<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR206022_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Barneveld Vandaag 14 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-28</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a monument:</al><al>1 zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor
                            de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al><al>2 terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als
                            bedoeld onder 1;</al><al>b gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in onderdeel a,
                            onder 2;</al><al>c beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument, dat
                            overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                            gemeentelijk monument is aangewezen. Hieronder worden ook begrepen de
                            roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van of behoren tot het
                            onroerende monument en die genoemd worden in de beschrijving als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid;</al><al>d gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                            overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                            aangewezen zaken;</al><al>e beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1,
                            eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>f kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                            kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke
                            instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt
                            voor de uitoefening van de eredienst. Hieronder worden ook begrepen de
                            roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van, of behoren tot het
                            onroerende monument en die genoemd worden in de beschrijving als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid;</al><al>g Monumentencommissie: de door het college van burgemeester en
                            wethouders ingestelde commissie of aangewezen instantie, met als taak
                            burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren
                            over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Monumentenverordening
                            en over andere zaken betreffende de monumentenzorg;</al><al>h bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                            onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van
                            een monument.</al><al>i beschermd stads- en dorpsgezicht: een groep van onroerende zaken die
                            van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn onderlinge
                            ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke
                            en/of cultuurhistorische waarde, waarin zich één of meer monumenten
                            bevinden en welke groep geplaatst is op de gemeentelijke lijst van
                            beschermde stads- en dorpsgezichten;</al><al>j beschermd archeologisch gevoelig gebied: een gebied dat van algemeen
                            belang is voor de gemeente vanwege de aangetoonde of waarschijnlijke
                            aanwezigheid van archeologische monumenten en dat is vermeld op de
                            gemeentelijke lijst van archeologisch gevoelige gebieden;</al><al>k eigenaren: degenen die in de openbare registers als eigenaren zijn
                            ingeschreven;</al><al>l beeldbepalend pand: pand, geen monument zijnde, dat van algemeen
                            belang is voor de gemeente: * als beeldondersteunend of beeldbepalend
                            element in een bepaald gebied; * als kenmerkende uitdrukking van een
                            bepaalde bouwwijze, c.q. verkaveling; * als kenmerkend overblijfsel van
                            de historische ontwikkeling; en als zodanig overeenkomstig de bepalingen
                            van deze verordening als beeldbepalend pand is aangewezen;</al><al>m gemeentelijke lijst van beeldbepalende panden: de lijst waarop zijn
                            geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beeldbepalend pand
                            aangewezen zaken;</al><al>n. bevoegd gezag: het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>o. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                            eerste lid, of artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht;</al><al>p. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 De Monumentencommissie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Taak Monumentencommissie</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders stellen een Monumentencommissie in met als
                            taak op verzoek of uit eigen beweging het college van burgemeester en
                            wethouders te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                            uitvoering van deze verordening en over andere zaken betreffende de
                            monumentenzorg.</al><al>2. Het college van burgemeester en wethouders benoemt de leden van de
                            Monumentencommissie voor een periode van vier jaar. Aftredende leden
                            zijn opnieuw benoembaar voor ten hoogste nogmaals een termijn van vier
                            jaar.</al><al>3. De werkwijze en samenstelling van de Monumentencommissie worden door
                            burgemeester en wethouders bij reglement nader geregeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Termijn van advisering</titel></kop><al>1. De Monumentencommissie brengt binnen 16 weken nadat door burgemeester
                            en wethouders een verzoek om advies is ingediend een advies uit.</al><al>2. Mocht na 16 weken nog geen advies zijn ontvangen door burgemeester en
                            wethouders dan wordt de Monumentencommissie geacht geadviseerd te
                            hebben.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument en de
                            registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                                monument</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen een onroerend monument aanwijzen
                            als beschermd gemeentelijk monument.</al><al>2. Beschermwaardig zijn objecten:</al><al>a. waarvan de oorspronkelijke vorm of aanleg in hoofdopzet nog aanwezig
                            is, tenzij het een historisch gegroeide situatie betreft;</al><al>b. met een architectonische betekenis/kunstwaarden en of oudheidkundige
                            waarde en of een stedenbouwkundige/ensemble waarde.</al><al>3. Van een object wordt een beschrijving gemaakt welke in ieder geval de
                            volgende elementen bevat:</al><al>a. een recente, duidelijke foto van het object; b. plaats en straat,
                            kadastrale aanduiding; c. oorspronkelijk en huidige functie; d. bouwjaar
                            en bouwstijl; e. omschrijving van het geheel en van de afzonderlijke
                            onderdelen zoals gevels, vensters, deuren en dak; f. situering op het
                            perceel; g. omgeving van het object; h. bijzonderheden; i. motivatie
                            aanwijzing; j. indeling of inrichting object. k. bouwtechnische
                            omschrijving</al><al>4. Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                            nemen, vragen zij advies aan de Monumentencommissie. In spoedeisende
                            gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al><al>5. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing van
                            een onroerend monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat
                            bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al><al>6. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond
                            van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al><al>7. Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na afloop
                            van de termijn voor het indienen van een zienswijze. Zij kunnen hun
                            beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen.</al><al>8. De aanwijzing wordt meegedeeld aan degenen die als zakelijk
                            gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.</al><al>9. Burgemeester en wethouders nemen met betrekking tot kerkelijke
                            monumenten geen beslissing tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                            monument dan na overleg met de eigenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Voorbescherming</titel></kop><al>1. Met het oog op wijzigingen op of aan een monument dat nog niet
                            geplaatst is op de gemeentelijke monumentenlijst, danwel om aantasting
                            van een dergelijk monument te voorkomen, zijn de artikelen 10, 11, 12,
                            13 en 14 van deze verordening van overeenkomstige toepassing vanaf het
                            moment van verzending van de mededeling met betrekking tot het voornemen
                            tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument aan de eigenaar.</al><al>2. Indien burgemeester en wethouders binnen een jaar nadat het voornemen
                            is kenbaar gemaakt geen beslissing omtrent aanwijzing tot beschermd
                            gemeentelijk monument hebben genomen zijn de in het eerste lid genoemde
                            artikelen niet meer van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders registreren het beschermde gemeentelijke
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                            datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en
                            een beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument, waarbij zo
                            nodig die onderdelen worden genoemd waarop de bescherming met name is
                            gericht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op schriftelijke
                            aanvraag van een belanghebbende in de gemeentelijke monumentenlijst
                            wijzigingen aanbrengen.</al><al>2. Artikel 5 vierde, vijfde en negende lid, alsmede artikel 7 zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al><al>3. Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                            van ondergeschikte betekenis is, blijft het in het tweede lid gestelde
                            achterwege.</al><al>4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                            monumentenlijst aangetekend en bekend gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken.</al><al>2. Alvorens burgemeester en wethouders besluiten tot het intrekken van
                            de aanwijzing tot gemeentelijk monument worden belanghebbenden gehoord
                            en de Monumentencommissie om advies gevraagd. Burgemeester en wethouders
                            geven van het besluit tot intrekking van de aanwijzing tot gemeentelijk
                            monument zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan de eigenaren en
                            zenden een afschrift van de kennisgeving aan de
                            Monumentencommissie.</al><al>3. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                            wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of het beschermd
                            gemeentelijk monument wordt aangewezen als op basis van de
                            monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al><al>4. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            aangetekend.</al><al>5. De eigenaar is verplicht op verzoek mee te werken aan de documentatie
                            van het monument.</al><al>Hoofdstuk 4 Vergunningen tot wijziging of afbraak van beschermde
                            gemeentelijke monumenten</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verbodsbepaling</titel></kop><al>1. Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of
                            te vernielen.</al><al>2. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of
                            in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: a een
                            beschermd gemeentelijk monument geheel of gedeeltelijke af te breken, te
                            verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b een
                            beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten
                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                            gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 De aanvraag</titel></kop><al>1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.2 Besluit
                            omgeving voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 wordt ingediend
                            bij burgemeester en wethouders.</al><al>2. Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van
                            de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren.
