<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19972_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rijswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rijswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot Rijswijk, 24-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand en de Wet investeren in jongeren.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09-043</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt (samen met een aantal andere verordeningen) de eerder vastgestelde tijdelijke regels</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>De gemeenteraad van Rijswijk, Gezien:- het voorstel van het college van
            burgemeester en wethouders van Rijswijk d.d. 3 november 2009 nr. 09.055517 Gelet
                op: de artikelen 7, 8, en 10 van de Wet werk en bijstand (WWB), de artikelen
            34, 35 en 36 van Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
            werkloze werknemers (IOAW),de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening
            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ),artikel 20 van de
            Wet inburgering (WI), artikel 8 van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (Wet
            STAP)artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)artikel 147, eerste lid,
            van de Gemeentewet; Overwegende: dat het noodzakelijk is om een nadere
            invulling te geven aan de in de WWB, de IOAW, de IOAZ en de wet STAP opgenomen
            verplichting tot het bij verordening vaststellen van regels met betrekking tot de aan
            haar opgelegde participatie opdracht als omschreven in de WWB, de IOAW en de IOAZ en de
            wet STAP, welke opdracht tot doel heeft de arbeidsinschakeling van de daarvoor in
            aanmerking komende personen te realiseren en overigens om de deelname aan het
            maatschappelijk verkeer te bevorderen indien dit de kans op deelname aan het
            arbeidsproces vergroot, bij verordening regels te stellen met betrekking tot de
            arbeidsinschakeling en de daaraan verbonden: rechten op ondersteuning, voorzieningen,
            verplichtingen, subsidies, premies; Besluit vast te stellen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>Participatieverordening Gemeente Rijswijk 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>– Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in
                                    de Wet werk en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht of de
                                    overige in deze verordening aangehaalde wetten.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand,
                                    (WWB);</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van
                                    burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk;</al></li><li nr="c."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Rijswijk;</al></li><li nr="d."><al> doelgroepen: het geheel van groepen personen aan wie op
                                    grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, WWB, of op grond
                                    van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de
                                    IOAZ, de Wsw en de wet STAP of op grond van artikel 1 van de Wet
                                    Participatiebudget door het college ondersteuning kan worden
                                    geboden;</al></li><li nr="e."><al>doelgroep: separaat deel van de in artikel 1:1 tweede lid,
                                    onderdeel d. bedoelde doelgroep. </al></li><li nr="f."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon aan wie bijstand krachtens de WWB
                                    wordt verleend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan of aan wie een uitkering wordt verstrekt krachtens de
                                    IOAW of IOAZ; </al></li><li nr="g."><al>voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                    onder a van de wet waaronder begrepen wordt elke vorm van
                                    ondersteuning die het college voor een belanghebbende in kan
                                    zetten ten behoeve van de arbeidsinpassing van de onder zijn
                                    verantwoordelijkheid vallende doelgroepen; </al></li><li nr="h."><al>trajectplan: een plan met betrekking tot het te volgen
                                    re-integratietraject dat door het college is gemaakt ten behoeve
                                    van belanghebbende en waarin in ieder geval zijn opgenomen de
                                    wijze en de voorwaarden waarop de arbeidsinschakeling zal worden
                                    gerealiseerd;</al></li><li nr="i."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle werkzaamheden die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard zijn, evenals alle vormen van
                                    gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van een dienstbetrekking
                                    als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale
                                    werkvoorziening (WSW); </al></li><li nr="j."><al>gesubsidieerde arbeid: een voorziening gericht op de
                                    arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 10, tweede lid WWB,
                                    waaronder tevens begrepen iedere vorm van arbeid, waarbij de
                                    arbeidsverhouding op basis van een arbeidsovereenkomst tussen
                                    werkgever en werknemer geheel of gedeeltelijk door de gemeente
                                    wordt bekostigd.</al></li><li nr="k."><al> arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt gelijk gesteld, een
                                    aanstelling op grond van het ambtenarenrecht of een overeenkomst
                                    waarbij de belanghebbende gedetacheerd wordt bij een organisatie
                                    in de collectieve of marktsector;</al></li><li nr="l."><al>contractanten: personen of rechtspersonen die in het kader
                                    van hun professie de arbeidsinschakeling van de tot de
                                    doelgroepen behorende belanghebbenden bevorderen, en aan wie het
                                    college de uitvoering van één of meerdere voorzieningen heeft
                                    opgedragen.</al></li><li nr="m."><al>nugger: niet-uitkeringsgerechtigde persoon als
                                    bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a. WWB, waaronder mede
                                    is begrepen de oudkomer als bedoeld in artikel 19 eerste lid,
                                    onderdeel b. van de Wet inburgering </al></li><li nr="n."><al>trajectovereenkomst: een tussen een
                                    niet-uitkeringsgerechtigde belanghebbende en het college
                                    gesloten overeenkomst met betrekking tot een te volgen
                                    re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling, waarin in
                                    ieder geval zijn opgenomen de wijze en de voorwaarden waarop de
                                    arbeidsinschakeling zal worden gerealiseerd.</al></li><li nr="o."><al> RPA - Haaglanden: Regionaal Platform Arbeidsmarktbeleid
                                    Haaglanden (gemeenten ‘s-Gravenhage, Zoetermeer, Delft,
                                    Westland, Pijnacker-Nootdorp, Midden-Delftland, Wassenaar,
                                    Leidschendam-Voorburg, Rijswijk).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>BELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>- Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning bij participatie en /of
                                arbeidsinschakeling, en voor zover dat noodzakelijk wordt geacht,
                                een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling, aan personen die
                                behoren tot de doelgroep als omschreven in artikel 1:1, tweede lid
