<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20524_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke regeling Brabants Historisch Centrum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 25-10-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling Brabants Historisch Centrum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 96 en 97 van de Wet gemeenschappelijke regelingen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-05-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>College 27-05-2004</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de regeling Streefarchief N-O</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke regeling Brabants Historisch Centrum</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en
                                            Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>de gemeenten: de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer,
                                            Cuijk, Grave, Haaren, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill,
                                            Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel,
                                            Sint-Oedenrode, Uden, Veghel en Vught;</al></li><li nr="c."><al>de waterschappen: de Waterschappen De Aa, De Dommel en
                                            De Maaskant;</al></li><li nr="d."><al>archiefbescheiden: archiefbescheiden als bedoeld in
                                            artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995;</al></li><li nr="e."><al>collecties: de verzameling historische voorwerpen,
                                            boeken en overige schriftelijke en elektronische
                                            bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde
                                            archiefbescheiden, in eigendom van of beheer bij de
                                            minister, de gemeenten en de waterschappen voor zover
                                            het betreft voorwerpen of bescheiden bij de
                                            rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Brabant
                                            en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten en de
                                            waterschappen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Instelling, doel en beleid van het openbaar lichaam Brabants
                            Historisch Centrum</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een openbaar lichaam, Brabants Historisch Centrum, dat
                                    gevestigd is in ’s-Hertogenbosch.</al></li><li nr="2."><al>Het Brabants Historisch Centrum is ingesteld met het doel de
                                    belangen van de minister, de gemeenten en de waterschappen bij
                                    alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden en
                                    collecties die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de
                                    provincie Noord-Brabant en de archiefbewaarplaatsen van de
                                    gemeenten en de waterschappen, in gezamenlijkheid te
                                    behartigen.</al></li><li nr="3."><al>Aan het Brabants Historisch Centrum zijn daartoe de navolgende
                                    werkzaamheden, taken en bevoegdheden van de minister, de
                                    gemeenten en de waterschappen opgedragen:</al><lijst><li nr="a."><al>de beheerstaken, te onderscheiden in het behouden,
                                            bewerken en benutten van de archiefbescheiden die
                                            berusten in de in het tweede lid genoemde
                                            archiefbewaarplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 15,
                                            derde lid, 16, tweede lid, 17, 18, 20, 26, tweede lid,
                                            31, 32, 36 en 37 van de Archiefwet 1995;</al></li><li nr="c."><al>het adviseren en het doen van voorstellen aan de
                                            minister, de gemeenten en de waterschappen over de taken
                                            en bevoegdheden, die door de minister, de gemeenten of
                                            de waterschappen worden uitgevoerd ingevolge de
                                            artikelen 5, 6, 7, 8, 12, 13, 15, eerste en tweede lid,
                                            30, 32, tweede lid, 35 en 37, tweede lid, van de
                                            Archiefwet 1995;</al></li><li nr="d."><al>het verrichten van door de minister, de gemeenten of de
                                            waterschappen opgedragen andere taken die verband houden
                                            met de behartiging van de belangen, bedoeld in het
                                            tweede lid.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het Brabants Historisch Centrum voert bij de behartiging van de
                                    belangen, bedoeld in het tweede lid, het archiefbeleid en het
                                    cultuurbeleid van de minister, de gemeenten en de waterschappen
                                    mede uit.</al></li><li nr="5."><al>De minister, de gemeenten en de waterschappen kunnen gezamenlijk
                                    algemene aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop het Brabants
                                    Historisch Centrum de belangen, bedoeld in het tweede lid,
                                    behartigt.</al></li><li nr="6."><al>De minister, de raden van de gemeenten en de algemene besturen
                                    van de waterschappen dragen er zorg voor dat het openbaar
                                    lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om aan
                                    zijn verplichtingen te voldoen. Dit met inachtneming van artikel
                                    16, achtste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel/></kop><al>Het Brabants Historisch Centrum brengt de kosten, bedoeld in de
                                    artikelen 14 en 18, zesde lid, van de Archiefwet 1995 in
                                    rekening volgens de regels die de minister ingevolge artikel 19
                                    van de Archiefwet 1995 daaromtrent vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.</al></li><li nr="2."><al>De minister wijst drie leden aan.</al></li><li nr="3."><al>De Raden van de gemeenten en de algemene besturen van de
                                    waterschappen wijzen uit hun midden, de voorzitters van die
                                    Raden en die algemene besturen inbegrepen, of uit de kring van
                                    wethouders, gezamenlijk drie leden aan.</al></li><li nr="4."><al>Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op het
                                    tijdstip waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden of van
                                    de algemene besturen van de waterschappen afloopt.</al></li><li nr="5."><al>Het lidmaatschap van de leden die door de Raden van de gemeenten
                                    en de algemene besturen van de waterschappen zijn aangewezen,
                                    eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die
                                    leden bij de Raad, de kring van wethouders dan wel het algemeen
                                    bestuur, of het voorzitterschap, van het waterschap.</al></li><li nr="6."><al>Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vierde lid is
                                    geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.</al></li><li nr="7."><al>De Raden van de gemeenten beslissen uiterlijk in de tweede
                                    vergadering van elke zittingsperiode van de Raden over de
                                    aanwijzing, bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="8."><al>Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen
                                    bestuur vacant komt, wijzen de betrokken minister of Raden en
                                    algemene besturen zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.</al></li><li nr="9."><al>Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter
                                    beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw
                                    lid is aangewezen.</al></li><li nr="10."><al>Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende
                                    bestuursleden bevoegd besluiten te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kiest uit zijn midden de voorzitter. Bij de
                                aanvang van de regeling wordt het voorzitterschap vervuld door een
                                door de minister aangewezen lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het algemeen bestuur behoren ter uitvoering van de aan het
                                    Brabants Historisch Centrum toegekende taak alle bevoegdheden
                                    die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.</al></li><li nr="2."><al>Aan het algemeen bestuur worden de volgende taken en
                                    bevoegdheden toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevoegdheid van de Raden van de gemeenten om
                                            ingevolge artikel 31 van de Archiefwet 1995 de
                                            gemeentelijke archiefbewaarplaats(en) aan te
                                            wijzen;</al></li><li nr="b."><al>de bevoegdheid van de algemene besturen van de
                                            waterschappen om ingevolge artikel 36 van de Archiefwet
                                            1995 de archiefbewaarplaats(en) van de waterschappen aan
                                            te wijzen;</al></li><li nr="c."><al>de bevoegdheid van de minister om de rijksarchivaris in
                                            de provincie Noord-Brabant, bedoeld in artikel 26,
                                            tweede lid, van de Archiefwet 1995, te benoemen, te
                                            schorsen, en te ontslaan;</al></li><li nr="d."><al>de bevoegdheid van de Raden van de gemeenten om
                                            ingevolge artikel 32, derde lid, van de Archiefwet 1995
                                            de gemeentearchivaris(sen) te benoemen, te schorsen en
                                            te ontslaan;</al></li><li nr="e."><al>de bevoegdheid van de algemeen besturen van de
                                            waterschappen om ingevolge artikel 37, derde lid, van de
                                            Archiefwet 1995 de waterschapsarchivaris(sen), te
                                            benoemen, te schorsen en te ontslaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het algemeen bestuur kan de directeur, bedoeld in artikel 30,
                                    tot rijksarchivaris in de provincie Noord-Brabant, tot
                                    gemeentearchivaris van de gemeenten en tot waterschapsarchivaris
                                    van de waterschappen benoemen.</al></li><li nr="4."><al>Aan de bevoegdheden van het algemeen bestuur worden geen
                                    beperkingen opgelegd ingevolge artikel 31 van de Wet
                                    gemeenschappelijke regelingen, mits het totaal van de aangegane
                                    verplichtingen binnen de goedgekeurde begroting valt. Voor het
                                    aangaan van verplichtingen door het algemeen bestuur buiten de
                                    goedgekeurde begroting wordt vooraf toestemming gevraagd aan de
                                    minister, de raden van de gemeenten en de algemene besturen van
                                    de waterschappen, ingevolge de artikelen 18 en 19 van deze
                                    regeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr></kop><al>Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk schriftelijk