                            Daarbij moeten de door hen verlangde gegevens worden overgelegd.</al><al>3. Daarbij moeten de volgende bescheiden in drievoud worden
                            overgelegd:</al><al>a. tekeningen (schaal 1:100) van de plattegronden van iedere verdieping
                            van het bouwwerk, lengte en dwarsdoorsneden, gevelaanzichten,
                            principedetails (bestaand en nieuw) die verband houden met het uiterlijk
                            van het bouwwerk;</al><al>b. een situatietekening (schaal 1:1000) waaruit blijkt de situering van
                            het bouwwerk op het betreffende terrein en de daarop voorkomende
                            bebouwing, de wijze van ontsluiting, de aangrenzende terreinen met de
                            daarop voorkomende bebouwing en het beoogde gebruik van het bij het
                            bouwwerk behorende terrein;</al><al>c. tekeningen of foto ’s van de omgeving inclusief de in de nabijheid
                            gelegen bouwwerken voor zover nodig ter beoordeling van het uiterlijk
                            van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al>d. een werkbeschrijving of bestek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 De behandeling van de aanvraag</titel></kop><al>1. Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, maken burgemeester
                            en wethouders de aanvraag op de gebruikelijke wijze bekend.</al><al>2. Burgemeester en wethouders vragen, indien de aanvraag in behandeling
                            wordt genomen zo spoedig mogelijk advies aan de
                            Monumentencommissie.</al><al>3. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van
                            de aanvraag bepalen dat bouwhistorisch onderzoek moet worden uitgevoerd
                            door de aanvrager.</al><al>4. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag binnen 16 weken
                            na ontvangst van de aanvraag.</al><al>5. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning als bedoeld in
                            artikel 10 slechts voorwaarden verbinden die strekken tot de bescherming
                            van het belang met het oog waarop de vergunning wordt geëist.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12a Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Kerkelijk monument</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders geven met betrekking tot een beschermd
                            kerkelijk monument geen vergunning ingevolge de bepalingen van artikel
                            10, tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor
                            zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>1. De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken
                            indien: a blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                            onvolledige opgave is verleend; b blijkt dat de vergunninghouder de
                            voorschriften als bedoeld in artikel 10, tweede lid, niet naleeft; c de
                            omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben
                            gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; d
                            niet binnen 2 jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.</al><al>2. Burgemeester en wethouders stellen de vergunninghouder van het
                            voornemen tot intrekking van de vergunning in kennis en stellen hem/haar
                            in de gelegenheid te worden gehoord. Het besluit tot intrekking ter
                            kennisneming in afschrift gezonden aan de Monumentencommissie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Beeldbepalende panden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14a Aanwijzing tot beeldbepalend pand</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een onroerende zaak aan
                            te wijzen als beeldbepalend pand. Een besluit tot aanwijzing als
                            beeldbepalend pand dient gebaseerd te zijn op een redengevende
                            beschrijving.</al><al>2. De in lid 1 bedoelde beschrijving richt zich op: a. de bouwmassa,
                            naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; b. de dakvorm,
                            nokrichting en dakhelling; c. de gevelindeling door onder andere
                            vensters, deuren en erkers; d. de dakoverstekken, goot- en daklijsten;
                            e. de stoepen, plinten, pilasters, gevellijsten en ornamenten.</al><al>3. Het interieur wordt niet betrokken bij de beschrijving van
                            beeldbepalende panden.</al><al>Artikel 14b Overeenkomstige toepassing</al><al>1. Artikel 5, lid 4 en de artikelen 6 t/m 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op beeldbepalende panden.</al><al>2. Specifieke bepalingen met betrekking tot beeldbepalende panden zijn
                            opgenomen in artikel 14c.</al><al>Artikel 14c Beslissing op de aanvraag</al><al>1. Een vergunning als bedoeld in artikel 10 wordt geweigerd, indien door
                            de uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden, dan wel door de te
                            verwachten directe of indirecte gevolgen, blijvend onevenredig afbreuk
                            wordt gedaan aan het uitwendige karakter van het bouwwerk en hieraan
                            door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden
                            gekomen.</al><al>2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen burgemeester en
                            wethouders de vergunning als bedoeld in artikel 10 verlenen, indien de
                            instandhouding van het pand in redelijkheid niet kan worden
                            gevergd.</al><al>3. Het interieur wordt niet betrokken bij de beoordeling van bouwplannen
                            voor beeldbepalende panden.</al><al>Hoofdstuk 6 De bescherming van gemeentelijke stads- en
                            dorpsgezichten</al><al>Artikel 15 Aanwijzing</al><al>1. De gemeenteraad kan een deel of delen van de gemeente aanwijzen als
                            beschermd stads- of dorpsgezicht.</al><al>2. Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                            de gemeenteraad aan het college een verzoek tot advies in te dienen bij
                            de Monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit
                            advies achterwege blijven.</al><al>3. De aanwijzing kan geen gebied betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al><al>4. Burgemeester en wethouders registreren de beschermde gezichten op de
                            gemeentelijke lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten.</al><al>5. De gemeentelijke lijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van
                            aanwijzing, de op een kaart aangegeven gebiedsbegrenzing en een
                            beschrijving van het gebied met de daarin begrepen cultuurhistorische
                            waarden.</al><al>6. Burgemeester en wethouders maken het besluit tot aanwijzing tot
                            beschermd stads- en dorpsgezicht binnen 4 weken na de datum van het
                            besluit bekend.</al><al>Artikel 16 Beschermend bestemmingsplan</al><al>1. Ter bescherming van een op de lijst geplaatst stads- of dorpsgezicht
                            stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                            ruimtelijke ordening.</al><al>2. Bij het besluit tot aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht
                            bepaalt de gemeenteraad in hoeverre een geldend bestemmingsplan als
                            beschermend plan in de zin van het eerste lid kan worden
                            aangemerkt.</al><al>3. Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermd stads-
                            of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in dit artikel van
                            kracht is, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op
                            te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder
                            schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders.</al><al>4. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de artikelen
                            11, 12, 13 en 14 van deze verordening van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al>Artikel 17 Verbodsbepaling</al><al>1. Het is verboden bouwwerken die zijn gelegen in een beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen.</al><al>2. In beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten is het verboden
                            een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking
                            van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders.</al><al>3. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de artikelen
                            11, 12, 13 en 14 van overeenkomstige toepassing.</al><al>4. Geen vergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een
                            aanschrijving van burgemeester en wethouders;</al><al>5. De vergunning kan, ingeval van gehele of gedeeltelijke afbraak als
                            bedoeld in het tweede lid in ieder geval worden geweigerd wanneer de
