<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR200714_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Havenverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Havenverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-05-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Haven</overheidrg:onderwerp></cvdripm></meta><body><intitule>Havenverordening 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§ 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Art. 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>In deze verordening en de daarop rustende besluiten wordt verstaan onder:</al><al>a. het college : het college van burgemeester en wethouders;</al><al>b. havenmeester: degene die door het college als zodanig is benoemd, of degene die</al><al>hem vervangt;</al><al>c. schip: elk vaartuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel</al><al>van vervoer te water, met inbegrip van een amfibisch voertuig, een</al><al>watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig,</al><al>een drijvende boorinstallatie, een baggermolen, een drijvende</al><al>kraan, een elevator, een ponton en elk ander drijvend werktuig,</al><al>drijvend voorwerp of drijvende inrichting van soortgelijke aard;</al><al>d. zeeschip: 1. elk schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor de vaart</al><al>buitengaats, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet;</al><al>2. elk schip dat in verband met sloop of voorgenomen sloop</al><al>voor het onder ten eerste bedoelde gebruik niet meer wordt</al><al>gebezigd of de bestemming daartoe heeft verloren;</al><al>e. binnenschip: een schip, niet zijnde een zeeschip;</al><al>f. tankschip: een schip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van</al><al>onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten;</al><al>g. combinatietankschip: een schip, ingericht om afwisselend onverpakte vloeibare lading of</al><al>droge lading te kunnen vervoeren;</al><al>h. pleziervaartuig: een schip dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de recreatie en dat</al><al>bestemd is voor het vervoeren van minder dan 12 personen, niet</al><al>zijnde bedrijfsvervoer en niet tegen betaling of vergoeding;</al><al>i. woonschip: een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak als woning wordt</al><al>gebezigd of tot woning is bestemd;</al><al>j. handel te water: het in de haven te koop aanbieden, verkopen of anderszins</al><al>vervreemden van enig goed, met gebruikmaking van een daartoe</al><al>bestemd en tijdens genoemde handelingen aanwezig schip;</al><al>k. sleepboot: een schip dat sleepdienst verricht of assistentie verleent en hiertoe</al><al>bestemd is;</al><al>l. assisteren: het bijstaan door één of meerdere sleepboten van een</al><al>alleenvarend schip dan wel van een duwstel of van een gekoppeld</al><al>samenstel bij het zich voortbewegen en bij het sturen of bij één van</al><al>deze handelingen;</al><al>m. dwarsschroef: een werktuigelijk hulpmiddel ter verbetering van de</al><al>manoeuvreereigenschappen van een schip;</al><al>n. kapitein: degene die is belast met het gezag over een zeeschip;</al><al>o. schipper: degene die is belast met het gezag over een binnenschip;</al><al>p. registerloods: de registerloods als bedoeld in artikel 1 van de Loodsenwet;</al><al>q. haven: de gemeentelijke havens en vaarwegen, aan de zeezijde van de</al><al>primaire waterkering, alsmede de Noorderhaven, de Zuiderhaven</al><al>en de Oude Buitenhaven;</al><al>r. openbaar water: alle wateren binnen, en in beheer bij, de gemeente Harlingen, die</al><al>zij het ook met enige beperkingen, voor de scheepvaart</al><al>toegankelijk zijn, met inbegrip van de daarbij behorende</al><al>kunstwerken;</al><al>s. ligplaats: het gedeelte van het openbaar water dat door de havenmeester</al><al>aan een schip wordt aangewezen om te bezetten, uitgedrukt in</al><al>plaats, lengte, breedte en diepte;</al><al>t. gevaarlijke stoffen: stoffen, die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging,</al><al>bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de</al><al>International Maritime Dangerous Goods Code, de (International)</al><al>Code for the Construction and Equipment of Ships carrying</al><al>Dangerous Chemicals in Bulk, de (Internationaal) Code for the</al><al>Construction and Equipment of Ship Carrying Liquified Gases in</al><al>Bulk van de Internationale Maritime Organisatie, dan wel in het</al><al>Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn</al><al>(ADNR), alsmede elke andere stof die door het college als</al><al>gevaarlijke stof is aangewezen en bekend gemaakt.</al><al>u. schadelijke stoffen: stoffen, die indien zij in het oppervlaktewater terecht komt, gevaar</al><al>kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens, schade</al><al>kunnen toebrengen aan het mariene milieu, de</al><al>recreatiemogelijkheden die het oppervlaktewater biedt kunnen</al><al>schaden of storend kunnen werken op enig ander rechtmatig</al><al>gebruik van het oppervlaktewater en die krachtens de Wet</al><al>voorkoming verontreiniging door schepen dan wel door het</al><al>college zijn aangewezen en bekend gemaakt;</al><al>v. brandbare</al><al>vloeistoffen: Vloeistoffen met een vlampunt dat lager ligt dan of gelijk is aan</al><al>100ºC;</al><al>w. vlampunt: het vlampunt, bepaald met het toestel van Pensky-Martens;</al><al>x. schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met het gasvrij,</al><al>schoon- of droogmaken van ruimten van een schip, die</al><al>ladingresten van een onverpakte vloeibare stof bevatten of</al><al>laatstelijk hebben bevat;</al><al>y. schoonmaakcertificaat:</al><al>een door een gasdeskundige afgegeven certificaat, waaruit blijkt</al><al>dat het schip voldoende is schoongemaakt;</al><al>z. een schip dat niet</al><al>is schoongemaakt: een schip dat resten van een onverpakte vloeibare gevaarlijke stof</al><al>bevat of laatstelijk heeft bevat, waarvoor nog geen</al><al>schoonmaakcertificaat is afgegeven;</al><al>aa. afvalstoffen: stoffen, afkomstig van het schoonmaken van een schip, alsmede</al><al>olierestanten, oliehoudende mengsels, resten van onverpakte</al><al>vloeibare gevaarlijke stoffen en van elke andere stof die door het</al><al>college is aangewezen en bekend gemaakt;</al><al>ab. gasdeskundige: een persoon in het bezit van een geldig certificaat Gasdeskundige</al><al>Tankschepen zoals bedoeld in Artikel 3.5h van het</al><al>Arbeidsomstandighedenbesluit;</al><al>ac. certificaat: een veiligheidscertificaat afgegeven door een gasdeskundige</al><al>ad. BPR: het Binnenvaartpolitiereglement.