<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR209322_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Hilversum 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Gooi en Eembode, 06-08-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Hilversum 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-08-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling, reeds diverse keren gewijzigd</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Hilversum 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Bouwverordening Hilversum 2009</vet></al><al><vet>inclusief de 1<sup>e</sup> t/m 3<sup>e</sup> wijziging</vet></al><al>Vastgesteld door de raad bij besluit van 24 juni 2009</al><al>Bekendmaking op 6 augustus 2009 (Gemeenteblad III, nr. 57), alsmede in
                        deGooi en Eembode op 6 augustus 2009</al><al>In werking getreden op <vet>21 augustus 2009</vet></al><al>nadien gewijzigd bij zijn besluit(en) van: </al><al><vet>Verordening tot eerste wijziging van de Bouwverordening Hilversum
                            2009</vet></al><al>·22 september 2010 - </al><al>Bekendmaking op 23 september 2010 (Gemeenteblad III, nr. 87), alsmede in de
                        Gooi en Eembode op 30 september 2010. In werking getreden op <vet>1 oktober
                            2010</vet>;</al><al><vet>Verordening tot tweede wijziging van de Bouwverordening Hilversum
                            2009:</vet></al><al>·22 juni 2011 – </al><al>Bekendmaking op 21 juli 2011 (Gooi en Eembode op 21 juli 2011). In werking
                        getreden op <vet>22 juli 2011</vet>.</al><al><vet>Verordening tot derde wijziging van de Bouwverordening Hilversum
                            2009:</vet></al><al>·9 mei 2012 – </al><al>Bekendmaking op 16 mei 2012 (Gooi en Eembode op 16 mei 2012). In werking
                        getreden op <vet>18 mei 2012</vet>.</al><al/><al><vet>Bouwverordening Hilversum 2009</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="o"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="o"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> van de Woningwet;
                                    </al></li><li nr="o"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht; </al></li><li nr="o"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al></li><li nr="o"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="o"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="o"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="o"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="o"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="o"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.
                            </al></li><li nr="3."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="o"><al>klachtenonderhoud: het niet-geplande onderhoud van woningen
                                        en daarbij horende bouwwerken naar aanleiding van klachten
                                        van bewoners of derden waarbij de gemelde storing een
                                        inbreuk op het woongenot betekent respectievelijk hinder of
                                        gevaar oplevert;</al></li><li nr="o"><al>mutatieonderhoud: alle onderhoudswerken die worden
                                        uitgevoerd aan woningen en daarbij horende bouwwerken naar
                                        aanleiding van een bewonersmutatie en die tot doel hebben de
                                        woning op te leveren voor een volgende bewoner.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </vet></al><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                            <onderstreept>artikel 8</onderstreept>, vierde lid, van de Woningwet
                        bestaat uit:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4,
                                onder d, van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 </vet></al><al><vet>(Vervallen).</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                        </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                            </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en </al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </vet> In
                        afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in
                        artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag
                        voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het
                        geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet>
                        (vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel <onderstreept>2.5.7</onderstreept> is
                        het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                        is vereist te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet>
                        Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                        2.5.7</onderstreept>;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="o"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;
                                    </al></li><li nr="o"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan
                                        nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                        niet in gevaar komt. </al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.7
                                        </onderstreept>en in die waarin de afwijking genoemd in de
                                            <onderstreept>artikelen 2.5.8</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                            2.5.13</onderstreept> en in die waarin de afwijking
                                        genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.14</onderstreept> is
                                        verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                        achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m² behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept> is
                        het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II van het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al> In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de <onderstreept>artikelen 2.5.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                    2.5.13</onderstreept>;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>, en de balkons en
                                veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een bouwvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt,
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
                            </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,
                                vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                    <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> - de maximale hoogte
                                van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij
                                de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in
                                    <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, tweede lid, voor de
                                bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                    <onderstreept>artikelen 2.5.20</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.5.21 </onderstreept>- maximale bouwhoogte en die
                                met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept> -
                                maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt
                                van 56 graden. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                    <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                    <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept>toegestane afwijking
                                wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet
                                meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van
                                een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met
                                hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    2.5.27</onderstreept>, onder d, en <onderstreept>artikel
                                    2.5.28</onderstreept>, onder h, i, j en k, moeten - voor zover
                                zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste en derde lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en <onderstreept>artikel
                            2.5.24</onderstreept> is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3. van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Burgemeester
                                en wethouders kunnen beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
                                wijze van bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen.
