<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91-->
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR200673_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Harlingen;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 maart 2012;</al>
          <al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet; de Monumentenwet 1988,</al>
          <al>de Erfgoedverordening Harlingen 2010 en de Algemene subsidieverordening gemeente Harlingen 2006;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de</al>
          <al>
            <vet>Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</label>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <al>a) College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen;</al>
            <al>b) Gemeentelijke monumentenlijst: de gemeentelijke monumentenlijst zoals bedoeld in artikel 1, lid c</al>
            <al>van de Erfgoedverordening Harlingen 2010;</al>
            <al>c) Gemeentelijke monumenten: beschermde gemeentelijke monumenten zoals bedoeld is artikel 1, lid b</al>
            <al>van de Erfgoedverordening Harlingen 2010;</al>
            <al>d) Beeldbepalende panden: panden die niet als monument zijn beschermd, maar die naar het oordeel</al>
            <al>van het college een kenmerkend onderdeel vormen van een stads- of dorpsgezicht dat krachtens</al>
            <al>artikel 35 van de Monumentenwet in de gemeente is aangewezen en die in de gemeentelijke lijst van</al>
            <al>beeldbepalende panden zijn opgenomen;</al>
            <al>e) Eigenaar: degene die het recht van eigendom, erfpacht of opstal heeft van een gemeentelijk</al>
            <al>monument of beeldbepalend pand waarvoor in het kader van deze verordening subsidie wordt</al>
            <al>aangevraagd;</al>
            <al>f) Bouwkundige opname: omschrijving die de technische of fysieke staat van een het gemeentelijk</al>
            <al>monument of beeldbepalend pand weergeeft, de oorzaak van eventueel genoemde gebreken duidt</al>
            <al>en een hersteladvies bevat, en die is opgesteld door een naar oordeel van het college ter zake kundige</al>
            <al>persoon of instantie;</al>
            <al>g) Instandhouding: het verrichten van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of</al>
            <al>beeldbepalend pand, die noodzakelijk zijn voor het herstellen en/of behouden van de</al>
            <al>cultuurhistorische waarden van het pand;</al>
            <al>h) Subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, d.w.z. de</al>
            <al>aanspraak op financiële middelen, door burgemeester en wethouders verstrekt met het oog op</al>
            <al>bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan</al>
            <al>geleverde goederen of diensten;</al>
            <al>i) Subsidieplafond: het maximale bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak door de raad beschikbaar</al>
            <al>wordt gesteld voor de verstrekking van subsidies;</al>
            <al>j) Subsidiabele kosten: kosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het in stand</al>
            <al>houden van een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand en zijn cultuurhistorische waarden;</al>
            <al>k) Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden: overzicht van criteria,</al>
            <al>maxima, normbedragen en -percentages voor subsidiabele kosten en een limitatief overzicht van</al>
            <al>werkzaamheden die het college vaststelt als subsidiabele werkzaamheden in het kader van deze</al>
            <al>verordening.</al>
            <al> </al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.2 Reikwijdte</label>
            </kop>
            <al>Deze verordening is van toepassing op subsidiëring van instandhouding van beschermde gemeentelijke</al>
            <al>monumenten aangewezen op grond van de Monumentenverordening Harlingen en beeldbepalende</al>
            <al>panden, zoals opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst en lijst van beeldbepalende panden.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.3 Toepassing Algemene Subsidieverordening Harlingen</label>
            </kop>
            <al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, is de Algemene Subsidieverordening Harlingen</al>
            <al>2006 van toepassing.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 1.4 Bevoegdheden</label>
            </kop>
            <al>1. Het college is bevoegd tot het verlenen, vaststellen en uitbetalen van subsidie zoals bedoeld in</al>
            <al>deze verordening.</al>
            <al>2. Het college is bevoegd tot het intrekken of wijzigen van subsidieverlening- of</al>
            <al>subsidievaststellingsbesluiten en tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van subsidiegelden.</al>
            <al>3. Het college stelt een ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele</al>
            <al>instandhoudingwerkzaamheden’ vast ter uitvoering van deze verordening.</al>
            <al>4. Het college is bevoegd de in lid 3 genoemde ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele</al>
            <al>instandhoudingwerkzaamheden’ te wijzigen.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK II SUBSIDIEAANVRAAG</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 2.1 Indiening</label>
            </kop>
            <al>1. De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend bij het college met behulp van een door het</al>
            <al>college vastgesteld aanvraagformulier.</al>
            <al>2. Een aanvraag wordt ingediend voordat overgegaan wordt tot uitvoering van de mogelijke</al>
            <al>subsidiabele werkzaamheden.</al>
            <al>3. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de aanvraag.</al>
            <al>4. Aanvragen worden behandeld in de volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat onder</al>