</al><al>ae. snelle motorboot: een klein schip als bedoeld in art. 1.01 BPR, dat bij gebruikmaking</al><al>van zijn mechanische middelen tot voortbeweging sneller kan</al><al>varen dan 20 kilometer per uur</al><al>af. waterscooter: een snelle motorboot, gebouwd of ingericht om door een of meer</al><al>personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen.</al><al>ag. verkeerspost: de gemeentelijke verkeerspost, gesitueerd op het Noorderhoofd,</al><al>Waddenpromenade te Harlingen;</al><al>ar verwaarloosd schip een schip waarvan casco en/of opbouw zodanig onvoldoende zijn</al><al>beschermd tegen water- en weersinvloeden, dat de</al><al>instandhouding van het schip, zonder daarvoor ingrijpender</al><al>maatregel dan het normaal te verrichten onderhoud te treffen, in</al><al>gevaar komt.</al><al>as bootman een persoon welke werkzaamheden verrichten bij het afmeren of</al><al>ontmeren van schepen.</al><al>at afmeervoorziening Kades, steigers, bolders, palen, dukdalven en dergelijke bedoeld en</al><al>geschikt voor het vastmaken van schepen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 1.2 Toepassingsgebied.</label></kop><al>Deze verordening is van toepassing op alle wateren in beheer bij de gemeente Harlingen die</al><al>voor de scheepvaart openstaan, alsmede op de scheepshellingen, dokken en alle zich in de</al><al>onmiddellijk nabijheid van deze wateren bevindende kunstwerken.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 1.3 Vergunningen en ontheffingen.</label></kop><al>1. Het college kan vergunningen en ontheffingen verlenen en daaraan beperkingen en</al><al>voorschriften binden.</al><al>2. De vergunningen en ontheffingen worden verleend voor een éénmalige gedraging of</al><al>handeling, of met een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden. Het college kan</al><al>de geldigheidsduur telkens verlengen met ten hoogste twaalf maanden.</al><al>3. De verlening van een vergunning of ontheffing en de verlenging van een geldigheidsduur</al><al>geschieden schriftelijk; de verlenging van een ontheffing kan in spoedeisende gevallen</al><al>voor een éénmalige gedraging of handeling van korte duur mondeling geschieden.</al><al>4. Een vergunning of ontheffing wordt in elk geval niet verleend indien redenen van orde en</al><al>veiligheid in openbaar water, milieubelang alsmede het doelmatig gebruik van de haven,</al><al>zich daartegen verzetten.</al><al>5. De geldigheidsduur van een vergunning of ontheffing wordt niet verlengd indien:</al><al>a. gebleken is dat gedurende het laatste tijdvak van geldigheid door de aanvrager geen</al><al>gebruik werd gemaakt van de eerder verleende vergunning of ontheffing;</al><al>b. de redenen van orde en veiligheid in de haven zich tegen een verlenging van de</al><al>geldigheidsduur verzetten.</al><al>6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, onder a, kan de geldigheidsduur worden verlengd</al><al>indien op genoegzame wijze is aangetoond dat om gegronde reden geen gebruik kon</al><al>worden gemaakt van de ontheffing of vergunning.</al><al>7. Het college kan een vergunning, een ontheffing of een verlenging van een</al><al>geldigheidsduur intrekken indien:</al><al>a. een reden waarom zij werd verleend of verlengd is vervallen;</al><al>b. een daaraan verbonden beperking of voorschrift niet wordt nageleefd;</al><al>c. zich na de verlening of verlenging een zodanig feit of omstandigheid voordoet dat,</al><al>indien het feit of de omstandigheid ten tijde van de verlening of verlenging bekend</al><al>was geweest, de vergunning, de ontheffing of de verlenging van de geldigheidsduur</al><al>niet of niet in die vorm zou zijn verleend.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Orde in openbaar water</label></kop><artikel><kop><label>Art.2.1 Verkeerstekens</label></kop><al>1. Het college kan in het belang van de orde en veiligheid tekens doen plaatsen die zijn</al><al>vermeld in het BPR en de tekens doen voorzien van nadere aanduidingen.</al><al>2. Het is verboden te handelen in strijd met een teken en daarbij behorende nadere</al><al>aanduidingen, als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3. Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.2 Verbod tot het innemen van ligplaats</label></kop><al>1. Het is verboden met een schip ligplaats in te nemen of zich met het schip op een ligplaats</al><al>te bevinden, tenzij dit geschiedt in een geval als hierna bedoeld;</al><al>a. in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte, in artikel 2.1. bedoelde tekens</al><al>en nadere aanduidingen;</al><al>b. met een vergunning als bedoeld in artikel 2.3;</al><al>c. met een vergunning van het college;</al><al>d. vervallen</al><al>e. met schriftelijke of mondelinge toestemming van de havenmeester</al><al>f. met instemming van de huurder, erfpachter of eigenaar van een aan de ligplaats</al><al>gelegen terrein;</al><al>2. Het afmeren van een schip dient te geschieden naar goed zeemansgebruik.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.3 Gebruik van ligplaats voor bijzondere doeleinden.</label></kop><al>1. Het is verboden een schip, op een ligplaats, te gebruiken als opslagplaats, magazijn,</al><al>werkplaats, expositieruimte of voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf, tenzij het</al><al>gebruik van een schip gebonden is aan de aard van het beroep of bedrijf of indien wordt</al><al>gehandeld met vergunning van het college.</al><al>2. Het is verboden een schip op te leggen zonder vergunning van het college.</al><al>3. Het is verboden een schip op een ligplaats te slopen zonder vergunning van het college.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.4 Verhalen van gemeerd liggende schepen</label></kop><al>1. Het is verboden een schip, dat niet is bemand of dat onvoldoende is bemand om het te</al><al>kunnen verhalen, op een ligplaats te laten liggen.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing in het geval dat het college een</al><al>ontheffing van het in het eerste lid gestelde verbod heeft verleend.</al><al>3. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet en afdeling 5.3 van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht is het college bevoegd een schip dat niet is bemand of</al><al>onvoldoende is bemand om het te kunnen verhalen, op kosten van de eigenaar, de</al><al>beheerder of gebruiker te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats indien</al><al>de orde, de veiligheid of het doelmatig gebruik van de haven dit dringend noodzakelijk</al><al>maakt.