<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR202661_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 3 augustus 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Alphen-Chaam 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>MARKTVERORDENING 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 1.
                                Begripsomschrijvingen</onderstreept></titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al> standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al> vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al> dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                    wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als
                                    vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al> standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                    artikel;</al></li><li nr="f."><al> standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al> vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al> wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al> anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="j."><al> marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 2. Inrichting van de markt;
                                    branche-indeling</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al> het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al> de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al> de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al> welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als
                            standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al> een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al> een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 3. Nadere regels</onderstreept></titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 4. Voorschriften en
                                    beperkingen</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                            krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                            bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                            ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                            ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften
                            en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2. BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 5.
                                Standplaatsvergunning</onderstreept></titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 6. Vereisten</onderstreept></titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft
                            bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 7. Intrekking vaste
                                    standplaatsvergunning</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al> op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al> bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7
                            van het marktreglement van de gemeente [PM] de vergunning wordt
                            overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al> indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 6
                            genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                            marktreglement van de gemeente Alphen-Chaam is overgeschreven, reeds
                            vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt,
                            wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 8. Intrekking en schorsing vaste
                                    standplaatsvergunning</onderstreept></titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 7 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                            van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al> zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al> niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                            geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 9. Uitsluiting dagplaatshouder of
                                    standwerker</onderstreept></titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al> zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al> niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                            standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al> niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt
                            geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet .</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 10. Onmiddellijke
                                    verwijdering</onderstreept></titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften
                            van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al> zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al> niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                            standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 11. Strafbepaling</onderstreept></titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 12. Toezichthouders</onderstreept></titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 13. Inwerkingtreding</onderstreept></titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel><onderstreept>Artikel 14. Citeertitel</onderstreept></titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening gemeente
                            Alphen-Chaam 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 26 april 2012.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>De totstandkoming van de modelmarktverordening 2008</al><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering
                    van het gemeentebestuur herzien en dit heeft geleid tot de modelmarktverordening
                    2003.</al><al>In 2008 is in het kader van de algehele deregulering van de modelverordeningen
                    door de VNG besloten ook de modelmarktverordening 2003 te herzien. Dit model is
                    vervangen door aantal nieuwe modellen. Dit betreft allereerst de onderhavige
                    modelmarktverordening 2008 (I), waarin bepalingen voor het verkrijgen van een
                    vergunning voor een standplaats zijn opgenomen. De regeling voor onder meer de
                    toewijzing van een vaste standplaats, dagplaats en standwerkerplaats is
                    opgenomen in het modelmarktreglement 2008. In de modelmarktverordening 2008 (II)
                    is de mogelijkheid opgenomen dat een organisatie een markt gaat organiseren en
                    beheren. Alle modellen zijn in overleg met het Centraal Overleg
                    Marktaangelegenheden (COM) tot stand gekomen.</al><al>Grondslag en belang verordening</al><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Naast de
                    bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de
                    bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet
                    ten behoeve van het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten:
                    Modelbesluit tot het instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het
                    afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit tot het veranderen van een
                    warenmarkt.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente.</al><al>Inhoud</al><al>Hoofdstuk 1 van de modelmarktverordening bevat een aantal algemene bepalingen
                    die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een aantal
                    bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening aan een rechtspersoon (een organisatie) die is belast met de
                    organisatie van de markt. Hoofdstuk 3 bevat de straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen.</al><al>Jurisprudentiebundel Markten</al><al>Alle in deze modelverordening vermelde uitspraken van vóór 1998 zijn
                    gepubliceerd in de jurisprudentiebundel Markten van maart/april 1998, ISBN 90
                    322 7130 X. De jurisprudentiebundel (jbMarkten) wordt als vindplaats genoemd
                    voorzover de uitspraken niet in andere juridische tijdschriften zijn
                    gepubliceerd. Is dat het geval, dan worden de vindplaatsen in deze tijdschriften
                    vermeld.</al><al>Overige regelgeving ambulante handel</al><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Model-Algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Artikel 2:25 van de Model APV (oud: artikel
                    2.2.2) bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen
                    bijvoorbeeld braderieën. Verder bevatten de afdelingen 2, 3, 4 en 5 van de
                    Model-APV bepalingen over collecteren, venten, standplaatsen en
                    snuffelmarkten.</al><al>Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV)</al><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de
                    marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de (losse)stand-plaatsvergunning (artikel 5:18 model-APV (oud: artikel