            <al>aanvragen volledige aanvragen worden bedoeld.</al>
            <al>5. Bij een aanvraag om subsidie zijn in elk geval de volgende bijlagen verplicht:</al>
            <al>a. een gespecificeerde begroting van de kosten, uitgesplitst naar manuren en materialen,</al>
            <al>die niet ouder is dan twee jaar;</al>
            <al>b. een omschrijving waaruit blijkt welke werkzaamheden zullen worden verricht;</al>
            <al>c. een bouwkundige opname of inspectierapport, dat niet ouder is dan twee jaar en waarin</al>
            <al>ten minste de technische staat wordt beschreven van de onderdelen van het pand</al>
            <al>waarvoor subsidie wordt aangevraagd;</al>
            <al>d. 1. een omgevingsvergunning, indien de werkzaamheden als vergunningsplichtig zijn</al>
            <al>aangemerkt;</al>
            <al>2. tekeningen van de bestaande en toekomstige situatie (minimaal schaal 1:100), indien er</al>
            <al>wijzigingen plaats zullen vinden die niet als vergunningsplichtig zijn aangemerkt.</al>
            <al>6. Het college kan nadere eisen stellen aan de wijze waarop een aanvraag moet worden ingediend.</al>
            <al>7. Het college kan voor de beoordeling van de aanvraag om nadere gegevens en stukken</al>
            <al>verzoeken.</al>
            <al> </al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 2.2 Subsidieomschrijving, percentages en maxima</label>
            </kop>
            <al>1. Aan de eigenaar van een gemeentelijk monument of beeldbepalend pand kan op aanvraag een</al>
            <al>subsidie worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van:</al>
            <al>a. het uitvoeren van werkzaamheden of het treffen van voorzieningen met als doel het</al>
            <al>opheffen van bouwtechnische gebreken;</al>
            <al>b. het uitvoeren van overige werkzaamheden of het treffen van voorzieningen, die voor de</al>
            <al>instandhouding van het pand noodzakelijk zijn.</al>
            <al>2. De subsidie bedraagt voor een gemeentelijk monument 35% van de subsidiabele kosten, met een</al>
            <al>maximum van € 20.000,--.</al>
            <al>3. De subsidie bedraagt voor een beeldbepalend pand 25% van de subsidiabele kosten, met een</al>
            <al>maximum van € 10.000,--.</al>
            <al>4. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de door het college subsidiabel geachte kosten het bedrag</al>
            <al>van € 5.000,-- te boven gaan.</al>
            <al>5. Bij de vaststelling van de subsidiabele kosten houdt het college rekening met opgevoerde kosten</al>
            <al>waarvoor op grond van enige andere regeling, subsidies of bijdragen zijn of kunnen worden</al>
            <al>verleend, alsmede kosten die uit hoofde van een regeling zijn of kunnen worden gefinancierd.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 2.3 Subsidiabele kosten</label>
            </kop>
            <al>1. De subsidiabele kosten worden vastgesteld door het college.</al>
            <al>2. Onder de in artikel 2.2 bedoelde kosten van de werkzaamheden en voorzieningen worden in elk</al>
            <al>geval begrepen de begrote en door of namens het college goedgekeurde bedragen van:</al>
            <al>a. directe kosten (materiaalkosten, ook steigerwerk, loonkosten, behalve werkzaamheden in</al>
            <al>eigen beheer);</al>
            <al>b. indirecte kosten (algemene bouwplaatskosten, algemene bedrijfskosten, winst en risico);</al>
            <al>c. directiekosten (honorarium);</al>
            <al>d. onvoorziene kosten, CAR-verzekering en BTW.</al>
            <al>3. De kosten genoemd in lid 1 worden vastgesteld aan de hand van criteria voor maximale bedragen</al>
            <al>en percentages, zoals vermeld in de door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten</al>
            <al>en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’.</al>
            <al>4. Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, voor zover de werkzaamheden:</al>
            <al>a. strekken tot instandhouding van het beschermde gemeentelijk monument of</al>
            <al>beeldbepalend pand;</al>
            <al>b. sober en doelmatig zijn;</al>
            <al>c. technisch noodzakelijk zijn;</al>
            <al>d. gericht zijn op maximaal behoud van aanwezig historische materialen en constructies.</al>
            <al>5. Subsidiabel zijn de kosten die gericht zijn op het voorkomen van verval of het voorkomen van</al>
            <al>vervolgschade.</al>
            <al>6. Subsidiabel zijn de kosten voor werkzaamheden die gericht zijn op vervanging van materialen die</al>
            <al>hun functie niet meer kunnen vervullen.</al>
            <al>7. Niet subsidiabel zijn de kosten voor werkzaamheden die:</al>
            <al>a. gericht zijn op reconstructie, tenzij deze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het</al>
            <al>college ter versterking van de cultuurhistorische waarden gewenst zijn;</al>
            <al>b. voortvloeien uit veranderd gebruik;</al>
            <al>c. gericht zijn op comfortverbetering.</al>
            <al> </al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK III SUBSIDIEVERLENING</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.1 Voorwaarden</label>
            </kop>
            <al>1. Subsidie kan slechts worden verleend voor de kosten en werkzaamheden zoals die genoemd zijn</al>
            <al>in de door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele</al>
            <al>instandhoudingwerkzaamheden’.</al>
            <al>2. Het college kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot:</al>
            <al>a. de aard en omvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt verleend;</al>
            <al>b. de voor het vaststellen van de subsidie te verstrekken gegevens en bescheiden;</al>