                            aande minister, de Raden en College van burgemeester en
                            wethouders van de gemeenten en de algemene en dagelijkse besturen van de
                            waterschappen de door hen gevraagde inlichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de
                                            minister die hem heeft aangewezen zo spoedig mogelijk
                                            doch in ieder geval binnen 45 dagen de door de minister
                                            gevraagde inlichtingen.</al></li><li nr="2."><al>Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan de Raden
                                            van de gemeenten en de algemene besturen van de
                                            waterschappen die hem hebben aangewezen zo spoedig
                                            mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door een
                                            of meer leden van die Raden of algemene besturen in een
                                            vergadering van die raden of algemene besturen dan wel
                                            schriftelijk aan dat lid gevraagde inlichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel/></kop><al>De minister, de Raden van de gemeenten en de algemene besturen van de
                            waterschappen kunnen een door hen aangewezen lid van het algemeen
                            bestuur, dat hun vertrouwen niet meer geniet, ontslag verlenen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen
                                    bestuur en de overige leden van het algemeen bestuur.</al></li><li nr="2."><al>Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra men
                                    ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 4, negende en tiende lid is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>De werkwijze van het dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel/></kop><al>Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als één of meer leden van
                            het dagelijks bestuur dit nodig oordelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel/></kop><al>Het dagelijks bestuur stelt regels voor zijn vergaderingen vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>De taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel/></kop><al>Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>de zorg voor de uitvoering van de aan het openbaar lichaam
                                    opgedragen bevoegdheden en taken, zoals genoemd in artikel 2,
                                    voorzover die niet zijn opgedragen aan het algemeen
                                    bestuur;</al></li><li nr="b."><al>het voorbereiden, voor zover dit niet aan anderen is opgedragen
                                    van al hetgeen in het algemeen bestuur ter overweging moet
                                    worden gebracht;</al></li><li nr="c."><al>het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur, voor
                                    zover dit niet aan anderen is opgedragen;</al></li><li nr="d."><al>het beheer van de activa en passiva van het Brabants Historisch
                                    Centrum;</al></li><li nr="e."><al>de zorg, voor zover deze van het dagelijks bestuur afhangt, voor
                                    de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het
                                    Brabants Historisch Centrum; </al></li><li nr="f."><al>het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten
                                    rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van
                                    verjaring van recht of bezit.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van
                                    het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter is belast met de uitvoering van de besluiten van
                                    het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of
                                    het dagelijks bestuur uitgaan, tenzij hij aan de directeur het
                                    tekenen van bepaalde stukken heeft opgedragen.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter vertegenwoordigt het Brabants Historisch Centrum
                                    in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan
                                    een door hem aan te wijzen gevolmachtigde.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Tegemoetkoming en vergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur kan besluiten dat de leden van het algemeen
                                    of dagelijks bestuur, voor zover zij niet de functie vervullen
                                    van burgemeester of wethouder, lid van het dagelijks bestuur van
                                    het waterschap, of als ambtenaar in rijks-, gemeente- of
                                    waterschapsdienst werkzaam zijn, een vergoeding ontvangen voor
                                    hun werkzaamheden ten behoeve van het Brabants Historisch
                                    Centrum.</al></li><li nr="2."><al>De leden van het algemeen en het dagelijks bestuur, bedoeld in
                                    het eerste lid, ontvangen een tegemoetkoming in de kosten,
                                    waartoe worden gerekend reis- en verblijfkosten ten behoeve van
                                    het bijwonen van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks
                                    bestuur.</al></li><li nr="3."><al>De in de voorgaande leden bedoelde vergoeding en tegemoetkoming
                                    worden door het algemene bestuur vastgesteld en als
                                    afzonderlijke post opgenomen in de jaarlijkse begroting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10.</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen
                                middelen worden verschaft door de minister, de Raden van de
                                gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen, door het
                                verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van een goedgekeurde
                                begroting. Bij de aanvang van het Brabants Historisch Centrum luiden
                                de bijdragen zoals vastgesteld in de bijlage bij de regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage van de minister kan jaarlijks worden aangepast in
                                verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen met een percentage,
                                zoals dit in voorkomend geval door de minister in de loop van het
                                begrotingsjaar voor het geheel van zijn bijdrage wordt vastgesteld.
                                De bijdragen van de gemeenten en waterschappen worden jaarlijks
                                aangepast in verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen met
                                een percentage dat voor dit doel is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Brabants Historisch Centrum kan bij de vaststelling van de
                                begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door
                                de minister, de gemeenten en de waterschappen vast te stellen
                                percentage als bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de start van het Brabants Historisch Centrum en voor de
                                uitvoering van deze regeling kunnen door de verschillende partners
                                vermogensbestanddelen worden ingebracht waarover nadere afspraken
                                gemaakt worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De minister, de Raden van de gemeenten en de algemene besturen van
                                de waterschappen kunnen gezamenlijk de te verstrekken bijdragen
                                wijzigen in relatie tot de taken van het Brabants Historisch
                                Centrum.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De huurovereenkomst binnen de staat
                                (Rijksarchiefdienst-Rijksgebouwendienst) zal met ingang van de datum
                                van inwerkingtreding van deze regeling worden omgezet in een
                                huurovereenkomst tussen de Rijksgebouwendienst en het Brabants
                                Historisch Centrum. Voor zo ver mogelijk worden de voorwaarden uit
                                de aanvankelijke huurovereenkomst gerespecteerd en overgenomen in de
                                vervangende huurovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bijdrage wordt verleend onder de voorwaarden, bedoeld in artikel
                                4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien één van de partners een bijzondere taak opdraagt als bedoeld
                                in artikel 2, derde lid, onderdeel d, waarvan de kosten niet zijn op
                                te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in
                                aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen
                                vergoeding betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt eenmaal per vier jaar een vierjarig
                                beleidsplan en een meerjarenbegroting op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een periode van vier jaren als bedoeld in het eerste lid valt samen
                                met de periode van een cultuurnota als bedoeld in artikel 3 van de
                                Wet op het specifiek cultuurbeleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt het ontwerpbeleidsplan en de
                                ontwerpmeerjarenbegroting aan het algemeen bestuur. Het algemeen
                                bestuur stelt ze vast. Dertien maanden voorafgaand aan de periode
                                waarop het beleidsplan en de meerjarenbegroting betrekking hebben,
                                worden deze toegezonden aan de minister, de raden van de gemeenten
                                en de algemene besturen van de waterschappen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De minister, de gemeenten en de waterschappen maken, binnen twee
                                maanden na ontvangst van de in het derde lid genoemde stukken,
                                gezamenlijk afspraken met het Brabants Historisch Centrum over te
                                behalen resultaten voor de komende vier jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks vóór 1 mei een
                                ontwerpbegroting en een toelichting op voor het volgende
                                kalenderjaar, een en ander met inachtneming van het archiefbeleid en
                                het cultuurbeleid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, de algemene
                                aanwijzingen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid en met inachtneming
                                van de afspraken, bedoeld in artikel 17, vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de toelichting worden de aard en de omvang van de voorgenomen
                                activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke belangen en
                                resultaten het Brabants Historisch Centrum met de activiteiten
                                nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd
                                en voor welke doelgroepen zij zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de
                                afzonderlijke activiteiten van dat jaar. De begroting is voorzien
                                van een postgewijze toelichting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting met toelichting
                                onverwijld toe aan het algemeen bestuur, de minister, de Raden van
                                de gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontwerpbegroting met toelichting wordt door de zorg van de
