<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR20027_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening gemeente Gilze en Rijen 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-01-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Gilze en Rijen, 19112003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Gilze en Rijen 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-11-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>College B&amp;W, 14102003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze verordening vervangt [Marktverordening voor de gemeente Gilze en Rijen, vastgesteld op 21 februari 1994].</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening gemeente Gilze en Rijen 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN;</vet></al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 oktober
                        2003;</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Marktverordening gemeente Gilze en Rijen 2003</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt; </al></li><li nr="b)"><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt op het
                                    marktterrein is aangewezen voor het uitoefenen van de
                                    markthandel;</al></li><li nr="c)"><al>vaste standplaats: de standplaats die op een markt voor
                                    onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de
                                    vergunninghouder;</al></li><li nr="d)"><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag beschikbaar wordt
                                    gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                    plaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e)"><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt, over het door hem te verkopen artikel
                                    een aansprekende uiteenzetting houdt en ten slotte tracht een
                                    aantal personen gelijktijdig tot aankoop van dat artikel te
                                    bewegen;</al></li><li nr="f)"><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g)"><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college van
                                    burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het
                                    innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h)"><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste plaats;</al></li><li nr="i)"><al>anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    plaats;</al></li><li nr="j)"><al>marktmeester: de persoon, die als zodanig is aangewezen door het
                                    college van burgemeester en wethouders;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a)"><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b)"><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c)"><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d)"><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en
                                        als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a)"><al>een lijst met artikelengroepen (branches); en</al></li><li nr="b)"><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Vergunningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een
                            vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens
                            aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke
                            verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en
                            bedrijfsorganisatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a)"><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres
                                        en de woonplaats van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b)"><al>een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste plaats
                                        met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;</al></li><li nr="c)"><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder
                                        bij het innemen van de plaats mag gebruiken; </al></li><li nr="d)"><al>het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen
                                        of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;</al></li><li nr="e)"><al>de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst
                                        vergunning is verleend en zijn volgnummer op de
                                        anciënniteitslijst;</al></li><li nr="f)"><al>dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor inzameling en
                                        afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon
                                        oplevert;</al></li><li nr="g)"><al>de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit
                                        betrekt;</al></li><li nr="h)"><al>welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan;
                                        en</al></li><li nr="i)"><al>welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn
                                        toegestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitslijst</titel></kop><al>Vergunninghouders van vaste plaatsen worden ingeschreven op een
                            doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de
                            datum waarop aan hen voor het eerst een vaste plaats is toegewezen. Bij
                            deze inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de
                            vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de
                                wachtlijst, indien hij voldoet aan de in artikel 6 gestelde eisen,
                                maar aan hem geen vaste standplaats kan worden toegewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval:</al><lijst><li nr="a)"><al>de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres
                                        en de woonplaats van de aanvrager;</al></li><li nr="b)"><al>de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen;</al></li><li nr="c)"><al>de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de
                                        branche waartoe hij behoort;</al></li><li nr="d)"><al>de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil
                                        gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van
                                inschrijving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze
                                door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk wordt
                                verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al>De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1
                                    januari heeft verlengd;</al></li><li nr="b)"><al>op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;</al></li><li nr="c)"><al>bij overlijden van de ingeschrevene, tenzij de achterblijvende
                                    echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere
                                    achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde heeft
                                    aangeven de plaats op de wachtlijst over te willen nemen;</al></li><li nr="d)"><al>wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste
                                    plaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere
                                    omstandigheden niet aanvaardt;</al></li><li nr="e)"><al>indien niet meer aan de vereisten van artikel 2.3 wordt
                                    voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Volgorde toewijzing vaste plaatsen</titel></kop><al>Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste plaats meer
                            aanvragers in aanmerking komen, wordt de plaats achtereenvolgens
                            toegewezen aan: </al><lijst><li nr="a)"><al>de vergunninghouder van een vaste plaats die aan het college
                                    schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te
                                    willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de
                                    anciënniteitslijst; </al></li><li nr="b)"><al>degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven in
                                    volgorde van inschrijving op deze lijst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overschrijving standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van overlijden dan wel blijvende arbeidsongeschiktheid van
                                de vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning worden
                                overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde
                                partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam
                                samenwoonde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het
                                eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder vergunning voor een
                                vaste plaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst
                                van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of
                                gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft
                                gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de
                                wachtlijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden
                                na het overlijden van de vergunninghouder dan wel nadat de blijvende
                                arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van
                                het bepaalde in dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt
                                ingetrokken:</al><lijst><li nr="a)"><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b)"><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 12 de vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b)"><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 6 genoemde vereisten voor het toewijzen van een
                                        standplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 12 is
                                overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste plaats
                                op dezelfde markt, wordt deze vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Toewijzing dagplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een
                                vergunning door het college op het moment dat de standplaats niet
                                als vaste plaats wordt ingenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de
                                wachtlijst van de gegadigden die zich daarvoor op de dag zelf,
                                uiterlijk één uur voor het officiële aanvangstijdstip van die markt,
                                aanmelden bij de marktmeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De marktmeester wijst een standwerkersplaats toe door middel van
                                loting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te
                                nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze
                                inschrijving niet definitief is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf
                                aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem
                                zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam
                                deelnemen aan de loting.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de standplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder neemt de standplaats die hem is toegewezen