                                onder d. van deze verordening. Artikel 40 WWB, onderscheidenlijk
                                artikel 11 IOAW en artikel 11 IOAZ, de WEB en de Wet STAP, is
                                hierbij van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt een afweging bij de keuze van de mogelijkheden van
                                ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen waarbij, gelet op
                                de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, gekeken
                                wordt of de voorziening het meest doelmatig is om de beoogde
                                arbeidsinschakeling en/of participatie te realiseren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende en taakgerichte diversiteit
                                in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, bij het bepalen van het aanbod aan ondersteuning en
                                voorzieningen, prioriteiten stellen in verband met de financiële
                                mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen. Onverlet opname in de beleidsregels, kunnen de
                                financiële mogelijkheden en kaders worden bijgesteld indien daartoe
                                de noodzaak aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen, voorzieningen als bedoeld in deze
                                verordening aanbieden aan belanghebbenden aan wie het
                                Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een uitkering
                                verstrekt, alsmede aan verhuizers uit of bewoners van andere
                                gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ten aanzien van de vergoeding aan het college van de kosten, welke
                                verbonden zijn aan het aanbieden van voorzieningen aan
                                belanghebbenden als bedoeld in het vijfde lid, kan het college
                                nadere afspraken maken met het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan werkzaamheden, in het kader van ondersteuning of
                                voorzieningen, laten</al><al> verrichten door contractanten en aan verhuizers of bewoners andere
                                gemeenten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>– Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Personen die behoren tot de doelgroep zijn de belanghebbenden
                                    die aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                    en een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling en/of
                                    participatie.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria van deze
                                    verordening en de in artikel 2:3, eerste lid aangehaalde
                                    beleidsregels.</al></li><li nr="3."><al>Een belanghebbende heeft geen recht op ondersteuning indien er
                                    een voorliggende voorziening is welke naar het oordeel van het
                                    college voldoende bijdraagt aan zijn re-integratie en/of
                                    participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>– Beleidsregels</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                    beleidsregels vast.</al></li><li nr="2."><al>Deze beleidsregels omvatten in elk geval:</al><al><vet>a</vet><vet>. </vet>de wijze waarop het college de
                                    verschillende doelgroepen kan ondersteunen of een</al><al>voorziening afgestemd op de specifieke doelgroep kan aanbieden,
                                    waarbij een evenwichtige aandacht voor de verschillende
                                    doelgroepen als uitgangspunt wordt genomen;</al><al><vet>b.</vet> een omschrijving van de verschillende
                                    voorzieningen;</al><al><vet>c.</vet> criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien
                                    van de arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht
                                    wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>VOORZIENINGEN, SUBSIDIES EN PREMIES</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>– Algemene bepalingen over
                                voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beleidsregels als bedoeld in artikel 2:3, tweede lid,
                                    wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval
                                    kan aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan een voorziening nadere verplichtingen
                                    verbinden, in aanvulling op de</al><al>verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ, en
                                    voorzover van toepassing de Wet Participatiebudget, de Wsw, de
                                    WEB, de wet STAP en de WI, en deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een voorziening beëindigen indien:</al><al><vet>a</vet><vet>.</vet> de belanghebbende die aan de
                                    voorziening deelneemt zijn verplichtingen niet nakomt als is
                                    omschreven in artikel 4:1, eerste lid van deze verordening;</al><al><vet>b.</vet> de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt
                                    niet meer behoort tot de doelgroep;</al><al><vet>c</vet>. de belanghebbende die aan de voorziening
                                    deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt; </al><al><vet>d</vet>. naar het oordeel van het college de aangeboden
                                    voorziening niet of onvoldoende bijdraagt aan de
                                    arbeidsinschakeling van de belanghebbende;</al><al><vet>e</vet>. de belanghebbende niet of niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college kan een voorziening eveneens beëindigen indien de
                                    door het college afgegeven indicatiebeschikking of
                                    herindicatie-beschikking, door het college is ingetrokken op
                                    grond van artikel 12, derde lid Wsw.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het derde lid onderdeel <vet>c</vet>. kan het
                                    college afzien van het beëindigen van een voorziening indien het
                                    college van oordeel is dat daartoe de noodzaak aanwezig is.
                                </al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                    aangeboden voorzieningen. </al></li><li nr="7."><al> De regels, als bedoeld in het zesde lid, kunnen in ieder geval
                                    betrekking hebben op de:</al><al><vet>a</vet>. voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                    aangeboden;</al><al><vet>b</vet>. weigeringsgronden van een voorziening;</al><al><vet>c</vet>. aanvraag van, en de besluitvorming over een
                                    voorziening;</al><al><vet>d</vet>. betaling van subsidies en het verlenen van
                                    voorschotten op deze subsidies;</al><al><vet>e</vet>. wijze van verlening en vaststelling van
                                    subsidies;</al><al><vet>f</vet>. overige criteria voor het aanbieden van
                                    voorzieningen en het verlenen van subsidies.</al></li><li nr="8"><al><vet>a</vet><vet>.</vet> indien een niet-uitkeringsgerechtigde,
                                    als bedoeld in artikel 6,eerste lid, onderdeel a WWB,
                                    aanspraak maakt op ondersteuning of een voorziening, kan het
                                    college een bijdrage aan het recht op ondersteuning of een
                                    voorziening verbinden; </al><al><vet>b.</vet> het college kan nadere regels stellen met
                                    betrekking tot de hoogte en de grondslag van de in onderdeel a.
