<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR1995_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2004, nr. 4</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente
                            Hardenberg 2004</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Hardenberg;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 27 januari 2004
                        no.2003/JKNE/;</al><al>Gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet en artikel 4:23 eerste
                        lid van de Algemene wet bestuursrecht; </al><al><vet>BESLUIT: </vet></al><al>Vast te stellen de volgende:</al><al><vet>“Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente
                            Hardenberg 2004”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad: de gemeenteraad van Hardenberg;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Hardenberg;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="d."><al>uitvoeringsovereenkomst: een overeenkomst als bedoeld in artikel
                                    4:36 van de wet tussen het college en de subsidieontvanger,
                                    waarin afspraken zijn opgenomen met betrekking tot meetbare
                                    producten, prestaties en activiteiten, die worden uitgevoerd in
                                    relatie tot het subsidiebedrag dat voor een vastgesteld tijdvak
                                    is verleend;</al></li><li nr="e."><al>beroepskracht: de persoon die als werknemer in loondienst is bij
                                    het bestuur van een instelling, die optreedt als werkgever;</al></li><li nr="f."><al>instelling: de rechtspersoon, die zich ten doel stelt zonder
                                    winstoogmerk producten, prestaties en/of activiteiten te
                                    verrichten ten behoeve van de ingezetenen van de gemeente;</al></li><li nr="g."><al>kalenderjaar: het jaar waarop de subsidie betrekking heeft,
                                    lopende van1 januari tot en met 31 december;</al></li><li nr="h."><al>jaarprogramma welzijnsactiviteiten: een jaarlijks door het
                                    college vastgesteld overzicht van te verlenen structurele
                                    subsidies op het terrein van welzijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is de grondslag voor het verstrekken van subsidies
                                voor activiteiten, die worden uitgevoerd op de volgende terreinen
                                van cultuur, sport en welzijn:</al><lijst><li nr="a."><al>amateuristische kunstbeoefening;</al></li><li nr="b."><al>creativiteitsontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al>gezondheidszorg; </al></li><li nr="d."><al>jeugd- en jongerenwerk;</al></li><li nr="e."><al>kinderopvang en peuterspeelzalen;</al></li><li nr="f."><al>maatschappelijke dienstverlening;</al></li><li nr="g."><al>muziekonderwijs;</al></li><li nr="h."><al>openbaar bibliotheekwerk;</al></li><li nr="i."><al>oudheidkamer en musea;</al></li><li nr="j."><al>sociaal-cultureel werk;</al></li><li nr="k."><al>sportstimulering;</al></li><li nr="l."><al>vormings- en ontwikkelingswerk met volwassenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De activiteiten waarvoor een structurele subsidie wordt verstrekt
                                zijn, voor zover deze het welzijnsterrein betreffen, opgenomen in
                                het jaarprogramma welzijnsactiviteiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidievormen</titel></kop><al>Bij het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening kunnen
                            de volgende subsidievormen met de hierna aangegeven betekenis worden
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="a)"><al>structurele, per kalenderjaar verstrekte, subsidie:</al><al>een subsidie die van jaar tot jaar beschikbaar wordt gesteld ten
                                    behoeve van activiteiten die een continu karakter dragen;</al></li><li nr="b)"><al>incidentele subsidie:</al><al>een subsidie die wordt verstrekt voor activiteiten die een
                                    éénmalig of projectmatig karakter dragen;</al></li><li nr="c)"><al>waarderingssubsidie:</al><al>een incidentele of een structurele subsidie die onafhankelijk
                                    van de exploitatieresultaten ter beschikking wordt gesteld en is
                                    bedoeld om een bepaalde activiteit aan te moedigen of te
                                    ondersteunen.</al></li><li nr="d)"><al>budgetsubsidie: </al><al>subsidie welke voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar wordt
                                    verleend aan instellingen die beroepskrachten in dienst hebben
                                    en waarbij een uitvoeringsovereenkomst met de instelling is
                                    gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan jaarlijks, bij de vaststelling van de gemeentebegroting,
                                voor één of meer onderdelen van cultuur, sport of welzijn een
                                subsidieplafond vaststellen, zoals bedoeld in artikel 4:25 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het besluit waarbij het subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt
                                tevens aangegeven hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II</nr><titel>De subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvragen eenmalige subsidies</titel></kop><al>Een aanvraag voor een eenmalige subsidie dient uiterlijk acht weken voor
                            het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van de
                            voorgenomen activiteit, bij het college te worden ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvragen structurele subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een structurele subsidie dient te worden ingediend
                                vóór 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
                                subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een afwijkende termijn vaststellen of ontheffing
                                verlenen van de verplichting om een aanvraag voor de in lid 1
                                bedoelde termijn in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie dient gebruik te worden gemaakt van de
                                daarvoor bestemde aanvraagformulieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Algemene uitgangspunten voor het verstrekken
                                van subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor de bekostiging van
                                activiteiten die van belang zijn voor de gemeente Hardenberg en/of
                                haar inwoners.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die geen
                                partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming
                                beogen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens voor zover er sprake is van een op een specifieke
                                doelgroep gerichte activiteit, wordt alleen subsidie verstrekt voor
                                activiteiten, die open staan voor alle groeperingen of personen,
                                zonder onderscheid naar ras, godsdienst, levensovertuiging, sekse of
                                seksuele geaardheid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen die zonder
                                winstoogmerk werkzaam zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het college subsidie verlenen aan
                                instellingen zonder volledige rechtspersoonlijkheid of aan
                                natuurlijke personen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De subsidie kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de wet
                            genoemde gevallen geweigerd worden indien gegronde redenen bestaan aan