            <al>c. het beperken of wegnemen van eventuele nadelige gevolgen van de subsidie voor</al>
            <al>derden;</al>
            <al>d. een verzekeringsplicht;</al>
            <al>e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;</al>
            <al>f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte werkzaamheden en de</al>
            <al>daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de</al>
            <al>subsidie van belang zijn.</al>
            <al>3. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de aanvrager schriftelijk verklaart dat hij het</al>
            <al>beschermde gemeentelijke monument of beeldbepalende pand na het treffen van de</al>
            <al>voorzieningen behoorlijk zal onderhouden.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.2 Weigeringsgronden</label>
            </kop>
            <al>1. Het college weigert een subsidie geheel of gedeeltelijk voor zover door verstrekking van de</al>
            <al>subsidie het subsidieplafond wordt overschreden.</al>
            <al>2. Voor zover door verstrekking van subsidie voor de aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen,</al>
            <al>het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van de aanvragen</al>
            <al>vastgesteld door middel van loting.</al>
            <al>3. Een ingediende aanvraag om subsidie waardoor het subsidieplafond wordt overschreden, kan</al>
            <al>deels worden gehonoreerd, dat wil zeggen voor het resterende budget.</al>
            <al>4. Het college weigert de subsidieverlening in ieder geval indien:</al>
            <al>a. de aanvraag betrekking heeft op een soort pand dat niet in deze verordening wordt</al>
            <al>genoemd;</al>
            <al>b. een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden vereist is en deze nog niet is</al>
            <al>verleend;</al>
            <al>c. reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden;</al>
            <al>d. indien dezelfde werkzaamheden binnen een periode van vijf kalenderjaren voorafgaand</al>
            <al>aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend al voor subsidie in aanmerking zijn</al>
            <al>gekomen.</al>
            <al>5. Het college weigert de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk indien binnen een periode van vijf</al>
            <al>kalenderjaren voor indiening van de aanvraag reeds een subsidie voor instandhouding van het</al>
            <al>gemeentelijke monument of beeldbepalende pand is verleend en door het verlenen het</al>
            <al>maximum subsidiebedrag wordt overschreden.</al>
            <al>6. Het college kan de subsidieverlening weigeren indien gegronde redenen bestaan om aan te</al>
            <al>nemen dat:</al>
            <al>a. de werkzaamheden niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al>
            <al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;</al>
            <al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen</al>
            <al>omtrent de verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten,</al>
            <al>voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;</al>
            <al>d. het pand waaraan de subsidiabele werkzaamheden worden uitgevoerd, binnen een</al>
            <al>periode van tien jaar bestemd is om te worden afgebroken.</al>
            <al>7. Het college kan de subsidieverlening weigeren indien de aanvrager:</al>
            <al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de</al>
            <al>verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben</al>
            <al>geleid, of:</al>
            <al>b. failliet is of in surseance van betaling verkeert, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is</al>
            <al>ingediend.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.3 Beslistermijn</label>
            </kop>
            <al>1. Het college beslist omtrent een aanvraag om een subsidie binnen acht weken na de dag waarop</al>
            <al>de aanvraag ontvangen is.</al>
            <al>2. Het college kan de in lid 1 genoemde termijn eenmalig met acht weken verlengen. Een dergelijke</al>
            <al>verlenging wordt door het college schriftelijk meegedeeld aan de aanvrager.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3.4 Termijnen aanvang en voltooiing werkzaamheden</label>
            </kop>
            <al>1. De subsidieontvanger meldt de datum van de aanvang van de werkzaamheden vooraf bij het</al>
            <al>college.</al>
            <al>2. De melding van de aanvang van de werkzaamheden zoals bedoeld in lid 1 wordt schriftelijk</al>
            <al>gedaan door middel van een door het college vastgesteld, ingevuld, formulier ‘Melding aanvang</al>
            <al>werk’.</al>
            <al>3. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de ‘Melding aanvang werk’.</al>
            <al>4. Uiterlijk binnen zes maanden na datum van verzending van de beschikking tot subsidieverlening</al>
            <al>moet met de uitvoering van de werkzaamheden zijn begonnen.</al>
            <al>5. Uiterlijk binnen twee jaar na datum van verzending van de beschikking tot subsidieverlening</al>
            <al>moeten de werkzaamheden gereed zijn.</al>
            <al>6. Het college kan de in het vijfde lid genoemde termijn met maximaal een jaar verlengen.</al>
            <al>7. De subsidieontvanger meldt voltooiing van de werkzaamheden zo spoedig mogelijk, uiterlijk</al>
            <al>binnen twaalf weken, bij het college. De gereedmelding is tevens een aanvraag om vaststelling</al>
            <al>van de subsidie en geschiedt op een door het college vastgesteld, ingevuld, formulier</al>
            <al>‘Gereedmelding’.</al>
            <al>8. De gereedmelding als bedoeld in het zevende lid gaat vergezeld van:</al>