                            </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien
                                daarbij ten behoeve van de bruikbaarheid rekening wordt gehouden met
                                de situatie en inrichting van de plek waar parkeerruimte wordt
                                aangebracht en:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste, het tweede en het derde lid.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleidsregels vaststellen met
                                betrekking tot het verlenen van ontheffingen. Deze regels kunnen -
                                mede - bestaan uit financiële voorwaarden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                        </vet>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
                        </vet>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
                        </vet>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
                        </vet>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                        </vet>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                        </vet>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                        </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                            verwarming</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 De melding </vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet> Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.15 Merktekens voor brandwerend glas</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            kantoorgebouwen </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                        </vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                            bij brand</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</vet>
                        (gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet>
                        (gereserveerd) </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Overbevolking </vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 5 Watergebruik</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet> (vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 6 Installaties</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7A Kamerbewoning </vet></al><al/><al><vet>Artikel 7a.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.2 Vergunning kamerbewoning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.3 Gebruikseisen en algemene regels</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 7a.4 Aanvraag vergunning kamerbewoning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.5 Termijn van beslissing</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.6 Weigeren vergunning kamerbewoning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.7a Wijziging van de vergunning kamerbewoning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.7b Voorwaarden en voorschriften vergunning
                            kamerbewoning</vet>:</al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.8 Intrekken vergunning kamerbewoning</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.9 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.10 Legesheffing</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7a.11 Inwerkingtreding</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Slopen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                            voor het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            omgevingsvergunning voor het slopen </vet></al><al>(vervallen).</al><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                            het slopen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</vet>
                        (vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet> (gereserveerd) </al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet> (vervallen).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Welstand</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De Commissie voor Welstand en Monumenten functioneert als
                                welstandscommissie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder q van de
                                Woningwet en adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen, met inachtneming van het
                                reglement als bedoeld in lid 2.</al></li><li nr="2."><al>Het bij deze verordening behorende Reglement van orde op de
                                Commissie voor Welstand en Monumenten bevat de regels betreffende
                                samenstelling, benoeming, taak en werkwijze van de commissie zoals
                                bedoeld in lid 1.</al></li><li nr="3."><al>De gemeenteraad kan bepaalde gebieden aanwijzen waar voor een
                                daarbij te geven termijn de welstandsadvisering is opgedragen aan
                                een stadsbouwmeester.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 9.2 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al></li><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten is
                                ingewonnen.</al></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet> (gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet>
                        (gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen) </al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen).</al><al/><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>(vervallen).</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Hilversum, 4 april 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>K.E. Driehuijs P.I. Broertjes</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>BIJLAGEN</label></kop><al><vet>Bijlage 1</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als
                    bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 2</vet> Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage
                    behorende bij artikel 6.1.2 (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 3 </vet> Gebruikseisen voor bouwwerken (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 4</vet> Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 5</vet> Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 6</vet> Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.3</al><al>(gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 7</vet> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinen Bijlage behorend bij artikel 2.7.6</al><al>(vervallen).</al><al><vet>Bijlage 8</vet> Checklist voor de visuele inspectie van woningen en
                    daarmee</al><al>vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2</al><al>(gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al><vet>Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al>Bijlage behorend bij artikel 9.1, tweede lid</al><al>In dit Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en Monumenten zijn de
                    instelling en de samenstelling en werkwijze van de Commissie voor Welstand en
                    Monumenten voor de gemeente Hilversum vastgelegd. </al><al><vet>Inhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Advisering door de Commissie voor Welstand en Monumenten</al></li><li nr="2."><al>Samenstelling van de Commissie voor Welstand en Monumenten</al></li><li nr="3."><al>Benoeming en zittingsduur</al></li><li nr="4."><al>Jaarlijkse verantwoording</al></li><li nr="5."><al>Termijn van advisering en vooroverleg</al></li><li nr="6."><al>Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting</al></li><li nr="7."><al>Afdoening bij mandaat</al></li><li nr="8."><al>Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht</al></li><li nr="9."><al>Ondersteuning van de commissie</al></li><li nr="10."><al>Vergaderorde</al></li><li nr="11."><al>Financiële vergoeding</al></li><li nr="12."><al>Slotbepaling</al></li></lijst><al><vet>1. Advisering door de Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al><vet>Artikel 1 Definitie</vet></al><al>De commissie: de Commissie voor Welstand en Monumenten</al><al><vet>Artikel 2 Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                            commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt over zaken
                            welke op de welstand van de bebouwde omgeving, op monumenten of
                            beschermde stads- en dorpsgezichten betrekking hebben.</al></li><li nr="2."><al>De commissie voert haar taken uit in onafhankelijkheid en is
                            beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid en baseert
                            haar advies uitsluitend op de in de welstandsnota genoemde
                            welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Taakomschrijving</vet></al><al>De commissie is belast met de volgende taken:.</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie adviseert - behoudens in de gevallen waarin toepassing is
                            gegeven aan artikel 21 - burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit
                            bouwen, als bedoeld in artikel 2.1. van de Wabo.</al></li><li nr="2."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders over de
                            monumentenaspecten en/of cultuurhistorische aspecten van aanvragen
                            omgevingsvergunning voor de activiteit wijzigen, slopen, verstoren,
                            wijzigen etc. van een monument, als bedoeld in artikel 2.1, sub f, g
                            en/of h van de Wabo en/of als bedoeld in artikel 2.2, lid 1, sub a, b
                            en/of c van de Wabo.</al></li><li nr="3."><al>De commissie is door de gemeenteraad aangewezen als commissie als
                            bedoeld in artikel 1 sub f, van de monumentenverordening Hilversum 2001
                            en adviseert burgemeester en wethouders over de toepassing van de
                            Monumentenwet 1988, over de toepassing van de voornoemde
                            monumentenverordening en over de geïnventariseerde waardevolle gebouwen
                            en over monumentale of cultuurhistorische belangen in de sfeer van de
                            ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="4."><al>De commissie adviseert burgemeester en wethouders – behoudens de
                            gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 21 - over de
                            welstandsaspecten van handelsreclame als bedoeld in artikel 4.7.2 van de
                            algemene plaatselijke verordening Hilversum.</al></li><li nr="5."><al>Bij aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteiten als bedoeld in de
                            leden 1 en 2 brengt de commissie integraal advies uit, waarin echter een
                            duidelijke scheiding is aangebracht tussen het welstandadvies en de
                            advisering met betrekking tot monumenten en/of cultuurhistorische
                            aspecten.</al></li><li nr="6."><al>De commissie voert onder regie van de gemeente overleg met betrokkenen
                            bij de voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe schetsplannen
                            voor bouwplannen Van de schetsplanbeoordeling en overleg daarover wordt
                            altijd verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden wordt opgenomen
                            in het dossier.</al></li><li nr="7."><al>De commissie brengt op verzoek van burgemeester en wethouders advies uit
                            over de welstandsaspecten c.q. monumentenaspecten van in voorbereiding
                            zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, plannen voor de
                            inrichting van de openbare ruimte en andere relevante beleidsstukken.