                                minister, de gemeenten en de waterschappen voor een ieder ter inzage
                                gelegd en, tegen betaling van kosten, algemeen verkrijgbaar
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De minister, de Raden van de gemeenten en de algemene besturen van
                                de waterschappen kunnen het dagelijks bestuur voor 1 juni van hun
                                gevoelen omtrent de ontwerpbegroting en toelichting doen
                                blijken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt de begroting met toelichting vast
                                uiterlijk 1 juli van het jaar, voorafgaande aan dat waarvoor de
                                begroting moet dienen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Terstond na de vaststelling wordt aan de minister, de Raden van de
                                gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen de begroting
                                ter goedkeuring toegezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr></kop><al>Met betrekking tot wijzigingen van de begroting is artikel 18 zo veel
                            mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De minister voldoet de verschuldigde bijdrage bij wijze van
                                voorschot in twaalf maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenten en de waterschappen voldoen de verschuldigde bijdrage
                                bij wijze van voorschot per kwartaal.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de minister, de
                                gemeenten en de waterschappen de bijdragen bij wijze van voorschot
                                voldoen in door hen nader te bepalen termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur brengt jaarlijks aan de minister, de raden van
                                de gemeenten, en de algemene besturen van de waterschappen voor 1
                                april een financieel verslag uit, dat vergezeld gaat van een
                                verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven
                                door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het
                                Burgerlijk Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt
                                verleend aan door of namens de accountant(s) van de minister, de
                                gemeenten of de waterschappen in te stellen onderzoeken naar de door
                                de accountant, bedoeld in het eerste lid, verrichte
                                (controle)werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur brengt jaarlijks aan de minister, de raden van
                                de gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen voor 1
                                april een inhoudelijk verslag uit van de werkzaamheden, het gevoerde
                                beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van
                                zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt de in het eerste en derde lid bedoelde
                                stukken algemeen verkrijgbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een batig saldo kan worden bestemd voor vorming van of toevoeging
                                aan de reserve. De hoogte van deze reserve wordt bepaald door het
                                algemeen bestuur, gehoord de minister, de raden van de gemeenten en
                                de algemene besturen van de waterschappen. Voor zover een batig
                                saldo niet wordt aangewend voor de reserve wordt het saldo naar rato
                                van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de minister, de gemeenten
                                en de waterschappen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de
                                gezamenlijke bijdragen van de minister, de gemeenten en de
                                waterschappen van dat jaar tenzij de minister, de raden van de
                                gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen gezamenlijk
                                een ander percentage vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr></kop><al>Na ontvangst van het financieel verslag en het jaarverslag stellen de
                            minister, de raden van de gemeenten en de algemene besturen van de
                            waterschappen, de definitieve bijdragen vast. Zij delen dit mede aan het
                            Brabants Historisch Centrum<cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de
                                organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer en
                                de boekhouding van het Brabants Historisch Centrum. Deze regels
                                behoeven de goedkeuring van de minister, de gemeenten en de
                                waterschappen. Bij deze regels wordt bepaald welke ambtenaren van
                                het Brabants Historisch Centrum met het doen van ontvangsten en
                                betalingen worden belast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de
                                controle op de financiële administratie en het kasbeheer. Deze
                                regels behoeven de goedkeuring van de minister, de gemeenten en de
                                waterschappen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr></kop><al>De minister, de gemeenten en de waterschappen kunnen gezamenlijk nadere
                            regels stellen over het financieel en materieel beheer, over de
                            inrichting van de begroting, het financieel verslag, jaarverslag en
                            aandachtspunten voor de accountantscontrole.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11.</nr><titel>Het archief</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overeenkomstig door het algemeen bestuur vast te stellen regels, die
                                aan Gedeputeerde Staten worden medegedeeld, draagt het dagelijks
                                bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het Brabants Historisch
                                Centrum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De archiefbescheiden van het Brabants Historisch Centrum die op
                                grond van de Archiefwet 1995 moeten worden overgebracht, komen te
                                berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie
                                Noord-Brabant.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12.</nr><titel>Informatieplicht/Toezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Brabants Historisch Centrum verstrekt desgevraagd aan de
                                minister, de gemeenten en de waterschappen de voor de uitoefening
                                van hun taak benodigde inlichtingen. De minister, de gemeenten en de
                                waterschappen kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en
                                bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak
                                redelijkerwijs nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Brabants Historisch Centrumstelt de minister, de
                                gemeenten en de waterschappen te allen tijde in de gelegenheid
                                toezicht te houden op het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet
                                1995 ten aanzien van de archiefbescheiden die berusten in de
                                rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Brabant en de
                                archiefbewaarplaatsen van de gemeenten en de waterschappen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuursorganen van de minister, de gemeenten en de
                                waterschappen, doen het dagelijks bestuur mededeling van de bij hen
                                in voorbereiding zijnde maatregelen en plannen die voor de
                                behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2, voor het Brabants
                                Historisch Centrum van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuursorganen van de minister, de gemeenten en de waterschappen
                                kunnen, bij de in het eerste lid bedoelde mededeling, het gevoelen
                                vragen van het dagelijks bestuur. Ook ongevraagd kan het dagelijks
                                bestuur zijn zienswijze daaromtrent aan de minister, de gemeenten en
                                de waterschapen kenbaar maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13.</nr><titel>De directeur en het overige personeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag
                                van de directeur van het Brabants Historisch Centrum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt voor de benoeming van de directeur een
                                voordracht op.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur is belast met de uitvoering van de werkzaamheden, taken
                                en bevoegdheden van het Brabants Historisch Centrum die voortvloeien
                                uit de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2, derde lid,
                                voor zover die uitvoering niet is opgedragen aan het algemeen
                                bestuur, dagelijks bestuur of de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt voor de directeur een instructie
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de
                                voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de
                                vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en
                                heeft daarin een adviserende stem.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 14, derde lid, worden alle stukken, die
                                van het algemeen of het dagelijks bestuur uitgaan door de directeur
                                mede ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr></kop><al>Het overige personeel wordt in dienst genomen, geschorst of ontslagen
                            door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur is bevoegd deze
                            bevoegdheden aan de directeur te mandateren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr></kop><al>De rechtspositieregeling van de provincie Noord-Brabant, zoals deze
                            thans luidt en in de toekomst na wijziging zal luiden, is op het
                            personeel van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>14.</nr><titel>Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr></kop><al>Toetreding tot de regeling kan geschieden bij een daartoe strekkend
                            gezamenlijk besluit van de minister, de raden en college van
                            burgemeester en wethouders van de gemeenten en de algemene besturen van
                            de waterschappen alsmede de toe te treden bestuursorganen of
                            rechtspersonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uittreding uit de regeling kan geschieden door toezending van een
                                daartoe strekkend besluit van de minister, de raden en college van
                                burgemeester en wethouders van de gemeenten of de algemene besturen
                                van de waterschappen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding. De
                                uittreding gaat in op de eerste dag van het jaar volgend op dat
                                waarin door de zorg van het dagelijks bestuur de bekendmaking van de
                                uittreding in de Nederlandse Staatscourant is geschied.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten van uittreding komen voor rekening van de uittredende
                                partij.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr></kop><al>Deze regeling kan worden gewijzigd bij gezamenlijk besluit van de