                            te nemen dat:</al><lijst><li nr="a)"><al>de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de
                                    gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van
                                    de gemeente;</al></li><li nr="b)"><al>de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor
                                    het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="c)"><al>de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende
                                    gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                    derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te
                                    dekken;</al></li><li nr="d)"><al>de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de
                                    gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing op een aanvraag in het kader van het jaarprogramma
                                welzijnsactiviteiten wordt genomen binnen acht weken na de
                                vaststelling van het jaarprogramma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Minimum subsidiebedrag</titel></kop><al>Om voor een subsidie op het terrein van welzijn in aanmerking te komen
                            dient het subsidiebedrag tenminste € 100,-- te bedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Het college beslist over het verlenen van subsidies, voor zover de raad
                            voor de betreffende subsidie een budget heeft beschikbaar gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie kan het college een
                                voorschot uitbetalen. Dit voorschot bedraagt maximaal 100% van het
                                verleende bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking tot subsidieverlening zullen worden vermeld het
                                aantal termijnen, de termijnbedragen en de data waarop deze
                                uitbetaald zullen worden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de wet
                                voor structurele subsidies</titel></kop><al>Voor zover bij de subsidieverlening niet anders is bepaald, is afdeling
                            4.2.8 van de wet van toepassing op het aanvragen en verstrekken van
                            structurele subsidies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Handelingen waarvoor de subsidieontvanger
                                toestemming nodig heeft</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft toestemming van het college voor de in
                                artikel 4:71 lid 1 onder a tot en met j van de wet genoemde
                                handelingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de subsidieverlening kan vrijstelling van het
                                toestemmingsvereiste voor één of meer van de genoemde handelingen
                                worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de subsidieverlening kan tevens worden bepaald dat ook voor
                                andere dan de hiervoor bedoelde handelingen toestemming van het
                                college nodig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien dit bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de
                                subsidieontvanger een egalisatiereserve van niet meer dan 20% van de
                                laatstelijk verstrekte subsidie. De jaarlijkse toevoeging aan de
                                egalisatiereserve bedraagt niet meer dan 5% van de in dat jaar
                                verstrekte subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij beëindiging van de subsidieverhouding als bedoeld in artikel
                                4:41, lid 2, sub c, d en e van de wet stort de subsidieontvanger de
                                aanwezige egalisatiereserve, voor zover deze is ontstaan door
                                gemeentelijke subsidies, terug in de gemeentekas. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de subsidieverlening kan worden bepaald of en zo ja in welke
                                mate de subsidieontvanger is toegestaan met gemeentesubsidie
                                reserves te vormen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Reserves die met gemeentesubsidie zijn opgebouwd mogen alleen worden
                                besteed aan kosten die direct verband houden met de uitvoering van
                                door de gemeente gesubsidieerde activiteiten, voor zover deze niet
                                bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd is de
                                subsidieontvanger verplicht het met gemeentesubsidie opgebouwde
                                vermogen onmiddellijk aan de gemeente terug te betalen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Financieel verslag, balans en
                                exploitatierekening</titel></kop><al>Wanneer de subsidieontvanger zijn inkomsten niet geheel, maar wel voor
                            meer dan 50% ontleent aan de subsidie en het subsidiebedrag hoger is dan
                            € 5.000,-- is artikel 4:76 van de wet van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Accountantsverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald, geldt voor
                                subsidies van minder dan €. 250.000,-- per boekjaar niet de
                                verplichting tot het afgeven van een accountantsverklaring, zoals
                                bedoeld in artikel 4:78 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:79 van de wet geldt slechts voor zover dit bij de
                                subsidieverlening is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen accountantsverklaring wordt verlangd, kunnen bij de
                                subsidieverlening andere voorschriften worden gesteld met betrekking
                                tot het onderzoek van het financiële verslag. Wanneer de
                                subsidieontvanger een vereniging is, kan dit inhouden dat het
                                verslag van de kascommissie, zoals bedoeld in artikel 2:48, lid 2
                                van het Burgerlijk Wetboek, dient te worden overgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>IV</nr><titel>De subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indienen aanvraag tot
                                subsidievaststelling</titel></kop><al>De subsidieontvanger dient binnen zeventien weken na afloop van het
                            kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij
                            het college bij de subsidieverlening anders heeft bepaald.</al><al>Deze aanvraag gaat vergezeld van de inhoudelijke en financiële
                            verantwoording (jaarrekening).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>De beslistermijn</titel></kop><al>Het college stelt de subsidie vast binnen acht weken na ontvangst van de
                            aanvraag tot subsidievaststelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Eenvoudige structurele subsidies</titel></kop><al>Bij eenvoudige structurele subsidies, waarbij het subsidiebedrag niet
                            hoger is dan € 1.500,-- kunnen de beschikking tot subsidieverlening en
                            subsidievaststelling samenvallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>V</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verslag</titel></kop><al>Ten aanzien van subsidies, die op grond van deze verordening zijn
                            verstrekt is artikel 4:24 van de wet niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al><vet>In </vet><vet>werkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking zes weken na de
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Op het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de Algemene