                    5.2.3)).</al><al>Vrijhouden van het marktterrein</al><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis).</al><al>Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren
                    van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd.</al><al>De burgemeester kan op grond van artikel 2:52 van de model-APV (oud: artikel
                    2.4.12) het marktterrein aanwijzen als plaats waar het verboden is op de door
                    hem aangewezen uren zich met een fiets of bromfiets te bevinden.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met betrekking tot
                    het autovrij maken van het marktterrein.</al><al>Toepassing</al><al>In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is deze verordening
                    op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing. Uiteraard dient dan de
                    tekst van de verordening hierop te worden aangepast.</al><al>Instellen marktcommissie voor en door het college</al><al>Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit
                    te werken. Afhankelijk van de gemeentelijke omstandigheden verdient een
                    marktcommissie meer of minder aanbeveling. Om het draagvlak te vergroten, zou
                    het college commissieleden kunnen laten verkiezen door de markthandelaren. Er
                    bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een marktcommissie. Wij
                    adviseren het college bij het besluit tot het instellen van een marktcommissie
                    gebruik te maken van de Modelverordening op de raadscommissies opgenomen in de
                    Handreiking Commissies in het dualistisch stelsel, een uitgave van de
                    Vernieuwingsimpuls Dualisme en lokale democratie.</al><al>Dienstenrichtlijn</al><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december
                    2006]</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Ook voor gemeenten zal dit gevolgen hebben: zij moeten binnen 3 jaar door middel
                    van een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de
                    bepaling van de richtlijn en deze zo nodig aanpassen. Voor de voorliggende
                    Modelmarktverordening heeft de VNG de screening gedaan.</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Jusititie. De modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning) regelt de
                    warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model
                    geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee
                    valt dit model buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet
                    verder te worden gescreend.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de
                    markt dient een gemeente hier rekening mee te houden.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het woord
                    ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de begripsomschrijving van
                    marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot marktmeester worden
                    aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een niet-ondergeschikte dient deze
                    (en zijn werkgever) in te stemmen met de mandaatverlening overeenkomstig artikel
                    10:4 van de Awb.</al><al>Artikel 2. Inrichting van de markt; branche-indeling</al><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                    aandachtspunten in het modelbesluit opgenomen, zodat iedere gemeente de gewenste
                    uitwerking kan geven aan de bepalingen. Hierbij verdient het aanbeveling dat
                    gemeenten hiertoe de Handreiking veiligheid markten als basis hanteren. Deze
                    handreiking is een uitgave die tot stand is gekomen met behulp van de HBD, CVAH
                    en de VNG, en opgesteld door het onderzoeks- en adviesbureau SGBO in 2008. De
                    handreiking geeft richtlijnen voor maatregelen voor zowel gemeenten als
                    ondernemers.</al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het
                    gaat om een gespecialiseerde markt.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder
                    c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de
                    markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                    verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast
                    de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor de
                    ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de
                    verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen
                    overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een beperkt
                    aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de
                    markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt
                    voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor
                    wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><al>Jurisprudentie</al><al>- ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M. Geertsema. Het
                    besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of branche op de
                    markt is een algemeen verbindend voorschrift (a.v.v.). Het betreft hier de
                    wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een
                    algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de
                    Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat.</al><al>- Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam - 14
                    augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet is niet van
                    toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het behartigen van een
                    algemeen (publiek) belang van niet-economische aard en dat kan worden herleid
                    tot of gerelateerd aan (andere) taken en bevoegdheden van het betrokken
                    overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein geen ondernemer.</al><al>- Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497. Branchebesluit
                    is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in het kader van een beroep
                    tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks in haar belang betreffend besluit
                    beoordeeld worden. Branchering is niet ongebruikelijk, zodat de gevolgen in
                    beginsel tot het normale bedrijfsrisico behoren.</al><al>- ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt. H.H.,
                    JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.) Een besluit tot vaststelling van het aantal
                    standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is als algemeen
                    verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het betreft hier
                    niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of object de toepasselijkheid
                    van in de verordening reeds besloten liggende normen worden bepaald, maar de
                    vaststelling van zelfstandige normen.</al><al>- ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de wijziging van het
                    aantal standplaatsen per branche). De regels ten behoeve van een
                    brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling is
                    daarmee aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de
                    Awb is bezwaar en beroep hiertegen uitgesloten.</al><al>- Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake het
                    weren van een markavan;</al><al>- ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt. Teneinde de
                    orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat
                    voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van het
                    marktterrein kunnen worden aangewezen.</al><al>Artikel 3. Nadere regels</al><al>De marktverordening 2003 bevatte een vrij uitgebreide regeling van de markt.
                    Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op hoofdlijnen
                    vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat regelen. Het college
                    kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van nadere regels vast te
                    stellen.</al><al>Met de herziening van het model in 2008 is er voor gekozen om de
                    modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te hevelen
                    naar een marktreglement. Op grond artikel 3 is het college bevoegd deze nadere
                    regels te stellen.</al><al>Beleidsregels versus nadere regels</al><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van art. 3
                    van de modelmarktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn
                    algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in art.