                            totstandkoming van nieuwbouw binnen de karakteristiek van het beschermde
                            gebied onvoldoende is verzekerd.</al><al>Artikel 18 Afvoeren</al><al>Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten die overeenkomstig het bepaalde
                            in artikel 35 van de Monumentenwet 1988 worden aangewezen, worden
                            daardoor van de gemeentelijke lijst van beschermde stads- en
                            dorpsgezichten afgevoerd met ingang van de datum waarop het besluit tot
                            aanwijzing op de rijkslijst onherroepelijk is geworden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 De bescherming van archeologisch gevoelige gebieden en
                            archeologische monumenten.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 Aanwijzing</titel></kop><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen een deel of delen van de gemeente
                            aanwijzen als archeologisch gevoelig gebied.</al><al>2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, wordt
                            advies gevraagd aan de Monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan
                            het vragen van dit advies achterwege blijven.</al><al>3. Burgemeester en wethouders registreren de archeologisch gevoelige
                            gebieden op de lijst van beschermde archeologisch gevoelige
                            gebieden.</al><al>4. De gemeentelijke lijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van
                            aanwijzing, de op een kaart aangegeven gebiedsbegrenzing en een
                            beschrijving van het gebied met de daarin begrepen cultuurhistorische
                            en/of archeologische waarden.</al><al>5. Burgemeester en wethouders maken het besluit tot aanwijzing tot
                            beschermd archeologisch gevoelig gebieden binnen 4 weken na de datum van
                            het besluit bekend.</al><al>6. De aanwijzing kan geen gebied betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Verbodsbepaling</titel></kop><al>1. Het is verboden ter plaatse van een archeologisch monument of een
                            archeologisch gevoelig gebied vanwege de aangetoonde of waarschijnlijke
                            aanwezigheid van archeologische monumenten door ingrepen de grond
                            zodanig te veranderen, dat het grondwaterpeil verandert, dan wel
                            graafwerk te verrichten op een diepte van meer dan 0,40 meter onder het
                            ter plaatse geldende maaiveld.</al><al>2. Nadat advies is ingewonnen bij de tot opgraven bevoegde instantie,
                            kunnen burgemeester en wethouders vergunning verlenen voor
                            graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter mits het archeologisch
                            gevoelige gebied voldoende is beschermd door:</al><al>a. de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders aan
                            te wijzen personen op het terrein;</al><al>b. de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om graafwerk en/of
                            documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten.</al><al>3. Op de behandeling van aanvragen om vergunning als bedoeld in het
                            tweede lid is het bepaalde in de artikelen 12, 13 en 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al>1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de
                            Monumentencommissie.</al><al>2. De Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen
                            acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 9 Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 Schadevergoeding</titel></kop><al>1. Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                            van:</al><al>a. de weigering van burgemeester en wethouders wijziging aan te brengen
                            in de gemeentelijke monumentenlijst; b. de weigering van burgemeester en
                            wethouders een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van een
                            gemeentelijk monument te verlenen als bedoeld in artikel 10, tweede lid,
                            van deze verordening; c. voorschriften door burgemeester en wethouders
                            verbonden aan een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van
                            een gemeentelijk monument; schade lijdt of zal lijden, die
                            redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven,
                            kent de gemeenteraad hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te
                            bepalen schadevergoeding toe.</al><al>2. Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                            verordening procedure voor advisering tegemoetkoming in planschade 2009
                            van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 10 Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 10, 17 of 20 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel 23 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en
                            wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
                            belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn
                            vermeld.</al><al>Artikel 25 Binnentreden</al><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist,
                            wordt hierbij de machtiging verstrekt al dan niet besloten ruimten en
                            plaatsen, met uitzondering van woningen, desnoods tegen de wil van de
                            rechthebbende, bewoner of gebruiker, te betreden, aan hen die en voor
                            zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de
                            naleving van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                            gemeentelijke monumenten treedt zij onder toepassing van artikel 25 van
                            de Tijdelijke referendumwet in werking op 1 januari 2004.</al><al>2. De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad
                            van 23 april 1991, nr 91-89, voor zover het betreft bepalingen over
                            gemeentelijke monumenten, wordt ingetrokken op 1 januari 2004.</al><al>3. Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                            rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al><al>4. De Verordening tot regeling van de bevoegdheden en samenstelling van
                            de vaste commissie van advies en bijstand inzake de monumentenzorg,
                            vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 9 maart 1982, nr 82-76,
                            wordt ingetrokken op 1 januari 2004.</al><al>5. De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad
                            van 23 april 1991, nr 91-89, voor zover het betreft bepalingen over
                            beschermde rijksmonumenten, wordt ingetrokken op de datum waarop het
                            derde lid toepassing vindt.</al><al>6. De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening
                            geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten worden geacht
                            aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                            verordening.</al><al>7. De beschermde gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de
                            monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde ingetrokken
                            verordening, worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                            bepalingen van deze verordening.</al><al>8. Lopende procedures die beogen dat monumenten en/of stads- en
                            dorpsgezichten worden geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst of
                            de gemeentelijke lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten worden
                            geacht te zijn gevoerd overeenkomstig de bepalingen van deze
                            verordening.</al><al>9. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                            van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de
                            bepalingen van deze verordening, tenzij de verzoeker door de bepalingen
                            van deze verordening ten opzichte van de Monumentenverordening van de
                            gemeente Barneveld nadeel ondervindt. In dat geval blijft de die
                            verordening op het betreffende verzoek van toepassing totdat de
                            beslissing daarop onherroepelijk is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            2003”</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2003,
                            gewijzigd in de openbare raadsvergaderingen van 26 mei 2009, 29 juni
                            2010, 20 december 2011 en 28 februari 2012.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><onderstreept>Toelichting op de Monumentenverordening 2003</onderstreept></al><al><onderstreept>A. algemeen</onderstreept></al><al>Het opstellen van de verordening is een bevoegdheid van de gemeenteraad die haar
