<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR203556_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Courant 3-3-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand artikelen 8 lid1 onderdeel c en 30.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>04-09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wet Werk en Bijstand</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>[na wijziging door Wijzigingsverordening Wwb gemeente Diemen per 1
                            januari 2012]</cursief></al><al>Verordening afstemming bijstand, Ioaw en Ioaz gemeente Diemen</al><lijst><li nr="·"><al>De Raad van de gemeente Diemen</al></li><li nr="·"><al>gezien het advies van de Commissie Sociale Infrastructuur</al></li><li nr="·"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari
                                2004</al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en 18 van de Wet
                                werk en bijstand</al></li></lijst><al>(Wwb),</al><al>·gelet op de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)</al><al>·gelet op de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)</al><al>·overwegende dat het noodzakelijk is het afstemmen van de Algemene bijstand,
                        de Wet</al><al>inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers</al><al>en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen</al><al>zelfstandigen bij verordening te regelen;</al><al>·besluit vast te stellen de volgende afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en
                        Ioaz gemeente Diemen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                        worden</al><al>omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (Wwb),
                        de Wet</al><al>inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers</al><al>(Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte</al><al>gewezen zelfstandigen (Ioaz) de Algemene wet bestuursrecht en de
                        Gemeentewet.</al><al>2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand
                        (WWB)</al><al>alsmede de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte</al><al>werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al><lijst><li nr="3."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van
                                Diemen</al></li><li nr="4."><al>de raad: de gemeenteraad van Diemen</al></li><li nr="5."><al>belanghebbende: de persoon die bijstand of de persoon die een
                                inkomensvoorziening</al></li></lijst><al>wet Ioaw, inkomensvoorziening wet Ioaz heeft aangevraagd dan wel ontvangt of
                        heeft</al><al>ontvangen; indien dit een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk
                        van de</al><al>echtgenoten verstaan.</al><al>6.In deze verordening wordt verstaan onder norm: De van toepassing zijnde
                        Wwb norm.</al><al>Indien sprake is van een Ioaw of Ioaz uitkering dan geld de Wwb norm die
                        van</al><al>toepassing zou zijn in de situatie van belanghebbende(n)</al><al><vet>7. </vet>In deze verordening wordt verstaan onder uitkering: De op de
                        belanghebbende van</al><al>toepassing zijnde Wet (Wwb, Ioaw of Ioaz)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en
                        bijstand en de artikelen</al><al>20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze</al><al>werknemers en 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Ioaz worden onderscheiden in de
                        volgende</al><al>categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door burgemeester en
                                wethouders</al></li></lijst><al>gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingplicht als bedoeld
                        in</al><al>artikel 17 van de Wet werk en bijstand respectievelijk artikel 13 van de
                        Ioaw of</al><al>artikel 13 van de Ioaz voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte
                        of tot een</al><al>te hoog bedrag ontvangen aan uitkering;</al><al>2.het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in
                        paragraaf 6.3</al><al>van de Wet werk en bijstand.</al><lijst><li nr="2."><al>tweede categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door burgemeester en
                                wethouders</al></li></lijst><al>gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingplicht bedoeld
                        in</al><al>artikel 17 van de wet Werk en bijstand respectievelijk artikel 13 van de
                        Ioaw of</al><al>artikel 13 van de Ioaz als dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                        te hoog</al><al>bedrag ontvangen aan uitkering;</al><al>2.het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het
                        UWV-werkbedrijf,</al><al>zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet werk en bijstand.</al><lijst><li nr="3."><al>derde categorie:</al></li><li nr="1."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de</al></li></lijst><al>voorziening in het bestaan;</al><al>2.het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in
                        dienstbetrekking</al><al>te verkrijgen;</al><al>3.het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken
                        van</al><al>geboden reïntegratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of
                        onvoldoende</al><al>meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                        arbeidsinschakeling,</al><al>scholing of sociale activering.</al><lijst><li nr="4."><al>vierde categorie:</al></li><li nr="1."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het zich ernstig misdragen tegenover een medewerker belast met de