                            minister, de raden en college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr></kop><al>Deze regeling kan worden opgeheven bij gezamenlijk besluit van de
                            minister, de raden en college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen. Het algemeen
                            bestuur stelt een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van
                            de minister, de raden van de gemeenten en de algemene besturen van de
                            waterschappen om alle rechten en plichten van het openbaar lichaam over
                            de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>15.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
                            kalendermaand, volgend op die waarin de regeling is ingeschreven
                            overeenkomstig artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling Brabants Historisch
                            Centrum.</al><al>Deze regeling zal met de toelichting door de Staatssecretaris van
                            Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de Staatscourant worden
                            geplaatst.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 27 mei 2004.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>Pber01.rvs</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> Regeling Brabants Historisch Centrum</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Financiële bijlage</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In deze bijlage zijn de afspraken rond de structurele en incidentele bijdragen
                    van partners aan het Brabants Historisch Centrum nader gespecificeerd (artikel
                    16, eerste lid).</al><al>Er is afgesproken dat de beschikbare exploitatiebudgetten van de afzonderlijke
                    instellingen waaruit het Brabants Historisch Centrum ontstaat, zullen worden
                    samengevoegd. Uit deze exploitatiebudgetten zullen de exploitatiekosten worden
                    bestreden van het Brabants Historisch Centrum, waarbij de behaalde
                    efficiencyvoordelen zullen worden aangewend voor nieuw beleid ten behoeve van de
                    publieksfunctie.</al><tussenkop>Structurele bijdragen</tussenkop><al>De jaarlijkse structurele bijdragen van de partners zijn, inclusief huurlasten
                    als volgt:</al><al>Het Rijk (DCE/RAD) € 2.227.000 (prijspeil 2002) )</al><al>Streekarchief Brabant Noord-Oost (SABNO) Inwoneraantal x tarief )</al><lijst><li nr="-"><al>gemeente Bernheze € 101.790 28.857 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Boekel € 33.080 9.364 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Boxmeer € 103.620 29.358 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Cuijk € 85.840 24.331 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Grave € 44.900 12.723 x 3.53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Landerd € 51.960 14.706 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Lith € 23.910 6.751 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Maasdonk € 40.390 11.409 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Mill € 39.350 11.111 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Oss € 267.380 75.858 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Sint Anthonis € 41.600 11.798 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Sint-Oedenrode € 60.380 17.034 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Uden € 141.310 40.108 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>gemeente Veghel € 128.560 36.466 x 3,53</al></li><li nr="-"><al>Waterschap de Maaskant € 57.240 16.000 x 3,53</al></li></lijst><al>Subtotaal € 1.221.310 € 1.221.310 (prijspeil 2004)</al><al> Streekarchief Langs Aa en Dommel (LAED) Inwoneraantal x tarief</al><lijst><li nr="-"><al>gemeente Haaren € 40.986 14.048 x 2,92 </al></li><li nr="-"><al>gemeente Schijndel € 54.943 23.401 x 2,35 </al></li><li nr="-"><al>gemeente Sint-Michielsgestel € 61.409 27.969 x 2,19</al></li><li nr="-"><al>gemeente Vught € 57.708 25.287 x 2,28 </al></li><li nr="-"><al>Waterschap de Aa € 41.501 16.760 x 2,47</al></li><li nr="-"><al>Waterschap de Dommel € 57.012 30.700 x 1,86</al></li></lijst><al>Subtotaal € 313.559 <onderstreept>€ 313.559</onderstreept> (prijspeil 2004)</al><tussenkop>Totaal € 3.761.869</tussenkop><al>De gemeentelijke bijdragen zijn voor SABNO het product van het aantal inwoners
                    per gemeente per 1 januari van het voorafgaande jaar (bron centraal bureau voor
                    de statistiek) x € 3,53.</al><al>De bijdragen van de gemeenten en waterschappen van LAED zijn niet gebaseerd op
                    een vast bedrag per inwoner, dat voor alle deelnemers hetzelfde is, maar op een
                    kostenverdeelsleutel die rekening houdt met de vaste kosten per werkdag, die
                    voor alle deelnemers hetzelfde zijn, de kosten per meter beheerd archief en het
                    relatieve aandeel in de algemene kosten, gebaseerd op het inwonertal. Het hier
                    berekende bedrag per inwoner van de bijdragen dient in het vervolg als
                    uitgangspunt voor de vaststelling van de jaarlijkse bijdrage.</al><tussenkop>Huisvesting</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>Het Rijk bepaalt met betrekking tot de bovengenoemde bijdrage dat de
                            huurcomponent in de bijdrage van het Rijk (DCE/RAD) is bepaald op €
                            1.036.000 (prijspeil 2002). Met betrekking tot deze component geldt de
                            voorwaarde dat deze specifiek moet worden aangewend voor het voldoen aan
                            de verplichtingen voortvloeiende uit de gebruikersovereenkomst die is
                            afgesloten met de RGD.</al></li><li nr="-"><al>Bij de financiële berekeningen is er van uitgegaan dat de nieuwbouw in
                            Grave per 1 januari 2006 wordt opgeleverd. In de begroting van het BHC
                            is een huurbedrag van maximaal € 168.900 (prijspeil 2006) bepaald. Dit
                            bedrag is vastgesteld op basis van eerder overleg tussen SABNO en de
                            stichting woonmaatschappij Maasland.</al></li><li nr="-"><al>De definitieve huurovereenkomst zal zijn gebaseerd op een door de
                            fusiepartners vast te stellen Definitief Ontwerp en dit maximale
                            huurbedrag van € 168.900. De overeenkomst zal worden aangegaan door het
                            bestuur van SABNO na instemming van de beide fusiepartners. Mocht de
                            huurovereenkomst onverhoopt pas gesloten kunnen worden na de
                            totstandkoming van het BHC, dan wordt de huurovereenkomst gesloten door
                            het dagelijks bestuur van het BHC op basis van een tussen het bestuur
                            van SABNO en de stichting woonmaatschappij Maasland gesloten
                            beginselovereenkomst waarin de eerder genoemde randvoorwaarden
                            (goedgekeurd Definitief Ontwerp en maximale huurprijs van € 168.900)
                            zijn vastgelegd.</al></li><li nr="-"><al>De vestigingen in Oss en Veghel worden per 1 januari 2006 gesloten
                            waardoor jaarlijks € 113.000 wordt bespaard. Daarnaast zijn er echter
                            financiële gevolgen van het huurcontract van de vestiging in Oss,
                            aangezien het contract blijft doorlopen tot en met augustus 2008. Zonder
                            afkoop van het contract of doorverhuur van de ruimten aan derden
                            ontstaat in de periode 2006 t/m augustus 2008 een totale verplichting
                            van circa € 220.000. Dit risico wordt gedragen door het Brabants
                            Historisch Centrum, mogelijk met het op te bouwen eigen vermogen.</al></li></lijst><tussenkop>Aanvang van de bijdragen</tussenkop><al>De bijdragen van de partners vangen aan op het moment dat de Regeling Brabants
                    Historisch Centrum in werking treedt. Aangezien te verwachten valt dat dit niet
                    samenvalt met het begin van een kalenderjaar zal de bijdrage naar evenredigheid
                    worden toegerekend met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de regeling
                    in werking treedt. De partners zullen er voor zorgdragen dat de bovengenoemde
                    bijdragen in hun respectievelijke begrotingen worden opgenomen.</al><tussenkop>Incidentele bijdragen</tussenkop><tussenkop>Programma- en behoudsgelden</tussenkop><al>Het Rijk (DCE/RAD) stelt voor de uitvoer van een behoudsplan behoudsgelden
                    beschikbaar. Deze middelen ad € 59.000 zijn beschikbaar tot en met 31 december
                    2004. Voor de periode daarna worden in het voorjaar 2004 nieuwe afspraken
                    gemaakt.</al><tussenkop>Inbreng van vermogensbestanddelen</tussenkop><al>De partijen brengen in totaal € 184.079 aan vermogensbestanddelen in. Dit bedrag
                    is als volgt opgebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>Het Rijk: € 52.217 (inbreng eenmalige middelen)</al></li><li nr="-"><al>SABNO: € 11.059</al></li></lijst><al>* risicoreserve pluspakket € 65.442</al><al>* egalisatie ziektevervanging € 13.159</al><al>-LAED: € 42.202</al><tussenkop>BTW aspecten</tussenkop><al>Het Brabants Historisch Centrum neemt contact op met de belastinginspecteur ter
                    verkrijging van een nieuwe BTW beschikking voor het hele instituut. Over de
                    inhoud van die beschikking en de mogelijke consequenties voor de begroting is
                    nog geen 100% zekerheid.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Financiële bijlage bij de Regeling Brabants Historisch
                                        Centrum</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Regeling Brabants Historisch Centrum</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in de brief van 7
                    februari 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 1999-2000, 26591,
                    nr. 13) aangegeven de samenwerking tussen archieven onderling en archieven en
                    andere culturele instellingen te willen bevorderen. Concreet wordt gestreefd
                    naar de vorming van regionale historische centra waar onder meer rijksarchieven
                    in opgaan en die een brede cultuurhistorische publieksfunctie dienen te
                    vervullen. De integratie moet de efficiency en effectiviteit van het
                    archiefbeheer ten goede komen. Enerzijds zal één archiefdienst – in plaats van
                    vier afzonderlijke diensten - tot een minder kostbare bedrijfsvoering leiden
                    zodat er middelen voor effectiever beheer vrijkomen. Anderzijds komen door
                    integratie de specifieke deskundigheden die bij de verschillende integrerende
                    diensten aanwezig zijn, ook voor de partners beschikbaar. Op deze manier zal het
                    publiek beter toegang krijgen tot het archiefmateriaal en worden de
                    mogelijkheden vergroot nieuwe publieksgroepen in contact te brengen met de
                    historische informatie uit de archieven.</al><al>Het beheer van archiefbescheiden vindt normaliter plaats door de verschillende
                    overheden zelf op grond van de Archiefwet 1995. Die wet bepaalt welke taken de
                    verschillende overheden op het gebied van het archiefbeheer moeten uitvoeren en
                    welke bevoegdheden hen daarvoor ten dienste staan. Uit onderzoek naar de
                    mogelijke bestuursvormen voor de beoogde samenwerking blijkt dat er thans voor
                    samenwerking mede ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak op grond van de
                    Archiefwet 1995 slechts één bestuursvorm voor de samenwerking geschikt is,
                    namelijk een gemeenschappelijke regeling in het kader van de Wet
                    gemeenschappelijke regelingen (hierna te noemen: WGR). Voor het in
                    gezamenlijkheid beheren van de archiefbescheiden is daarom een
                    gemeenschappelijke regeling getroffen onder de naam Brabants Historisch Centrum.