                    grondslag vindt in de Monumentenwet 1988 (hierna te noemen Monumentenwet) en in
                    de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet. De verordening is op onderdelen
                    afgestemd op de Monumentenwet. De voorbereiding van besluiten, de
                    ontvankelijkheid van aanvragen, beslissingstermijnen en de mogelijkheden om
                    bezwaar in te dienen, is in beginsel geregeld in de Algemene wet bestuursrecht,
                    tenzij de verordening daarin expliciet voorziet.</al><al><onderstreept>B. Artikelgewijze toelichting</onderstreept></al><al>Artikel 1</al><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘monument’ is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    ‘zaak’ is immers een veel ruimer begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Roerende goederen kunnen doorgaans gemakkelijk van de ene naar de andere plaats
                    worden verplaatst, waardoor bescherming als gemeentelijk monument moeilijk
                    handhaafbaar is. Daarom is er in deze verordening niet voor gekozen roerende
                    monumenten zelfstandig te beschermen, maar de bescherming van roerende zaken in
                    samenhang te zien met een onroerend monument. Als er in een onroerend monument
                    te beschermen roerende zaken aanwezig zijn, dan worden deze alszodanig vermeld
                    in de redengevende beschrijving van het onroerende monument en op deze wijze
                    beschermd.</al><al>Sub b</al><al>De term ‘gemeentelijk archeologisch monument’ wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk beschermd archeologisch monument
                    bij een vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig
                    opzicht wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van
                    burgemeester en wethouders. Als er echter sprake is van een beschermd
                    archeologisch rijksmonument beslist de minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen
                    is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een ‘normaal’ en een
                    (gemeentelijk) ‘archeologisch’ monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikelen 42 tot en
                    met 49) de eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze
                    regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij toeval
                    op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er
                    wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><al/><al>Sub e en f</al><al>Het derde en zesde lid spreken van onroerende monumenten. Roerende monumenten
                    worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al>Sub d</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Overigens heeft het plaatsen op de
                    monumentenlijst geen rechtsgevolg. Dit betreft slechts een administratieve
                    handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot
                    beschermd gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt.</al><al>Sub e</al><al>Voor de begripsbepaling van een ‘beschermd monument’ is aangesloten bij de
                    begripsbepaling uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die
                    is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op
                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing.</al><al>Sub f</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig. Is er sprake van een
                    monumentenvergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke
                    monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig
                    zijn. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                    godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een
                    pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                    verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan ook niet. Zij vallen
                    onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden. Wordt een kerkelijk
                    monument ook gebruikt voor andere doeleinden dan wordt als aanpassingen nodig
                    zijn met het oog op dat andere gebruik daarmee geen rekening gehouden, althans
                    de instandhouding van het monument prevaleert dan.</al><al>Sub g</al><al>De taken van de Monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de commissie bevoegd te
                    verklaren over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan
                    burgemeester en wethouders, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15,
                    lid 1, van de Monumentenwet 1988. Een essentiële taak van de commissie is het
                    adviseren over aanvragen om een monumentenvergunning. Van belang is op te merken
                    dat alleen een advies nodig is voorzover het een monument betreft waaraan men
                    werkzaamheden wil uitvoeren zoals bijvoorbeeld een verbouwing. Natuurlijk is het
                    van belang om wanneer in de directe omgeving bebouwing wordt voorgestaan alert
                    te zijn op effecten van de nieuwe bebouwing op het monument. De reikwijdte van
                    de bescherming van een monument is vastgelegd in de redengevende beschrijving.
                    In het geval waarbij niet voor het monument zelf een vergunning wordt
                    aangevraagd ligt het primaat ten aanzien van de passendheid van het te
                    realiseren gebouw/bouwwerk in de omgeving van een monument bij de
                    welstandscommissie. Daarnaast wordt deze commissie betrokken bij de advisering
                    van diverse ontwerpopgaven in de gemeente op het gebied van stedenbouw, civiele
                    werken, groen– en landschap voorzover daarbij monumenten betrokken zijn.</al><al>De Monumentencommissie adviseert over het plaatsen en afvoeren van panden op de
                    monumentenlijst op basis van selectiecriteria. Verder heeft deze commissie een
                    belangrijke adviserende taak waar het gaat om het gemeentelijk cultuurhistorisch
                    beleid. De Monumentencommissie is een voortzetting van de Cultuurhistorische
                    adviescommissie zoals deze onder de vorige monumentenverordening
                    functioneerde.</al><al>De werkwijzen en samenstelling van de commissie worden in een reglement nader
                    geregeld, zie artikel 3 lid 4 van de verordening.</al><al>Sub j</al><al>Het begrip “gevoelig gebied” is in deze verordening beperkt tot archeologisch
                    gevoelige gebieden. Dit is gedaan teneinde een duidelijk onderscheid aan te
                    brengen tussen “beschermde stads- en dorpsgezichten” en “gevoelige
                    gebieden”.</al><al>Sub n.</al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is.</al><al>Artikel 2</al><al>Uit de constante jurisprudentie met betrekking tot de Monumentenwet blijkt dat
                    bij de toepassing van de wet rekening moet worden gehouden met het feitelijke
                    gebruik van het monument. Dit artikel vormt de basis voor een goede motivering
                    van besluiten tot aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening. Het
                    gebruik van het monument betreft niet zozeer de planologische bestemming van het
                    monument, maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar daaraan toekent.</al><al>Artikel 3</al><al>Met het instellen van de Monumentencommissie, die burgemeester en wethouders
                    adviseert over monumenten- aangelegenheden, wordt voldaan aan het vereiste van
                    artikel 15 van de Monumentenwet, dat stelt: “de gemeenteraad stelt een
                    verordening vast waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van een
                    commissie op het gebied van de monumentenzorg, die burgemeester en wethouders
                    adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11”.</al><al>Artikel 4</al><al>De termijn voor advisering door Monumentencommissie bedraagt 16 weken.</al><al>Artikel 5</al><al>Lid 1</al><al>Burgemeester en wethouders hebben een discretionaire bevoegdheid besluiten te
                    nemen tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Het college kan dus in
                    alle vrijheid beslissen, mits alle belangen zorgvuldig zijn afgewogen. Dat kan
                    inhouden, dat burgemeester en wethouders, alle belangen afwegende, besluiten een
                    potentieel monument niet op de monumentenlijst te plaatsen.</al><al>De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te
                    beschermen monumentale waarde moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar
                    voren komen.</al><al>Het is niet altijd even duidelijk wie belanghebbende is in de zin van de
                    Monumentenwet. Ditzelfde geldt waar het gaat op de toepassing van de
                    Monumentenverordening. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden als
                    belanghebbende bij een besluit aangewezen degenen die een eigen, rechtstreeks
                    bij het te nemen besluit betrokken belang hebben. Tot voor kort bepaalden de
                    aard en het karakter van het besluit de omvang van de kring van belanghebbenden.