                                uitvoering van</al></li></lijst><al>de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Percentage van de verlaging</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de uitkering bedoeld
                        in artikel</al><al>18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand respectievelijk artikel 20 van
                        de Ioaw en</al><al>artikel 20 van de Ioaz vast op:</al><lijst><li nr="1."><al>vijf procent van de norm bij gedragingen van de eerste
                                categorie;</al></li><li nr="2."><al>tien procent van de norm bij gedragingen van de tweede
                                categorie;</al></li><li nr="3."><al>twintig procent van de norm bij gedragingen van de derde
                                categorie;</al></li><li nr="4."><al>honderd procent van de norm bij gedragingen van de vierde
                                categorie.</al></li></lijst><al><cursief>2. </cursief>Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van
                        het eerste lid, het percentage</al><al>van de verlaging hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf
                        procent en een</al><al>maximum van honderd procent, rekening houdend met de ernst van de gedraging,
                        de</al><al>mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Periode van de verlaging</titel></kop><al>1.Een verlaging van de uitkering bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                        wet of de</al><al>artikelen 20 Ioaw en 20 Ioaz vindt plaats:</al><al>1.voor de duur van een kalendermaand, wanneer sprake is van een eerste</al><al>verwijtbare gedraging die niet meer hersteld kan worden;</al><al>2.voor de duur van drie kalendermaanden voor een gedraging die door</al><al>belanghebbende kan worden hersteld;</al><al>3.voor de duur van drie kalendermaanden, wanneer sprake is van een
                        tweede</al><al>verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen
                        twaalf</al><al>maanden na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen bij een derde en volgende verwijtbare
                        gedraging</al><al>van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de eerste
                        als</al><al>verwijtbaar aangemerkte gedraging de uitkering voor onbepaalde duur
                        verlagen,</al><al>rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                        en de</al><al>individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>3.De verlaging wordt herbeoordeeld indien belanghebbende gedurende de
                        periode van</al><al>verlaging aantoont dat het verzuim is hersteld. Indien een gedraging is
                        hersteld kan de</al><al>verlaging worden gestopt met ingang van de eerste dag nadat belanghebbende
                        heeft</al><al>aangetoond zijn gedraging te hebben hersteld. De verlaging duurt tenminste
                        een</al><al>kalendermaand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders heroverwegen de in artikel 4, tweede lid,</al><al>bedoelde verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging voor
                        een</al><al>periode langer dan drie maanden of voor onbepaalde duur is voortgezet,
                        binnen een</al><al>termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
                        verlaging of</al><al>voortzetting van de verlaging.</al><al>2.In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordelen
                        burgemeester</al><al>en wethouders of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van</al><al>Belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening, beëindiging
                        of</al><al>voortzetting van de verlaging.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen bij een besluit tot voortzetting van de
                        verlaging</al><al>het percentage van de verlaging verdubbelen, rekening houdend met de ernst
                        van de</al><al>gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van
                        de</al><al>belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Waarschuwing en dringende redenen</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het verlagen van de uitkering
                        en</al><al>volstaan met een schriftelijke waarschuwing, als de verwijtbare gedraging
                        bedoelt in</al><al>artikel 2 niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                        verlenen van</al><al>uitkering en de gedraging niet plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
                        na de</al><al>datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing
                        is</al><al>gegeven.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een verlaging van de uitkering
                        niet uit</al><al>te voeren, als er sprake is van dringende omstandigheden. Omstandigheden die
                        het</al><al>rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging
                        zijn geen</al><al>dringende redenen.</al><al><vet>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de
                            WIJ per 1</vet></al><al><vet>januari 2012</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><al>1.Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande', 'alleenstaande
                        ouder' en 'gezin'</al><al>worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in
                        artikel 4</al><al>van de wet.</al><al>2.Waar in deze verordening wordt gesproken over 'gehuwde(n)' of