            <al>a. een verklaring van de subsidieontvanger dat bij het realiseren van de werkzaamheden is</al>
            <al>voldaan aan de opgelegde verplichtingen;</al>
            <al>b. een gespecificeerde opgave van de gesubsidieerde kosten van de werkzaamheden met</al>
            <al>daarop betrekking hebbende originele rekeningen en originele betaalbewijzen;</al>
            <al>c. een opgave van de datum waarop de werkzaamheden zijn gereedgekomen;</al>
            <al>d. een verklaring van de subsidieontvanger dat hij het gemeentelijke monument of</al>
            <al>beeldbepalende pand na het treffen van de voorzieningen behoorlijk zal onderhouden.</al>
            <al>9. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van de gereedmelding.</al>
            <al>10. Bij onvoorziene omstandigheden, die buiten de directe invloedssfeer van de aanvrager</al>
            <al>liggen, kan het college de in het vierde en vijfde lid genoemde termijnen schriftelijk verlengen op</al>
            <al>verzoek van de aanvrager.</al>
            <al> </al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK IV SUBSIDIEVASTSTELLING EN BETALING</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.1 Subsidievaststelling</label>
            </kop>
            <al>1. De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op</al>
            <al>betaling van het vastgestelde bedrag.</al>
            <al>2. Binnen acht weken na ontvangst van de gereedmelding als bedoeld in artikel 3.4.7 neemt het</al>
            <al>college, nadat de bedoelde werkzaamheden door of namens het college zijn gecontroleerd en</al>
            <al>akkoord bevonden, een besluit tot vaststelling en uitbetaling van de subsidie.</al>
            <al>3. Indien bij controle blijkt dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan de begrote kosten, dan</al>
            <al>leidt dit gegeven niet tot verhoging van subsidie.</al>
            <al>4. Indien bij controle blijkt dat de werkelijke gemaakte kosten lager zijn dan de begrote kosten, dan</al>
            <al>wordt de subsidie dienovereenkomstig verlaagd.</al>
            <al>5. Het college stelt de definitieve subsidie betaalbaar krachtens deze verordening.</al>
            <al>6. Het college kan de beschikking tot subsidieverlening intrekken of de subsidie lager vaststellen dan</al>
            <al>het bedrag uit de beschikking tot subsidieverlening als de aanvrager het krachtens deze</al>
            <al>verordening gestelde niet heeft nageleefd.</al>
            <al>7. Het college kan de in het tweede lid genoemde termijn eenmalig met acht weken verlengen. Een</al>
            <al>dergelijke verlenging wordt door het college schriftelijk meegedeeld aan de subsidieontvanger.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.2 Intrekking, wijziging en beëindiging</label>
            </kop>
            <al>Voor wat betreft de mogelijkheden om een beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in te</al>
            <al>trekken of te wijzigen is Afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.3 Betaling</label>
            </kop>
            <al>1. De subsidie wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald.</al>
            <al>2. De subsidie wordt door het college aan de subsidieontvanger uitbetaald als bijdrage ineens</al>
            <al>binnen vier weken na de subsidievaststelling.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.4 Voorschotten</label>
            </kop>
            <al>1. Het college kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen.</al>
            <al>2. Bij de uitbetaling worden betaalde voorschotten verrekend met het subsidiebedrag.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.5 Opschorting</label>
            </kop>
            <al>1. Zodra het college het ernstige vermoeden heeft dat er reden is om toepassing te geven aan artikel</al>
            <al>4.2, intrekking of wijziging van de subsidie, meldt het college dit schriftelijk aan de</al>
            <al>subsidieontvanger.</al>
            <al>2. De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort vanaf de</al>
            <al>dag waarop het college dit meldt tot en met de dag waarop de beschikking over de intrekking of</al>
            <al>wijziging is bekendgemaakt, of de dag waarop vanaf de kennisgeving van het ernstige vermoeden</al>
            <al>dertien weken zijn verstreken.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 4.6 Terugvordering</label>
            </kop>
            <al>Een onverschuldigd betaald subsidiebedrag of voorschot kan worden teruggevorderd tot vijf jaar na de</al>
            <al>subsidievaststelling, de intrekking of wijziging daarvan.</al>
            <al> </al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK V SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5.1 Toezicht</label>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij</al>
            <al>besluit van het college aan te wijzen personen.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5.2 Hardheidsclausule</label>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald,</al>
            <al>indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5.3 Overgangsbepaling</label>
            </kop>
            <al>Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze verordening</al>
            <al>zijn vastgesteld of verleend.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5.4 Inwerkingtreding</label>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking zes weken na de dag waarop deze is bekendgemaakt.</al>
            <al>
              <vet> </vet>
            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 5.5 Citeertitel</label>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Subsidieverordening instandhouding gemeentelijke</al>
            <al>monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen 2012’.</al>