                                persoonlijk in. Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of
                                in gebruik geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet
                                schuldig maken aan wangedrag of bedrog.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aantal keren innemen standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal per
                            twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats op de
                            markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 18 en
                            19.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                                omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder van een vaste plaats die wegens ziekte, vakantie
                                of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste plaats in te
                                nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie
                                geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende
                                marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of
                                telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een
                                schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Ontheffing en vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het
                                college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste plaats hem
                                tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste
                                eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de plaats op de
                                markt in te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning
                                verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met
                                name genoemde persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen,
                                dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de
                                vergunninghouder is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk zichtbaar
                                zijn naam en bedrijfsnaam aan te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats/ aan- en afvoer goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan
                                2 uur voor aanvang en meer dan 1,5 uur na afloop van de markt met
                                een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel
                                goederen aan of af te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de
                                sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan van
                                deze verplichting ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de vergunninghouder zijn vaste plaats niet uiterlijk een half
                                uur voor de aanvang van de markt heeft ingenomen, wordt de
                                betreffende plaats voor die dag als dagplaats aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de
                                vergunninghouder de marktmeester voor dit tijdstip heeft verzocht,
                                onder opgave van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te
                                zijn, heeft verzocht de plaats vrij te houden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Intrekking vergunning en schorsing</titel></kop><al>Onverminderd artikel 13 kan het college een vergunning voor een vaste
                            plaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten
                            hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de
                            vergunninghouder of degene die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a)"><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b)"><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c)"><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a)"><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b)"><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c)"><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d)"><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen, indien hij: </al><lijst><li nr="a)"><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b)"><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c)"><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Marktverordening voor de gemeente Gilze en Rijen, vastgesteld op 21
                            februari 1994, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening 1994 gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestaande anciënniteits- en wachtlijsten worden geacht
                                anciënniteits- en wachtlijsten in de zin van deze verordening te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening 1994 is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze
                                verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van een termijn van zes weken na de datum van uitgifte van het weekblad
                            Gilze en Rijen waarin deze verordening is bekend gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Marktverordening gemeente Gilze
                            en Rijen 2003’.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering van 27 oktober 2003.</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. J.W. Timmermans drs. R.H. Roep</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Marktverordening 2003</tussenkop><tussenkop>De totstandkoming van de (model)marktverordening</tussenkop><al>Onze Marktverordening is voor het laatst gewijzigd in februari 1994 als gevolg
                    van de invoering van de Algemene wet bestuursrecht en daarvoor in 1977. De
                    huidige marktverordening 1994 van de gemeente Gilze en Rijen wijkt op veel
                    punten af van de modelverordening van de VNG. </al><al>De <cursief>modelmarktverordening</cursief> van de VNG is in 1998 tot stand
                    gekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden (COM). In
                    het COM werken drie partijen samen: de Nederlandse Vereniging van
                    Marktbeheerders (NVM), de afdeling Markt-, Straat- en Rivierhandel (MSR) van het
                    Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) en de Centrale Vereniging voor de Ambulante
                    Handel (CVAH). De CVAH heeft op één onderdeel een afwijkend standpunt ingenomen,
                    namelijk met betrekking tot de kring van personen op wie de vergunning kan
                    worden overgeschreven. Zij is van mening dat een vergunning ook op een
                    medewerker moet kunnen worden overgeschreven. In de toelichting op artikel 12
                    wordt hierop uitgebreid ingegaan.</al><al>In 2003 is de <cursief>modelmarktverordening</cursief> naar aanleiding van de
                    dualisering van het gemeentebestuur herzien. Hierbij is de indeling en nummering
                    van de artikelen vereenvoudigd overeenkomstig de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving (Adr./aanwijzing 25 en 26). De
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> is verder inhoudelijk hetzelfde
                    gebleven omdat de raad in het dualistisch stelsel de verordende bevoegdheid
                    heeft gehouden. Uiteraard zijn het model en de toelichting daarop wel aangepast
                    aan de Wet dualisering gemeentebestuur en de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving en verdere wetswijzigingen en jurisprudentie die betrekking hebben
                    op de markt. </al><al>Er is ook nu contact met het COM gehouden, maar zij hebben zich op het standpunt
                    gesteld dat de dualisering van het gemeentebestuur moet worden aangegrepen om
                    tot een forse afslanking van de <cursief>modelmarktverordening</cursief> te
                    komen. De VNG ziet hiertoe echter geen aanleiding gelet op het gegeven dat het
                    merendeel van de gemeenten de <cursief>modelmarktverordening</cursief> van 1998
                    heeft overgenomen en dat deze naar tevredenheid in de praktijk functioneert. Dit
                    neemt uiteraard niet weg dat een individuele gemeente ervoor kan kiezen om een
                    afgeslankte marktverordening vast te stellen.</al><al>De herziening van de <cursief>modelmarktverordening</cursief> naar aanleiding
                    van de dualisering van het gemeentebestuur is ook voor ons aanleiding om de
                    huidige marktverordening 1994 van de gemeente Gilze en Rijen totaal te herzien. </al><tussenkop>Grondslag en belang (model)verordening</tussenkop><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voorzover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht. Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 zijn in
                    de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader
                    van de ontvlechting van raad en college zijn de bestuursbevoegdheden van de
                    Gemeentewet geconcentreerd bij het college en zijn de kaderstellende en
                    controlerende bevoegdheden van de raad versterkt.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). De
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> is grotendeels hetzelfde gebleven
                    omdat de raad in het dualistisch stelsel de verordende bevoegdheid heeft
                    gehouden. Uiteraard zijn het model en de toelichting daarop wel aangepast aan de
                    Wet dualisering gemeentebestuur en de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving en verdere wetswijzigingen en jurisprudentie die betrekking hebben
                    op de markt.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat
                    hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van
                    overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid
                    binnen de gemeente.</al><tussenkop>Inhoud Marktverordening</tussenkop><al>Paragraaf 1 van de marktverordening bevat een aantal algemene bepalingen die
                    betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Paragraaf 2 bevat de regelingen
                    die van belang zijn voor de vergunningaanvraag en de vergunningverlening, bezien
                    vanuit de gemeente. De procedure voor het verkrijgen van een vaste standplaats,
                    dagplaats en standwerkersplaats wordt beschreven. In paragraaf 3 worden de
                    algemene verplichtingen voor de vergunninghouder genoemd die hij met betrekking
                    tot zijn standplaats in acht moet nemen. Paragraaf 4 bevat de straf-, overgangs-
                    en slotbepalingen. </al><tussenkop>Overige regelgeving ambulante handel</tussenkop><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Algemene
                    plaatselijke verordening voor de gemeente Gilze en Rijen (APV). Artikel 2.2.2.
                    van de APV bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen
                    vallen bijvoorbeeld braderieën. Verder bevat afdeling 5.2 van de APV bepalingen
                    over collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten.</al><tussenkop>Samenloop met de Algemene plaatselijke verordeningvoor de gemeente Gilze
                    en Rijen (APV)</tussenkop><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat – een met de
                    marktverordening conflicterende – vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de ventvergunning (artikel 5.2.2 APV) en de (losse)standplaatsvergunning
                    (artikel 5.2.3 APV). Samenloop met een terrasvergunning was aan de orde in de
                    uitspraak in hoger beroep ABRS 17 juni 1997, GS (1998) 7067, 2 m.nt. H.