                                    genoemde eigen bijdrage</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>– Innovatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en
                                toepassen van</al><al> mogelijkheden om de arbeidsinschakeling te bevorderen, afwijken van
                                het bepaalde in deze verordening en voorzover van toepassing, de
                                Beleidsregels participatie 2010. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter financiering van het gestelde in het eerste lid wordt 5% van de
                                uitkering als bedoeld in artikel 69, tweede lid, onderdeel a. WWB
                                (Wet Participatiebudget W-deel), gereserveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten
                                hoogste twee jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van de
                                Participatieverordening en de</al><al> Beleidsregels Participatie 2010, kan de periode zoals genoemd in
                                het derde lid worden verlengd tot aan het moment van
                                inwerkingtreding van de bijstelling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>– Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verlenen aan een werkgever, waaronder
                                mede begrepen wordt de contractant, die een dienstverband aangaat
                                met een belanghebbende aan wie algemene bijstand op grond van de wet
                                of een uitkering krachtens de IOAW of IOAZ wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari
                                2009 een subsidie verlenen aan een werkgever, waaronder mede
                                begrepen wordt de contractant, die een dienstverband aangaat met een
                                nugger, waar naar het oordeel van het college een andere aangeboden
                                voorziening niet of onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling
                                van de belanghebbende;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie is gebonden aan de in het eerste lid en tweede lid
                                bedoelde belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de duur, de hoogte,
                                en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>– Subsidie- en budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening ook in de vorm van een subsidie
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld
                                subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                                aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>– Premie werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever een premie toekennen indien die
                                werkgever een</al><al> arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangaat met een
                                belanghebbende als bedoeld in </al><al> artikel 1:1, tweede lid, onderdeel f.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>– Participatieplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden verricht in de vorm van een
                                    participatieplaats conform artikel 10a, zesde lid van de wet een
                                    premie van 25% van de inkomsten van het vrij te laten bedrag,
                                    zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke
                                    zes maanden beoordeeld.</al></li><li nr="3."><al>De premie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het
                                    college blijkt dat de</al><al> belanghebbende de aan de participatieplaats verbonden
                                    verplichtingen in de voorgaande zes maanden heeft
                                    geschonden.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid komen ook personen
                                    als bedoeld in artikel 7, derde lid van de wet, voor een premie
                                    in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                    startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de
                                    participatieplaats door het college bekeken in hoeverre scholing
                                    of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces.</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
                                    participatieplaats uitvoert;</al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de belanghebbende;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>VERPLICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>– Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden
                                    tenminste te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit
                                    de wet, de IOAW, de IOAZ, de WEB, de wet STAP, de Wet Structuur
                                    Uitvoering Werk en Inkomen, en voor zover van toepassing de Wsw
                                    en de WI, deze verordening, alsmede aan de voorwaarden die het
                                    college op grond van artikel 3:1, tweede lid, aan de aangeboden
                                    voorziening heeft verbonden.</al></li><li nr="2."><al>De nader aan de voorziening verbonden voorwaarden worden in de
                                    van toepassing zijnde</al><al> beleidsregels omschreven.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al><vet>a</vet>. Het college verlaagt de uitkering, conform hetgeen
                                    hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening 2010, indien
                                    een uitkeringsgerechtigde aan wie algemene bijstand krachtens de
                                    wet wordt verleend en die deelneemt aan een voorziening, niet
                                    voldoet aan de verplichtingen en voorwaarden welke krachtens
                                    artikel 3:1, tweede lid van deze verordening, aan een
                                    voorziening verbonden zijn;</al><al><vet>b.</vet> Het college legt een maatregel op, conform hetgeen
                                    hierover is bepaald in het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ,
                                    indien een uitkeringsgerechtigde, aan wie een uitkering wordt
                                    verstrekt krachtens de IOAW of IOAZ en die deelneemt aan een
                                    voorziening,niet voldoet aan de verplichtingen en voorwaarden
                                    welke krachtens artikel 3:1, tweede lid van deze verordening,
                                    aan een voorziening verbonden zijn.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Indien een belanghebbende, niet zijnde een
                                    uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening,