            <al>Vastgesteld in de openbare vergadering van 11 april 2012</al>
            <al>, de voorzitter.</al>
            <al>, de raadsgriffier.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Nota-toelichting</label>
          <nr/>
          <titel/>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Inleiding</vet>
        </al>
        <al>De algemene bepalingen van hoofdstuk 1 gelden voor alle onderdelen. Specifieke bepalingen over de</al>
        <al>aanvraag van subsidie, de subsidieverlening en voorwaarden, de subsidievaststelling en betaling staan in</al>
        <al>respectievelijk hoofdstuk 2, 3 en 4. In hoofdstuk 5 staan enkele overkoepelende en afsluitende bepalingen</al>
        <al>genoemd, die op de gehele verordening van toepassing zijn.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden de begrippen uitgelegd die bij de verlening en vaststelling van de subsidie een rol</al>
        <al>spelen.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.2 Reikwijdte</vet>
        </al>
        <al>Deze verordening geldt alleen voor subsidieaanvragen voor instandhouding van gemeentelijke</al>
        <al>monumenten en beeldbepalende panden in de gemeente Harlingen en is een aanvulling op de Algemene</al>
        <al>Subsidieverordening Harlingen 2006.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.3 Toepassing Algemene Subsidieverordening Harlingen</vet>
        </al>
        <al>Het is van belang te verwijzen naar het algemene gemeentelijke subsidiebeleid, voor eventuele gevallen</al>
        <al>waarin deze specifieke subsidieverordening niet voorziet.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1.4 Bevoegdheden</vet>
        </al>
        <al>Na de vaststelling van de verordening en de vaststelling van een subsidieplafond door de gemeenteraad,</al>
        <al>is het college bevoegd tot het verlenen, vaststellen en uitbetalen van de subsidie. Het college is ook</al>
        <al>bevoegd tot het intrekken of wijzigen van subsidieverlening- of subsidievaststellingsbesluiten en tot het</al>
        <al>geheel of gedeeltelijk terugvorderen van subsidiegelden. Verder is het college bevoegd de ‘Lijst van</al>
        <al>subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’ vast te stellen en naar bevind van</al>
        <al>zaken te wijzigen. Deze lijst wordt als bijlage bij de verordening gevoegd.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK II SUBSIDIEAANVRAAG</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.1 Indiening</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag om subsidie moeten worden</al>
        <al>ingediend. Overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (Awb) 4:4 wordt een standaardformulier</al>
        <al>gehanteerd voor de stroomlijning van de aanvragen.</al>
        <al>In artikel 4:5 Awb wordt een eenvoudige wijze van afdoening geregeld voor het geval dat de benodigde</al>
        <al>stukken ontbreken. Het bestuursorgaan moet immers kunnen beschikken over alle relevante stukken</al>
        <al>alvorens een besluit te kunnen nemen op de subsidieaanvraag. Als de aanvrager verzuimt alsnog</al>
        <al>ontbrekende stukken toe te voegen, kan besloten worden de aanvraag niet verder te behandelen.</al>
        <al> </al>
        <al>Er is geen uiterste indieningdatum ingevoerd aangezien de plannen zich het hele jaar kunnen aandienen.</al>
        <al>Wel is bepaald dat een aanvraag alleen ingediend kan worden voordat begonnen is met de</al>
        <al>werkzaamheden.</al>
        <al>Aanvragen worden behandeld in de volgorde van binnenkomst. In de verordening is gekozen voor de</al>
        <al>volgorde van binnenkomst als bepalend criterium. Dit criterium zet niet in op een optimale kwaliteit van</al>
        <al>het plan, maar op rechtszekerheid en overzichtelijkheid.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.2 Subsidieomschrijving, percentages en maxima</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel wordt aangegeven welke panden in principe in aanmerking komen voor een subsidie.</al>
        <al>De subsidie verschilt voor de categorieën panden. Dit is een keuze vanwege het belang dat vanuit</al>
        <al>cultuurhistorisch opzicht gehecht kan worden aan deze verschillende categorieën (waardevol pand of</al>
        <al>alleen beeldwaarde). Gemeentelijke monumenten bezitten in het algemeen meer (cultuurhistorische)</al>
        <al>waarden die bijdragen aan de kenmerkende authenticiteit van de stad dan beeldbepalende panden. Het</al>
        <al>subsidiepercentage en het maximale subsidiebedrag is dan ook hoger vastgesteld voor gemeentelijke</al>
        <al>monumenten dan voor beeldbepalende panden.</al>
        <al>Voor gemeentelijke monumenten is de subsidie gemaximaliseerd op 35% van de kosten van subsidiabele</al>
        <al>instandhoudingwerkzaamheden tot een maximum van € 20.000,--. Voor beeldbepalende panden is de</al>
        <al>subsidie gemaximaliseerd op 25% van de kosten van subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden tot</al>
        <al>een maximum van € 10.000,--. Er is voor alle subsidies een maximum gesteld om te voorkomen dat het</al>
        <al>beschikbare geld naar slechts één of enkele restauraties gaat.</al>
        <al>Verzoeken voor een bijdrage voor werkzaamheden waarvan de subsidiabele kosten € 5.000,-- of minder</al>
        <al>bedragen, worden niet gehonoreerd. Hier is een bedrag gekozen dat tot een redelijke verhouding leidt</al>
        <al>tussen de lasten en de baten van een aanvraag om subsidie, voor zowel de aanvrager als de gemeente.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2.3 Subsidiabele kosten</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel wordt aangegeven welke kosten van werkzaamheden subsidiabel zijn en welke kosten van</al>
        <al>werkzaamheden niet subsidiabel zijn. Het college stelt de subsidiabele kosten vast. Deze kosten worden</al>