                    Door recente rechterlijke uitspraken is de groep belanghebbenden aanzienlijk
                    beperkt. In bedoelde uitspraken is bepaald dat de belangen van huurders, krakers
                    of omwonenden niet behoren tot de belangen die de Monumentenwet beoogt te
                    beschermen.</al><al>Waardevermindering en onverkoopbaarheid zijn zaken die al gauw naar voren worden
                    gebracht in het kader van bezwaren tegen plaatsing op de gemeentelijke
                    monumentenlijst en zouden aanleiding kunnen zijn voor schadeclaims. De
                    jurisprudentie geeft echter aan dat het aan de betrokkene is om de schade aan te
                    tonen. Tot op heden is dat voor zover bekend bij de Rijksdienst voor
                    Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten nog in geen geval gebeurd. Van een
                    directe relatie tussen het plaatsingsbesluit en het ontstaan van schade is geen
                    sprake. Wel zou op een later moment in het kader van een herziening van het ter
                    plaatse geldende bestemmingsplan sprake kunnen zijn van planschade op het moment
                    dat het bestreffende pand meer conserverend wordt bestemd. Overigens voorziet de
                    huidige monumentenverordening al in een regeling voor het geval blijkt dat er
                    schade ontstaat als gevolg van:</al><al>- de weigering van een wijziging in de monumentenlijst aan te brengen;</al><al>- de weigering van een monumentenvergunning;</al><al>- voorschriften die verbonden zijn aan een monumentenvergunning</al><al>Op deze regeling is tot op heden geen beroep gedaan.</al><al>Lid 2</al><al>De selectiecriteria vormen een hulpmiddel bij de afweging om een zaak of terrein
                    al dan niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. In de regel zullen daarbij
                    verschillende criteria tegelijkertijd van toepassing zijn. Alle criteria zijn
                    daarbij gelijk van waarde en kunnen in combinatie met andere criteria een
                    aanvullende of compenserende rol vervullen. Het is niet zo dat alle criteria
                    gelijktijdig van toepassing moeten zijn om een zaak of terrein aan te wijzen als
                    gemeentelijk monument. Bij enkele grote monumenten zal dat het geval zijn, maar
                    dat hoeft niet. In uitzonderlijke gevallen kunnen zaken of terreinen zelfs op
                    basis van één criterium aangewezen worden als gemeentelijk monument
                    (bijvoorbeeld zaken of terreinen die van grote architectonische waarde zijn
                    omdat ze zijn ontworpen door een belangrijke architect).</al><al>De waardering van een zaak of terrein op basis van bovenstaande criteria is
                    terug te vinden in de opgestelde monumentenbeschrijving en in het advies van de
                    Monumentencommissie. De beschrijving en het advies liggen mede ten grondslag aan
                    de besluitvorming door het college om een zaak of terrein wel of niet aan te
                    wijzen als gemeentelijk monument. Daarnaast zal het college ook andere belangen
                    in haar afweging betrekken om tot een evenwichtig besluit te komen.</al><al>Onder restaureren kan worden verstaan het treffen van voorzieningen tot
                    opheffing van (bouwtechnische) gebreken, die het normale onderhoud te boven
                    gaan, noodzakelijk voor de instandhouding van de cultuurhistorische waarde van
                    het monument. Per geval zal moeten worden beoordeeld of sprake is van
                    restauratie of dat eerder gesproken moet worden van gehele vernieuwing.</al><al>Lid 3</al><al>De “redengevende beschrijving” is een beschrijving van het monument, waarin
                    zonodig die onderdelen zijn genoemd waarop de bescherming betrekking heeft.</al><al>Het gehele pand, inclusief het interieur, is door de plaatsing op de
                    monumentenlijst onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die
                    zich op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting, bomen etc., moeten expliciet in de redengevende beschrijving
                    staan, willen zij onder de werking van de verordening vallen.</al><al>Het is niet mogelijk om uitsluitend een onderdeel dat niet zelfstandig kan
                    bestaan, zoals een voorgevel, te beschermen. Wel kan worden aangegeven, dat het
                    belang van het pand voornamelijk in de voorgevel schuilt.</al><al>Als “het pand van belang is vanwege de voorgevel” is voor iedere wijziging van
                    het pand een monumentenvergunning nodig. De vergunningaanvraag zal dan vooral
                    worden beoordeeld op de gevolgen die de (bouwkundige) ingreep kan hebben op het
                    behoud van de monumentale voorgevel.</al><al>Ook is het mogelijk om onderdelen van een pand van de bescherming uit te
                    zonderen, bijvoorbeeld door de formulering “de bescherming betreft alleen het
                    voorhuis” of “het achterhuis valt niet onder de bescherming”.</al><al>Om de onderlinge vergelijkbaarheid bij de beoordeling van de plaatsbaarheid van
                    een object goed te kunnen beoordelen is een opsomming opgenomen van zaken die in
                    elk geval in de beschrijving aan de orde moeten komen.</al><al>Lid 3 sub l</al><al>De bouwtechnische omschrijving gaat in op de:</al><al>- hoofdvorm, plattegrond en dak;</al><al>- fundering;</al><al>- gevels;</al><al>- dragende binnenwanden;</al><al>- vloeren;</al><al>- dakconstructie;</al><al>- bijgebouwen.</al><al>Eerder stond in de verordening dat objecten beschermwaardig zijn als (onder
                    andere) het casco in een redelijk goede staat verkeert. De gebruikte term
                    ‘redelijk goed’ was niet duidelijk. Bovendien zegt deze conditie niet per
                    definitie dat restaureren zonder volledige afbraak (on)mogelijk is. Verder
                    worden er aan verschillende typen gebouwen verschillende eisen gesteld. Zo zijn
                    de eisen voor een woning niet vergelijkbaar met de eisen die voor een
                    schaapskooi gelden.</al><al>Uit de bouwtechnische omschrijving moet blijken dat het object is te restaureren
                    zonder volledige afbraak. De bouwkundige staat is overigens niet doorslaggevend
                    voor de beschermingsvraag.</al><al>Lid 4</al><al>De advisering door de Monumentencommissie is van groot belang bij de vraag of
                    een monument al dan niet op de monumentenlijst moet worden geplaatst. De
                    beslissing ligt echter bij het college van burgemeester en wethouders, dat ook
                    andere belangen (planologische - en/of economische belangen, huidige gebruik)
                    dan die van het instandhouden van de cultuurhistorische waarden van het monument
                    meeweegt. Burgemeester en wethouders moeten een beslissing die afwijkt van het
                    advies van de Monumentencommissie met redenen omkleden.</al><al>Lid 5</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over
                    bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch
                    onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een
                    tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek
                    kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                    invloed zijn op de beslissing van burgemeester en wethouders om het pand al dan
                    niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het
                    pand in de registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van
                    burgemeester en wethouders. Daarom is in artikel 12 lid 3 opgenomen dat ook in
                    het kader van de beoordeling van een aanvraag om vergunning een dergelijk
                    onderzoek gevraagd kan worden.</al><al>Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens
                    belang de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument of de
                    vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan niet een
                    woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een gebouw als
                    gemeente binnen te kunnen treden.</al><al><onderstreept>Aanwijzing tot beschermd monument</onderstreept></al><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is in veel
                    gevallen niet afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een
                    belangenvereniging voor monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die
                    gevallen dat een ander dan de eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing
                    indient, dan wel de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de
                    gemeente de eigenaar moeilijk verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te
                    voeren. Indien de eigenaar of gebruiker een aanvraag voor vergunning tot
                    wijziging van het gebouw indient, kan de gemeente hieraan de voorwaarde