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.5 Voorzieningen</label></kop><al>1. Het is verboden voorzieningen, voorwerpen of begroeiing in, onder of boven het water te</al><al>hebben, aan te brengen of te doen aanbrengen.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op schepen.</al><al>3. Onder voorzieningen of voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen:</al><al>a. trossen, draden, kettingen of andere soortgelijke voorzieningen die dienen om een</al><al>schip te meren, te ankeren, te slepen of te assisteren en die als zodanig in gebruik</al><al>zijn;</al><al>b. planken en andere soortgelijke voorwerpen, niet zijnde vaste voorzieningen, die</al><al>dienen om de toegang van of aan boord mogelijk te maken en die als zodanig in</al><al>gebruik zijn;</al><al>c. laadbruggen, hijsbalken, hijskranen, hangende of drijvende plateaus of andere</al><al>soortgelijke voorwerpen, voor zover deze in bedrijf zijn of zodanig gemarkeerd dat</al><al>geen gevaar, schade of hinder ontstaat.</al><al>4. Het college kan, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid, van het in het</al><al>eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.6 Gebruik kranen en overslagmiddelen</label></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in de Wet Milieubeheer is het verboden zonder vergunning</al><al>van het college in de haven goederen te laden of te lossen met behulp van vaste, mobiele</al><al>en drijvende kranen, elevatoren, lopende banden, laadschoppen, laadbruggen, enz.</al><al>2. Onder de in het vorige lid bedoelde drijvende kranen worden niet verstaan kranen aan</al><al>boord van een schip, opgesteld met het oogmerk daarmee het eigen schip te beladen of</al><al>te lossen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.7 Onttrekken van water en stroom door derden</label></kop><al>Het is verboden zonder toestemming van het college:</al><al>a. water te onttrekken aan de brandkranen die zich op de kaden en steigers bevinden;</al><al>b. elektrische stroom te onttrekken aan de zich op de kaden en steigers bevindende</al><al>aansluitkasten.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.8 Reiniging openbare kaden, terreinen en wegen</label></kop><al>1. Het is gebruikers van de openbare kaden, terreinen en wegen in de haven verboden</al><al>restanten lading, emballage, garnering, vuilnis of andere daarmee gelijk te stellen stoffen</al><al>op de kaden, terreinen en wegen na afloop van de werkzaamheden achter te laten ;</al><al>2. De strafbaarstelling ingevolge het voorgaande lid wordt opgeheven indien die kaden,</al><al>terreinen en wegen binnen één uur na afloop van de werkzaamheden behoorlijk worden</al><al>gereinigd.</al><al>Indien het gebruik langer dan een dag duurt vervalt de strafbaarheid indien die kaden,</al><al>terreinen en wegen tenminste éénmaal per dag behoorlijk worden gereinigd.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.9 Betreden en losmaken van schepen</label></kop><al>Het wederrechtelijk betreden of losmaken van schepen is verboden.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.10 Gezonken en verwaarloosde schepen e.d.</label></kop><al>1. De kapitein, schipper of eigenaar van een gezonken schip of ander voorwerp is verplicht:</al><al>a. onmiddellijk na het zinken daarvan mededeling te doen aan de</al><al>havenmeester;</al><al>b. het vaartuig of voorwerp binnen de door de havenmeester te bepalen tijd te</al><al>verwijderen.</al><al>2. Het is in het belang van het aanzien van de gemeente verboden om een ligplaats in te</al><al>nemen of ingenomen te houden met een verwaarloosd schip, zoals omschreven in</al><al>Artikel 1:1, lid ar.</al><al>3. Indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen zoals bedoeld in het eerste en tweede</al><al>lid, is het college bevoegd het genoemde schip of voorwerp te verwijderen en/of in</al><al>bewaring te nemen op kosten van de eigenaar.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 2.11 Wijziging ligplaats</label></kop><al>Het college kan de houder van een ligplaatsvergunning verplichten een andere ligplaats in te</al><al>nemen indien zulks noodzakelijk is in verband met een doelmatig gebruik van het openbaar</al><al>water.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3 Gebruik van de haven</label></kop><artikel><kop><label>Art. 3.1 Gebruik van ankers</label></kop><al>1. Het is de kapitein of schipper van een schip verboden:</al><al>a. een anker te gebruiken om een schip te stoppen;</al><al>b. met een krabbend anker te varen;</al><al>c. ten anker te gaan of ten anker te liggen.</al><al>2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt:</al><al>a. ter voorkoming van aanvaring of aandrijving;</al><al>b. op advies van een registerloods;</al><al>c. in overeenstemming met ter plaatse, onder artikel 2.1 bedoelde tekens en nadere</al><al>aanduidingen;</al><al>d. met een ontheffing van het college.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.2 Gebruik van voortstuwers en dwarsschroeven</label></kop><al>1. Het is de kapitein of schipper van een schip verboden de voortstuwers of dwarsschroeven</al><al>te gebruiken:</al><al>a. indien het schip aan de grond zit;</al><al>b. indien het schip gemeerd of ten anker ligt, tenzij dit geschiedt bij het manoeuvreren</al><al>tijdens aankomst en vertrek.</al><al>2. Van het in het eerste lid gestelde verbod kan het college ontheffing verlenen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.3 Beproeven van voortstuwingswerktuigen</label></kop><al>1. Het beproeven van voortstuwingswerktuigen van schepen mag slechts geschieden met</al><al>vergunning van het college en uitsluitend op een daartoe aan te wijzen plaats.</al><al>2. Het in het voorgaande lid van dit artikel gestelde is niet van toepassing voor het</al><al>beproeven van voortstuwingswerktuigen ter voorbereiding van het vertrek.</al><al>3. Een verkregen vergunning, als bedoeld in het eerste lid, of een beproeving, als bedoeld in</al><al>het tweede lid, ontheft de kapitein of schipper niet van de verplichting er zorg voor te</al><al>dragen dat als gevolg van het draaien van de voortstuwer geen hinder of schade aan</al><al>persoon of goed wordt veroorzaakt.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.4 Vervallen</label></kop><al>Vervallen</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.5 Pleziervaart en zeilvaart</label></kop><al>1. Het is verboden in de haven een schip uitsluitend door middel van zijn zeilen voort te</al><al>bewegen, tenzij het schip over een bruikbare motor beschikt. De kapitein of schipper</al><al>dient dan naast de zeilen de motor in bedrijf te hebben en voor onmiddellijk gebruik</al><al>gereed te houden.