                                    niet voldoet aan de verplichtingen of voorwaarden die zijn
                                    verbonden aan een voorziening, kan het college op grond van
                                    hetgeen daartoe met belanghebbende en het college in een
                                    trajectovereenkomst is overeengekomen, verzoeken tot
                                    terugbetaling van de door het college tot dan voor de aangeboden
                                    voorziening gemaakte kosten, voor zover van toepassing onder
                                    aftrek van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 3:1, achtste
                                    lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>– Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>– Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen
                                van deze verordening als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>– Intrekking</titel></kop><al>Per datum als in artikel 5:3 is genoemd, wordt de
                            Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>– Overgangsrecht</titel></kop><al>Rechten welke zijn verkregen op grond van de Re-integratieverordening
                            Wet werk en bijstand 2005, en de Re-integratieverordening Wet werk en
                            bijstand 2009 blijven onverlet voor de duur dat er aanspraak is op deze
                            rechten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Participatieverordening
                            2010”.</al><al>Aldus besloten door de Raad van de Gemeente Rijswijk, in zijn openbare
                            vergadering van 15 december 2009</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING OP DE PARTICIPATIEVERORDENING</tussenkop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>1 – Nummering en formulering van de verordening</tussenkop><al>De nummering en formulering van deze verordening zijn zoveel mogelijk in
                    overeenstemming met de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr.) van de
                    VNG.</al><tussenkop>2 – Opbouw artikelen:</tussenkop><al>In de artikelen wordt eerst de hoofdregel omschreven en daarna de uitzonderingen
                    op de hoofdregel of een nadere definiëring van hetgeen in de hoofdregel is
                    omschreven. </al><tussenkop>3 – Gehanteerde begrippen</tussenkop><al>In deze verordening is gekozen zoveel mogelijk gebruik te maken van het begrip
                    belanghebbende. </al><al>Dit is in overeenstemming met voornoemde Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving (Adr.). Hierin wordt bepaald dat, met betrekking tot de terminologie
                    van regelgeving, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden gevolgd. In
                    artikel 1:2 Awb wordt onder het begrip belanghebbende verstaan: degene wiens
                    belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken. Zou hiervan worden afgeweken en
                    worden gekozen voor het begrip bijstands- of uitkeringsgerechtigde dan zou
                    daarvan een aparte begripsomschrijving dienen te worden opgenomen. De term
                    belanghebbende is neutraler. </al><tussenkop> INLEIDING</tussenkop><tussenkop>Opdracht college.</tussenkop><al>Op grond van de WWB en de wet STAP heeft het college de opdracht om zorg te
                    dragen voor de re-integratie en participatie van bijstandsgerechtigden,
                    uitkeringsgerechtigden, niet- uitkerings- gerechtigden die aan de daaraan te
                    stellen criteria voldoen (nuggers), belanghebbenden met een uitkering krachtens
                    de Algemene nabestaandenwet, (anw-ers) en belanghebbenden die onder de strekking
                    van artikel 10 tweede lid WWB vallen. </al><al>Op grond van de WWB en de wet STAP is de gemeenteraad gehouden om een
                    verordening vast te stellen waarin de kaders voor het beleid van de gemeente ten
                    aanzien van haar participatietaak worden neergelegd. Tevens dient in deze
                    verordening de aanspraak van belanghebbenden op ondersteuning bij re-integratie
                    vastgelegd te worden.</al><al>De basis voor deze verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder a en
                    e en tweede lid van de WWB, artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 10a van
                    de WWB. Uit de WWB vloeit voort dat, naast het participatiebeleid in algemene
                    zin, in de verordening of beleidsregels tenminste de volgende zaken moeten
                    worden geregeld:</al><lijst><li nr="·"><al>het beleid ten aanzien van de categorieën van personen die onder de
                            doelgroep vallen;</al></li><li nr="·"><al>een omschrijving van de verschillende voorzieningen;</al></li><li nr="·"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken.</al></li></lijst><tussenkop>Participatieverordening</tussenkop><al>Er is voor gekozen om de naam Re-integratieverordening te wijzigen in
                    Participatieverordening. De reden is dat participatie een bredere betekenis
                    heeft dan re-integratie. Met de Participatieverordening wordt beoogd zoveel
                    mogelijk mensen te laten meedoen. De gemeente Rijswijk focust op het bevorderen
                    van de arbeidsparticipatie en op het stimuleren van de sociale en
                    maatschappelijke participatie indien dit de kans op deelname aan het
                    arbeidsproces bevordert.</al><tussenkop>Procedurele opzet verordening.</tussenkop><al>In tegenstelling tot een inhoudelijk uitgebreide Participatieverordening, waarin
                    het beleid voor langere duur is vastgelegd, is gekozen voor een procedurele
                    opzet van de Participatieverordening. Dit past ook in het duale stelsel. Het
                    houdt in dat in de Participatieverordening enkel datgene is opgenomen wat op
                    grond van de wet in de Participatieverordening vastgelegd dient te worden. De
                    Participatieverordening beperkt zich derhalve tot: </al><lijst><li nr="·"><al>enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college, </al></li><li nr="·"><al>de aanspraak op voorzieningen, </al></li><li nr="·"><al>de inzet van voorzieningen en de rechten en plichten van de
                            belanghebbende, </al></li><li nr="·"><al>de wijze waarop in de gemeente het beleid bepaald wordt, </al></li><li nr="·"><al>hoe de verhouding tussen de gemeenteraad en het college is. </al></li><li nr="·"><al>het opnemen van een algemeen artikel betreffende loonkostensubsidies
                            daar de aard van deze voorziening een regeling in de verordening
                            noodzakelijk maakt. </al></li></lijst><al>Het overige is vastgelegd in beleidsregels of in delegatie
