<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20800_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Epe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het basisonderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Interimwet op het speciaal onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>1997-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1997-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Handelingen van de raad, bijlagenr. N 27 1997</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Publicatie van deze verordening is niet meer te achterhalen. Datum inwerkingtreding is bij benadering</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Raadsbesluit 1997 Nr. N 27.</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>DE RAAD DER GEMEENTE EPE;</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 oktober
                        1997;</al>
          <al>gelet op de bepalingen over het op overeenstemming gericht overleg in de Wet
                        op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
                        voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al>
          <al>gelet op de behandeling van het voorstel van burgemeester en wethouders in
                        de vergadering van 4 november 1997 van de raadscommissie Maatschappelijke
                        Aangelegenheden, Recreatie en Sport;</al>
          <al>gezien het gevoerde overleg met de vertegenwoordigers van de
                        schoolbesturen;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is een regeling vast te stellen voor het
                        overleg tussen de gemeente en de schoolbesturen over het lokaal
                        onderwijsbeleid;</al>
          <al>
            <vet>B E S L U I T :</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de volgende Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1. Begripsbepalingen </label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1 Begripsbepalingen </label>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <onderstreept>schoolbestuur</onderstreept>. </al><al>Het bevoegd gezag van een volgens de Wet op het basisonderwijs,
                                    de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet
                                    speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    bekostigde openbare of bijzondere school voor basisonderwijs,
                                    voor speciaal onderwijs/voor voorbereidend wetenschappelijk
                                    onderwijs/voor algemeen voortgezet onderwijs/voor voorbereidend
                                    beroeps-onderwijs, die gelegen is op het grondgebied van de
                                    gemeente;</al></li>
              <li nr="b."><al>
                  <onderstreept>advies.</onderstreept>
                </al><al>Het advies van de Onderwijsraad, als bedoeld in de Wet op het
                                    basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
                                    voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li>
              <li nr="c."><al>
                  <onderstreept>burgemeester en
                                    wethouders</onderstreept>. </al><al>Het college van burgemeester en wethouders.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2. Overleg </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1.Overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid </label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2 Functie overlegorgaan </label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Er is een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid waarin
                                    burgemeester en wethouders met de vertegenwoordigers van alle
                                    schoolbesturen overleg voeren over de voorbereiding en
                                    uitvoering van het lokaal onderwijsbeleid;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>in het overlegorgaan komen aan de orde:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a. "><al>de onderwerpen waarop het op overeenstemming gericht
                                            overleg van toepassing is, als bedoeld in de Wet op het
                                            basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs
                                            en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li>
                  <li nr="b. "><al>overige onderwerpen van overleg aangaande het lokaal
                                            onderwijsbeleid;</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>op de onderwerpen, als genoemd in het tweede lid, onder b, is
                                    artikel 9 niet van toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>De schoolbesturen kunnen zich laten vertegenwoordigen in het
                                        overlegorgaan. Een schoolbestuur wijst daartoe 1
                                        vertegenwoordiger aan die namens dit schoolbestuur het
                                        overleg voert;</al></li>
                <li nr="b."><al>schoolbesturen kunnen zich gezamenlijk laten
                                        vertegenwoordigen in het overlegorgaan. Zij wijzen daartoe 1
                                        vertegenwoordiger aan;</al></li>
                <li nr="c."><al>de portefeuillehouder onderwijs vertegenwoordigt
                                        burgemeester en wethouders in het overlegorgaan. De
                                        portefeuillehouder onderwijs fungeert als voorzitter van het
                                        overlegorgaan.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4 Derden</label>
              </kop>
              <al>Derden kunnen, indien de voorzitter van het overlegorgaan dit wenst
                                of één of meer vertegen-woordiger(s) van schoolbesturen, genoemd in
                                artikel 3, dit wenst (wensen), deelnemen aan een overleg.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.2. Voorbereiding overleg </label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5 Uitnodiging</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Alvorens burgemeester en wethouders een voorstel aan de raad
                                    doen over een onderwerp, zenden zij de voorgenomen inhoud van
                                    dit voorstel met een toelichting daarop en de inventarisatie,
                                    als bedoeld in artikel 7, toe aan alle schoolbesturen;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>de toezending geschiedt onder bekendmaking van de plaats, de
                                    datum en het tijdstip waarop het overleg hierover zal aanvangen.
                                    Tussen de datum van de toezending van het voorstel en de datum
                                    van het overleg liggen ten minste twee weken;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>de schoolbesturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen vóór
                                    de datum van dit overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                    maken aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders
                                    stellen de deelnemers aan dit overleg hiervan in kennis.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6 Secretariaat</label>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders voeren het secretariaat van het
                                overlegorgaan.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7 Voorbereiding</label>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen een voorbereidend overleg tussen
                                vertegenwoordigers van de schoolbesturen en burgemeester en
                                wethouders instellen dat voorafgaat aan het overleg in het
                                overlegorgaan. Dit voorbereidend overleg wordt afgerond met een
                                inventarisatie van de onderwerpen waarover al dan niet
                                overeenstemming is bereikt. Per onderwerp wordt aangegeven of het
                                gaat om een onderwerp, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder
                                a.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8 Agenda-overleg</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen een agenda-overleg instellen.
                                    Hierin wordt nagegaan welke onderwerpen op welk tijdstip in het
                                    overlegorgaan aan de orde kunnen komen. Op grond hiervan stellen
                                    burgemeester en wethouders de agenda op;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>aan het agenda-overleg nemen de portefeuillehouder onderwijs en
                                    3 vertegenwoordigers van schoolbesturen deel.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.3. Uitvoering overleg </label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9 Advies Onderwijsraad</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een of meer schoolbesturen of burgemeester en wethouders
                                    een advies wensen over een onderwerp waarop het op
                                    overeenstemming gericht overleg van toepassing is, maken zij dit
                                    uiterlijk kenbaar in het overleg waarin het onderwerp in finale
                                    zin aan de orde is. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                    gemotiveerde omschrijving van het onderwerp waarover het advies
                                    wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven
                                    tussen het onderwerp en de vrijheid van richting en de vrijheid
                                    van inrichting van het onderwijs;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>alle vertegenwoordigers krijgen in het overleg de gelegenheid
                                    hun zienswijzen naar voren te brengen over het verzoek om
                                    advies;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>burgemeester en wethouders zijn belast met de indiening van een
                                    verzoek om advies. Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop
                                    van het overleg. Daarbij informeren zij tevens de Onderwijsraad
                                    over de in het tweede lid bedoelde zienswijzen;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>de wettelijke termijn voor het uitbrengen van het advies wordt
                                    opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad
                                    burgemeester en wethouders uitnodigt het verzoek voor het
                                    uitbrengen van advies aan te vullen met de gegevens die hij
                                    nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak, tot de dag
                                    waarop het verzoek is aangevuld;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>de raad neemt gedurende de termijn voor het uitbrengen van het
                                    advies geen besluit over het onderwerp waarover advies is
                                    gevraagd;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>burgemeester en wethouders zenden zo spoedig mogelijk een
                                    afschrift van het uitgebrachte advies toe aan alle
                                    schoolbesturen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van
                                    het advies zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen
                                    van het voorstel over een onderwerp waarover advies is gevraagd,
                                    worden de schoolbesturen bij de toezending van het afschrift van
                                    het advies uitgenodigd voor nader overleg. In alle andere
                                    gevallen beoordelen burgemeester en wethouders of nader overleg
                                    over het advies wenselijk is. Zij geven dit aan bij de