</al><al>2. vervallen</al><al>3. Het is verboden in de havens te varen met een zeilplank.</al><al>4. vervallen</al><al>5. Het is verboden in de haven een waterskiër voort te bewegen, dan wel zich op waterskies</al><al>voort te bewegen of te doen voortbewegen.</al><al>6. De maximum toegelaten snelheid bedraagt in de havens 12,5 kilometer per uur en in de</al><al>overige openbare wateren 6 kilometer per uur, tenzij anders aangegeven middels</al><al>verkeerstekens als bedoeld in artikel 2.1.</al><al>7. Van het in het eerste ,derde, vijfde en zesde lid gesteld verbod kan ontheffing worden</al><al>verleend door het college. Hieraan kunnen nadere voorschriften en/of beperkingen</al><al>worden verbonden.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.6 Vissen en zwemmen</label></kop><al>1. Het is verboden vanaf kaden en steigers te vissen binnen een afstand van 25m van:</al><al>- schepen die gelost of geladen worden;</al><al>- op de kade geplaatste kranen en opgeslagen goederen;</al><al>- plaatsen waarop anderszins werkzaamheden plaatsvinden.</al><al>2. Het is verboden met of vanaf vaartuigen te vissen, behoudens vergunning van het college.</al><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor opvarenden van gemeerde</al><al>vaartuigen, indien vanaf die vaartuigen wordt gevist.</al><al>4. Het is verboden te vissen met behulp van fuiken, alsmede pieren te steken, zonder</al><al>vergunning van het college.</al><al>5. Het is verboden te zwemmen en te baden in het openbaar water, behoudens ontheffing</al><al>van het college.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.7 Duiken en dreggen</label></kop><al>Behoudens vergunning van het college is het verboden, al dan niet bij wijze van beroep of</al><al>bedrijf, te duiken en met enigerlei middel naar zich onder het wateroppervlak bevindende</al><al>voorwerpen te zoeken of deze op te dreggen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.8 Dienstverlenende schepen</label></kop><al>Het college kan in die gevallen waarin niet is voorzien bij of krachtens de Binnenvaartwet voor</al><al>door hen aan te wijzen categorieën schepen, waarmede in de haven dienstverlenende</al><al>werkzaamheden worden uitgeoefend, regels stellen voor de bouw, inrichting en uitrusting van</al><al>het schip en voor het opleidingsniveau van de bemanning, alsmede voor de orde en veiligheid</al><al>in de haven.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.9 Maatregelen bij ijsgang of toegevroren water</label></kop><al>Bij ijsgang of toegevroren water in de haven is de kapitein of schipper van een schip verplicht:</al><al>a. indien hij met dat schip een ligplaats wenst in te nemen of te verlaten, dan wel de</al><al>aanwijzing daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zonodig het ijs te breken of zijn</al><al>schip te laten assisteren;</al><al>b. zonodig maatregelen te nemen, dat door de manoeuvres met zijn schip geen schade kan</al><al>worden toegebracht aan andere schepen of aan kunstwerken, zoals oeververdedigingen,</al><al>steigers, remmingwerken, enz.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 3.10 Schade aan eigendommen van de gemeente Harlingen</label></kop><al>1. Indien een schip een kunstwerk van de gemeente heeft beschadigd moet de kapitein of</al><al>schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de havenmeester.</al><al>2. Door een ambtenaar, als bedoeld in artikel 9.2 van deze verordening, wordt een procesverbaal</al><al>van bevindingen opgemaakt.</al><al>3. Het schadevarende schip zal niet eerder mogen vertrekken dan nadat door of namens de</al><al>kapitein of de schipper een waarborgsom is gestort of een bankgarantie is gegeven ten</al><al>bedrage van de door of namens het college getaxeerde schade.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 4A Veiligheid in openbaar water</label></kop><artikel><kop><label>Art. 4.1 Verontreiniging van lucht; stank of hinder veroorzakende stoffen</label></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in de Wet Milieubeheer of de Wet Lucht-verontreiniging is</al><al>het verboden rook, roet, dampen, gassen, stof of stoom op een zodanige wijze uit een</al><al>schip te laten ontsnappen of op een schip zodanig lawaai te produceren dat daardoor</al><al>gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.</al><al>2. Het college wijst stoffen aan die in onverpakte toestand bij het laden in of lossen uit een</al><al>schip ontoelaatbare stank of hinder kunnen veroorzaken. Zij maakt de aangewezen</al><al>stoffen bekend.</al><al>3. Het is verboden de krachtens het tweede lid aangewezen stoffen in of uit een schip te</al><al>laden of te lossen.</al><al>4. Het in het eerste en derde lid bedoelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld</al><al>wordt met een ontheffing van het college.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.2 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen</label></kop><al>Degene, door wiens toedoen een stof of voorwerp in het water terecht komt waardoor de</al><al>veiligheid in gevaar wordt gebracht, is verplicht er voor te zorgen dat:</al><al>a. daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester;</al><al>b. de stof of het voorwerp onmiddellijk uit het water wordt verwijderd, tenzij dit</al><al>redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.3 Vervallen</label></kop><al>Dit artikel is ondervangen door de milieuwetgeving</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.4 Ontsmetten van schepen</label></kop><al>1. Het is de kapitein of schipper verboden zijn schip met gassen te behandelen of te doen</al><al>behandelen met het doel het schip te ontsmetten.</al><al>2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.5 Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen</label></kop><al>1. Het college kan de kapitein of schipper een verbod opleggen om met zijn schip de haven</al><al>binnen te komen, een ligplaats te nemen of in de haven of op een ligplaats te verblijven,</al><al>indien het van oordeel is dat een zodanige handeling ernstig gevaar, ernstige schade of</al><al>ernstige hinder voor de haven of voor de omgeving met zich meebrengt of met zich mee</al><al>kan brengen</al><al>2. Het verbod wordt pas opgelegd nadat is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan</al><al>maatregelen, die in het onderhavige geval door het college kunnen worden opgelegd of</al><al>indien er naar hun oordeel geen maatregelen mogelijk zijn ter voorkoming of beëindiging</al><al>van ernstig gevaar, ernstige schade of ernstige hinder.