<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR203539_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Wijzigingsverordening Aanscherping Wet Werk en Bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuw, 8 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Wijzigingsverordening Aanscherping Wet Werk en Bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 1e lid Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>wijzigingsverordening van diverse verordeningen (verordeningen zijn ook aangepast)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>WIJZIGINGSVERORDENING AANSCHERPING WET WERK EN BIJSTAND</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Diemen</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van &lt; naam &gt; d.d.
                        &lt; datum &gt;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8, van de
                        Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende, dat intrekking van de Wet investeren in jongeren en wijziging
                        van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012 het noodzakelijk maakt om de
                        verordeningen die hun grondslag vinden in laatstgenoemde wet aan te passen
                        en voorts dat het gewenst wordt geacht het bestaande gemeentelijk beleid als
                        vastgelegd in deze verordeningen zoveel mogelijk in stand te laten, in
                        afwachting van toekomstige wetgeving die de gemeentelijke sociale zekerheid
                        betreft;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de <vet>Wijzigingsverordening Aanscherping Wet werk en
                            bijstand.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I.</nr><titel>Wijziging Re-integratieverordening WWB</titel></kop><al>De Re-integratieverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>Voor het hoofdstuk met de titel ‘Overige bepalingen’ wordt een nieuw
                                hoofdstuk ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met
                                de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari
                                2012. In dat hoofdstuk worden de hierna volgende artikelen
                                ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 8a wordt ingevoegd met als opschrift: Afwijkende bepalingen
                                voor jongeren.</al></li></lijst><al>Artikel 8a luidt als volgt:</al><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de volgende
                        voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet
                        worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van belanghebbenden jonger dan 27
                        jaar:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van
                                        de wet;</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, lid 2 sub j en k.
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="C."><al>Artikel 8b wordt ingevoegd met als opschrift: Verlening
                                        uitsluitend recht tot uitvoering van voorzieningen.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 8b luidt als volgt: Het College is bevoegd een uitsluitend recht als
                        bedoeld in artikel 17 van het Besluit aanbestedingsregels voor
                        overheidsopdrachten te verlenen met betrekking tot het uitvoeren van één of
                        meer voorzieningen door een aanbestedende dienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>II.</nr><titel>Wijziging Toeslagenverordening WWB</titel></kop><al>De Toeslagenverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>Voor het hoofdstuk met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuw
                                hoofdstuk ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met
                                de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari
                                2012. In dat hoofdstuk worden de hierna volgende artikelen
                                ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 8a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging betekenis
                                begrippen. </al></li></lijst><al>Artikel 8a luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="C."><al>Artikel 8b wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging
                                verwijzingen</al></li></lijst><al>Artikel 8b luidt als volgt:</al><al>1.Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c, van
                        de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                        artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>III.</nr><titel>Wijziging Afstemmingsverordening WWB</titel></kop><al>De afstemmingsverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>Voor het artikel met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuw
                                artikel ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met de
                                wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012.