                                    subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn, vastgesteld op 20
                                    december 2001, no. 2001/JKNE/30487, ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “ Algemene
                            Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg
                            2004”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de Raad der gemeente Hardenberg van 26 februari 2004.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage bij de Algemene Subsidieverordening Cultuur,
                    Sport en Welzijn gemeente Hardenberg.</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE WET BESTUURSRECHT</tussenkop><tussenkop>Titel 4.2. Subsidies</tussenkop><tussenkop>Afdeling 4.2.1. Inleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:21.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door
                            een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
                            aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                            goederen of diensten.</al></li><li nr="2."><al>Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die
                            voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de
                            heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge
                            de Wet financiering volksverzekeringen.</al></li><li nr="3."><al>Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen
                            die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat
                            uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens
                            publiekrecht zijn ingesteld.</al></li><li nr="4."><al>Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het
                            onderwijs en onderzoek.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:22.</tussenkop><al>Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald
                    tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens
                    een bepaald wettelijk voorschrift.</al><tussenkop>Artikel 4:23.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk
                            voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden
                            verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Indien een zodanig wettelijk voorschrift is opgenomen in een niet op een
                            wet berustende algemene maatregel van bestuur, vervalt dat voorschrift
                            vier jaren nadat het in werking is getreden, tenzij voor dat tijdstip
                            een voorstel van wet bij de StatenGeneraal is ingediend waarin de
                            subsidie wordt geregeld.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al></li></lijst><al>a in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende
                    ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de StatenGeneraal
                    ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is
                    getreden;</al><al>b indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese
                    Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de
                    Europese Gemeenschappen vastgesteld programma wordt verstrekt;</al><al>c indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten
                    hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of</al><al>d in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt
                    verstrekt.</al><al>4.Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een verslag van de verstrekking van
                    subsidies met toepassing van het derde lid, onderdelen a en d.</al><tussenkop>Artikel 4:24.</tussenkop><al>Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste
                    eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de
                    effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
                    is bepaald.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.2. Het subsidieplafond</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:25.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift
                            worden vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de
                            subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.</al></li><li nr="3."><al>Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van
                            een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist, geldt de
                            verplichting van het tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het
                            tijdstip, waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had
                            moeten worden genomen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:26.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare
                            bedrag wordt verdeeld.</al></li><li nr="2."><al>Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling
                            vermeld.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:27.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak
                            waarvoor het is vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt
                            bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien
                            ingediende aanvragen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:28.</tussenkop><al>Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien: </al><al>a de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld
                    ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop
                    de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;</al><al>b het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring
                    van de begroting, en</al><al>c bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van
                    verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.3. De subsidieverlening</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:29.</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een
                    subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven,
                    indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het
                    tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 4:30.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving van de
                            activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de beschikking
                            tot subsidieverlening dit vermeldt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:31.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de
                            subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie
                            niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste
                            kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                            bepaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:32.</tussenkop><al>Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen
                    wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot
                    subsidieverlening wordt vermeld.</al><tussenkop>Artikel 4:33.</tussenkop><al>Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het </al><al>bestuursorgaan of uitsluitend de subsidieontvanger een bepaalde handeling
                    verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat: </al><al>a de subsidieontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter
                    uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, of</al><al>b de subsidieontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een handeling
                    van het bestuursorgaan of van de subsidieontvanger, heeft plaatsgevonden.</al><tussenkop>Artikel 4:34.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die
                            nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de
