleiding wordt
                    uitgevoerd tijdens bodemverstorende activiteiten die om niet-archeologische
                    redenen plaatsvinden en waar gegronde redenen zijn om aan te nemen dat
                    archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Archeologische opgraving: </vet>archeologische ontsluiting van een
                    vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig
                    is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde
                    onderzoeksvragen en het behalen van de onderzoeksdoelstelling.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Archeologische waarden: </vet>alle overblijfselen, voorwerpen en andere
                    sporen van de mens uit het verleden in hun oorspronkelijke context, waarvan het
                    behoud en de bestudering relevante archeologische kennis oplevert.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>ARCHIS: </vet>landelijk archeologisch informatiesysteem dat wordt beheerd
                    door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Beeldkwaliteitsplan: </vet>onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing van
                    een bestemmingsplan of artikel 19-procedure waarin expliciet aandacht wordt
                    besteed aan de relatie tussen een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling en bestaande
                    karakteristieken van een gebied.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Behoudenswaardig: </vet>in aanmerking komend voor duurzaam behoud.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Bevoegd gezag: </vet>de overheid die wettelijk verantwoordelijk is voor een
                    bepaald beleidsterrein. Voor de gemeente houdt dat, onder andere, in dat zij op
                    het vlak van de archeologie besluiten neemt over de selectie van
                    behoudenswaardige archeologische terreinen, die Programma's van Eisen voor
                    archeologische werkzaamheden laat opstellen en/of goedkeurt en die rapportages
                    beoordeelt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Bodemarchief: </vet>de bodem met de zich daarin bevindende
                    archeologica.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Booronderzoek: </vet>zie Inventariserend Veldonderzoek.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Bureauonderzoek: </vet>het verwerven van informatie, aan de hand van
                    bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een
                    onderzoeksgebied, omvattende de aard en de omvang, de datering, gaafheid en
                    conservering en de relatieve kwaliteit daarvan. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW): </vet>kaart van de provincie
                    Noord-Holland waarop de waardevolle archeologische, historisch-geografische en
                    historisch-(steden)bouwkundige elementen zijn aangeduid. De kaart signaleert en
                    informeert en is bedoeld als bron van inspiratie in de ruimtelijke
                    ontwikkeling.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Directievoering: </vet>aansturen of begeleiden van wegens planontwikkeling
                    noodzakelijk archeologisch veldonderzoek, waarbij de kaders van tijd, geld en
                    archeologische kwaliteit worden bewaakt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Ex situ: </vet>Latijnse uitdrukking die "van zijn plaats" betekent. In de
                    archeologie wordt met ex situ een object of context bedoeld die zich niet meer
                    in zijn originele omgeving bevindt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Heerlijkheid: </vet>bestuursvorm voortkomend uit een feodale onderverdeling
                    - leenheer (graaf) versus leenman (ambachtsheer) - van het overheidsgezag in de
                    middeleeuwen. </al>
        <al>Een ambachtsheer had het recht functionarissen als schout en secretaris van de
                    (ambachts)heerlijkheid, predikant, onderwijzer en notaris aan te stellen. En
                    inkomsten, bijvoorbeel boetes als gevolg van jurisdictie, te innen. Een
                    ambachtsheer had echter geen jurisdictie op het gebied van halszaken. Dat bleef
                    voorbehouden aan de graaf.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW): </vet>landelijke
                    overzichtskaart van waardevolle archeologische terreinen, beheerd door de
                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De kaart geeeft op basis van
                    geomorfologische gegevens de kans weer op de aanwezigheid van archeologische
                    vindplaatsen (onderscheid in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans). </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>In situ: </vet>Latijnse uitdrukking die "in plaats of op zijn plaats"
                    betekent. In de archeologie wordt met in situ een object of context bedoeld dat
                    niet verplaatst is uit zijn oorspronkelijke omgeving.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Initiatiefnemer: </vet>de persoon of organisatie (particulier of overheid)