                                In dat artikel worden de hierna volgende artikelen ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 6a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging betekenis
                                begrippen. </al></li></lijst><al>Artikel 6a luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="C."><al>Artikel 6b wordt ingevoegd met als opschrift: Onvoldoende meewerken
                                aan plan van aanpak</al></li></lijst><al>Artikel 6b luidt als volgt:</al><al>Onder ‘ het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen’ als bedoeld
                        in artikel 2 lid 3 sub 3, wordt vanaf 1 januari 2012 mede verstaan: het
                        onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een
                        plan van aanpak. </al><al>D.Artikel 6c wordt ingevoegd met als opschrift: afstemming op de bijzondere
                        bijstand die wordt verstrekt in aanvulling op algemene bijstand</al><al>Artikel 6c luidt als volgt:</al><al>Een verlaging op grond van gedragingen, benoemd in deze verordening, kan
                        eveneens worden </al><al>toegepast op de bijzondere bijstand die aan belanghebbenden op grond van
                        artikel 12, van de wet, </al><al>wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>IV.</nr><titel>Wijziging verordening Langdurigheidstoeslag</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A.Voor het artikel met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuw artikel
                        ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met de wijzigingen in
                        de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012. </al><al>In dat artikel worden de hierna volgende artikelen ingevoegd.</al><lijst><li nr="B."><al>Artikel 4, tweede lid, komt te luiden: Indien één van de gezinsleden
                                op de peildatum is uitgesloten van het recht op
                                langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid
                                van de wet, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op
                                langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid in aanmerking voor
                                een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al></li><li nr="C."><al>Art. 4a wordt ingevoegd met als opschrift; hoogte
                                langdurigheidstoeslag voor huishoudens met een inkomen uit arbeid
                                tussen de 100% en 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li></lijst><al>Art. 4a luidt als volgt:</al><al>De langdurigheidstoeslag voor huishoudens met een inkomen uit arbeid tussen
                        de 100% en 110% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt met € 100
                        verhoogd.</al><al>D.Artikel 5a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging betekenis
                        begrippen. </al><al>Artikel 5a luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="E."><al>Artikel 3a wordt ingevoegd met als opschrift: Langdurig laag inkomen
                                vanaf 1 januari 2012</al></li></lijst><al>Artikel 3a luidt als volgt:</al><al>Vanaf 1 januari 2012 wordt in deze verordening onder ‘langdurig laag
                        inkomen’ als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, verstaan: een
                        inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>V.</nr><titel>Inwerkingtreding en geldingsduur</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van &lt; datum noemen&gt;. </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Achtergrond</vet></al><al>Op 1 januari 2012 treedt de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB)
                    in werking. Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in
                            het bestaan;</al></li><li nr="·"><al>Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet
                            werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="·"><al>Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden;</al></li><li nr="·"><al>Beperking van de doelgroep voor het gemeentelijk minimabeleid.</al></li></lijst><al>Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel
                    van inhoud verandert. Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier
                    weken gelden en hebben zij, anders dan onder het regime van de Wet investeren in
                    jongeren (WIJ), geen recht meer hebben op een werkleeraanbod, maar op
                    begeleiding bij de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg naar
                    economische zelfstandigheid. </al><al>Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het afschaffen van de
                    bijstand voor inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de creatie van een
                    toets op het huishoudinkomen. Voorts worden enkele nieuwe verplichtingen in de
                    WWB opgenomen en wordt de doelgroep voor het minimabeleid beperkt tot de groep
                    minima met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Daarnaast is een
                    verordeningsplicht gecreëerd voor de maatschappelijke participatie van kinderen. </al><al><vet>Consequenties voor gemeentelijk beleid</vet></al><al>Mede vanwege intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 hebben de genoemde
                    ontwikkelingen aanzienlijke consequenties voor het gemeentelijk beleid. Deze
                    consequenties kunnen als volgt worden gecategoriseerd:</al><lijst><li nr="·"><al>De WIJ-verordeningen vervallen per 1 januari 2012. Doordat de WIJ wordt
                            ingetrokken, vervallen de daarop gebaseerde verordeningen eveneens per 1
                            januari 2012. Jongeren vallen door de wetswijziging voortaan onder het
                            WWB-regime (overgangssituaties daargelaten). Dit roept de vraag op of de
                            huidige WWB-verordeningen adequaat voorzien in het regeltechnisch kader
                            voor jongeren, of dat in die verordeningen nog aanpassingen nodig zijn.