                            Voor bestemmingsplannen gebeurt dit in het kader van het overleg ex
                            artikel 3.1.1 Bro.</al></li><li nr="8."><al>Na de vaststelling van het plan of de nota zoals bedoeld in het
                            voorgaande lid ontvangt de commissie een definitief exemplaar en een
                            reactie op haar eerder uitgebrachte advies</al></li><li nr="9."><al>De commissie mag ook ongevraagd advies uitbrengen over zaken die het
                            taakveld van de commissie raken.</al></li><li nr="10."><al>de commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                            de door haar verrichte werkzaamheden. Voorzover leden van de commissie
                            persoonlijk betrokken zijn bij bouwplannen die voor vooroverleg of ter
                            advisering worden voorgelegd, of indien het bouwplannen betreft van het
                            bureau waar zij werkzaam zijn, vindt de advisering in afwijking van het
                            bepaald in de leden 1 en 2 niet plaats door de commissie voor welstand
                            en monumenten, maar door een commissie van de stichting Welstandszorg
                            Noord-Holland.</al></li></lijst><al><vet>2. Samenstelling van de Commissie voor Welstand en Monumenten</vet></al><al><vet>Artikel 4 Samenstelling en taakverdeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een monumentenkamer en een welstandskamer en
                            deze kamers hebben een gemeenschappelijke voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De welstandskamer bestaat uit een voorzitter en 4 leden en de
                            monumentenkamer bestaat uit een voorzitter en 3 leden. De raad kan een
                            plaatsvervangend lid benoemen dat als lid functioneert bij verhindering
                            van een regulier commissielid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandskamer bestaat naast de voorzitter uit leden met een
                            achtergrond en ervaring die is toegespitst op de hoofdtaak
                            bouwplanbeoordeling en aanvullend op annexe gebieden zoals stedenbouw,
                            landschap en een burgerlid.</al></li><li nr="4."><al>De monumentenkamer bestaat naast de voorzitter uit leden uit de
                            vakgebieden architectuurhistorie, architectuur (specialiteit
                            restauratie) en/of historie (lokaal, stedenbouwkundig, algemeen, kunst)
                            .</al></li><li nr="5."><al>De welstandskamer is (gedelegeerd) verantwoordelijk voor (voor)overleg
                            in het kader van bouwplannen en de advisering inzake
                            vergunningsaanvragen, zoals hiervoor omschreven in de artikelen 3.1 en
                            3.6.</al></li><li nr="6."><al>De monumentenkamer is (gedelegeerd) verantwoordelijk voor de advisering
                            over de monumentenstatus, (voor)overleg in het kader van planbegeleiding
                            en voor advisering over restauratieplannen en
                            monumentenvergunningsaanvragen, zoals hiervoor omschreven in artikel
                            3.3.</al></li><li nr="7."><al>De advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota´s, als bedoeld in
                            artikel 3.7 van dit reglement vindt eveneens plaats in de commissie,
                            voorzover het onderwerp daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="8."><al>Ook in andere gevallen waarin naar het oordeel van de voorzitter
                            gezamenlijke behandeling geboden is, als zowel welstandsaspecten als
                            monumentenaspecten in het geding zijn, vindt de behandeling in de
                            commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Profielschets van de commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie moeten geïnteresseerd zijn in Hilversum en de
                            gemeente kennen of willen leren kennen en bereid zijn zich te verdiepen
                            in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente in brede zin.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de commissie moeten in staat zijn bouwplantekeningen te
                            lezen en cultureel besef en kennis hebben van de (geschiedenis van de)
                            bouwkunst.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen
                            persoonlijk belang mogen hebben bij de door burgemeester en wethouders
                            te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid
                            mogen vervullen. Als een bouwplan wordt voorgelegd, of indien anderszins
                            een zaak ter advisering aan de commissie worden voorgelegd, waarbij een
                            lid is aan te merken als persoonlijk belanghebbende als bedoeld in
                            artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dient dat lid geheel
                            buiten de advisering over dat onderwerp te blijven en niet betrokken
                            worden bij de discussie en informatie-uitwisseling over dat
                            onderwerp.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie moeten in staat zijn hun oordeel begrijpelijk
                            te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol
                            spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve
                            vaardigheden.</al></li><li nr="5."><al>De leden van de commissie hebben een geheimhoudingsplicht inzake de aan
                            hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten, niet zijnde aanvragen
                            omgevingsvergunning.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Profielschets van de voorzitter</vet></al><al>De voorzitter dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 6 en moet daarnaast
                    goede voorzitterkwaliteiten bezitten en dient derhalve goede vergadertechnische,
                    meningsvormende en besluitvormingskwaliteiten te hebben. Om de voorzittersrol
                    goed te kunnen vervullen is ervaring (niet noodzakelijkerwijs vakopleiding) op
                    het werkterrein onontbeerlijk.</al><al><vet>Artikel 7 Taken van de leden</vet></al><al>De leden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de (vak)inhoudelijke kwaliteit
                    van de welstandsadviezen respectievelijk de monumentenadviezen.</al><al><vet>Artikel 8 Taken van de voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het dagelijks functioneren van de
                            commissie en bewaakt de deugdelijkheid van de advisering en overige
                            taakuitoefening in brede zin.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de
                            discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het
                            uit te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter organiseert met de commissie en het commissiesecretariaat
                            een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden en heeft
                            hiertoe tenminste eenmaal per jaar een evaluerend overleg met de
                            portefeuillehouder. De uitkomsten van het evaluatiegesprek wordt
                            opgenomen in het jaarverslag van de commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Vervanging</vet></al><al>Bij incidentele of langdurige verhindering van een lid kan de gemeenteraad een
                    plaatsvervanger benoemen, voor de duur van de afwezigheid van het betrokken
