<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20650_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 21-1-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, Art. 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-01-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 4-11-2008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening langdurigheidstoeslag 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><nr/><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college : het College van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>wet : Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>bijstandsnorm : de norm bedoeld in artikel 5 onder c van de
                                    wet;</al></li><li nr="d."><al>inkomen : het inkomen bedoeld in artikel 32 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>laag inkomen : een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm dat in
                                    Nederland is ontvangen;</al></li><li nr="f."><al>uitkeringsgerechtigde : de persoon bedoeld in artikel 1 onder o
                                    van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, met
                                    uitzondering van de persoon die een uitkering ontvangt op grond
                                    van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene
                                    Kinderbijslagwet;</al></li><li nr="g."><al>referteperiode : een aaneengesloten periode van 36 maanden;</al></li><li nr="h."><al>peildatum : de datum waarop in enig jaar de referteperiode is
                                    bereikt;</al></li><li nr="i."><al>WTOS : Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                    schoolkosten;</al></li><li nr="j."><al>WSF : Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="k."><al>bescheiden vermogen : het maximum vermogen als bedoeld in
                                    artikel 34 van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 36 van de wet komt voor
                                de langdurigheidstoeslag in aanmerking de belanghebbende van 21 jaar
                                of ouder maar jonger dan 65 jaar die gedurende een referteperiode
                                aangewezen is geweest op een laag inkomen, op de peildatum een niet
                                meer dan bescheiden vermogen heeft en geen uitzicht heeft op een
                                meer dan laag inkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid is:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkeringsgerechtigde en</al></li><li nr="b."><al>de gewezen uitkeringsgerechtigde gedurende de eerste 36
                                        maanden na uitstroom uit de uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verblijf buiten Nederland gedurende maximaal 3 maanden per
                                kalenderjaar is niet van invloed op de referteperiode, mits dit niet
                                ten koste gaat van ingezette activiteiten gericht op
                                reïntegratie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Geen uitzicht op een meer dan laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van geen uitzicht op een meer dan laag inkomen is sprake:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als een uitkeringsgerechtigde zich in de referteperiode heeft
                                gehouden aan regels omtrent solliciteren en heeft meegewerkt aan
                                diens arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zolang een gewezen uitkeringsgerechtigde een laag inkomen heeft en
                                de voor werkzaamheden beschikbare tijd niet zonder geldige reden
                                beperkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van geen uitzicht op een meer dan laag inkomen is in ieder geval
                                geen sprake als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een bijstandsgerechtigde in de referteperiode een maatregel op
                                grond van de artikelen 9 en 10 van de Verordening maatregelen en
                                handhaving WWB 2007 is opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>eén of beide belanghebbenden in (een deel van) de referteperiode een
                                opleiding heeft / hebben gevolgd als bedoeld in de WTOS dan wel een
                                studie heeft / hebben gevolgd als genoemd in de WSF.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor gehuwden 40% van de voor hen geldende bijstandsnorm als bedoeld
                                in artikel 21 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een alleenstaande ouder 50% van de voor hem geldende
                                bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor een alleenstaande 55% van de voor hem geldende bijstandsnorm
                                als bedoeld in artikel 21 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht
                                op langdurigheidstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13
                                eerste lid van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking
                                voor een langdurigheidstoeslag naar de bijstandsnorm die voor hem
                                als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan (aanvullende) beleidsregels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop het
                            wetsvoorstel decentralisering langdurigheidstoeslag (Kamerstukken II
                            2007/08.31441) in werking treeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening langdurigheidstoeslag
                            2009.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 januari 2009.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening> Toelichting Verordening langdurigheidstoeslag 2009</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Op 1 januari 2009 moet een wetsvoorstel in werking treden waarmee de
                    langdurigheidstoeslag wordt gedecentraliseerd naar de gemeenten. De
                    langdurigheidstoeslag vindt zijn grondslag in artikel 36 van de WWB, maar aan
                    artikel 8 wordt de bepaling toegevoegd dat gemeenten de precieze voorwaarden
                    voor een langdurigheidstoeslag moeten vastleggen in een verordening.</al><al>Artikel 36 WWB komt te luiden:</al><tussenkop>“Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een
                    persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag
                    inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft
                    en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering”.</tussenkop><al>In deze verordening is de gemeentelijke invulling gegeven aan de hoogte van de
                    langdurigheidstoeslag en de begrippen langdurig, laag inkomen en geen uitzicht
