<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR202313_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Leidraad gemeentelijke belastingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bedum</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Het Hogeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant, 25-07-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Leidraad invordering gemeentelijke belastingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Leidraad gemeentelijke belastingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Inleiding en toepassingsgebied</titel></kop><al>Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke
                        belastingen en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in
                        artikel 1 van de Invorderingswet 1990 .</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1. Inleiding</titel></kop><al>Voor u ligt de model-Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen. Net als
                        de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) bevat de
                        Leidraad Invordering gemeentelijke belastingen enkel beleidsregels.
                        Werkinstructies zijn niet opgenomen.</al><al/><al>Bij de opmaak van de gemeentelijke leidraad is aansluiting gezocht bij de
                        Rijksleidraad. Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk hebben wij
                        bepalingen toegevoegd of aangepast aan de gemeentelijke situatie.</al><al/><al>Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
                        Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en onderdelen
                        van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor is dat deze
                        onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor de gemeente. Dit is
                        aangegeven met de opmerking: ‘Deze bepaling is niet van toepassing voor de
                        gemeente’. Wij hebben dit gedaan om de nummering van de originele
                        Rijksleidraad niet te veranderen. De (halfjaarlijkse) wijzigingen van het
                        Ministerie van Financiën kunnen dan sneller gevonden en veranderd
                        worden.</al><al/><al>Vanwege de leesbaarheid gebruiken wij in deze leidraad het begrip
                        ‘ontvanger’ in plaats van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met
                        de invordering van gemeentelijke belastingen’. Om dezelfde reden wordt in
                        deze leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke
                        term ‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke
                        belastingen’. In de andere gevallen hebben wij gekozen voor de directe
                        vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale
                        benamingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="84*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Afkorting</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awb</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet bestuursrecht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Awir</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AWR</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemene wet inzake rijksbelastingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BW</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgerlijk Wetboek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>FW</al></entry><entry colname="col2"><al>Faillissementswet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MSNP</al></entry><entry colname="col2"><al>minnelijke schuldsanering natuurlijke personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rv</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sr</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Strafrecht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sv</al></entry><entry colname="col2"><al>Wetboek van Strafvordering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSF</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet Studiefinanciering 2000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>WSNP</al></entry><entry colname="col2"><al>wettelijke schuldsanering natuurlijke personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wwb</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet werk en bijstand</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>1.1.2. Definities</titel></kop><lijst><li nr="-"><al>belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven;</al></li><li nr="-"><al>belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen
                                gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e,
                                van de Gemeentewet ;</al></li><li nr="-"><al>besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 ;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente;</al></li><li nr="-"><al>echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="-"><al>inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid,
                                onderdeel b, van de Gemeentewet , met inbegrip van de ambtenaren aan
                                wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur;</al></li><li nr="-"><al>ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of
                                zelfstandig een beroep uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid,
                                onderdeel c, van de Gemeentewet , met inbegrip van de ambtenaren aan
                                wie ter zake mandaat is verleend door de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt
                                aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 ;</al></li><li nr="-"><al>wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
                                rijksbelastingen (Invorderingswet 1990 ).</al></li></lijst><al/><al>Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
                        verstaan als de wet daaronder verstaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden</titel></kop><al>De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden
                        vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering
                        met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is
                        vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder
                        dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te
                        beperken.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur</titel></kop><al>De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming
                        met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat
                        artikel 3:40 , titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de
                        hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de
                        wet.</al><al/><al>Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de
                        mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet 4, de
                        regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag
                        geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te
                        wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13 , 4:14 en 4:15
                        Awb).</al><al/><al>Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
                        maximaal zes <cursief>weken</cursief> en de mogelijkheid tot verder uitstel
                        in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op
                        beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van
                        maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
                        overleg (artikel 7:24 Awb).</al><al/><al>Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
                        voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17
                        Awb) 5. Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom
                        uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:</al><al/><lijst><li nr="–"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld
                                in artikel 30, eerste lid, van de wet ;</al></li><li nr="–"><al>bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als
                                bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet ;</al></li><li nr="–"><al>bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                van de Kostenwet invordering rijksbelastingen .</al></li></lijst><al/><al>Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is
                        artikel 4.84 Awb . Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken
                        van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is
                        gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
                        belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden
                        onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit
                        laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van
                        beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het
                        gelijkheidsbeginsel.</al><al/><al>Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond
                        waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de
                        betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een
                        belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb .</al><al/><al>Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
                        ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
                        acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag,
                        executoriale verkoop en dergelijke).</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen</titel></kop><al>Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
                        eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
                        voorkeur.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven</titel></kop><al>Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan
                        kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftigwerknemers, dan
                        vraagt hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in
                        dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of
                        een zelfstandig uitgeoefend beroep.</al><al/><al>Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
                        ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
                        onwetend blijven.</al><al/><al>De ontvanger vraagt altijd toestemming als:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van)
                                de activa van het bedrijf wordt beoogd;</al></li><li nr="·"><al>door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of
                                nagenoeg geheel worden vastgelegd;</al></li><li nr="·"><al>derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het
                                geval is bij derdenbeslag;</al></li><li nr="·"><al>de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
                                openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als
                                steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die
                                schuldeiser.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen</titel></kop><al>Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
                        onderdeel e, en artikel 18 van de wet doet de deurwaarder geen exploten of
                        verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s
                        ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag, behalve na een
                        daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In aanvulling hierop
                        geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen treft op Goede
                        Vrijdag.</al><al/><al>De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op
                        dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen
                        zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.</al><al/><al>Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van
                        invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de
                        privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de
                        ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de
                        wet terstond invordert.</al><al/><al>Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen
                                met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende
                                dag</al></li><li nr="-"><al>de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>1.1.9. Binnenkomst van bescheiden</titel></kop><al>Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden
                        dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst
                        van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente.</al><al/><al>Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft
                        genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd
                        als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet
                        van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband
                        worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering
                        respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het
                        aansprakelijk stellen van derden.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.10. Positie belastingdeurwaarder</titel></kop><al>Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar
                        van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente
                        aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de
                        belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb , dan wel handelt
                        hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
                        ontvanger).</al><al/><al>Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
                        zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is
                        verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet
                        onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen
                        dient.</al><al/><al>Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke
                        hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van
                        artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem
                        over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in
                        enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee -
                        verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de
                        heffing van enige rijksbelasting.</al><al/><al>De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit
                        brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij
                        rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering , slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de
                        ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden
                        houdt aan diens aanwijzingen.</al><al/><al>Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te
                        dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een
                        ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen
                        worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens
                        verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden</titel></kop><al>De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
                        invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht
                        tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt
                        nog niet is verjaard.</al><al/><al>De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten
                        minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer
                        als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang
                        definitief hebben verloren.</al><al/><al>Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
                        belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard,
                        of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij
                        hun belang definitief hebben verloren.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen</titel></kop><al>Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger
                        een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere
                        vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. </al><al/><al>Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor
                        wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de
                        verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.</al><al/><al>De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of
                        reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
                        belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft
                        overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.13. Informatieplicht</titel></kop><al>De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel
                        gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald
                        binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag gelden. De
                        informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt.</al><al/><al>De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII
                        als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.1.14. Diplomatieke status</titel></kop><al>De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
                        status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De
                        ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:</al><al/><al>Ministerie van Buitenlandse Zaken</al><al>Directie Kabinet en Protocol</al><al>Postbus 20061</al><al>2500 EB 's-Gravenhage</al></artikel><artikel><kop><titel>1.2. Toepassingsgebied</titel></kop><al><cursief>Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het
                            toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de
                            Awb niet van toepassing is op de wet.</cursief></al><al/><al>De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het
                        Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze
                        leidraad).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over het begrip 'woonplaats'.</al></artikel><artikel><kop><titel>2.1. Woonplaats</titel></kop><al>De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering
                        van de wet niet steeds dezelfde inhoud.</al><al/><al>Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen
                        overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , sluit de
                        ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10
                        en volgende van het BW. </al><al/><al>Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk IV van de
                        wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en
                        'plaats van vestiging' die gelden voor de gemeentelijke verordening op grond
                        waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is
                        ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden ontvanger</titel></kop><al><cursief>Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van
                            de ontvanger.</cursief></al><al/><al><cursief>De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                            uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op (artikel 3, tweede
                            lid).</cursief></al><al/><al>De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige
                        toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Dat het
                        bestuursorgaan ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden
                        beschikt die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft is thans
                        geregeld in artikel 4:124 Awb ).</al><al/><al>In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;</al></li><li nr="-"><al>het leggen van conservatoir beslag;</al></li><li nr="-"><al>het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;</al></li><li nr="-"><al>de Rijksadvocaat.</al></li><li nr="-"><al>Faillissementsaanvraag</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.1. Fiscale en civiele bevoegdheden</label></kop><al>De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke
                        bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle
                        bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een
                        schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger
                        zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van
                        zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken.</al><al/><al>De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het
                        meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de
                        ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over
                        te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit
                        alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de
                        belastingschuldige en eventuele derden.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2. Conservatoir beslag</label></kop><al>Om de rechten van de gemeente veilig te stellen heeft de ontvanger naast de
                        versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten
                        en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2.1. Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering</label></kop><al>Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot
                        het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor
                        verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet
                        alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en
                        15 van de wet .</al></artikel><artikel><kop><label>3.2.2. Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag</label></kop><al>Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de
                        ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de
                        voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd
                        geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als
                        het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde
                        lid Rv .</al></artikel><artikel><kop><label>3.3. Gerechtelijke procedures - toestemming</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>3.3.1 Juridische bijstand</label></kop><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet treedt de ontvanger
                        zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de
                        uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van
                        procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR ;</al></li><li nr="-"><al>hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR ;</al></li><li nr="-"><al>(hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet
                                invordering rijksbelastingen; </al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>kort gedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.3.2 Toestemming</label></kop><al>In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij
                        toestemming hebben van het college. Behalve voor in hoger beroep te voeren
                        zaken geldt het voorgaande niet voor:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;</al></li><li nr="-"><al>kantonzaken;</al></li><li nr="-"><al>verzoekschriftprocedures;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkheidsprocedures;</al></li><li nr="-"><al>procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex
                                artikel 435, derde lid , of artikel 708, tweede lid, Rv.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.4. Rijksadvocaat</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5. Faillissementsaanvraag</label></kop><al>Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het
                        college.</al><al/><al>Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een
                        faillissement</al></artikel><artikel><kop><label>3.a.</label><nr/><titel/></kop><al>Er zijn in deze Leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel></kop><al><cursief>Artikel 4 van de wet bepaalt dat voor het verrichten van
                            deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de
                            invordering van (rijks-) belastingen, uitsluitend een
                            belastingdeurwaarder bevoegd is.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over de reikwijdte van die bevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.1. Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder</titel></kop><al>De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en
                        het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden
                        met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de
                        ontvanger.</al><al/><al>Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die
                        werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke
                        weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124, van de Abw gerechtigd
                        is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger
                        zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.2. Bescherming</titel></kop><al>Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180
                        Sr . Daardoor genieten zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun
                        wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.3. Legitimatie</titel></kop><al><vet>Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de
                            belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de
                            belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 5 van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt.</al><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Reikwijdte van de wet</titel></kop><al><cursief>Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is
                            op:</cursief></al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>de rente;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de kosten.</cursief></al></li></lijst><al/><al>In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over rente en kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>6.1. Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de
                            wet</titel></kop><al>Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de
                        invorderingsrente.</al><al/><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                        invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden
                        gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de
                        werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs
                        civielrechtelijke weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betaling en afboeking</titel></kop><al><cursief>Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van
                            betalingen plaats moet vinden:</cursief></al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen
                                    achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de
                                    rente en de belastingaanslag;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende
                                    componenten van de belastingaanslag plaatsvindt;</cursief></al></li></lijst><al/><al>In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het tijdstip van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling;</al></li><li nr="-"><al>teveelbetalingen;</al></li><li nr="-"><al>het rekenen van rente en kosten bij afboeking;</al></li><li nr="-"><al>het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>betaling bij vergissing;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>7.1. Tijdstip betaling</label></kop><al/><lijst><li nr="-"><al>Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de
                                rekening van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling op het postkantoor, hetzij door middel van storting van
                                contant geld op het postkantoor, hetzij met een pinpas, geldt als
                                tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de
                                storting of pin-transactie;</al></li><li nr="-"><al>Bij rechtstreekse betaling aan de gemeente door middel van een pin-
                                of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of
                                creditcardtransactie als tijdstip van betaling;</al></li><li nr="-"><al>Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van
                                -ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij
                                de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het
                                bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van
                                betaling;</al></li><li nr="-"><al>Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het
                                bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald als tijdstip van
                                betaling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>7.2. De afboeking van de betaling</label></kop><al>Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt
                                overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven
                                bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde
                                wijze van toerekening van betalingen;</al></li><li nr="-"><al>Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde
                                ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande
                                belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die
                                belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken;</al></li><li nr="-"><al>Als de ontvanger ook de invordering van gemeentelijke belastingen
                                ten behoeve van een andere gemeente uitvoert, is het bovenstaande
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van
                                de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld
                                plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>7.3. Teveelbetaling</label></kop><al>Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft
                        die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan,
                        wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en
                        dienovereenkomstig behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>7.4. Rente en kosten bij afboeking betalingen</label></kop><al>Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet
                        invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden
                        gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de
                        werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs
                        civielrechtelijke weg.</al><al/><al>Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de
                        invorderingsrente.</al></artikel><artikel><kop><label>7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen</label></kop><al>Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden
                        toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>7.6. Afboeking betaling bestuurlijke boete waarvoor uitstel van betaling is verleend</label></kop><al>Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag
                        vastgestelde bestuurlijke boete, vindt toerekening uitsluitend plaats aan de
                        belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van
                        betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of
                        beroepschrift (in hoger beroep).</al><al/><al>Als echter - ondanks dit uitstel - zoveel wordt betaald dat er na afboeking
                        op de belasting nog een bedrag overblijft, dan wordt dit bedrag afgeboekt op
                        de bestuurlijke boete. Als op de bestuurlijke boete is afgeboekt en de
                        bestuurlijke boete wordt alsnog aangevochten, dan blijven de afboekingen
                        gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>7.7. Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden</label></kop><al>Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst
                        de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in
                        rekening zijn gebracht.</al><al/><al>Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag -
                        waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien
                        verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf
                        betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor
                        aansprakelijk is gesteld.</al><al/><al>Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk
                        in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de
                        aansprakelijkgestelde.</al><al/><al>de belastingschuldige schriftelijk in over de afboeking van zijn
                        betaling.</al></artikel><artikel><kop><label>7.8. Betaling bij vergissing</label></kop><al>Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een
                        evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt
                        bijzondere voorzichtigheid betracht.</al><al/><al>Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft
                        plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet
                        zonder meer opnieuw kan plaatshebben.</al><al/><al>In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de
                        ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat
                        de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te
                        gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan.</al><al/><al>Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het
                        voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet
                        plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven</label></kop><al><cursief>Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen
                            uitbetaalt.</cursief></al><al/><al>Op grond van artikel 4:89, eerste lid, Awb dient een schuldenaar te betalen
                        op een daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening. Het komt in de
                        praktijk echter regelmatig voor dat een belastingschuldige aan wie de
                        ontvanger een bedrag moet betalen, geen bankrekening(nummer) heeft
                        aangewezen waarop de betaling moet plaatsvinden. Wanneer zich een dergelijke
                        situatie voordoet, regelt artikel 7a van de wet dat de ontvanger betaalt op
                        een bankrekening die op naam van de belastingschuldige staat.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit
                        artikel het beleid over:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>de aanwijzing van het rekeningnummer voor
                                    uitbetaling;</cursief></al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al><cursief>uitbetalingsfouten</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling</label></kop><al>De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats op het
                        verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt
                        vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter
                        verificatie aanbieden van het bij de Gemeente bekende rekeningnummer door de
                        gemeente, geldt dit ook als aanwijzing.</al><al/><al>Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot
                        hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander
                        rekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld rekeningnummer geacht ook
                        te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere
                        aangiften of verzoeken.</al><al/><al>Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden
                        en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de
                        uitbetaling rekening kan worden gehouden.</al></artikel><artikel><kop><label>7a.2. Uitbetalingfouten</label></kop><al>Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere
                        rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen,
                        dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt
                        daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt
                        gerestitueerd.</al><al/><al>Indien en voor zover blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter
                        beschikking van de belastingschuldige is gekomen - bijvoorbeeld omdat de
                        rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de
                        (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat -
                        vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats.</al><al/><al>Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt
                        voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens
                        terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.</al><al/><al>Uitbetalingfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de
                        belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich
                        in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34
                        BW ). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent
                        de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd
                        is betaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bekendmaking aanslag</titel></kop><al><cursief>Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag
                            bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De
                            belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel
                            verschuldigd.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere
                                situaties;</al></li><li nr="-"><al>de verzending van de aanslagbiljetten via PostNL;</al></li><li nr="-"><al>de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>8.1. Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties</label></kop><al>De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de
                        belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien
                        verstande dat:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de
                                curator worden gezonden;</al></li><li nr="-"><al>ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt
                                gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel
                                een boedelschuld vormt;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de
                                wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat
                                verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft
                                opgeleverd;</al></li><li nr="-"><al>aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend
                                is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de
                                bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>8.2. Verzending aanslagbiljetten via PostNL</label></kop><al>Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden maakt de
                        ontvanger gebruik van de diensten van de PostNL.</al></artikel><artikel><kop><label>8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet</label></kop><al>De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de
                        omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van
                        hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de
                        belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting
                        materieel is verschuldigd.</al></artikel><artikel><kop><label>8.4. Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag</label></kop><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de
                        erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk
                        vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk
                        termijn te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betalingstermijnen</titel></kop><al><cursief>Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen
                            belastingaanslagen moeten worden betaald.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige
                                aanslagen;</al></li><li nr="-"><al>de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven;</al></li><li nr="-"><al>de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van het aanslagbiljet;</al></li><li nr="-"><al>het begrip maand bij betalingstermijnen.</al></li><li nr="-"><al>regeling betalingstermijnen</al></li><li nr="-"><al>automatische incasso</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>9.3. Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>9.4. Dagtekening aanslagbiljet</label></kop><al>De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de
                        belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening
                        ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de
                        wet versnelde invordering wordt toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>9.5. Begrippen bij betalingstermijnen</label></kop><al>Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is
                        gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een
                        aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt
                        op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12
                        december.</al><al/><al>Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een
                        maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij
                        het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn
                        vervalt op 28 maart dan wel 10 april.</al><al/><al>Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de
                        laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij
                        een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als
                        dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt
                        de termijn dus op 15 april.</al><al/><al>Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de
                        termijn op 26 april.</al></artikel><artikel><kop><label>9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling</label></kop><al>Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het
                        begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een
                        terug te geven bedrag aan belastingen. Op grond van deze definitie is de
                        betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de
                        gemeentelijke belastingverordening, of bij ontbreken daarvan in artikel 9,
                        eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een
                        belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de
                        uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze
                        betalingstermijn plaats vindt.</al></artikel><artikel><kop><label>9.7. Regeling betalingstermijnen</label></kop><al>De gemeente heeft voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in de
                        belastingverordening geregeld.</al><al/><al>Op elke belastingaanslag wordt (worden) de betalingstermijn(en) aangegeven.