                    Hennekens, JG 98.0027.</al><al>Onze huidige APV voorziet hierin. Artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, van de APV
                    bepaalt als volgt: in deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a)"><al>….</al></li><li nr="b)"><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                            gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening.</al></li></lijst><tussenkop>Vrijhouden van het marktterrein</tussenkop><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis).</al><al>Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren
                    van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd. </al><al>Verder kan de burgemeester op grond van artikel 2.4.12 van de APV het
                    marktterrein aanwijzen als plaats waar het verboden is op de door hem aangewezen
                    uren zich met een fiets of bromfiets te bevinden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met betrekking tot
                    het autovrij maken van het marktterrein.</al><tussenkop>Toepassing</tussenkop><al>In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is deze verordening
                    op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing</al><tussenkop>Instellen marktcommissie voor en door het college</tussenkop><al>Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. Belangrijke vernieuwing in het gedualiseerde bestel is dat
                    elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                    commissies instelt. De marktcommissie is een commissie die het college kan
                    instellen op grond van artikel 84 van de Gemeentewet (zoals die sinds 7 maart
                    2002 luidt). Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83,
                    tweede lid, van de Gemeentewet mogen raadsleden geen deel uitmaken van
                    collegecommissies. In het vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat
                    de instelling van een commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als
                    algemeen verbindende voorschriften.</al><al>De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Afhankelijk
                    van de gemeentelijke omstandigheden verdient een marktcommissie meer of minder
                    aanbeveling. Om het draagvlak te vergroten, zou het college commissieleden
                    kunnen laten verkiezen door de markthandelaren.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. De begrippen zoals opgenomen in de
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> zijn overgenomen. </al><al>Door gebruik van het woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de
                    begripsomschrijving van marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar ook tot
                    marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                    niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                    mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al><al>Een aantal begripsomschrijvingen zijn uit de marktverordening gehaald. Een
                    omschrijving van marktterrein (oud artikel 1, onder b) wordt niet nodig geacht
                    omdat het woord voor zich spreekt. Branche-indeling (oud artikel 5) is eruit
                    gehaald omdat het alleen in artikel 2 wordt gebruikt en eigenlijk ook voor zich
                    spreekt. </al><tussenkop>Artikel 2 Inrichting van de markt; branche-indeling</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen
                    op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt
                    voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het
                    gaat om een gespecialiseerde markt. In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak
                    van de Raad van State van 10 april 1990, JG 91.0005, AB (1991) 195 m.nt. J.H.
                    van der Veen werd in dit verband geoordeeld dat het branche-indelingsbesluit dat
                    niet voorzag in een standplaats voor bloemen en planten in strijd is met de
                    Vestigingswet Bedrijven 1954.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder
                    c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de
                    markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                    verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast
                    de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale Vereniging voor de
                    Ambulante Handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam en de
                    verkoopwagens. </al><al>De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een
                    beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een beperkt
                    aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de
                    markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt
                    voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor
                    wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Het besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of branche op de
                    markt is een algemeen verbindend voorschrift (avv). Het betreft hier de
                    wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een
                    algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de
                    Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat (ABRS 04-12-2002, nr. 200200350/1/H3,
                    JG 03.00, m.nt. M. Geertsema).</al><al>De Mededingingswet is niet van toepassing op overheidshandelen dat (primair)
                    strekt tot het behartigen van een algemeen (publiek) belang van niet-economische
                    aard en dat kan worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en
                    bevoegdheden van het betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein
                    geen ondernemer (Rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht – Bloemenmarkt
                    Amsterdam – 14 augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh). De Nederlandse
                    Mededingingsautoriteit (NMa) is eveneens van mening dat gelet op de doelstelling
                    van artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet er een overheidstaak
                    wordt uitgevoerd te weten: het verzorgen van markten. Deze uitoefening draagt
                    geen economisch karakter dat de toepassing van de mededingingsregels zou kunnen
                    rechtvaardigen. Besluit tot vaststelling van het aantal standplaatsen op de
                    markt, opstelling, indeling en afmetingen is als algemeen verbindend voorschrift
                    niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het betreft hier niet een besluit waarin
                    nader naar tijd, plaats of object de toepasselijkheid van in de verordening
                    reeds besloten liggende normen worden bepaald, maar de vaststelling van
                    zelfstandige normen (ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS
                    7118, 4 m.nt. H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.).</al><al>De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde
                    toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen
                    verbindend voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen
                    uitgesloten (ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de
                    wijziging van het aantal standplaatsen per branche).</al><al>Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden
                    gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten
                    van het marktterrein kunnen worden aangewezen. Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997,
                    JG 97.0205 m.nt. </al><al>M.de Jong, inzake het weren van een markavan; ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208,
                    inzake de indeling van de markt.</al><tussenkop>Artikel 3 Nadere regels</tussenkop><al>In deze marktverordening is gekozen voor een vrij uitgebreide regeling van de
                    markt. Het college is op grond van dit artikel bevoegd nadere regels te stellen.