        <al>bepaald aan de hand van de opsomming van werkzaamheden zoals die genoemd zijn in de door het</al>
        <al>college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’.</al>
        <al>De werkzaamheden moeten strekken tot instandhouding van het gemeentelijke monument of</al>
        <al>beeldbepalende pand, ze moeten sober, doelmatig en technisch noodzakelijk zijn en gericht op maximaal</al>
        <al>behoud van cultuurhistorische waarden. Het is uiteindelijk ter beoordeling van het college of aan deze</al>
        <al>uitgangspunten wordt voldaan. Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden</al>
        <al>gericht moeten zijn op maximaal behoud van cultuurhistorische waarden, dat ze op een vakkundige wijze</al>
        <al>worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Behoud</al>
        <al>gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Het reconstrueren van</al>
        <al>onderdelen is in beginsel niet subsidiabel, tenzij dit in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van het</al>
        <al>college ter versterking van de cultuurhistorische waarden gewenst is. Ook wordt benadrukt dat</al>
        <al>verbetering van wooncomfort niet onder de doelstelling van deze verordening valt.</al>
        <al>Voor een transparante manier van vaststellen van de subsidiabele kosten is gekozen voor het gebruik van</al>
        <al>een door het college vast te stellen ‘Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele</al>
        <al>instandhoudingwerkzaamheden’. Hierin staan criteria, maxima, normbedragen en -percentages die</al>
        <al>gelden voor de kosten van de subsidiabele werkzaamheden.</al>
        <al> </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK III SUBSIDIEVERLENING</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3.1 Voorwaarden</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden voorwaarden genoemd en verplichtingen die het college kan verbinden aan een</al>
        <al>subsidiebeschikking. Er wordt verwezen naar de criteria die gelden volgens de ‘Lijst van subsidiabele</al>
        <al>kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden’. Dit artikel is van belang om te waarborgen dat</al>
        <al>de subsidie wordt besteed aan werkzaamheden die passen in de doelstelling van de subsidieverordening.</al>
        <al>Er wordt bovendien in gesteld dat het college kan waarborgen dat de aanvrager eventuele nadelige</al>
        <al>gevolgen voor anderen dient te voorkomen.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3.2 Weigeringsgronden</vet>
        </al>
        <al>Artikel 3.2 lid 1 bevat de basis van het subsidieplafond dat de gemeenteraad dient vast te stellen. Daarin</al>
        <al>wordt het bedrag aangegeven dat beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies. Met het aangeven</al>
        <al>van een volume van subsidiëring wordt bereikt, dat een subsidie wordt geweigerd (artikel 4:25 Awb) of</al>
        <al>een aanvraag niet wordt behandeld als de middelen zijn uitgeput die in de begroting beschikbaar zijn</al>
        <al>gesteld.</al>
        <al>Binnen het kader van het door de raad vastgestelde subsidieplafond is de subsidiëring van</al>
        <al>instandhouding overgelaten aan het college. De Awb verplicht bij de subsidieplafonds verdeelregels op te</al>
        <al>stellen. In de verordening wordt als verdeelsleutel het systeem gehanteerd van: ‘wie het eerst komt, het</al>
        <al>eerst maalt'.</al>
        <al>Er worden enige weigeringsgronden opgenomen, die het het college mogelijk maken om uit</al>
        <al>beleidsmatige overwegingen een aanvraag niet te honoreren. Hieronder vallen subjectieve</al>
        <al>weigeringsgronden: zij geven het college de gelegenheid te toetsen of er gegronde redenen bestaan om</al>
        <al>aan te nemen of de werkzaamheden niet of niet geheel zullen plaatsvinden, de aanvrager niet zal voldoen</al>
        <al>aan de opgelegde verplichtingen of de aanvrager niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording</al>
        <al>zal afleggen. Daarnaast zijn er enkele objectieve weigeringsgronden: indien de aanvraag betrekking heeft</al>
        <al>op een soort pand dat niet in deze verordening wordt genoemd, de benodigde omgevingsvergunning is</al>
        <al>geweigerd, al een begin is gemaakt met de werkzaamheden of al eerder een subsidie voor dezelfde</al>
        <al>werkzaamheden of instandhouding van het pand is verleend.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3.3 Beslistermijn</vet>
        </al>
        <al>Het college beslist over een aanvraag om subsidie binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag</al>
        <al>ontvangen is. Hierbij wordt wel uitgegaan van de voorwaarde zoals genoemd in artikel 2.1.4 van deze</al>
        <al>verordening, namelijk dat onder aanvragen volledige aanvragen worden bedoeld. Een onvolledige</al>
        <al>aanvraag zal na indiening van aanvullende stukken in behandeling worden genomen of alsnog worden</al>
        <al>geweigerd indien dit noodzakelijkerwijs volgt uit de voorwaarden en weigeringsgronden van de</al>
        <al>verordening. Het college kan deze beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Een</al>
        <al>afschrift van het besluit tot verdaging wordt aan de aanvrager toegezonden.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3.4 Termijnen aanvang en voltooiing werkzaamheden</vet>
        </al>
        <al>Het stellen van een termijn voor aanvang van de werkzaamheden stimuleert voortgang van de</al>
        <al>werkzaamheden. Om hierop zicht te houden, wordt verplicht gesteld dat de datum van de start van de</al>
        <al>werkzaamheden gemeld wordt via het indienen van een formulier.</al>
        <al> </al>