                                    toezending van het afschrift van het advies;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>het overleg, als bedoeld in het vorige lid, vindt binnen twee
                                    weken plaats nadat het advies is uitgebracht. Burgemeester en
                                    wethouders informeren de raad over dit overleg in de vorm van
                                    een aanvulling op het verslag, als bedoeld in artikel 10.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 10 Verslaglegging; informeren raad</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders maken een verslag van het
                                    overleg;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>het verslag bevat een overzicht van de besproken onderwerpen,
                                    waarbij per onderwerp wordt aangegeven:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>of het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a of b,
                                            van toepassing is;</al></li>
                  <li nr="b."><al>of volledige, geen volledige of geen overeenstemming is
                                            bereikt;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de in het overleg door de deelnemers naar voren
                                            gebrachte zienswijzen en - indien van toepassing - de
                                            zienswijzen, als bedoeld in artikel 5, derde lid;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de door de portefeuillehouder onderwijs in het overleg
                                            toegezegde wijzigingen in het oorspronkelijke
                                            voorstel.</al><al>Indien artikel 9, eerste lid, van toepassing is, wordt
                                            hiervan eveneens een weergave opgenomen in het
                                            verslag;</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>het overlegorgaan stelt het verslag vast. In afwijking hiervan
                                    kunnen burgemeester en wethouders spoedheidshalve het verslag
                                    ter commentaar toezenden aan de schoolbesturen. Binnen 10 dagen
                                    na de dag waarop het concept-verslag is toegezonden, maken de
                                    schoolbesturen die hebben deelgenomen aan het overleg
                                    schriftelijk hun opmerkingen over het concept van het verslag
                                    kenbaar. Burgemeester en wethouders stellen het verslag vast met
                                    inachtneming van de opmerkingen;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>burgemeester en wethouders brengen het verslag gelijktijdig met
                                    het voorstel over het onderwerp ter kennis van de raad. Voor
                                    zover burgemeester en wethouders afwijken van de tijdens het
                                    overleg naar voren gebrachte zienswijzen, wordt dit gemeld in
                                    het voorstel aan de raad. Daarbij geven zij de redenen aan van
                                    het niet of niet geheel overnemen van deze zienswijzen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 11 Heropening overleg</label>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien uit het oordeel van de betrokken raadscommissie over het
                                    voorgenomen voorstel aan de raad over een onderwerp blijkt dat
                                    de meerderheid van de raadscommissie of een deel van de
                                    raadscommissie dat volgens burgemeester en wethouders geacht
                                    wordt een meerderheid in de raad te vertegenwoordigen, van
                                    oordeel is dat het voorstel inhoudelijk bijstelling behoeft, dan
                                    kan een heropening van het overleg plaatsvinden. Burgemeester en
                                    wethouders beslissen daarover. Zij heropenen het overleg in
                                    ieder geval, indien de inhoudelijke bijstelling betrekking heeft
                                    op een onderwerp, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a,
                                    waarover overeenstemming in het overlegorgaan was bereikt;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>indien burgemeester en wethouders het overleg heropenen, dan
                                    roepen zij het overlegorgaan zo spoedig mogelijk bijeen, doch
                                    uiterlijk vóór het moment waarop de raad een definitief besluit
                                    neemt over het onderwerp. In dit overleg hebben de
                                    vertegenwoordigers de gelegenheid om hun zienswijze te geven op
                                    het oordeel van de raadscommissie. Burgemeester en wethouders
                                    informeren de raad over het resultaat van dit overleg in de vorm
                                    van een aanvulling op het verslag, als bedoeld in artikel 10. De
                                    raad betrekt de in dit aanvullende verslag neergelegde
                                    zienswijzen bij zijn definitieve besluitvorming over het
                                    onderwerp.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel>
            </kop>
            <al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen
                            burgemeester en wethouders, gehoord de vertegenwoordigers van de
                            schoolbesturen in het overleg.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening overleg lokaal
                                onderwijsbeleid gemeente Epe;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de
                                "Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs gemeente Epe"
                                (raadsbesluit van 21 november 1996, nr. N 36), in werking met ingang
                                van de dag na de bekendmaking.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 november
                        1997.</ondertekening>
        <ondertekening>Epe, 20 november 1997.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, Drs. L. Eland.</ondertekening>
        <ondertekening>de secretaris, Drs. C C Beelaerts van Emmichoven.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>
          <vet>Bijlage</vet>
        </tussenkop>
        <al>Betreft de integrale tekst van de toelichting op de "voorbeeldverordening" van
                    de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), toegezonden op 18 juni 1997.</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Algemene toelichting</al></li>
          <li nr="1."><al>
              <onderstreept>Goed overleg: belangrijk instrument voor lokaal
                                onderwijsbeleid</onderstreept>
            </al></li>
        </lijst>
        <al>Door de decentralisatie van een aantal rijkstaken op onderwijsgebied naar de
                    gemeenten zullen op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen in toenemende mate
                    met elkaar in overleg treden. Zij zijn de centrale partners in het lokaal
                    onderwijsbeleid. Daarnaast zijn anderen hierbij betrokken, zoals de
                    schoolbegeleidingsdienst, welzijnsinstellingen en de jeugdhulpverlening.
                    Afhankelijk van de onderwerpen zullen ook zij bij het lokale overleg betrokken
                    worden. Overleg is het belangrijkste instrument van het lokaal onderwijsbeleid.
                    Overleg maakt het mogelijk om van de beleidsontwikkeling een interactief proces
                    te maken. Een proces waarin de concrete vraagstukken die zich in de gemeente
                    voordoen, worden opgepakt. De gezamenlijke analyse en aanpak, dicht bij de
                    onderwijspraktijk, maken maatwerk in de vorm van op de lokale situatie
                    toegesneden oplossingen mogelijk. Uiteraard binnen het kader van de wet- en
                    regelgeving. Daarin zit de meerwaarde van lokaal onderwijs.</al>
        <al>Goed en constructief overleg veronderstelt dat de overlegpartners hun uiterste
                    best doen om tot consensus te komen. In de wet- en regelgeving rond het lokaal
                    onderwijsbeleid heeft de wetgever de consensusgedachte tot uiting gebracht door
                    de introductie van de terminologie van "op overeenstemming gericht overleg". Zo
                    kan een gemeenteraad een vierjaarlijks plan voor de bestrijding van
                    onderwijsachterstanden pas vaststellen, nadat daarover met de schoolbesturen op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd. Het belang dat de wetgever hecht aan
                    goed en serieus overleg, komt ook tot uiting in de wettelijke verplichting voor
                    gemeenten om voor de diverse domeinen van het lokaal onderwijsbeleid een
                    regeling vast te stellen voor het overleg met de schoolbesturen (zie ook
                    paragraaf 2). In deze regeling dienen met name procedurele en organisatorische
                    aspecten rond de inrichting van het overleg te worden vastgesteld. De
                    voorliggende VNG-voorbeeldverordening biedt een handreiking voor een dergelijke
                    regeling. Het model is gebaseerd op de VNG-voorbeeldverordening Procedure
                    overleg huisvesting onderwijs (juli 1996), die daartoe is "omgebouwd" tot een
                    verordening die ziet op het overleg over de volle breedte van het lokale
                    overheidshandelen op onderwijsgebied.</al>
        <al>Uitgangspunten bij de opzet van deze voorbeeldverordening zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>samenhang: er is gekozen voor de instelling van een overlegorgaan lokaal
                            onderwijsbeleid waarin de hoofdlijnen van het lokaal beleid als geheel
                            besproken kunnen worden. Verkokering door opsplitsing in een
                            afzonderlijk bestuurlijk overleg voor bijvoorbeeld huisvesting,
                            achterstandenbeleid en schoolbegeleiding moet worden voorkomen.
                            Voorbereiding en uitwerking van hoofdlijnen kunnen natuurlijk zinvol
                            zijn in aparte overleggremia (werkgroepen die ingesteld worden door het
                            overlegorgaan);</al></li>
          <li nr="·"><al>representativiteit: de wetgeving schrijft voor dat de gemeente het op
                            overeenstemming gericht overleg voert met de besturen van alle scholen.
                            Dit sluit niet uit dat gezocht wordt naar een overlegvorm waarbij
                            gesproken wordt met representatieve vertegenwoordigingen van
                            schoolbesturen. Om redenen van doelmatigheid is dit met name van belang
                            voor gemeenten waar een groot aantal schoolbesturen actief is;</al></li>
          <li nr="·"><al>helderheid gemeentelijke rol: de lokale overheid moet in alle gevallen
                            duidelijk zijn over de hoedanigheid waarin zij aan het overleg
                            deelneemt: als lokale overheid of schoolbestuur. Iedere gemeente bepaalt
                            zelf hoe zij het openbaar onderwijs wil besturen. Wanneer de rollen van
                            schoolbestuur en lokale overheid niet worden gescheiden, dan is het in
                            elk geval wenselijk om de beide rollen in het lokaal overleg duidelijk
                            te onderscheiden. De toelichting op het artikel over de
                            vertegenwoordiging in het overleg (artikel 3 van de
                            voorbeeldverordening) geeft een aantal mogelijkheden om dit onderscheid
                            aan te brengen;</al></li>
          <li nr="·"><al>raamwerk: de voorbeeldverordening biedt een raamwerk voor het overleg.