                    verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. In dat geval zullen (een
                    deel van) de kosten van het bouwhistorisch onderzoek ten laste van de eigenaar
                    kunnen worden gebracht, gezien het belang dat deze bij de vergunningverlening
                    heeft (zie verder bij ‘Vergunning tot wijziging van een beschermd
                    monument’).</al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld.</al><al>De situatie is anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen
                    betreft. In de verordening is in artikel 25 opgenomen dat door het bevoegd gezag
                    aangewezen personen in het kader van het toezicht op de naleving van de
                    verordening ruimten binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van
                    bouwhistorisch onderzoek op grond van de verordening.</al><al><onderstreept>Vergunning tot wijziging van een beschermd
                    monument</onderstreept></al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een beschermd monument bepalen (artikel 12 lid 3) dat informatie
                    over de bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk
                    om het vragen van bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De
                    voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een
                    beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende
                    houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van
                    belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                    onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de
                    aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De gemeente
                    kan de aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele pand
                    bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als slechts voor een deel van het pand
                    een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij het
                    stellen van voorwaarden rekening houden met de kosten die met het bouwhistorisch
                    onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten in redelijke verhouding tot de kosten
                    van de verbouwing staan. Er zijn binnen het bouwhistorisch onderzoek
                    verschillende gradaties aan te geven (mate van gedetailleerdheid). Zie voor de
                    benodigde tijd van het onderzoek C1-1.6.3 (Bijlagen). De VNG adviseert om in het
                    aanvraagformulier op te nemen dat bouwhistorisch onderzoek mogelijk nodig is om
                    tot een beoordeling op de aanvraag te komen. Op deze manier is de aanvrager op
                    het moment van aanvragen op de hoogte van wat er van hem wordt verlangd. In de
                    toelichting op het aanvraagformulier kan de gemeente aangeven dat het
                    bouwhistorisch onderzoek door ter zake deskundigen moet worden uitgevoerd. De
                    gemeente kan hierbij aangeven welke personen of instanties in haar ogen
                    voldoende gekwalificeerd zijn. Als de gemeente besluit om het bouwhistorisch
                    onderzoek te subsidiëren kunnen meer verplichtend kwalitatieve eisen aan het
                    onderzoek of onderzoekers worden gesteld.</al><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zullen burgemeester en wethouders de aanvraag, na herhaald
                    verzoek de verlangde gegevens te leveren, niet ontvankelijk verklaren.</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><al>Lid 6</al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al>Lid 8</al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling van het college is voor
                    alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                    belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te
                    herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de
                    Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                    voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                    bedoeld in artikel 5 van deze verordening. Dit artikel regelt overigens niet
                    specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager,
                    omdat de Algemene wet bestuursrecht dat al bepaalt (afdeling 3.6).</al><al>Artikel 6</al><al>Als een eigenaar of een andere belanghebbende vóór de plaatsing op de
                    gemeentelijke monumentenlijst op de hoogte is van een gemeentelijk voornemen
                    daartoe, kan dat in een enkel geval betekenen dat een monument op legale wijze
                    zozeer wordt aangetast, dat de voorgenomen plaatsing haar zin verliest. Dat
                    gevaar kan worden ondervangen door het opleggen van “voorbescherming”.
                    Voorbescherming wil zeggen, dat in de periode tussen de kennisgeving van het
                    voornemen en de bekendmaking van het daadwerkelijke plaatsingsbesluit (of
                    wanneer vaststaat dat het object niet wordt geplaatst), voor het object de
                    verplichtingen gelden “al ware het al een monument”. Zo zal in een dergelijk
                    geval voor wijzigingen aan een monument een monumentenvergunning moeten worden
                    aangevraagd.</al><al>Artikel 7</al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                    tuininrichting en bomen, moeten expliciet worden aangegeven , willen zij onder
                    de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde
                    monument is dus een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in
                    verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht.
                    De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling. De bedoeling
                    van de aldus bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven
                    in welke zaken om welke reden als beschermd gemeentelijk monument zijn
                    aangewezen.</al><al>Artikel 8</al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    (advies van Monumentencommissie of eigenaar van een kerkelijk monument) als voor
                    de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid
                    3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke
                    monumentenlijst (lid 4).</al><al>Artikel 9</al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    Monumentencommissie nodig is (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door burgemeester en wethouders van
                    de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip
                    geacht worden niet meer te zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>Artikel 10</al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumentenwet 1988. De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    gemeentelijke monumenten op basis van de Monumentenwet 1988 in handen van
                    burgemeester en wethouders.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijksmonumenten door burgemeester en wethouders in de artikelen 11 tot en met 21
                    juncto artikel 14 van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het daarom
                    alleen over beschermde gemeentelijke monumenten. Het artikel regelt dat een
                    vergunning nodig is om aan een beschermd monument te bepaalde werkzaamheden uit
                    te voeren(lid 2).</al><al>Met behulp van dit artikel heeft de gemeente een effectief instrument in handen
                    ter bescherming van gemeentelijk beschermde monumenten. Voor afbraak van een
                    monument is eerst de procedure van afvoering van de monumentenlijst
                    noodzakelijk. Vervolgens start de procedure voor de verlening van een vergunning
                    tot sloop van het monument. In deze sloopvergunning kunnen voorwaarden worden
                    gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van het doen van bouwhistorisch en
                    archeologisch onderzoek en van het beschikbaar stellen van het bij de sloop
                    vrijkomend bouwhistorisch waardevolle materiaal</al><al>Artikel 11</al><al>Lid 1</al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor (Besluit
                    omgevingsrecht) zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft
                    de keuze tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de
                    omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep
                    geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs
                    digitale weg indienen. Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog
                    niet over de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te
                    dienen is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting
                    na verloop van twee jaren in werking te laten treden.</al><al>Artikel 12</al><al>Lid 1 t/m 4</al><al>Als burgemeester en wethouders de aanvraag in behandeling nemen, moet door hen
                    op grond van de verordening advies gevraagd worden aan de Monumentencommissie.
