<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20675_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen in het kader van de Wet werk en            bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 21-07-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen in het kader van de Wet werk en bijstand 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8 en de bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht en de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/48</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de op 17 december 1998 vastgestelde Verordening toeslagen en verlagingen in het kader van de Algemene bijstandswet 1999</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen in het kader van de Wet werk en
            bijstand 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        1 juni 2004;</al><al>overwegende, dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en
                        het verlagen van uitkeringen van belanghebbenden bedoeld in artikel 4
                        van de Wet werk en bijstand bij verordening te regelen;</al><al>gelet op artikel 8 van de Wet werk en bijstand, de bepalingen van de
                        Algemene Wet Bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>de wet : de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375); de begrippen
                                    die in deze verordening voorkomen hebben dezelfde betekenis als
                                    in de Wet werk en bijstand is aangegeven;</al></li><li nr="-"><al>hulpbehoevende : degene die, indien hij niet tezamen met een
                                    ander in de woning zijn hoofdverblijf zou hebben, zou zijn
                                    aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een
                                    bejaardenoord of in een andere inrichting ter verpleging of
                                    verzorging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                        jaar;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                        jaar;</al></li><li nr="c."><al>gehuwde, waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65
                                        jaar.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
                                kinderen hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                                dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of
                                niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met
                                zijn ten laste komende kinderen bepaald op het in artikel 25, tweede
                                lid van de wet genoemde maximumbedrag, wanneer in de woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder
                                met zijn ten laste komende kinderen 10% van het netto minimumloon,
                                wanneer in de woning ook een ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te
                                kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn
                                hoofdverblijf heeft, indien door de ander kan worden beschikt over
                                een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan de vergoeding voor het
                                levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van het netto
                                minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toeslag wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid van
                                dit artikel, eveneens bepaald op het in artikel 25, tweede lid van
                                de wet genoemde maximumbedrag, ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande en de alleenstaande ouder die
                                        hulpbehoevende is;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande en de alleenstaande ouder, die uitsluitend
                                        tezamen met één of meer hulpbehoevende(n) in de woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedraagt 10% van het netto minimumloon wanneer in de
                                woning ook een ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te
                                kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn
                                hoofdverblijf heeft, indien door de ander kan worden beschikt over
                                een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan de vergoeding voor het
                                levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van het netto
                                minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is niet van
                                toepassing ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehuwde die hulpbehoevende is, waarbij de hulp geboden
                                        wordt door de ander als bedoeld in lid 1 van dit
                                        artikel;</al></li><li nr="b."><al>de gehuwde die, behoudens de tot zijn last komende kinderen,
                                        uitsluitend tezamen met één of meer hulpbehoevende(n) in de
                                        woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van
                                een woning waaraan geen kosten zijn verbonden of als gevolg van het
                                niet aanhouden van een woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedraagt 16% van het netto minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet wordt voor een
                            alleenstaande van 21 of 22 jaar, in afwijking van artikel 3 van deze
                            verordening, op nihil gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en één
                                of meer verlagingen op grond van de artikelen 5 en 6 geldt, wordt de
                                verlaging zodanig vastgesteld dat de belanghebbende in ieder geval
                                kan blijven beschikken over een inkomen van 75% van de basisnorm
                                zoals die in artikel 21 van de wet is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien meer dan één verlaging op grond van de artikelen 4, 5 en 6
                                gelden, wordt de verlaging zodanig vastgesteld dat de belanghebbende
                                in ieder geval kan blijven beschikken over een inkomen van 75% van
                                de basisnorm zoals die in artikel 21 van de wet is bepaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het College van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering
                            van het bepaalde in deze verordening en beslist in die gevallen waarin