                    (uitvoeringsbesluiten) aan het college. Het </al><al>voordeel van het regelen in beleidsregels is dat hiermee flexibeler kan worden
                    omgegaan. De procedurele opzet van de participatieverordening stelt het college
                    eveneens in staat om de noodzakelijke individualisering met betrekking tot de
                    arbeidsinpassing mogelijk te maken. Anders gezegd: om het vereiste maatwerk te
                    kunnen leveren.</al><tussenkop>Relatie met de Afstemmingsverordening 2010.</tussenkop><al>De WWB vraagt tevens aan gemeenten een verordening op te stellen waarin het
                    samenstel van de rechten en plichten van de belanghebbende wordt geregeld. Dit
                    samenstel van rechten en plichten is in de “Afstemmingsverordening 2010”
                    opgenomen. De Participatieverordening en de Afstemmingsverordening zijn nauw met
                    elkaar verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject gericht op
                    arbeidsinpassing kunnen sancties worden verbonden indien de belanghebbende ter
                    zake deze verplichting in verzuim is. Dit kan gevolgen hebben voor de hoogte van
                    de uitkering. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de beide verordeningen
                    geïntegreerd worden. Daar het college aan de verlening van bijstand of een
                    uitkering ook verplichtingen kan verbinden die geen enkele of geen directe
                    relatie hebben met re-integratie, is gekozen voor separate verordeningen. Wel is
                    er een duidelijke relatie gelegd tussen de Afstemmings- en de
                    Participatieverordening.</al><tussenkop>Relatie Participatieverordening en Verordening Werkleeraanbod</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet investering jongeren (WIJ) is het
                    noodzakelijk geworden nadere regels te stellen voor de bewuste doelgroep die
                    onder de nieuwe wet valt.</al><al>In de Participatieverordening wordt een aanbod gedaan voor WWB, IOAZ, IOAW en de
                    wet Stap. Hierbij geldt dat het re-integratiebeleid in een verordening moet
                    worden vast gelegd. Het gaat daarbij om dezelfde onderwerpen als in het
                    werkleeraanbod. Echter niet alle voorzieningen die in de Participatieverordening
                    worden aangeboden zijn ook voor jongeren beschikbaar. Dit geldt bijvoorbeeld
                    voor participatieplaatsen en voor vrijlating van inkomsten uit arbeid en
                    premies. In de Participatieverordening WWB moet uitdrukking gegeven worden aan
                    een evenwichtige benadering van de doelgroepen van de WWB (artikel 8, tweede lid
                    onderdeel a WWB), terwijl in de WIJ geldt, dat jongeren een recht krijgen op een
                    werkleeraanbod en de gemeente een plicht krijgt hen zo’n aanbod te doen. Het
                    re-integratie-instrumentarium zal dus met voorrang aan jongeren ter beschikking
                    moeten worden gesteld. Daarnaast kan blijken dat er specifiek beleid voor
                    jongeren wenselijk is. Om deze redenen hebben wij gekozen voor een aparte
                    Participatieverordening en een Verordening Werkleeraanbod, ondanks dat er een
                    overlap zit in de instrumenten die gehanteerd worden. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN </tussenkop><al>In hoofdstuk 1 worden de definities van de omschreven begrippen gegeven </al><tussenkop>HOOFDSTUK 2– OPDRACHT COLLEGE EN BELEID </tussenkop><al>In hoofdstuk 2 is de opdracht aan het college geformuleerd over de wijze waarop
                    uitvoering dient te worden gegeven aan de ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                    van bepaalde doelgroepen. De (beleids)kaders waarbinnen die opdracht dient te
                    worden uitgevoerd, zullen daar waar noodzakelijk in beleidsregels nader worden
                    uitgewerkt. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 – VOORZIENINGEN, SUBSIDIES EN PREMIES</tussenkop><al>In hoofdstuk 3 zijn de algemene bepalingen opgenomen over voorzieningen,
                    waaronder begrepen de mogelijkheid om nadere verplichtingen te kunnen verbinden
                    aan de inzet van een voorziening en de reden van beëindiging. De
                    loonkostensubsidie is opgenomen en de daaraan te verbinden subsidie- en
                    budgetplafonds. Tevens is de mogelijkheid van premieverstrekking aan de
                    werkgever en de belanghebbende opgenomen. </al><al>Met een voorziening die ook in de vorm van een subsidie wordt toegekend wordt
                    een persoonsgebonden re-integratiebudget bedoeld.</al><al>De onbeloonde additionele werkzaamheden – participatiebanen genoemd- hebben als
                    belangrijkste doel het opdoen van vaardigheden in een instelling of bedrijf,
                    waardoor uitstroom naar betaald werk (op termijn) mogelijk wordt gemaakt. De Wet
                    stimulering arbeidsparticipatie( Wet STAP) verplicht de raad hierover in de
                    verordening regels te stellen. Het gaat hierbij over het aanbieden van scholing
                    of opleiding aan de belanghebbende die niet beschikt over een startkwalificatie
                    en om het stellen van regels met betrekking tot het verlenen van een premie. De
                    hoogte van de premie wordt door de raad vastgesteld en wordt op basis van
                    dwingende wettelijke voorschriften iedere 6 maanden verstrekt.</al><al>Om in te kunnen spelen op de behoefte om in een experimentele vorm een
                    specifieke voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling te kunnen
                    aanbieden, is een innovatie artikel opgenomen waarmee de financiële basis wordt
                    gelegd om te kunnen experimenteren met voorzieningen die in het kader van de
                    arbeidsinschakeling aangeboden kunnen worden. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 - VERPLICHTINGEN </tussenkop><al>In algemene termen worden in dit hoofdstuk de verplichtingen benoemd met
                    betrekking tot de </al><al>(re)-integratie naar werk van de belanghebbende met een nabestaanden- of
                    halfwezenuitkering, de niet-uitkeringsgerechtigde en de belanghebbende die
                    vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van deze
                    groepen behoort. De verplichtingen met betrekking tot re-integratie die
                    verbonden zijn aan de verlening van bijstand of een IOAW of IOAZ-uitkering zijn
                    opgenomen in de WWB, de IOAW, IOAZ of de wet Stap en behoeven daarom niet
                    opgenomen te worden in deze verordening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 – SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al>Dit hoofdstuk behoeft geen nadere toelichting daar de inhoud voor zich
