<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20184_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend, 27-08-1992</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening Zutphen 1991</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/Hoofdstuk1/Artikel2">Wegenverkeerswet 1994, art. 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>1991-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1992-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuweregeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10.572</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen is mogelijk niet compleet. Er kunnen wijzigingen ontbreken tussen het ontstaan van de regeling en latere wijzigingen daarvan.</al><al>Regeling geldt ingevolge het besluit van 22 maart 2005 met ingang van 7 april 2005 ook voor het grondgebied van de voormalige gemeente Warnsveld</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen
            voor het parkeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD DER GEMEENTE ZUTPHEN;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 29 oktober 1991,
                        DOW/staf no. 10.572;</al><al>gelet op artikel 168 van de gemeentewet en artikel 6 van de
                        Wegenverkeerswet;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening op het gebruik van parkeerplaatsen
                        en de verlening van vergunningen voor het parkeren.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>I</nr><titel>DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>RVV 1966: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 4
                                    mei 1966, Stb. 181;</al></li><li nr="b."><al>RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26
                                    juli 1990, Stb. 459;</al></li><li nr="c."><al>motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1966
                                    of in het RVV 1990;</al></li><li nr="d."><al>parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                    staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig
                                    is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen
                                    van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen van
                                    goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
                                    vervoer verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit
                                    doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
                                    verboden;</al></li><li nr="e."><al>houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een
                                    voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een
                                    motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de
                                    Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) aangehouden register van
                                    opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene die op
                                    wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten
                                    tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;</al></li><li nr="f."><al>parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip
                                    van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke
                                    opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;</al></li><li nr="g."><al>parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats behorende bij
                                    parkeerapparatuur;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die</al><lijst><li nr="1."><al>is aangeduid met bord 99a uit bijlage II van het RVV
                                            1966, danwel met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990,
                                            of</al></li><li nr="2."><al>gelegen is binnen een zone aangeduid met bord 99aa uit
                                            bijlage II van het RVV 1966, danwel met bord E9 uit
                                            bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor
                                            zover deze plaats niet is uitgezonderd;</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>vergunning: een door burgemeester en wethouders verleende
                                    vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig
                                    te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur en/of
                                    belanghebbendeplaatsen;</al></li><li nr="j."><al>vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een
                                    vergunning is verleend.</al></li><li nr="k."><al>autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van
                                    motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke
                                    personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit
                                    meer dan één huishouden;</al></li><li nr="l."><al>aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
                                    motorvoertuigen voor autodate ter beschikking stelt;</al></li><li nr="m."><al>deelnemer: een natuurlijke persoon die een overeenkomst heeft
                                    gesloten inzake autodate;</al></li><li nr="n."><al>standplaats: de parkeerplaats waar een motorvoertuig bestemd
                                    voor autodate geparkeerd wordt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                            vergunningbewijzen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen weggedeelten aanwijzen die bestemd
                                zijn voor het parkeren door vergunninghouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de tijdstippen vaststellen waarop
                                het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkende aanvraag
                                een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen
                                of parkeerapparatuur­plaat­sen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een
                                motorvoertuig, wanneer deze:</al><lijst><li nr="a."><al>woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede
                                        door vergunninghouders te gebruiken
                                        parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I),
                                        danwel</al></li><li nr="b."><al>een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
                                        belanghebbenden­plaatsen en/of door vergunninghouders te
                                        gebruiken parkeerappara­tuurplaatsen aanwezig zijn en
                                        aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of
                                        bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een
                                        motorvoertuig te parkeren (categorie II), danwel</al></li><li nr="c."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor
                                        autodate, waarvan de standplaats is gelegen in een gebied