                    Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op hoofdlijnen
                    vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat regelen. Het college
                    kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van nadere regels vast te
                    stellen. De raad is door de dualisering van het gemeentebestuur sinds 7 maart
                    2002 niet meer bevoegd om beleidsregels vast te stellen ten aanzien van
                    collegebevoegdheden.</al><tussenkop>Beleidsregels versus nadere regels</tussenkop><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. </al><al>Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van artikel
                    3 van de nieuwe marktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn
                    algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in
                    artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn
                    algemene regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende
                    voorschriften. Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in
                    tegenstelling tot nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een
                    bestuursorgaan een uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere
                    omstandigheden daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van
                    de beleidsregel genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere
                    regels (algemeen verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen
                    afwijking mogelijk.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male. </al><tussenkop>Artikel 4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder <cursief>Grondslag en belang verordening</cursief>.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    22 is eveneens van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 5 Standplaatsvergunning</tussenkop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen
                    aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze
                    van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9).</al><tussenkop>Artikel 6 Vereisten</tussenkop><al>De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de vestigingsvergunning op
                    grond van de Vestigingswet (alleen voor bepaalde branches van toepassing,
                    bijvoorbeeld vis en poeliersproducten), eventuele inschrijving in het
                    handelsregister en de CRK-kaart (registratiekaart van het Centraal
                    Registratiekantoor (CRK) bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)). Indien
                    de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit reden zijn de
                    vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel 13). </al><al>Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden
                    toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie
                    op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een
                    natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle
                    marktstandplaatsen bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke
                    persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt
                    de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het
                    is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.
                    Een modelaanvraagformulier is als bijlage bij deze verordening gevoegd. Het
                    aanvraagformulier dient als overzicht om een zo volledig mogelijk beeld van de
                    vergunningaanvrager te krijgen. Op het formulier is geen vraag met betrekking
                    tot een WA-marktverzekering opgenomen. Een plicht tot verzekering is niet in de
                    verordening opgenomen, aangezien dit niet tot de belangen van de gemeente
                    behoort. De vergunning kan dus niet worden geweigerd indien de aanvrager niet
                    verzekerd is tegen vorderingen tot schadevergoeding, waartoe hij als
                    vergunninghouder op een markt krachtens wettelijke aansprakelijkheidsbepalingen
                    zou kunnen worden verplicht wegens aan derden toegebrachte schade. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Vz ARRS 8 november 1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake de intrekking op grond
                    van het niet in bezit zijn van de vereiste papieren; en ABRS 15 oktober 1997,
                    jbMarkten bladzijde 41, inzake de inschrijving op de wachtlijst.</al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 241, inzake onderscheid natuurlijk
                    persoon/rechtspersoon.</al><tussenkop>Artikel 7 Inhoud vaste standplaatsvergunning</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is een uitgebreide inhoudsopgave gegeven van een vaste
                    standplaatsvergunning. In onderdeel a is expliciet opgenomen dat de vergunning
                    naam én voornamen van de vergunninghouder in de vergunning worden opgenomen. Dit
                    vergemakkelijkt de identificatie van de vergunninghouder. Onder een duidelijke
                    omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bij voorkeur gedacht aan
                    een tekening of plattegrond waarop de afmetingen van de standplaatsen en de
                    nummering daarvan zijn aangegeven.</al><al>Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen
                    (kramen, tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het
                    innemen van de standplaats mag gebruiken. Het verdient aanbeveling beleidsregels
                    vast te stellen ten aanzien van het toegestane materiaal, standaardmateriaal dan
                    wel alternatieve materialen. Zie ook de toelichting op artikel 2, eerste lid,
                    onder c. Ter verkrijging van uniformiteit op de markt is het gewenst het
                    plaatsen van marktkramen aan een vergunning te binden. Veelal zal de
                    marktkramenexploitatie in handen van een particulier bedrijf worden gegeven. In
                    dat geval kan men zowel denken aan het stellen van voorwaarden in de vergunning,
                    als aan het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en
                    kramenexploitant, waaraan in de af te geven vergunning wordt gerefereerd. Het
                    verdient aanbeveling hierbij ruimte te laten voor toekomstige ontwikkelingen op
                    het gebied van de verkoopmaterialen. Zie ABRS 10 mei 1995, JG (1995) 308, GS
                    (1995) 7014, 3 m.nt. E. Brederveld; en ABRS 16 juni 1995, JG (1995) 309, GS
                    (1996) 7035, 2 m.nt. E. Brederveld.</al><al>Zie de toelichting op artikel 8 voor het vermelde onder e.</al><al>Het vermelde onder f tot en met i zou ook in artikelen uitgewerkt kunnen worden
                    opgenomen of in de nadere regels van het college op grond van artikel 3. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 7, tweede lid, bepaalt dat er een middel ter identificatie aan de
                    vergunning wordt gehecht. In verband hiermee kan de vergunninghouder worden
                    verzocht twee pasfoto’s te overleggen die dienen ter identificatie; de ene op de
                    vergunning en de ander voor het archief. Dit tweede lid is in 2003 aan de
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> toegevoegd.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Eigen materiaal op de markt. Afwijking van vaste gedragslijn of beleid moet
                    worden gemotiveerd aan de hand van bijzondere omstandigheden (ABRS 7 november
                    2001, JG 02.0007 m.nt. M. Geertsema).</al><tussenkop>Artikel 8 Inschrijving op de anciënniteitslijst</tussenkop><al>De gemeenten die nog geen anciënniteitslijst hebben, dienen bij de introductie
                    van deze lijst een overgangsregeling te maken, om te voorkomen dat reeds
                    gevestigde vergunninghouders achter worden gesteld bij nieuwkomers. Voor alle