                        Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het
                        evenredige deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald.</al></artikel><artikel><kop><label>9.8. Automatische incasso</label></kop><al>Onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde belastingaanslagen is het
                        mogelijk de aanslag(en) te voldoen via een automatische incasso. Hiervoor
                        heeft het college een incassoreglement vastgesteld.</al><al/><al>Bij automatische incasso wordt de belastingschuldige (een) afwijkende,
                        ruimere, betalingstermijn(en) toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Versnelde invordering</titel></kop><al><cursief>Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft een limitatieve opsomming
                            van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in
                            artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een
                            belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan
                            invorderen.</cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 10, tweede en derde lid, van de wet bevatten
                            uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze
                            versnelde invordering.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de reikwijdte van de versnelde invordering;</al></li><li nr="-"><al>de vrees voor verduistering;</al></li><li nr="-"><al>het metterwoon verlaten van Nederland;</al></li><li nr="-"><al>geen vaste woonplaats in Nederland;</al></li><li nr="-"><al>als er al beslag ligt;</al></li><li nr="-"><al>de verkoop namens derden;</al></li><li nr="-"><al>de vordering ex artikel 19.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>10.1. Reikwijdte versnelde invordering</label></kop><al>Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk
                        tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te
                        gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet
                        dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is.
                        Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het
                        eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde
                        invordering overgaat.</al><al/><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is
                        uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel)
                        invorderbaar is - deelt de ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee
                        dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar
                        verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet
                        meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het
                        eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde
                        invordering overgaat.</al><al/><al>Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde
                        dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat
                        vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het
                        volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling
                        behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens
                        niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot
                        de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt
                        overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige -
                        deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen.</al><al/><al>Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend -
                        maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is
                        verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) -
                        vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke
                        kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de
                        wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel.</al><al/><al>Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na
                        het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn
                        die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te
                        worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct
                        contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk
                        te betalen.</al><al/><al>Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet
                        terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden
                        de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet
                        langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger
                        in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met
                        de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden.</al></artikel><artikel><kop><label>10.2. Vrees voor verduistering en versnelde invordering</label></kop><al>Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige
                        als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake,
                        als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is
                        dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige
                        metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de
                        verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen.</al><al/><al>De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van
                        de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door
                        gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor
                        de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd.</al><al/><al>Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde
                        beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet
                        voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag
                        niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven
                        maar de ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er
                        geen beslag ligt.</al></artikel><artikel><kop><label>10.3. Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering</label></kop><al>Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van
                        plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging
                        naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de ontvanger -
                        alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel
                        c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren -
                        er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het
                        verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan
                        worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland
                        bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>10.4. Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering</label></kop><al>Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is
                        gevestigd, is op zich geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag
                        dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie
                        bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de
                        belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de
                        belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald.</al></artikel><artikel><kop><label>10.5. Beslag en versnelde invordering</label></kop><al>Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen,
                        zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier
                        wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering</label></kop><al>Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid
                        pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de
                        ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het
                        moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben.</al></artikel><artikel><kop><label>10.7. Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering</label></kop><al>De ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen,
                        enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het
                        volle bedrag invorderbaar wordt.</al><al/><al>Als de ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een
                        vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere
                        belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle
                        bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe
                        aanslagen nog niet zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanmaning</titel></kop><al><cursief>Artikel 11 van de wet regelt dat als een belastingaanslag niet
                            binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de ontvanger
                            overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van
                            een aanmaning.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de geadresseerde van de aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>als de aanmaning ten onrechte is verzonden;</al></li><li nr="-"><al>het achterwege laten van tussentijdse vervolging;</al></li><li nr="-"><al>de gedeeltelijke voldoening na aanmaning;</al></li><li nr="-"><al>de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>11.1. De geadresseerde van de aanmaning</label></kop><al>De ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is
                        verzonden of uitgereikt.</al><al/><al>Als naderhand blijkt dat de ontvanger de vervolging voort moet zetten voor
                        een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt
                        de ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke
                        vertegenwoordiger.</al><al/><al>Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de ontvanger de aanmaning
                        naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de ontvanger weet dat de nalatenschap
                        al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam
                        afzonderlijk.</al></artikel><artikel><kop><label>11.2. Aanmaning ten onrechte verzonden</label></kop><al>Als een belanghebbende zich tot de ontvanger wendt met de mededeling dat hem
                        ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet
                        voortgezet voordat dit is opgehelderd.</al><al/><al>Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor
                        de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan
                        om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten
                        van de gemeente veilig stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>11.3. Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning</label></kop><al>Vervolging - niet zijnde de eindvervolging - blijft in het algemeen
                        achterwege als het achterstallige bedrag:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde)
                                belastingaanslag; en</al></li><li nr="·"><al>2. minder bedraagt dan € 182.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de
                        tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag buiten
                        de gestelde grenzen.</al><al/><al>Een tussentijdse vervolging die terecht is aangevangen, wordt ook na de
                        verzending van de aanmaning voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>11.4. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning</label></kop><al>Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige
                        bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het
                        restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.</al></artikel><artikel><kop><label>11.5. Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg</label></kop><al>Als de ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de
                        ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft
                        niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de
                        ontvanger eerst een aanmaning.</al><al/><al>De ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is
                        gelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Dwangbevel</titel></kop><al><cursief>Artikel 12 van de wet bepaalt dat de invordering van de
                            belastingaanslag kan geschieden bij een door de ontvanger uit te
                            vaardigen dwangbevel.</cursief></al><al/><al><cursief>Op grond van dit dwangbevel kan de ontvanger overgaan tot
                            invordering van de belastingaanslag.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het onderwerp van het dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>tegen wie een dwangbevel wordt verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>12.1. Onderwerp van het dwangbevel</label></kop><al>De ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde
                        bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en
                        beschikkingen.</al><al/><al>Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de ontvanger een
                        dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen
                        waarvoor een aanmaning is verzonden.</al><al/><al>De ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de inmiddels gedane betalingen;</al></li><li nr="-"><al>verleende verminderingen;</al></li><li nr="-"><al>bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is
                                verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>12.2. Tegen wie verleent de ontvanger een dwangbevel</label></kop><al>De ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens
                        rechtsopvolgers. Als de ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander
                        dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit
                        gebeurt.</al><al/><al>Als de ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een
                        belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking.
                        Als de ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop
                        gericht onderzoek in te stellen.</al><al/><al>Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op
                        diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de
                        gezamenlijke erfgenamen.</al><al/><al>Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene
                        op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan
                        vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun
                        kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het
                        dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders
                        aansprakelijkheid tot uitdrukking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Betekening van het dwangbevel</titel></kop><al>In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel
                        beschreven. Het dwangbevel vermeldt expliciet dat de belastingschuldige
                        tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen.</al><al/><al>Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening
                        van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>door de belastingdeurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>per post door de ontvanger.</al></li></lijst><al/><al>In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel per post;</al></li><li nr="-"><al>de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>13.1. Betekening dwangbevel per post</label></kop><al>De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt
                        plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de
                        belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot
                        betaling.</al><al/><al>Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter
                        verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum
                        geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.</al><al/><al>De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het
                        dwangbevel per post te betekenen.</al></artikel><artikel><kop><label>13.1.1. Adressering van per post betekende dwangbevelen</label></kop><al>Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het
                        dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie
                        van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige.</al><al/><al>Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen
                        het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de Gemeentelijke
                        Basisadministratie Persoonsgegevens is geregistreerd. Als de
                        belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te
                        willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Gemeentelijke
                        Basisadministratie Persoonsgegevens - bijvoorbeeld een postbusadres - kan
                        verzending ook plaatsvinden aan dat adres.</al><al/><al>Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een -
                        ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en de
                        belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen
                        rechtsgevolg verbonden.</al><al/><al>Als het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de
                        belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift
                        niet te hebben ontvangen, dan geldt het dwangbevel als betekend. Dit is niet
                        het geval als de belastingschuldige bijzondere omstandigheden aannemelijk
                        kan maken op grond waarvan moet worden aangenomen dat het afschrift van het
                        dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>13.2. Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder</label></kop><al>Als bij de betekening van een dwangbevel door de belastingdeurwaarder
                        aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen
                        kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de
                        belastingdeurwaarder het afschrift moet achterlaten, dan betekent de
                        belastingdeurwaarder het dwangbevel op de wijze als bepaald in artikel 47,
                        eerste lid, Rv .</al><al/><al>Deze handelwijze volgt de belastingdeurwaarder ook als hij verwacht dat
                        achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan de huisgenoot er niet
                        toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk zal
                        bereiken.</al><al/><al>Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres
                        van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit
                        geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de
                        ontvanger van een andere gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>13.3. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel</label></kop><al>Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de
                        belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele
                        gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger
                        alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan
                        de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de
                        wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.</al><al/><al>Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening
                        mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tenuitvoerlegging van het dwangbevel</titel></kop><al>Artikel 14 van de wet gaat over de tenuitvoerlegging van het
                        dwangbevel.</al><al/><al><cursief>Met ingang van 1 juli 2009 is onderdeel 14.1 uit de Rijksleidraad
                            verwijderd. Of dit door de lokale belastingdiensten gevolgd moet worden
                            is de vraag. Vele lokale belastingdiensten hebben (nog) geen
                            (werk)instructie Invordering voor de medewerkers die op een of andere
                            wijze bij de uitvoering van het invorderingsproces zijn betrokken. De
                            Rijksbelastingdienst heeft deze wel. De tekst die in onderdeel 14.1 is
                            opgenomen is de tekst van de Rijksleidraad zoals die luidde per 1
                            januari 2009.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet
                        beschrijft dit artikel het beleid over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over tenuitvoerlegging<cursief>;</cursief></al></li><li nr="-"><al>beslag op roerende zaken die geen registergoederen;</al></li><li nr="-"><al>beslag op onroerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>beslag onder derden;</al></li><li nr="-"><al>beslag op schepen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>14.1. Tenuitvoerlegging algemeen</label></kop><al>Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de
                        belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met
                        toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke
                        rechtsvordering ten uitvoer leggen (zieartikel 4:116 Awb).</al><al/><al>Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een
                        hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging
                        van het dwangbevel overgaat (artikel 14, eerste lid van de wet). </al><al/><al>Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt
                        conformartikel 47 Rv - dat wil zeggen door achterlating van het
                        bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel - gaat
                        de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde
                        betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging (artikel 14, eerste lid van de
                        wet). In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot
                        tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd
                        bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel
                        met toepassing vanartikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c,
                        van de wet , terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, tweede lid,
                        van de wet).</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen</label></kop><al>De tenuitvoerlegging gebeurt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering dat toelaat de verschillende mogelijkheden van
                        tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.2. Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging</label></kop><al>De tenuitvoerlegging van verschillende dwangbevelen tegen dezelfde
                        belastingschuldige gebeurt zoveel mogelijk tegelijkertijd. Bij de
                        tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Ook wordt de nodige
                        soepelheid betracht. Dit brengt met zich mee dat de formeel voorgeschreven
                        handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt
                        wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te
                        nemen.</al><al/><al>In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet
                        dadelijk tot beslaglegging overgaat of deze onderbreekt of beëindigt, als
                        hij vermoedt dat de ontvanger de beslagopdracht niet zou hebben gegeven als
                        alle omstandigheden bekend waren geweest.</al><al/><al>Dit geldt ook als de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels
                        heeft plaatsgevonden of dat een verzoek om uitstel van betaling of
                        kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25.1.15 of
                        26.1.11 van deze leidraad, en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist.</al><al/><al>Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag,
                        wordt onverwijld tot uitwinning van de goederen waarop beslag is gelegd,
                        overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een
                        voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag. Voorwaarde is dan wel
                        dat met de afdoening - gelet op de omstandigheden - naar het oordeel van de
                        ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een
                        minnelijke afdoening moet passen in het in deze leidraad geformuleerde
                        beleid.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden</label></kop><al>Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de
                        belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van
                        drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken.</al><al/><al>Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank
                        de termijn van drie maanden verlengen.</al><al/><al>Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de
                        vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.5. Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.6. Beslaglegging voor vordering van derden</label></kop><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook
                        over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke rangorde,
                        waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van
                        de inbeslaggenomen zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.7. Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden</label></kop><al>De ontvanger kan een beschikking afgegeven, die inhoudt dat voor een
                        openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden
                        getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan
                        bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan.</al><al/><al>De ontvanger heft de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald of aan
                        die voorwaarden is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.8. Opheffing beslag tegen betaling door een derde</label></kop><al>Als de ontvanger van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing
                        van het beslag, dan kan de ontvanger hieraan zijn medewerking verlenen als
                        ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het
                                vermogen van de belastingschuldige;</al></li><li nr="2."><al>Het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die
                                naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie;</al></li><li nr="3."><al>De belangen van de gemeente worden niet geschaad.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde
                        belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken,
                        en hij kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.9. Opschorten van de executie</label></kop><al>De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van
                        beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop
                        plaats, tenzij de ontvanger ervan overtuigd is dat betaling van de
                        belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval
                        kan de ontvanger besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal)
                        maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd.</al><al/><al>Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de
                        belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de
                        belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een
                        schriftelijke overeenkomst tussen de ontvanger en de belastingschuldige is
                        verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel
                        van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>14.1.10. Onderhandse verkoop</label></kop><al>Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting
                        aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop,
                        dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop.</al><al/><al>De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde belangen
                        van eventuele derde rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt.