                        'gehuwdennorm'</al><al>hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als 'gezin',
                        bedoeld in</al><al>artikel 4, respectievelijk 'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid,
                        van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6b:</nr><titel>Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak</titel></kop><al>Onder het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in
                        artikel 2 lid 3</al><al>sub 3, wordt vanaf 1 januari 2012 mede verstaan: het onvoldoende meewerken
                        aan het</al><al>opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6c:</nr><titel>Afstemming op de bijzondere bijstand die wordt verstrekt in
                            aanvulling op</titel></kop><al><vet>algemene bijstand</vet></al><al>Een verlaging op grond van gedragingen, benoemd in deze verordening, kan
                        eveneens worden</al><al>toegepast op de bijzondere bijstand die aan belanghebbenden op grond van
                        artikel 12, van de</al><al>wet, wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Handhaving</titel></kop><al><cursief>[vervallen bij wijziging Afstemmingsverordening door
                            Wijzigingsverordening Wwb gemeente</cursief></al><al><cursief>Diemen van 15 januari 2010]</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>1.Uitvoering: De uitvoering van deze verordening berust bij het college</al><al>van burgemeester en wethouders.</al><al>2.Citeertitel: Deze verordening kan worden aangehaald als:
                        Afstemmingsverordening</al><al>Wwb, Ioaw en Ioaz</al><al>3.Inwerkingtreding: Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                        het</al><al>verstrijken van een termijn van zes weken na 1 maart 2004.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad voornoemd in zijn openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><cursief>[red.: Deze toelichting is niet gewijzigd door Wijzigingsverordening
                        Wwb gemeente Diemen</cursief></al><al><cursief>van 15 januari 2010. Dit betekent dat de toelichting is gebaseerd op de
                        oorspronkelijke tekst</cursief></al><al><cursief>van de Afstemmingsverordening]</cursief></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Definities</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen.</al><al>sub b. bijstand: Onder bijstand wordt in deze verordening uitdrukkelijk
                        alleen verstaan de</al><al>daarop van toepassing zijnde norm plus de toeslag. De verlaging is dus
                        alleen van toepassing</al><al>op de norm plus toeslag. De wet biedt de keuze om of de bijstand of de
                        langdurigheidtoeslag</al><al>te verlagen, echter aan verlaging van de langdurigheidtoeslag zijn een
                        aantal bezwaren</al><al>verbonden. De Iangdurigheidstoeslag wordt uitgekeerd als de belanghebbende
                        hiervoor een</al><al>aanvraag indient en aan de voorwaarden voldoet; het tijdstip van uitbetaling
                        varieert dus per</al><al>geval. Als de bijstand wegens verwijtbaar gedrag moet worden verlaagd, zou
                        dat kunnen</al><al>leiden tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat in het ene
                        geval de</al><al>langdurigheidtoeslag reeds is uitbetaald en daarmee aan verlaging ontkomt,
                        terwijl in het</al><al>andere geval waarin de toeslag nog niet is uitbetaald deze wel aan verlaging
                        kan of moet</al><al>worden onderworpen. Om dit bezwaar te ondervangen zou men kunnen overwegen
                        om in</al><al>voorkomende gevallen de verlaging met terugwerkende kracht op te leggen,
                        maar dat is alleen</al><al>mogelijk als ook de gedraging zich in het verleden heeft voorgedaan (men kan
                        immers niet de</al><al>bijstand verlagen over een periode waarin aan alle verplichtingen is
                        voldaan). Dit brengt het</al><al>bezwaar met zich mee dat de uitvoering in iedere situatie de keuze zou
                        moeten maken tussen</al><al>verlaging van de bijstand of de langdurigheidtoeslag, hetgeen vervolgens ook
                        weer kan leiden</al><al>tot een verschil in behandeling van overigens gelijke gevallen. Door de
                        langdurigheidtoeslag</al><al>niet onder deze verordening te laten vallen is een gelijke behandeling beter
                        gewaarborgd. Wel</al><al>kan het verwijtbaar niet nakomen de plicht tot arbeidsinschakeling
                        natuurlijk gevolgen hebben</al><al>voor een toekomstige aanspraak op de langdurigheidtoeslag, omdat de
                        belanghebbende niet</al><al>langer voldoet aan de voorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 2 en 3 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                        verwijtbare</al><al>gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan (in artikel 3) een
                        gewicht is</al><al>toegekend in de vorm van een verlagingpercentage. De categorieën zijn
                        gerangschikt naar</al><al>toenemende zwaarte. In de indeling in categorieën is uitdrukking gegeven aan
                        het belang dat</al><al>in de WWB wordt gehecht aan de reïntegratieverplichting. De gedragingen
                        welke direct</al><al>betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de inschakeling in de
                        arbeid, met</al><al>uitzondering van het niet of niet volledig verstrekken van inlichtingen ten
                        behoeve van de</al><al>reïntegratie en het niet ingeschreven zijn bij het CWI, zijn daarom