                    Het betreft een regeling die gebaseerd is op de artikelen 96 en 97 van de WGR
                    waarbij tevens gebruik is gemaakt van de bevoegdheid die artikel 8 van de WGR
                    verleent om bij een gemeenschappelijke regeling een openbaar lichaam met eigen
                    rechtspersoonlijkheid in het leven te roepen.</al><al>Bij de keuze voor de WGR om de integratie vorm te geven, is voldaan aan een
                    aantal randvoorwaarden. De belangrijkste daarvan is het behoud van de in de
                    Archiefwet 1995 neergelegde verantwoordelijkheid van de betrokken overheden voor
                    de zorg voor de eigen archiefbescheiden. In beginsel betreft de integratie het
                    beheer. Daarnaast is voldaan aan de randvoorwaarde dat er voldoende
                    sturingsinstrumenten moeten zijn om het beleid dat de verschillende betrokken
                    overheden (zorgdragers) voor het archiefbeheer wenselijk achten binnen de
                    samenwerking tot uitvoering te brengen.</al><al>Op de (belangrijke) randvoorwaarde dat de verantwoordelijkheid van de betrokken
                    overheden voor de zorg voor de eigen archiefbescheiden behouden moet blijven
                    (met de term zorg heeft de Archiefwet 1995 de bestuurlijke verantwoordelijkheid
                    voor de eigen archiefbescheiden voor ogen) worden enkele uitzonderingen gemaakt
                    in die zin dat enkele taken en bevoegdheden die de Archiefwet 1995 aan de
                    zorgdragers toekent, aan het Brabants Historisch Centrum worden overgedragen.
                    Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>het opheffen van beperkingen aan de openbaarheid (artikel 15, derde lid,
                            Archiefwet 1995);</al></li><li nr="-"><al>het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden
                            die uit anderen hoofde in de archiefbewaarplaats zijn opgenomen om daar
                            te berusten (artikel 16, tweede lid, Archiefwet 1995);</al></li><li nr="-"><al>de benoeming van de (directeur van de dienst die als) rijksarchivaris en
                            tevens (als) gemeente- en waterschapsarchivaris (gaat functioneren)
                            (artikel 32, derde lid en 37, derde lid, Archiefwet 1995);</al></li><li nr="-"><al>het aanwijzen van de gemeentelijke en waterschapsarchiefbewaarplaatsen
                            (artikel 31 en 36 Archiefwet 1995).</al></li></lijst><al> Naast de beheerstaken en enkele zorgtaken zal het Brabants Historisch Centrum
                    een adviserende en voorbereidende rol vervullen ten aanzien van de zorgtaken die
                    de Archiefwet 1995 in handen van de zorgdrager legt. In artikel 2, derde lid,
                    onderdeel c, zijn die taken opgesomd. Het gaat dan bijvoorbeeld om taken en
                    bevoegdheden met betrekking tot het ontwerpen van selectielijsten, het beslissen
                    omtrent vervanging en vervreemding van archiefbescheiden en het vaststellen van
                    een gemeentelijke- en waterschapsarchiefverordening.</al><tussenkop>Bestuur en personeel</tussenkop><al>Het bestuur van het Brabants Historisch Centrum zal ingevolge de WGR bestaan uit
                    een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter, waarbij het
                    dagelijks bestuur bestaat uit dezelfde personen als het algemeen bestuur. De
                    leden worden benoemd door de betrokken partners. Het aantal leden dat elke
                    partner benoemt, is in de eerste plaats gekozen op basis van de financiële en
                    personele inbreng van de desbetreffende partner in het Brabants Historisch
                    Centrum. Daarnaast is gekeken naar het belang van het draagvlak bij de
                    verschillende partners.</al><al>De partners hebben voorkeur voor een klein en slagvaardig bestuur. Bij de
                    aanvang van de regeling zal het algemeen bestuur van het Brabants Historisch
                    Centrum voor een startperiode van vier jaar, uit zes leden bestaan.
                    Overeenkomstig artikel 4, tweede tot en met het derde lid, wijst de minister
                    hierbij drie leden aan. De gemeenten en waterschappen wijzen gezamenlijk drie
                    leden aan. Na een startperiode van vier jaar kunnen de partners besluiten het
                    algemeen bestuur terug te brengen naar vier leden, waarbij de minister twee
                    leden aanwijst en de gemeenten en waterschappen gezamenlijk twee leden. Om de
                    democratische betrokkenheid te waarborgen kunnen de leden in het bestuur die
                    benoemd zijn door de gemeenten en waterschappen, ook door de gemeenten en
                    waterschappen die niet in het bestuur deelnemen ter verantwoording worden
                    geroepen. Ook kunnen de gemeenten en waterschappen die niet vertegenwoordigd
                    zijn in het bestuur, de bestuursleden van de gemeenten en/of waterschappen
                    aanwijzingen geven en inlichtingen vragen. Om de zienswijze van de niet aan het
                    bestuur deelnemende gemeenten en waterschappen omtrent het ter verantwoording
                    roepen meer vorm te geven en onderling af te stemmen, zal een structureel
                    overleg tussen de verantwoordelijke portefeuillehouders van de betreffende
                    gemeenten en waterschappen in het leven worden geroepen. Dit
                    portefeuillehoudersoverleg zal onder meer een voordracht doen voor de door de
                    gemeenten en waterschappen te benoemen bestuursleden.</al><al>Naast het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter, heeft het Brabants
                    Historisch Centrum aantal personeelsleden waaronder een directeur. De directeur
                    zal worden benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur, de overige
                    personeelsleden door het dagelijks bestuur dat die taak overigens kan mandateren
                    aan de directeur. De rechtspositieregeling van de provincie Noord Brabant is op
                    de directeur en het overige personeel van toepassing.</al><tussenkop>Provinciale betrokkenheid</tussenkop><al>Gedeputeerde Staten oefenen ingevolge artikel 33 van de Archiefwet 1995 het
                    toezicht uit op de wijze waarop burgemeester en wethouders de hen opgedragen
                    zorg voor de gemeentelijke archieven inhoudt geven. Ook hebben gedeputeerde
                    staten op grond van artikel 29 van de Archiefwet 1995 de bevoegdheid om de
                    minister voorstellen te doen inzake het beheer van de naar het Brabants
                    Historisch Centrum overgebrachte provinciale archiefbescheiden.</al><al>De instelling van de onderhavige gemeenschappelijke regeling laat genoemde
                    toezichthoudende taak en de bevoegdheid om voorstellen te doen onverlet. </al><tussenkop>Algemene aanwijzingen, openbaarheid en ombudsman</tussenkop><tussenkop>Binnen de rijksoverheid wordt nog al eens gebruik gemaakt van Algemene
                    aanwijzingen voor de Rijksoverheid die door de minister-president worden
                    vastgesteld. Als voorbeeld wordt genoemd de aanwijzingen ten aanzien van markt
                    en overheid. Dergelijke aanwijzingen gelden ook voor de Rijksarchiefdienst en
                    daarmee voor de archiefbewaarplaatsen in de provincie. Door het instellen van
                    een openbaar lichaam zoals het Brabants Historisch Centrum, zijn dergelijke
                    algemene aanwijzingen niet meer rechtstreeks van toepassing op het Brabants
                    Historisch Centrum. Er zijn evenwel geen redenen waarom dergelijke aanwijzingen
                    niet meer zouden moeten gelden in geval van een samenwerkingsverband. Daarom is
                    de mogelijkheid in artikel 2, vijfde lid, geopend voor de partners gezamenlijk
                    om dergelijke aanwijzingen van algemene aard aan het Brabants Historisch Centrum
                    te geven. De partijen zullen een dergelijke aanwijzing voor markt en overheid
                    geven.</tussenkop><al>In dit verband wordt nog opgemerkt dat de partners beogen een externe
                    klachtvoorziening in het leven te roepen bij de Nationale ombudsman op grond van
                    de Wet Nationale ombudsman. De partners gaan ervan uit dat de Wet openbaarheid
                    van bestuur van toepassing is op het Brabants Historisch Centrum.</al><tussenkop>Financiering</tussenkop><al>De kosten voor het Brabants Historisch Centrum worden gedragen door de partners.
