<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20774_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening 1994</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 02-03-1994</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 1994</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149 en Monumentenwet 1988, artikel 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1994-03-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2007-01-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1994/20</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening 1994</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorste2 van het College van burgemeester en wethouders van
                        17 februari 1994;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 15 van de
                        Monumentenwet 1988;</al><al>b e s 1 u i t</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>Monumentenverordening 1994</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>beschermde gemeentelijke : onroerende monumenten die overeenkomstig
                            de monumenten bepalingen van deze verordening op de gemeentelijke
                            monumentenlijst zijn geplaatst;</al></li><li nr="b."><al>beschermde rijksmonumenten : onroerende monumenten die zijn
                                    ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst : de lijst waarop de
                                    overeenkomstig deze verordening beschermde monumenten zijn
                                    vermeld;</al></li><li nr="d."><al>kerkelijke monumenten : onroerende monumenten welke eigendom
                                    zijn van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of
                                    van een kerkelijke instelling en welke uitsluitend of voor een
                                    overwegend deel worden gebruikt voor de uitoefening van de
                                    eredienst;</al></li><li nr="e."><al>monumenten : </al><lijst><li nr="1."><al>alle zaken die van algemeen belang zijn wegens
                                    hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                    cultuur-historische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terreinen die van algemeen belang zijn wegens daar
                                            aanwezige zaken als bedoeld onder l;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>Monumentencommissie : de door de Raad ingestelde commissie die
                                    het College van burgemeester en wethouders adviseert over de
                                    toepassing van de Monumentenwet 1988 en deze verordening,
                                    alsmede over andere aangelegenheden die van belang zijn voor de
                                    behartiging van de monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Gebruik monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>II.</nr><titel>Beschermde gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Plaatsing van monumenten op de gemeentelijke
                                monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het College van burgemeester en wethouders kan, al dan niet naar
                            aanleiding van een aanvraag van belanghebbenden, onroerende monumenten
                            als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst
                            plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Tevoren wint het College burgemeester en
                            wethouders het advies in van de Monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>Een kerkelijk monument wordt niet op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst geplaatst dan na overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>Het College van burgemeester en wethouders deelt de plaatsing
                                    van een monument op de gemeentelijke monumentenlijst zo spoedig
                                    mogelijk mede aan degenen die in de kadastrale registratie als
                                    eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld, alsmede aan de
                                    ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></li><li nr="5."><al>De gemeentelijke monumentenlijst geeft de plaatselijke en
                                    kadastrale aanduiding aan, de tenaamstelling en een beschrijving
                                    van het monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Rijks- en provinciale monumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Monumenten die zijn ingeschreven in het register bedoeld in artikel
                                6 van de Monumentenwet 1988 of die zijn geplaatst op een lijst van
                                monumenten vastgesteld op grond van een provinciale
                                Monumentenverordening worden niet op de gemeentelijke
                                monumentenlijst geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Monumenten die na plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst
                                worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 6 van de
                                Monumentenwet 1988 of die zijn geplaatst op een lijst van monumenten
                                vastgesteld op grond van een provinciale Monumentenverordening
                                worden geacht niet meer op de gemeentelijke monumentenlijst te zijn
                                geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Wijziging monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College van burgemeester en wethouders kan, al dan niet naar
                                aanleiding van een aanvraag van belanghebbenden, in de gemeentelijke
                                monumentenlijst wijzigingen aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 3 is van overeenkomstige toepassing. Dit
                                lijdt uitzondering, indien de wijziging van ondergeschikte betekenis
                                is of behelst de doorhaling van de inschrijving van hetzij een
                                monument dat is teniet gegaan, hetzij een monument als bedoeld in
                                artikel 4, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzage</titel></kop><al>De gemeentelijke monumentenlijst ligt in het Gemeentehuis voor eenieder
                            ter inzage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verbodsbepaling en vergunningvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen
                                of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het College van burgemeester
                                en wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde
                                voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te
                                        verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te
                                        gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het
                                        wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College van burgemeester en wethouders brengt een aanvraag om
                                vergunning onverwijld ter kennis van de Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Monumentencommissie brengt binnen acht weken nadat de aanvraag te
                                harer kennis is gebracht advies uit over de te nemen
                                beslissing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het College van burgemeester en wethouders beslist binnen acht weken