                    spreekt.</al><tussenkop> TOELICHTING PER ARTIKEL </tussenkop><tussenkop>Artikel 1:1 – Begripsomschrijvingen </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet> In aanwijzing 20 voor de decentrale regelgeving is bepaald dat
                    voor lagere overheden met</al><al> betrekking tot de terminologie in een regeling de Algemene wet bestuursrecht,
                    de Provincie- of Gemeentewet en zo nodig de Europese en internationale
                    regelgeving, wordt gevolgd. Daarbij geldt tevens dat regels uit een hogere
                    wettelijke regeling niet worden herhaald in een provinciale of gemeentelijke
                    regeling. Om hieraan tegemoet te komen is in het eerste lid bepaald dat alle
                    begrippen die niet nader worden omschreven in de verordening dezelfde
                    omschrijving hebben als in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet werk en
                    bijstand (WWB) of de van toepassing zijnde wet. Deze systematiek zorgt in de
                    uitvoeringspraktijk voor een uniforme hantering van de diverse begrippen.</al><al><vet>Lid 2</vet> De begrippen zijn in een logische volgorde gerangschikt. Het
                    aantal begrippen is beperkt tot</al><al>hetgeen noodzakelijk is.</al><tussenkop>Artikel 2:1 – Opdracht college</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet> In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven
                    analoog aan artikel 7 van de</al><al> WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie. Tevens
                    biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college specifieke opdrachten mee
                    te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om uitstroom uit
                    bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren. In de WWB is in artikel 10 derde
                    lid aangegeven dat de aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen
                    die ook daadwerkelijk inwoners van de gemeente zijn, door middel van een
                    verwijzing naar artikel 40, eerste lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan
                    de opdracht aan het college te koppelen, wordt aangegeven dat de voorzieningen
                    alleen voor de eigen doelgroep in gezet kunnen worden.</al><al><vet>Lid 2</vet> Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat
                    het college evenwichtige</al><al> aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet houden met
                    de</al><al>combinatie arbeid en zorg. In de beleidsregels komt vervolgens tot uiting hoe
                    dit punt uitgewerkt wordt.</al><al><vet>Lid 3</vet> Met het derde lid geeft de gemeenteraad het college de
                    specifieke opdracht een zodanig</al><al> aanbod van voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk belanghebbenden
                    ondersteund</al><al> kunnen worden. Dit is met name van belang omdat het college de aanspraak op
                    een</al><al> voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is. Er dient
                    altijd een</al><al> alternatief voorhanden te zijn.</al><al><vet>Lid 4</vet> In het vierde lid worden kaders en criteria aangegeven voor
                    prioritering van het aanbod van</al><al>voorzieningen.</al><al><vet>Lid 5</vet> Het vijfde lid is een vertaling van artikel 7, derde lid, WWB,
                    waarin is geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen
                    gemeente en UWV zoals neergelegd in de Wet Suwi, het college aan
                    belanghebbenden, die van het UWV een uitkering ontvangen, een voorziening kan
                    aanbieden. Op basis van de Wet Participatiebudget is het mogelijk om ook voor
                    personen die in een andere gemeente wonen voorzieningen in te zetten. </al><al><vet>Lid 6</vet> Het zesde lid definieert de voorwaarde waaronder het vijfde lid
                    toegepast kan worden</al><al><vet>Lid 7</vet>In het zevende lid is geregeld dat het college, indien het
                    college dit noodzakelijk acht, de</al><al> voorziening of voorzieningen door derden kan laten uitvoeren.</al><tussenkop>Artikel 2:2 – Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:2 – Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet> De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op
                    voorzieningen in de verordening geregeld moet worden. Immers, het is al in de
                    WWB zelf geregeld. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen
                    een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen in het eerste lid. Niet
                    opgenomen is de mogelijkheid om (gemotiveerd) te kunnen afwijken van een advies
                    van het UWV werkbedrijf. Deze mogelijkheid volgt al uit artikel 3:50 Awb.</al><al><vet>Lid 2</vet> In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de
                    algemene aanspraak van de</al><al>belanghebbende en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van
                    voorzieningen.</al><al><vet>Lid 3</vet> In het derde lid wordt de uitsluitingsgrond omschreven.</al><tussenkop>Artikel 2:3 – Beleidsregels </tussenkop><al>Zoals ook in de inleiding is gesteld, geeft de WWB aan de gemeenteraad de
                    opdracht om het </al><al>participatiebeleid in een verordening vast te leggen. In deze verordening is
                    gekozen voor een systematiek waarbij niet alles in de verordening wordt
                    geregeld, maar waarbij ook gebruik gemaakt wordt van beleidsregels en
                    uitvoeringsbesluiten.</al><al><vet>Lid 1</vet> Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de
                    verordening, beleidsregels</al><al> opstelt. </al><al><vet>Lid 2</vet>In het tweede lid is geregeld welke onderwerpen in ieder
                    geval in de beleidsregels aan de</al><al> orde dienen te komen. Deze vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Het staat het
                    college vrij</al><al> daar andere onderdelen aan toe te voegen.</al><tussenkop>Sluitende aanpak</tussenkop><al>Er is geen bepaling met betrekking tot een sluitende aanpak opgenomen daar de
                    WWB geen bepaling kent over een sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat
                    door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende aanpak
                    ontstaat. </al><tussenkop>Artikel 3:1 – Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet>In de lijn van de systematiek van deze verordening, strekt
                    dit artikel ertoe enkele zaken te</al><al>regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die voorzieningen die
                    niet met name in de beleidsregels zijn opgenomen. Het eerste lid geeft daarom