        <al>Zodra de werkzaamheden zijn voltooid, vindt de gereedmelding plaats door de subsidieaanvrager. Een</al>
        <al>gereedmeldingstermijn is gewenst om de voortgang van de plannen te garanderen en om te voorkomen</al>
        <al>dat onnodig lang een verplichting tot betaling van subsidie blijft bestaan. Het is uiteraard van belang de</al>
        <al>uiterlijke termijn voor de gereedmelding af te stemmen met het moment waarop moet zijn begonnen met</al>
        <al>de activiteit of waarop deze moet zijn afgerond.</al>
        <al>De gereedmelding vormt tegelijkertijd de aanvraag tot vaststelling van de subsidie en moet worden</al>
        <al>ingevuld op een door het college vastgesteld gereedmeldingsformulier. De aanvrager toont aan dat de</al>
        <al>subsidiabele werkzaamheden hebben plaatsgevonden en legt rekening en verantwoording af. De</al>
        <al>gemeente controleert achteraf of aan de verplichtingen bij het verlenen van de subsidie is voldaan. Om te</al>
        <al>voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd, is ervoor gekozen om een</al>
        <al>verklaring te vragen. Indien later blijkt dat bij de uitvoering van de werkzaamheden is afgeweken van het</al>
        <al>goedgekeurde plan, kan de subsidie alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK IV SUBSIDIEVASTSTELLING EN BETALING</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.1 Subsidievaststelling</vet>
        </al>
        <al>De vaststelling dient om de hoogte van de subsidie definitief te bepalen op basis van de uitvoering van de</al>
        <al>werkzaamheden. Indien het college instemt met de aanvraag tot vaststelling en uitbetaling, stelt het de</al>
        <al>subsidie vast overeenkomstig artikel 4:46 van de Awb. Artikel 4:46 van de Awb noemt in lid 2 de gronden</al>
        <al>om de subsidie lager vast te stellen. Dit artikel voegt daar een uitdrukkelijke grond aan toe: het niet</al>
        <al>naleven van het bij of krachtens de verordening gestelde. Lager vaststellen houdt ook de mogelijkheid in</al>
        <al>om, indien de gereedmelding daartoe aanleiding geeft, de subsidie vast te stellen op nul.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.2 Intrekking, wijziging en beëindiging</vet>
        </al>
        <al>Op de mogelijkheden om een beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in te trekken of te</al>
        <al>wijzigen is afdeling 4.2.6. van de Awb onverkort van toepassing.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.3 Betaling</vet>
        </al>
        <al>In artikel 4:52 en verder van de Awb worden regels gegeven voor uitbetaling en bevoorschotting van</al>
        <al>subsidiebedragen. De subsidie wordt volgens de standaardregeling uit de Awb, artikel 4:52, betaald als</al>
        <al>bijdrage ineens, binnen 4 weken na de subsidievaststelling.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.4 Voorschotten</vet>
        </al>
        <al>Het eerste lid onder artikel 4.4 maakt het geven van voorschotten mogelijk. Het ligt voor de hand om bij</al>
        <al>grote aantallen subsidieaanvragen een algemene beleidslijn te ontwikkelen voor bevoorschotting.</al>
        <al>Overige bepalingen over voorschotten staan in artikel 4:54 e.v. van de Awb.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.5 Opschorting</vet>
        </al>
        <al>De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot moet worden gestopt vanaf de dag</al>
        <al>waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk te kennen geeft dat er een ernstig</al>
        <al>vermoeden is dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49 Awb (intrekking of</al>
        <al>wijziging van de subsidie ten nadele van de aanvrager). De verplichting van betaling wordt opgeschort tot</al>
        <al>en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag</al>
        <al>waarop vanaf de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al>
        <al> </al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4.6 Terugvordering</vet>
        </al>
        <al>Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor</al>
        <al>zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel</al>
        <al>4:49, eerste lid, onderdeel c van de Awb heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK V SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5.1 Toezicht</vet>
        </al>
        <al>Met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn de bij besluit van het college aan te wijzen</al>
        <al>personen belast. Deze bepaling is opgenomen om het college betere mogelijkheden te geven om anders</al>
        <al>dan aan de hand van de gereedmelding vast te stellen of de gesubsidieerde werkzaamheden</al>
        <al>daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of het krachtens de verordening gestelde is nageleefd. De</al>
        <al>bevoegdheden van de aan te wijzen ambtenaren zijn te vinden in afdeling 5.2 van de Awb.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5.2 Hardheidsclausule</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel bepaald dat het college in bijzondere gevallen kan afwijken van wat in deze verordening is</al>
        <al>bepaald. Het betreft hier onvoorziene omstandigheden, waarin de tekst van de verordening niet bij</al>
        <al>voorbaat voorziet. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een</al>
        <al>uitzondering.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5.3 Overgangsbepaling</vet>
        </al>
        <al>Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze verordening</al>
        <al>zijn vastgesteld of verleend.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5.4 Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel geeft aan wanneer de verordening in werking treedt.</al>
        <al>
          <vet> </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5.5 Citeertitel</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al>