                                na ontvangst van het advies van de Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het College van burgemeester en wethouders beschikt op een aanvraag
                                om vergunning met betrekking tot een kerkelijk monument niet dan in
                                overeenstemming met de eigenaar, indien en voorzover het betreft een
                                beschikking waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstoefening in
                                dat monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Voorschriften en termijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning
                                voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het College van burgemeester en wethouders kan een vergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de voorschriften bedoeld in artikel 8 niet worden
                                        nageleefd;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beschikking tot intrekking van een vergunning wordt
                                        medegedeeld aan de Monumentencommissie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>III.</nr><titel>Beschermde rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Advisering met betrekking tot rijksmonumenten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het College van burgemeester en wethouders brengt de
                                        aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument met
                                        de naar voren gebrachte zienswijzen na afloop van de in
                                        artikel 12, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 bedoelde
                                        termijn onverwijld ter kennis van de
                                        Monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De Monumentencommissie brengt binnen acht weken nadat de
                                        aanvraag met de naar voren gebrachte zienswijzen te harer
                                        kennis is gebracht advies uit.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>IV.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering om de gemeentelijke monumentenlijst te
                                        wijzigen.;</al></li><li nr="b."><al>de weigering van een vergunning tot het afbreken,
                                        verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk
                                        monument;</al></li><li nr="c."><al>voorschriften verbonden aan een vergunning tot het afbreken,
                                        verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk
                                        monument;</al></li></lijst><al>schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijze niet of niet geheel
                                ten laste van hem of haar behoort te blijven, kent de Raad die
                                belanghebbende op zijn of haar verzoek een naar billijkheid te
                                bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>V.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>leder die handelt in strijd met artikel 7, eerste of tweede
                                        lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                                        categorie.</al></li><li nr="2."><al>Overtreding van artikel 7, eerste of tweede lid, kan
                                        bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                                        rechterlijke uitspraak.</al></li><li nr="3."><al>De opsporing van de in dit artikel strafbaar gestelde feiten
                                        is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van
                                        Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan
                                        hen die door het College van burgemeester en wethouders met
                                        de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast,
                                        ieder voorzover het de feiten betreft die- in de aanwijzing
                                        zijn vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening
                                        dit vereist, wordt hierbij de last verstrekt al dan niet
                                        besloten ruimten en plaatsen, met uitzondering van woningen,
                                        desnoods tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of
                                        gebruiker te betreden aan hen die en voor zover zij door het
                                        bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de naleving
                                        van deze verordening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>VI.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                        monumenten treedt zij in werking op 15 maart 1994.</al></li><li nr="2."><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                        rijksmonumenten treedt zij in werking overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Monumentenverordening
                                1994".</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 februari 1994.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting </vet><vet>Monumentenverordening 1994</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>In de Monumentenverordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht
                                bij de bepalingen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot
                                beschermde rijksmonumenten.</al><al>Waar in de verordening sprake is van een aanvraag, is daarop de
                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al><al><vet>Paragraaf I. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Artikel 1. Begripsbepaling</al><al><vet>Beschermde gemeentelijke monumenten</vet></al><al>De verordening voorziet, overeenkomstig de Monumentenwet, alleen in
                                de bescherming van onroerende monumenten en niet in die van roerende
                                monumenten. Bij roerende monumenten gaat het in de regel om vaar- en
                                voertuigen en over zaken zoals schilderijen, kerkschatten en
                                gebruiksvoorwerpen. Juridisch gezien is bescherming van roerende
                                monumenten via de Monumentenverordening mogelijk. De
                                Monumentenverordening is gebaseerd op artikel 149 van de
                                Gemeentewet; de gemeente is derhalve vrij om regelingen op het
                                gebied van de monumentenzorg te treffen voorzover deze niet in
                                strijd komen met de Monumentenwet.</al><al>Het effectueren van de bescherming van roerende monumenten roept
                                echter nog wel wat vragen op. Voor het gehele land geldt de Wet tot
                                behoud van het cultuurbezit, waarmee het teloorgaan van voorwerpen
                                van bijzondere cultuurhistorische waarde voor het Nederlandse
                                cultuurbezit is te voorkomen. Voor de gemeente is het mogelijk door
                                middel van aanvullende regelgeving het verdwijnen van
                                cultuurhistorische voorwerpen die op de gemeentelijke roerende
                                monumentenlijst staan buiten de gemeentegrenzen te voorkomen. Aan de
                                handhaving van zo'n regel zijn wat praktische problemen verbonden.