                                        waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders
                                        te gebruiken parkeerplaatsapparatuurplaatsen aanwezig zijn
                                        (categorie III).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften
                                en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang
                                van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een
                                vergunning voor categorie III kunnen burgemeester en wethouders
                                voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming
                                van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer
                                veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het
                                milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt
                                begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan de in
                                het tweede lid onder a en b gestelde voorwaarden wordt, voor wat
                                betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden
                                aan de onder a genoem­de voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het belang van een doelmatige verdeling van de uit te geven
                                vergunningen kunnen burgemeester en wethouders nadere regels
                                opstellen voor het aanvragen en toekennen van vergunningen, alsmede
                                voor het instellen van wachtlijsten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een
                                vergun­ning ook verlenen aan eigenaren of houders van
                                motorvoertuigen, die niet voldoen aan één van de in het tweede lid
                                genoemde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met
                                betrek­king tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking
                                tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere
                                voor­schriften en beperkingenverbinden. Deze voorschriften en
                                beper­kingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang
                                van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning wordt voor ten hoogste 1 jaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de periode waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="b."><al>het gebied waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het
                                        motorvoer­tuig waarvoor de vergunning is verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of
                            wijzi­gen:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de vergunninghouder het gebied waarvoor de vergunning is
                                    verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of
                                    bedrijf beëindigt;</al></li><li nr="c."><al>wanneer zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden
                                    die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;</al></li><li nr="d."><al>wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen
                                    komt te vervallen;</al></li><li nr="e."><al>wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                                    vergun­ning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="f."><al>wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="g."><al>om redenen van openbaar belang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Verbodsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="a."><al>op een parkeerapparatuurplaats;</al></li><li nr="b."><al>op een belanghebbendenplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op
                                zodanige wijze tegen of bij parkeerplaatsapparatuur te plaatsen of
                                te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt
                                belemmerd of verhinderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Het is verboden parkeerplaatsapparatuur op andere wijze of met andere
                            middelen, danwel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op
                            de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                                belang­hebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan
                                aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder vergunning;</al></li><li nr="b."><al>zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien
                                        van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>in strijd met de aan de vergunning verbonden
                                        voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>IV</nr><titel>Strafbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de
                            eerste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>V</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Met de opsporing van overtredingen van deze verordening zijn, behalve in
                            artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtena­ren, de door burgemeester en wethouders aangewezen
                            ambtenaren belast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Parkeerverordening Zutphen
                            1991".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en
                                wethou­ders bij openbaar besluit bekend te maken datum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 34 tot en met 46 van de Algemene Politieverordening
                                Zutphen 1983 worden ingetrokken met ingang van de in lid 1 bedoelde
                                datum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vergunningen welke zijn verleend krachtens de Algemene
                                Politieverorde­ning Zutphen worden geacht te zijn verleend krachtens
                                deze verorde­ning.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>, voorzitter</ondertekening><ondertekening>, secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Parkeerverordening Zutphen 1991</titel></kop><al>Artikel 1</al><al/><al>RVV 1966/RVV 1990</al><al/><al>Bij de formulering van de verordening is rekening gehouden met de
                    inwerkingtreding van het nieuwe RVV op 1 november 1991.</al><al/><al>Parkeren</al><al/><al>In artikel 276a gemeentewet is in hoofdzaak dezelfde definitie van parkeren
                    gehanteerd, die in de wegenverkeerswetgeving voorkomt. In de parkeerverordening
                    is de definitie van artikel 276a gemeentewet overgenomen.</al><al/><al>Parkeerapparatuur</al><al/><al>Met de invoering van het RVV 1990 op 1 november 1991 is het niet meer
                    noodzakelijk in de Parkeerverordening een onderscheid te maken tussen
                    parkeermeters en parkeerautomaten. Daarom wordt nu alleen nog het begrip
                    parkeerapparatuur gehanteerd.</al><al/><al>Artikel 2</al><al/><al>Algemeen</al><al/><al>Vergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur— en/of
                    belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van de Parkeerverordening.