                    aan dat de beleidsregels geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al><al><vet>Lid 2</vet> Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een
                    voorziening nadere verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van
                    diverse aard zijn. </al><al><vet>Lid 3</vet> Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen het college dit kan doen. Onder beëindigen wordt
                    hierbij ook verstaan het stopzetten van de</al><al> subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een
                    detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend
                    de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Een bijzonder aandachtspunt is
                    hier het uitbesteden van voorzieningen aan contractanten, (veelal
                    re-integratiebedrijven). Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit
                    handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract met de
                    contractant wordt verklaard dat de re- integratieverordening en de daarop
                    gebaseerde beleidsregels onverkort van toepassing zijn.</al><al><vet>Lid 4</vet> Het vierde lid heeft betrekking op belanghebbenden met een
                    Wsw-indicatie of her-indicatie.</al><al><vet>Lid 5</vet>Om te voorkomen dat een voorziening beëindigd wordt door
                    werkaanvaarding, terwijl de inzet van de voorziening nog feitelijk noodzakelijk
                    is, bijvoorbeeld bij scholing die nog niet is afgerond maar welke scholing wel
                    noodzakelijk voor het kunnen behouden van de arbeid, is in dit lid de
                    mogelijkheid open gelaten dat de voorziening nog voortduurt indien dit naar het
                    oordeel van het college noodzakelijk is.</al><al><vet>Lid 6</vet> Het zesde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                    voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om de
                    uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te laten. </al><al><vet>Lid 7</vet> Het zevende lid is een logisch vervolg op het zesde lid en
                    definieert welke criteria in ieder geval in de beleidsregels opgenomen kunnen
                    worden. </al><al><vet>Lid 8</vet> De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft
                    betrekking op de doelgroep </al><al> niet-uitkeringsgerechtigen (nuggers). Immers, van deze groep is het niet
                    vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een
                    eigen bijdrage, gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn
                    plaats zijn. </al><tussenkop>Artikel 3:2 – Innovatie voorzieningen</tussenkop><al>Om in te kunnen spelen op de behoefte om in een experimentele vorm een
                    specifieke voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling te kunnen
                    aanbieden, is in dit artikel de mogelijkheid daartoe geschapen. Tevens is
                    daartoe een financieel kader gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 3:3 – Loonkostensubsidies </tussenkop><al>Voor het verlenen van subsidies is een wettelijke basis in een verordening
                    vereist. Vandaar dat er naast het algemene artikel over voorzieningen een
                    artikel is opgenomen die deze basis biedt. Daarin is, in lijn met het
                    procedurele karakter van deze verordening, alleen het minimale
                        geregeld<vet>.</vet></al><tussenkop>Artikel 3:4 – Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing</al><al>van een aanvraag om ondersteuning of een voorziening. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. In de begroting stelt de Raad op
                    hoofdlijnen het te voeren participatiebeleid vast. De hoogte van het in te
                    zetten participatiebudget is gelijk aan de gelden die door het Rijk aan de
                    gemeente voor dit doel beschikbaar zijn gesteld. Daarmee wordt aan het college
                    de mogelijkheid geboden om invulling te geven aan de aan haar gegeven opdracht
                    om met de inzet van verschillende voorzieningen ondersteuning te bieden aan de
                    arbeidsinschakeling van bepaalde doelgroepen. Een voorziening kan als een
                    subsidie worden toegekend in de vorm van persoonsgebonden re-integratiebudget. </al><al>Het college kan indien voorzien wordt dat de beschikbare budgetten overschreden
                    zullen worden, een verdeling maken van de middelen over de verschillende
                    voorzieningen om de financiële risico’s te kunnen beheersen. Het uitgeput zijn
                    van begrotingsposten kan namelijk op zich nooit een reden zijn om aanvragen voor
                    voorzieningen te weigeren. Om het weigeren van een voorziening mogelijk te
                    kunnen maken is in de verordening vastgelegd dat plafonds door het college
                    kunnen worden ingesteld. Het college dient na te gaan welke andere alternatieven
                    er dan beschikbaar zijn. Dit laat de mogelijkheid open dat er een andere
                    voorziening kan worden ingezet. </al><al>Het opnemen in de verordening dat het college nadere regels stelt ten aanzien
                    van, onder andere, de duur en de hoogte van een voorziening, voorkomt daarmee
                    een ongewenste overschrijding van de beschikbare middelen. Bij de vaststelling
                    van de plafonds kan verwezen worden naar de bedragen die in een beleidsplan of
                    in de (programma)begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                    gereserveerd. </al><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. </al><al>Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                    weigeringsgrond bij de aanspraak op de desbetreffende voorziening. </al><al>Op grond van artikel 4:27, eerste lid Awb dient een subsidieplafond
                    bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt. Een budgetplafond
                    geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Indien er geen budget- of subsidieplafond kan worden vastgesteld,
                    kan het college besluiten een plafond in te stellen aan het aantal personen dat
                    gebruik kan maken van de subsidie. Zodra het college een situatie voorziet,
                    waarin het instellen van een subsidie- of budgetplafond gewenst is, kan zij deze
                    subsidie- of budgetplafonds in beleidsregels vastleggen.</al><tussenkop>Artikel 3:5– Premies</tussenkop><al>Voor het verstrekken van premies is een wettelijke basis in een verordening
                    vereist. Vandaar dat er naast het algemene artikel over voorzieningen een
                    artikel is opgenomen dat deze basis biedt. Daarin is, in lijn met het
                    procedurele karakter van deze verordening, alleen het minimale geregeld.