                    die het initiatief neemt tot de bodemverstorende activiteit waarbij de kans
                    aanwezig is dat archeologische waarden worden aangetast. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Inventariserend veldonderzoek (IVO): </vet>door middel van waarnemingen in
                    het veld verwerven van (extra) informatie - aanvullend op het bureauonderzoek -
                    over verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Bedoelde
                    waarnemingen zijn: veldinspectie en oppervlaktekartering, grondboringen en
                    proefsleuven.</al>
        <al/>
        <al>Het onderzoek dient zo te worden uitgevoerd dat het niet destructiever is dan
                    noodzakelijk. Daartoe is het IVO onderverdeeld in een verkennende, karterende en
                    waarderende fase. Het resultaat van het IVO is een rapport met een waardering,
                    en een (selectie)-advies, aan de hand waarvan het bevoegd gezag een gefundeerde
                    beleidsbeslissing moet kunnen nemen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA): </vet>in de archeologische
                    beroepsgroep geldende normen en kwaliteitseisen voor uitvoeringswerkzaamheden,
                    zoals door het Centraal College van Deskundigen vastgelegd in een handboek.</al>
        <al/>
        <al>De KNA is bedoeld als verplicht kader voor alle instellingen en personen die
                    werkzaamheden uitvoeren in het kader van de archeologische monumentenzorg in
                    Nederland. Het gaat daarbij onder meer om: veldonderzoek, opgraven, registreren,
                    deponeren van vodsten en de archeologische begeleiding van projecten. De norm is
                    ontwikkled door een commissie van archeologen en maakt deel uit van een systeem
                    van kwaliteitszorg.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Limes: </vet>Latijn voor grens. Benaming van de grens van het Romeinse
                    Rijk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Programma van Aanpak (PvA): </vet>een door de opdrachtnemer op te stellen
                    plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals
                    geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Een Plan van Aanpak voor een
                    booronderzoek formuleert zowel de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen als
                    de geplande uitvoering van de werkzaamheden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Programma van Eisen (PvE): </vet>door een gekwalificeerd archeoloog op
                    basis van het selectiebesluit opgestelde kennisgeving van het bevoegd gezag aan
                    de initiatiefnemer, waarin probleem- en doelstelling van de te verrichten
                    werkzaamheden van de vindplaats worden gegeven, alsmede formulering van de
                    daaruit af te leiden eisen met betrekking tot het uit te voeren werk.</al>
        <al/>
        <al>Aan een gravend archeologisch onderzoek moet altijd een PvE ten grondslag liggen
                    dat is bekrachtigd door het bevoegd gezag. Het PvE stelt het kader voor ontwerp
                    en uitvoering. In de KNA zijn de normen vastgelegd waaraan een PvE voor
                    archeologisch onderzoek moet voldoen. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE): </vet>overheidsinstelling die
                    verantwoordelijk is voor het behoud en de duurzame ontwikkeling van
                    archeologische waarden, gebouwde monumenten en cultuurlandschappen. De REC -
                    vóór mei 2009 bekend als de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en
                    Monumenten (RACM) - is de uitvoerende dienst van de minister van OCW. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Selectiebesluit: </vet>een gemotiveerd besluit van het bevoegd gezag tot
                    het al dan niet behouden van een bepaalde archeologische waarde, gebaseerd op
                    een selectieadvies en (meestal) leidend tot het al dan niet, of onder
                    voorwaarden, verlenen van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Terra sigillata:</vet> gestempeld aardewerk uit de Romeinse tijd op een
                    draaischijf gemaakt. Het was de fraaiste vorm van aardewerk uit de periode, te
                    herkennen aan kleur (bruin ) en glans. De term is geen antieke terem.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Verstoorder: </vet>de initiatiefnemer van het project dat tot
                    bodemverstorende activiteiten leidt die archeologische waarden zouden kunnen
                    bedreigen. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ): </vet>Wet ter wijziging van
                    de Monumentenwet 1988. Deze wet heeft tot doel de uitgangspunten van het verdrag
                    van Malta te implementeren in de Nederlandse wetgeving en daarmee archeologische
                    monumentenzorg te verbinden aan het proces van ruimtelijke ordening.</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>