                    duidelijkheid zouden alle vergunninghouders schriftelijk kunnen worden bericht
                    hoe ze zijn ingeschreven op deze lijst. Dit is van belang in verband met de in
                    artikel 11 opgenomen mogelijkheid om te zijner tijd in aanmerking te komen voor
                    een betere plaats op de markt.</al><tussenkop>Artikel 9 Inschrijving op de wachtlijst</tussenkop><al>Voor het goed functioneren van de markt is een goede registratie van de
                    marktkooplieden noodzakelijk. De wachtlijst is bedoeld voor die personen die
                    graag een vaste standplaats op de markt willen verwerven, maar aan wie op het
                    moment dat zij de aanvraag doen geen standplaats kan worden toegewezen. In de
                    marktverordening is niet gekozen voor een zogenaamd meeloopsysteem. Dit systeem
                    heeft als nadeel dat een gegadigde zich iedere keer moet melden zonder dat hij
                    de zekerheid heeft dat hij op de markt kan staan. Dit kan problemen opleveren
                    bij verse, bederfelijke waren.</al><al>Om rechtszekerheid aan de aanvrager te verschaffen, is het gewenst dat hij van
                    zijn inschrijving als gegadigde voor een vaste standplaats een schriftelijk
                    bewijs krijgt. ABRS </al><al>15 oktober 1997, jbMarkten bladzijde 41, inzake bepalendheid datum van
                    inschrijving; ABRS 27 april 1992, AB (1992) 446, inzake verloting van
                    vrijgekomen standplaats bij gering verschil in data van inschrijving.</al><al>Ingevolge het tweede lid dient de aanvrager op eigen initiatief zijn
                    inschrijving te verlengen. Het verzoek dient voor 1 januari van elk jaar te zijn
                    gedaan. Om verlenging te vergemakkelijken kan het college voorzien in een
                    standaardverlengingsformulier. De brancheorganisaties achten het redelijk voor
                    elke verlenging leges te heffen. Zodoende worden de kosten van het instandhouden
                    van de wachtlijst niet door de standplaatshouders gedragen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Financieel belang van een gegadigde voor een vaste standplaats noopt niet tot
                    afwijking van beleid ten aanzien van de wachtlijst (ABRS 25 november 1999, JB
                    2000, 10).</al><tussenkop>Artikel 10 Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</tussenkop><al>In dit artikel worden de dwingende redenen genoemd waarom een gegadigde voor een
                    vaste standplaats van de wachtlijst dient te worden gehaald. Het verdient
                    aanbeveling de invulling van bijzondere omstandigheden als genoemd onder d,
                    duidelijk te omschrijven teneinde onduidelijkheden omtrent de plaats op de
                    wachtlijst te voorkomen. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>ABRS 17 augustus 1995, GS (1996) 7037, 5 m.nt. C.P.J. Goorden, inzake onbevoegde
                    doorhaling van de wachtlijst.</al><tussenkop>Artikel 11 Volgorde toewijzing vaste standplaatsen</tussenkop><al>In dit artikel is de volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt
                    geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is
                    het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste
                    standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere standplaats
                    te verkrijgen. Na hen kunnen de ingeschrevenen op de wachtlijst in de
                    gelegenheid worden gesteld een keuze te doen uit de dan nog beschikbare
                    standplaatsen. De volgorde van inschrijving op de wachtlijst van deze personen
                    is hierbij bepalend. Het is mogelijk te bepalen dat de toewijzing in de regel
                    eenmaal per jaar geschiedt.</al><al>Indien het college een branche-indeling heeft vastgesteld, zal hiermee bij de
                    toewijzing van vaste standplaatsen rekening dienen te worden gehouden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Een bestuursorgaan mag zonder toestemming van de rechthebbende niet in plaats
                    van vergunningverlening een schadevergoeding toekennen (ABRS 7 juli 2000, JG
                    00.0185 m.nt. M. Geertsema).</al><tussenkop>Artikel 12 Overschrijving vaste standplaatsvergunning</tussenkop><al>Komt een vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend arbeidsongeschikt,
                    dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht dat zijn
                    vergunning voor een vaste standplaats op de achterblijvende echtgenoot, de
                    geregistreerde partner (als bedoeld in artikel 1:80a van het Burgerlijk Wetboek)
                    of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, kan
                    worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de
                    daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste standplaats van de
                    vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouder dat voldoet aan de in het
                    tweede lid gestelde eisen heeft recht op een vaste standplaats op de markt
                    hetgeen niet de oorspronkelijke vaste standplaats van de vergunninghouder hoeft
                    te zijn. Het kind is immers, in vergelijking met de echtgenoot of de daarmee
                    gelijkgestelde partner, minder direct in zijn inkomensvoorziening geschaad door
                    het overlijden van de vergunninghouder. Hierover zijn alle partijen die
                    betrokken waren bij het totstandkomen van de marktverordening het eens.</al><al>In het vierde lid is een hardheidsclausule opgenomen. Het verdient aanbeveling
                    hiervoor beleidsregels op te stellen. De CVAH bepleit in dit verband (opneming
                    in de marktverordening van) de mogelijkheid tot overschrijving van de vergunning
                    op een medewerker van de vergunninghouder. Volgens het voorstel van de CVAH
                    dient ‘de medewerker in dat geval minimaal drie jaar onafgebroken in loondienst
                    van het marktbedrijf van de vergunninghouder te hebben gewerkt of gedurende
                    eenzelfde periode als mede-eigenaar (bijvoorbeeld vennoot of aandeelhouder) in
                    dit bedrijf te hebben gefunctioneerd. Voorts dient bij notariële akte te worden
                    aangetoond dat de onderneming in eigendom van de medewerker is overgegaan en dat
                    de marktplaats geen economische factor in de overname is. Tot slot dient de
                    werknemer of de mede-eigenaar ingeschreven te zijn op de wachtlijst. Gelet op
                    dit standpunt van de brancheorganisatie adviseren wij hem te betrekken bij de
                    totstandkoming van een nieuwe marktverordening of beleid.</al><tussenkop>Artikel 13 Intrekking vaste standplaatsvergunning</tussenkop><al>Tot intrekking van de vaste standplaatsvergunning wordt altijd op de in het
                    eerste lid genoemde gronden overgegaan. In het tweede lid worden
                    intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is niet
                    verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning. </al><al>Bij dagplaatsen en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder
                    voor de hand. Daarom is in 2003 deze bepaling beperkt tot de vaste
                    standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal
                    echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering
                    op grond van artikel 25. </al><al>Het derde lid vormt het sluitstuk van artikel 12.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van de
                    standplaatsvergunning, mag het college deze vergunning intrekken wegens een
                    administratieve fout, mits hierbij algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
                    acht worden genomen. In casu was de intrekking niet in strijd met deze
                    beginselen (ABRS 12 december 2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.).</al><tussenkop>Artikel 14 Toewijzing dagplaats</tussenkop><al>De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal mondeling verleend, doch