                        ondergebracht in de twee</al><al>zwaarste categorieën (categorie 3 en 4).</al><al>Artikel 2 lid 1. eerste categorie</al><al>1.Het gaat hierbij om relatief lichte schendingen van de algemene, uit de
                        wet</al><al>voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingplicht, zoals het niet tijdig
                        inleveren van</al><al>de inkomstenverklaring of het niet naar behoren verstrekken van inlichtingen
                        die van</al><al>belang kunnen zijn bij de arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet
                        gaan om</al><al>inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen
                        consequenties hebben</al><al>voor (de hoogte van) het recht op bijstand. Overigens kan het niet
                        verstrekken van</al><al>bepaalde inlichtingen er natuurlijk wel toe leiden dat het recht niet kan
                        worden</al><al>vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie waarin de belanghebbende ook na
                        het</al><al>verstrijken van de hersteltermijn geen inkomstenverklaring inlevert of niet
                        verschijnt</al><al>op een oproep voor een periodiek heronderzoek.</al><al>2.De aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden
                        opgelegd. Dat</al><al>kan zowel plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een later stadium,
                        zodra de</al><al>omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om specifieke
                        verplichtingen,</al><al>die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het recht, maar wel
                        de</al><al>arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden met aard en
                        doel van</al><al>de bijstand. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te
                        werken aan</al><al>een schuldhulpverleningstraject of de verplichting een medische behandeling
                        te</al><al>ondergaan.</al><al>Artikel 2 lid 2. Tweede categorie</al><al>1.Het betreft hier vergelijkbare gedragingen als die van de eerste categorie
                        onder a, maar</al><al>met dit verschil dat het in deze categorie gaat om inlichtingen die direct
                        van invloed</al><al>zijn op het recht op bijstand. Men moet hierbij met name denken aan gegevens
                        over de</al><al>woonsituatie of over de hoogte van genoten inkomsten of middelen die tot
                        het</al><al>vermogen worden gerekend, waarvan de belanghebbende redelijkerwijs had
                        kunnen</al><al>begrijpen dat deze van belang waren voor het recht op bijstand. Er is in
                        deze situaties</al><al>sprake van fraude wanneer de belanghebbende de bedoelde inlichtingen bewust
                        heeft</al><al>verzwegen. Waren de inlichtingen wel tijdig verstrekt, dan zou dat hebben
                        geleid tot</al><al>het lager vaststellen van het recht op bijstand of tot beëindiging van de
                        bijstand.</al><al>2.De WWB hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling
                        (artikel 9</al><al>WWB). De inschrijving bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) is een
                        eerste,</al><al>relatief eenvoudige stap op weg naar reïntegratie in het arbeidsproces. Het
                        niet</al><al>ingeschreven staan bij het CWI betekent onvermijdelijk een vertraging van
                        de</al><al>reïntegratie, in het bijzonder voor de doelgroep die geacht wordt op eigen
                        kracht naar</al><al>reguliere arbeid uit te stromen.</al><al>Artikel 2 lid 3. Derde categorie</al><al>1.Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        direct gevolgen</al><al>voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld wanneer
                        iemand</al><al>door eigen schuld het recht op een voorliggende voorziening verspeelt en
                        daardoor</al><al>(eerder) in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van
                        tekortschietend</al><al>besef van verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld sprake als iemand door eigen
                        toedoen</al><al>het recht op WW verliest (door niet tijdig na ontslag WW aan te vragen) of
                        naderhand</al><al>ontvangen middelen op onverantwoorde wijze heeft besteed, door sneller
                        dan</al><al>anderhalf maal de bijstandsnorm in te teren.</al><al>2.Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                        belanghebbende is</al><al>verplicht een minimaal aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op
                        verzoek de</al><al>bewijsstukken te tonen. Het exacte aantal verplichte sollicitaties zal
                        afhangen van het</al><al>aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met mededeling van mondelinge</al><al>sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden
                        geverifieerd</al><al>dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.</al><al>3.Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                        belanghebbende, die</al><al>niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te
                        voorzien, de</al><al>verplichting worden opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar
                        zijn</al><al>mogelijkheden en de benodigde reïntegratievoorzieningen of om deel te nemen
                        aan</al><al>een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom.