                            Dit is een vraag van regeltechnische maar ook van beleidsinhoudelijke
                            aard; </al></li><li nr="·"><al>Door herdefiniëring van de leefvormen die als afzonderlijk
                            bijstandssubject voor bijstand in aanmerking komen alsmede de
                            totstandkoming van de huishoudtoets wordt de kring van rechthebbenden
                            kleiner, hebben meerderjarige kinderen en ouders nog slechts gezamenlijk
                            recht op bijstand en treffen misdragingen van deze belanghebbenden het
                            gezamenlijk inkomen. Dit heeft gevolgen voor het gemeentelijk
                            toeslagenbeleid, het maatregelenbeleid en het minimabeleid en roept de
                            vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of
                            gewenst zijn;</al></li><li nr="·"><al>De nieuwe verplichtingen voor bijstandsgerechtigden hebben gevolgen voor
                            het maatregelenbeleid en het re-integratiebeleid en roepen evenzeer de
                            vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of
                            gewenst zijn;</al></li><li nr="·"><al>De normering van gemeentelijk minimabeleid tot maximaal 110% van de
                            bijstandsnorm kan gevolgen hebben voor de doelgroepomschrijving in de
                            verordening langdurigheidstoeslag De normering kan tevens consequenties
                            hebben voor andere delen van het minimabeleid.</al></li></lijst><al><vet>Keuze voor de wijzigingsverordening ipv integrale heroverweging</vet></al><al>De wetswijziging leidt, zoals gezegd, tot de noodzaak om het gemeentelijk beleid
                    op een aantal terreinen te heroverwegen. Gelet op de zeer korte
                    invoeringstermijn is het echter uitermate lastig om reeds voor 1 januari 2012
                    dit heroverwegingsproces adequaat te hebben afgerond én vormgegeven. Daarbij
                    komt dat de aanscherping van de WWB per 1 januari 2012 niet op zichzelf staat
                    maar een stap is in een proces dat in 2012 vermoedelijk tot nog een aantal
                    wijzigingen in de WWB zal leiden die nopen tot wijziging van het gemeentelijk
                    beleid. Gedacht moet ondermeer worden aan het wetsvoorstel ‘Toevoeging van de
                    eis tot beheersing van de Nederlandse taal aan de Wet werk en bijstand’ (w.o. 32
                    328’), de plannen van het kabinet betreffende “Aanpak fraude”
                    (Handhavingsprogramma 2011-2014) en uiteraard de Wet werken naar vermogen welke
                    voor 2013 staat aangekondigd. </al><al>Mede gelet op de uitvoeringstechnische complicaties die kunnen optreden als op
                    beleidsmatig vlak keuzes worden gemaakt die tot aanpassingen in de
                    uitvoeringspraktijk leiden, is een keus om de overgang naar de nieuwe WWB per
                    2012 zoveel mogelijk ‘beleids- en uitvoeringsarm’ te laten plaatsvinden een
                    logische. Met ‘beleidsarm’ wordt bedoeld dat het huidige gemeentelijk beleid
                    zoveel mogelijk in stand wordt gelaten dan wel dat slechts het minimaal
                    noodzakelijke aan nieuw of gewijzigd beleid wordt vastgesteld. Een en ander in
                    afwachting van een diepgaander integrale heroverweging in 2012. Onder
                    ‘uitvoeringsarm‘ wordt verstaan dat daar waar noodzakelijke aanpassingen in het
                    beleid plaatsvinden, dit op de minst belastende wijze voor wat betreft de
                    uitvoering plaatsvindt. Bij deze uitgangspunten past dat thans niet alle
                    WWB-verordeningen separaat worden gewijzigd en in een bestuurlijk
                    wijzigingstraject worden geplaatst, maar dat slechts daar waar dat strikt
                    noodzakelijk is aanpassingen aan de verordeningen plaatsvinden die middels één
                    wijzigingsverordening worden geëffectueerd. </al><al><vet>Gelijkstellingsbepaling</vet></al><al>In de wijzigingsverordening wordt daar waar noodzakelijk een bepaling
                    voorgesteld die regelt dat de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’
                    en ‘gezin’ per 1 januari 2012 in die verordening dezelfde betekenis hebben als
                    in de gewijzigde WWB. Uit een oogpunt van duidelijkheid is dit opgenomen.