                            voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks voortvloeit uit
                            het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust.</al></li><li nr="3."><al>De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier
                            weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep
                            heeft gedaan.</al></li><li nr="4."><al>Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een
                            activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande
                            begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde
                            omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.</al></li><li nr="5."><al>In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door een
                            intrekking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:35.</tussenkop><al>1.De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde
                    reden bestaat om aan te nemen dat:</al><al>a de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al><al>b de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen;</al><al>c de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal
                    afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
                    inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang
                    zijn.</al><al>2.De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de
                    aanvrager:</al><al>a in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                    en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zouden hebben geleid, of</al><al>b failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of ten
                    aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
                    is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. </al><tussenkop>Artikel 4:36.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan een
                            overeenkomst worden gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de
                            subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald
                            dat de subsidieontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten
                            waarvoor de subsidie is verleend.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 4.2.4. Verplichtingen van de
                    subsidieontvanger</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:37.</tussenkop><al>1.Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met
                    betrekking tot:</al><al>a aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;</al><al>c het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die
                    nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;</al><al>d de te verzekeren risico's;</al><al>e het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;</al><al>f het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten
                    en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                    vaststelling van de subsidie van belang zijn;</al><al>g het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor </al><al> derden;</al><al>h het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393,
                    eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan
                    gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.</al><al>2.Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt
                    opgelegd, zijn de artikelen 4:3 en 4:4 van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 4:38.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen
                            opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                            subsidie.</al></li><li nr="2."><al>Indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, worden de
                            verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk
                            voorschrift bij de subsidieverlening.</al></li><li nr="3."><al>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kunnen
                            de</al><al> verplichtingen worden opgelegd bij de subsidieverlening.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:39.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                            subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit
                            bij wettelijk voorschrift is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts betrekking
                            hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde
                            activiteit wordt verricht.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:40.</tussenkop><al>De verplichtingen kunnen na de subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover
                    de </al><al>beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.</al><tussenkop>Artikel 4:41.</tussenkop><al>1.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de subsidieontvanger, voor zover
                    het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een
                    vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits:</al><al>a dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op een wettelijk
                    voorschrift berust, bij de subsidieverlening is bepaald, en</al><al>b daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.</al><al>2.De vergoeding is slechts verschuldigd indien:</al><al>a de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of </al><al> bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;</al><al>b de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of
                    beschadiging </al><al> van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;</al><al>c de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;</al><al>d de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de
                    subsidie wordt beëindigd, of</al><al>e de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.</al><al>3.De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de
                    hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding
                    deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de
                    laatste beschikking tot subsidievaststelling.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.5. De subsidievaststelling</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:42.</tussenkop><al>De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en
                    geeft </al><al>aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling
                    4.2.7.</al><tussenkop>Artikel 4:43.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bevat de
                            beschikking tot subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten
                            waarvoor subsidie wordt verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:44.</tussenkop><al>1.Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de
                    subsidieontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de
                    subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in,
                    tenzij:</al><al>a de subsidie met toepassing van artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve wordt
                    vastgesteld;</al><al>b bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de </al><al> aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak
                    waarvoor de subsidie is verleend, of</al><al>c de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in artikel
                    4:36, eerste lid, anders is geregeld.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de
                            aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening
                            te bepalen termijn.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn
                            is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn
                            niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger een