                        De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden
                        ter opheffing van het beslag.</al><al/><al>Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de
                        gemeente worden geschaad.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.11. Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop</label></kop><al>De ontvanger kan de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in
                                artikel 14.1.8 van deze leidraad;</al></li><li nr="b."><al>een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14.1.10 van deze
                                leidraad.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger geeft dan in het algemeen de voorkeur aan opheffing van het
                        beslag; voorwaarde is dat de hierdoor verkregen opbrengst niet lager is dan
                        die van een onderhandse verkoop.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.12. Strafrechtelijk beslag</label></kop><al>Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94
                        Sv rust - dat wil zeggen niet zijnde een beslag in het kader van een
                        ontnemingsmaatregel - dan wordt het beslag dat de belastingdeurwaarder heeft
                        gelegd pas vervolgd nadat het strafrechtelijke beslag is opgeheven.</al><al/><al>Zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan
                        het fiscale beslag blijven liggen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.1.13. Invordering en ontnemingswetgeving</label></kop><al>De gemeente belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en
                        ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.</al><al/><al>In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming
                        van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van
                        invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de
                        ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet
                        direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de belangen
                        van de gemeente worden geschaad.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2. Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>14.2.1. Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken</label></kop><al>Als de belastingdeurwaarder op het woonadres van de belastingschuldige
                        niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met
                        gebruikmaking van artikel 444 Rv, dan blijft deze wijze van
                        tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.</al><al/><al>De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving
                        achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer op het woonadres
                        zal vervoegen.</al><al/><al>Deze handeling blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig
                        hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of
                        op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze
                        verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.2. Domiciliekeuze en beslag roerende zaken</label></kop><al>Als het beslag wordt gelegd door een belastingdeurwaarder van een ander
                        Gemeente dan het kantoor waar bij de betekening van het dwangbevel domicilie
                        is gekozen, dan wordt in het beslagexploot tevens domicilie gekozen ten
                        kantore van de gemeente waar de belastingdeurwaarder die het beslag legt
                        zijn standplaats heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.3. Aanbod van betaling en beslag roerende zaken</label></kop><al>Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de
                        belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, aanvaardt de
                        deurwaarder deze betaling.</al><al/><al>Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de
                        belastingschuldige wordt gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken</label></kop><al>Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als - naar het oordeel van de
                        belastingdeurwaarder - ruimschoots voldoende is voor dekking van de
                        openstaande schuld inclusief rente en kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.6. Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken</label></kop><al>Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de
                        inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt,
                        wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te
                        dienen bij het college op grond van artikel 22, eerste lid van de wet en
                        eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv
                        .</al><al/><al>Als aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en vaststaat
                        dat de ontvanger zijn verhaalsrecht niet kan effectueren, blijft
                        inbeslagname achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.7. Voldoening zekerheidsschuld door ontvanger en beslag roerende zaken</label></kop><al>De ontvanger kan het restant van de schuld van belastingschuldige aan een
                        derde op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met
                        de belastingschuldige, als de belastingdeurwaarder de volgende zaken
                        aantreft:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>zaken die niet onder het bodemrecht vallen; en</al></li><li nr="-"><al>strekken tot zekerheid voor de voldoening van een schuld die de
                                belastingschuldige aan de derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop,
                                eigendomsvoorbehoud); en</al></li><li nr="-"><al>waarop de ontvanger zich na voldoening van die schuld zou kunnen
                                verhalen.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger maakt van deze mogelijkheid slechts gebruik als de
                        executiewaarde van de desbetreffende zaken beduidend hoger is dan het
                        restant van de schuld. Dit geldt ook als het gaat om zaken van de
                        belastingschuldige die bij een derde in beslag zijn genomen en waarop deze
                        derde een retentierecht heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.8. Beslag roerende zaken bij derden</label></kop><al>Op zaken van de belastingschuldige die zich bij een derde bevinden, verhaalt
                        de belastingdeurwaarder de belastingschuld zoveel mogelijk door het leggen
                        van een beslag op roerende zaken.</al><al/><al>De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen
                        als:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de derde geen medewerking verleent aan het leggen van een beslag
                                roerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken
                                zelf te zien, dan wel te inventariseren;</al></li><li nr="-"><al>de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv , voordat
                                het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten.</al></li></lijst><al/><al>Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op
                        roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk
                        derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De
                        belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de
                        beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel
                        475, tweede lid, Rv .</al><al/><al>Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde
                        voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d
                        Rv .</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.9. Wegvoeren van beslagen zaken</label></kop><al>Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de
                        belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</al><al/><al>Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken
                        wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in
                        Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn
                        verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken.</al><al/><al>Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken
                        redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de
                        orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde
                        geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig
                        bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden
                        afgevoerd. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt
                        slechts gebruik gemaakt:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet
                                volledig kan worden ingevorderd en;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat
                                de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden
                                geacht.</al></li></lijst><al/><al>Het wegvoeren van gebeurt niet door de belastingdeurwaarder dan na daartoe
                        verkregen toestemming van de ontvanger van de gemeente.</al><al/><al>De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de
                        ontvanger of van een andere door hem daartoe aangewezen
                            functionaris<cursief>.</cursief></al><al/><al>Bij het in beslag nemen van een voertuig is het aan de belastingdeurwaarder
                        ter keuze om een wielklem, of een ander middel, aan te brengen ter zekerheid
                        tegen verduistering.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.11. Afsluiting en beslag roerende zaken</label></kop><al>De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte
                        overgaan waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich
                        bevinden, als:</al><lijst><li nr="-"><al>de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van
                                deze leidraad; en</al></li><li nr="-"><al>de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer
                                hoge kosten kunnen worden afgevoerd.</al></li></lijst><al/><al>Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden
                        overgegaan. Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de
                        ontvanger. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger
                        van de ontvanger of van een andere door de ontvanger daartoe aangewezen
                        functionaris.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.12. Bewaarder en beslag roerende zaken</label></kop><al>Als zaken op grond van artikel 14.2.9 van deze leidraad worden weggevoerd of
                        op grond van artikel 14.2.11 van deze leidraad afsluiting plaatsvindt, stelt
                        de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden
                        geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met
                        betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder
                        wordt vermeld in het proces-verbaal dat in de betreffende situaties moet
                        worden opgemaakt.</al><al/><al>Als een ambtenaar van de gemeente als bewaarder wordt aangesteld, is dit
                        zoveel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de
                        belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de ambtenaar die tot
                        bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven.</al><al/><al>De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen
                        zaken waarover hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd of
                        opgeslagen op een wijze die het risico van fysiek of economisch bederf
                        minimaliseert, meer dan voor de onderhavige zaken onder normale
                        omstandigheden gebruikelijk is. De in dit verband te nemen maatregelen en de
                        daaraan verbonden kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot de
                        aard en de waarde van de desbetreffende zaken.</al><al/><al>Tijdens de periode dat het beslag ligt, wordt in de navolgende gevallen aan
                        de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder
                        aangesteld:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>als de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd
                                lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het
                                bewaarderschap verbonden taken uit te oefenen;</al></li><li nr="-"><al>als de bewaarder is overleden; in dit geval hoeft het bewaarderschap
                                niet uitdrukkelijk te worden ontnomen;</al></li><li nr="-"><al>als een ambtenaar van de gemeente tot bewaarder is aangesteld en
                                deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard
                                redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te
                                (kunnen) hebben bij het beslag.</al></li></lijst><al/><al>Ontslag van een bewaarder gebeurt steeds schriftelijk; in voorkomend geval
                        kan dit bij deurwaardersexploot.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.13. Executoriale verkoop computerapparatuur</label></kop><al>Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt
                        alleen de zogenoemde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder
                        moet - voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan - nagaan of deze
                        apparatuur nog de zogenoemde 'software' bevat (bestanden, programma's en
                        dergelijke). Als dat het geval is, dan moet de belastingschuldige de
                        mogelijkheid worden geboden om die software te verwijderen en een back-up te
                        maken.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken</label></kop><al>De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina
                        werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de
                        Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met
                        dat doel worden tentoongesteld.</al><al/><al>Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina
                        werken voorkomen - al dan niet met het vereiste stempelteken - moet de
                        ontvanger aangifte doen zoals artikel 46 van de Waarborgwet 1986 dat
                        voorschrijft.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.15. Beslag op illegale zaken</label></kop><al>Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de
                        vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van
                        strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang
                        vinden. Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie
                        ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke
                        maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14.1.12 van deze
                        leidraad.</al><al/><al>Als geen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen (de voormelde zaken
                        worden niet verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer), dan moet de
                        ontvanger contact opnemen met het college voordat maatregelen worden
                        getroffen om tot executoriale verkoop van de inbeslaggenomen zaken over te
                        gaan.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.16. Bieden voor rekening van de gemeente en beslag roerende zaken</label></kop><al>Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een
                        andere belastingdeurwaarder dan de deurwaarder die met de verkoop belast is,
                        opdragen voor rekening van de gemeente te bieden.</al><al>Daarnaast kan de ontvanger de belastingdeurwaarder opdracht geven om de
                        executie plaats te laten vinden via internetveiling. De regels hiervoor
                        dienen openbaar gemaakt te worden]</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.17. Opheffing van het beslag op roerende zaken</label></kop><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger
                        dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot
                        kenbaar gemaakt.</al><al/><al>Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv
                        wordt altijd kenbaar gemaakt bij deurwaardersexploot.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken</label></kop><al>De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende
                        zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen
                        omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt
                        afgeboekt, worden eerst de kosten van de executie verrekend. De ontvanger
                        boekt de opbrengst van de executie vervolgens af met inachtneming van het
                        bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.</al><al/><al>Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt
                        gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt
                        zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de
                        toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan
                        zijn de artikelen 481 en volgende Rv van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.19. Proces-verbaal van verkoop roerende zaken</label></kop><al>Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het
                        proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk
                        toegezonden, met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers
                        onleesbaar zijn gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.20. Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken</label></kop><al>Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of
                        een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het
                        belang van de invordering zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>14.2.21 Relaas van onttrekking</label></kop><al>Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken (artikel 198 Sr ) kan van
                        dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger
                        beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de officier van
                        justitie.</al></artikel><artikel><kop><label>14.3. Beslag op onroerende zaken</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken</label></kop><al>Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak
                        aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De
                        belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in
                        bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of
                        vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe
                        verkregen toestemming van de ontvanger. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is
                        van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken</label></kop><al>Als de ontvanger voor een belastingschuld beslag op een onroerende zaak
                        heeft gelegd, zal hij voor een nader opgekomen belastingschuld zoveel
                        mogelijk opnieuw tot beslaglegging overgaan.</al><al/><al>In gevallen waarin de ontvanger zelf de eerste beslaglegger is, gaat hij
                        altijd tot beslaglegging over voor vorderingen van derden waarvan de
                        invordering aan hem is opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.3.3. Verhuurde of verpachte onroerende zaken</label></kop><al>De ontvanger die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens
                        de huur of pacht wil incasseren, doet hiervoor zoveel mogelijk een vordering
                        ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter. Er wordt in zo’n geval
                        dus niet gehandeld als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv .</al></artikel><artikel><kop><label>14.3.4. Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken</label></kop><al>De ontvanger vraagt de notaris een afschrift van de veilingvoorwaarden die
                        op de verkoop van toepassing zijn en hij treedt zo nodig in overleg over de
                        inhoud van deze voorwaarden.</al><al/><al>In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de
                        kosten van executie, toewijzing en eventuele rangregeling door de executant
                        zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort - als de koopprijs
                        niet toereikend mocht zijn - door de executant zal worden aangezuiverd.</al></artikel><artikel><kop><label>14.3.5. Opheffing van het beslag onroerende zaken</label></kop><al>Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk
                        mededeling gedaan aan de belastingschuldige. Als het beslag aan de huurder
                        of pachter is betekend, ontvangt deze ook een schriftelijke mededeling.</al><al/><al>Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan
                        de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en -
                        indien van toepassing - aan de bewaarder.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4. Beslag onder derden</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>14.4.1. Beslag op vordering van een derde</label></kop><al>In de artikelen 475 en volgende Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van
                        de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat - na
                        het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring - de derde geen gelden of
                        zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De
                        ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.</al><al/><al>Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van
                        derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de
                        belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld
                        door een bank - wordt geadministreerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de
                        echtgenoot met wie de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is
                        gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de
                        echtgenoot van de belastingschuldige, als de echtgenoot alleen gerechtigd is
                        de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen.</al><al/><al>In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de
                        derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot
                        binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de
                        ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op
                        naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter
                        verhaal van een vordering op de belastingschuldige.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.2. Derdenbeslag of vordering ex artikel 19</label></kop><al>Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de
                        wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.3. Roerende zaken bij derden</label></kop><al>Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden,
                        wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 14.2.8 van deze
                        leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.4. Plaats beslaglegging en derdenbeslag</label></kop><al>Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van de naam en de
                        eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. De
                        situatie kan zich voordoen dat de derde een hoofdkantoor heeft en een of
                        meerdere bijkantoren. In dat geval legt de belastingdeurwaarder het beslag
                        zoveel mogelijk bij het hoofdkantoor dan wel het filiaal of bijkantoor dat
                        bemoeienis heeft met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht.</al><al/><al>In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder een ander
                        filiaal of bijkantoor. De executant kiest in alle gevallen domicilie bij de
                        belastingdeurwaarder.</al><al/><al>Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij
                        de beslaglegging beperken. Voor zover niet door een andere schuldeiser
                        beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden
                        beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk
                        geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt</label></kop><al>Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel
                        artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn
                        levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past
                        de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije
                        voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv .</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring</label></kop><al>De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in
                        gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog
                        geen verklaring van hem is ontvangen.</al><al/><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.7. Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring</label></kop><al>De derdebeslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de ontvanger in
                        gebreke gesteld als niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare
                        geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen
                        van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke
                        uitnodiging van de ontvanger aan de derde-beslagene.</al><al/><al>Hij wordt daarbij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn
                        verplichting te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.8. Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag</label></kop><al>Een derde-beslagene kan binnen de termijn van vier weken verklaring doen van
                        hetgeen hij onder zich heeft en de belastingdeurwaarder laten weten direct
                        tot afdracht te willen overgaan.</al><al/><al>In dat geval deelt de ontvanger hem namens de belastingdeurwaarder mee - als
                        er geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten - dat het beslag van
                        rechtswege vervalt op het moment dat de door de derde-beslagene af te dragen
                        geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de
                        belastingdeurwaarder zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.9. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente</label></kop><al>Bij een derdenbeslag op een polis van een levens- of spaarverzekering of
                        lijfrente geldt - naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv het
                        volgende:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van
                                derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige
                                oudedagsvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de
                                openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening
                                van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger
                                rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van
                                de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden
                                handeling die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
                                leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan
                                worden opgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de
                                polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor
                                de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en
                                gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de
                                ontvanger - in overleg met belastingschuldige - het beslag liggen
                                tot de expiratiedatum;</al></li><li nr="-"><al>De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot
                                uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg;</al></li><li nr="-"><al>De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten
                                onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd
                                worden geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>14.4.10. Retentierecht en derdenbeslag</label></kop><al>Als de derdebeslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het
                        derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, dan kan de ontvanger op grond
                        van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het
                        retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige.