                            Alleen datgene wordt geregeld wat noodzakelijk is voor een goede
                            procedurele gang van zaken van het overleg. Dit is om op lokaal niveau
                            ook ruimte te laten voor de nodige flexibiliteit.</al></li>
          <li nr="2."><al>
              <onderstreept>Wettelijk kader en reikwijdte verordening</onderstreept>
            </al></li>
        </lijst>
        <al>Evenals bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting het geval was, dienen
                    gemeenten een regeling vast te stellen voor het "op overeenstemming gericht
                    overleg" met schoolbesturen over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
                    en de schoolbegeleiding. Het is te verwachten dat deze verplichting ook
                    terechtkomt in het wetsvoorstel waarin het Onderwijs in Allochtone Levende Talen
                    (OALT) wordt gedecentraliseerd naar de gemeenten. Op welke "producten" van het
                    handelen van de lokale overheid op het terrein van het primair en voortgezet
                    onderwijs is in formele zin de wettelijke formule van het "op overeenstemming
                    gericht overleg in samenhang met de mogelijkheid om een advies te vragen van de
                    Onderwijsraad" van toepassing?</al>
        <al>Dit zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>de wijziging van de Verordening voor de
                            onderwijshuisvesting<sup>1</sup>;</al></li>
          <li nr="·"><al>het gemeentelijke plan of besluit ter bestrijding van
                            onderwijsachterstanden;</al></li>
          <li nr="·"><al>het gemeentelijke besluit om een deel van het budget voor
                            schoolbegeleiding specifiek te bestemmen voor doelstellingen van het
                            lokaal onderwijsbeleid en hiervoor criteria vast te stellen;</al></li>
          <li nr="·"><al>het gemeentelijke plan of besluit voor de toekenning van
                            OALT-middelen.</al></li>
        </lijst>
        <al>In de wetgeving over de onderwijshuisvesting beperkt de wetgever zich tot de
                    opdracht aan de gemeenteraad om een procedure vast te stellen voor het
                    verplichte overleg met de schoolbesturen. De VNG heeft met de
                    voorbeeldverordening Procedure overleg huisvesting onderwijs (juli 1996)
                    hiervoor een handreiking geboden aan gemeenten.</al>
        <al>In de op 13 mei 1997 door de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstellen
                    gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (EK 24 778) en regeling
                    schoolbegeleiding (EK 24 683) bepaalt de wetgever over de inhoud van
                    overlegprocedures tussen gemeente en schoolbesturen:</al>
        <al>Volgens de wetgeving stelt de gemeente het huisvestingsprogramma vast na overleg
                    met de schoolbesturen. De terminologie van "op overeenstemming gericht overleg"
                    wordt hierbij niet gebruikt (zie bijvoorbeeld artikel 69, eerste lid, Wet op het
                    basisonderwijs). De facto valt dit overleg wel onder deze terminologie, omdat
                    tijdens het overleg over het programma de overlegpartners om advies van de
                    Onderwijsraad kunnen vragen (zie bijvoorbeeld het achtste lid van genoemd
                    artikel). Het overleg over het programma is (vooralsnog) echter op praktische
                    gronden buiten de reikwijdte van de VNG-modelverordening Overleg lokaal
                    onderwijsbeleid gehouden, aangezien de VNG-modelverordening Voorzieningen
                    huisvesting onderwijs al specifieke bepalingen kent voor dit overleg (zie
                    artikel 10 van deze laatste).</al>
        <al>"De gemeenteraad stelt bij verordening een procedure vast voor het op
                    overeenstemming gericht overleg, met dien verstande dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad
                            kan verzoeken een advies uit te brengen;</al></li>
          <li nr="b."><al>dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met
                            ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt
                            het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de
                            gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van
                            diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld en</al></li>
          <li nr="c."><al>dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het
                            advies geen besluit neemt over het onderwerp waarop de adviesaanvrage
                            betrekking heeft."</al></li>
        </lijst>
        <al>Goed beschouwd, zijn de onderdelen b en c van deze wettelijke bepaling op zich
                    al duidelijk en behoeven zij niet of nauwelijks nog nadere uitwerking in een
                    gemeentelijke overlegverordening (zie ook artikel 9, vierde en vijfde lid,
                    VNG-voorbeeldverordening). Over onderdeel a bepaalt de onderwijswetgeving elders
                    al dat het advies van de Onderwijsraad wordt aangevraagd tijdens het op
                    overeenstemming gericht overleg over een bepaald onderwerp. De wetgeving
                    verlangt met het oog op een goede procesgang dat in de verordening de periode
                    wordt aangegeven gedurende welke het gemeentebestuur een adviesaanvrage kan
                    indienen bij de Onderwijsraad (zie ook artikel 9, derde lid,
                    VNG-voorbeeldverordening).</al>
        <al>3.<onderstreept>Eén verordening voor het onderwijsoverleg</onderstreept></al>
        <al>Een gemeente kan ervoor kiezen om per onderdeel van het lokaal onderwijsbeleid
                    een aparte verordening voor het overleg vast te stellen; een overlegverordening
                    voor de onderwijshuisvesting, het onderwijsachterstandenbeleid,
                    schoolbegeleiding etc. Dit is echter omslachtig en miskent het gegeven dat deze
                    zaken onderling grote samenhang vertonen en tezamen het lokaal onderwijsbeleid
                    vormen. Vandaar dat het voor de hand ligt om te kiezen voor een
                    procedureverordening voor het overleg dat ziet op alle facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. In de voorbeeldverordening is daarvan uitgegaan. Hierbij is de
                    VNG-voorbeeldverordening Procedure overleg huisvesting onderwijs (juli 1996) als
                    vertrekpunt genomen. Deze voorbeeldverordening is door veel gemeenten
                    overgenomen.</al>
        <al>De hierin neergelegde benadering is nu verbreed naar alle andere onderwerpen van
                    het lokaal onderwijsbeleid. Het betreft hier allereerst de onderwerpen van de
                    gemeentelijke besluitvorming over onderwijs waarvoor de wetgever het verplichte
                    "op overeenstemming gericht overleg" heeft voorgeschreven (zie ook artikel 2,
                    tweede lid, onder a, van de voorbeeldverordening). Hierbij is ervoor gekozen om
                    de formulering algemeen te houden en niet te verwijzen naar de specifieke
                    vindplaatsen in de onderwijswetgeving. Dit heeft als voordeel dat de
                    voorbeeldverordening niet hoeft te worden aangepast wanneer de wetgever zou
                    besluiten om het op overeenstemming gericht overleg voor te schrijven ten
                    aanzien van nieuwe (te decentraliseren) taken. Tevens kan de
                    voorbeeldverordening ook worden toegepast voor die onderwerpen van het lokaal
                    onderwijsbeleid waarop de figuur van het op overeenstemming gericht overleg
                    formeel niet van toepassing is (zie artikel 2, tweede lid, onder b, van de
                    voorbeeldverordening). Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de vaststelling
                    van een gemeentelijke regeling over de materiële financiële gelijkstelling of
                    aan de uitvoering van de leerplicht en de bestrijding van voortijdig
                    schoolverlaten. Het bepaalde in de voorbeeldverordening is hierop echter niet
                    ten volle van toepassing. Een aantal bepalingen (zie artikel 9 van de
                    voorbeeldverordening) blijft buiten toepassing. Dit houdt verband met het
                    gegeven dat de adviestaak van de Onderwijsraad en de daarbij behorende
                    processuele bepalingen alleen zien op onderwerpen waarop het wettelijk
                    voorgeschreven op overeenstemming gericht overleg van toepassing is.</al>
        <al>4.<onderstreept>Vaststelling nieuwe verordening</onderstreept></al>
        <al>Ervan uitgaande dat de wetgeving inzake onderwijsachterstandenbeleid en
                    schoolbegeleiding nog voor het zomerreces van het parlement worden geplaatst in
                    het Staatsblad, kan vanaf dat moment worden overgegaan tot vaststelling van een
                    nieuwe overlegverordening. De gemeentelijke besluitvorming over de nieuwe taken
                    (met name GOA en OALT) moet uiterlijk per 1 augustus 1998 hebben plaatsgevonden.