</al><al>3. De kapitein of schipper, aan wie een in het eerste lid bedoelde verbod is opgelegd, is</al><al>verplicht daaraan gevolg te geven.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.6 Sleepbootassistentie</label></kop><al>De kapitein of schipper van een schip is verplicht, indien het college dit uit</al><al>veiligheidsoverwegingen noodzakelijk acht, zich te bedienen van voldoende</al><al>sleepbootassistentie. Een schip, voorzien van één of meer dwarsschroeven, wordt geacht te</al><al>beschikken over één sleepboot.</al><al>De kosten van deze assistentie komen voor rekening van het betreffende schip.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 4B Bootlieden</label></kop><artikel><kop><label>Art. 4.7 Gebruik maken van bootlieden</label></kop><al>1. De kapitein van een tot de volgende categorieën behorend schip is verplicht er</al><al>zorg voor te dragen dat het vast- en losmaken van zijn schip uitsluitend geschiedt door</al><al>een of meerdere bootlieden:</al><al>a. Zeeschepen en schepen in aanbouw zijnde tot zeeschip met een lengte over alles</al><al>van meer dan 75 meter.</al><al>b. Zeeschepen, gebouwd of geschikt gemaakt en gebezigd voor het vervoer van</al><al>vloeibare gevaarlijke stoffen in bulk, en geheel of gedeeltelijk daarmee geladen,</al><al>dan wel leeg, maar nog niet schoongemaakt van die stof.</al><al>2. De havenmeester of diens plaatsvervanger kan aan de kapitein van een schip dat</al><al>niet tot de bovengenoemde categorieën behoort de verplichting opleggen gebruik te</al><al>maken van bootlieden, indien naar zijn oordeel de omstandigheden hier aanleiding toe</al><al>geven.</al><al>3. De in lid 1 gestelde verplichting is niet van toepassing;</al><al>a. Indien het vast- of losmaken uitsluitend geschiedt door eigen bemanningsleden</al><al>van het zeeschip mits aan de wettelijke bemanningseisen is voldaan en</al><al>voornoemde bemanningsleden beschikken over rechtstreekse communicatie met</al><al>de brug;</al><al>b. Indien het schip wordt verhaald langs eenzelfde kade, zonder daarvan volledig los</al><al>te komen;</al><al>4. De kapitein van een schip dat niet tot een van de boven genoemde categorieën</al><al>behoort, is verplicht er voor zorg te dragen dat het vast- en losmaken van zijn schip</al><al>uitsluitend geschiedt door eigen bemanningsleden van het schip, dan wel door een of</al><al>meerdere bootlieden, met in achtneming van de wettelijke bemanningseisen.</al><al>5. De havenmeester of diens plaatsvervanger kan de kapitein van een schip ontheffing</al><al>verlenen van de hierboven genoemde verplichtingen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.8 Vergunningsplicht bootlieden</label></kop><al>1. Een persoon of bedrijf welke werkzaamheden verricht als bootman in de haven van</al><al>Harlingen, dient in het bezit te zijn van een geldige vergunning van burgemeester en</al><al>wethouders.</al><al>2. Voornoemde vergunning wordt telkens voor de duur van één kalenderjaar verstrekt en</al><al>jaarlijks verlengd indien de vergunninghouder kan aantonen te voldoen aan de in Art. 4.8</al><al>gestelde eisen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.9 Vergunningseisen bootlieden</label></kop><al>1. Een persoon of bedrijf welke in aanmerking wil komen voor een vergunning voor het</al><al>verrichten van diensten als bootman in de haven van Harlingen, richt hiertoe een verzoek</al><al>aan de havenmeester.</al><al>2. Vergunningshouders dienen te voldoen aan de volgende eisen:</al><al>a. De vergunninghouder is gehouden tot dienstverlening aan een ieder die hiertoe</al><al>verzoekt. Hiervoor dienen steeds voldoende bootlieden en middelen beschikbaar</al><al>te zijn.</al><al>b. De vergunninghouder heeft met alle ingezette bootlieden een</al><al>arbeidsovereenkomst.</al><al>c. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat bootlieden tijdens hun</al><al>werkzaamheden een geldig legitimatiebewijs bij zich dragen.</al><al>d. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat bootlieden voldoende zijn</al><al>opgeleid en ingewerkt voor de uitoefening van hun werkzaamheden.</al><al>e. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat bootlieden op de hoogte zijn van</al><al>alle relevante wet- en regelgeving inzake het scheepvaartverkeer in de haven,</al><al>havenbeveiliging en veiligheid.</al><al>f. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat tijdens de werkzaamheden van</al><al>bootlieden minimaal 1 bootman aanwezig is welke is opgeleid tot het verlenen</al><al>van eerste hulp door een landelijk erkend instituut.</al><al>g. De vergunninghouder beschikt over een verzekering voor</al><al>bedrijfsaansprakelijkheid met voldoende dekking.</al><al>h. De vergunninghouder stelt werk- en veiligheidsprocedures vast voor de</al><al>bootlieden welke door een erkend certificeringorgaan zijn goedgekeurd volgens</al><al>ISO 900 of daarmee vergelijkbaar certificaat.</al><al>i. De vergunninghouder draagt zorg voor een goede staat van onderhoud van alle</al><al>vaartuigen, voertuigen en overige middelen welke worden ingezet bij de</al><al>werkzaamheden van bootlieden.</al><al>j. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat de bootlieden tijdens hun</al><al>werkzaamheden beschikken over, en gebruik maken van, voldoende en wettelijk</al><al>goedgekeurde veiligheidsmiddelen, herkenbare bedrijfskleding en VHFportofoons</al><al>voorzien van de in de Harlinger haven gebruikte marifoonkanalen.</al><al>k. De vergunninghouder dient aan de havenmeester aan te tonen dat aan alle</al><al>bovenvermelde eisen wordt voldaan en verstrekt een lijst van alle gecertificeerde</al><al>medewerkers aan de havenmeester en houdt deze steeds op de hoogte van</al><al>relevante personele mutaties.</al><al>l. De vergunninghouder dient onvolkomenheden en gebreken aan kades en</al><al>afmeervoorzieningen direct te melden aan de havenmeester.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 4.10 Veiligheid afmeervoorzieningen</label></kop><al>1. De eigenaar en beheerder van kades en afmeervoorzieningen in de haven van Harlingen</al><al>zijn gezamenlijk en afzonderlijk verplicht zorg te dragen dat:</al><al>a. kades en afmeervoorzieningen veilig en goed toegankelijk zijn voor bootlieden</al><al>en overige personen, betrokken bij het afmeren en ontmeren van schepen</al><al>b. trappen, loopbruggen en dergelijke steeds in een goede staat van onderhoud</al><al>verkeren en zijn voorzien van de benodigde leuningen, handgrepen en andere</al><al>veiligheidsvoorzieningen</al><al>c. bootlieden tijdig toegang hebben tot de afmeervoorzieningen voor het vast- of</al><al>losmaken van schepen, zo nodig op vertoon van een geldig legitimatiebewijs.