                    hebben op inkomensverbetering.</al><al>Door de brede formulering van artikel 36 kunnen ook werkenden, die aan de
                    voorwaarden voldoen, voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking komen. De
                    gemeente is bevoegd om de kring van rechthebbenden naar eigen inzicht te
                    beperken.</al><al>De financiële gevolgen van een blijvend recht op de langdurigheidstoeslag voor
                    werkenden zijn niet te voorzien. Hierom is gekozen voor een tussenvorm waarbij
                    na uitstroom uit de uitkering (veelal wegens werk) nog gedurende 36 maanden
                    recht op de langdurigheidstoeslag bestaat. Dit belemmert niet de participatie,
                    past in het gemeentelijk reïntegratiebeleid en voorkomt dat de dreigende
                    armoedeval bij het aanvaarden van werk uitstroombelemmerend werkt. </al><al>De hoogte van de toeslag is nu centraal bepaald. Het zijn vaste bedragen die bij
                    de invoering van de langdurigheidstoeslag in 2004 zijn gebaseerd op het verschil
                    tussen de norm voor een 65-plusser en een 65-minner. De gemeente kan nu zelf de
                    hoogte van de toeslag bepalen. Hierbij moet worden bedacht dat een te laag
                    bedrag geen recht doet aan het karakter van de langdurigheidstoeslag, namelijk
                    dat deze is bedoeld voor personen die financieel geen mogelijkheden hebben om te
                    reserveren voor onverwachte uitgaven. Een te hoog bedrag kan leiden tot het
                    voorkomen van uitstroom en bij wèl uitstroom het op termijn optreden van de
                    armoedeval. Hierom is gekozen voor (nagenoeg) handhaving van de bedragen, zoals
                    die in 2008 gelden. Zie verder onder artikel 4 van de artikelsgewijze
                    toelichting.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Artikel 1 onder e</al><al>Overeenkomstig het overige gemeentelijk minimabeleid is bij een inkomen tot 120%
                    van de van toepassing zijnde bijstandsnorm sprake van een laag inkomen.</al><al>Artikel 1 onder f</al><al>Artikel 1 onder o van de Wet Suwi heeft betrekking op de persoon die een
                    uitkering ontvangt op grond van de:</al><lijst><li nr="-"><al>Wet werk en bijstand (WWB)</al></li><li nr="-"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemer (IOAW)</al></li><li nr="-"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen (IOAZ)</al></li><li nr="-"><al>Werkloosheidswet (WW)</al></li><li nr="-"><al>Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
                            (WBIA)</al></li><li nr="-"><al>Ziektewet (ZW)</al></li><li nr="-"><al>Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)</al></li><li nr="-"><al>Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)</al></li><li nr="-"><al>Toeslagenwet (TW)</al></li><li nr="-"><al>Algemene nabestaandenwet (Anw)</al></li><li nr="-"><al>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)</al></li><li nr="-"><al>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).</al></li></lijst><al>Artikel 1 onder g</al><al>De ervaring leert en uit onderzoeken van het Nibud blijkt dat mensen die 3 jaar
                    of langer van een laag inkomen afhankelijk zijn over het algemeen geen
                    mogelijkheden meer hebben om te reserveren voor (onverwachte) hoge kosten, zoals
                    voor vervangingsuitgaven die na verloop van tijd onvermijdelijk zijn. Hierom is
                    gekozen voor een referteperiode van 36 maanden.</al><al>Artikel 2</al><al>In het tweede lid is de aanspraak op langdurigheidstoeslag beperkt tot (gewezen)
                    uitkeringsgerechtigden. Deze algemene formulering impliceert dat neveninkomsten
                    uit of in verband met arbeid ongeacht de hoogte daarvan niet van invloed zijn op
                    de aanspraak op langdurigheidstoeslag. Voorwaarde is alleen dat recht op
                    aanvullende uitkering blijft bestaan. Aangezien uitstroom uit de uitkering niet
                    alleen door werk, maar bijvoorbeeld ook door gezinshereniging kan worden
                    gerealiseerd, is gekozen voor de algemene formulering ‘uitstroom uit de
                    uitkering’.</al><al>In het derde lid is bepaald dat een gelimiteerd verblijf buiten Nederland
                    meetelt voor de referteperiode, ook als tijdelijk geen recht op uitkering
                    bestaat. Hierbij is aangesloten bij het gegeven dat bijstandsgerechtigden zonder
                    arbeidsverplichting per kalenderjaar maximaal 3 maanden met behoud van uitkering
                    buiten Nederland mogen verblijven. Wel is de restrictie gemaakt dat dit verblijf
                    buiten een toegestane periode van 4 weken met behoud van uitkering de
                    reïntegratie-activiteiten niet mag belemmeren.</al><al>Artikel 3</al><al>In het eerste lid onder a is het geen uitzicht hebben op een meer dan laag
                    inkomen gekoppeld aan de mate waarin een uitkeringsgerechtigde meewerkt aan
                    diens arbeidsinschakeling. Bij de beoordeling van een toekomstig uitzicht op een
                    meer dan laag inkomen kan de gemeente zich slechts baseren op het gedrag in het
                    verleden. </al><al>Het tweede lid onder b sluit studerenden expliciet uit van het recht op
                    langdurigheidstoeslag. In de Nota van toelichting bij het wetsontwerp geeft het
                    kabinet aan dat studenten niet geacht worden te behoren tot de doelgroep van de
                    langdurigheidstoeslag. De (begrijpelijke) overweging hierbij is dat van
                    studenten niet kan worden gezegd dat zij geen toekomstig uitzicht hebben op
                    inkomensverbetering.</al><al>Artikel 4</al><al>Dit artikel regelt de hoogte van de langdurigheidstoeslag. Uitgegaan is van een
                    percentage van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
                    Hierdoor kan het bedrag (half)jaarlijks automatisch worden aangepast aan de
                    wijziging van de normbedragen in de WWB.</al><al>Artikel 5</al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om als dat nodig is binnen de
                    kaders van deze verordening (aanvullende) beleidsregels vast te stellen.</al><al>Artikel 6</al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in onvoorziene gevallen naar
                    redelijkheid en billijkheid een besluit te nemen.</al><al>Artikel 7</al><al>De inwerkingtreding sluit aan bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In
                    het wetsvoorstel is het overgangsrecht geregeld. Aangezien de toeslag in 2009
                    hoger uitvalt dan in 2008 geldt als de peildatum vóór 1 januari 2009 ligt
                    artikel 36 van de wet oud en als de peildatum na 1 januari 2009 ligt gelden
                    artikel 36 nieuw en de bepalingen van deze verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>