                        De</al><al>arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                        deze</al><al>verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen weer gevolgen heeft voor de
                        duur</al><al>van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van
                        medewerking aan</al><al>een traject kan er immers toe leiden dat een traject ernstig wordt vertraagd
                        of zelfs</al><al>moet worden afgebroken. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake
                        als</al><al>de belanghebbende niet op afspraken bij het reïntegratiebedrijf verschijnt,
                        opdrachten</al><al>in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet
                        coöperatief opstelt</al><al>ten aanzien van een diagnostisch onderzoek.</al><al>Artikel 2 lid 4. Vierde categorie</al><al>1.In deze categorie gedraging gaat het om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld
                        een ontslag</al><al>op staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen wordt
                        een</al><al>eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Tenzij
                        achteraf</al><al>anders blijkt, neemt WIZ de constatering van de UWV dat er sprake is
                        van</al><al>verwijtbaarheid over. Mocht in het bezwaar tegen de weigering van de
                        WW-uitkering</al><al>blijken dat het ontslag niet verwijtbaar is, dan kan er in het kader van de
                        WWB ook</al><al>geen sprake zijn van verwijtbaarheid. Als de belanghebbende afziet van het
                        aanvragen</al><al>van WW, dan zal WIZ zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar
                        is.</al><al>2.Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden
                        dienstverband.</al><al>Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier,
                        fulltime of</al><al>parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de
                        belanghebbende door</al><al>de werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit
                        de</al><al>bijstand te komen.</al><al>3.Met zich ernstig misdragen wordt met name bedoeld agressief gedrag.
                        Onder</al><al>“medewerker belast met de uitvoering van de wet” wordt niet alleen de</al><al>bijstandsconsulent verstaan, maar ook de medewerker van de receptie, de
                        telefonist en</al><al>iedere andere medewerker die namens WIZ met de belanghebbende in contact
                        treedt.</al><al>Onder agressief gedrag wordt verstaan: alle vormen van fysiek geweld, van
                        dreiging</al><al>met geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar geslacht, geloof
                        of ras,</al><al>seksuele intimidatie, vernieling en het dragen van wapens of gevaarlijke
                        voorwerpen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Percentage van de verlaging</titel></kop><al>Artikel 3 lid 1</al><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingpercentage gekoppeld al naar gelang
                        de zwaarte van</al><al>de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke
                        vaststelling van de</al><al>verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de</al><al>individuele omstandigheden moeten worden meegewogen. Het laatste wordt nader
                        uitgewerkt</al><al>in de toelichting bij het tweede lid.</al><al>Artikel 3 lid 2</al><al>Bij de feitelijke vaststelling van de verlaging moeten burgemeester en
                        wethouders</al><al>vanzelfsprekend rekening houden met de individuele situatie van de
                        belanghebbende, maar</al><al>daarnaast ook met de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
                        Zo kan een</al><al>gedraging naar zijn zwaarte aanleiding zijn voor een bepaald
                        verlagingpercentage, maar als de</al><al>belanghebbende blijk heeft gegeven van verder verwijtbaar gedrag af te zien
                        zou het</al><al>onevenredig hard kunnen zijn om het volle percentage toe te passen. Ook
                        hebben de</al><al>categorieën een zekere “bandbreedte”; niet elke gedraging binnen dezelfde
                        categorie is even</al><al>ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect zal dus in de
                        belangenafweging moeten</al><al>worden betrokken. Zo zal er met name bij agressie sprake zijn van een breed
                        scala aan</al><al>feitelijke gedragingen, van relatief “onschuldig” (schreeuwen of schelden)
                        tot zeer ernstig</al><al>(fysiek geweld). Ook kan een rol spelen of een dergelijke gedraging zich
                        voor de eerste maal</al><al>voordoet of dat in het verleden al eerder van verwijtbaar gedrag sprake is
                        geweest. In de</al><al>praktijk zal een eerste gedraging, afhankelijk van ernst en verwijtbaarheid,
                        veelal kunnen</al><al>leiden tot de vaststelling van een lager percentage en slechts in
                        uitzonderlijke gevallen tot een</al><al>hoger percentage.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Periode van de gedraging</titel></kop><al>Artikel 4 lid 1</al><al>Het eerste lid regelt de duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub
                        a) en bij recidive</al><al>binnen twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan hoogstens leiden tot