                    lid.</al><al><vet>3. Benoeming en zittingsduur</vet></al><al><vet>Artikel 10 Benoemingsprocedure</vet></al><al>De voorzitter en leden van de commissie worden door de gemeenteraad benoemd en
                    ontslagen. </al><al><vet>Artikel 11 Zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met – behoudens voor
                            het burgerlid - een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van
                            nog eens drie jaar. Omwille van de continuïteit van de advisering worden
                            de leden van de commissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een
                            alternerend systeem.</al></li><li nr="2."><al>Door de gemeenteraad wordt een rooster van aftreden bijgehouden. De
                            gemeenteraad maakt drie maanden voor het verstrijken van een
                            benoemingstermijn zijn voornemens voor de nieuwe benoemingstermijn
                            kenbaar aan het desbetreffende lid van de commissie en aan de
                            commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Voortijdige beëindiging van de benoeming van
                        commissieleden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie kunnen te allen tijde kenbaar maken hun
                            benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk drie
                            maanden tevoren kennis aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen, de benoeming van een lid of
                            van alle leden van de commissie alsmede van de plaatsvervangers bij
                            structurele afwezigheid voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende
                            commissielid of de betreffende commissieleden of plaatsvervangers naar
                            haar oordeel niet naar behoren functioneert of functioneren.</al></li></lijst><al><vet>4. Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><vet>Artikel 13 Jaarverslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 van de Woningwet
                            en ter informatie over haar monumentenactiviteiten jaarlijks voor de
                            gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het
                            ‘jaarverslag’.</al></li><li nr="2."><al>In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de
                            commissie toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke
                            welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert
                            waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende
                            houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan
                            waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde
                            beleid.</al></li><li nr="3."><al>In dit jaarverslag komen ook aan de orde de activiteiten die de
                            commissie heeft ontplooid op het gebied van monumentenzorg, waaronder
                            eventuele in het oog springende activiteiten of plannen.</al></li><li nr="4."><al>De commissie kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien van het
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid en/of
                            monumentenbeleid in het bijzonder.</al></li><li nr="5."><al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december Het jaarverslag
                            wordt jaarlijks uiterlijk in april aangeboden aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="6."><al>Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad of raadscommissie
                            wordt gecombineerd met de jaarlijks op te stellen rapportage over de
                            uitvoering van het welstandstoezicht door burgemeester en
                            wethouders.</al></li></lijst><al><vet>5. Termijn van advisering en vooroverleg </vet></al><al><vet>Artikel 14. Termijn van advisering bij aanvraag omgevingsvergunning</vet>. </al><al>De commissie dan wel een namens haar gemandateerd lid neemt bij de advisering de
                    in de Wabo genoemde termijnen in acht zodat binnen de daarin genoemde termijnen
                    de besluitvorming kan plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 15 Overschrijding van de termijn</vet></al><al>Indien de commissie dan wel het namens haar gemandateerde lid bij de beoordeling
                    van een aanvraag niet binnen de in de Wabo gestelde termijnen tot een advies
                    komt, beoordelen burgemeester en wethouders zelf of het bouwwerk waarop de
                    aanvraag betrekking heeft niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                    Daarbij nemen zij de in de welstandsnota opgenomen criteria in acht. De
                    commissie wordt van deze beoordeling in kennis gesteld.</al><al><vet> Artikel 16 Geldigheidstermijn van een schetsplanbeoordeling</vet></al><al>Indien een schetsplan niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling door de
                    commissie wordt gevolgd door een bouwaanvraag, wordt de welstandsbehandeling
                    gesloten en heeft het eerder uitgebrachte advies geen actualiteitswaarde
                    meer</al><al><vet>6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting </vet></al><al><vet>Artikel 17 Openbare behandeling van aanvragen en plannen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van aanvragen en plannen door de commissie is openbaar
                            tenzij burgemeester en wethouders of de commissie van mening zijn dat er
                            op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende
                            redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de
                            beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het
                            welstandsadvies.</al></li><li nr="2."><al>De beoordeling van een schetsplan of vooroverleg over een bouwplan vindt
                            in principe plaats in het openbaar, tenzij burgemeester en wethouders of
                            de commissie van mening is dat openbare behandeling belangen schaadt en
                            de transparantie van het welstandstoezicht niet onevenredig geschaad
                            wordt.</al></li><li nr="3."><al>Belangstellenden kunnen de vergadering van de commissie bijwonen. op de
                            publieke tribune.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet
                            bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd
                            aanvragen bij de voorzitter. De voorzitter stelt, afhankelijk van de
                            agenda, de maximale spreektijd van eenieder vast. Spreektijd kan slechts
                            worden gebruikt voor het geven van een visie op de welstandsaspecten van
                            het plan. Een belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van
                            de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de
                            welstandsbeoordeling.</al></li><li nr="5."><al>Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwaanvragen, de
                            behandeling van schetsplannen en de advisering inzake
                            monumentenaanvragen zijn openbaar.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 18 Bekendmaking van de agenda</vet></al><al>De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden door
                    het commissiesecretariaat vooraf gepubliceerd via de gemeentelijke website</al><al><vet>Artikel 19 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het
                            plan heeft verzocht, wordt deze door het commissiesecretariaat