                    Zie de bij de regeling behorende bijlage.</al><tussenkop>Het sturingsmodel</tussenkop><al>De participanten in het openbaar lichaam benoemen ieder, al dan niet
                    gezamenlijk, een aantal bestuursleden. De partners kunnen de 'eigen'
                    bestuursleden ontslaan en zij kunnen de 'eigen' bestuursleden aanwijzingen geven
                    hoe te handelen in het bestuur. Ook kunnen de partners, zoals hiervoor
                    besproken, volgens artikel 2, vijfde lid, gezamenlijk aanwijzingen geven. De
                    leden van het bestuur opereren 'at arms length'. Het bestuur blijft echter zelf
                    verantwoordelijk voor de besluitvorming. Het beslist bij meerderheid van
                    stemmen. Het bestuur stelt het bestuursreglement vast.</al><al>De directeur heeft de dagelijkse leiding over het Brabants Historisch
                    Centrum.</al><al>De directeur van het Brabants Historisch Centrum is integraal manager en
                    resultaatverantwoordelijk. De bedrijfsvoering (inzet personeel en middelen) en
                    de wijze waarop resultaten gehaald worden, is de verantwoordelijkheid van het
                    Brabants Historisch Centrum zelf. De directeur legt verantwoording af aan het
                    bestuur. De directeur kan zelf contractuele verplichtingen aangaan, binnen de
                    grenzen van zijn mandaat.</al><al>De relatie tussen directeur en bestuur wordt in de artikelen 29 en 30
                    uitgewerkt.</al><al>De minister blijft zijn algemene verantwoordelijkheid met betrekking tot het
                    archiefwezen behouden. Zijn specifieke verantwoordelijkheid voor 'zijn'
                    archieven is, in een openbaar lichaam op basis van de WGR, in samenwerking met
                    de andere partij(en) vormgegeven. Dit geldt ook voor de overige deelnemende
                    bestuursorganen.</al><al>De minister kan geen directe invloed uitoefenen op de besluitvorming van het
                    bestuur. De partners hebben wel de volgende bevoegdheden.</al><lijst><li nr="-"><al>Geven van algemene aanwijzingen (artikel 2).</al></li><li nr="-"><al>Geven van instructies (aanwijzingen) aan 'hun' bestuursleden (kenmerk
                            van WGR).</al></li><li nr="-"><al>Ter verantwoording roepen van de bestuursleden (artikel 8).</al></li><li nr="-"><al>Ontslaan van leden van het bestuur (artikel 9 ).</al></li><li nr="-"><al>Vaststellen van financiële bijdragen en bestemming batig saldo (artikel
                            16 en artikel 22).</al></li><li nr="-"><al>Goedkeuren van de jaarbegroting (artikel 18).</al></li><li nr="-"><al>Goedkeuren van regels voor administratie (artikel 24).</al></li><li nr="-"><al>Vaststellen van regels voor de begroting, financieel verslag,
                            jaarverslag en jaarrekening (artikel 25).</al></li><li nr="-"><al>Vragen van inlichtingen (artikel 27, eerste lid).</al></li><li nr="-"><al>Onderzoeken van de staat van de archieven (artikel 27, tweede lid).</al></li></lijst><al>Daarnaast dient het Brabants Historisch Centrum uiteraard te voldoen aan de
                    eisen die worden gesteld in de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit.</al><tussenkop>Begrotingscyclus</tussenkop><al>In verband met de financiële en beleidsmatige belangen (en daarmee politieke
                    belangen) die de verschillende betrokken overheden hebben bij het Brabants
                    Historisch Centrum is ervoor gekozen die overheden instrumenten te geven om de
                    inhoud van de begroting en bijbehorend beleidsplan te kunnen beïnvloeden.
                    Uitgangspunt is de vierjaarlijkse cyclus van de cultuurnota van het Ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze meerjarenbegroting en het beleidsplan
                    worden dan ook in aansluiting op de cultuurnotacyclus opgesteld. Via het
                    dagelijks en vervolgens algemeen bestuur worden de meerjarenbegroting en het
                    beleidsplan bij de partners ingediend. Op basis van de meerjarenbegroting en het
                    beleidsplan worden door de partners resultaatafspraken gemaakt. Het Brabants
                    Historisch Centrum dient ook een jaarlijkse begroting in. Deze jaarlijkse
                    begroting dient door de partners goedgekeurd te worden. Bij de
                    goedkeuringsprocedure gaat het wel om de vraag of in voldoende mate met de
                    resultaatafspraken in de begroting is rekening gehouden. Uit de jaarlijkse
                    begroting dient te blijken wat de kosten zijn van de afzonderlijke activiteiten
                    en wat in kwalitatieve en kwantitatieve zin de resultaten zijn van die
                    activiteiten.</al><al>Jaarlijks (binnen vier maanden na afloop van het begrotingsjaar) vindt toetsing
                    plaats aan de hand van de jaarrekening en -verslag van het Brabants Historisch
                    Centrum. In deze stukken wordt in ieder geval een relatie gelegd met de
                    goedgekeurde meerjarenbegroting en de goedgekeurde jaarlijkse begroting. Op
                    basis van de jaarrekening en het jaarverslag vindt ieder jaar vaststelling van
                    de bijdrage plaats.</al><al>Het ligt voor de hand dat de inhoud van de meerjarenbegroting, beleidsplan, de
                    jaarlijkse begroting, de jaarlijkse verantwoording, de wettelijke eisen en de
                    eisen uit de gemeenschappelijke regelingen naadloos op elkaar aansluiten. Om dit
                    te bereiken zal op basis van artikel 24 van de regeling een handboek financiële
                    verantwoording worden vastgesteld met daarin eisen en uitgangspunten voor de
                    begroting en de verantwoording.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>.</al><al>Aan rijkszijde treedt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op als
                    partij bij de gemeenschappelijke regeling het Brabants Historisch Centrum.