                    Voorafgaande aan deze besluitvorming moet het voorgeschreven overleg met alle
                    schoolbesturen zijn afgerond. Terugrekenend vanaf 1 augustus 1998 is het van
                    belang dat de formele basis voor dit overleg (de overlegverordening) in het
                    najaar van 1997 (september/oktober/november) wordt vastgesteld.</al>
        <al>De vaststelling kan op twee manieren:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>de bestaande Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs wordt
                                <onderstreept>gewijzigd</onderstreept> en daardoor qua reikwijdte
                            verbreed tot de onderwerpen van het lokaal onderwijsbeleid;</al></li>
          <li nr="·"><al>de bestaande Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs wordt
                            geheel <onderstreept>ingetrokken</onderstreept> en daarvoor in de plaats
                            treedt de nieuwe Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid.</al></li>
        </lijst>
        <al>In het voorliggende model is uitgegaan van de laatste benadering omdat de
                    bestaande voorbeeldverordening voor het overleg onderwijshuisvesting wordt
                    verbreed naar andere domeinen van het lokaal onderwijsbeleid en daardoor op een
                    groot aantal plaatsen is gewijzigd (inclusief de toevoeging van enkele nieuwe
                    artikelen).</al>
        <al>5.<onderstreept>Delegatie raad aan burgemeester en
                    wethouders</onderstreept></al>
        <al>De verordening heeft als uitgangspunt dat burgemeester en wethouders alle
                    uitvoerende aspecten van het overleg over het lokaal onderwijsbeleid voor hun
                    rekening nemen. Zo voeren zij het overleg met de schoolbesturen van alle scholen
                    in de gemeente, voeren het secretariaat en zijn belast met de indiening van het
                    verzoek om advies van de Onderwijsraad. Tevens is er in deze
                    voorbeeldverordening voor gekozen de wettelijke bevoegdheid van de raad om uit
                    eigen beweging een advies te vragen van de Onderwijsraad te delegeren aan
                    burgemeester en wethouders. Dit advies wordt immers volgens de wet tijdens het
                    op overeenstemming gericht overleg gevraagd. Burgemeester en wethouders voeren
                    dit overleg. Met deze vormen van delegatie wordt een betere aansluiting bereikt
                    op de gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Hiermee wordt ook bereikt dat de
                    in de wettelijke bepalingen over het overleg gekozen term "gemeentebestuur" een
                    eenduidige invulling krijgt. Impliciet betekent dit dat bij vaststelling van de
                    verordening de raad een aantal zaken delegeert aan burgemeester en wethouders.
                    De basis voor deze delegatie is neergelegd in artikel 156 Gemeentewet. Met de
                    vaststelling van de overlegverordening bepaalt de raad dus wat hij aan
                    bevoegdheden aan zich wil houden en op welke onderdelen de uitoefening van
                    bevoegdheden wordt gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.</al>
        <lijst>
          <li nr="6."><al>
              <onderstreept>Geen nadere regeling voor stemverhoudingen</onderstreept>
            </al><al>In de voorbeeldverordening is ervan
                            afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen in het
                            overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid. Het gaat immers om een op
                            overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen) gemeentelijke
                            besluitvorming. Partijen moeten zich tot het uiterste inspannen om tot
                            overeenstemming te komen. Er vindt echter geen (finale) besluitvorming
                            plaats in het overlegorgaan. De competentie voor de finale
                            besluitvorming heeft de wetgever gelegd bij de gemeenteraad, indachtig
                            het principe van territoriale decentralisatie. Indien in het
                            bestuurlijke onderwijsoverleg volledige overeenstemming wordt bereikt,
                            zal de raad alleen goed gemotiveerd van dit standpunt kunnen afwijken.
                            Dit volgens de procedure die in artikel 11 van de voorbeeldverordening
                            opgenomen is. Is er geen of geen volledige overeenstemming in het
                            overlegorgaan over een onderwerp, dan wordt in de verslaglegging van het
                            overleg aangegeven hoe de meningsvorming in het overleg is verlopen en
                            welke schoolbesturen bezwaren hebben aangetekend, dan wel een afwijkende
                            zienswijze huldigen. Naast de inhoudelijke argumentatie van deze
                            bezwaren is het daarbij ook relevant voor de raad om te beschikken over
                            informatie aangaande het draagvlak binnen het onderwijs voor dergelijke
                            bezwaren. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het aantal
                            scholen/leerlingen dat wordt gerepresenteerd door de vertegenwoordigers
                            die een afwijkend standpunt innemen. Deze beide aspecten - de kracht van
                            de argumenten en het draagvlak dat daarvoor bestaat binnen het
                            onderwijsveld - zal de raad in onderlinge samenhang dienen te betrekken
                            bij zijn uiteindelijke besluitvorming over een van de onderwerpen in het
                            kader van het lokaal onderwijsbeleid.</al></li>
          <li nr="7."><al>
              <onderstreept>Relatie tot mogelijke gemeentelijke algemene
                                Inspraakverordening</onderstreept>
            </al><al>Nagegaan is of niet kan worden voorzien in de wettelijke opdracht tot
                            het vaststellen van een regeling voor het op overeenstemming gericht
                            overleg door de inhoud van de eventueel bestaande gemeentelijke algemene
                            Inspraakverordening op dit overleg van toepassing te verklaren. Dit is
                            niet gewenst en niet mogelijk. Allereerst komt het nogal eens voor dat
                            een Inspraakverordening vormen van inspraak ten aanzien van
                            verordeningen - en dus ook een verordening voor de onderwijshuisvesting
                            - uitsluit. Daarnaast gaat de in de wet opgenomen formulering "van op
                            overeenstemming gericht overleg" verder dan hetgeen in de regel onder
                            inspraak wordt verstaan. Tot slot is de kring van belanghebbenden in het
                            kader van een algemene Inspraakverordening aanmerkelijk groter dan de
                            partners waarmee wordt overlegd over het lokaal onderwijsbeleid. De
                            inspraak en dus het overleg, zou moeten worden uitgebreid tot alle
                            belanghebbenden bij de onderwijshuisvesting. Behalve aan schoolbesturen
                            moet dan met name gedacht worden aan de dagelijkse gebruikers van
                            schoolgebouwen: het onderwijspersoneel en de leerlingen. Dit is alleen
                            al uit praktisch oogpunt een ongewenste ontwikkeling.</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Nota-toelichting</label>
          <nr/>
        </kop>
        <al> (In de tekst van de voorbeeldverordening zijn passages cursief
                    aangegeven.)</al>
        <al>Het betreft passages waarin termijnen worden genoemd, alsmede passages die
                    alleen van toepassing zijn voor zover zich binnen de grenzen van de gemeente
                    voorzieningen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs en/of voortgezet
                    onderwijs bevinden. Indien de voorbeeldverordening wordt overgenomen, kan de
                    gemeente voor de eerstgenoemde passages andere termijnen2 hanteren, zonder dat
                    dit de structuur van het model aantast. De passages over de onderwijssoorten
                    kunnen worden weggelaten, dan wel (gedeeltelijk) overgenomen naar gelang het
                    voorzieningenniveau in de betrokken gemeente.)</al>
        <al>Aanhef</al>
        <al>Hoewel de wet hiertoe niet verplicht, is het vanzelfsprekend dat voorafgaande
                    aan de vaststelling van de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid
                    plaatsvindt met (de vertegenwoordigers van) de schoolbesturen.</al>
        <al>Dit "overleg over de overlegprocedure" is uiteraard niet gebonden aan de
                    procedureregels uit de verordening. Centraal hierbij staat echter wel dat de
                    gemeente de betrokken besturen voldoende gelegenheid biedt om hun inhoudelijk
                    oordeel hierover te geven en vervolgens dit oordeel zwaar te laten wegen bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de verordening. Dit is vanuit de overweging dat
                    een niet door alle betrokken partijen onderschreven overlegprocedure
                    contra-productief kan werken in het latere inhoudelijke overleg dat op basis van
                    deze procedure wordt gevoerd.</al>
        <al>De term "schoolbesturen" omvat ook het bestuur van het openbaar onderwijs.Het is
                    wenselijk om in het bestuurlijk overleg een zo helder mogelijk onderscheid aan
                    te brengen in de verantwoordelijkheden van de gemeente als lokale overheid,
                    respectievelijk bestuur van het openbaar onderwijs.</al>
        <al>De wijze waarop het bestuur van het openbaar onderwijs vertegenwoordigd wordt in
                    het overleg, is afhankelijk van de bestuursvorm (zie verder de toelichting op de
                    artikelen 1 en 3).</al>
        <al>De termijnen zijn facultatief. Afhankelijk van de lokale
                    situatie en in overleg met het scholenveld kan de voorkeur uitgaan naar andere
                    redelijke en effectieve termijnen. Het is overigens aanbevelenswaardig om wel
                    met termijnen te werken. Dit komt efficiënt handelen en slagvaardige
                    besluitvorming van de gemeenteraad ten goede.</al>
        <al> De schoolbesturen die worden uitgenodigd voor het bestuurlijk
                    overleg zijn de bevoegde gezagsorganen van alle scholen die zijn gesitueerd op
                    het grondgebied van de gemeente en vallen onder de reikwijdte van een onderwerp
                    van lokaal onderwijsbeleid waarop het overleg van toepassing is. Zo is
                    bijvoorbeeld de bepaling over de vaststelling van het onderwijsachterstandenplan