                    Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke vergunning geparkeerd kan
                    worden, dient daarom bij of krachtens deze verordening te gebeuren. Los daarvan
                    staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de vergunning. Dit gebeurt op
                    basis van de Verordening Parkeerbelastingen.</al><al>Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij burgemeester en
                    wethouders neergelegd.</al><al/><al>Artikel 3</al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>In dit lid wordt gesproken over “kunnen verlenen”. Hiermee wordt aangegeven dat
                    niet elke aanvraag gehonoreerd behoeft te worden. Burgemeester en wethouders
                    moeten de mogelijkheid hebben om een aanvraag te toetsen aan het gemeentelijke
                    beleid. Er is dan ook sprake van een vrije beschikking.</al><al>In dit lid is tevens de mogelijkheid opgenomen met een vergunning te parkeren
                    bij parkeerapparatuur. Dit biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het
                    verstrekken van vergunningen aan aannemers, die werkzaamheden moeten verrichten
                    in de binnenstad op plaatsen waar parkeerapparatuur staat. De houder van een
                    dergelijke vergunning is het toegestaan om te parkeren bij apparatuur zonder
                    betaling, mits hij in het bezit is van een vergunning. Uiteraard blijft het ook
                    mogelijk om op de “gewone” manier bij parkeerapparatuur te parkeren. Het
                    vergunningparkeren bij parkeerapparatuur kan worden toegepast, ongeacht of er
                    tot fiscalisering wordt overgegaan of niet.</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Uit dit blijkt dat er twee soorten vergunningen (voor bewoners, respectievelijk
                    zakelijk belanghebbenden) kunnen worden verleend. Dit onderscheid is gewenst,
                    omdat voor de verlening van deze twee soorten vergunningen verschillende
                    criteria worden aangelegd.</al><al/><al>Vierde lid</al><al/><al>Hier moet worden gedacht aan het verlenen van vergunningen van eigenaren of
                    houders die tijdelijk een motorvoertuig in het betreffende gebied wil parkeren
                    (bijvoorbeeld aannemers die werkzaamheden moeten uitvoeren.</al><al/><al>Vijfde lid</al><al/><al>Het lig niet in de bedoeling de gemeente voor wat betreft
                    vergunninghoudersparkeerplaatsen in te delen in zones. Wel kunnen op basis van
                    dit lid beperkingen worden gesteld t.a.v. de geldigheid van
                    parkeerabonnementen.</al><al/><al>Zesde lid</al><al/><al>In literatuur in jurisprudentie wordt algemeen het standpunt gehuldigd</al><al>dat aan een vergunning of ontheffing voorschriften mogen worden verbonden tot
                    bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of
                    ontheffing is vereist. Alleen wanneer de wettelijke regeling zich daartegen
                    verzet, bijvoorbeeld in het geval van een gebonden beschikking, zijn dergelijke
                    voorschriften niet geoorloofd.</al><al>Strikt genomen is het dan ook niet nodig om die bevoegdheid hier nog eens
                    uitdrukkelijk te bevestigen. Omwille van de duidelijkheid en om mogelijke
                    twijfels weg te nemen wordt die bevoegdheid van burgemeester en wethouders hier
                    toch nog eens bevestigd.</al><al/><al>Artikel 4</al><al/><al>Algemeen</al><al/><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Cm op dit punt
                    voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de
                    verordening zelf opgenomen.</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Een termijn van 2 maanden is redelijk. </al><al/><al>Derde lid</al><al/><al>Het kan nodig zijn dat de in het eerste lid genoemde termijn moet worden
                    verlengd. Een verlenging met 2 maanden is redelijk.</al><al/><al>Artikel 5</al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>Vergunningen worden per kalenderjaar of gedeelte daarvan verstrekt. Op deze
                    wijze kan snel ingespeeld worden op zich wijzigende omstandigheden.</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Om de controle op de naleving van het vergunningparkeren efficiënt te laten
                    verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden</al><al>vermeld. Een overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de
                    controleurs (veel lezen, kleine letters, etc.).</al><al>De onder a en b opgenomen gegevens zijn in ieder geval noodzakelijk om te kunnen
                    controleren. De onder c vermelde gegevens zijn, evenals andere informatie, voor
                    de handhaving niet strikt noodzakelijk, maar wel wenselijk om misbruik van de