                        Het bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de
                        desbetreffende zaak.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.11. Opheffing van het derdenbeslag</label></kop><al>Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger
                        dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot
                        kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde.</al><al/><al>In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de
                        derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift
                        van deze kennisgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag</label></kop><al>Als een derde tegen de ontvanger een vordering uit onverschuldigde betaling
                        instelt en de ontvanger aan deze vordering voldoet, wordt de
                        belastingaanslag waarvoor het derdenbeslag is gelegd, geacht in zoverre niet
                        te zijn voldaan.</al><al/><al>De ontvanger kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er
                        geen derdenbeslag is gelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.13. Derdenbeslag onder de Staat of de ontvanger en het doen van verklaring</label></kop><al>Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de ontvanger, dan is
                        specificatie verplicht; er wordt in dit verband verwezen naar artikel 479
                        Rv. </al><al/><al>De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te
                        belemmeren, maar de taak van de Staat of de ontvanger te verlichten. Dit
                        betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet moet
                        beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar zich
                        ook moet uitstrekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de
                        Staat of de ontvanger en wat bij de Staat of de ontvanger bekend was op het
                        moment van beslaglegging.</al></artikel><artikel><kop><label>14.4.14. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf</label></kop><al>Als derdenbeslag onder de Belastingdienst wordt gelegd op een voorlopige
                        teruggaaf, dan wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije
                        voet. Dit geldt ook als het termijnbedrag niet groter is dan € 23 per
                        maand.</al></artikel><artikel><kop><label>14.5. Beslag op schepen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>14.5.1. Beletten van het vertrek van het schip</label></kop><al>De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige
                        maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Denk hierbij
                        bijvoorbeeld aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig
                        voorziet de belastingdeurwaarder zich - na daartoe overleg te hebben
                        gepleegd met de ontvanger - van deskundige bijstand. De kosten van deze
                        bijstand komen voor rekening van de belastingschuldige.</al><al/><al>In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het
                        schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten, bijvoorbeeld wanneer
                        ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een
                        voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de
                        ontvanger - gelet op de omstandigheden - aanvaardbaar is.</al><al>In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel
                        25 van deze leidraad geformuleerde uitstelbeleid.</al></artikel><artikel><kop><label>14.5.2. De executie van schepen</label></kop><al>Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven gebeurt
                        de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde
                        notaris.</al><al>De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan
                        van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik moeten worden
                        gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet
                        erkent.</al><al>De executie van niet-teboekgestelde schepen gebeurt op dezelfde wijze als de
                        executie van andere roerende zaken die geen registergoederen zijn. Om een zo
                        hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de ontvanger een andere
                        belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de verkoop is
                        belast, opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De ontvanger geeft
                        deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.5.3. Afgelasting van de verkoop van een schip</label></kop><al>Als een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen doorgang
                        kan vinden, dan draagt de ontvanger er zorg voor dat de aanplakbiljetten
                        onmiddellijk worden verwijderd. Hij treft ook voor op andere wijze gedane
                        aankondigingen dienovereenkomstige maatregelen.</al><al>Als de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte is, dan wordt
                        hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als
                        verwacht mag worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor
                        het aangekondigde tijdstip van verkoop bereikt, dan stelt de ontvanger hem
                        zo mogelijk op een andere wijze in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>14.5.4. Deskundige hulp en beslag op schepen</label></kop><al>Als bij een executie deskundige hulp is gewenst, kan de ontvanger een
                        makelaar of een andere ter zake kundige inschakelen.</al></artikel><artikel><kop><label>14.5.5. Opheffing van het beslag op schepen</label></kop><al>Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        belastingschuldige. Ook wordt - ingeval van teboekgestelde schepen - van de
                        opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven
                        schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Doorlopend beslag</titel></kop><al>In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen.</al></artikel><artikel><kop><label>16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen</label></kop><al>Als vóór 1 januari 2011 door de ontvanger derdenbeslag onder de
                        Belastingdienst op een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting met
                        betrekking tot het jaar 2010 is gelegd, geldt het volgende. Dit beslag wordt
                        geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag op grond van
                        een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 9,
                        zesde lid, van de wet over een volgend jaar voorzover de uit te betalen
                        termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten en de schuld
                        waarvoor het beslag is gelegd niet geheel is voldaan. Mutatis mutandis geldt
                        hetzelfde voor een beslag dat is gelegd op een in een of meer termijnen uit
                        te betalen bedrag op grond van een voorschot, als bedoeld in artikel 22,
                        zevende lid, van de Awir .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</titel></kop><al><cursief>Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het
                            instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
                            Naast de belastingschuldige kan een ieder tegen wie de dwanginvordering
                            is gericht in verzet komen.</cursief></al><al/><al><cursief>Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft
                            plaatsgevonden. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het
                            dwangbevel, voor zover dit door het verzet wordt bestreden. Ook kan
                            verzet worden gedaan tegen een vordering als bedoeld in artikel 19 van
                            de wet.</cursief></al><al/><al><cursief>Er kan geen verzet worden ingesteld tegen de in rekening gebrachte
                            kosten van de aanmaning en de betekeningskosten van het
                            dwangbevel.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging
                                dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste
                                adressering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel</label></kop><al>Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk
                        kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in
                        artikel 3:13 BW, kan hij - na verkregen toestemming van het college
                        besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten.</al><al>Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een
                        buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of
                        onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie
                        schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze
                        schorsing berust.</al><al/><al>De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv ,
                        dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Ook wordt in
                        de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding
                        zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is
                        opgeheven.</al></artikel><artikel><kop><label>17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering</label></kop><al>Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post
                        betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de
                        belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Doen van een vordering</titel></kop><al><cursief>De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger
                            de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze
                            belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de
                            belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich
                            heeft of zal krijgen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de algemene regels over het doen van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>de faillissementsvordering;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>19.1. Vordering algemeen</label></kop><al>Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter
                        besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur
                        gegeven boven derdenbeslag.</al><al/><al>Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht
                        wel houder van penningen is, moet al naar gelang de omstandigheden worden
                        beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.1. Bekendmaking vordering</label></kop><al>De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan
                        degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.</al><al/><al>Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde
                        personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening van
                        een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor
                        betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering .</al><al/><al>Voor de betekening brengt de belastingdeurwaarder geen kosten in
                        rekening.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.2. Voldoen aan de vordering</label></kop><al>Als de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer
                        belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening
                        van welke belastingaanslag de betaling strekt.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.3. Niet voldoen aan de vordering</label></kop><al>Derdenbeslag wordt alleen gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is
                        voldaan, dan wel de derde hierop ten onrechte niet heeft gereageerd. Hiervan
                        is zeker sprake als blijkt dat het uitblijven van het voldoen aan de
                        vordering te wijten is aan de derde.</al><al/><al>Als de ontvanger in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag
                        niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering
                        ingetrokken.</al><al/><al>Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag wordt in het
                        beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is
                        voorafgegaan en van de datum waarop die vordering is gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.4. Intrekken van een vordering</label></kop><al>Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden
                        gehandhaafd, trekt de ontvanger deze bij beschikking in.</al><al/><al>De ontvanger maakt deze beschikking bekend aan degene aan wie de vordering
                        is gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.5. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering</label></kop><al>Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand vermindert
                        of vernietigt de inspecteur de belastingaanslag, dan wordt de hieruit
                        voortvloeiende teruggaaf verrekend of uitbetaald aan de
                        belastingschuldige.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering</label></kop><al>Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd
                        beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen) bestaat onder
                        voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te
                        negeren. </al><al/><al>Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de
                        belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in
                        de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet.</al><al/><al>De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde
                        beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk
                        aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere
                        karakter daarvan.</al><al/><al>De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming
                        dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde
                        beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van
                        het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.</al></artikel><artikel><kop><label>19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering</label></kop><al>In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de
                        vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt
                        ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende
                        voorwaarden:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de
                                belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;</al></li><li nr="b."><al>de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het
                                tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee
                                maanden overschreden;</al></li><li nr="c."><al>de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of
                                kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is,
                                beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om
                                de belastingaanslagen te voldoen;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>19.2. De faillissementsvordering</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement</label></kop><al>In een faillissement vallen de belastingschulden - en ook de
                        invorderingsrente - voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van
                        de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële
                        belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het faillissement
                                worden als faillissementsschulden aangemerkt;</al></li><li nr="-"><al>Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement zijn
                                niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld worden
                                aangemeld.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip
                        en doet twee aparte vorderingen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld;</al></li><li nr="-"><al>één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden
                                aangemerkt.</al></li></lijst><al/><al>Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet kan
                        de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die
                        aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de voorlopige
                        aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip.</al><al/><al>Bij het bepalen of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is
                        uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Als
                        die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de ontvanger de
                        boete in het faillissement aanmelden. Als de dagtekening ligt na uitspraak
                        van het faillissement, dan kan de ontvanger de boete niet meer in het
                        faillissement aanmelden, ook al heeft de boete betrekking op een situatie
                        vóór het faillissement.</al></artikel><artikel><kop><label>19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement</label></kop><al>Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een
                        surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond
                        van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het
                        faillissement.</al><al/><al>Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de
                        belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van
                        toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>19.2.3. Opkomen in faillissement</label></kop><al>Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering
                        te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere
                        omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe
                        noodzaken.</al><al/><al>In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt
                        hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de
                        curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die
                        als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan
                        wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke
                        weg alsnog voldoening te bewerkstelligen.</al><al/><al>Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich
                        met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de
                        ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3. Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>19.3.1. Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen</label></kop><al>Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met betrekking
                        tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de vordering
                        een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en
                        doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd.</al><al/><al>Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere
                        invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door
                        middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft,
                        bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen
                        alvorens de derde via de vordering te betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen</label></kop><al>Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering
                        vervolgt door een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid,
                        onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een periodieke
                        uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de
                        belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn
                        voornemen een vordering te doen.</al><al/><al>De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn
                        verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel
                        tot betaling ter post heeft bezorgd.</al><al/><al>De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de
                        dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege
                        als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie
                        die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de
                        belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen</label></kop><al>Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen
                        onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en waarvoor geen
                        beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn
                        levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de
                        ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe.</al><al/><al>In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de
                        periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij
                        vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont
                        of vast verblijft.</al><al/><al>Voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar, en een alleenstaande, ouder
                        jonger dan 21 jaar - indien zij een ander inkomen genieten dan een
                        bijstandsuitkering - geldt een beslagvrije voet van 90% van het feitelijk
                        inkomen (+ vakantieaanspraak) met een minimum van 90% van de bijstandsnorm
                        genoemd in artikel 21, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b van de Wet
                        werk en bijstand en een maximum van 90% van de bijstandsnorm nadat deze
                        verhoogd is met het bedrag genoemd in artikel 25 van die wet. </al></artikel><artikel><kop><label>19.3.3a Beslagvrije voet en vakantiegeld</label></kop><al>De ontvanger stelt de beslagvrije voet vast op basis van het periodieke
                        inkomen of de bijstandsnorm met inbegrip van de aanspraak op vakantiegeld
                        over de desbetreffende maand. In de maand dat het vakantiegeld wordt
                        uitbetaald, wordt de beslagvrije voet daarom niet verhoogd. Dat laatste
                        geldt ook als het beslag niet gedurende de gehele periode waarover het
                        vakantiegeld is opgebouwd, heeft gelegen.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet</label></kop><al>De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de
                        ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een
                        juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de
                        belastingschuldige, stelt hij - op basis van artikel 58 van de wet - de
                        belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te verstrekken. </al><al>Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belastingschuldige een partner
                        heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet bekend is.</al><al>Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de
                        beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering</label></kop><al>Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een
                        periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een
                        overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op
                        verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering
                        beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd
                        is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit
                        deze belasting blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.6. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet</label></kop><al>Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege
                        de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening te vragen
                        volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door een vordering te
                        doen.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm</label></kop><al>Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de
                        betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandnorm
                        geacht wordt te betalen.</al><al/><al>In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met het
                        bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.</al></artikel><artikel><kop><label>19.3.8. Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Lijfsdwang</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Voorrecht rijksbelastingen</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bodemrecht</titel></kop><al><cursief>Artikel 22 van de wet gaat over het bodemrecht.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de werkingssfeer van het bodemrecht;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en bestuurlijke boeten;</al></li><li nr="-"><al>overbetekening bodembeslag;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement;</al></li><li nr="-"><al>de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar;</al></li><li nr="-"><al>bodemrecht en voorrang;</al></li><li nr="-"><al>verzet en beroep.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>22.1. Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht</label></kop><al>Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of
                        onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de
                        artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken. Op grond
                        van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.</al><al/><al>Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen
                        te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag is
                        gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de
                        administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het
                        college van de gemeente.</al><al/><al>Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een
                        eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak
                        menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van artikel
                        22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege op.</al><al/><al>Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van verzet
                        in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde zaken en
                        genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht van de fiscus. Dit
                        voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet toepassen.</al></artikel><artikel><kop><label>22.2. Bodemrecht en bestuurlijke boeten</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.3. Overbetekening bodembeslag</label></kop><al>Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom
                        toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv
                        verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de
                        beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de
                        belastingdeurwaarder.</al><al/><al>Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de
                        mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan
                        het college.</al><al/><al>De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op
                        enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis krijgt van
                        het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als
                        tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde
                        verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het
                        vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.</al></artikel><artikel><kop><label>22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.5. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.6. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.7. Bodemrecht en voorrang</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8. Verzet en beroep</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>22.8.1. Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag</label></kop><al>Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de derde
                        geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of voor de
                        ontvanger anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de
                        betreffende zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel
                        doorgang.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.2. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag</label></kop><al>Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv
                        heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder meer duidelijk is
                        dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen verhaal kan nemen.</al><al/><al>In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling door
                        naar het college. Als ook het college geen aanleiding ziet aan het verzet
                        tegemoet te komen, dan stuurt de ontvanger de stukken door naar een advocaat
                        met het verzoek een procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen
                        de derde te verkrijgen.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.3. Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag</label></kop><al>Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende zaken
                        schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.</al><al/><al>Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt hij
                        geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger
                        het opschorten van de invordering belangen van de gemeente schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.4. Beroepschrift ex artikel 22 van de wet</label></kop><al>Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de
                        ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift
                        kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of
                        vervallen.</al><al/><al>Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit
                        beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer
                        ligt.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.5. Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de beroepsfase
                        dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
                        gebaseerd, de ontvanger de indiener verzoekt om het beroepschrift binnen een
                        redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op
                        een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de
                        motiveringsplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.6. Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet</label></kop><al>Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft op
                        een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet ontvankelijk
                        verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is
                        geweest.</al><al/><al>Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk is
                        verklaard, zal het college ambtshalve in behandeling nemen. De ontvanger
                        schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de eventuele
                        wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend beroepschrift niet op
                        alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</al><al/><al>Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt voordat
                        hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan wijst de
                        ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een beroepschrift tot het
                        college te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende
                        tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval
                        van leasing geldt echter dat de ontvanger een beslag niet opheft dan na
                        overleg met het college.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.7. Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag</label></kop><al>Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat
                        ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing op een
                        ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger draagt
                        zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de
                        belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder.
                        Voor de betekening van de beslissing van het college worden geen kosten in
                        rekening gebracht.</al><al/><al>Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij
                        door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo
                        nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van het college betekend
                        op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.</al><al/><al>Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het
                        beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg met
                        het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt mits de
                        opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de
                        beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.8. Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag</label></kop><lijst><li nr="-"><al>De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende
                                bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep
                                in te stellen op grond van artikel 22 eerste lid, van de wet dan wel
                                verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv .</al><al>Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover
                                binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt
                                het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste
                                lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag</label></kop><al>Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet
                        indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435,
                        derde lid, Rv , dan behandelt de ontvanger eerst het verzet ex artikel 435,
                        derde lid, Rv, voordat hij het beroepschrift doorzendt aan het college.</al><al>Als de ontvanger daarbij van oordeel is dat het beslag kan worden opgeheven,
                        dan bevordert hij de intrekking van het beroepschrift ex artikel 22 van de
                        wet. Bij een verzetprocedure beslist het college op het beroepschrift, in
                        die zin dat hij zich zal houden aan de uitspraak gewezen in de
                        verzetprocedure.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet</label></kop><al>Bij de beslissing van het college op een beroepschrift dat is ingediend
                        tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor belastingaanslagen als bedoeld
                        in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt het eigendomsrecht van een derde
                        ontzien in die gevallen waarin sprake is van eigendom van de derde.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>22.8.12. Executie en bodemrecht</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>en artikel 23</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 22a en artikel 23 van de wet geen
                        beleidsregels gemaakt.</al><al/><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al><cursief>Artikel 24 van de wet regelt de verrekening door de ontvanger van
                            in te vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de
                            ontvanger geen gebruik maken van de algemene verrekeningsbepalingen van
                            het Burgerlijk Wetboek . Tijdens faillissement, surseance en wettelijke
                            schuldsanering geldt artikel 24 van de wet niet; dan zijn de artikelen
                            53 tot en met 56 , 234 , 235 en 307 van de FW van
                        toepassing.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>wanneer verrekening;</al></li><li nr="-"><al>betwiste schuld en verrekening;</al></li><li nr="-"><al>reikwijdte van de verrekening;</al></li><li nr="-"><al>bekendmaking verrekening;</al></li><li nr="-"><al>instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>24.1. Wanneer verrekening</label></kop><al>De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al
                        dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</al><al/><al>Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde
                        belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde
                        openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de
                        ontvanger dit verzoek altijd in.</al><al/><al>Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is
                        geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval
                        schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan
                        de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te
                        verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag
                        verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).</al></artikel><artikel><kop><label>24.1.1. Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>24.2. Betwiste schuld en verrekening</label></kop><al>In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te
                        betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger
                        uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze
                        leidraad.</al><al/><al>De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de
                        belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>24.3. Reikwijdte van de verrekening</label></kop><al>Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te
                        betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet
                        invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in
                        gevallen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet binnen de
                        betalingstermijn te verrekenen.</al><al/><al>Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een
                        termijnbetaling is verstreken, kan de ontvanger alleen verrekenen voor zover
                        de termijn is verstreken.</al><al/><al>Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een situatie
                        als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet .
                        Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de voorlopige aanslag
                        vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties voordoet.</al><al/><al>Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de
                        ontvanger is opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>24.4. Bekendmaking verrekening</label></kop><al>Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij
                        beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt
                        door toezending of uitreiking van een kennisgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding</label></kop><al>In artikel 24, vierde lid, van de wet is een instemmingsregeling opgenomen
                        die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (artikel 3:94
                        BW ) of stille verpanding (artikel 3:239 BW ) van een uit te betalen
                        bedrag.</al><al/><al>Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met
                        openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem
                        meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de
                        belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit
                        te betalen bedrag. </al><al/><al>Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen
                        instemmingsregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6.2. Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen</label></kop><al>Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits
                        dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</al><al/><al>Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf
                        van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag
                        of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het
                        geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking
                        heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6.3. Instemming of weigering met een cessie of verpanding</label></kop><al>De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking
                        op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk
                        verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in
                        gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij iedere
                        cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt.</al><al/><al>Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de
                        ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie
                        of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid
                        van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of
                        anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen
                        bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering
                        voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze
                        situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend
                        staat als een notoir slechte betaler.</al><al/><al>Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of
                        verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel
                        ontstane belasting-schulden die nog niet zijn geformaliseerd in een
                        belastingaanslag. </al><al/><al>De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op
                        het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de
                        belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde)
                        schuld invorderbaar is.</al><al/><al>De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de
                        derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel van
                        een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de
                        mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6.4. Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking tot
                        een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep is
                        gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het beroepschrift binnen
                        een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener
                        op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze
                        motiveringsplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6.5. Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding</label></kop><al/><al>De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt
                        door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de
                        belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of
                        cessionaris.</al></artikel><artikel><kop><label>24.6.6. Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding</label></kop><al>De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het
                        verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de
                        voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet tot
                        verrekening over.</al><al/><al>Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet eerder
                        dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij
                        tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</al><al/><al>Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de
                        ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk
                        vaststaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Uitstel van betaling</titel></kop><al><cursief>Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder door
                            hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan de
                            belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde
                            belastingaanslag.</cursief></al><al/><al><cursief>Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op
                            schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding
                            gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling
                            verlenen.</cursief></al><al/><al><cursief>De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking
                            tussentijds beëindigen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag.</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag;</al></li><li nr="-"><al>uitstel in verband met betalingsproblemen;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>betalingsregeling voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>25.1. Algemene uitgangspunten uitstelbeleid</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.1.1. Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel</label></kop><al>Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de
                        ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is
                        toegewezen.</al><al/><al>Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden
                        geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel
                        invorderingsmaatregelen treffen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.2. Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling</label></kop><al>Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden
                        waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.3. Redenen afwijzing verzoek om uitstel</label></kop><al>Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van
                                de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger
                                daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1,
                                25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);</al></li><li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden
                                gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen;</al></li><li nr="f."><al>de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct
                                voldaan kan worden;</al></li><li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare
                                termijn uitstrekt;</al></li><li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling
                                volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden;</al></li><li nr="i."><al>sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een
                                belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en
                                voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een
                                bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende
                                die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan,
                                waarmee de belastingschuld kon worden betaald.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te
                        stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek
                        om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt
                        afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is
                        besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet
                        worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.4. Redenen beëindigen uitstel</label></kop><al>Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is
                                verleend;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens
                                zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen;</al></li><li nr="d."><al>de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig
                                veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de
                                ontvanger onjuist is het uitstel te continueren;</al></li><li nr="e."><al>de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van
                                de ontvanger onvoldoende is;</al></li><li nr="f."><al>zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet
                                en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de
                                belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar
                                komt;</al></li><li nr="g."><al>belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem
                                surseance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de
                                wettelijke schuldsanering natuurlijke personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn</label></kop><al>Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn
                        niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de
                        belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de
                        achterstand te voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel</label></kop><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit
                        tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege
                        vervallen.</al><al/><al>Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de
                        ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel
                        schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.7. Geen invordering tijdens verleend uitstel</label></kop><al>Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een
                        belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen
                        invorderingsmaatregelen nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd</label></kop><al>Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend
                        uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist op een
                        ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de
                        vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van
                        tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het
                        uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling
                        is gedaan.</al><al/><al>Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch
                        verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen
                        niet.</al><al/><al>Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als
                        naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                        onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
                        gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een
                        executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling
                        is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete</label></kop><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in
                        verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke
                        boete.</al><al/><al>De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete
                        als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de
                        bedragen van die belastingaanslag en die van de boete-beschikking op één
                        aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit
                        het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de
                        bestuurlijke boete.</al><al/><al>Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken de
                        belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger verleent het
                        uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen</label></kop><al>Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de voorwaarde
                        dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand zal
                        ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.13. Zekerheid bij uitstel</label></kop><al>De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde
                        stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het
                        stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige
                        wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</al><al/><al>Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van
                        voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze
                        zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden
                        slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en
                        andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.14. Tijdstip indiening verzoek om uitstel</label></kop><al>De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in
                        behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de
                        invordering.</al><al/><al>De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met
                        betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat
                        aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden
                        executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als publicatie
                        daarvan niet meer is te voorkomen.</al><al/><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                        beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                        uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo
                        spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de
                        termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag
                        aanvangen of voortzetten.</al><al/><al>De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de
                        belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</al></artikel><artikel><kop><label>25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen</label></kop><al>De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend
                        bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.</al><al/><al>Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                        direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente
                        worden geschaad, kan de ontvanger <cursief>- </cursief>na voorafgaande
                        toestemming van het college - toch invorderingsmaatregelen treffen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag</label></kop><al>De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag
                        door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een in verband daarmee
                        gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment
                        waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een
                        bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend
                        (hoger) beroepschrift.</al><al/><al>Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft
                        uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van
                        de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.2. Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet</label></kop><al>Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een
                        verzoek om uitstel van betaling indienen. Het indienen van een
                        bezwaarschrift geldt niet tevens als een verzoek om uitstel van
                        betaling.</al><al/><al>Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift
                        en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke
                        uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als
                        een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de
                        belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling
                        indienen bij de ontvanger.</al><al/><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel indient in
                        verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de
                        ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt
                        als een pro-formabezwaarschrift.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.2.A. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift</label></kop><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in
                        verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het
                        verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag
                        vermelden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.2.B. Ontbrekende gegevens</label></kop><al>Als in het verzoek aan de ontvanger om uitstel van betaling in verband met
                        een ingediend bezwaarschrift het bestreden bedrag of de berekening daarvan
                        niet zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige in de
                        gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te delen. De
                        ontvanger kan voorts aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter
                        bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de
                        belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de
                        dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor
                        die termijn geschorst. Een langere termijn (of verlenging van de eerder
                        gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit
                        redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt
                        voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</al><al/><al>Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op een
                        uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het
                        bezwaarschrift zelf.</al><al/><al>Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op
                        een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel
                        in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit
                        laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het
                        verzoek tevens aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift.</al><al/><al>Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend
                        beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden
                        overgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling</label></kop><al>In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in
                        verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2,
                        25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan.</al><al/><al>De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende
                        beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar</label></kop><al>Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger
                        zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de
                        ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in
                        relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn
                        daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook
                        rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld</label></kop><al>Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet
                        onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste
                        belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke
                        invorderingsmaatregelen.</al><al/><al>Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de
                        belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van
                        onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de
                        ontvanger die maatregelen wel treffen.</al><al/><al>Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel
                        geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.7. Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar</label></kop><al>Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het
                        bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere
                        uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het
                        bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze leidraad onder artikel
                        24.</al><al/><al>Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de
                        belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van
                        diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden)
                        belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet
                        voldoende zekerheid is gesteld.</al><al/><al>Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige
                        in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.8. Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag</label></kop><al>Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een
                        belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende
                        voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt
                        betaald.</al><al/><al>Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de
                        invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag
                        aangevangen dan wel voortgezet.</al><al/><al>Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband
                        met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het niet-bestreden
                        gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>25.2.9. Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag</label></kop><al>De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in
                        verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en
                        later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van
                        dat bedrag.</al><al/><al>De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de
                        betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling
                        neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is
                        voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen</label></kop><al>Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt
                        verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment
                        waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag
                        waarvoor uitstel wordt gevraagd.</al><al/><al>Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf
                        als:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt
                                verwacht is afgelopen; en</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend;
                                en</al></li><li nr="-"><al>over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige
                                geen verschil van mening bestaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel</label></kop><al>Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag
                        zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, verleent de
                        ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn
                        verzoek (nader) te motiveren. De ontvanger verleent dit uitstel voor ten
                        hoogste één maand na de dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger
                        kan voor een langere periode uitstel verlenen als hij dit redelijk
                        acht.</al><al/><al>Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is
                        gemotiveerd, is het uitstel vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag</label></kop><al>De ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het
                        algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van
                        betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het
                        te verrekenen bedrag.</al><al/><al>Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen
                        bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger kan echter
                        een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>25.3.4. Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag</label></kop><al>Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft, verrekent
                        de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van
                        betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen
                        bedrag.</al><al/><al>Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct
                        gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en niet
                        hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan kan hij
                        deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.4. Uitstel in verband met betalingsproblemen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.4.1. Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen</label></kop><al>Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet
                        binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de
                        belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De
                        ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</al><al/><al>Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de
                        omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het
                        verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs
                        voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of
                        betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een
                        betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een
                        betalingsregeling.</al><al/><al>De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de betalingsproblemen
                        zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten die geen
                        perspectief bieden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling</label></kop><al>Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en
                        andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding
                        toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde
                        teruggaven.</al></artikel><artikel><kop><label>25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance</label></kop><al>Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de
                        gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden. Voor
                        deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</al><al/><al>Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden
                        voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</al><al/><al>De ontvanger kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de
                        bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die voor
                        de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De ontvanger
                        stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende
                        verplichtingen stipt nakomt.</al><al/><al>De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de
                        gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor
                        belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van
                        toepassing is.</al><al/><al>Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze
                        uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de
                        wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5. Betalingsregeling voor particulieren</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren</label></kop><al>De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een
                        periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de
                        ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.</al><al/><al>Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij
                        de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan
                        twaalfmaanden.</al><al/><al>Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over
                        onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn
                        schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in
                        behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan
                        neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel 26.1.2 is in
                        deze situatie niet van toepassing indien en voor zover de belastingschuldige
                        gebruik maakt van het daartoe ingestelde verzoekformulier voor uitstel van
                        betaling en hij dit formulier volledig invult.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren</label></kop><al>De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden
                        verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een
                        betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere
                        financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is
                        opgedragen - tijdig worden nagekomen. </al><al/><al>De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de
                        aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de
                        bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het aangifte- en
                        betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van
                        zekerheid.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.3. Kort uitstel particulieren</label></kop><al>Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een
                        betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal
                        viermaanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als
                        aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt
                                minder dan € 1.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een
                                ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend;</al></li><li nr="b."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li><li nr="c."><al>Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of
                                voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met
                                betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit
                                te betalen bedrag verleend;</al></li><li nr="d."><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li><li nr="e."><al>De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor
                                een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de
                                belastingdeurwaarder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren</label></kop><al>In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de
                        ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens
                        over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de
                        vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van
                        betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al
                        uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht
                        of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.</al><al/><al>Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig
                        nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die
                        gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de
                        artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook
                        met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het
                        vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.5. Vermogen en betalingsregeling particulieren</label></kop><al>De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek
                        staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name
                        indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</al><al>Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is
                        vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder
                        vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de
                        belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een
                        hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren</label></kop><al>Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële
                        omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een
                        belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als
                        gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van
                        de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in
                        belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de
                        achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in
                        hoeverre een betalingsregeling zinvol is.</al><al/><al>Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek
                        om een betalingsregeling is het inkomen van de belastingschuldige en diens
                        echtgenoot. Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van bij de
                        belastingschuldige inwonende kinderen zal bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit niet in aanmerking worden genomen. Een uitzondering
                        daarop vormt de ontvangen alimentatie ten behoeve van minderjarige
                        kinderen.</al><al/><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met
                        betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin de
                        belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven.</al><al>De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek
                        van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de
                        ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.7. Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven</label></kop><al>De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de
                        belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de
                        berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om
                        uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de
                        belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in
                        redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud
                        en 80% van de betalingscapaciteit (de uitvoeringstolerantie).</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden</label></kop><al>In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de
                        aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan een
                        uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot
                        ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een preferentie is
                        verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten</label></kop><al>Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts
                        rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke,
                        voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden
                        in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor</label></kop><al>Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een
                        betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen twaalf maanden wordt
                        afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft berekend,
                        dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot afwijzing van
                        het verzoek.</al><al/><al>Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de
                        ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan
                        worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de
                        belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden</label></kop><al>Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij
                        regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op
                        een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden
                        duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de belastingschuldige zijn
                        van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven - waaronder ook de huur of
                        de hypotheeklasten - in de eerste twaalf maanden van de betalingsregeling
                        zodanig moet verminderen, dat na de twaalfde maand zoveel mogelijk de
                        volledige betalingscapaciteit die aan het kwijtscheldingsbeleid is ontleend,
                        kan worden benut om de schuld te voldoen. De ontvanger sluit met de
                        betalingsregeling hier op aan.</al></artikel><artikel><kop><label>25.6. Betalingsregeling voor ondernemers</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers</label></kop><al>Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het
                        vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening
                        met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de
                        liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en
                        betalingsgedrag in het verleden.</al><al/><al>De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden niet
                        te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de
                        belastingaanslag.</al></artikel><artikel><kop><label>25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers</label></kop><al>Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde
                        dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële
                        verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen -
                        bijhoudt.</al><al/><al>Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld (zie
                        artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet gelijk
                        zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De ontvanger kan
                        zekerheid stellen door het leggen van beslag (on)roerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers</label></kop><al>Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt voor
                        particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de
                        ondernemingsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>25.6.4. Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie</label></kop><al>Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt
                        ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om de schuld
                        te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de ontvanger
                        uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het verzoek door de
                        (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet
                        dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.7. Administratief beroep</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door het college</label></kop><al>Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of
                        een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen
                        administratief beroep instellen bij het college van de gemeente. De
                        belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de
                        beschikking heeft genomen.</al><al/><al>Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger
                        overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is
                        toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen
                        worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel
                        invorderingsmaatregelen treffen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.7.2. Beroepsfase uitstel</label></kop><al>Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de
                        termijn voor het indienen van een beroepschrift tiendagen
                        bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep
                        gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
                        binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
                        daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen
                        aan deze motiveringsplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>25.7.3. Beslissing college op beroepschrift bij uitstel</label></kop><al>In alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond
                        oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek alsnog
                        toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging
                        van de gronden.</al></artikel><artikel><kop><label>25.7.4. Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel</label></kop><al>De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het niet
                        tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling. Het
                        indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn
                        gebonden.</al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling
                        had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak
                        dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het
                        beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al></artikel><artikel><kop><label>25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger</label></kop><al>Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de beslissing
                        op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald
                        verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan als een
                        beroepschrift.</al><al/><al>Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de
                        belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een
                        nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe
                        beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen
                            [<cursief>tien</cursief>] dagen in beroep gaan bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Kwijtschelding van belastingen</titel></kop><al>Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling
                        regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
                        rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke
                        kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met
                        buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal van
                        buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te
                        betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd worden verwacht.</al><al/><al>De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn vastgelegd
                        in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn de
                        doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen in de
                        belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.</al><al/><al>Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan binnen
                        een bepaalde bandbreedte gesteld op 100% van het inkomen van de
                        belastingschuldige. </al><al/><al>Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend. Wel
                        kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de betalingsverplichting. In
                        artikel 53, derde lid van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling
                        regels worden gegeven op grond waarvan de ontvanger de aansprakelijkgestelde
                        geheel of gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze
                        niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.</al><al/><al>De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden ook
                        voor het ontslag van de betalingsverplichting.</al><al/><al><vet>In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
                            beleid over:</vet></al><al/><lijst><li nr="-"><al>algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van belastingen voor particulieren;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding van belastingen voor ondernemers;</al></li><li nr="-"><al>administratief beroep;</al></li><li nr="-"><al>voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
                                kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om
                                kwijtschelding;</al></li><li nr="-"><al>geautomatiseerde kwijtschelding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden</label></kop><al>De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al zijn
                        betaald, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>De belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen
                                drie maanden nadat de (laatste) betaling op de belastingaanslag
                                heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
                                aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar
                                eerder om had verzocht.</al></li></lijst><al/><al>Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het
                        bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger
                        waaronder de belastingschuldige ressorteert op een daartoe ingesteld
                        verzoekformulier.</al><al/><al>Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit
                        niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek
                        niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een verzoekformulier aan
                        de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het verzoek alsnog
                        binnen twee weken in te dienen.</al><al/><al>In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de
                        belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het
                        verzoek af.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding</label></kop><al>Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig
                        ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de
                        ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In afwachting
                        daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.</al><al/><al>De ontvanger vraagt de gegevens slechts éénmaalop. Als de
                        belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, beschouwt
                        de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het
                        verzoek af.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang die
                        gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de leidraad
                        anders is aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden</label></kop><al>Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan
                        één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de
                        beschikking op.</al><al/><al>Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
                        plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn
                        vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn
                        bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de
                        kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft
                        voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.</al><al/><al>Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan
                        moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van
                        tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel.