                    van toepassing op een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging
                    van een school (zie artikel 110b, vijfde lid, WBO). De verordening gaat uit van
                    de territoriale werking van de regelgeving, dat wil zeggen dat alle
                    rijksbekostigde scholen en nevenvestigingen die gelegen zijn op het grondgebied
                    van de gemeente onder de werking van de verordening vallen. Deze benadering
                    maakt het noodzakelijk dat de gemeente goed nagaat welke schoolbesturen in
                    aanmerking komen voor deelname aan het overleg.</al>
        <al>Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de
                    gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken om een advies uit te brengen over een
                    onderwerp waarop het op overeenstemming gericht overleg van toepassing is. De
                    gemeenteraad moet dit verzoek doen, indien een schoolbestuur dit wenst (zie
                    verder toelichting op de artikelen 2 en 9).</al>
        <al> In het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid wordt tussen de
                    gemeente en alle schoolbesturen overleg gevoerd over de verschillende facetten
                    van het lokaal onderwijsbeleid. Met de instelling van het overlegorgaan wordt
                    beoogd het wettelijk voorgeschreven overleg te institutionaliseren. Dit is
                    gezien het feit dat dit overleg qua intensiteit en reikwijdte toeneemt door de
                    decentralisatie van bepaalde onderwijstaken naar de gemeente.</al>
        <al>Er is voor gekozen om de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid niet
                    alleen te richten op de onderwerpen waarvoor wettelijk het op overeenstemming
                    gericht overleg is voorgeschreven, maar te kiezen voor een brede opzet. Gezien
                    de samenhang tussen de verschillende wetten en tevens uit oogpunt van
                    harmonisatie en effectiviteit heeft een brede overlegprocedure de voorkeur. Zo
                    kan de eventuele vaststelling van een verordening voor de materiële financiële
                    gelijkstelling een onderwerp van overleg zijn, hoewel hierbij het voeren van op
                    overeenstemming gericht overleg niet door de wetgever is voorgeschreven.</al>
        <al>Daarnaast is ervoor gekozen om het overleg niet op te splitsen naar onderwerp of
                    schoolsoort: zo blijft de integraliteit van het beleid het best gewaarborgd. Dit
                    laat onverlet dat gegeven de lokale behoefte de voorbereiding van het finale
                    overleg kan plaatsvinden in werkgroepen, dan wel deeloverleggen. Zij kunnen
                    ingericht zijn naar onderwerp (bijvoorbeeld onderwijshuisvesting of
                    achterstandenbeleid) of schoolsoort (bijvoorbeeld basisonderwijs of voortgezet
                    onderwijs).</al>
        <al>Het voorgeschreven op overeenstemming gericht overleg moet
                    voldoen aan de wettelijke eisen. Zij hebben betrekking op het advies van de
                    Onderwijsraad (artikel 9). Op de onderwerpen, waarvoor het op overeenstemming
                    gericht overleg in de wet is voorgeschreven, is dit artikel exclusief van
                    toepassing.De wetgever heeft met het op overeenstemming gericht overleg een
                    "zwaarder" type van overleg willen creëren om tot consensus te komen. Het
                    gemeentebestuur kan immers door zijn wettelijke competenties dicht raken aan de
                    autonomie van de scholen.Het karakter van het finale brede overleg is te allen
                    tijde bestuurlijk.Dit is ter onderscheiding van het technisch getinte
                    voorbereidend overleg (artikel 7) en het agenda-overleg (artikel 8). Het betreft
                    immers een overleg tussen het gemeentebestuur en de schoolbesturen.</al>
        <al> Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of
                    niet deel te nemen in het overlegorgaan. Indien een bestuur daarin plaatsneemt,
                    wijst het hiervoor een of meer vertegenwoordigers aan. Uiteraard dient de
                    mogelijkheid te worden geboden dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat
                    het geval zal zijn bij vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, zich laten
                    bijstaan door een of meer adviseurs. Het schoolbestuur bepaalt door wie het zich
                    laat vertegenwoordigen. Dit kan door een of meer leden van het schoolbestuur
                    zijn en/of door een of meer door het schoolbestuur gemandateerde leden van het
                    management. De vertegenwoordiging hoeft overigens niet persoonsgebonden te zijn.
                    Per onderwerp, bijvoorbeeld gelet op de portefeuilleverdeling of de affiniteit
                    met het desbetreffende onderwerp, kan iemand anders worden afgevaardigd.Het
                    eerste lid biedt de mogelijkheid om de omvang van vertegenwoordiging van een
                    schoolbestuur - uit oogpunt van een effectief overleg - te binden aan een
                    maximum. Bij het gebruik maken van deze mogelijkheid zal de lokale situatie
                    (aantal schoolbesturen, schaalomvang van de besturen) een rol spelen. De
                    beruchte "Poolse landdagen" dienen te worden voorkomen.Wanneer het aantal
                    schoolbesturen in de gemeente bijvoorbeeld zo groot is dat het totaalaantal door
                    al deze schoolbesturen aan te wijzen vertegenwoordigers (ook al is dit maar één
                    vertegenwoordiger per bestuur) een vruchtbaar overleg in de weg staat, dan is
                    het aan te bevelen om gebruik te maken van de optie van een gezamenlijke
                    vertegenwoordiging (zie het tweede lid).Naast de in het model opgenomen opties
                    zijn er ook nog andere varianten denkbaar, zoals:een vertegenwoordiging per
                    denominatie, waardoor de situatie kan optreden dat niet ieder schoolbestuur
                    rechtstreeks aan het overleg deelneemt. Ook deze vertegenwoordiging kan worden
                    gebonden aan een bepaald maximumaantal vertegenwoordigers;het vooraf in de
                    verordening aangeven van de maximumomvang van het overleg (bijvoorbeeld 10
                    deelnemers namens de schoolbesturen). Aan de gezamenlijke schoolbesturen wordt
                    overgelaten om deze vertegenwoordiging in te vullen. De representatie wordt
                    daarbij zodanig ingevuld dat alle schoolbesturen van alle op het grondgebied van
                    de gemeente voorkomende denominaties zich vertegenwoordigd weten in het
                    overleg.Aangezien volgens de wet het schoolbestuur zijn vertegenwoordiger
                    aanwijst, is het wel zaak om, ingeval de verordening uitgaat van een
                    (imperatieve) vorm van gezamenlijke vertegenwoordiging, het daarover met alle
                    schoolbesturen eens te zijn.Voor een effectief overleg is het eveneens
                    belangrijk dat de besturen hun vertegenwoordigers voldoende mandaat geven voor
                    het voeren van het overleg (innemen standpunten/maken van afspraken). De gekozen
                    formulering dat de vertegenwoordiger namens zijn bestuur of een aantal besturen
                    deelneemt aan het overleg, is daarvan een uitdrukking.De vertegenwoordigers
                    dienen zich te vergewissen van voldoende mandaat door middel van gestructureerd
                    vooroverleg met de schoolbesturen die zij vertegenwoordigen. Het mandaat zal
                    inhoudelijk doorgaans betrekking hebben op de standpuntbepaling over voorstellen
                    die langs de reguliere weg zijn ingebracht in het overleg. Wanneer zich tijdens
                    of vlak voor het overleg nieuwe omstandigheden aandienen, dan dient er uiteraard
                    voldoende ruimte te zijn voor de vertegenwoor-digers om tussentijds terug te
                    kunnen koppelen naar de respectievelijke schoolbesturen of het college van
                    burgemeester en wethouders.Positionering openbaar onderwijsHet verdient
                    nadrukkelijk overweging om de vertegenwoordiging van het door de gemeente
                    bestuurde openbaar onderwijs (zowel bij de integrale bestuursvorm als bij de
                    bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet) in het overleg zo helder
                    mogelijk te markeren. Dit kan door middel van aanwijzing van een of meer
                    personen die op titel van vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs deelnemen
                    aan het overleg.Het openbaar onderwijs dat bestuurd wordt door middel van een
                    gemeenschappelijke regeling is in het overleg vertegenwoordigd door een of meer
                    personen die zijn aangewezen door het openbaar lichaam van de gemeenschappelijke
                    regeling.De vertegenwoordiging van de door de gemeente in stand gehouden scholen
                    kan als volgt plaatsvinden:bij de integrale bestuursvorm: vertegenwoordiger die
                    goed op de hoogte is van de stand van zaken binnen de openbare scholen,
                    schooloverstijgend kan denken en handelen, de belangen van het openbaar
                    onderwijs goed kan behartigen en wiens afvaardiging breed wordt ondersteund
                    binnen het openbaar onderwijs (bijvoorbeeld vanuit een gemeenschappelijk
                    directie-overleg openbaar onderwijs en vanuit de gemeenschappelijke
                    medezeggenschapsraad);bij de bestuurscommissie: voorzitter of secretaris van de
                    bestuurscommissie of een andere door de bestuurscommissie aangewezen
                    vertegenwoordiger.In relatie tot het bepaalde in het derde lid zou de
                    portefeuillehouder onderwijs als vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs
                    uitgesloten moeten worden. De voorgestelde wijze van vertegenwoor-diging van met
                    name het via de integrale bestuursvorm bestuurde openbaar onderwijs laat
                    onverlet dat de uiteindelijke schoolbestuurlijke verantwoordelijkheid ligt bij
                    het college van burgemeester en wethouders en de raad.Het duidelijk positioneren
                    van het openbaar onderwijs in het overleg maakt wel voor alle deelnemers in het
                    overleg goed zichtbaar wanneer de lokale overheid iets inbrengt vanuit de
                    invalshoek van het schoolbestuur bij monde van de aangewezen vertegenwoordiger
                    voor het openbaar onderwijs en wanneer de gemeente in de hoedanigheid van lokale
                    overheid bij monde van de voorzitter van het overleg een standpunt inneemt.