                    Immers volgens artikel 23 van de Archiefwet 1995 draagt hij de zorg voor de
                    archieven die berusten bij de rijksarchiefbewaarplaatsen.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>.</al><al>Het Brabants Historisch Centrum zal zijn gevestigd in ’s-Hertogenbosch.
                    Daarnaast zal er in één van de deelnemende gemeenten een decentrale
                    archiefvestiging worden gevestigd en, op termijn, in enkele van de deelnemende
                    gemeenten zogenaamde raadpleegpunten (Erfgoedlokalen).</al><al>Zoals in het algemeen deel van deze toelichting al is geschreven, blijft de
                    zorg, dat wil zeggen de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
                    de Archiefwet 1995 ten aanzien van de gemeentelijke archieven in zijn
                    algemeenheid berusten bij de Raad en het College van B&amp;W, ten aanzien van de
                    rijksarchieven bij de minister, en ten aanzien van de waterschapsarchieven bij
                    het bestuur van het waterschap. Op dat beginsel worden om praktische redenen een
                    aantal uitzondering gemaakt zoals hiervoor al uiteengezet is.</al><al>Het openbaar lichaam het Brabants Historisch Centrum voert onder meer de taken
                    uit die aan een beheerder van een archiefbewaarplaats zijn opgedragen, te weten
                    het archiefwettelijke beheer van de overgebrachte archieven. Daarnaast heeft het
                    Brabants Historisch Centrum als taak de zorgdragers te adviseren over een aantal
                    archiefwettelijke zorgtaken die door de zorgdragers uitgeoefend (blijven)
                    worden.</al><al>Op basis van het derde lid, sub d, kunnen een of meer partners ook andere taken
                    opdragen die verband houden met de behartiging van de belangen die in het tweede
                    lid van dit artikel bedoeld zijn. Voor financiering van deze taken uit de
                    algemene middelen van het Brabants Historisch Centrum is vereist dat deze taken
                    zijn beschreven en genoemd in een door de partners goedgekeurd beleidsplan en
                    goedgekeurde begroting. Daarnaast is het mogelijk dat het Brabants Historisch
                    Centrum op uitdrukkelijk afzonderlijk verzoek van één of meerdere partners een
                    taak verricht. Het Brabants Historisch Centrum is slechts tot uitvoering hiervan
                    gehouden indien de opdrachtgever tegelijkertijd ook voldoende aanvullende
                    middelen ter beschikking stelt (zie artikel 16, zevende lid).</al><al>Tot het moment van instelling van het Brabants Historisch Centrum was de
                    rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Noord-Brabant een onderdeel van de
                    rijksarchiefdienst. Die bewaarplaats maakte dus samen met alle andere
                    rijksarchiefbewaarplaatsen in de provincies organisatorisch deel uit van een
                    door de rijksarchiefdienst centraal gestuurd netwerk waarin het rijksbeleid met
                    betrekking tot het archiefbeheer als vanzelf tot uitvoering kwam. Omdat het
                    Brabants Historisch Centrum in juridisch organisatorische zin geen deel meer
                    uitmaakt van de rijksarchiefdienst is ervoor gekozen om in het vierde lid
                    uitdrukkelijk vast te leggen dat het Brabants Historisch Centrum het
                    archiefwettelijke beheer mede voert op basis van het door de minister, gemeenten
                    en waterschappen gevoerde beleid op het terrein van het archiefbeheer; het gaat
                    bijvoorbeeld om het beleid van de minister in het kader van de cultuurnota. Dat
                    beleid is dan ook uitdrukkelijk richtsnoer bij het opstellen van de meerjarige
                    en jaarlijkse beleidsplannen en begrotingsstukken.</al><al>Het zesde lid is opgenomen ter garantstelling aan kredietverstrekkers (zie de
                    Circulaire Aansprakelijkheid voor schulden van openbare lichamen op grond van de
                    Wet Gemeenschappelijke Regelingen - BZK, 8 juli 1999).</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>.</al><al>Het wordt niet in het belang van de bezoekers geacht als aan de zich
                    langzamerhand landelijk ontwikkelende uniformiteit ten aanzien van de tarieven
                    afbreuk gedaan zou worden. Daarom is er uitdrukkelijk voor gekozen om voor de in
                    de artikelen 14 en 18 van de Archiefwet 1995 bedoelde kosten de tarieven te
                    volgen, die zijn vastgesteld door of namens de minister.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>.</al><al>Met overeenkomstige toepassing van artikel 8, derde lid, van de WGR wordt in dit
                    artikel geregeld welke archiefwettelijke (zorg)taken van de overheden, die aan
                    het Brabants Historisch Centrum zijn overgedragen door het algemeen bestuur
                    worden uitgeoefend. Vastgelegd is tevens dat het algemeen bestuur de directeur
                    benoemt. Het algemeen bestuur kan de directeur benoemen tot rijksarchivaris,
                    gemeentearchivaris en waterschapsarchivaris met inachtneming van het daaromtrent
                    bepaalde in de Archiefwet 1995. Indien de directeur niet tevens rijksarchivaris,
                    gemeentearchivaris en waterschapsarchivaris is dan moet een ander als zodanig
                    worden benoemd.</al><al>Artikel 12.</al><al>Het dagelijks bestuur stelt zelf de regels ten aanzien van zijn vergaderingen
                    vast. Hierbij kan het model dat de VNG heeft opgesteld inzake de vergaderingen
                    van burgemeesters en wethouders, voorzover dit nuttig en dienstig is, worden
                    gevolgd.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>.</al><al>Het derde lid regelt de ondertekening van de stukken door de voorzitter. Voor
                    alle duidelijkheid wordt er op deze plaats op gewezen dat de meeste stukken die
                    van het algemeen of het dagelijks bestuur uitgaan ingevolge artikel 31, tweede
                    lid, eveneens de handtekening van de directeur krijgen. </al><al>Artikel 16.</al><al>In aansluiting op artikel 16, eerste lid van de Regeling openbaar lichaam
                    Brabants Historisch Centrum wordt bepaald dat de minister, de raden van de
                    gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen, op basis van een
                    goedgekeurde begroting, een jaarlijkse bijdrage verstrekken, ter uitvoering van
                    deze regeling.</al><tussenkop>Structurele bijdragen</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De jaarlijkse structurele bijdragen (inclusief huurlasten) van de
                            partners in de regeling zijn, vanwege de overzichtelijkheid, vermeld in
                            de bijlage bij de regeling. Deze bijdragen hebben het karakter van een
                            vast budget.</al></li><li nr="-"><al>De partners maken vierjaarlijks afspraken met het Brabants Historisch
                            Centrum. Binnen die kaders dient zich de jaarlijkse begroting te
                            bewegen. Na de jaarlijkse verantwoording wordt de bijdrage definitief
                            vastgesteld. Verwezen wordt naar het Algemeen deel van deze toelichting
                            onder Begrotingscyclus.</al></li><li nr="-"><al>De structurele bijdrage kan jaarlijks in verband met loon- en
                            prijsontwikkelingen worden aangepast met een door de minister vast te
                            stellen percentage. De structurele bijdragen van de gemeenten en de
                            waterschappen worden in verband met loon- en prijsontwikkelingen
                            jaarlijks verhoogd met een percentage dat voor dit doel is
                            vastgesteld.</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage vangt aan op het moment dat de regeling ‘Brabants Historisch
                            Centrum’ in werking treedt. Indien dit niet samenvalt met het begin van
                            een kalenderjaar, wordt de bijdrage naar evenredigheid toegekend, met
                            ingang van de eerste dag van de maand waarin de regeling wordt
                            afgekondigd.</al></li><li nr="-"><al>Het Rijk, de gemeenten en de waterschappen zullen er steeds voor
                            zorgdragen dat de bovengenoemde bijdragen expliciet in hun respectieve