                        Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van
                        toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de
                        schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen
                        bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren
                        waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij moet hij
                        alle afwijzingsgronden noemen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering</label></kop><al>Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college afwijzend
                        heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt
                        de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn
                        van tiendagen na dagtekening van de beschikking. Deze termijn
                        wordt niet of niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger
                        aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de
                        invordering de belangen van de gemeente worden geschaad.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding</label></kop><al>Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
                        beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
                        kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
                        beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de
                        termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag
                        aanvangen of voortzetten.</al><al/><al>Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat
                        niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat
                        onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de
                        gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier
                        of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende
                        gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van
                        deze leidraad), maar het verzoek afwijst.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend</label></kop><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend als:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet
                                volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte
                                formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad)
                                zijn verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een
                                onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven
                                enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in
                                dat verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar
                                het oordeel van de ontvanger - in onvoldoende mate verschaft;</al></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
                                dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een
                                nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend,
                                dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens
                                de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen.
                                Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het
                                juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
                                verzoek;</al></li><li nr="-"><al>een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
                                behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de
                                hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of
                                (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of
                                vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan
                                kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt
                                meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan
                                worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift
                                (in hoger beroep) is beslist;</al></li><li nr="-"><al>voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van meer dan één belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
                                gesteld;</al></li><li nr="-"><al>het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
                                belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere
                                sprake als: </al><lijst><li nr="a."><al>het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is
                                        te wijten dat te weinig belasting is geheven;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li><li nr="c."><al>een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf)
                                        niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan
                                        kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige
                                        teruggaaf betreft voor zover die niet voor beslag vatbaar
                                        is;</al></li><li nr="d."><al>vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
                                        indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment
                                        voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen
                                        voldoen;</al></li><li nr="e."><al>de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden
                                        dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is
                                        gebleven in verband daarmee middelen te reserveren;</al></li><li nr="f."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</al></li><li nr="g."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</al></li><li nr="h."><al>de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het
                                        recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag
                                        (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald.</al></li><li nr="i."><al>deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van
                                faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld
                                in de artikelen 138 en 252 FW;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is
                                van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een
                                belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in
                                artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel
                                verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is
                                gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
                                toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een
                                boedelschuld;</al></li><li nr="-"><al>het verzoek is ingediend voor ee n voorlopige aanslag én die aanslag
                                nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat
                                het verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de
                                ontvanger tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de
                                definitieve aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking
                                deelt de ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de
                                definitieve aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan
                                worden ingediend waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan
                                worden betrokken; </al></li><li nr="-"><al>door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
                                voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden
                                is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.</al></li><li nr="·"><al>Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te
                                betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als
                                aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat: </al></li><li nr="-"><al>binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
                                inkomens een hoger inkomen is te verwachten;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te
                                verwachten in de financiële omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de
                                voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de
                                regeling kan worden verwacht. </al></li></lijst><al/><al>De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde belasting te
                        betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een per saldo verschuldigd
                        bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de aanwezige financiële middelen worden
                        aangesproken. Dit houdt in dat geen kwijtschelding kan worden verleend als
                        de belastingaanslag binnen een jaar door middel van verrekening kan worden
                        aangezuiverd.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding</label></kop><al>Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
                        kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.</al><al/><al>Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
                        bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
                        kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
                        artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
                        geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke)
                        belastingaanslagen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen</label></kop><al>De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend
                        bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman.</al><al/><al>Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
                        direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente
                        worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming van het
                        college toch invorderingsmaatregelen treffen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren</label></kop><al>Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de
                        bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd met de
                        schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger bevoorrecht
                        zijn dan de rijksbelastingen.</al><al/><al>Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of bij
                        ongehuwd samenlevenden als sprake is van een samenlevingscontract, is het
                        voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de partner
                        niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
                        belastingaanslag.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren</label></kop><al>De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking
                        genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan</al><al>€ 2.269 bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als
                        vermogen in aanmerking genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren</label></kop><al>De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
                        aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend
                        een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt
                        de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een
                        financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele
                        (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.</al><al/><al>Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als
                        de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe -
                        aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening
                        van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of
                        ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt
                        bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover
                        deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel
                        zou kunnen worden betaald.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
                        vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel
                        ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de
                        betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal
                        zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.</al><al/><al>De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
                        kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
                        heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling
                        van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij
                        verkoop vrij te aanvaarden.</al><al/><al>Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de
                        afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt
                        vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere
                        belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen
                        slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in
                        verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep belastingschuldigen
                        een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen.
                        In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien
                        van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen,
                        gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een
                        beslag op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van
                        de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.</al><al/><al>Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
                        gevallen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
                        vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de
                        ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen,
                        tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn
                        kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen
                        ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen
                        in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit
                        het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van
                        belang.</al><al/><al>Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
                        overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
                        financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
                        bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
                        belastingschuld kunnen worden aangesproken.</al><al/><al>Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in
                        aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel
                        in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze
                        werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om
                        kwijtschelding indient.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.8. [vervallen]</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.2.9. Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering ontvangt
                        ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, wordt het vermogen dat
                        noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als
                        vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig
                        zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld
                        in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de
                        belastingaanslag te voldoen.</al><al/><al>De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het
                        gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
                        belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
                        bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek
                        om kwijtschelding is ingediend.</al><al/><al>Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd
                        met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn
                        echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
                        verzoek om kwijtschelding is ingediend. </al><al>Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of
                        bij ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract,
                        is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet
                        aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag.
                        De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de
                        aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvan kwijtschelding wordt
                        verzocht.</al><al/><al>De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
                        belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die
                        stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
                        gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
                        voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen
                        en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden
                        dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige
                        ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden
                        die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de
                        gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval -
                        afhankelijk van de omstandigheden - het normbedrag voor een alleenstaande
                        dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de
                        regeling).</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt
                        gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten waarbij
                        aanspraak bestaat op vakantiegeld.</al><al/><al>Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
                        eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder
                        bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking genomen.
                        Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de
                        belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus
                        worden uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19, derde lid, van de
                        Wwb .</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden
                        met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000 en hoofdstuk
                        4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+
                        ).</al><al/><al>Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een
                        normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling
                        is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en
                        maximale basislening. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit of de
                        student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit
                        normbudget verhoogd met de partnertoeslag of de één-oudertoeslag. De
                        inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.</al><al/><lijst><li nr="A."><al>Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
                                normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag
                                voor boeken en leermiddelen groot € 57.</al></li><li nr="B."><al>Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag
                                voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een
                                forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 50 en met het
                                bedrag aan onderwijsretributie groot € 85,92.</al></li></lijst><al/><al>Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
                        inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
                        hiervoor berekend onder A en B.</al><al>Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
                        collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen
                        inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal
                        geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen
                        berekenen de navolgende formules gebruikt:</al><al/><al>Formule 1: (P + Q) – R – S = X</al><al/><al>In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
                        genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor
                        studenten in het hoger onderwijs). </al><al/><al>Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt
                        aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor
                        levensonderhoud. </al><al/><al>Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van
                        de IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt
                        aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul
                        bedraagt.</al><al/><al>Formule 2: X + Y = T</al><al/><al>In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten
                        van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de
                        berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit
                        inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen
                        te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.</al><al>In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
                        zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
                        vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld
                        van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die
                        zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere
                        bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking
                        genomen.</al><al/><al>De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt
                        daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke
                        bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de bijzondere
                        bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
                        reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor
                        jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de
                        ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen
                        tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar -
                        geheel of gedeeltelijk ontbreekt.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
                        gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
                        maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen worden
                        opgelegd.</al><al/><al>Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
                        rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
                        gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld
                        in artikel 229 van de Gemeentewet ) en andere belastingen en heffingen van
                        lokale overheden.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden</label></kop><al>Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die
                        zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
                        gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie artikel 26.2.10
                        van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten
                        hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van
                        artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens</label></kop><al>In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18 jaar
                        of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
                        belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18
                        jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op één
                        adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit
                        geen rekening gehouden met de netto-woonlasten, tenzij de belastingschuldige
                        aannemelijk maakt dat de woonlasten niet gedeeld kunnen worden. Het
                        vorenstaande geldt niet als sprake is van commerciële verhuur, te weten als
                        sprake is van kostgangers of kamerhuurders.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren</label></kop><al>Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
                        besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
                        bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in
                        de kosten van bijstand - in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP</label></kop><al>Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
                        schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, en
                        die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
                        belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt
                        het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.</al><al>Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
                        op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht
                        dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de
                        boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en
                        onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als
                        vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.18. Inkomen wikker</label></kop><al>Van de kunstenaar die in het voorafgaande kalenderjaar geen Wik-uitkering
                        heeft genoten worden de totale inkomsten gesteld op het bedrag van de voor
                        hem geldende bijstandsnorm, met inbegrip van de maximale toeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering</label></kop><al>De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover
                        is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een
                        alleenstaande ouder € 49 per maand en voor echtgenoten € 93 per maand.</al></artikel><artikel><kop><label>26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland</label></kop><al>De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het
                        buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt,
                        wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een
                        alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
                        echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. </al><al/><al>Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door
                        toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb,
                        wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden
                        met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of
                        aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke
                        bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen
                        rekening gehouden.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord</label></kop><al>Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een saneringsakkoord
                        tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot gedeeltelijke betaling van de
                        schuld tegen finale kwijting.</al><al>Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden zijn
                        uitgewonnen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers</label></kop><al>Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de
                        mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald
                        gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit de
                        aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord
                        voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet
                        toe tot het akkoord.</al><al/><al>Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
                        derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
                        vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
                        rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
                        geïnd had kunnen worden.</al><al/><al>Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden
                        aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het
                        akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
                        aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
                        aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
                        uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
                        ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als
                        later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
                        ontvanger evenmin het ontstane tekort op.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord</label></kop><al>De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één
                        of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan
                        niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
                        aandelenkapitaal.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord</label></kop><al>Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de ontvanger
                        welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken.
                        Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het
                        verzoek.</al><al/><al>Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
                        belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
                        nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
                        belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
                        juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding
                        voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord.</al><al/><al>Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
                        inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot
                        het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
                        verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het
                        verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord</label></kop><al>Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken.
                        Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot
                        sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het
                        akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke
                        boete.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord</label></kop><al>De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het bedrag
                        dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van artikel 7
                        van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit in de
                        beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord</label></kop><al>Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
                        noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de
                        vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder
                        meer:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het
                                in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat
                                het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een
                                deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in
                                aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de
                                pandhouder afhankelijk is van - en dus qua belang beperkt is tot -
                                de waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand
                                gedekte gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als
                                concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder
                                wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel
                                21, tweede lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager
                                bevoorrecht dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet.
                                Vordering van de gemeente moeten als concurrente vorderingen worden
                                aangemerkt.</al></li><li nr="-"><al>Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
                                voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak
                                heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn
                                vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het
                                voorgaande is niet van toepassing als de rijksontvanger met
                                toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In
                                dat geval wordt door de rijksontvanger integrale voldoening van de
                                waarde van de bodemzaak worden geëist en voor het restant van de
                                fiscale vordering (ten minste) het dubbele percentage;</al></li><li nr="-"><al>Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te
                                betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
                                ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
                                crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de
                                te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering
                                van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te
                                verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit te betalen
                                bedragen.</al></li></lijst><al/><al>Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid zijn
                        aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet verder
                        kan werken.</al><al/><al>Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
                        produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
                        beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige
                        betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4. Administratief beroep</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de
                        ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
                        beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend bij
                        de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen advies zendt
                        de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige
                        toe.</al><al/><al>Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
                        terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als
                        de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger het
                        college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om niet
                        aan het beroepschrift tegemoet te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
                        beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
                        aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere
                        beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.</al><al/><al>De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste
                        verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke,
                        ambtelijke fout.</al><al/><al>In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger
                        een beroepschrift indienen bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding</label></kop><al>Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
                        gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
                        binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
                        daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen
                        aan deze motiveringsplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
                        kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
                        waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat
                        het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek
                        zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate
                        tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. </al><al>Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen
                        leiden tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij
                        wijzigingen in de kosten van bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding</label></kop><al>In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
                        college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te
                        wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de
                        gronden.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet
                        eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de
                        regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de termijn van tien
                        dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling
                        van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de
                        regeling.</al><al/><al>Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
                        niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de
                        invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag worden verwacht
                        dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn
                        aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld
                        overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Of het belang van de invordering
                        zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden.
                        Hiervan is echter in ieder geval sprake als inmiddels onherroepelijke
                        invorderingsmaatregelen zijn genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om
                        kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij het
                        college. Hieraan is geen termijn gebonden.</al><al/><al>Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had
                        moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat
                        de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het college op het
                        beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</al></artikel><artikel><kop><label>26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of
                        een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend beslist op een
                        ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger,
                        dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde
                        bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of
                        binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen.
                        Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel
                        voortzetten. De termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een
                        situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding</label></kop><al>Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar
                        de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de
                        ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die
                        beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen. Als
                        de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen
                        voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt,
                        heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen
                        als kwijtschelding.</al><al/><al>De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen
                        voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te
                        betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten
                        schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie
                        jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit minder
                        is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag
                        intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de
                        beschikking op.</al><al/><al>Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
                        nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen.
                        Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de
                        belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe
                        beschikking waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan
                        hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft
                        gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet
                        binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is
                        voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label> 26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding</label></kop><al>Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
                        kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
                        voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel kan
                        worden verleend.</al><al/><al>De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
                        jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door het
                        Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht bestaat
                        op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium alsnog een
                        individueel verzoek worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verjaring</titel></kop><al>In aanvulling op afdeling 4.4.3 (artikelen 4:104 tot en met 4:111 ) Awb
                        regelt artikel 27 van de wet enkele specifieke (aanvullende) zaken met
                        betrekking tot verjaring:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door het
                                zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling
                                ondubbelzinnig wordt voorbehouden;</al></li><li nr="-"><al>als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de
                                onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld
                                voor de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijkgestelde in de
                                plaats van de belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de
                                aansprakelijkheidsschuld zelfstandig worden gestuit of
                                verlengd).</al></li></lijst><al/><al>In aansluiting op afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet
                        beschrijft dit artikel het beleid over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>versnelde invordering en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en verjaring;</al></li><li nr="-"><al>stuiting van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>schorsing van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>afstand van verjaring;</al></li><li nr="-"><al>rente en kosten en verjaring.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>27.1. Versnelde invordering en verjaring</label></kop><al>Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet
                        begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen
                        onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke
                        vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring geen belang meer.</al></artikel><artikel><kop><label>27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring</label></kop><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet
                        voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag
                        terzake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van
                        dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</al></artikel><artikel><kop><label>27.3. Stuiting van de verjaring</label></kop><al>Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring
                        te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel
                        van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</al><al/><al>Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden
                        betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling
                        stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke
                        mededeling bekend aan de belastingschuldige.</al></artikel><artikel><kop><label>27.4. Schorsing van de verjaring</label></kop><al>Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de
                        verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</al></artikel><artikel><kop><label>27.5. Afstand van verjaring</label></kop><al>Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger
                        beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer
                        duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de
                        verjaring te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>27.6. Rente en kosten en verjaring</label></kop><al>De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de
                        belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is
                        ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering en
                        verrekening achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>27.7. Na verjaring geen civiele invordering</label></kop><al>Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de
                        mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27a</nr><titel>Betalingskorting</titel></kop><al>De bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Invorderingsrente</titel></kop><al>Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en vergoeden van
                        invorderingsrente.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>correctie berekende invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>verzuim van de gemeente en invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>rente- of schadevergoeding;</al></li><li nr="-"><al>kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;</al></li><li nr="-"><al>verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente</label></kop><al><vet>[vervallen per 1 januari 2010]</vet></al></artikel><artikel><kop><label>28.2. Correctie berekende invorderingsrente</label></kop><al>De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens
                        zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe
                        dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de
                        renteberekening.</al></artikel><artikel><kop><label>28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente</label></kop><al>Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in
                        rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding
                        bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat
                        het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan
                        de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk
                        en onbillijk is.</al><al/><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de
                        verschuldigde rente verminderen.</al></artikel><artikel><kop><label>28.4. Verzuim van de gemeente en invorderingsrente</label></kop><al>Als de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd dan
                        gebruikelijk is, moet de hierdoor belopen rente volledig worden voldaan. </al><al>Slechts als sprake is van een buitensporig lange behandeling zonder dat de
                        belastingschuldige daarop invloed heeft kunnen uitoefenen, kan er voor de
                        ontvanger aanleiding bestaan om met betrekking tot de rente een
                        tegemoetkoming te verlenen. Het moet gaan om extreme, schrijnende situaties
                        en de geleden schade moet hoofdzakelijk het gevolg zijn van een duidelijk
                        verzuim van de gemeente.</al><al/><al>De belastingschuldige moet het aan de gemeente te wijten rentenadeel
                        aannemelijk maken. De ontvanger vermindert de rente in overeenstemming met
                        het aangetoonde rentenadeel.</al><al/><al>De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de
                        verschuldigde rente verminderen.</al></artikel><artikel><kop><label>28.5. Rente- of schadevergoeding</label></kop><al>Als na formalisering van een uit te betalen bedrag de daadwerkelijke
                        uitbetaling veel langer op zich laat wachten dan gebruikelijk is en deze
                        vertraging is aan de gemeente te wijten, dan vergoedt de ontvanger rente
                        over de periode waarin van vertraging sprake is geweest.</al><al/><al>De ontvanger moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om
                        rente- of schadevergoeding motiveren. Als de rechthebbende verzoekt om
                        herziening van de beschikking van de ontvanger, dan stuurt de ontvanger dit
                        verzoek door aan het college.</al><al/><al>De ontvanger beslist op een verzoek om rente- of schadevergoeding binnen
                        [acht] weken. Als dit niet mogelijk is, stelt de ontvanger de verzoeker
                        hiervan in kennis onder vermelding van de termijn waarbinnen wel kan worden
                        beslist.</al></artikel><artikel><kop><label>28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk</label></kop><al>Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De
                        ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd.