                            uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering
                            waarin het plan wordt behandeld.</al></li><li nr="2."><al>Als de commissie dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere
                            toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de ontwerper
                            door het commissiesecretariaat uitgenodigd voor het geven van een
                            toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de
                            planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria
                            c.q. de van belang zijnde monumentale aspecten, door planindiener en/of
                            ontwerper.</al></li></lijst><al><vet> 7. Afdoening bij mandaat </vet></al><al><vet>Artikel 20 Mandaat namens de commissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan, in overleg met burgemeester en wethouders één of meer
                            van haar leden mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De
                            gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en namens de
                            commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening van de
                            commissieverslagen.</al></li><li nr="2."><al>Eén van de taken die door de commissie aan één of meer van haar leden
                            kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies
                            voor plannen van relatief geringe ruimtelijke betekenis of van plannen
                            waar de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. De
                            gemandateerde heeft hierbij ten aanzien van welstandsadviezen een
                            beperkt mandaat, dat wil zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen
                            worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde commissielid niet
                            akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire commissie behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende plan
                            alsnog voor aan de plenaire commissie</al></li><li nr="4."><al>Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde
                            reglementen als voor behandeling van plannen door de plenaire
                            commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Ambtelijke afdoening welstandsbeoordeling.</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen, zodra dit wettelijk is toegestaan,
                    categorieën van aanvragen omgevingsvergunning aanwijzen waarbij de
                    welstandsbeoordeling ambtelijk zal plaatsvinden, door medewerkers van het
                    commissiesecretariaat of hun plaatsvervangers. </al><al><vet>8. Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht</vet></al><al><vet>Artikel 22 Inhoud van het welstandsadvies op bouwaanvragen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een
                            bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                            omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd
                            is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de
                            hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr="2."><al>Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben
                            op het welstandstoezicht.</al></li><li nr="3."><al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid
                            of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen
                            zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                            duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.</al></li><li nr="4."><al>Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der
                            betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan
                            voelen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 23 Conclusie van het advies</vet></al><al>Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al><lijst><li nr="1."><al>Positief advies: Het plan voldoet naar mening van de commissie volgens
                            de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen van
                            welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan
                            op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend
                            en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies
                            zelf.</al></li><li nr="2."><al>Negatief advies, tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: Het plan
                            voldoet naar mening van de commissie volgens de van toepassing zijnde
                            welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op
                            ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig
                            genotuleerd of op de tekening aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Negatief advies: Het plan voldoet naar mening van de commissie volgens
                            de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van
                            welstand.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 24 Schriftelijke motivering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Bij positieve advisering kan een expliciete motivering achterwege
                            blijven, tenzij burgemeester en wethouders daarom verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake
                            is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan, in
                            afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q.
                            objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Afwijken van het welstandsadvies</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van artikel artikel 2.10,
                            lid 1, sub d, van de Wabo, de vergunning verlenen ondanks strijdigheid
                            van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel
                            zijn dat daarvoor voldoende zwaarwegende redenen zijn.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens zij daartoe overgaan overleggen zij, teneinde tot een goede
                            afweging te komen en voor een goede informatie-uitwisseling, over de
                            voorgenomen afwijking met de voorzitter van de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning
                            gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders zullen uiterst terughoudend zijn met het
                            gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel
                            ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke
                            belangen.</al></li></lijst><al><vet>9. Ondersteuning van de commissie</vet></al><al><vet>Artikel 26 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt ondersteund door een ambtelijk secretariaat.</al></li><li nr="2."><al>Het commissiesecretariaat ondersteunt de commissie op zodanige wijze dat
                            deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar taken als
                            onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="3."><al>De medewerkers van het secretariaat mogen slechts adviseren aan de
                            commissie, zij hebben geen stemrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het commissiesecretariaat onderhoudt de contacten met de betrokken
                            medewerkers van de dienst Stadsontwikkeling, neemt de adviesaanvragen
                            voor bouwplannen en monumentenplannen in en bereidt de behandeling van