                            deze verordening niet voorziet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>1.Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de datum,
                                    gelegen zes weken na de datum van bekendmaking van de
                                    vaststelling van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>De op 17 december 1998 vastgestelde Verordening toeslagen en
                                    verlagingen in het kader van de Algemene bijstandswet 1999 wordt
                                    gelijktijdig ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2004.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> Verordening toeslagen en verlagingen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting </tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De verordening wordt vastgesteld in verband met de inwerkingtreding van de Wet
                    werk en bijstand ingaande 1 januari 2004. Inhoudelijk is de verordening een
                    voortzetting van een zelfde verordening die in het kader van de Algemene
                    bijstandswet van kracht was.</al><al>Inhoudelijk zijn er de volgende wijzigingen aangebracht:</al><lijst><li nr="1."><al>De verwijzingen naar de artikelen van de Abw zijn vervangen door
                            verwijzingen naar de relevante artikelen van de Wwb;</al></li><li nr="2."><al>De bepaling dat een verlaging bij voorrang wordt toegepast op de toeslag
                            is vervallen. Hiervoor bestaat geen wettelijke verplichting meer.</al></li><li nr="3."><al>Bij de verlaging van 16% in verband met het bewonen van een woning
                            zonder woonkosten is toegevoegd de situatie dat iemand geen woning
                            aanhoudt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de uitzondering op het toepassen van een verlaging in het geval van
                            een hulpbehoevende gehuwde (artikel 4, lid 4) is verduidelijkt dat de
                            hulp moet komen van de inwonende derde. Als de hulp van de
                            huwelijkspartner voldoende is om professionele hulp te voorkomen, is er
                            geen reden voor toepassing van de uitzondering.</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="39*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Toelichting Verordening toeslagen en verlagingen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Dit artikel behoeft gelet op de formulering geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Categorieën</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 30 van de Wwb schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke
                    categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd.</al><al>De categorie-indeling is gebaseerd op de Wwb.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is de wetgever uitgegaan van
                    de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan
                    delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een
                    toeslag.</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van de toeslag worden alle extra algemeen
                    noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande of de
                    alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een
                    gezamenlijke huishouding voert.</al><al>Het gaat hierbij alle uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben omdat
                    zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen.</al><al>Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                    geconfronteerd kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals
                    woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals
                    abonnementen en diverse andere kosten.</al><al>Bij de beoordeling of betrokkene inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in
                    voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een
                    ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan uit te
                    gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de situatie dat een
                    hoofdbewoner de woning met een ander bewoont, zou een ongewenste situatie
                    ontstaan als de hoogte van de toeslag ervan afhankelijk is of de medebewoner,
                    hoewel deze daartoe financieel in staat is, ook feitelijk een bijdrage levert in
                    de woonkosten. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt de hoogte van de
                    toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het netto
                    minimumloon.</al><al>De toeslag maakt integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens
                    het recht moeten aantonen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Artikel 30, tweede lid Wwb schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in artikelen 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander
                    zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel
                    25, tweede lid van de Wwb.</al><al>De maximale toeslag bedraagt 20% van het netto minimumloon. In deze verordening
                    wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat in de wet is
                    genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig bijgesteld.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op omdat
                    woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen,
                    verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een
                    woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening
                    worden gebracht.</al><al>Deze schaalvoordelen worden berekend op 10% van het wettelijk minimumloon.
                    Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de
                    toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het
                    netto minimumloon.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>De toeslag bedraagt het maximum van 20% wanneer de noodzakelijke kosten niet met
                    een ander kunnen worden gedeeld omdat geen ander in de woning zijn hoofdverblijf
                    heeft. De toeslag bedraagt 10% wanneer de kosten wel, maar niet geheel kunnen
                    worden gedeeld.</al><al>De feitelijke mogelijkheid tot het delen van de kosten moet dan wel aanwezig
                    zijn. Heeft de inwonende geen of een te laag inkomen, dan kunnen de kosten
                    feitelijk niet worden gedeeld.</al><al>De kosten kunnen wel worden gedeeld wanneer de inwonende tenminste beschikt over