                    Nadat dit advies aan burgemeester en wethouders is uitgebracht moeten zij ermee
                    rekening houden dat artikel 4:7 of artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over
                    het voornemen de beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te
                    wijzen moeten de aanvrager en de belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen
                    naar keuze hun zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond
                    van artikel 4:9 Awb. De Monumentencommissie adviseert burgemeester en wethouders
                    over de aanvraag (lid 2). In het derde lid is bepaald dat ook in het kader van
                    de beoordeling van de aanvraag voor een monumentenvergunning een bouwhistorisch
                    onderzoek kan worden gevraagd. Vervolgens, dus na ontvangst van het advies,
                    beslissen burgemeester en wethouders. (lid 4)</al><al>Lid 5</al><al>Aan een vergunning kunnen diverse voorwaarden worden verbonden. Dit kunnen
                    bijvoorbeeld voorwaarden zijn over het ontzien van bepaalde onderdelen, of het
                    voor een beperkte tijd toestaan van een wijziging, zoals een luifel tijdens een
                    braderie.</al><al>Bij afbraak of wijziging van een monument kunnen onderdelen en materialen
                    vrijkomen die van nut kunnen zijn bij het restaureren van andere monumenten,
                    zoals bijvoorbeeld dakpannen.</al><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door burgemeester en
                    wethouders aan te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten. Een en ander kan
                    ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende gegevens om op de
                    vergunningaanvraag te kunnen beschikken. Een en ander geldt ook voor
                    bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning als bij de intrekking van
                    de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop voorwaarden worden gesteld ter
                    documentatie van het monument voor de lokale geschiedenis en om afkomende
                    bouwhistorische elementen veilig te stellen.</al><al>Artikel 12a Weigeringsgronden</al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan de andere belangen (bijvoorbeeld het
                    economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang
                    van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten.
                    Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gezet. De vergunning moet op grond van
                    dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het
                    belang van de monumentenzorg.</al><al>Artikel 13</al><al>De hier bedoelde overeenstemming heeft alleen betrekking op de wezenlijke
                    belangen van het belijden van de godsdienst of de levensovertuiging. Voor
                    bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel
                    niet. Zij vallen onder de voorschriften die ook voor andere monumenten gelden.
                    Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub f.</al><al>Artikel 14</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (burgemeester en
                    wethouders) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. De wijze
                    waarop en de motivering waarom zijn geregeld in de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op de taak van de Monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    Monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren.</al><al>Artikel 15</al><al>De Monumentenwet verstaat onder een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
                    groepen van onroerende zaken, die van algemeen belang zijn wegens hun
                    schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke en structurele samenhang dan wel hun
                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of
                    meer monumenten bevinden. Het gaat hierbij niet alleen de schoonheid van de
                    architectonische waardevolle bebouwing, maar ook om andere factoren die voor het
                    gebied bepalend zijn, zoals het historisch gegroeide stedenbouwkundige patroon,
                    ondermeer gevormd door de verhouding tussen de bebouwde en de onbebouwde
                    ruimten, de bouwvormen en de samenhang in het gebruik van de gronden en
                    opstallen.</al><al>Op grond van haar verordenende bevoegdheid kan de gemeenteraad op basis van een
                    daarvoor vastgestelde (monumenten)verordening eveneens gemeentelijk beschermde
                    stads- of dorpsgezichten aanwijzen.</al><al>Met het instrument van het beschermd stads- of dorpsgezicht is niet bedoeld om
                    gebieden te fixeren, maar om de bestaande bijzondere waarden van een dergelijk
                    gebied bij plannen tot verandering zwaar te laten meewegen. Het moet daarbij
                    mogelijk blijven dat ruimtelijke ontwikkelingen zich ook in beschermde stads- en
                    dorpsgezichten voor blijven doen. Voorwaarde daartoe is dat een dergelijke
                    ontwikkeling moet aansluiten bij de bestaande kwaliteiten van dergelijke
                    waardevolle gebieden.</al><al>Aan de beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten is geen
                    schadevergoedingsregeling gekoppeld, conform de regeling bij de van rijkswege
                    beschermde stads- en dorpsgezichten. De bescherming moet zo snel mogelijk worden
                    geregeld in bestemmingsplannen. Voor eventuele schade die ontstaat door de
                    wijziging van een bestemmingsplan ten gevolge van de aanwijzing van een gebied
                    tot beschermd stads- of dorpsgezicht kent de Wet op de Ruimtelijke Ordening een
                    eigen planschaderegeling (artikel 49).</al><al>Artikel 16</al><al>Lid 1.</al><al>Het bestemmingsplan moet de beeldbepalende elementen van het stads- of
                    dorpsgezicht juridisch beschermen. De in een bestemmingsplan op te nemen
                    voorschriften zullen zodanig moeten zijn, dat voorkomen wordt dat het aspect van
                    een beschermd stads- of dorpsgezicht door wijziging van een van de onderdelen
                    wordt geschaad. Het gaat daarbij om stedenbouwkundige voorschriften. Met de
                    laatstgenoemde voorschriften naast de algemeen bestaande voorschriften wordt het
                    niet noodzakelijk geacht in de Monumentenverordening een afzonderlijke regeling
                    te treffen. Dit betekent dat dezelfde methodiek wordt toegepast als voor de op
                    grond van de Monumentenwet door het rijk beschermde stads- en
                    dorpsgezichten.</al><al>Bij de bescherming van stads- en dorpsgezichten door bestemmingsplannen kan men
                    bereiken</al><al>dat:</al><al>- de hoofdstructuur (wegen, wateren, perceelindeling, rooilijnen, schaal,
                    plaats, dichtheid en situering van bebouwing, schaal van de open ruimten, enz.)