                    Vervolgens is bepaald dat voor ‘gehuwden’ en ‘gehuwdennorm’ moet worden gelezen
                    en ‘gezin’ resp. ‘gezinsnorm’, om daarmee te verduidelijken dat onder het nieuwe
                    regime niet meer de gehuwden maar het gezin de norm is waarmee gewerkt moet
                    worden.</al><al><vet>Geen voorstel voor aanpassing Verordening Cliëntenparticipatie en
                        Handhavingsverordening </vet></al><al>Hoewel het denkbaar is dat door intrekking van de WIJ ook de Verordening
                    Cliëntenparticipatie en de Handhavingsverordening worden geraakt, worden binnen
                    het kader van deze wijzigingsverordening geen wijzigingsbesluiten genomen. Voor
                    de Verordening Cliëntenparticipatie geldt dat het intrekken van de WIJ er op
                    zichzelf niet toe leidt dat er een wijziging plaatsvindt in de wijze waarop
                    jongeren betrokken zijn bij de uitvoering van de wet en deelnemen aan
                    cliëntenparticipatie. Wel moeten er formeel gesproken enkele tekstuele
                    aanpassingen plaatsvinden, nu de WIJ per 1 januari 2012 ingetrokken wordt. Omdat
                    het belang daarvan gering is en de verordening weinig algemeen verbindend
                    voorschriften bevat maar meer het karakter van een interne reglementering heeft,
                    is het verantwoord om met aanpassing te wachten tot invoering van de Wet werken
                    naar vermogen, die ingrijpende consequenties kan hebben op het gemeentelijk
                    cliëntenbestand. </al><al>Met betrekking tot de handhaving van de WIJ geldt dat er geen afwijkende
                    regeling gold ten opzichte van de handhaving van de WWB. Omdat er slechts enkele
                    algemeen verbindende voorschriften voorkomen en deze inhoudelijk geen wijziging
                    ondergaan als gevolg van intrekking van de WIJ, is het evenzeer verantwoord om
                    eerst in 2012 tot een herziening van de verordening over te gaan. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>I.</nr><titel>De Re-integratieverordening WWB</titel></kop><al><onderstreept>Onderdelen A en B</onderstreept></al><al>De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel.</al><al>Bij een beleidsarme overgang moet minimaal worden geregeld dat voor jongeren
                        niet tot het re-integratie-instrumentarium behoren bij de volgende
                        ‘incentives’: inkomstenvrijlating, premies, vrijlating van
                        onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsing in
                        participatieplaatsen. Dat is met artikel II van dit Raadsbesluit beoogd.
                        Verwezen is naar artikel 31, lid 2 sub j en sub k. In dat artikel wordt
                        aangegeven welke middelen niet vrijgelaten worden bij de verlening van
                        algemene bijstand aan jongeren. </al><al><onderstreept>Onderdeel C.</onderstreept></al><al>Via onderdeel C krijgt het college de bevoegdheid uitsluitend recht te
                        verlenen aan Stichting Pantar Amsterdam. Deze stichting is door de gemeente
                        Diemen aangewezen om de Wet Sociale Werkvoorzieningen uit te voeren. Voor de
                        taken die hieruit voortvloeien heeft de stichting opdrachten voor bepaalde
                        werksoorten nodig van externe opdrachtgevers. Voor wat betreft de
                        werksoorten kan gedacht worden aan bijvoorbeeld schoonmaakwerkzaamheden en
                        groenonderhoud. Het verlenen van een uitsluitend recht houdt in dat voor
                        verschillende werksoorten, die per verlening van het recht specifiek dienen
                        te zijn omschreven, een opdracht onderhands kan worden gegund door de
                        gemeente (als aanbestedende dienst) aan Stichting Pantar. Dit is slechts
                        toegestaan indien en zolang Stichting Pantar zelf ook als aanbestedende
                        dienst kwalificeert, volgens de omschrijving die het Besluit
                        aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) daarvoor geeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>II.</nr><titel>De Toeslagenverordening WWB</titel></kop><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Voor de systematiek van het toeslagen- en verlagingenmodel in de WWB geldt
                        dat dit ongewijzigd blijft. Zo blijft het een verplichting om een
                        alleenwonende alleenstaande bijstandsgerechtigde een maximale toeslag toe te
                        kennen (art. 25, eerste lid WWB) en blijven de mogelijkheden om verlagingen
                        vast te stellen onaangetast. Niettemin leidt de wijziging van de begrippen
                        met betrekking tot de bijstandssubjecten en de invoering van de
                        huishoudtoets ertoe dat een beleidsmatige en wetstechnische heroverweging
                        van het toeslagen- en verlagingenbeleid op zijn plaats is. De beleidsmatige
                        heroverweging kan evenwel ook op een later tijdstip plaatsvinden en mocht de
                        onverkorte toepassing van het toeslagen- en verlagingenbeleid vanaf 1
                        januari 2012 in bepaalde gevallen onredelijke uitkomsten geven, dan kan
                        altijd, individualiserend, een hogere toeslag worden verleend of afgezien
                        van verlaging. </al><al><onderstreept>Onderdelen A en B</onderstreept></al><al>De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel. </al><al><onderstreept>Onderdeel C</onderstreept></al><al>Voor het bepalen van de hoogte van de toeslag verwezen naar de norm, bedoeld