                        Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent of rente buiten
                        invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten invordering
                        laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>28.7. Verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet</label></kop><al/><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Percentage invorderingsrente</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels
                        gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beschikking betalingskorting en invorderingsrente</titel></kop><al>Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de
                        betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar
                        vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de AWR van
                        toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting verlenen van
                        belastingen.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>beschikking terug te nemen betalingskorting;</al></li><li nr="-"><al>verzoek tot vermindering rente is bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en
                                cassatie;</al></li><li nr="-"><al>teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van
                                betaling;</al></li><li nr="-"><al>geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar</label></kop><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening
                        gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</al></artikel><artikel><kop><label>30.3. Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie</label></kop><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar,
                        handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep
                        in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure
                        niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger
                        kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van
                        de regeling betalingskorting dan wel invorderingsrente relevant zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling</label></kop><al>Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing voor
                        de gemeente.</al><al/><al>Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de
                        verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van
                        betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en
                        artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>en artikel 31a</titel></kop><al>Let op!</al><al/><al><cursief>Het college kan een regeling vaststellen waarbij de ministeriële
                            regeling bedoeld in artikel 31 van de wet (de Uitvoeringsregeling
                            invorderingswet 1990) niet, dan wel gedeeltelijk van toepassing is
                            verklaard. De gemeente heeft de bevoegdheid zelfstandig regels te
                            stellen voor de, bij de berekening van de invorderingsrente, toe te
                            passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van
                            invorderingsrente die een bepaald bedrag niet te boven
                        gaat.</cursief></al><al/><al>Verder zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de wet
                        geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de
                            aansprakelijkheidsbepalingen die in hoofdstuk VI van de wet zijn
                            opgenomen, de ontvanger ook een beroep kan doen op
                            aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen.
                        </cursief></al><al/><al><cursief>De ontvanger kan dus ook een beroep doen op
                            aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of
                            het Wetboek van Koophandel.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>keuze aansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>32.1. Keuze aansprakelijkheid</label></kop><al>In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de
                        toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een
                        aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen
                        is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</al><al/><al>In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in
                        beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling
                        waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.</al></artikel><artikel><kop><label>32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid</label></kop><al>De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een
                        gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap ontheft de
                        echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden die
                        zijn ontstaan vóór de ontbinding van de gemeenschap. Ieder van de
                        echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel van de gemeenschapsschulden
                        waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste
                            vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels
                            die gelden voor de invordering van alle
                        (rijks)belastingen.</cursief></al><al/><al><cursief>Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde
                            lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de
                            nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking
                            staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden)
                            kunnen uitoefenen op het betalen van de
                        belastingschulden.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger;</al></li><li nr="-"><al>feitelijke vestiging;</al></li><li nr="-"><al>lichaam dat is ontbonden;</al></li><li nr="-"><al>vereffenaar;</al></li><li nr="-"><al>bestuurder;</al></li><li nr="-"><al>gewezen bestuurder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid</label></kop><al>De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde
                        als bij de heffing van de diverse belastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid</label></kop><al>Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet,
                        heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden
                        beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.</al><al/><al>De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële
                        vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.</al></artikel><artikel><kop><label>33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid</label></kop><al>De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c,
                        van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele
                        ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit
                        handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.</al><al/><al>Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding
                        - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde
                        van het verrichten van de handelingen.</al><al/><al>Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de
                        bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de
                        vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van het
                        lichaam.</al></artikel><artikel><kop><label>33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid</label></kop><al>Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op
                        grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene
                        die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een
                        uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</al><al/><al>De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de
                        belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de
                        vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in
                        dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet .</al></artikel><artikel><kop><label>33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid</label></kop><al>Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt
                        als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het
                        Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder aangemerkt
                        degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid</label></kop><al>De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de
                        belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk
                        aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is
                        ontstaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>tot en met 47</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</titel></kop><al><cursief>Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de
                            erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de
                            erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal
                            worden aangesproken.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>beneficiaire aanvaarding;</al></li><li nr="-"><al>invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>48.1. Beneficiaire aanvaarding</label></kop><al>Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard,
                        wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de
                        ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie echter ook
                        artikel 14.1.3 van deze leidraad).</al><al>Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard
                        achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>48.2. Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege</label></kop><al>Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de
                        gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste
                        van een erfgenaam van wie minder dan € 23,-- moet worden ingevorderd
                        achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft.</al><al/><al>Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden
                        buiten invordering te laten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</titel></kop><al><cursief>Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor
                            aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële
                            aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De
                            bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen
                            aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in
                            enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek
                            en het Wetboek van Koophandel.</cursief></al><al/><al><cursief>De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare
                            beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt
                            gesteld.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;</al></li><li nr="-"><al>de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten-
                                en inlenersaansprakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;</al></li><li nr="-"><al>eerst uitwinning belastingschuldige;</al></li><li nr="-"><al>volgorde van aansprakelijkstellen;</al></li><li nr="-"><al>bezwaar en uitstel van betaling;</al></li><li nr="-"><al>overgangsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>49.1. Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete</label></kop><al>De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke
                        boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de
                        aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De ontvanger moet
                        dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling
                        voor de boete berust.</al><al/><al>Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het
                        voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te
                        betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de
                        aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte
                        stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op
                        de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>49.2. Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente</label></kop><al>Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden
                        gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij
                        aansprakelijk is gesteld.</al><al/><al>Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een
                        bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente
                        in rekening gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>49.3. De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>49.3.1. Wanneer in gebreke</label></kop><al>De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld
                        niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de
                        belastingaanslag geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>49.3.2. In gebreke zijn en versnelde invordering</label></kop><al>De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de
                        belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar
                        is.</al></artikel><artikel><kop><label>49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’</label></kop><al>Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd
                        waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de
                        belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende
                        belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld.</al><al/><al>Mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden</label></kop><al>Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de
                        ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de
                        gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</al><al/><al>Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt,
                        behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld
                        in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb . Hieronder worden verstaan alle stukken die
                        bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die
                        zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere
                        gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang
                        kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.
                        De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk
                        gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het
                        instellen van beroep verstrekt.</al><al/><al>Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens
                        over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe
                        niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de
                        aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij
                        gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als
                        hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor
                        het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het
                        instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.</al></artikel><artikel><kop><label>49.6. Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige</label></kop><al>De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen
                        van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de
                        vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie
                        voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de
                        leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>49.7. Volgorde van aansprakelijkstellen</label></kop><al>Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan
                        één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij
                        daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger
                        verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende
                        aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.</al><al>Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is
                        bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling</label></kop><al>Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens
                        aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.</al></artikel><artikel><kop><label>49.8.2.</label></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>49.9. Overgangsrecht</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening</label></kop><al>Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot
                        1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen plaats.
                        Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire maatregelen worden
                        genomen.</al><al/><al>Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit
                        te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een
                        aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir
                        beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>49.9.2. Wijziging eis</label></kop><al>De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de
                        belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met
                        betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing
                        van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel 50, zesde lid,
                        van de wet (oud) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</titel></kop><al><cursief>De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de
                            wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de
                            ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op grond van
                            artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van
                            Burgerlijke Rechtsvordering.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>51.1. Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar</titel></kop><al>Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om
                        uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan
                        verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt
                        gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</titel></kop><al><cursief>Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wetheeft de
                            aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van zes weken na dagtekening
                            van de beschikking van de aansprakelijkstelling.</cursief></al><al/><al><cursief>Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft
                            plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend,
                            is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over vermindering van de belastingaanslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>52.1. Vermindering van de belastingaanslag en
                            aansprakelijkstelling</titel></kop><al>Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de
                        aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de
                        vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding</titel></kop><al><cursief>De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om
                            ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met
                            uitzondering van het derde lid) toe te passen voor een
                            aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande
                            aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de
                            aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.</cursief></al><al/><al><cursief>Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met
                            buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is
                            gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op verzoek
                            ontslag van betalingsverplichting worden verleend.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld.</al></artikel><artikel><kop><titel>53.1. Geen zelfstandige verjaring van de
                            aansprakelijkheidsschuld</titel></kop><al>Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet
                        voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag
                        waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van
                        dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</titel></kop><al><cursief>Artikel 54 van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf aan
                            de aansprakelijkgestelde die het gevolg is van een vermindering van de
                            belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld.</al></artikel><artikel><kop><titel>54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling</titel></kop><al>De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel 54,
                        eerste lid, van de wet - aan gedurende vier weken na de dagtekening van de
                        schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige.</al><al/><al>In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de
                        aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder
                        de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal
                        worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet
                        betalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>tot en met 57</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen
                        beleidsregels gemaakt.</al><al/><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de
                            aansprakelijkgestelde</titel></kop><al>Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en
                        de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en
                        het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van
                        de 'eigen' belastingschulden van belang zijn. Verder regelt artikel 58 van
                        de wet de identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</al><al/><al>Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden
                        van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de
                        ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk
                        kan stellen.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure;</al></li><li nr="-"><al>gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>58.1. Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure</label></kop><al>Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen
                        instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld
                        bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en
                        voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat
                        bewijs te kunnen leveren.</al></artikel><artikel><kop><label>58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden</label></kop><al>Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van
                        de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de
                        ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk
                        kan stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</titel></kop><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 59 van de wet niet
                        van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</al><al>Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de
                        belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting op de
                        gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te
                        verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a van de Gemeentewet
                        bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk van toepassing
                        worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de betreffende algemene
                        maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke
                        belastingheffing (Stb. 1995, 346) is ten aanzien van de invordering geen
                        bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 59. </al><al/><al>In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is alleen bepaald dat de
                        rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens en inlichtingen moet verstrekken
                        over de inkomens- en vermogenspositie van de belastingschuldige die een
                        verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belasting heeft gedaan op de
                        voet van artikel 26 van de wet . Bij de beoordeling van een ingediend
                        kwijtscheldingsverzoek kunnen de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens
                        worden geverifieerd bij de rijksbelastingdienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de
                            informatieverplichtingen.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van
                                informatie;</al></li><li nr="-"><al>de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of
                                beschikbaar stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>60.1. Redelijke termijn voor verstrekken van informatie</label></kop><al>De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de
                        gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de
                        gegevensdragers.</al><al>Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of
                        beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>60.2. Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen</label></kop><al>Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud
                        worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis
                        van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete gegevens.</al><al>Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen,
                        beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de
                        strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</al><al/><al>Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van artikel
                        60, tweede lid, van de wet , kan de ontvanger een verzuimboete als bedoeld
                        in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen.</al><al>Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In
                        uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling
                        worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de ontvanger voor
                        een vastlegging van het gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</titel></kop><al><cursief>Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60
                            van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding
                            kan beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij
                            wettelijk voorschrift zou zijn opgelegd.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke
                        gegevens.</al></artikel><artikel><kop><titel>61.1. Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke
                            gegevens</titel></kop><al>De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en
                        gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de
                        belastingschuldige.</al><al/><al>Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens
                        gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder
                        ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de
                        beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op
                        grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding van
                        die gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</titel></kop><al>Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 62 van de wet niet
                        van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 62 van de wet legt aan derden de verplichting op om
                            gegevens en inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen zijn
                            te verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In artikel
                            246a van de Gemeentewet is bepaald dat bij algemene maatregel van
                            bestuur regels kunnen worden gesteld om de en 62 van de Invorderingswet
                            1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren of een
                            overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende algemene
                            maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke
                            belastingheffing is ten aanzien van de invordering geen bepaling
                            opgenomen die overeenkomt met artikel 62. In een aantal gevallen kunnen
                            gemeenten echter toch gebruik maken van inlichtingen van derden. Het kan
                            daarbij gaan om de volgende gevallen:</cursief></al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst. De
                                    Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3 van
                                    het Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat aan
                                    gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt voor zover die
                                    zijn belast met de uitvoering van de belastingwet of invordering
                                    op basis van de Invorderingswet 1990. Op grond van dit
                                    voorschrift kunnen aan de rijksbelastingdienst ten aanzien van
                                    een derde bijvoorbeeld gegevens over werkgevers of uitkerende
                                    instanties worden gevraagd indien een beslag op loon of
                                    uitkering wordt overwogen. Opgemerkt wordt dat het voorschrift
                                    geen wettelijke verplichting aan de rijksbelastingdienst oplegt
                                    tot het verstrekken van inlichtingen.</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>Inlichtingenplicht derden op grond van artikel 475g
                                    Rv.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62,</nr><titel>63 en 63a, 63b, 63c en 64</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63, 63a, 63b, 63c en 64 van de wet
                        geen beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf</titel></kop><al><cursief>Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het
                            verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van
                            gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</cursief></al><al/><al><cursief>In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de strafmaat
                            voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in die leden zijn
                            genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel 65a van de wet
                            merkt dit strafbare feit aan als een misdrijf.</cursief></al><al/><al><cursief>Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde
                            'inkeerregeling':het recht op strafvervolging vervalt als een persoon
                            tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en volledige
                            verstrekking van informatie.</cursief></al><al/><al>In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</al></artikel><artikel><kop><titel>65.1. Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf</titel></kop><al>De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid,
                        van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig
                        belasting wordt ingevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65a</nr><titel>en artikel 66</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen
                        beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Geheimhoudingsplicht</titel></kop><al><cursief>Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede
                            lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt
                            als:</cursief></al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk
                                    voorschrift;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>sprake is van structurele gegevensverstrekking aan
                                    bestuursorganen die bij ministeriële regeling (voor de gemeente
                                    geldt: bij besluit van het college) zijn
                                aangewezen;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf
                                    voor zover deze gegevens door of namens hem zijn
                                    verstrekt.</cursief></al></li></lijst><al/><al>Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de
                        geheimhoudingsplicht verlenen.</al><al/><al>In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid
                        over:</al><lijst><li nr="-"><al>bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige
                                zelf;</al></li><li nr="-"><al>informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke
                                betalingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>67.1. Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf</label></kop><al>Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de
                        belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook kunnen
                        verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden. Ontheffing door het
                        college is in dat geval niet nodig.</al><al/><al>Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van informatie op
                        verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden onwenselijk maken
                        (bijvoorbeeld in strafzaken).</al></artikel><artikel><kop><label>67.2. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68</nr><titel>tot en met 72</titel></kop><al>Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet geen
                        beleidsregels gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr></kop><al>Is niet toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr><titel>Insolventieprocedures</titel></kop><al>In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
                        opgenomen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en surseance;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure en faillissement;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de
                                Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren ("NVVK") of
                                gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan
                                leden van de NVVK of gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>insolventieprocedures en akkoorden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement</label></kop><al>Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de ontvanger
                        zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er
                        van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht
                        worden van dag tot dag te ontstaan.</al><al/><al>De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan
                        bij de bewindvoerder.</al><al/><al>Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar
                        artikel 19.2 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement</label></kop><al>Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
                        faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is
                        mogelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.3. Boedelschulden</label></kop><al>De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator
                        worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden
                        aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in
                        beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de
                        toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening
                        te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt
                        de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het
                        uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks verhaal zoeken op de
                        boedel.</al><al/><al>Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling.</al><al/><al>Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar
                        aanvragen.</al><al/><al>Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in
                        het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad).</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.4. Proceskostengarantie</label></kop><al>Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
                        bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor de
                        boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet
                        toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de
                        ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag
                        dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</al><al>Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt
                        dat:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende
                                vordering zal kunnen innen.</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een
                        verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke
                        opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee garant te
                        staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een
                        bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger een
                        verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het
                        college.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP</label></kop><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt
                        verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP</label></kop><al>Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26.1.9
                        van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.10. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.11. Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.1.12. Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.2. Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP</label></kop><al>Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de
                        schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard,
                        verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet
                        zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van
                        deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.2.2. Na de toepassing van de WSNP</label></kop><al>Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van
                        toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356,
                        tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke
                        verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de
                        bewindvoerder zijn aangemeld.</al><al/><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de
                        periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en
                        die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal
                        de ontvanger in beginsel afzien van invordering. </al><al/><al>Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande
                                voorlopige aanslagen voldoende op juistheid heeft getoetst; en</al></li><li nr="-"><al>over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig
                                contact heeft opgenomen met de gemeente.</al></li></lijst><al/><al>Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de
                        wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op
                        een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen die
                        tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.</al><al/><al>Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode
                        voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die
                        regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met