                    vergunning te voorkomen.</al><al/><al>Artikel 6</al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>In de aanhef van dit artikel wordt gesproken over “kunnen intrekken”. Bedoeld is
                    hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van burgemeester en wethouders
                    staat of een vergunning daadwerkelijk wordt ingetrokken wanneer één van de
                    opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om
                    andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken.</al><al/><al>Artikel 7</al><al/><al>Algemeen</al><al/><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuur— en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert de normale gang van zaken op de genoemde plaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde regulering. Het gaat hier om gedragingen, die zich
                    niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden opgenomen.</al><al/><al>Derde lid</al><al/><al>Het lijkt voor een goede gang van zaken op parkeerapparatuurplaatsen niet
                    gewenst om ontheffing te kunnen ver lenen van het in het tweede lid neergelegde
                    verbod. De mogelijkheid daartoe is daarom ook niet opgenomen.</al><al/><al>Artikel 8</al><al/><al>Ook dit artikel bevat enkele verbodsbepalingen voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>In artikel 45, lid 1, sub c, van de Algemene Politieverordening Zutphen is een
                    “bijvulverbod” opgenomen. Dit verbod is niet overgenomen, omdat het in strijd is
                    met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft
                    betaald, is verstreken, moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan de
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd.</al><al>Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen,
                    terwijl hij aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is derhalve onder
                    een fiscaal regime niet mogelijk.</al><al/><al>Artikel 9</al><al/><al>De fiscale aanpak van het niet betalen van het parkeergeld is, gelet op artikel
                    283a van de gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuur, en niet op
                    belanghebbendenplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling
                    opgenomen worden. Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur
                    zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan
                    immers wel het fiscale regime gehanteerd worden.</al><al/><al>Artikel 10</al><al/><al>Artikel 195 van de gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de
                    eerste of tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke
                    uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding wordt gesteld.</al><al>Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop
                    een geldboete van de tweede categorie te stellen. Het openbaar maken van de
                    rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen
                    weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening
                    is daarom achterwege gelaten.</al><al/><al>Artikel 13</al><al/><al>Algemeen</al><al/><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                    Bovendien moeten op dat ogenblik de oude bepalingen (vastgelegd in de APV)
                    ingetrokken worden. Omdat de gemeentewet voor beide verordeningen een
                    verschillend regime van controle en inwerkingtreding in het leven heeft geroepen
                    is een wat ingewikkelde constructie ontstaan.</al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>In de Verordening Parkeerbelastingen wordt de datum genoemd waarop die
                    verordening in werking treedt. Uit fiscaal juridische overwegingen is gekozen
                    voor het noemen van een concrete datum.</al><al>Omdat het denkbaar is dat op de in artikel 15 van de Verordening</al><al>Parkeerbelastingen genoemde datum nog geen bericht van ontvangst van
                    Gedeputeerde Staten van de Parkeerverordening is ontvangen, moeten burgemeester
                    en wethouders het uiteindelijke tijdstip van inwerkingtreding van beide
                    verordeningen vaststellen. Dit kan gebeuren door bij</al><al>openbaar te maken besluit aan te geven wanneer de Parkeerverordening in werking
                    treedt. In de Verordening Parkeerbelastingen is opgenomen, dat deze pas zal
                    worden toegepast op het moment dat de Parkeerverordening in werking is getreden
                    (ditgeldt alleen als de koninklijke goedkeuring er eerder is dan het
                    bericht van ontvangst van GS).</al><al>Het zal duidelijk zijn dat de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                    datum nooit voor het in artikel 15 van de Verordening Parkeerbelastingen
                    genoemde tijdstip mag liggen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>