                    1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene
                    regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                    Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot
                    nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een
                    uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden
                    daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel
                    genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                    verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                    mogelijk.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male.</al><al>Artikel 4. Voorschriften en beperkingen</al><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag en belang verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    11 is eveneens van toepassing.</al><al>Hoofdstuk 2. Bepalingen over vergunningen</al><al>Artikel 5. Standplaatsvergunning</al><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen
                    aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze
                    van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9)</al><al>Artikel 6. Vereisten</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting was het wenselijk de indieningvereisten
                    uit de modelmarktverordening 2003 eens nader onder de loep te nemen. In dat
                    kader zijn de voorheen de geldende verplichtingen tot het overleggen van de
                    inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van het
                    Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)
                    komen te vervallen. Deze vereisten veroorzaakten onnodig veel administratieve
                    lasten voor de aanvrager, terwijl het niet in verhouding stond tot het te dienen
                    doel. Daarnaast dienden deze inschrijvingen ook niet het doel, waarmee wordt
                    beoogd markten te houden. De inschrijvingen zien op economische aspecten en dit
                    valt buiten de huishouding van een gemeente.</al><al>In plaats daarvan is nu slechts het vereiste van een handelingsbekwaam
                    natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
                    Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt
                    worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende
                    positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een
                    natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle
                    marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de
                    natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook
                    dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als
                    vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de
                    rechtspersoon te stellen.</al><al>In het kader van deregulering is in 2008 ook het modelaanvraagformulier
                    gescreend op onnodige administratieve lasten. De VNG heeft samen met Egem een
                    digitaal aanvraagformulier ontwikkeld. Hiermee kan de aanvraag worden
                    vereenvoudigd. Het is wenselijk dat eventuele papieren formulieren voor wat
                    betreft de vraagstelling worden aangepast aan het Egem-formulier.</al><al>Jurisprudentie</al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                    persoon/rechtspersoon.</al><al>Artikel 7. Intrekking vaste standplaatsvergunning</al><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                    intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                    worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is
                    niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor
                    de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten
                    aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden
                    overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel
                    10.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van standplaatsvergunning,
                    mag het college deze vergunning intrekken wegens een administratieve fout, mits
                    hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. In
                    casu was de intrekking niet in strijd met deze beginselen. (ABRS 12 december
                    2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.)</al><al>Hoofdstuk 3. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 8. Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</al><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd
                    het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel
                    7 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te
                    stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst
                    dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                    Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt
                    naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het
                    model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de
                    Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt
                    geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten
                    tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd
                    niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende
                    betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                    Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning
                    derhalve intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><al>Jurisprudentie</al><al>- ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                    schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement warenmarkten Den
                    Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen gewaarschuwd. Opgelegde sanctie
                    is niet onevenredig zwaar. Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd
                    met art. 156 Gemeentewet.</al><al>- Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing van de
                    marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een medewerker van de
                    Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek gebruikte bedreiging kan niet
                    worden gezegd dat het belang van de openbare orde van de markt in het geding
                    was. In casu staat de schorsing niet in redelijke verhouding tot de gedane
                    uitlatingen.</al><al>- ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                    standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week is een
                    maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn evenredigheid
                    dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat de strafrechter
                    betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het
                    bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen van een maatregel mocht
                    overgaan. De opgelegde maatregel moet zelfstandig op evenredigheid worden
                    beoordeeld. De Afdeling neemt voor dat oordeel mede in aanmerking dat het
                    bestuursorgaan een eigen taak heeft bij het handhaven van de rust en orde op de
                    markt. Niet kan worden gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke
                    verhouding staat tot het wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat
                    niet alleen niet in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook
                    de handhaving van de verordening illusoir.</al><al>- Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                    schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994, JB (1994)
                    58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al><al>- Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing kan als
                    een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee dat ten aanzien
                    van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten grondslag liggen hoge
                    eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk sanctiebeleid.</al><al>- ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1. Waarschuwingen al dan
                    niet mondeling, gebaseerd op een op schrift gesteld en bekend gemaakt
                    sanctiesysteem, worden aangemerkt als besluiten in de zin van de Awb.</al><al>Artikel 9. Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</al><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats.. In de beschikking tot
                    uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en
                    om welke concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 8, onderdeel c.</al><al>Artikel 10. Onmiddellijke verwijdering</al><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                    Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                    bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke
                    handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM
                    de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                    pakken.</al><al>Artikel 11. Strafbepaling</al><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening
                    opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op
                    enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een
                    administratieve afhandeling de voorkeur.</al><al>Artikel 12. Toezichthouders</al><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In
                    dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                    beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van
                    een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht.Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan
                    te wijzen. Door toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na
                    beëdiging als opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast
                    met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten
                    betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                    hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                    regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel 26 is
                    de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De
                    opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot
                    die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit
                    buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid
                    te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><al>Artikel 13. Inwerkingtreding</al><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt met
                    zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling uit artikel 142
                    van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze bepaalt dat alle verordeningen
                    in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                    daarvoor is aangewezen.</al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval: ‘Deze verordening treedt in
                    werking op een door het college nader te bepalen tijdstip.’</al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                    waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                    bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang
                    dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                    aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge art. 8:2,
                    aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar
                    openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.)</al><al>Artikel 14. Citeertitel</al><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>