                            termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.</al></li><li nr="4."><al>Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de
                            subsidie ambtshalve worden vastgesteld.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:45.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de
                            activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie
                            verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de
                            activiteiten wordt vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en
                            verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en
                            inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van
                            belang zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:46.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het
                            bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening
                            vast.</al></li><li nr="2."><al>De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:</al></li></lijst><al>a de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                    plaatsgevonden;</al><al>b de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen;</al><al>c de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
                    aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of</al><al>d de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist
                    of behoorde te weten.</al><al>3.Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten
                    van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
                    redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling
                    van de subsidie niet in aanmerking genomen.</al><tussenkop>Artikel 4:47.</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve
                    vaststellen, indien: </al><al>a wordt bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is
                    bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;</al><al>b toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of</al><al>c de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot
                    subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.6. Intrekking en wijziging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:48.</tussenkop><al>1.Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de
                    subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen,
                    indien:</al><al>a de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                    plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al><al>b de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen;</al><al>c de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
                    aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;</al><al>d de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist
                    of behoorde te weten, of</al><al>e met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de
                    voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al><al>2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><tussenkop>Artikel 4:49.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele
                            van de ontvanger</al></li><li nr="1."><al>Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de</al><al> subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken
                            of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen: </al></li></lijst><al>a voor zover de subsidieverlening onjuist is;</al><al>b voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
                    overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie
                    verzetten, of</al><al>c in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.</al><al>2.Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b,
                    vergoedt het bestuursorgaan de schade die de subsidieontvanger lijdt doordat hij
                    in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou
                    hebben gedaan.</al><tussenkop>Artikel 4:51.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende
                            jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde
                            voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering
                            van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat
                            veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen
                            voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten,
                            slechts met inachtneming van een redelijke termijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend
                            sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop
                            aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de
                            subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in
                            afwijking van artikel 4:25, tweede lid.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 4.2.7. Betaling en terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:52.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald,
                            onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></li><li nr="2."><al>Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsidievaststelling
                            betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al></li><li nr="3."><al>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de
                            subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is
                            gegeven, bij de subsidievaststelling, een andere termijn worden bepaald
                            waarbinnen het subsidiebedrag wordt betaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:53.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij wettelijk
                            voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke
                            tijdstippen zij worden betaald.</al></li><li nr="2."><al>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan het
                            subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de
                            subsidieverlening, of indien geen beschikking tot subsidieverlening is
                            gegeven, bij de subsidievaststelling, is bepaald hoe de gedeelten worden
                            berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:54.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen, voor
                            zover dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is
                            bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van het
                            voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:55.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het voorschot worden binnen vier weken na de voorschotverlening betaald,
                            tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening anders is
                            bepaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:56.</tussenkop><al>De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt
                    opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de
                    subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er
                    grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49, tot en met de dag
                    waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de
                    dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn
                    verstreken.</al><tussenkop>Artikel 4:57.</tussenkop><al>Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden
                    teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel
                    de handelingals bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft
                    plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.8. Per boekjaar verstrekte subsidies aan
                    rechtspersonen</tussenkop><tussenkop>§ 4.2.8.1. lnleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:58.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze afdeling is van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies,
                            indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
                            bestuursorgaan is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze afdeling
                            van toepassing is op daarbij aangewezen subsidies.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:59.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan dat met toepassing van deze afdeling een subsidie
                            verleent kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met
                            het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie
                            opgelegde verplichtingen.</al></li><li nr="2."><al>De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de
                            artikelen 5:18 en 5:19.</al></li></lijst><tussenkop>§ 4.2.8.2. De aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:60.</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag van de
                    subsidie uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het boekjaar
                    ingediend.</al><tussenkop>Artikel 4:61.</tussenkop><al>1.De aanvraag van de subsidie gaat in ieder geval vergezeld van:</al><al>a een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
                    geen behoefte is, en</al><al>b een begroting, tenzij deze voor de berekening van het bedrag van de subsidie
                    niet van belang is.</al><al>2.Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve als bedoeld in artikel
                    4:72, vermeldt de aanvraag de omvang daarvan.</al><tussenkop>Artikel 4:62.</tussenkop><al>Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie
                    wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per
                    activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.</al><tussenkop>Artikel 4:63.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde
                            inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking
                            hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.</al></li><li nr="2."><al>De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting
                            voorzien.</al></li><li nr="3."><al>Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet
                            eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking
                            met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten
                            en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:64.</tussenkop><al>1.Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens publiekrecht ingestelde
                    rechtspersoon, gaat deze, indien voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar
                    geen subsidie werd aangevraagd, voorts vergezeld van:</al><al>a een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de
                    statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en</al><al>b de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van
                    het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de
                    toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de
                    financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.</al><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bescheiden dan wel het
                            verslag over de financiële positie zijn voorzien van een van een
                            accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het
                            Burgerlijk Wetboek afkomstige schriftelijke verklaring omtrent de
                            getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van
                            onjuistheden niet is gebleken.</al></li><li nr="3."><al>Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan kan
                            vrijstelling of ontheffing worden verleend van het in het tweede lid
                            bepaalde.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:65.</tussenkop><al>Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft
                    aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling
                    in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
                    beoordeling van die aanvraag of aanvragen.</al><tussenkop>§ 4.2.8.3. De subsidieverlening</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:66.</tussenkop><al>De subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige
                    rechtsbevoegdheid.</al><tussenkop>Artikel 4:67.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De subsidie wordt voor een boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren
                            verleend.</al></li><li nr="2."><al>Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend, wordt aan
                            de subsidie de verplichting verbonden tot het periodiek aan het
                            bestuursorgaan verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van
                            de subsidie van belang zijn.</al></li><li nr="3."><al>De beschikking tot subsidieverlening vermeldt welke gegevens de
                            subsidieontvanger krachtens het tweede lid moet verstrekken, alsmede op
                            welke tijdstippen de gegevens moeten worden verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>§ 4.2.8.4. Verplichtingen van de
                    subsidieontvanger</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:68.</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald,
                    stelt de </al><al>subsidieontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.</al><tussenkop>Artikel 4:69.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat
                            daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van
                            belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de
                            ontvangsten kunnen worden nagegaan.</al></li><li nr="2."><al>De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende
                            zeven jaren bewaard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:70.</tussenkop><al>Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te
                    ontstaan </al><al>tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten
                    doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het bestuursorgaan
                    onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.</al><tussenkop>Artikel 4:71.</tussenkop><al>1.Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald,
                    behoeft de subsidieontvanger de toestemming van het bestuursorgaan voor:</al><al>a het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;</al><al>b het wijzigen van de statuten;</al><al>c het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van
                    registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de
                    subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de
                    subsidiegelden;</al><al>d het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of
                    bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien
                    deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie
                    dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;</al><al>e het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van
                    geldlening;</al><al>f het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot
                    zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of