                    Regeling op detail niveau geschiedt in de beleidsregels voorzover er besloten
                    wordt om hieraan invulling te geven. </al><tussenkop>Artikel 3:6 - Participatieplaatsen</tussenkop><al>De Wet stimulering arbeidsparticipatie (Stap) regelt dat werkgevers onder
                    bepaalde voorwaarden loonkostensubsidie kunnen krijgen als zij mensen in dienst
                    nemen die moeilijk aan werk kunnen komen. Daarnaast is in deze wet opgenomen dat
                    mensen met een uitkering die moeilijk aan de slag komen, werkervaring op kunnen
                    doen met behoud van hun uitkering. Dit zijn de zogenaamde
                    participatieplaatsen.</al><al>Daarnaast ontvangt de belanghebbende telkens nadat hij 6 maanden additionele
                    werkzaamheden heeft verricht een premie. Voorwaarde is wel dat hij voldoende
                    heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces. De gemeente is verplicht hier aan uitvoering te geven indien het
                    UWV hiertoe verzoekt.</al><al>Artikel 8, eerste lid, onderdelen e en f, van de WWB verlangt van de
                    gemeenteraad dat zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie,
                    alsmede de eventuele inzet van scholing of opleiding, zo sprake is van een
                    persoon die algemene bijstand ontvangt en die in het kader van een door het
                    college aangeboden voorziening, zijnde een participatieplaats, onbeloonde
                    additionele arbeid verricht. Daarbij vraagt artikel 8, tweede lid van de WWB
                    specifiek om regels te stellen met betrekking tot de hoogte van de premie in
                    relatie tot de armoedeval. Daarnaast geeft de Memorie van Toelichting aan dat
                    deze regels tevens kunnen zien op de hoogte van de premie in relatie tot de
                    inspanningen van de betrokkene. Bij de vaststelling van de hoogte van de premie
                    moet overwogen worden dat de premie van dien aard moet zijn dat deze geen risico
                    vormt met betrekking tot de armoedeval. Bij de vaststelling van het bedrag is
                    aansluiting gezocht bij het vrijlaten van inkomsten uit arbeid, zoals
                    vastgesteld in de artikel 31 lid 2 sub o WWB. </al><tussenkop>Artikel 4:1 – Verplichtingen van de belanghebbende</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet> In de WWB, de IOAW en de IOAZ is al uitgebreid aangegeven welke
                    verplichtingen aan het</al><al> recht op de verleende bijstand of de verstrekte uitkering zijn verbonden. Uit
                    oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste lid de verplichtingen
                    conform de van toepassing zijnde wetgeving aangehaald.</al><al><vet>Lid 2</vet> In het tweede lid is vastgelegd dat het college nadere
                    voorwaarden in beleidsregels kan</al><al> vastleggen.</al><al><vet>Lid 3</vet> Het tweede lid legt de verbinding met de Afstemmingsverordening
                    en het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ. In onderdeel a. is omschreven dat
                    de Afstemmingsverordening 2010 de afstemming van het recht op bijstand regelt
                    indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. In
                    onderdeel b. is omschreven dat het Maatregelenbesluit dit regelt voor personen
                    met een uitkering ingevolge de IOAW of IOAZ. </al><al><vet>Lid </vet><vet>4</vet> : Op grond van de daarop betrekking hebbende
                    jurisprudentie is terugvordering van personen</al><al>als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, onderdeel f. niet mogelijk (Uitspraak Rb
                    Groningen van 23-07-2007, LJN BB4426). Dit geldt ook voor personen die wel
                    aanspraak kunnen maken op ondersteuning of een voorziening maar niet tot de
                    categorie behoren als is omschreven in artikel 1:1, tweede lid, onderdeel f. van
                    deze verordening.</al><al>Een besluit tot terugvordering van de kosten van een voorziening kan niet
                    gebaseerd zijn op artikel 58 WWB daar dit artikel ziet op terugvordering van
                    kosten van verleende bijstand. Het besluit tot terugvordering van de kosten van
                    participatie kan eveneens niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van
                    artikel 1:3, eerste lid, Awb daar de door het college gemaakte kosten
                    voortvloeien uit een privaatrechterlijke overeenkomst, te weten de
                    trajectovereenkomst, die is gesloten door personen als bedoeld in artikel 1:1,
                    tweede lid, onderdeel f. en het college. Om deze reden dient in de
                    trajectovereenkomst opgenomen te worden dat indien de persoon, anders dan de
                    uitkeringsgerechtigde, niet aan de aan de voorziening verbonden verplichting
                    voldoet en op deze grond de voorziening voortijdig beëindigd wordt, deze persoon
                    gehouden is de tot dan toe door het college gemaakte kosten voor de voorziening,
                    terug te betalen. Indien dit geweigerd wordt dient, ter verkrijging van een
                    executoriale titel, een civiele procedure gestart te worden. </al><tussenkop>Artikel 5:1 – Uitvoering</tussenkop><al>In dit artikel is vastgelegd dat het college bevoegd is de verordening uit te
                    voeren. Onder college dient tevens begrepen te worden die personen aan wie op
                    grond van afdeling 10.1.1. van de Awb mandaat is verleend om in naam van het
                    college besluiten te nemen.</al><tussenkop>Artikel 5:2 – Hardheidclausule</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 5:3 – Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 5:4 – Intrekking</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 5:5 – Uitvoering</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 5:6 – Citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt dan ook niet verder toegelicht.</al><tussenkop>LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN</tussenkop><al>Adr.- Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al><al>Awb - Algemene wet bestuursrecht</al><al>CRvB - Centrale Raad van Beroep</al><al>EG - Europese gemeenschap</al><al>IOAW - Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    werkloze werknemers</al><al>IOAZ - Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen</al><al>LJN - Landelijk jurisprudentie nummer</al><al>RB - Rechtbank</al><al>SUWI - Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</al><al>SZW - Sociale Zaken en Werkgelegenheid</al><al>UWV - Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen werkplein</al><al>VNG - Vereniging Nederlandse Gemeenten</al><al>WI - Wet inburgering</al><al>Wsw - Wet sociale werkvoorziening</al><al>WWB - Wet werk en bijstand</al><al>STAP - Wet Stimulering arbeidsparticipatie</al><al>WEB - Wet educatie beroepsonderwijs</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>