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 5 Toestemming, meldingen en loodsplicht</label></kop><artikel><kop><label>Art. 5.1 Toestemming tot bevaren van de haven</label></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4.5 en onverminderd het hierna bepaalde</al><al>omtrent melding van aankomst en vertrek, dient de kapitein of schipper van een schip</al><al>toestemming te vragen voor het bevaren van de haven aan de havenmeester. Hiertoe</al><al>dient hij zich te melden bij de verkeerspost op het daartoe aangewezen marifoonkanaal.</al><al>2. Het is verboden, behoudens ontheffing van het college, de haven, of enig deel daarvan, te</al><al>bevaren wanneer vanaf de verkeerspost twee vaste rode lichten worden getoond.</al><al>3. Het in het eerste lid genoemde gebod is niet van toepassing op pleziervaartuigen</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 5.2 Melding bij aankomst en vertrek van een schip</label></kop><al>1. De kapitein of schipper is verplicht er voor te zorgen dat aan de havenmeester wordt</al><al>gemeld:</al><al>a. de vermoedelijke tijd van aankomst van het schip in de haven, voor zeeschepen ten</al><al>minste 24 uren voor de aankomst en voor binnenschepen 3 uur voor de aankomst;</al><al>b. de wisseling van ligplaats van het schip en wel ten minste 3 uren voor de aanvang</al><al>van de wisseling;</al><al>c. de vermoedelijke tijd van vertrek uit de haven en wel ten minste 3 uren voor het</al><al>ontmeren;</al><al>d. wijziging van het vermoedelijke tijdstip van aankomst of vertrek met 2 uur of meer</al><al>dient de havenmeester te worden gemeld;</al><al>e. de diepgang van het schip bij aankomst, verwisseling van de ligplaats en vertrek in</al><al>c.q. uit de haven;</al><al>f. schade aan schip, uitrusting of lading, die de bestuurbaarheid van het schip kan</al><al>verminderen of de veiligheid in de haven in gevaar kan brengen;</al><al>g. andere gegevens die de havenmeester verlangt in verband met de aanwezigheid van</al><al>het schip in de haven.</al><al>2. De melding geschiedt schriftelijk of elektronisch volgens een door het college vast te</al><al>stellen wijze.</al><al>3. De havenmeester kan er in toestemmen dat bij wisseling van ligplaats van het schip en bij</al><al>vertrek van het schip uit de haven geen schriftelijke melding wordt gedaan.</al><al>4. Een gelijke verplichting, als bedoeld in het eerste lid, rust op de reder en de bevrachter</al><al>van het schip en hun vertegenwoordiger, ieder afzonderlijk.</al><al>5. Zodra één van de in het eerste en vierde lid bedoelde personen aan zijn verplichting heeft</al><al>voldaan vervalt deze verplichting voor de anderen.</al><al>6. De in het eerste lid neergelegde verplichting geldt niet t.a.v. pleziervaartuigen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 5.3 Melding van gevaarlijke stoffen</label></kop><al>1. De havenmeester kan bepalen dat met betrekking tot de lading van schepen, die geladen</al><al>zijn of geladen worden met een gevaarlijke stof of die nog niet van die stof zijn</al><al>schoongemaakt, door hem te bepalen gegevens worden gemeld.</al><al>2. Hij bepaalt tevens op welk tijdstip en op welke wijze de gegevens moeten worden</al><al>gemeld.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 5.4. Loodsplicht voor bepaalde schepen</label></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Koophandel en de Loodsenwet, kan het</al><al>college, indien naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden in de haven of aan boord de</al><al>bijstand van een registerloods noodzakelijk maken, de kapitein of schipper opdragen zich</al><al>bij het varen in de haven te doen bijstaan door een registerloods.</al><al>2. De kapitein of schipper, aan wie de in het eerste lid bedoelde opdracht is gegeven, is</al><al>verplicht die opdracht op te volgen. De kosten verbonden aan deze beloodsing zijn voor</al><al>rekening van het betreffende schip.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 6 Schepen met gevaarlijke stoffen; combinatietankschepen</label></kop><artikel><kop><label>Art. 6.1 Regels voor schepen met gevaarlijke stoffen</label></kop><al>1. In verband met de aanwezigheid in de haven van schepen die geladen zijn, geladen</al><al>worden of geladen zijn geweest met gevaarlijke stoffen en daarvan niet zijn</al><al>schoongemaakt, kan het college regels geven in het belang van de veiligheid en ter</al><al>voorkoming van schade en hinder.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben onder meer op:</al><al>a. de over te leggen bescheiden omtrent schip en lading;</al><al>b. het innemen van een ligplaats;</al><al>c. het bewaken en het toezicht;</al><al>d. het voorkomen van brand en andere calamiteiten en het bestrijden daarvan;</al><al>e. het verrichten van werkzaamheden waarbij gevaar, schade of hinder is te duchten;</al><al>f. het laden of lossen;</al><al>g. het melden van incidenten.</al><al>3. De regels kunnen verschillend zijn naar gelang de eigenschappen van de stoffen en het type</al><al>schip.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 6.2 Laden en lossen van combinatietankschepen</label></kop><al>1. Het is de kapitein of schipper van een combinatietankschip, dat zal worden gelost of</al><al>geladen met brandbare vloeistoffen in onverpakte toestand met een vlampunt lager dan</al><al>61o C, zonder vergunning van het college verboden over te gaan tot die los- of</al><al>laadhandelingen.</al><al>2. De vergunning kan worden verleend:</al><al>a. indien een certificaat voor combinatietankschepen is overgelegd, afgegeven door</al><al>een door het college aangewezen deskundige, waaruit blijkt dat is voldaan aan door</al><al>het college te stellen regels omtrent het ledig zijn van ruimten en ladingtanks van</al><al>brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 61o C of resten daarvan en</al><al>omtrent de toelaatbare druk en atmosfeer in die ruimten en ladingtanks;</al><al>b. indien tenminste vierentwintig uren voor het vermoedelijke tijdstip van aankomst</al><al>binnen het havengebied van het combinatietankschip schriftelijk is gemeld dat het</al><al>schip nimmer brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 61o C heeft</al><al>vervoerd;</al><al>c. indien tenminste vierentwintig uren voor het vermoedelijke tijdstip van aankomst in</al><al>het havengebied is overgelegd een schriftelijke verklaring, waaruit blijkt dat het schip</al><al>voldoende ledig, schoon en gasvrij is van brandbare vloeistoffen met een vlampunt</al><al>lager dan 61o C en hiervan een verificatie door de havenmeester met gunstig gevolg</al><al>heeft plaatsgevonden.