                    een inkomen gelijk aan het bedrag voor levensonderhoud van een thuiswonende op
                    grond van de Wet Studiefinanciering 2000, verhoogd met de forfaitaire korting op
                    de maximale toeslag van 10%. Van de inwonende kan dan een zodanige bijdrage in
                    de kosten worden verwacht dat er sprake is van het daadwerkelijk delen van de
                    kosten, waardoor bepaling van de toeslag op 10% gerechtvaardigd is.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Gezien de landelijke tendens om ouderen en gehandicapten zo veel mogelijk thuis
                    te verzorgen, ligt het voor de hand om bij hulpbehoevenden de toeslag voor zowel
                    de hulpbehoevende als de verzorger te bepalen op het in artikel 25, tweede lid
                    van de wet genoemde maximumbedrag.</al><al>Hulpbehoevendheid wordt aangenomen als er sprake is van een zodanige handicap
                    dat niet-inwoning zou leiden tot opname in een inrichting ter verpleging of
                    verzorging. Bij twijfel kan een medisch advies worden gevraagd.</al><al>Indien thuiszorg het alternatief is voor intensieve ambulante zorg of voor
                    dagverpleging in een verpleeginrichting, of bij opname van kinderen in een
                    pleeggezin, kan ook een beroep op deze uitzonderingsbepaling worden gedaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                    toeslag</tussenkop><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De hoogte van de uitkering van alleenstaanden en alleenstaande ouders is
                    afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het bestaan kunnen delen. Hoe
                    meer kosten kunnen worden gedeeld, hoe lager de toeslag is.</al><al> Ook gehuwden, waarvan beide partners 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                    zijn, kunnen schaalvoordelen genieten aangezien zij de kosten van het bestaan
                    kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze
                    schaalvoordelen leiden ertoe dat de gehuwdenuitkering wordt verlaagd.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de verlaging als gevolg van de
                    optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het netto minimumloon.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Overeenkomstig de motivering in artikel 3, vierde lid, wordt op de gehuwdennorm
                    geen verlaging toegepast indien uitsluitend sprake is van inwonenden
                    (bijvoorbeeld kinderen) met een inkomen beneden de vergoeding voor het
                    levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet
                    studiefinanciering 2000 vermeerderd met 10% van het netto minimumloon. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Overeenkomstig de motivering in artikel 3, vijfde lid wordt op de gehuwdennorm
                    geen verlaging toegepast ten aanzien van de gehuwde die hulpbehoevende is, als
                    die hulp wordt geboden door de inwonende derde (niet door de huwelijkspartner).
                    Bij gehuwden kan het gaan om een situatie waarin een of beide partners
                    hulpbehoevend zijn.</al><al>In onderdeel b wordt bepaald dat, alleen wanneer in de woning geen ander (ook)
                    zijn hoofdverblijf heeft, op de uitkering van gehuwden die een hulpbehoevende
                    verzorgen, geen verlaging plaatsvindt.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar
                    deel van uit. Indien betrokkene een woning bewoont waarvoor geen woonkosten zijn
                    verschuldigd, of wanneer betrokkene geen woning aanhoudt, wordt de uitkering
                    verlaagd.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Uitgangspunt voor de verlaging is het bedrag dat gehanteerd wordt als
                    minimumbedrag voor het ontvangen van huursubsidie. Omgerekend naar een
                    percentage bedraagt deze verlaging, afgerond, 16% van het netto minimumloon.
                    Deze verlaging is gebaseerd op de veronderstelling dat in de gehuwdennorm en de
                    bijstandsnorm voor de alleenwonende alleenstaande (ouder), die bestaat uit de
                    norm plus de maximale toeslag van 20%, de 'volledige' woonkostencomponent is
                    meegenomen.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Het minimumloon voor 21- en 22-jarige alleenstaanden in een voltijds
                    dienstbetrekking is vrijwel gelijk aan de voor deze categorie geldende
                    bijstandsnorm. Bij een 32-urige werkweek is het minimumloon lager dan de
                    norm.</al><al>Op die manier is er geen of een geringe stimulans om arbeid te aanvaarden. Om
                    die stimulans te waarborgen wordt de toeslag voor 21- en 22-jarige
                    alleenstaanden op nihil gesteld.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden zoals die zijn
                    genoemd in de artikelen 4 tot en met 7, dient rekening te worden gehouden met de
                    effecten van cumulatie van factoren, bijvoorbeeld bij alleenstaande
                    schoolverlaters van 21 en 22 jaar. Een dergelijke cumulatie kan er namelijk toe
                    leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.</al><al>De uitkeringsgerechtigde dient in ieder geval te kunnen blijven beschikken over
                    een inkomen van 75% van de basisnorm zoals die in artikel 21 van de wet is
                    vastgesteld voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwde.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Artikel 7 van de wet schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij het
                    College van burgemeester en wethouders. Het College van burgemeester en
                    wethouders kan deze bevoegdheid mandateren aan ambtenaren.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Deze verordening is referendabel, en treedt dus niet eerder in werking dan met
                    ingang van zes weken na de datum van bekendmaking van de vaststelling van de
                    verordening, onder gelijktijdige intrekking van de voorganger van de verordening
                    op basis van de Algemene bijstandswet, die ingaande 1 januari 2004 ingetrokken
                    is.</al><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2004.</al><al>De Raad voornoemd</al><al>de griffier de voorzitter</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="52*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Artikelgewijze toelichting Verordening toeslagen en
                                        verlagingen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>