                    Hiermee wordt het bestaan van de dubbelrol niet ontkend, maar wel een
                    alternatief geboden om daarmee op voor alle partijen waarneembare wijze om te
                    gaan.Indien het gemeentebestuur bij een integrale bestuursvorm hecht aan
                    vertegenwoordiging in het overleg van het openbaar onderwijs door de
                    portefeuillehouder onderwijs en tevens hecht aan een duidelijke scheiding in het
                    overleg van de dubbelrol, dan kan worden overwogen om de gemeente in de
                    hoedanigheid van lokale overheid te laten vertegenwoordigen door een of meer
                    raadsleden. Het betrokken raadslid kan ook als voorzitter fungeren van het
                    overleg. Dit is omdat het gezien het onderwerp van het overleg (uiteindelijk
                    onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid vast te stellen regelgeving),
                    voor de hand ligt om de vertegenwoordiger van de lokale overheid de
                    voorzittershamer te laten hanteren.Overigens kunnen partijen ook beslissen dat
                    in de persoon van de voorzitter van het overleg niet de vertegenwoordiger van de
                    lokale overheid is belichaamd. Zo kan gekozen worden voor de formulering dat het
                    overleg uit zijn midden een voorzitter aanwijst of "van buiten" een
                    onafhankelijke, technisch voorzitter benoemt.Uit het derde lid vloeit voort dat
                    de raad de wettelijke opdracht tot het voeren van overleg delegeert aan
                    burgemeester en wethouders door middel van afvaardiging van de
                    portefeuillehouders onderwijs naar het overleg. De deelname aan het overleg van
                    burgemeester en wethouders in de persoon van direct verantwoordelijke
                    portefeuillehouder benadrukt - ook vanuit de invalshoek van de lokale overheid -
                    het bestuurlijk karakter van het overleg. Er is daarom niet gekozen voor een
                    ambtelijk vertegenwoordiger.</al>
        <al> Afhankelijk van het onderwerp van het overleg
                    kunnen derden, niet te verwarren met de adviseurs van de gemeente of de
                    schoolbesturen (zie de toelichting bij artikel 3), als deelnemer worden
                    toegelaten tot het overleg.Denk bijvoorbeeld aan de schoolbegeleidingsdienst of
                    welzijnsinstellingen.Kenmerkend verschil tussen de positie van de schoolbesturen
                    en deze derden is dat voor de laatsten de formule van het op overeenstemming
                    gericht overleg in relatie tot het advies van de Onderwijsraad niet opgaat. Wel
                    dienen de zienswijzen van de derden tot uiting te komen in het verslag van het
                    overleg. Hierdoor kan de raad ook deze zienswijzen betrekken bij zijn
                    definitieve besluitvorming over het betrokken onderwerp.</al>
        <al> De strekking van dit artikel is dat in
                    procedurele zin wordt gewaarborgd dat de schoolbesturen tijdig worden
                    ingeschakeld in het traject dat moet leiden tot een besluit over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is.Hierbij is gekozen voor een termijn van
                    minimaal twee weken om ook de schoolbesturen voldoende tijd te geven voor de
                    voorbereiding van het overleg. Overigens mag, ingeval er gewerkt wordt met een
                    voorbereidend overleg, ervan worden uitgegaan dat de besturen of de
                    vertegenwoordigers van de besturen al in een eerder stadium op de hoogte zijn
                    van de inhoud van de voorstellen.Tevens kan in dit voorbereidend overleg worden
                    vastgesteld wat het geschiktste tijdstip (voor schoolbestuurders meestal een
                    tijdstip in de namiddag of avond) voor het bijeenroepen van het overleg is. Bij
                    het ontbreken van vormen van vooroverleg spreekt het voor zich dat de gemeente
                    zich ervan vergewist dat de geplande datum van het overleg een geschikt tijdstip
                    is voor de andere overlegpartners.De schoolbesturen die niet kunnen deelnemen
                    aan het overleg kunnen voor de datum van het overleg hun zienswijze schriftelijk
                    kenbaar maken aan burgemeester en wethouders.De gemeente is gehouden om een
                    "aangekleed" voorstel toe te zenden. In de vorm van een toelichting wordt de
                    overlegpartners inzicht gegeven in de achtergronden van het voorstel. Tevens
                    dient te worden aangegeven of het overleg over het voorstel moet worden
                    aangemerkt als een op overeenstemming gericht overleg.De vertegenwoordigers van
                    de schoolbesturen hebben uiteraard de mogelijkheid om ook zelf stukken in te
                    brengen voor het overleg.Indien het overleg wordt voorbereid (zie artikel 7),
                    dan verdient het aanbeveling dat het voorstel ook vergezeld gaat van de uitkomst
                    van dit vooroverleg (bijvoorbeeld in de vorm van een inventarisatie van
                    onderwerpen waarover wel of niet overeenstemming bestaat).De formulering dat het
                    overleg op een bepaald tijdstip zal "aanvangen" impliceert dat het overleg niet
                    in één ronde behoeft te worden afgerond. Vaak zal het zo zijn dat voor het
                    overleg meer dan één bijeenkomst nodig is. Er is in het model voor gekozen om
                    deze optie van vervolgoverleg niet te binden aan nadere formele vereisten
                    (behoudens de beschreven omstandigheden in artikel 9, zesde lid en artikel 11
                    van het model) over de uitnodiging en toezending van stukken. De deelnemers
                    kunnen hierover in het eerste overleg concrete afspraken maken die inspelen op
                    de feitelijke situatie die zich op dat moment voordoet.</al>
        <al> In formele zin zijn burgemeester en
                    wethouders belast met het voeren van het secretariaat van het overlegorgaan. De
                    praktijk is dat het secretariaat - onder verantwoordelijkheid van burgemeester
                    en wethouders - wordt verzorgd door een of meer gemeente-ambtenaren. Het zal
                    daarbij in de regel om ambtenaren gaan van de afdeling/dienst Onderwijs, belast
                    met aangelegenheden inzake het lokaal onderwijsbeleid. Het verdient aanbeveling
                    om aan de vertegenwoordigers in het overleg duidelijk aan te geven wie feitelijk
                    met het voeren van het (uitvoerend) secretariaat is belast.</al>
        <al> De praktijk laat vaak zien dat een overleg
                    wordt voorafgegaan door het nodige (technische) vooroverleg. Dit overleg heeft
                    tot doel om onderwerpen in inhoudelijke en technische zin voor te bereiden voor
                    de bespreking in het overlegorgaan.Er zijn meerdere tijdstippen mogelijk om het
                    voorbereidend overleg te laten plaatsvinden.Het kan voorafgaan aan het
                    agenda-overleg, als bedoeld in artikel 8. Indien een onderwerp is voorbereid,
                    kan het op de agenda geplaatst worden.Men kan er ook voor kiezen om het
                    voorbereidend overleg na het agenda-overleg te houden. Indien een onderwerp op
                    de agenda is geplaatst, kan het worden voorbereid voor het overleg in het
                    overlegorgaan.Daarnaast kan ervoor gekozen worden om het voorbereidend overleg
                    en het agenda-overleg samen te voegen.De bereikte overeenstemming en
                    overgebleven verschillen van inzicht in het vooroverleg vormen de basis van het
                    overleg in het overlegorgaan. De inventarisatie van de onderwerpen waarover al
                    dan niet overeenstemming is bereikt, vormt een hulpmiddel voor een efficiënt
                    overleg. In het kader van het op overeenstemming gericht overleg richt de
                    aandacht zich meestal op de nog resterende geschilpunten, waarbij in het kader
                    van het op overeenstemming gerichte karakter van het overleg gestreefd moet
                    worden naar een oplossing. Dit neemt niet weg dat in het overleg tevens een
                    inhoudelijke discussie kan plaatsvinden over de onderwerpen, waarover, blijkens
                    de inventarisatie, wel overeenstemming bestond in het voorbereidend overleg.Er
                    is van afgezien om het voeren van voorbereidend overleg te binden aan