                    het verdient aanbeveling de marktmeester in mandaat een (standaardvoorbedrukte)
                    schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop hij het nummer van de
                    standplaats invult. Uiteraard dient, indien voor de markt een branche-indeling
                    is vastgesteld, daarmee bij het toewijzen van dagplaatsen rekening te worden
                    gehouden.</al><al>Het in het tweede lid vermelde uiterste tijdstip van melding bij de marktmeester
                    dient te worden gekoppeld aan het in artikel 21, derde lid, genoemde uiterste
                    tijdstip voor het innemen van een vaste standplaats.</al><tussenkop>Artikel 15 Toewijzing standwerkersplaats</tussenkop><al>Wanneer standwerkersplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo
                    objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers een
                    gelijke kans te geven. Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing
                    geschiedt door loting. Het college dient van tevoren de manier van loting vast
                    te stellen. Het verdient daarbij aanbeveling hierbij voorrang te geven aan de
                    marktkooplieden van wie is gebleken dat zij in de uitoefening van de markthandel
                    uitsluitend en daadwerkelijk als standwerker plegen op te treden.</al><al>Gebleken is dat een sterke behoefte bestaat aan uniforme en duidelijke
                    richtlijnen voor de toewijzing van standwerkersplaatsen, zowel bij de
                    marktbeheerders als bij de marktgebruikers, in het bijzonder bij de standwerkers
                    zelf.</al><al>Deze groep kooplieden heeft een eigen wijze van werken. Bij de benadering van
                    het publiek treden zij geheel anders op dan de zogenaamde stille kramers. Zij
                    verhogen de levendigheid van de markt en maken deze daardoor aantrekkelijker
                    voor het publiek. </al><al>Teneinde verstarring tegen te gaan en om te voorkomen dat de standwerker, die
                    jaar in jaar uit dezelfde plaats bezet, langzamerhand een stille kramer zou
                    worden, wordt het in het algemeen ongewenst geacht aan deze categorie kooplieden
                    vaste standplaatsen toe te wijzen. Dit standpunt wordt door de officiële
                    landelijke organisatie van standwerkers (Stibesta) steeds met klem naar voren
                    gebracht. Vooral ook omdat het werkterrein van de standwerkers zich over het
                    gehele land uitstrekt, is het voorts gewenst dat de regels voor de toewijzing
                    van de standplaatsen aan deze bijzondere categorie kooplieden op alle markten in
                    Nederland zo veel mogelijk gelijkluidend zijn.</al><al>Alhoewel in principe een scherpe scheiding tussen de voor de stille kramers en
                    de voor standwerkers bestemde standplaatsen dient te blijven bestaan, zal het in
                    sommige gevallen – in het belang van de markt dan wel uit
                    billijkheidsoverwegingen tegenover de betrokken kooplieden – niet van overwegend
                    bezwaar zijn, opengebleven standwerkersplaatsen aan stille kramers toe te
                    wijzen, met dien verstande dat aan laatstbedoelde kooplieden wordt duidelijk
                    gemaakt dat zij hieraan nimmer enig recht op de desbetreffende standplaats
                    zullen kunnen ontlenen. Tot toewijzing van dergelijke standplaatsen aan stille
                    kramers is alleen dan over te gaan, indien op de markt beslist geen voor deze
                    categorie kooplieden bestemde standplaatsen meer beschikbaar zijn.</al><al>Belangrijk is voorts de in het derde lid opgenomen mogelijkheid om als koppel of
                    duo een standwerkersplaats te kunnen betrekken. Uitdrukkelijk is hierbij echter
                    de voorwaarde gesteld dat een duo zich tevoren als zodanig bij de marktmeester
                    moet melden en dat een duo als één loteling wordt aangemerkt. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>ARRS 26 juli 1991, JG 92.0124 m.nt. van L.J.J. Rogier, inzake sanctioneren van
                    een standwerker.</al><tussenkop>Artikel 16 Persoonlijk innemen standplaats; bijstand</tussenkop><al>In artikel 16 is bepaald dat de vergunninghouder in principe verplicht is zelf
                    op zijn standplaats aanwezig te zijn. Aangezien in artikel 6 is bepaald dat de
                    vergunninghouder een natuurlijk persoon moet zijn, betekent dit dat de
                    standplaats niet door bijvoorbeeld een medevennoot van de vergunninghouder kan
                    worden ingenomen. Vz ARRvS, 2 juli 1993, JG 1994/206, inzake onderscheid
                    natuurlijk persoon/rechtspersoon; Rechtbank Almelo </al><al>18 augustus 1995, GS (1995) 7022,3 m.nt. van E. Brederveld, inzake aanschrijving
                    om standplaats persoonlijk in te nemen.</al><al>De vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede lid. De
                    artikelen 18 (‘bijzondere omstandigheden’) en 21 geven aan de vergunninghouder
                    de mogelijkheid om zaken te regelen, bijvoorbeeld om naar de veiling te gaan. </al><al>In het derde lid van artikel 18 is in verband met de in de artikelen 23 en 24
                    vervatte verboden, thans een normstelling opgenomen namelijk dat zowel de
                    vergunninghouder als degene die hem bijstaan zich niet schuldig mogen maken aan
                    wangedrag of bedrog. </al><al>J<cursief>urisprudentie</cursief></al><al>Eis dat vaste standplaats persoonlijk wordt ingenomen, valt binnen de verordende
                    bevoegdheid van de raad (ABRS 20 juni 2001, JG 01.0199 m.nt. M. Geertsema).</al><tussenkop>Artikel 17 Aantal keren innemen vaste standplaats</tussenkop><al>De plicht om de standplaats het minimumaantal vastgestelde keren in te nemen,
                    geldt uiteraard alleen voor de vaste standplaatshouder en niet voor de
                    dagplaatshouder of standwerker. Dit is noodzakelijk om de continuïteit in de
                    bezetting te waarborgen. Het minimumaantal keren kan worden aangepast aan de
                    plaatselijke omstandigheden.</al><tussenkop>Artikel 18 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                    omstandigheden</tussenkop><al>In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de
                    vergunninghouder zelf op de standplaats aanwezig dient te zijn.</al><al>Het is wel noodzakelijk dat het college of de marktmeester van elke verhindering
                    tot marktbezoek zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan
                    bepalen dat kortstondige afwezigheid (bijvoorbeeld tot maximaal één uur) zonder
                    mededeling of ontheffing is toegestaan. Dit is van belang voor
                    vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan
                    vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen.</al><al>Een verplichting van de vergunninghouder om een geneeskundige verklaring te
                    overleggen is niet meer in de <cursief>modelmarktverordening</cursief> opgenomen
                    omdat KNMG-artsenfederatie (beroepsorganisatie voor artsen) haar leden ontraadt
                    die informatievoorziening over hun patiënten te verstrekken. De artsenfederatie
                    hanteert het standpunt dat van de behandelende arts (die een bijzondere
                    vertrouwensrelatie heeft met zijn patiënt) niet verwacht mag worden dat deze een
                    onbevooroordeeld advies uitbrengt. Voorts is de VNG van mening dat met steeds
                    opnieuw zijnde regelgeving (zoals o.a. de wijziging van de sociale wetgeving, de
                    Wet bescherming persoonsgegevens) het middel hiertoe in het neutrale moet
                    blijven. Overigens is er geen wettelijke basis op grond waarvan het college de
                    vergunninghouder zou kunnen verplichten een geneeskundige keuring te ondergaan.