                        een verlaging</al><al>voor de duur van drie kalendermaanden, een tweede gedraging tot eveneens tot
                        maximaal drie</al><al>kalendermaanden. Bepalend voor recidive is de datum waarop de eerste
                        gedraging als</al><al>verwijtbaar is aangemerkt en de belanghebbende hiervan redelijkerwijs op de
                        hoogte had</al><al>kunnen zijn, dus de verzenddatum van de beschikking naar aanleiding van de
                        eerste</al><al>gedraging. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen gedragingen die
                        door de</al><al>belanghebbende hersteld kunnen worden (bijvoorbeeld sollicitatie
                        verplichtingen) en</al><al>gedragingen die niet meer hersteld kunnen worden (bijvoorbeeld onverantwoord
                        vermogen</al><al>interen)</al><al>Artikel 4 lid 2</al><al>Het tweede lid regelt de duur van de verlaging bij volharding. Van
                        volharding is in beginsel</al><al>sprake bij een derde en volgende gedraging van gelijke of hogere categorie,
                        ook weer binnen</al><al>twaalf maanden na de eerste gedraging. Omdat een verlaging voor onbepaalde
                        duur relatief</al><al>grote gevolgen heeft voor de belanghebbende, geldt hier bij uitstek het
                        vereiste van een</al><al>zorgvuldige belangenafweging. Uitdrukkelijk is daarom de mogelijkheid
                        opengelaten om ook</al><al>bij volharding een verlaging voor een bepaalde duur, tot maximaal drie
                        maanden, op te</al><al>leggen.</al><al>Artikel 4 lid 3</al><al>Het derde lid regelt de mogelijkheid om de verlaging te herzien of ongedaan
                        te maken</al><al>indienbelanghebbende zelf aantoont binnen de periode van de maatregel zijn
                        gedraging te</al><al>hebben hersteld. Het zal hier veelal gaan om arbeidsverplichtingen of
                        verplichtingen waar</al><al>belanghebbende zelf zorg kan dragen voor herstel. Deze verantwoordelijkheid
                        wordt</al><al>uitdrukkelijk bij de klant gelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><al>Artikel 5 lid 1</al><al>Artikel 18, derde lid, WWB schrijft voor dat burgemeester en wethouders een
                        verlaging</al><al>moeten heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan
                        achterwege</al><al>blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie maanden is
                        opgelegd. Binnen</al><al>drie maanden na de beschikking tot verlaging voor onbepaalde duur moeten
                        burgemeester en</al><al>wethouders beginnen met het onderzoek in het kader van de heroverweging. Dit
                        onderzoek</al><al>kan, afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging, in veel
                        gevallen schriftelijk</al><al>plaatsvinden. Zo kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet
                        nakomen van de</al><al>sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke
                        bewijzen waaruit blijkt</al><al>dat de belanghebbende inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan voldoen.
                        In andere gevallen</al><al>zal het noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de
                        belanghebbende de</al><al>gevraagde gegevens niet overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, dan
                        vindt</al><al>heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens, hetgeen veelal
                        tot voortzetting</al><al>van de verlaging zal leiden.</al><al>Artikel 5 lid 2</al><al>Het resultaat van de heroverweging kan drieledig zijn. De belanghebbende
                        laat blijken zich</al><al>inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging
                        waarvoor de verlaging</al><al>was opgelegd. In dat geval zal de verlaging worden herzien met ingang van
                        het moment</al><al>waarop van verder verwijtbaar gedrag geen sprake meer is, dus met
                        terugwerkende kracht.</al><al>Beëindiging van de verlaging na drie maanden vindt plaats als de
                        belanghebbende</al><al>aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de opgelegde verplichtingen zal
                        houden. Van</al><al>voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                        heroverweging</al><al>nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De voortzetting kan,
                        afhankelijk van</al><al>de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en ernst van de gedraging,
                        plaatsvinden voor</al><al>bepaalde of onbepaalde duur. Bij voortzetting voor onbepaalde duur moet
                        binnen uiterlijk drie</al><al>maanden opnieuw heroverweging plaatsvinden.</al><al>Artikel 5 lid 3</al><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                        verlaging te</al><al>verdubbelen. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de weigerachtigheid om
                        mee te</al><al>werken aan een traject. Als hiervoor een verlaging is opgelegd en de
                        belanghebbende blijft</al><al>medewerking weigeren, ook na een tweede verlaging voor drie maanden en na
                        een derde voor</al><al>onbepaalde duur, dan kan bij de voortzetting het percentage worden