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 6.3 Nadere regels voor combinatietankschepen</label></kop><al>1. Het college stelt vast welke gegevens moeten worden gemeld voor de aankomst in de</al><al>haven van een combinatietankschip, bedoeld in artikel 6.2.</al><al>2. Het college geeft zonodig tevens regels omtrent het handhaven van veilige druk en</al><al>atmosfeer in ruimten en ladingtanks tijdens het verblijf van dat schip in de haven.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 7A Vergunningen t.b.v. schoonmaak- en ophaalbedrijven</label></kop><artikel><kop><label>Art. 7.1 Schoonmaakvergunning of ontheffing</label></kop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college vanaf een dienstverlenend schip een</al><al>andere schip schoon te maken.</al><al>2. Het is verboden een schip, aan boord van het schip zelf, schoon te maken.</al><al>3. Het college kan ontheffing van het in het tweede lid gestelde verbod verlenen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 7.2 Ophaalvergunning</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Wet Milieubeheer is het verboden zonder vergunning van het</al><al>college afvalstoffen, afkomstig van een schip en geen lading zijnde van dat schip, aan boord te</al><al>nemen van een ander schip, daarmee te vervoeren of daaruit te lossen.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 7.3 Voorschriften</label></kop><al>1. De voorschriften, te verbinden aan de in artikel 7.1. bedoelde vergunning of ontheffing,</al><al>kunnen onder meer betrekking hebben op:</al><al>a. de orde en veiligheid in de haven;</al><al>b. het verstrekken van inlichtingen;</al><al>c. het beschikken over de nodige kennis aan boord met betrekking tot afvalstoffen;</al><al>d. de bestemming van de afvalstoffen.</al><al>2. De vergunning, bedoeld in de artikelen 7.1., eerste lid, en 7.2, kan alleen worden verleend</al><al>indien ten genoegen van het college is aangetoond dat het schip door het voldoen aan</al><al>door het college te stellen regelen geschikt is voor de uitoefening van de werkzaamheden,</al><al>waarvoor de vergunning is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Art. 7.4 Vervallen</label></kop><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 7B Vergunningen t.b.v. werken en handel te water</label></kop><artikel><kop><label>Art. 7.5 Hebben of maken van werken</label></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op, onder of over de in artikel 1.2</al><al>bedoelde wateren, terreinen en werken, een werk, niet zijnde een bouwwerk, te maken of te</al><al>hebben of enige handelingen te verrichten waardoor in de plaatselijke toestand wijziging wordt</al><al>gebracht.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 7.6 Handel te water</label></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de handel te water uit te oefenen.</al><al>Aan deze vergunning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden, betrekking</al><al>hebbende op de orde en veiligheid in de haven.</al><al>De vergunning kan alleen worden verleend indien ten genoegen van het college is aangetoond</al><al>dat het schip door het voldoen aan door het college te stellen regelen geschikt is voor de</al><al>uitoefening van de handel te water.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 8 Ontvangst van schadelijke stoffen van zeeschepen</label></kop><artikel><kop><label>Art. 8.1 Aanwijzing van bedrijven met ontvangstvoorzieningen</label></kop><al>1. Mede ter uitvoering van het bepaalde in of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging</al><al>door schepen wijst het college bedrijven aan voor het in ontvangst nemen van schadelijke</al><al>stoffen, rechtstreeks afkomstig van zeeschepen die in het in artikel 1.2 bedoelde</al><al>toepassingsgebied worden gelost, geladen of gerepareerd.</al><al>2. De aanwijzing geschiedt met inachtneming van evenredigheid tussen het verwachte</al><al>aanbod van krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen aangewezen</al><al>schadelijke stoffen enerzijds en de ontvangstmogelijkheden anderzijds, zodat onnodig</al><al>oponthoud van zeeschepen bij de afgifte van die schadelijke stoffen wordt voorkomen.</al><al>3. Voor de aanwijzing komen in aanmerking:</al><al>a. bedrijven met los- en laadplaatsen en bedrijven met scheepsreparatiewerven, die</al><al>een ontvangstvoorziening voor schadelijke stoffen hebben en in het bezit zijn van</al><al>een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer voor de inname van die stoffen;</al><al>b. bedrijven die zich uitsluitend of in hoofdzaak bezighouden met het inzamelen,</al><al>bewaren, bewerken, verwerken of vernietigen van alle - zowel krachtens de Wet</al><al>voorkoming verontreiniging door schepen als door het college aangewezen -</al><al>schadelijke stoffen in een vaste inrichting aan wal en die tevens in het bezit zijn van</al><al>een daarvoor geldende vergunning op grond van de Wet Milieubeheer;</al><al>c. bedrijven, niet beschikkende over een vaste inrichting als onder b. bedoeld, die wel</al><al>in het bezit zijn van een voor het inzamelen en afleveren geldende vergunning op</al><al>grond van de Wet Milieubeheer en die ingevolge de hen verleende vergunning of</al><al>krachtens contract verplicht zijn tot aflevering van de ingezamelde schadelijke</al><al>stoffen aan een bedrijf als onder b. bedoeld.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 8.2 Geldigheidsduur van de aanwijzing; beperking en voorschriften</label></kop><al>1. De in artikel 8.1 bedoelde aanwijzing geschiedt voor de duur van ten hoogste vijf jaren.</al><al>2. Aan een aanwijzing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden die</al><al>betrekking kunnen hebben onder meer op:</al><al>a. de ontvangstvoorzieningen waarover het bedrijf beschikt en de veranderingen</al><al>daarvan;</al><al>b. de mate van beschikbaarheid voor en de verplichting tot het in ontvangst nemen van</al><al>schadelijke stoffen;</al><al>c. de soorten schadelijke stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;</al><al>d. het meedelen van het tarief voor de kosten die in rekening worden gebracht aan</al><al>schepen die schadelijke stoffen afgeven;</al><al>e. het melden van het in ontvangst nemen van de schadelijke stoffen en het verstrekken</al><al>van de gegevens daaromtrent.