                    Het college kan de vergunninghouder uiteraard wel aanbieden zich bijvoorbeeld
                    door de GGD of Arbodienst te laten onderzoeken om zijn ziekte aan te tonen. </al><tussenkop>Artikel 19 Ontheffing en vervanging</tussenkop><al>Eerste lid: De ontheffing kan aan een maximum van twee jaar worden gebonden voor
                    wat betreft ziekte. Het bestuur van de NVM beveelt dit ook sterk aan. Indien de
                    ziekte langer dan twee jaar duurt, is veelal sprake van blijvende
                    arbeidsongeschiktheid. </al><al>Tweede lid: In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het
                    college de vergunninghouder van een vaste standplaats toestaan zich op zijn
                    standplaats te laten vervangen. Een maximumtermijn van zes weken is voor
                    vakantie gebruikelijk. Het college kan (bij langdurige vervanging) als
                    voorwaarde stellen dat de vervanger aan de vereisten van artikel 6 voldoet. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Vz ABRS 29 maart 1994, jbMarkten bladzijde 11, inzake weigering vervanging door
                    niet-gezinslid. ABRS 23 september 1991, JG 92.0005 m.nt. L.J.J. Rogier, inzake
                    ongeoorloofde vervanging.</al><tussenkop>Artikel 20 Legitimatie en identiteit vergunninghouder</tussenkop><al>Bij herhaling is gebleken dat de kopers op de markt er behoefte aan hebben te
                    weten bij wie zij hun inkopen hebben gedaan. In de praktijk wordt hier echter
                    weinig de hand aan gehouden. Het moet ook door iedere bonafide marktkoopman of
                    -koopvrouw van belang worden geacht. Het vormen van een vaste klanten kring kan
                    hierdoor tevens worden bevorderd. Vermelding van adres en woonplaats wordt in
                    verband met gevaar van inbraak bij de koopman, die tijdens de markt immers van
                    huis is, niet wenselijk geacht.</al><tussenkop>Artikel 21 Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer
                    goederen</tussenkop><al>Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens
                    de markt vrij te maken van alle verkeer, dient het college een verkeersbesluit
                    te nemen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van
                    bestuursdwang, op kosten van de eigenaars, van het marktterrein worden
                    verwijderd nog vóór de eigenlijke opbouw van de markt. Voorwaarde is wel dat de
                    tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt,
                    duidelijk worden medegedeeld. Het is van belang de in het eerste lid gegeven
                    tijdspanne zo ruim te nemen dat hieraan in de regel kan worden voldaan. Veelal
                    worden de tijden vastgesteld in overleg met de instanties die de belangen van de
                    ambulante handel behartigen.</al><al>Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de
                    orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op
                    willekeurige, vóór de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het college
                    dient invulling te geven aan de bijzondere omstandigheden die ontheffing
                    mogelijk maken.</al><al>Op grond van het derde lid is het mogelijk dat over een vaste standplaats
                    beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de
                    vergunninghouder de markt op een bepaalde dag niet bezoekt. Daartoe is bepaald
                    dat de vaste standplaats vóór een bepaald uur ingenomen moet zijn.</al><al>Indien bekend is dat de rechthebbende later op de markt verschijnt, zal de
                    standplaats uiteraard open moeten blijven. Het vierde lid bevat hiervoor een
                    regeling.</al><al>Vroegtijdig – eventueel vóór de openingstijd van de markt – toewijzen van de
                    dagplaatsen (zie hiervoor ook artikel 14) biedt het voordeel dat het publiek
                    geen of weinig hinder ondervindt van het aanvoeren van de marktartikelen. Indien
                    de gemeente de houder van een vaste standplaats nog enig voorrecht wil geven
                    boven de pas beginnende kooplieden, die nog niet over een vaste standplaats
                    beschikken, dan zou het toewijzen van dagplaatsen ná de opening van de markt
                    dienen te geschieden.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Kantongerecht Maastricht 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met zorgplicht gemeente met betrekking tot het
                    autovrij maken van het marktterrein.</al><tussenkop>Artikel 22 Strafbepaling</tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 22 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. </al><al>Tegen overtredingen van de in deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede
                    tegen handelingen die de orde op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren,
                    verdient voor wat de marktkooplieden betreft een administratieve afhandeling de
                    voorkeur. Verwacht mag worden dat van de bepalingen, opgenomen in de artikelen
                    22 tot en met 24, een sterk preventieve werking zal uitgaan.</al><tussenkop>Artikel 23 Intrekking en schorsing vaste
                    standplaatsvergunning</tussenkop><al>In artikel 23 worden de gronden genoemd waarop een vergunning voor een vaste
                    standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. Bij herziening van de
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> in 2003 is de zinsnede
                    ‘onverminderd artikel 13’ toegevoegd om aan te geven dat ook de intrekking op
                    grond van artikel 13 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een
                    sanctiebeleid vast te stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de
                    vergunning wordt geschorst dan wel ingetrokken. </al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. </al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet-betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. Bij het opstellen van de eerste
                        <cursief>modelmarktverordening</cursief> in 1998 is er veiligheidshalve nog
                    van uitgegaan dat het niet-betalen van marktgeld geen intrekkingsgrond kan zijn,
                    aangezien hiervoor andere invorderingsmogelijkheden zijn. Gelet op het belang
                    van een dergelijke intrekkings- of schorsingsgrond voor de praktijk is de VNG
                    evenwel alert gebleven op mogelijk gunstige opinies in dezen. De uitspraak van
                    de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 1999 (JG
                    99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S. Gonesh tegen de
                    uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt naar het inzicht
                    van de VNG voldoende basis om alsnog de gewenste intrekkings- of schorsingsgrond
                    in het model op te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    overwoog in deze zaak dat ingevolge de Verordening op de straathandel van de
                    gemeente Amsterdam een vergunning voor een vaste standplaats kan worden
                    ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan verplichtingen die voor de
                    vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt geldende
                    heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten tijde van
                    het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan
                    zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen
                    had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente
                    Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning derhalve intrekken. </al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijst de VNG erop dat deze
                    uitspraak zich naar hun inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Terechte voorwaardelijke tijdelijke schorsing van een marktstandplaats wegens
                    overtreding van Reglement warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren
                    diverse malen gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar.