      </nota-toelichting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1</nr>
          <titel/>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Lijst van subsidiabele kosten en subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>A. SUBSIDIABELE KOSTEN:</vet>
        </al>
        <al>Subsidiabele kosten zijn kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden.</al>
        <al>De subsidiabele kosten bestaan veelal uit diverse kostensoorten. Er worden zes</al>
        <al>kostensoorten subsidiabel gesteld (zie hieronder 1 t/m 6). In deze lijst worden aan de kostensoorten</al>
        <al>normbedragen en –percentages, maxima en criteria verbonden ten behoeve van de berekening van de</al>
        <al>subsidiabele kosten.</al>
        <al>
          <vet>1. Directe kosten</vet>
        </al>
        <al>a) loonkosten, met een maximum verbonden van € 37,00 per uur (prijspeil 2012, exclusief algemene</al>
        <al>kosten, winst en risico en BTW). Werkzaamheden uitgevoerd in eigen beheer worden niet</al>
        <al>vergoed.</al>
        <al>b) materiaalkosten zijn subsidiabel voor zover zij conform gangbare marktprijzen worden</al>
        <al>gedeclareerd. Indien hierover tussen de aanvrager en het college verschil van mening bestaat,</al>
        <al>worden de landelijk gehanteerde richtprijzen voor bouwmaterialen gehanteerd. Hieronder vallen</al>
        <al>ook kosten voor steigerwerk.</al>
        <al>
          <vet>2. Indirecte kosten</vet>
        </al>
        <al>Hieronder worden verstaan:</al>
        <al>a) algemene bouwplaatskosten (o.a. toiletvoorziening, aannemerskeet en nutsvoorzieningen),</al>
        <al>maximaal 8% van de directe kosten (1);</al>
        <al>b) algemene bedrijfskosten (deze hangen samen met algemene leiding van het bedrijf en</al>
        <al>administratieve diensten), maximaal 6% van de som van de directe kosten en de algemene</al>
        <al>bouwplaatskosten (1 + 2a);</al>
        <al>c) winst en risico, maximaal 3% van de som van de directe kosten en de algemene</al>
        <al>bouwplaatskosten (1+ 2a + 2b);</al>
        <al>d) de onderdelen a, b en c bij elkaar vormen een opslag van maximaal 17% van de directe kosten.</al>
        <al>
          <vet>3. Directiekosten</vet>
        </al>
        <al>Honorarium (o.a. opstellen bouwkundige opname, tekenwerk en begeleiding tijdens werkzaamheden),</al>
        <al>maximaal 15% van de som van de directe kosten en de indirecte kosten (1 + 2).</al>
        <al>
          <vet>4. Onvoorziene kosten</vet>
        </al>
        <al>Deze zijn subsidiabel tot een bedrag van ten hoogste 5% van de som van bovenstaande kosten (1 t/m 3).</al>
        <al>
          <vet>5. CAR-verzekering</vet>
        </al>
        <al>De kosten van een Casco All Risk-verzekering zijn subsidiabel tot een maximum van 0,4% van de</al>
        <al>bovenstaande kosten (1 t/m 4).</al>
        <al>
          <vet>6. BTW</vet>
        </al>
        <al>Alleen het niet-terugvorderbare gedeelte van de BTW is subsidiabel tot de hoogte van het wettelijk</al>
        <al>vastgestelde percentage, te berekenen over de som van bovenstaande kosten (1 t/m 5).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>B. SUBSIDIABELE INSTANDHOUDINGWERKZAAMHEDEN:</vet>
        </al>
        <al>Subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden zijn maatregelen en voorzieningen aan een gemeentelijk</al>
        <al>monument of beeldbepalend pand, die noodzakelijk zijn voor het herstellen en/of behouden van de</al>
        <al>cultuurhistorische waarden van het pand. Hieronder staan de subsidiabele instandhoudingwerkzaamheden</al>
        <al>per bouwkundig onderdeel genoemd. Het betreft nadrukkelijk onderhoud en herstel</al>
        <al>voor zover van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand.</al>
        <al>
          <vet>1. Voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden; onderhoud en herstel van</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>exterieuronderdelen, voor zover van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand</vet>
        </al>
        <al>a) de kap (constructie, tengels, panlatten, dakbeschot, dakbedekking, boeidelen, goten,</al>
        <al>hemelwaterafvoeren, schoorstenen, authentieke dakkapellen);</al>
        <al>b) fundering en dragende constructies;</al>
        <al>c) kozijnen, ramen, roeden, glas, luiken, buitendeuren, ornamenten;</al>
        <al>d) muurwerk (metselwerk, voegwerk, pleisterwerk, muurankers, sierlijsten, natuursteen);</al>
        <al>e) behandelen van muur- of houtwerk ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters.</al>
        <al>
          <vet>2. Voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden; reconstructie</vet>
        </al>
        <al>Het terugbrengen van verdwenen elementen (bijvoorbeeld het terugbrengen van een schoorsteen (-</al>
        <al>bord) of ramen in kozijnen), alleen als de reconstructie naar het oordeel van het college bijdraagt aan de</al>
        <al>cultuurhistorische waarde van het pand. Waarbij voor beeldbepalende panden uitsluitend reconstructie</al>
        <al>van exterieurelementen subsidiabel kan worden gesteld.</al>
        <al>
          <vet>3. Voor gemeentelijke monumenten, onderhoud en herstel van interieuronderdelen, voor zover</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>van belang voor de cultuurhistorische waarde van het pand</vet>
        </al>
        <al>a) monumentale (interieur-)onderdelen, uitsluitend zoals die omschreven zijn in de redengevende</al>
        <al>beschrijving van het betreffende gemeentelijke monument;</al>
        <al>b) onderhoud of herstel van overige bouwelementen van grote zeldzaamheid of met grote</al>
        <al>historische waarde, naar het oordeel van het college.</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>