                            de bouwplannen in de commissie voor.</al></li><li nr="5."><al>De controle op volledigheid van de ingediende stukken gebeurt in
                            principe niet door het commissiesecretariaat maar door de medewerkers
                            die belast zijn met de verwerking van aanvragen om bouwvergunning
                            respectievelijk monumentenvergunning.</al></li><li nr="6."><al>Het commissiesecretariaat verzorgt (in overleg met de voorzitter) de
                            agendering en notulering en draagt er zorg voor dat de commissie kan
                            adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn.</al></li><li nr="7."><al>Het commissiesecretariaat maakt de afspraken tussen planindieners en/of
                            ontwerpers en de commissie.</al></li><li nr="8."><al>Het commissiesecretariaat verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het
                            jaarverslag en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen het
                            gemeentebestuur en de commissie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 27 Adviseurs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt voorzover zij dat dienstig vindt op ad hoc of
                            permanente basis vanuit de gemeentelijke organisatie bijgestaan door
                            ambtelijk adviseurs met een specifieke deskundigheid; hierbij valt te
                            denken aan deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie en
                            stedenbouw.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de
                            beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan
                            te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen
                            stem in de eindbeoordeling.</al></li><li nr="3."><al>De adviseur is op geen enkele wijze betrokken bij of verantwoordelijk
                            voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de
                            commissie</al></li><li nr="4."><al>De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de
                            vergadernotulen.</al></li></lijst><al><vet>10. Vergaderorde</vet></al><al><vet>Artikel 28 Vergadering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert regelmatig volgens een jaarlijks vast te stellen
                            vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie wordt vastgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De commissie (pleno) kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden aanwezig zijn, en uit beide kamers minstens 1 lid aanwezig
                            is.</al></li><li nr="3."><al>De monumentenkamer en welstandskamer kunnen slechts (gedelegeerd) advies
                            uitbrengen indien naast de voorzitter minstens 2 leden van de commissie
                            aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van voldoende leden kan 1 lid van de andere kamer
                            plaatsvervangend zitting nemen in de andere kamer.</al></li><li nr="5."><al>Een lid dat verhinderd is de vergadering bij te wonen doet daarvan
                            tijdig mededeling aan het secretariaat</al></li></lijst><al><vet>Artikel 29 Stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid
                            van stemmen.</al></li><li nr="2."><al>Bij staking van de stemmen geeft de stem van de voorzitter de
                            doorslag</al></li><li nr="3."><al>Als minstens 1 lid daarom verzoekt wordt het minderheidsstandpunt in de
                            notulen verwoord.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 30 Onderzoek ter plaatse</vet></al><al>De commissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij de beoordeling
                    van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de
                    vervulling van haar taak nodig is. </al><al><vet>11. Financiële vergoeding</vet></al><al><vet>Artikel 31 Vergoeding</vet></al><al>De commissieleden ontvangen een door de gemeenteraad te bepalen en te betalen
                    uurtarief en een vergoeding van de reiskosten. </al><al><vet>12. Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 32</vet></al><al>In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslissen burgemeester en
                    wethouders.</al><al>-. - . -</al><al><vet>Bijlage 10</vet> Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                    (brandmeldinstallaties) (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)
                    (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 12</vet></al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)
                    (gereserveerd)</al><al><vet>Bijlage 13 </vet></al><al>Parkeernormen als bedoeld in artikel 2.5.30, eerste lid</al><al>( vervallen)</al><al>Bij b&amp;w besluit van 16 november 2010 zijn separaat de “beleidsregels
                    parkeernormen Hilversum 2009” vastgesteld. )</al><al><vet>Bijlage 14 </vet></al><al>Beleidsregels inzake het verlenen van ontheffing, zoals bedoeld in het vijfde
                    lid van artikel 2.5.30, in verband met het vierde lid.</al><al>(gereserveerd)</al><al>Bij besluit van 19 mei 2009 hebben b&amp;w separaat de beleidsnota
                    parkeerbijdrageregeling Hilversum 2009 vastgesteld.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BOUWVERORDENING HILVERSUM 2009</titel></kop><al><vet>Deze verordening met toelichting is gebaseerd op en grotendeels conform de
                        modelbouwverordening (MBV) van de VNG (bijgewerkt t/m de 14<sup>e</sup>
                        wijziging op de MBV)</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Vanaf 1 april 2012 zijn diverse onderwerpen die voorheen in de bouwverordening
                    stonden ondergebracht in het Bouwbesluit 2012. Deze komen daarom thans niet meer
                    voor in de bouwverordening. Ze staan in de bouwverordening nog aangegeven als
                    vervallen.</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet><cursief>Bouwtoezicht</cursief></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen
                    burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden.
                    Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als
                    “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al>Zie hiervoor:
                    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                    over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR: (Lbr.07/17,
                    CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al><cursief>Bouwwerk en gebouw</cursief></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. </al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al>- </al><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten
                    aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                    (Bor).</al><al><cursief>Wet BIBOB</cursief></al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet
                    Bibob).</al><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al><cursief>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor
                        het bouwen</cursief></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al><cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning
                    en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1
                    Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                    gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al><cursief>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                    het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</vet> De toelichting bij dit artikel vervalt. <vet>Artikel