                                De meeste roerende objecten zijn nogal gemakkelijk te vervoeren en
                                daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de
                                werking van de verordening te brengen.</al><al><vet>Beschermde rijksmonumenten</vet></al><al>Het is nodig een begripsomschrijving van beschermde rijksmonumenten
                                in de gemeentelijke Monumentenverordening op te nemen. Deze
                                verordening is een voorwaarde voor het verkrijgen door het College
                                van burgemeester en wethouders van de bevoegdheid vergunningen voor
                                het afbreken, verplaatsen of wijzigen van beschermde rijksmonumenten
                                te verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde
                                rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 t/m 21 van de
                                Monumentenwet van toepassing.</al><al><vet>Kerkelijke monumenten</vet></al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd
                                gemeentelijk monument is overleg tussen de eigenaar en de gemeente
                                nodig (artikel 3, derde lid). Is er sprake van een vergunning voor
                                gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke monumenten dan is
                                overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig (artikel
                                7, zesde lid van de verordening). Overleg en overeenstemming
                                betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                                kerkelijk monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een
                                catechesatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                                verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan ook niet.
                                Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten
                                gelden.</al><al><vet>Monumenten</vet></al><al>Bij de omschrijving van monumenten is aansluiting gezocht bij de
                                omschrijving in de Monumentenwet.</al><al>Cultuurhistorische waarde is de aan een bouwwerk of gebied
                                toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door
                                het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat
                                bouwwerk op dat gebied heeft gemaakt.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en
                                een perceel met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op
                                het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt alvorens over een
                                monument kan worden gesproken. "Zaken" is immers een veel ruimer
                                begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor
                                gemeentelijke monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening
                                ook de mogelijkheid monumenten die (nog) niet op de rijkslijst
                                kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op de gemeentelijke
                                monumentenlijst te plaatsen. Archeologisch waardevolle terreinen
                                zijn onder de werking van de verordening te brengen. Artikel 1 sluit
                                dat niet expliciet uit.</al><al><vet>Monumentencommissie</vet></al><al>De taken van de Monumentencommissie strekken zich uit over de
                                Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening. Daarnaast houdt de
                                commissie zich bezig met andere aangelegenheden die van belang zijn
                                voor de behartiging van de monumentenzorg. Door de
                                Monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                                over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het
                                College van burgemeester en wethouders is voldaan aan het vereiste
                                van de Monumentenwet 1988, te weten: "De gemeenteraad stelt een
                                verordening vast waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van
                                een commissie op het gebied van de monumentenzorg die het College
                                van burgemeester en wethouders adviseren over aanvragen om
                                vergunning als bedoeld in artikel 1111 (artikel 15
                                Monumentenwet).</al><al>De taakomschrijving van de Monumentencommissie is geregeld in een
                                afzonderlijke verordening (Verordening regelende de taak en
                                samenstelling van de Monumentencommissie).</al><al><vet>Artikel 2. Gebruik monument</vet></al><al>De Monumentenwet van 1961 spreekt nog over de bestemming waarmee
                                rekening is te houden bij het gebruik van het monument.</al><al>In de model-monumentenverordening van 1982 is reeds sprake van
                                gebruiksmogelijkheid. In de toelichting bij het betreffende artikel
                                van het model 1981 staat dat met het woord bestemming niet zozeer de
                                publiekrechtelijke, de planologische bestemming is bedoeld, alswel
                                de gebruiksmogelijkheid die de rechthebbende op het pand daaraan
                                toekent, mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Omdat
                                de wetgever heeft bedoeld dat óók met de eigenaarsbelangen rekening
                                moet worden gehouden is in het model 1981 de wettelijke term
                                bestemming vervangen door gebruiksmogelijkheid.</al><al>In de toelichting op artikel 2 van de Monumentenwet staat dat uit
                                constante jurisprudentie blijkt dat in dit verband met bestemming
                                wordt gedoeld op gebruik. Om de aansluiting tussen de Monumentenwet
                                en de Monumentenverordening in terminologie zo nauw mogelijk te
                                houden spreekt de Monumentenverordening nu ook over gebruik en niet
                                over gebruiksmogelijkheid. Van essentiële verschillen is uiteraard
                                geen sprake. Dit artikel is van belang <vet>als </vet>een
                                motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                                vergunningverlening.</al><al><vet>Paragraaf II. Beschermde gemeentelijke monumenten</vet></al><al>Artikel 3. De plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het besluit tot plaatsing is een discretionaire bevoegdheid van het
                                College van burgemeester en wethouders. De besluitvorming moet
                                voldoen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Na afweging van
                                alle betrokken belangen kan tot plaatsing worden besloten. De
                                afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te
                                beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                                besluit naar voren komen (de redengeving). Het besluit tot plaatsing
                                geeft geen recht op schadevergoeding. Het besluit verandert immers
                                niets aan het gebruik van het monument.</al><al>Ook al is een zaak of een terrein een monument in de zin van artikel
                                1 van deze verordening, dan wil dat nog niet zeggen dat het College
                                van burgemeester en wethouders moeten besluiten tot plaatsing op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het College van burgemeester en wethouders moeten het advies
                                inwinnen van de Monumentencommissie. De verordening bindt het advies
                                niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het
                                monument gedurende de tijd dat de plaatsingsprocedure loopt.