                    procedurele voorschriften. Afhankelijk van de omvang van de problematiek dient
                    dit overleg met een grote mate van flexibiliteit te kunnen worden ingericht en
                    gevoerd. Het voorbereidend overleg kan bijvoorbeeld per onderwerp of schoolsoort
                    plaatsvinden. Deze flexibiliteit geldt ook voor de wijze van vertegenwoordiging
                    (ambtelijk, dan wel op bestuurlijk niveau).Burgemeester en wethouders kunnen dit
                    voorbereidend overleg instellen. Zij doen dit uiteraard in nauw overleg met de
                    vertegenwoordigers van de schoolbesturen.</al>
        <al> In het agenda-overleg kan onderzocht worden
                    welke onderwerpen op welk tijdstip in het op overeenstemming gericht overleg aan
                    de orde kunnen komen en welke onderwerpen op welk tijdstip in andere vormen van
                    overleg.De ratio is om te komen tot een vroegtijdige afstemming op bestuurlijk
                    niveau van welke zaken er in de tijd bezien aan de orde zullen komen. Alle
                    partners kunnen dan in de planning van hun werkzaam-heden hiermee rekening
                    houden. Het vorenstaande gebeurt uit een oogpunt van planmatig werken. Dit laat
                    onverlet dat tijdens het overleg in het overlegorgaan de agenda op verzoek van
                    een of meer vertegenwoordigers kan worden aangepast.Burgemeester en wethouders
                    stellen dit overleg in. Zij doen dit, evenals bij het voorbereidend overleg, in
                    samenspraak met de vertegenwoordigers van de schoolbesturen.Het aantal
                    vertegenwoordigers van schoolbesturen die deelnemen aan dit agenda-overleg kan
                    per gemeente variëren.</al>
        <al>
          <onderstreept>op overeenstemming
                        gericht</onderstreept> Dit artikel betreft de rol van de
                    Onderwijsraad. Daar waar het lokaal onderwijsbeleid inzake huisvesting,
                    schoolbegeleiding, achterstandenbeleid en OALT de grondwettelijke vrijheid van
                    richting en vrijheid van inrichting van het onderwijs raakt, kan de
                    Onderwijsraad in beeld komen. Niet als geschillenbeslechter, maar als adviseur
                    van de lokale overheid. Maar wel wanneer een schoolbestuur zich beroept op de
                    strijdigheid met deze grondwettelijke aspecten van onderwijsvrijheid, in de vorm
                    van een verplichting voor de gemeente om advies te vragen. De wetgever beperkt
                    de formulering doelbewust tot de vrijheid van richting en inrichting. Het aspect
                    van de bekostiging van het openbaar en bijzonder onderwijs naar dezelfde
                    maatstaf (gelijke behandeling) is daarbij niet genoemd. Mocht een gemeente
                    echter een ongerechtvaardigd onderscheid aanbrengen tussen bijzonder en openbaar
                    onderwijs en daardoor scholen voor bijzonder onderwijs vanwege hun bijzonder
                    zijn, achterstellen bij openbaar onderwijs, dan handelt deze gemeente in strijd
                    met de vrijheid van richting en inrichting.Er wordt immers een inbreuk gemaakt
                    op de wezenlijke aard van de bijzondere school. Een school-bestuur kan via deze
                    invalshoek de gemeente verzoeken om advies te vragen van de
                    Onderwijsraad.Artikel 9 geeft in procedurele zin aan op welke wijze een of meer
                    overlegpartners, schoolbesturen en gemeentebestuur kenbaar moeten maken dat zij
                    de Onderwijsraad willen inschakelen voor een advies over aspecten aangaande een
                    onderwerp waarop het overleg van toepassing is.Uitgangspunt daarbij is dat de
                    partij die om advies verzoekt, inhoudelijk en gemotiveerd aangeeft wat de
                    relatie is tussen deze aspecten en de vrijheid van richting of vrijheid van
                    inrichting. Dit gebeurt uiterlijk in het overleg dat is bestempeld als het
                    laatste, afrondende overleg over het desbetreffende onderwerp. Het is aan te
                    bevelen om het finale karakter van het overleg te vermelden in de uitnodiging.
                    Zowel de schoolbesturen als burgemeester en wethouders zijn gebonden aan dit
                    uiterste moment (zie artikel 9, eerste lid).Burgemeester en wethouders dienen
                    het verzoek om advies in bij de Onderwijsraad. Zij doen dit uiterlijk twee weken
                    na afloop van het overleg. Deze termijn is opgenomen vanwege het feit dat de wet
                    met het oog op een goede procesgang voorschrijft dat in de gemeentelijke
                    verordening wordt opgenomen vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur
                    de Onderwijsraad kan verzoeken een advies uit te brengen.Tevens is erin voorzien
                    dat in het overleg van gedachten kan worden gewisseld over de inhoud van het
                    verzoek aan de Onderwijsraad. Dit is tegen de achtergrond dat iedereen erbij
                    gebaat is dat er minimaal duidelijkheid bestaat over de beweegredenen van een,
                    meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze
                    gedachtenwisseling laat uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of
                    de gemeente onverlet om de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere
                    overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. Daarnaast zal ook de Onderwijsraad
                    in het kader van zijn advisering geïnformeerd willen worden over de (mogelijk
                    afwijkende) zienswijzen van alle partners uit het overleg.De adviestermijn
                    bedraagt vier weken. De wettelijke bepalingen geven aan dat de termijn van vier
                    weken wordt opgeschort indien de Onderwijsraad op redelijke gronden aanvullende
                    gegevens nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak (zie het vierde
                    lid). Bij de formulering van de opschorting van de termijn is aangesloten bij
                    artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel bevat een
                    regeling voor opschorting van de termijn bij de aanvraag van een beschikking.De
                    woorden "nodig voor een goede vervulling van diens taak" maken duidelijk dat de
                    Onderwijsraad gemotiveerd zal moeten aangeven welke gegevens hij nodig heeft. De
                    Onderwijsraad zal alleen aanvullende gegevens kunnen opvragen, voor zover die
                    redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van advies.Verder bepaalt
                    de wet dat de gemeenteraad geen besluit neemt over een onderwerp waarop het
                    overleg van toepassing is, alvorens de termijn is verstreken waarbinnen de
                    Onderwijsraad advies moet uitbrengen.In het zesde lid wordt bepaald in welke
                    situatie er in ieder geval nader overleg plaatsvindt over het advies van de
                    Onderwijsraad. Dit is aan de orde wanneer de Onderwijsraad adviseert om
                    inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in het voorstel over het desbetreffende
                    onderwerp. In alle andere gevallen maken burgemeester en wethouders de afweging
                    of nader overleg noodzakelijk is. In het model is voor deze formule gekozen in
                    plaats van voor de benadering om ongeacht de strekking en inhoud van het advies
                    standaard te bepalen dat nader overleg plaatsvindt over het uitgebrachte advies.
                    Er kunnen zich namelijk situaties voordoen waarin een dergelijk nader overleg
                    geen toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld wanneer het advies het voorstel van
                    burgemeester en wethouders onderschrijft. Uiteraard is er niets op tegen wanneer
                    op lokaal niveau hierbij een andere benadering wordt gevolgd, zoals het
                    standaard uitgaan van een nader overleg of het bijeenroepen van een overleg,
                    indien een of meer overlegpartners naar aanleiding van het toegezonden afschrift
                    van het advies hierom vragen binnen een bepaalde periode.Overigens wordt nog
                    opgemerkt dat de wettelijke bepalingen over de advisering van de Onderwijsraad
                    niets voorschrijven over een overlegmogelijkheid, zoals hiervoor is beschreven.