                        in 21 lid c. Omdat de wetswijziging ook leidt tot een herpositionering van
                        de normen in de WWB, is voorzien in een gelijkstellingsbepaling, zodat
                        ondubbelzinnig duidelijk is welke norm bedoeld wordt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>III.</nr><titel>De afstemmingsverordening WWB</titel></kop><al><onderstreept>Onderdelen A en B</onderstreept></al><al>De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel. </al><al><onderstreept>Onderdeel C</onderstreept></al><al>De wetswijziging creëert enkele nieuwe wettelijke verplichtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de verplichting;</al></li><li nr="·"><al>de verplichting om naar vermogen opgedragen onbeloonde
                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten;</al></li><li nr="·"><al>de verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te
                                dienen dan vier weken na melding.</al></li><li nr="·"><al>De verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar
                                mogelijkheden voor werk of scholing</al></li></lijst><al>Om gedragingen die een schending vormen van deze verplichtingen te kunnen
                        sanctioneren, is het in ieder geval voor de tweede en derde verplichting
                        noodzakelijk om deze in de Afstemmingsverordening WWB te benoemen. Gegeven
                        een beleids- en uitvoeringsarme overgang is daartoe geen tekstvoorstel
                        gedaan, maar dit kan uiteraard bij dit onderdeel opgenomen worden. De eerste
                        en vierde verplichtingen zullen in veel gevallen ook onder één van de reeds
                        in de verordening benoemde categorieën gebracht kunnen worden. Voor het
                        zoeken van scholing geldt dat dit niet, maar die verplichting treedt pas 1
                        juli 2012 in werking. Voor de duidelijkheid is in onderdeel C opgenomen dat
                        het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan
                        van aanpak wordt aangemerkt als een gedraging die de inschakeling in de
                        arbeid belemmert. Uiteraard kan in het individuele geval ook aangesloten
                        worden bij een andere categorie.</al><al><onderstreept>Onderdeel D</onderstreept></al><al>Door het intrekken van de WIJ is de afstemmingsverordening WIJ komen te
                        vervallen en gelden WIJ-besluiten als besluiten die op grond van de WWB zijn
                        genomen. Voor het sanctioneren van afstemmingswaardige gedragingen van
                        jongeren biedt vanaf 1 januari 2012 derhalve de Afstemmingsverordening WWB
                        het regeltechnische kader. Dat betekent dat zonder verdere regeling voor
                        jongeren hetzelfde regime geldt als voor oudere bijstandsgerechtigden. </al><al>In onderdeel D is voor de volledigheid geregeld dat de
                        Maatregelenverordening vanaf 1 januari 2012 ook geldt voor jongeren vanaf 18
                        jaar. Daarbij is ook geregeld dat een maatregel kan worden opgelegd op de
                        bijzondere bijstand die aan jongmeerderjarigen wordt verstrekt in aanvulling
                        op algemene bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>IV.</nr><titel>De verordening Langdurigheidstoeslag</titel></kop><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Op twee onderdelen is de wetswijziging voor de verordening
                        Langdurigheidstoeslag van belang. Allereerst de reeds eerder geconstateerde
                        herdefiniëring van de bijstandssubjecten en de daaraan gekoppelde
                        huishoudtoets. Daarnaast de bepaling dat de inkomensgrens die voor het recht
                        op langdurigheidstoeslag geldt maximaal 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm kan bedragen. </al><al><onderstreept>Onderdelen A en B</onderstreept></al><al>Zie het algemeen deel van deze toelichting. In de verordening wordt één van
                        de normbedragen met betrekking tot de hoogte van de langdurigheidstoeslag
                        doorgaans gekoppeld aan ‘gehuwden’. Omdat dat begrip in de WWB als
                        zelfstandig bijstandssubject is vervangen door het begrip ‘gezin’ dient dat
                        ook in de verordening tot uitdrukking gebracht te worden. Dat wordt in
                        onderdeel B geregeld. </al><al><onderstreept>Onderdeel C</onderstreept></al><al>De inkomensgrens voor categoriale regelingen als de langdurigheidstoeslag
                        wordt per 1 januari 2012 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Werkenden
                        met een minimum inkomen of een inkomen dat daar vlak boven ligt worden vaak
                        geconfronteerd met een stapeling van extra kosten. Voor deze groep kan
                        jaarlijks een extra bedrag van €100,-- euro worden toegekend. Hierbij wordt
                        niet gekeken naar de gezinssamenstelling. </al><al><onderstreept>Onderdeel D</onderstreept></al><al>De inkomensgrens voor categoriale regelingen als de langdurigheidstoeslag
                        wordt per 1 januari 2012 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor
                        gemeenten die een hogere inkomensgrens in de verordening hebben opgenomen,
                        betekent dit dat de betreffende bepaling waarin deze grens is aangegeven,
                        van rechtswege is vervallen, gelet op artikel 122 Gemeentewet. Daaruit zou
                        de conclusie getrokken kunnen worden dat er niets hoeft te worden geregeld.