                        2.1.7 Bouwregistratie</vet> De toelichting bij dit artikel vervalt.
                        <vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                        bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</vet> De toelichting bij dit
                    artikel vervalt. </al><al><cursief>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                        bodem</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt
                    in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog
                    niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden
                    gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                    bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en
                    actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij
                    de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag
                    zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag
                    in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe
                    zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al><cursief>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                    opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al><cursief>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                    bestemmingsplan</cursief></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al><cursief>Wet ruimtelijke ordening</cursief></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit
                    artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro. </al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                    zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in
                    het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'. </al><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 </vet><vet>Bouwen</vet><vet> op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al><cursief>Besluit externe veiligheid buisleidingen</cursief></al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling
                    externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking
                    getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden
                    aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in
                    lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan
                    voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                    kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                    delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                    gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege
                    beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II
                    van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al><cursief>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</cursief></al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al><al><cursief>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal
                    relevant?</cursief></al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al><cursief>Sub d</cursief>.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al><cursief>Sub e</cursief>.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al>Op veel plaatsen in Hilversum is de parkeerruimte in de openbare ruimte niet of
                    nauwelijks toereikend. Uitbreiding van openbare parkeerplaatsen is veelal niet,
                    of slechts tegen hoge kosten mogelijk.</al><al>Het uitgangspunt van het Hilversumse beleid is dat in parkeerruimte op eigen
                    terrein moet worden voorzien als een omgevingsvergunning voor de activiteit
                    bouwen of ontheffing Wro wordt verleend ten gevolge waarvan de parkeerbehoefte
                    toeneemt. Op deze wijze wordt de toename van de parkeerdruk in de openbare
                    ruimte beperkt, en wordt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de
                    benodigde parkeerplaatsen primair bij de ‘veroorzaker’ van de parkeervraag
                    gelegd.</al><al>Het onderhavige artikel beoogt aansluiting te zoeken bij het rijksbeleid en bij
                    de landelijke parkeerkencijfers. Zie hiervoor verder bij de toelichting onder
                    lid 1.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid formuleert de verplichting om voldoende parkeerruimte te
                    realiseren op eigen terrein. Burgemeester en wethouders hebben beleidsregels
                    vastgesteld voor de wijze waarop de parkeerbehoefte berekend wordt.</al><al>Aan de hand van de hierin vervatte normen kan per aanvraag in de concrete
                    situaties de parkeereis worden bepaald. Hierbij kan en dient rekening te worden
                    gehouden met eventueel van belang zijnde specifieke omstandigheden, die van
                    belang kunnen zijn om naar boven of naar beneden af te wijken.</al><al>Lid 2</al><al>De bedoeling van het tweede lid is om te bereiken dat de te realiseren
                    parkeerplaatsen feitelijk zodanige afmetingen hebben dat zij door een normale
                    personenauto gebruikt kunnen worden en dat er ook voldoende ruimte is voor in-
                    en uitstappen. Om die reden wordt de eis gesteld, dat ten behoeve van de
                    bruikbaarheid rekening moet worden gehouden met de situatie en inrichting van de
                    plek waar parkeerruimte wordt aangebracht (dit betreft een toegevoegde
                    vermelding in vergelijking met de MBV). De in de MBV opgenomen minimum en
                    maximum maten zijn ook hier opgenomen zodat de absolute grenzen, die in elk
                    geval niet dienen te worden overschreden, concreet worden gemaakt.</al><al>Waar reguliere parkeerplaatsen met de vermelde minimummaat in de lengterichting
                    grenzen aan een trottoir of rijbaan kunnen deze eventueel aan het doel
                    beantwoorden. Waar dit niet het geval is (bijvoorbeeld haaks op de rijbaan of
                    trottoir gesitueerde parkeerplaatsen) zal deze maat voor gangbare personenauto’s
                    niet snel toereikend zijn. Om te beoordelen of parkeerplaatsen in de gegeven
                    situatie voor gangbare personenauto’s goed bruikbaar zijn (onder andere een
                    reële grootte hebben), rekening houdend met - zie hiervoor - de situatie en
                    inrichting van de plek, kunnen als leidraad worden genomen de normen zoals
                    opgenomen in de uitgave “Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen in de bebouwde
                    kom” (ASVV) van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-,
                    Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Deze worden betreffende het
                    aanbrengen van verkeersvoorzieningen landelijk als maatgevend wordt
                    beschouwd.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid verplicht tot het aanleggen van laad- en losplaatsen als het
                    gebruik van het pand daar aanleiding toe geeft.</al><al>Lid 4</al><al>De primaire verantwoordelijkheid voor het realiseren van parkeervoorzieningen
                    ligt bij de aanvrager van de vergunning of ontheffing. Er zijn echter gevallen
                    denkbaar waarbij dit feitelijk onmogelijk is of financieel onhaalbaar. Het
                    vierde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid ontheffing te
                    verlenen van de parkeereisen.</al><al>Lid 5</al><al>Het vijfde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de
                    ontheffingen nader in te kaderen in beleidsregels. In dit artikel wordt
                    expliciet aangegeven dat ook financiële voorwaarden mogelijk zijn. Hiermee wordt
                    ook rekening gehouden met de mogelijkheid dat een vorm van parkeer- en/of
                    mobiliteitsvoorziening wordt ingesteld. Dit is in Hilversum uitgewerkt in de
                    vorm van de Parkeerbijdrageregeling Hilversum 2009. </al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken.
                    De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>In Hilversum is de welstandsadvisering en de advisering op het gebied van
                    monumentenzorg opgedragen aan de Hilversumse Commissie voor Welstand en
                    Monumenten.</al><al><vet>Commissie voor Welstand en Monumenten</vet> De Woningwet schrijft in
                    artikel 8 voor wat de bouwverordening onder andere aangaande de
                    welstandscommissie moet regelen. Het merendeel van wat daarin is voorgeschreven
                    is geregeld in het Reglement van orde op de Commissie voor Welstand en
                    Monumenten, dat als bijlage 9 deel uitmaakt van de bouwverordening.</al><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand</cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                    Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                    voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing.