</al><al>3. Het college kan de duur van een aanwijzing telkens met een tijdvak van ten hoogste vijf</al><al>jaren verlengen, zonodig met gewijzigde beperkingen en voorschriften.</al><al>4. Het college kan een aanwijzing of verlenging voor het nog te doorlopen deel van de</al><al>geldigheidsduur intrekken indien:</al><al>a. een reden waarom zij heeft plaatsgevonden is vervallen;</al><al>b. een beperking of voorschrift niet wordt nageleefd;</al><al>c. zich na de aanwijzing of verlenging zodanige feiten of omstandigheden voordoen</al><al>dat, indien deze ten tijde van de aanwijzing of verlenging bekend waren geweest,</al><al>de aanwijzing of verlenging niet of niet in die vorm zou hebben plaatsgevonden.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 8.3 Bekendmaking inzake ontvangst gevaarlijke stoffen</label></kop><al>Het college maakt bekend:</al><al>a. welke bedrijven ingevolge artikel 8.1 zijn aangewezen en de ontvangstvoorzieningen</al><al>waarover zij beschikken, alsmede de veranderingen van die ontvangstvoorzieningen;</al><al>b. de mate van beschikbaarheid voor het in ontvangst nemen van schadelijke stoffen;</al><al>c. welke schadelijke stoffen door het bedrijf kunnen worden ontvangen;</al><al>d. de tarieven voor de kosten die in rekening worden gebracht aan schepen die schadelijke</al><al>stoffen afgeven en de wijzigingen van die tarieven;</al><al>e. de duur van de aanwijzing en de verlenging daarvan.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 8.4 Melding van afgifte van schadelijke stoffen</label></kop><al>1. De kapitein van een zeeschip, dat een schadelijke stof aan boord heeft, zorgt er voor dat</al><al>zijn voornemen tot afgifte van die stof wordt gemeld aan de havenmeester, tenminste</al><al>vierentwintig uren voordat met de afgifte een aanvang wordt gemaakt.</al><al>2. Bij de melding wordt tevens medegedeeld aan welk aangewezen bedrijf de afgifte zal</al><al>geschieden, welke schadelijke stof zal worden afgegeven en de hoeveelheid daarvan.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 8.5 Afgifte aan aangewezen bedrijf; verbod voor niet-aangewezen bedrijf</label></kop><al>1. De kapitein van een zeeschip, dat een schadelijke stof aan boord heeft, zorgt er voor dat</al><al>afgifte van die stof geschiedt aan een bedrijf dat blijkens een aanwijzing ingevolge artikel</al><al>8.1 gerechtigd is om die stof in ontvangst te nemen.</al><al>2. Het is een bedrijf, dat niet is aangewezen voor het in ontvangst nemen van een</al><al>schadelijke stof, verboden om die stof in ontvangst te nemen.</al><al><vet> </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 9 Slot- en strafbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Art. 9.1 Aanwijzingen</label></kop><al>1. Het college kan aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven,</al><al>in het bijzonder ter regeling van de scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter</al><al>voorkoming van gevaar, schade en hinder.</al><al>2. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te</al><al>volgen.</al><al>3. Het college wijst ambtenaren aan die bevoegd zijn tot het geven van</al><al>verkeersaanwijzingen en verkeersinformatie, zoals bepaald in de Scheepvaartverkeerswet</al><al>en het Besluit verkeersaanwijzingen en verkeersinformatie scheepvaartverkeer (AMvB).</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 9.2 Toezichthoudende ambtenaren</label></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn, naast</al><al>de in artikel 141 Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast de door</al><al>het college aangewezen ambtenaren van nautisch beheer.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 9.3 Strafbepaling</label></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met een</al><al>hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.</al><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde kan bovendien worden gestraft</al><al>met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 9.4 Overgangsrecht</label></kop><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de "Havenverordening Harlingen"</al><al>(vastgesteld bij raadsbesluit van 17-09-2003. Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens</al><al>de op grond van de vorige zin vervallen verordening blijven van kracht voor de tijd waarvoor zij</al><al>werden verleend.</al><al><vet> </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Art. 9.5 Inwerkingtreding/naam van de verordening</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken</al><al>Vastgesteld door de raad in zijn</al><al>vergadering van</al><al>, de voorzitter.</al><al>, de raadsgriffier.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Toelichting versie 2012</vet></al><al>De zeehavens, stadsgrachten en binnenwateren geven Harlingen haar unieke karakter. Diverse</al><al>scheepstypes, van zeeschip tot pleziervaart, komen elkaar op diverse punten tegen en langs de</al><al>oevers en kades vinden activiteiten van uiteenlopende aard plaats .</al><al>Om het scheepvaartverkeer in ons beheersgebied in goede banen te leiden is diverse landelijke weten</al><al>regelgeving van kracht, zoals bijvoorbeeld de Scheepvaartverkeerswet, het</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, het Loodsplichtbesluit, de Havenbeveiligingswet en de Wet</al><al>Milieubeheer. Daarnaast laat de wetgever het aan het Bevoegd Gezag over om lokaal aanvullende</al><al>regelgeving vast te stellen, het zogenaamde maatwerk. Zoals in de meeste havenplaatsen is dit in</al><al>Harlingen vastgelegd in de Havenverordening.</al><al>De Havenverordening heeft tot doel om nadere regels te stellen welke zijn samen te vatten in de</al><al>kernwaardes:</al><al>• Veiligheid</al><al>• Doelmatigheid</al><al>• Leefbaarheid</al><al>De Havenverordening wordt jaarlijks doorgelicht op actualiteit en waar nodig aangepast. Hierbij</al><al>worden de diverse vaste havengebruikers geconsulteerd. Een voorbeeld hiervan is de nieuw</al><al>opgenomen paragraaf 4B. Hierin zijn voor de werkzaamheden van bootlieden in de haven regels</al><al>opgesteld. Deze activieiten werden in onze haven niet altijd even veilig uitgevoerd. Op aandringen</al><al>van diverse betrokkenen heeft nautisch beheer daarom een concept-verordening opgesteld en</al><al>voorgelegd aan de diverse partijen. De opgenomen artikelen zijn dan ook tot stand gekomen in goed</al><al>overleg met de betrokkenen. Om wildgroei van verordeningen te voorkomen is er echter voor</al><al>gekozen deze artikelen in de Havenverordening in te voegen.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>