                        Er is immers reeds een wettelijke grens gesteld. Niettemin verdient het
                        aanbeveling om toch in dit Raadsbesluit expliciet de grens op 110% te
                        stellen. Gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 122 Gemeentewet, alsmede
                        de beschikbare jurisprudentie, is het risico groot dat de rechter uit het
                        vervallen karakter van de gemeentelijke bepaling ook andere onderdelen van
                        de betreffende bepaling in de verordening onverbindend verklaard . Onderdeel
                        C beoogt dat te voorkomen.</al><al><onderstreept>Onderdeel D</onderstreept></al><al>Indien sprake is van gehuwden waarvan één persoon geen recht heeft op
                        bijstand, wordt thans de langdurigheidstoeslag vastgesteld naar de norm voor
                        een alleenstaande (ouder). Dit blijft zo, als er sprake is van een gezin dat
                        slechts uit gehuwden bestaat. In onderdeel D is tot uitdrukking gebracht,
                        dat als in de verordening voorzien is in een specifieke bepaling die dat
                        regelt, die bepaling wordt vervangen door een bepaling die regelt dat als er
                        tot het gezin een niet-rechthebbende behoort, dit slechts tot aanpassing van
                        de hoogte van de langdurigheidstoeslag leidt als er slechts één rechthebbend
                        gezinslid overblijft.</al><al><onderstreept>Onderdeel E</onderstreept></al><al>Via deze bepaling wordt geregeld dat de inkomensgrens die voor het recht op
                        langdurigheidstoeslag geldt ingaande 1 januari 2012 maximaal 110% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>V.</nr><titel>Inwerkingtreding en geldingsduur</titel></kop><al>De inwerkingtreding valt uiteraard samen met de inwerkingtreding van de
                        wijzigingswet. Mocht de vaststelling en inwerkingtreding van dit Besluit
                        niettemin later plaatsvinden, dan kan in terugwerkende kracht worden
                        voorzien, hoewel dat geen grondslag kan verschaffen aan het nemen van
                        belastende besluiten met betrekking tot feiten en omstandigheden die
                        plaatsvinden tot de datum waarop de regeling in werking treedt. </al><al>Een overgangsregeling is niet nodig. In de wijzigingswet is als hoofdregel
                        opgenomen dat sprake is van onmiddellijke werking, dwz. dat per 1 januari
                        2012 de gewijzigde WWB direct van toepassing is op reeds bestaande
                        rechtsposities en verhoudingen. Op onderdelen is daarvan afgeweken middels
                        specifiek overgangsrecht. Uitzondering daarop vormt de aanpassing aan de
                        Verordening langdurigheidstoeslag. Conform artikel 36 WWB vloeit uit de aard
                        van de regeling voort dat voor aanvragen die vanaf 1 januari 2012 worden
                        ingediend het ‘oude recht’ van toepassing is, voor zover de peil- en
                        ingangsdatum voor die datum liggen. </al><al><vet>VI. Citeertitel</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>