                    Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met artikel 156 Gemeentewet
                    (ABRS 15 augustus 2001, JU 021011).</al><al>De intrekking van een standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam
                    voor een week is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op
                    zijn evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat de
                    strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot het oordeel
                    dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen van een maatregel
                    mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet zelfstandig op evenredigheid worden
                    beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt voor dat
                    oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak heeft bij het
                    handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden gezegd dat deze
                    maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het wangedrag. Het geven
                    van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet in verhouding tot de ernst
                    van de overtreding, maar maakt ook de handhaving van de verordening illusoir
                    (ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D.).</al><al>Vz ABRS 8 november 1991, jbMarkten bladzijde 65, inzake intrekking vergunning,
                    omdat vergunninghouder niet meer in het bezit is van de vereiste papieren,
                    waaronder diploma Handelskennis (sinds 1993: diploma Algemene
                    ondernemingsvaardigheden).</al><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                    schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994, JB (1994)
                    58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al><tussenkop>Artikel 24 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</tussenkop><al>In artikel 23 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om
                    naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 25) ook een
                    vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de
                    markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een
                    vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een
                    dagplaatshouder of standwerker. </al><al>In dit artikel 24 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. Bij de herziening van
                    2003 is niet meer de beperking van een periode van twee jaar opgenomen, omdat
                    deze beperking niet zo zinvol is. In de beschikking tot uitsluiting moet immers
                    worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete
                    dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                    niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder
                    artikel 23, onderdeel c.</al><tussenkop>Artikel 25 Onmiddellijke verwijdering</tussenkop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 25 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid
                    dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                    Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                    bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke
                    handhaving van de openbare orde. </al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 25 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het COM
                    de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen pakken. </al><tussenkop>Artikel 26 Toezichthouders</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. </al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen.</al><al>Door toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                    opsporingsambtenaar kan fungeren. Een bepaling over buitengewone
                    opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd met aanwijzing 92 van de
                    Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in artikel 142, eerste lid,
                    aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, is onder meer bepaald dat
                    met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
                    belast de personen die <cursief>bij </cursief>verordeningen zijn belast met het
                    toezicht op de naleving daarvan, een en ander voorzover het die feiten betreft
                    en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun
                    aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling
                    niet nodig. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren
                    beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond
                    van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en
                    betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><tussenkop>Artikel 27 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening in
                    werking treedt. </al><tussenkop>Artikel 28 Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor de
                    rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                    eerbiedigen. Onder de ruime formulering ‘besluiten’ van het eerste lid vallen
                    vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen. In het tweede lid is
                    overgangsrecht opgenomen voor bestaande wachtlijsten en anciënniteitslijsten. In
                    het derde lid is bepaald dat aanvragen om vergunning die nog niet definitief
                    zijn afgehandeld direct onder de nieuwe verordening komen te vallen. Hiermee
                    wordt voorkomen dat nog lange tijd met de oude verordening moet worden gewerkt.
                    Voor lopende aanvragen en in behandeling zijnde bezwaarschriften geldt dus de
                    nieuwe verordening. </al><tussenkop>Artikel 29 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw) op </al><al>1 januari 2002. Deze wet maakt referenda mogelijk over onder andere de
                    vaststelling, wijziging en intrekking van verordeningen. Wel zijn enkele
                    verordeningen uitgezonderd, die hier niet van belang zijn. De vaststelling,
                    wijziging of intrekking van een marktverordening is een van de besluiten
                    waarover een referendum kan worden gehouden. Verordeningen waarover op grond van
                    de Trw een referendum kan worden gehouden, treden in afwijking van artikel 142
                    Gemeentewet, niet eerder in werking dan zes weken na de bekendmaking van de
                    verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken hangt ermee samen dat na
                    bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over deze verordening een
                    referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het houden van een referendum
                    kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een later tijdstip van
                    inwerkingtreding. </al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de marktverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5), opnieuw in de inwerkingtreding
                    moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat leidt tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het referendum de
                    beslissing tot vaststelling of wijziging van de marktverordening heroverwegen.
                    Ook als de raad na heroverweging alsnog besluit tot inwerkingtreding (in plaats
                    van intrekking) van de marktverordening, zal de raad opnieuw in een tijdstip van
                    inwerkingtreding moeten voorzien. </al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening zelf
                    (zie mr. J. Bool, <cursief>De Gemeentewet,</cursief> blz. 134, noot 3).</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    marktverordening kan worden ingediend. Op grond van de Tijdelijke referendumwet
                    is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een verordening
                    indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum
                    indienen. Zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het ministerie
                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en CW2001/82050) en
                    de ledenbrieven van de VNG over dit werp (Lbr. 01/158 en Lbr. 01/217).</al><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding
                    waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze
                    bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Wel is van belang
                    dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In artikel 27 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. De Tijdelijke
                    referendumwet maakt dit niet anders. Weliswaar kan over een besluit tot
                    intrekking van een verordening een referendum worden aangevraagd, echter in dit
                    model maakt het besluit tot intrekking deel uit van de verordening tot
                    vaststelling of wijziging van de bestaande marktverordening en is alleen het
                    besluit tot vaststelling van de verordening referendabel.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                    aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge artikel
                    8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand bezwaar
                    openstaat (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.).</al><tussenkop>Artikel 30 Citeertitel</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>