                            begrotingen worden opgenomen.</al></li></lijst><tussenkop>Incidentele bijdragen</tussenkop><al>-De incidentele bijdragen en de verleende garanties in het kader van de start
                    van de nieuwe organisatie, zijn eveneens geregeld in de afzonderlijke
                    bijlage.</al><al>In het vierde lid wordt bepaald dat afspraken gemaakt dienen te worden over de
                    inbreng van vermogensbestanddelen. Wat betreft de vermogensbestanddelen die door
                    het Rijk aan het Brabants Historisch Centrum worden overgedragen is de
                    beleidslijn 'overdracht van vermogensbestanddelen' van het ministerie van
                    Financiën van toepassing. Deze beleidslijn houdt in dat moet worden afgerekend
                    over de overgedragen vermogensbestanddelen. In lid vijf wordt vermeld dat bij
                    gewijzigde financiering zo veel mogelijk een relatie wordt gelegd met de door
                    het Brabants Historisch Centrum te verrichten taken. In het zesde lid wordt
                    bepaald dat de huurovereenkomst tussen de Rijksgebouwendienst en het
                    Rijksarchief met het inwerkingtreden van deze regeling wordt omgezet in een
                    huurovereenkomst tussen de Rijksgebouwendienst en het Brabants Historisch
                    Centrum. In het zevende lid wordt bepaald dat de financiering van het Brabants
                    Historisch Centrum geschiedt onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever
                    voldoende gelden fourneert. Het achtste lid regelt dat als een opdrachtgever een
                    bijzondere opdracht geeft (zie hiervoor de toelichting op artikel 2) de kosten
                    hiervan gedragen worden door de opdrachtgever.</al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>.</al><al>De cultuurbegroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
                    wordt voor een belangrijk deel geregeerd door het cultuurnotatraject, waarin de
                    beschikbare begrotingsgelden van het Rijk voor perioden van vier jaar aan de
                    verschillende terreinen van de cultuur worden toegewezen (uiteraard onder het
                    voorbehoud dat de begrotingswetgever jaarlijks met die voornemens instemt). Ook
                    de financiering van de Rijksarchiefdienst die weer mede bepalend is voor de
                    financiering van het Brabants Historisch Centrum loopt in dat traject mee. Om
                    die reden is geregeld dat het Brabants Historisch Centrum een meerjarenbegroting
                    en beleidsplan opstelt. Op basis van de meerjarenbegroting en het beleidsplan
                    maken de minister, gemeenten en waterschappen resultaatafspraken met het
                    Brabants Historisch Centrum (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>.</al><al>Het dagelijks bestuur stelt ook een jaarlijkse begroting met toelichting op.
                    Deze begroting is verplicht in het kader van de WGR wetgeving. De begroting
                    dient inzicht te geven in de baten en lasten van de afzonderlijke activiteiten
                    en de beoogde resultaten van dat jaar. Omdat de overheden zo veel mogelijk
                    willen aansluiten op de cultuurnotacyclus is de meerjarenbegroting uitgangspunt
                    en dient de jaarlijkse begroting daarop te worden afgestemd.</al><al>Artikel 19.</al><al>Het kan zijn dat de ingediende (meerjaren)begroting gewijzigd dient te worden
                    bijvoorbeeld omdat de resultaatafspraken daarin onvoldoende verdisconteerd zijn
                    of als gevolg van gewijzigde omstandigheden. In dat geval dient de procedure van
                    artikel 18 zoveel mogelijk doorlopen te worden.</al><al>Artikel 21.</al><al>De jaarrekening en het jaarverslag dienen als basis voor het afleggen van
                    rekening en verantwoording tegenover de minister, gemeenten en waterschappen.
                    Die stukken omvatten ten minste een overzicht van inkomsten en uitgaven
                    (exploitatierekening), een balans, alsmede een toelichting op beide stukken.
                    Voor de inhoud van deze stukken kan aansluiting worden gezocht bij de bepalingen
                    van de afdelingen 1 tot en met 6 van Boek 2, titel 9 van het Burgerlijk Wetboek.
                    De inrichting van de begroting en van het jaarverslag zijn op elkaar afgestemd.
                    De jaarrekening en het jaarverslag worden zowel op getrouwheid als op
                    rechtmatigheid onderzocht. Zie ook de toelichting op artikel 25.</al><al>Artikel 25.</al><al>De mogelijkheid om regels te stellen over het financieel beheer en de inrichting
                    van de (meerjaren) begroting, het jaarverslag en de jaarrekening en de
                    aandachtspunten voor de accountantscontrole zijn voor de minister, gemeenten en
                    waterschappen van belang voor de beoordeling van de wijze waarop het Brabants
                    Historisch Centrum de opgedragen taak behartigt en meer in het bijzonder voor de
                    beoordeling van de jaarlijks te bereiken resultaten, bedoeld in artikel 17. Ook
                    kunnen dergelijke regels van belang zijn voor de intensiteit van de
                    accountantscontrole. Om een ordelijk financieel beheer te waarborgen zullen nog
                    nadere regels worden gesteld. Hierbij zal rekening worden gehouden met Boek 2,
                    titel 9 van het Burgerlijk Wetboek en de Algemene Subsidieverordening
                    Noord-Brabant en kan desgewenst gebruik worden gemaakt van het ‘Handboek
                    financiële verantwoording Historische Centra’ van de RijksArchiefdienst of het
                    ‘Het handboek verantwoording cultuursubsidies’ van het Ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschap.</al><al> Artikel 26.</al><al>Bij dit artikel gaat het om de archieven die door het Brabants Historisch
                    Centrum zelf gevormd worden. De Archiefwet 1995 verplicht immers om in geval van
                    een gemeenschappelijke regeling een voorziening te treffen omtrent de zorg voor
                    de eigen te produceren archiefbescheiden. Met de onderhavige bepaling wordt die
                    verplichting nagekomen.</al><al>Artikel 27.</al><al>Teneinde de verantwoordelijkheid van de minister, de gemeenten en de
                    waterschappen voor de staat van de archieven te kunnen waarborgen, is opgenomen
                    dat de minister, de gemeenten en de waterschappen te allen tijde toezicht daarop
                    kunnen uitoefenen.</al><al>Artikel 29.</al><al>De in het tweede lid bedoelde voordracht voor een directeur kan uit meerdere
                    namen bestaan. Gebruikelijk is dat de instantie die de beslissing neemt, zich
                    houdt aan de voorgedragen volgorde.</al><al>Artikel 30.</al><al>Uit artikel 30 blijkt dat de dagelijkse werkzaamheden verbonden aan het
                    archiefbeheer alsmede archiefwettelijke taken en bevoegdheden die aan het
                    Brabants Historisch Centrum zijn overgedragen in hoofdzaak in handen gelegd zijn
                    van de directeur.</al><al>Artikel 33.</al><al>Een van de voordelen van een gemeenschappelijke regeling is dat hierdoor een
                    eenduidige rechtspositie van de medewerkers kan worden bereikt. In de regeling
                    is gekozen voor het toepassen van de rechtspositieregeling van de provincie
                    Noord-Brabant.</al><al>Artikel 34.</al><al>Gezien het feit dat het archiefwezen in Nederland in verandering is en dat het
                    werkgebied van de rijkspartner, het rijksarchief in de provincie Noord-Brabant,
                    in deze gemeenschappelijke regeling de gehele provincie Noord-Brabant bestrijkt,
                    wordt de mogelijkheid van toetreding tot deze regeling van andere partners die
                    werkzaam zijn op het terrein van het cultureel erfgoed nadrukkelijk
                    opengehouden.</al><al>Artikel 39.</al><al>De inwerkingtreding is gekoppeld aan de inschrijving van de regeling
                    overeenkomstig artikel 26 WGR. Inschrijving zal evenwel pas kunnen plaatsvinden
                    nadat de gemeenten de goedkeuring van de provincie (artikel 36 WGR) hebben
                    verkregen en de minister via de procedure van artikel 97, tweede lid, WGR de
                    instemming van het parlement heeft verkregen.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Toelichting op de Regeling Brabants Historisch Centrum</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>