                    De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is
                    blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999,
                    356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening
                    aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming
                    is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                    aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen
                    die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden
                    die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                    m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                    naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming
                    te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Hilversum heeft gekozen voor een
                    commissie (‘Commissie voor Welstand en Monumenten’) van deskundige leden en een
                    burgerlid in de ‘welstandskamer’ (een burgerlid krachtens raadsbesluit van 4
                    juli 2007), waarbij de secretaris geen deel uitmaakt van de commissie.</al><al>Hilversum heeft (zie artikel 9.1 lid 3) de mogelijkheid heeft opengelaten om
                    voor een bepaalde termijn de advisering voor bepaalde gebieden over te dragen
                    aan een stadsbouwmeester., en heeft hier in het verleden gestalte aan gegeven
                    door per 1 januari 2004 de advisering in het stadsvernieuwingsgebied Liebergen
                    voor een periode van 3 jaar op te dragen aan een stadsbouwmeester (dhr. Prof.
                    Ir. H.J.M. Ruijssenaars). </al><al>Ook is in het Reglement van Orde op de commissie voor welstand en monumenten
                    geregeld dat het college - zodra dat wettelijk mogelijk is – categorieën van
                    aanvragen kan aanwijzen waarvan de advisering ambtelijk kan gebeuren. Dit maakt
                    het mogelijk bijvoorbeeld de afdoening van aanvragen die voldoen aan de
                    sneltoetscriteria ambtelijk te laten afdoen. Dan kan de gang van zaken zoals die
                    m.b.t. dit soort plannen bestond vóór de inwerkingtreding van de Wabo weer
                    worden hersteld.</al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet> De aanvraag Ook de
                    Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in gebruik geven
                    of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of niet eerder
                    legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar maken
                    verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan wijkt de
                    eis van een woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning. Met de Woningwet
                    van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu in de wet is
                    uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe bouwverordening is
                    alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van indiening en inrichting
                    van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de Woningwet verplichtend
                    vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen van de op basis van de
                    oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor een woonvergunning. De
                    vergunning Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning
                    verdwijnt overigens de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op
                    de Woningwet 1962 gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er
                    sprake was van strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende
                    nieuwbouweisen. Op grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een
                    woonvergunning alleen worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening. Welk deel van de bouwverordening hiermee
                    bedoeld kan zijn, is onduidelijk. Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het
                    Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen weigeringgrond voor de woonvergunning. Uit het
                    eerste lid van artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het gebouw in
                    principe geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het bestemmingsplan of
                    de bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het gebouw bouw- en/of
                    woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er volgens het
                    Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw alsnog
                    geschikt gemaakt wordt: </al><lijst><li nr="1."><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                            woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al></li><li nr="2."><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet. </al></li></lijst><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord. Ad 1 Welke bouw- en/of
                    woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden aan de
                    woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                    maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning noodzakelijk
                    en de wetssys-tematiek gaat ervan uit, dat er of een woonvergunning of een
                    bouwvergunning noodzakelijk is. Ad 2 Bij welk niveau van eisen is er sprake van
                    ongeschiktheid tot bewoning? Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het
                    niveau van eisen voor de bestaande woningbouw, dan is er geen discussie. Dit
                    niveau geeft in feite de onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het
                    gebouw als woning kan echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een
                    besluit ingevolge artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de
                    noodzakelijkheid van voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een
                    voorzieningenniveau beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en het
                    niveau voor bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden. De praktijk zal de
                    antwoorden uit moeten wijzen. Het kiezen voor de tweede oplossing heeft
                    overigens als nadeel, dat bewoning wordt toegestaan voordat het gebouw geschikt
                    is tot bewoning. De woonvergunning is een beschikking. Dat betekent dat naast de
                    eisen van de bouwverordening, de algemene eisen van de Awb van toepassing zijn.
                    De aanvraag moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden ingediend bij het
                    bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb).
                    Ingevolge artikel 60 van de Woningwet zijn burgemeester en wethouders het
                    bevoegde orgaan. Worden de in de bouwverordening geeiste gegevens niet
                    ingediend, dan is artikel 4:5 juncto artikel 4:15 Awb van toepassing.
                        <vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet> Vervallen. </al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet> Artikel 8, tweede lid, onder f,
                    van de Woningwet, eist een voorschrift voor de overdraagbaarheid van de aldaar
                    genoemde op de Woningwet gebaseerde vergunningen. De op de Woningwet 1962
                    gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de overdraagbaarheid van
                    bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV overgenomen voor de
                    overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en bouwverordening gebaseerde
                    vergunningen. Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester en wethouders verplicht
                    zijn tot overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving
                    tot een niet gewenste en planologisch niet juiste situatie. Zowel de
                    rechtverkrijgende onder bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de
                    rechtverkrijgende onder algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om
                    overschrijving vragen. Met het recht van de verkrijgende wordt hier het recht
                    bedoeld dat is neergelegd in de vergunning. De wet van 10 juni 2004 is onder de
                    naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb. 2004, 320, en krachtens Besluit van
                    31 augustus 2004 in werking getreden op 15 september 2004, Stb. 2004, 452. In de
                    Woningwet zijn de artikelen 44a en 59 gewijzigd. <vet>Artikel 10.4 Overdragen
                        mededeling</vet> De tekst van de toelichting komt te vervallen. <vet>Artikel
                        10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                        alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet> Vervallen. <vet>Artikel
                        10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</vet></al><al> Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt,
                    waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van
                    ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al>·.</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet><vet>Algemeen</vet> Alle
                    artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld steunen
                    op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op de
                    economische delicten</al><al><vet>Bijlagen </vet></al><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al><cursief>Toelichting verordening</cursief></al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde
                    kom</al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde
                    kom</al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen
                    grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>