                                Doorgaans zal voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst de
                                Openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. van de Algemene
                                wet bestuursrecht worden gevolgd. Indien er sprake is van een
                                situatie die ernstige gevolgen kan hebben voor het te plaatsen
                                monument, zal van deze procedure worden afgezien en <vet>zal
                                </vet>het College van burgemeester en wethouders bewerkstelligen dat
                                binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van
                                toepassing zijn.</al><al>Het is een beginsel van behoorlijk bestuur die bij de plaatsing
                                direct betrokken belanghebbenden voorafgaand aan het
                                plaatsingsbesluit te horen. In de verordening zijn hiervoor geen
                                regels opgenomen, hiervoor geldt de Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ingeval van plaatsing van een kerkelijk monument op de gemeentelijke
                                lijst, is overleg tussen de gemeente en de eigenaar voorgeschreven.
                                Het overleg betreft die aspecten van het kerkelijk monument die met
                                de godsdienstuitoefening verbonden zijn (zie artikel 1:
                                begripsomschrijvingen).</al><al><vet>Lid </vet>4</al><al>De mededeling van het College van burgemeester en wethouders is voor
                                de eigenaar en de anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel
                                belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door de geadresseerde
                                wordt ontvangen. In latere instantie kan hij/zij zich dan ook niet
                                beroepen van niets te weten. In de regel zal de mededeling bij
                                aangetekend schrijven uitgaan.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Door plaatsing op de monumentenlijst is het gehele pand onder de
                                werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich op het
                                perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                                tuininrichting, bomen enz. moeten expliciet worden aangegeven,
                                willen zij onder de werking van de verordening vallen. Voor elke
                                wijziging van het beschermde monument is dus een vergunning
                                nodig.</al><al>Artikel 4. Rijks- en provinciale monumenten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Monumenten die reeds op een rijkslijst of een provinciale lijst
                                staan, komen niet voor plaatsing op de gemeentelijke lijst in
                                aanmerking. Voor rijksmonumenten volgt dat uit de Monumentenwet 1988
                                en artikel 121 van de Gemeentewet. Het is de gemeente namelijk niet
                                toegestaan onderwerpen uit de Monumentenwet te regelen die het Rijk
                                aan zich voorbehouden heeft.</al><al>In verhouding tot de provincie geldt artikel 121 Gemeentewet
                                eveneens.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Beschermde gemeentelijke monumenten komen te vervallen op de
                                gemeentelijke monumentenlijst zodra ze kunnen worden aangemerkt als
                                beschermd rijksmonument of zijn opgenomen op een provinciale
                                monumentenlijst (basis artikel 122 Gemeentewet).</al><al>Artikel 5. Wijziging monumentenlijst</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Via deze bepaling is het mogelijk beschermde gemeentelijke
                                monumenten van de gemeentelijke monumentenlijst te schrappen.</al><al>Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst, die op grond van
                                vergunningverlening zijn gesloopt of anderszins volledig teniet zijn
                                gegaan, kunnen door ambtshalve wijziging door het College van
                                burgemeester en wethouders van de monumentenlijst worden
                                gehaald.</al><al>Artikel 6. Inzage</al><al>Aan wie een exemplaar van de monumentenlijst wordt toegezonden
                                behoeft geen regeling in de verordening. De vele
                                toezendingsverplichtingen die in wetten en verordeningen zijn
                                opgenomen hebben nogal eens weinig toegevoegde waarde. Indien
                                bepaalde instanties toezending op prijs stellen kan dat worden
                                geregeld op basis van afspraken.</al><al>Artikel 7. Verbodsbepaling en vergunningvereiste</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel
                                11 van de Monumentenwet. Aangezien deze verordening de
                                vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten in handen van
                                het College van burgemeester en wethouders legt zal de
                                vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                                procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar moeten lijken.