                    Er wordt bepaald dat de Onderwijsraad advies uitbrengt aan de gemeenteraad. Het
                    advies wordt vervolgens bekend-gemaakt, tezamen met het besluit over het
                    onderwerp waarop het overleg van toepassing is.Om te voorkomen dat eventueel
                    nader overleg over het uitgebrachte advies tot een te grote vertraging in het
                    besluitvormingsproces leidt, is in het zesde lid uitgegaan van een vrij korte
                    termijn waarbinnen een dergelijk overleg plaats zal dienen te vinden. Om hierbij
                    problemen te voorkomen, verdient het aanbeveling om aan de vooravond van de
                    indiening van het verzoek om advies met de daarbij behorende stukken bij de
                    Onderwijsraad alvast in onderling overleg enkele data te reserveren voor een
                    eventueel nader overleg.Op de advisering door de Onderwijsraad is hetgeen in
                    algemene zin over advisering is geregeld in de Awb van toepassing. In dit
                    verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en
                    artikel 4:20 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6 de gemeenteraad een
                    besluit nemen over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is, indien de
                    Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel
                    3:7 is de gemeenteraad gehouden om, al dan niet op verzoek, de gegevens
                    beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van
                    het advies. Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad,
                    worden ingevolge artikel 4:20 de redenen daarvan vermeld in de motivering. (In
                    de derde tranche van de Awb worden de bepalingen aangaande motivering verplaatst
                    naar afdeling 3.7.)</al>
        <al> De raad zal bij zijn besluitvorming over het
                    onderwerp waarop het overleg van toepassing is de argumenten en zienswijzen
                    moeten wegen die in het overleg naar voren zijn gebracht. Hiertoe is het van
                    belang dat de raad zich een duidelijk beeld kan vormen van de inhoud en
                    strekking van hetgeen tijdens en voor het overleg is aangevoerd. De raad wordt
                    hierover op de hoogte gebracht via toezending van het verslag van het overleg.In
                    het verslag wordt per onderwerp aangegeven of het op overeenstemming gericht
                    overleg van toepassing is. Daarnaast wordt per onderwerp aangegeven in hoeverre
                    er in het overlegorgaan overeenstemming over het onderwerp is bereikt. Het
                    verslag bevat uiteraard de zienswijzen die door de verschillende deelnemers
                    (vertegenwoordigers van schoolbesturen, derden en gemeente) zijn ingebracht.
                    Voor zover deze zienswijzen niet of niet geheel zijn overgenomen in het voorstel
                    dat aan de raad is voorgelegd, wordt hiervan in het betrokken raadsvoorstel
                    melding gemaakt door burgemeester en wethouders. Daarbij wordt ook aangegeven op
                    welke gronden burgemeester en wethouders tot het desbetreffende oordeel zijn
                    gekomen.</al>
        <al>
          <onderstreept>inhoudelijke</onderstreept>
          <onderstreept>overeenstemming
                        gericht overleg</onderstreept> De uitkomst van het overleg
                    vormt een belangrijk gegeven in de verdere besluitvormingsprocedure
                    (raadscommissie en raad) over een onderwerp waarop het overleg van toepassing
                    is.In het voorstel van burgemeester en wethouders is aangegeven op welke wijze
                    is omgegaan met de gebrachte zienswijzen. Indien er in het verdere
                    besluitvormingsproces signalen komen dat vermoedelijk wordt afgeweken van het
                    voorstel van burgemeester en wethouders en dat daarmee de uitkomst van het
                    overleg in een ander licht komt te staan, komt de vraag aan de orde of de
                    mogelijkheid moet worden geboden om over de gewijzigde situatie het overleg te
                    heropenen.Een eventueel hernieuwd overleg is in dit artikel gekoppeld aan het
                    resultaat van de bespreking van het voorstel van burgemeester en wethouders in
                    de raadscommissie waarin onderwijsaangelegenheden aan de orde komen. Indien de
                    raadscommissie of een deel daarvan dat een meerderheid vertegenwoordigt in de
                    raad, aanleiding ziet voor een standpunt om te komen tot inhoudelijke
                    bijstellingen in het voorstel van burgemeester en wethouders, dan kan dit
                    aanleiding zijn om het overleg bijeen te roepen.In één geval moeten burgemeester
                    en wethouders het overleg heropenen, namelijk indien dit oordeel betrekking
                    heeft op onderdelen van het voorstel waarover in het op overeenstemming gericht
                    overleg overeenstemming was bereikt. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat
                    deze consensus een zwaarder gewicht kan hebben dan een bereikte overeenstemming
                    over een onderwerp waarover de wetgever geen op heeft voorgeschreven.Er kunnen
                    zich in dit laatste geval naar aanleiding van de behandeling in de
                    raadscommissie verschillende situaties voordoen:over (onderdelen van) het
                    voorstel dat burgemeester en wethouders hebben ingebracht, bestond in het
                    overleg volledige overeenstemming. Het afwijkende meerderheidsstandpunt van de
                    raadscommissie daarover betekent dus ook een afwijking van de bereikte consensus
                    in het overleg. In een dergelijk geval heropenen burgemeester en wethouders het
                    overleg. Het spreekt voor zich dat het daarbij dient te gaan om aspecten met een
                    zekere importantie. Vandaar dat gekozen is voor de formulering dat het moet gaan
                    om een "inhoudelijke" bijstelling. Het zou bijvoorbeeld overdreven zijn om voor
                    kleine technische bijstellingen een bestuurlijk overleg bijeen te roepen;de
                    afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de afwijkende zienswijzen,
                    zoals die gezamenlijk door de vertegenwoordigers van de schoolbesturen zijn
                    ingebracht in het overleg. In een dergelijke situatie lijkt het opnieuw bijeen
                    roepen van het overleg niet noodzakelijk, tenzij burgemeester en wethouders dit
                    dienstig vinden voor hun standpuntbepaling over het meerderheidsstandpunt van de
                    raadscommissie;de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de
                    zienswijze, zoals die door een deel van de schoolbesturen in het overleg naar
                    voren is gebracht. In deze situatie kan het bijeen roepen van het overleg
                    gewenst zijn in verband met de positie van de schoolbesturen die hun zienswijze
                    niet gehonoreerd zien. Burgemeester en wethouders bezien de noodzaak daartoe.Het
                    voordeel van de in artikel 11 neergelegde procedure is dat het gemeentelijk
                    besluitvormingsproces voortgang kan vinden zonder het gewicht van het overleg
                    geweld aan te doen. Het voorstel van burgemeester en wethouders, al dan niet
                    bijgesteld naar aanleiding van de behandeling in de raadscommissie, kan namelijk
                    doorgaan naar de raad. Het resultaat van het heropende overleg kan vervolgens
                    ter kennis worden gebracht van de raad. Dit resultaat wordt door de raad
                    betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. Dit positioneert de raad ook als
                    hoogste bestuursorgaan in de gemeente die, alles afwegend, een finale beslissing
                    neemt.</al>
        <al> Wanneer de verordening voor het overleg in
                    bepaalde zaken niet voorziet, dan nemen burgemeester en wethouders een
                    beslissing. Aangezien dergelijke beslissingen (de inrichting van) het overleg
                    raken, is erin voorzien dat burgemeester en wethouders hierover de andere
                    partijen uit het overleg horen. Daaruit zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat het
                    wenselijk wordt geacht om:bepaalde zaken nader te regelen (reglement van orde,
                    huishoudelijk reglement of iets dergelijks);bepaalde zaken via een aan de raad
                    voor te leggen wijziging vast te leggen in de verordening op het overleg.</al>
        <al> Bij de inwerkingtreding van de Verordening overleg over lokaal
                    onderwijsbeleid dient de Verordening procedure overleg huisvesting te worden
                    ingetrokken. Zoals bij artikel 2 al is vermeld, is gekozen voor een brede
                    overlegverordening waaronder ook het overleg over de inhoud van de verordening
                    voor de onderwijshuisvesting is begrepen.</al>
      </nota-toelichting>
      
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Inhoudsopgave</label>
        </kop>
        <al>1. Begripsbepalingen </al>
        <al>Artikel 1 Begripsbepalingen </al>
        <al>2. Overleg </al>
        <al>2.1.Overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid </al>
        <al>Artikel 2 Functie overlegorgaan </al>
        <al>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan </al>
        <al>Artikel 4 Derden </al>
        <al>2.2. Voorbereiding overleg </al>
        <al>Artikel 5 Uitnodiging </al>
        <al>Artikel 6 Secretariaat </al>
        <al>Artikel 7 Voorbereiding </al>
        <al>Artikel 8 Agenda-overleg </al>
        <al>2.3. Uitvoering overleg </al>
        <al>Artikel 9 Advies Onderwijsraad </al>
        <al>Artikel 10 Verslaglegging; informeren raad </al>
        <al>Artikel 11 Heropening overleg </al>
        <al>Hoofdstuk 3. Slotbepalingen </al>
        <al>Artikel 12 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet </al>
        <al>Artikel 13 Citeertitel; inwerkingtreding </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>