                        verdubbeld. Ook hierbij</al><al>staat een zorgvuldige belangenafweging voorop.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Waarschuwing en dringende redenen</titel></kop><al>Artikel 6 lid 1</al><al>Deze bepaling regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid
                        om bij een eerste</al><al>verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan. De feitelijke
                        gedraging wordt</al><al>vastgelegd en omschreven In een waarschuwingsbeschikking en telt ook dus mee
                        bij</al><al>eventuele recidive. Bij eIke eerste verwijtbare gedraging, van welke
                        categorie dan ook, kan in</al><al>principe met een waarschuwing worden volstaan, mits er in de voorafgaande
                        twee jaar geen</al><al>sprake is geweest van enig ander verwijtbaar gedrag en de gedraging niet tot
                        gevolg heeft</al><al>gehad dat te veel of ten onrechte bijstand is betaald.</al><al>Artikel 6 lid 2</al><al>Deze bepaling doelt op de situatie dat alles in aanmerking genomen de
                        verwijtbare gedraging</al><al>zou moeten resulteren in een verlaging van de bijstand, maar dat er sprake
                        is van dringende</al><al>omstandigheden waarbij tenuitvoerlegging van de verlaging tot onevenredige
                        hardheid zou</al><al>leiden. Het gaat hierbij met name om de situatie dat de belanghebbende als
                        gevolg van de</al><al>verlaging in ernstige financiële nood komt en niet meer aan
                        betalingsverplichtingen kan</al><al>voldoen of een schuldsaneringtraject niet kan nakomen. De omstandigheden
                        mogen niet het</al><al>gevolg zijn van de verwijtbare gedraging. Als iemand door verwijtbaar
                        ontslag in ernstige</al><al>financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van de
                        oplegging van de</al><al>verlaging af te zien. De omstandigheden zijn immers het gevolg van het
                        verwijtbare gedrag.</al><al>Afzien van de uitvoering van een verlaging kan te allen tijde plaatsvinden,
                        ook als er sprake is</al><al>van herhaald verwijtbaar gedrag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Handhaving</titel></kop><al>Er is in artikel 8a van de WWB aangegeven dat de gemeenteraad bij
                        verordening regels stelt</al><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van
                        misbruik en</al><al>oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels mogen in de
                        afstemmingsverordening worden</al><al>opgenomen zodat er geen aparte fraude verordening noodzakelijk is.</al><al>Definitie handhaving:</al><al>Handhaving is het doen naleven van wet- en regelgeving ter bevordering van
                        het juist</al><al>benutten en toepassen van wetten en regelingen overeenkomstig hun doel en
                        strekking.</al><al>Handhaving staat derhalve voor alle bewust ondernomen activiteiten, die erop
                        gericht zijn de</al><al>spontane naleving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat daarbij om
                        zowel</al><al>repressieve als preventieve activiteiten. De afdeling Werk, Inkomen en Zorg
                        rekent het tot</al><al>haar taak uitkeringsgerechtigden duidelijk te maken welke rechten en
                        verplichtingen zij</al><al>hebben en zo de verantwoordelijkheid van deze doelgroepen transparant te
                        maken. De</al><al>afdeling Werk, Inkomen en Zorg benoemt vier groepen activiteiten die er
                        gezamenlijk zorg</al><al>voor dragen dat mensen zich spontaan aan de wet- en regelgeving houden en
                        dat juiste</al><al>uitkeringen worden verstrekt.</al><al>Elementen gericht op voorkoming van fraude (preventie):</al><al>·Vroegtijdige voorlichting aan uitkeringsgerechtigden en andere</al><al>belanghebbenden</al><al>·Optimaliseren dienstverlening</al><al>Elementen gericht op aanpak van fraude (repressie):</al><lijst><li nr="·"><al>Vroegtijdig constateren en afhandelen van
                                overtredingen/fraudesituaties</al></li><li nr="·"><al>Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde
                                fraude.</al></li></lijst><al>De in artikel 7 genoemde onderdelen en de visie elementen zijn uitgewerkt in
                        het</al><al>handhavingsbeleidsplan, dat door het college van Burgemeester en wethouders
                        wordt</al><al>vastgesteld, en onderdeel is van de afstemmingsverordening. Het
                        handhavingsbeleidsplan</al><al>maakt integraal onderdeel uit van de afstemmingsverordening. Een aparte
                        fraudeverordening</al><al>is daarom niet noodzakelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Artikel 8 lid 1</al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                        afstemmingsverordening bij het</al><al>college van Burgemeester en wethouders.</al><al>Artikel 8 lid 2</al><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie
                        van de wetgever</al><al>Artikel 8 lid 3</al><al>De afstemmingsverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                        referendabel.</al><al>De datum van de inwerkingtreding van de afstemmingsverordening moet daarom,
                        met in acht</al><al>name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op ten minste 6 weken na datum
                        publicatie</al><al>gesteld worden.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>