                                Het is namelijk voor de aanvrager, maar ook voor de behandelende
                                gemeentelijke afdelingen en voor het College van burgemeester en
                                wethouders van praktische betekenis dat beide aanvragen langs
                                dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door
                                het College van burgemeester en wethouders regelt de Monumentenwet
                                1988. In dit artikel gaat het derhalve alleen over beschermde
                                gemeentelijke monumenten.</al><al><vet>Lid 3 t/m 5</vet></al><al>Het afgeven van vergunningen is aan termijnen gebonden. In de
                                model-monumentenverordening van de VNG waren deze termijnen nog
                                opgenomen. De modelverordening is op deze onderdelen echter
                                achterhaald door de Algemene wet bestuursrecht en de nieuwe
                                Gemeentewet, die beide op 1 januari 1994 in werking zijn
                                getreden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                                geding dan is overeenstemming niet vereist.</al><al>Artikel 8. Voorschriften en termijn</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij afbraak of wijziging van een monument met vergunning kunnen
                                onderdelen en materialen ter beschikking komen die van nut kunnen
                                zijn bij het restaureren van andere monumenten. Voorts is
                                documentatie en archeologisch bodemonderzoek voor te schrijven.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Te denken valt aan luifels, reclames en kunstwerken die in het kader
                                van feestweken of het zomerseizoen aan het monument worden
                                bevestigd. Ook tijdelijke uitbreiding van een monument met een niet
                                permanente ruimte is hiermee te regelen.</al><al>Artikel 9. Intrekking vergunning</al><al><vet>Lid 1, onder c</vet></al><al>Wijzigen de omstandigheden bij de vergunninghouder, wijzigen zijn
                                voornemens met betrekking tot het monument, dan zou het zo kunnen
                                zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden,
                                de belangen van het monument behoren voor te gaan. Daartoe moet de
                                vergunningverlener (het College) beschikken over de mogelijkheid de
                                vergunning in te trekken.</al><al><vet>Paragraaf III. Beschermde rijksmonumenten</vet></al><al>Artikel 10. Advisering met betrekking tot rijksmonumenten</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Monumentencommissie bij
                                de aanvraag om vergunning voor bescherming van rijksmonumenten wordt
                                ingeschakeld.</al><al><vet>Paragraaf IV. Schadevergoeding</vet></al><al>Artikel 11. Aanvraag om schadevergoeding</al><al>Het verzoek tot schadevergoeding betreft monumenten die reeds op de
                                gemeentelijke monumentenlijst staan. De Afdeling rechtspraak van de
                                Raad van State heeft uitgemaakt dat de Monumentenverordening zonder
                                een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is.</al><al><vet>Paragraaf V. Handhaving</vet></al><al>Artikel 12. Strafbepaling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                                keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete
                                te stellen van de eerste of tweede categorie.</al><al>In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                                geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                                feiten in de eerste categorie is maximaal fl 500,--; voor de tweede
                                categorie maximaal fl 5.000,--. In de Monumentenwet is handelen in
                                strijd met artikel 11, het verbod een beschermd monument zonder
                                vergunning te wijzigen of af te breken gekoppeld aan een geldboete
                                van de vijfde categorie (fl 100.000,--).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van het vergrijp, de
                                hoogte van de strafmaat voor beschermde rijksmonumenten en de wens
                                enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete
                                van de tweede categorie voor de hand liggend.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>Artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de
                                ambtenaren aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn
                                belast. Artikel 141 noemt de ambtenaren met een algemene
                                opsporingsbevoegdheid, zoals de rijks- en gemeentepolitieagenten.
                                Uit de bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke
                                wetgever bevoegd is in zijn verordeningen (speciale)
                                opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al>Op basis van het derde lid van artikel 12 van de
                                Monumentenverordening kan het College van burgemeester en wethouders
                                medewerkers van het Bouw- en woningtoezicht en Monumentenzorg met
                                opsporingstaken belasten.</al><al>Het vierde lid is de grondslag voor de betreding van openbare
                                ruimten en de binnentreding van beschermde gemeentelijke monumenten,
                                die geen woning zijn, 'tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of
                                gebruiker. Woningen zijn uitgezonderd, omdat de
                                Monumentenverordening niet valt onder de verordeningen waarop de wet
                                van 31 augustus 1853, Stb. van toepassing is.</al><al><vet> Paragraaf VI. Overgangs- </vet>en
                                <vet>slotbepalingen</vet></al><al>Artikel 13</al><al>Twee maanden na toezending van de Monumentenverordening aan de
                                Minister van WVC treedt zij in werking voor de beschermde
                                rijksmonumenten.</al><al>De Gemeentewet regelt de afkondiging.</al><al>Uden, 17 februari 1994</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>