                        openstaande schulden) van minder dan [€ 500] worden uitbetaald aan de
                        belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke
                        verrekening met openstaande schulden) [€ 500] of meer bedraagt, zal de
                        ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te
                        overleggen of de vereffening moet worden heropend.</al><al/><al>Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
                        ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
                        belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden
                        aangemerkt.</al><al/><al>Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger
                        voortzetten.</al></artikel><artikel><kop><label>73.3. Insolventieprocedure en surseance</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.3.1. Uitstel en surseance</label></kop><al>Voor uitstel van betaling in relatie tot surseance wordt verwezen naar
                        artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</al><al>Voor kwijtschelding in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel
                        26.1.9 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4. Insolventieprocedure en faillissement</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen</label></kop><al>De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt,
                        moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd
                        worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de
                        belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is.</al><al>Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een faillissement
                        aan als:</al><lijst><li nr="-"><al>die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of</al></li><li nr="-"><al>naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn
                                gebleven.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag</label></kop><al>Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en
                        bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur
                        gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van
                        die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die
                        rechtspersoon.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.3. Particulieren en faillissement</label></kop><al>Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege
                        als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook
                        geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als
                        daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan.</al><al/><al>Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een
                        onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet
                        aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</al><al/><al>Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
                        bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden
                        natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
                        hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</label></kop><al>Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in behandeling
                        is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een
                        buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6
                        van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden
                        dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te
                        onderwerpen.</al><al/><al>Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan wel
                        het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag
                        te traineren. </al><al/><al>Er wordt ook van afgeweken als het aanbod onvoldoende past binnen het door
                        de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het
                        kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een
                        onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het
                        verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de
                        faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter</label></kop><al>Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat
                        de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan zal
                        de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het
                        verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</al><al/><al>De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan
                        om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het
                        verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
                        uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In
                        deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af,
                        zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag</label></kop><al>De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk
                        toestemming van het college hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.7. Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag</label></kop><al>Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de
                        vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen
                        als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te
                        hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag</label></kop><al>Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet
                        hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is vermeld met betrekking tot
                        een faillissementsaanvraag door de ontvanger. Wel is voor het verstrekken
                        van de gegevens toestemming van het college vereist, als het een
                        belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep
                        uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De
                        gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt.</al><al/><al>Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de
                        belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de
                        belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld
                        als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1,
                        73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook
                        toestemming van het college vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring</label></kop><al>Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de
                        faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor
                        toestemming van het college nodig.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement</label></kop><al>Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
                        faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.12. Opkomen in faillissement</label></kop><al>Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator
                        dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar
                        artikel 19.2.3 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement</label></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.14. Na de toepassing van het faillissement</label></kop><al>De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van artikel
                        196 FW , om na de beëindiging van een faillissement het proces-verbaal van
                        de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag tegen de
                        schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot invordering bestaat,
                        doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij dwangbevel.</al><al/><al>Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere
                        omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze
                        omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf
                        jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over
                        vermogensbestanddelen van substantiële waarde.</al><al/><al>Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten
                        worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW in
                        overleg met de curator.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure</label></kop><al>Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU -
                        niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in
                        Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de
                        EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire
                        procedure worden geopend.</al><al/><al>Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure,
                        beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire
                        of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire procedure betreft
                        alleen de liquidatieprocedure - dus niet de surseance van betaling - en
                        wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van
                        insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.</al></artikel><artikel><kop><label>73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP</label></kop><al>Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de
                        schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in het
                        faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel 19a en 22a
                        van de regeling.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.5.1. Algemeen</label></kop><al>De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36
                        maanden als:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode
                                Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst
                                tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die
                                gedragscode en waarbij voor de berekening van de
                                aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa
                                gepubliceerde normen;</al></li><li nr="b."><al>de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt
                                uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel
                                73.5a);</al></li><li nr="c."><al>de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet
                                zijnde ondernemers;</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige -
                                afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden -
                                in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen;</al></li><li nr="e."><al>aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een
                                bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan
                                worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke
                                schuldsanering.</al></li></lijst><al/><al>Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van
                        toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst
                        geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.</al><al/><al>De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem
                        schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand
                        is gekomen.</al><al/><al>Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de
                        schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een
                        schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een
                        schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De
                        schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend vanaf
                        de datum van de schuldregelingsovereenkomst. </al><al>Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt
                        de schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de
                        schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener
                        niet in het tot stand brengen van de schuldregeling, wordt de
                        schuldregelingsovereenkomst beëindigd.</al><al/><al>Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in
                        beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen
                        motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook
                        van toepassing is op die belastingaanslagen.</al><al/><al>De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de
                        (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van
                        de schuldenregelings-overeenkomst en is definitief in die zin dat daarop van
                        de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In
                        voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door
                        middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde
                        schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de
                        ontvanger daarop alleen terugkomen indien terzake van die belasting ten
                        tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien
                        de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten
                        dat de schatting te laag was.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP</label></kop><al>Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een
                        stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als
                        bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit artikel wordt
                        met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling
                        van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij activiteiten ontplooit die erop
                        gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te
                        stabiliseren.</al><al/><al>Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt
                        de ontvanger gedurende 120 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen.</al><al/><al>Vanaf het moment van ontvangst van een afschrift van de
                        stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende vier maanden geen
                        dwanginvorderingsmaatregelen.</al><al/><al>Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg
                        met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen plaats met
                        teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan
                        tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is
                        ontvangen.</al><al/><al>Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn door de
                        schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120 dagen worden
                        verlengd.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen</label></kop><al>Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de
                        schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen ( en de
                        schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet).</al><al/><al>Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op
                        belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift
                        van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP</label></kop><al>Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een
                        schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode van
                        uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling.</al><al>Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden
                        die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de
                        schuldenregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld
                        overeenkomstig het bestaande beleid.</al><al/><al>Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op
                        het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat
                        deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder
                        wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener
                        berusten, niet worden beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12
                        van de regeling.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP</label></kop><al>De ontvanger trekt het uitstel in als:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de
                                schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk
                                is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt
                                voortgezet;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel)
                                betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de
                                dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;</al></li><li nr="-"><al>de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;</al></li><li nr="-"><al>de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de zin
                                van art. 73.5.6.</al></li></lijst><al/><al>De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde en vierde
                        gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de
                        schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel
                        in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn
                        verplichtingen correct nakomt.</al></artikel><artikel><kop><label>73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP</label></kop><al>Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de
                        MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na
                        afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden
                        van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de
                        regeling.</al><al/><al>In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is
                        beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP</label></kop><al>Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de
                        periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en
                        die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de ontvanger in
                        beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft
                        voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn
                        dat:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag of
                                terugvordering voorafgaande voorlopige aanslagen/teruggaven of
                                voorschotten op voldoende juistheid heeft getoetst; en</al></li><li nr="-"><al>hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig
                                contact heeft opgenomen met de ontvanger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 73.5a Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.5a.1. Algemeen</label></kop><al>Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon
                        of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het
                        consumentenkrediet , niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente, worden in
                        behandeling genomen met inachtneming van het volgende. De ontvanger zal een
                        belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten afvragen of hij al dan
                        niet tot instemming met de schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen
                        de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de
                        bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die
                        weigering wordt geschaad.</al><al/><al>Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen
                        spelen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;</al></li><li nr="2."><al>is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is
                                waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;</al></li><li nr="3."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                uitzicht voor de schuldenaar;</al></li><li nr="4."><al>biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
                                uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de weigerende
                                ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;</al></li><li nr="5."><al>bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;</al></li><li nr="6."><al>wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger heeft
                                bij volledige nakoming;</al></li><li nr="7."><al>hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de totale
                                schuldenlast;</al></li><li nr="8."><al>staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de
                                schuldregeling instemmende schuldeisers;</al></li><li nr="9."><al>is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest
                                die niet naar behoren is nagekomen.</al></li></lijst><al/><al>Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk
                        verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan van de
                        schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. Artikel 73.5 is zoveel
                        als mogelijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat niet van
                        toepassing zijn de faciliteiten zoals die gelden in de aanloop voor
                        verzoeken als bedoeld in artikel 73.5.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6. Insolventieprocedures en akkoorden</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord</label></kop><al>In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn
                        bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het
                        sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke schuldeisers
                        over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een rechter - ook
                        voor de gemeente laten gelden.</al><al/><al>Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een
                        aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de
                        wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is.</al><al>Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder
                        indienen, ook de schuldenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord</label></kop><al>De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag worden
                        aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal
                        worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel
                        288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter bevat op een verzoek om
                        toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.</al><al/><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden.
                        Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in
                        termijnen eist hij zekerheid.</al><al/><al>Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen
                        waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als
                        voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment
                        dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden
                        verkregen. </al><al/><al>De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de
                        baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord</label></kop><al>Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij
                        kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft,
                        nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft
                        ontvangen. Zo nodig stelt hij een derdebeslagene of houder van penningen op
                        de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor doorhaling van een
                        beslag op een registergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord</label></kop><al>De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden.
                        Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in
                        termijnen eist hij zekerheid.</al><al/><al>Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden
                        aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde op
                        dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van
                        die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De ontvanger
                        ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de
                        aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord</label></kop><al>Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent
                        hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald
                        blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft
                        ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord</label></kop><al>Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op welke
                        belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de
                        materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke
                        schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een
                        buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</al><al/><al>Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren schuld
                        zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin
                        dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een
                        aanslag.</al><al/><al>De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een
                        akkoord.</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.7. Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord</label></kop><al>[vervallen per 1 januari 2011]</al></artikel><artikel><kop><label>73.6.8. Gevolgen dwangakkoord</label></kop><al>Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een
                        dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger het
                        deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.</al><al/><al>Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij
                        geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het
                        dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.</al><al>73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord</al><al/><al>Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet mogelijk
                        is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats bij een
                        zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de regeling. Zie ook
                        artikel 26.3 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten</titel></kop><al>Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr><titel>Kosten van vervolging</titel></kop><al>Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van
                        vevolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die op
                        grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) in rekening
                        worden gebracht.</al><al/><al>Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die
                        de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze.</al><al/><al>In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging
                        opgenomen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>gevorderde som bevat geen vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aan derden toekomende bedragen;</al></li><li nr="-"><al>rechtsmiddelen en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als
                                bezwaar;</al></li><li nr="-"><al>niet in rekening brengen van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>onverschuldigdheid van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>versnelde invordering en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>geen kwijtschelding van vervolgingskosten;</al></li><li nr="-"><al>limitering betekeningskosten dwangbevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>75.1. Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten</label></kop><al>De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan onderscheidenlijk
                        sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet
                        invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het belastingbedrag
                        waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is uitgevaardigd, dus zonder de
                        vervolgingskosten en eventuele - pro memorie opgenomen - rente.</al></artikel><artikel><kop><label>75.2. Aan derden toekomende bedragen</label></kop><al>Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet invordering
                        rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht,
                        vallen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde lid ,
                                en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering
                                rijksbelastingen ;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde
                                derden;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in
                                artikel 444 Rv; </al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter
                                plaatse van de in beslag genomen zaken;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars,
                                deskundigen en afslagers;</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken
                                als de verkoop elders plaatsvindt.</al></li></lijst><al/><al>Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening
                        gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige
                        elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn belang is gediend.
                        Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor de betekening en de
                        tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige
                        worden verhaald, evenals mogelijke porti- en telefoonkosten.</al></artikel><artikel><kop><label>75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten</label></kop><al>Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar,
                        handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep
                        in belastingzaken 2005.</al><al/><al>De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de
                        toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</al><al>Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op
                        grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting van de
                        tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.</al><al/><al>Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in
                        artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>75.4. Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar</label></kop><al>Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening
                        gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in
                        artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>75.5. Niet in rekening brengen van vervolgingskosten</label></kop><al>In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van exploten
                        geen vervolgingskosten in rekening:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>herhaalde betekening van een dwangbevel;</al></li><li nr="-"><al>(herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting
                                van de verjaring;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een vordering;</al></li><li nr="-"><al>betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als
                                bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de
                                eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke
                                vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een beslissing van het college op een beroepschrift
                                tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het
                                beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de
                                bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke
                                opheffing van het beslag;</al></li><li nr="-"><al>betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van
                                beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van
                                de belastingschuldige.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>75.6. Onverschuldigdheid van vervolgingskosten</label></kop><al>Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten
                        zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet
                        verschuldigd in de volgende gevallen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op
                                of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn
                                geworden;</al></li><li nr="-"><al>Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van
                                de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening
                                tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij
                                vermindering van belastingaanslagen;</al></li><li nr="-"><al>Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten
                                om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op
                                te schorten. Hierbij valt te denken aan:</al></li><li nr="-"><al>een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig
                                ingevuld;</al></li><li nr="-"><al>een ingediend verzoekschrift bij het college, de raad of de
                                gemeentelijke ombudsman.</al></li></lijst><al/><al>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen voordoen
                        waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. In dat geval
                        komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor een
                        tegemoetkoming in aanmerking.</al><al/><al>Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening gebracht
                        als sprake is van trainering van de invordering;</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag
                                een nieuwe dagtekening is toegekend;</al></li><li nr="-"><al>Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in
                                artikel 14.4.1 van deze leidraad;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een
                                beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn
                                begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend
                                dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van
                                welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn
                                de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet
                                verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige
                                aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een beslag
                                op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag
                                of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel
                                zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door
                                middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat
                                geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette
                                beslag niet verschuldigd;</al></li><li nr="-"><al>Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de
                                artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee
                                werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande
                                belastingschuld betaalt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten</label></kop><al>In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de
                        in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te
                        verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt.</al><al/><al>Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in
                        omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten
                        zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van
                        vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval-
                        onredelijk en onbillijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten</label></kop><al>Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen
                        10 en 15 van de wet , worden de daaraan verbonden vervolgingskosten niet ten
                        tijde van het treffen van de genoemde maatregelen in rekening gebracht,
                        indien en voor zover de belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de
                        gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze
                        te voldoen.</al><al/><al>De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen van
                        zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze te
                        voldoen, als na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of - in het geval
                        van rechtspersonen - aan de bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn
                        verstreken.</al><al/><al>Na het verstrijken van die twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de
                        vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De beschikking
                        wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de beschikking wordt er
                        melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en ineens invorderbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten</label></kop><al>Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn
                        van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen,
                        is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>75.10. Geen kwijtschelding van vervolgingskosten</label></kop><al>Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende
                        betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat
                        deze kosten niet zullen worden ingevorderd.</al><al/><al>Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel
                        kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt
                        kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen
                        naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.</al></artikel><artikel><kop><label>75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel</label></kop><al>Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die
                        belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de
                        betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag als
                        bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering
                        rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit
                        maximumbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>tot en met 79</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Invordering, Awb en het moment van vaststelling van
                            (naheffings)aanslagen</titel></kop><al>In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de
                        Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel</titel></kop><al>Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen
                        termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid
                        voltooid als de eindvervolging.</al></artikel><artikel><kop><titel>80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen</titel></kop><al>Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb
                        (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort
                        gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of
                        ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor
                        betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. </al><al>Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van
                        dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment
                        van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de
                        naheffingsaanslag.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>