                    in stand blijft;</al><al>- de functionele ontwikkeling van de beschermde nederzetting in hoofdlijnen
                    blijft aansluiten op de historische ontwikkeling;</al><al>- veranderingen aan gebouwen en nieuwbouw aan de historische karakteristiek
                    worden getoetst.</al><al>Bescherming betekent in de praktijk de toepassing van een op het nagestreefde
                    doel toegesneden afwegingsmechanisme. Het onderkende cultuurhistorische belang
                    moet daarbij zo groot zijn, dat effectieve bescherming mogelijk is. Zo worden
                    aanvragen om een bouw- of aanlegvergunning aan het bestemmingsplan getoetst. De
                    te beschermen waarden moeten daarom goed in de beschrijving in hoofdlijnen, de
                    doeleinden- omschrijving van een bestemming en/of de bebouwingsvoorschriften
                    staan.</al><al>Lid 2.</al><al>Op het moment dat de raad een beslissing wordt gevraagd over het al dan niet
                    aanwijzen van een samenstel van objecten tot een beschermd stads- of
                    dorpsgezicht is goede advisering daaromtrent van belang. Onderzocht is hoe op
                    een praktische wijze de raad een inhoudelijk kan worden geadviseerd en aan de
                    andere kant niet onnodig een extra adviescommissie in het leven te roepen. In de
                    verordening is geregeld dat de door burgemeester en wethouders ingestelde
                    commissie ook door de raad kan worden ingeschakeld. De raad kan aan het college
                    vragen een verzoek om advies in te dienen bij de Monumentencommissie.</al><al>Uit praktische overwegingen is er voor gekozen om voor de gemeenteraad niet een
                    eigen adviescommissie in het leven te roepen.</al><al>Lid 3.</al><al>In gebieden waar nog geen bestemmingsplan geldt ter bescherming van een op de
                    lijst geplaatst stads- of dorpsgezicht moet voor het plaatsen, oprichten,
                    verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een bouwwerk een
                    monumentenvergunning ingevolge de Monumentenverordening worden aangevraagd. Ook
                    voor het wijzigen van onroerende zaken, geen bouwwerken zijnde, hieronder
                    begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen en erfafscheidingen moet een
                    monumentenvergunning worden aangevraagd. Na het onherroepelijk worden van een
                    beschermend bestemmingsplan, of na de aanwijzing van een geldend bestemmingsplan
                    als “beschermend”, is er geen aparte toetsing meer. De aanvraag om een bouw-, of
                    aanlegvergunning die wordt voorgeschreven, wordt dan rechtstreeks getoetst aan
                    het bestemmingsplan. Het is daarom noodzakelijk om in het bestemmingsplan alle
                    positieve elementen te benoemen die het karakter van het stadsgezicht
                    bepalen.</al><al>Artikel 17</al><al>Lid 2</al><al>Ook voor de (sloop)vergunningprocedure van artikel 17 is het van belang te weten
                    welke elementen dat betreft. Voor de toetsing van vergunningaanvragen moet de
                    redengevende beschrijving bij de aanwijzing van het beschermde gezicht aangeven
                    wat de waarde van die elementen voor het karakter van het beschermde gezicht is.
                    Voor de interpretatie daarvan moet een adviescommissie de aanvraag van een
                    advies voorzien.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht is het van
                    wezenlijk belang dat er geen “gaten” vallen tengevolge van sloop. Daarom is in
                    deze bepaling een weigeringsgrond opgenomen wanneer herbouw in dezelfde stijl
                    als het bestaande gezicht of ensemble niet voldoende verzekerd is.</al><al>Artikel 18</al><al>Om te voorkomen dat een gebied zowel een status heeft van gemeentelijk beschermd
                    stads- of dorpsgezicht als van rijksbeschermd gezicht, is in de verordening
                    opgenomen dat het betreffende stads- of dorpsgezicht van de gemeentelijke lijst
                    is afgevoerd zodra het besluit tot plaatsing op de rijkslijst onherroepelijk is
                    geworden.</al><al>Artikel 19</al><al>De term “gevoelige gebieden” wordt in deze verordening beperkt tot archeologisch
                    waardevolle gebieden die op basis van de archeologische waarde niet kunnen
                    worden aangemerkt als beschermd stads- of dorpsgezicht (zie ook artikel 1, sub
                    j). De procedure voor aanwijzing tot gevoelig gebied is gelijk aan de procedure
                    voor een beschermd stads- of dorpsgezicht.</al><al>Artikel 20</al><al>Op grond van dit artikel is het verboden in de bodem van een monument of een
                    gevoelig gebied werkzaamheden te verrichten waardoor archeologische vondsten
                    mogelijk worden beschadigd. De diepte van 0,40 meter is overgenomen uit een
                    concept tot wijziging van de Monumentenwet. Deze wetswijziging is nodig ter
                    uitvoering van het Europees verdrag van Malta op grond waarvan regels moeten
                    worden gesteld ter bescherming van het archeologisch erfgoed. Hierbij moet niet
                    alleen worden gedacht aan het beschadigen van voorwerpen in de grond, maar ook
                    van structuren in de bodem van oude beschavingen, zoals woningen, bedrijfsmatige
                    activiteiten etc. Het hiervoor genoemde verbod geldt niet, wanneer vergunning
                    (onder voorwaarden) is verleend voor graafwerkzaamheden.</al><al>Artikel 21</al><al>Lid 1</al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb (Algemene wet bestuursrecht). De uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin verschilt de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient
                    namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                    de Wabo vindt er geen wijzing in de voorbereidingsprocedure voor de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit onderscheid in
                    procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit
                    heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal
                    zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot.
                    Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                    Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    gedeputeerde staten (hierna: gs), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Op het definitieve besluit kan nog
                    slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd buiten de bebouwde kom ligt, is het college
                    van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan gs te zenden. Gs
                    kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat gs al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gemaakt.</al><al>Lid 2</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><al>Artikel 22</al><al>De Wet op de Ruimtelijke Ordening is met ingang van 1 juli 2008 vervangen door
                    de Wet ruimtelijke ordening.</al><al>Artikel 23</al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 226,89; in de tweede
                    categorie maximaal € 2268,90. Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere
                    geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is
                    handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een beschermd monument zonder
                    vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de
                    vijfde categorie ( € 45378,02). Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van
                    dit vergrijp, de hoogte van de strafmaat voor beschermde rijksmonumenten en de
                    wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                    tweede categorie voor de hand liggend.</al><al>Overigens betekent het stellen van een geldboete nog niet dat de gewenste
                    situatie, bijvoorbeeld het behoud van een monument, wordt bereikt. Om die reden
                    verdient veelal een bestuursrechtelijk optreden de voorkeur boven
                    strafrechtelijke vervolging.</al><al>Artikel 24</al><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de ambtenaren
                    aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Artikel 141 noemt de
                    ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals politieagenten. Uit de
                    bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om
                    in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen. Op basis
                    van deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders medewerkers van de bouw- en
                    woningdienst en monumentenzorg aanwijzen als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar.</al><al>Artikel 25</al><al>Dit artikel is de grondslag voor de betreding van open ruimten en de
                    binnentreding van beschermde gemeentelijke monumenten die geen woning zijn,
                    tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker. Woningen zijn
                    uitgezonderd in de Wet op het binnentreden. Voor het betreden of binnentreden
                    van woningen, andere gebouwen en terreinen wordt verwezen naar artikel 6.3 van
                    de Model-APV van de VNG.</al><al>Artikel 26</al><al>De datum van inwerkingtreding en het intrekken van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor beschermde rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat
                    de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst
                    voorkomende monumenten geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd
                    overeenkomstig deze nieuwe verordening (de leden 5 en 6). Ten slotte is in lid 8
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al>Artikel 27</al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al><al>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2003, gewijzigd in
                    de openbare raadsvergaderingen van 26 mei 2009, 29 juni 2010, 20 december 2011
                    en 28 februari 2012.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>