                    waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor
                    een derde sterk maakt;</al><al>g het vormen van fondsen en reserveringen;</al><al>h het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger in de
                    gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten
                    prestaties;</al><al>i het ontbinden van de rechtspersoon;</al><al>j het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn
                    surseance van betaling.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de
                            toestemming.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden
                            verdaagd.</al></li><li nr="4."><al>Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de
                            toestemming geacht te zijn verleend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:72.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is
                            bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve.</al></li><li nr="2."><al>Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van
                            de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste
                            onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.</al></li><li nr="3."><al>De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als
                            redelijkerwijs mogelijk is belegd.</al></li><li nr="4."><al>De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve
                            toegevoegd.</al></li><li nr="5."><al>In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdelen c, d en
                            e, is de subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve
                            vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie
                            aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.</al></li></lijst><tussenkop>§ 4.2.8.5. De subsidievaststelling</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:73.</tussenkop><al>De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:74.</tussenkop><al>De subsidieontvanger dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een
                    aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald of de subsidie met toepassing van artikel 4:67, tweede lid,
                    voor twee of meer boekjaren is verleend.</al><tussenkop>Artikel 4:75.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van een
                            financieel verslag en een activiteitenverslag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de subsidieontvanger ingevolge wettelijk voorschrift verplicht is
                            tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van
                            Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de
                            subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het financieel
                            verslag de jaarrekening over, onverminderd artikel 4:45, tweede
                            lid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:76.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten geheel ontleent aan de
                            subsidie omvat het financiële verslag de balans en de
                            exploitatierekening met de toelichting en zijn het tweede tot en met
                            vijfde lid van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het financiële verslag geeft volgens normen die in het maatschappelijk
                            verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een
                            verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent: </al></li></lijst><al>a het vermogen en het exploitatiesaldo, en</al><al>b voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat, omtrent de
                    solvabiliteit en de liquiditeit van de subsidieontvanger.</al><lijst><li nr="3."><al>De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de
                            grootte en de samenstelling in actief en passiefposten van het vermogen
                            op het einde van het boekjaar weer.</al></li><li nr="4."><al>De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en
                            stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar
                            weer.</al></li><li nr="5."><al>Het financiële verslag sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is
                            verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en
                            uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:77.</tussenkop><al>Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de
                    subsidie kan bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden
                    bepaald dat artikel 4:76 van overeenkomstige toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 4:78.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieontvanger geeft opdracht tot onderzoek van het financiële
                            verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
                            Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.</al></li><li nr="2."><al>De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of
                            krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag,
                            voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag
                            verenigbaar is.</al></li><li nr="3."><al>De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een
                            schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële
                            verslag.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in
                            het derde lid bedoelde verklaring.</al></li><li nr="5."><al>Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan vrijstelling
                            of ontheffing worden verleend van het eerste tot en met het vierde
                            lid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:79.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald
                            dat de in artikel 4:78, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt
                            tot</al><al> onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij
                            of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te
                            stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de
                            controle.</al></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het eerste lid, gaat het financiële verslag tevens
                            vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over de
                            naleving door de subsidieontvanger van de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:80.</tussenkop><al>Het activiteitenverslag beschrijft de aard en omvang van de activiteiten
                    waarvoor subsidie werd verleend en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde
                    en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen.</al><tussenkop>Titel 4.3. Beleidsregels</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:81.</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een
                            hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel
                            door hem gedelegeerde bevoegdheid.</al></li><li nr="2."><al>In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels
                            vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:82.</tussenkop><al>Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing
                    naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een
                    beleidsregel.</al><tussenkop>Artikel 4:83.</tussenkop><al>Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende een beleidsregel, wordt zo
                    mogelijk het </al><al>wettelijk voorschrift vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit,
                    inhoudende een </al><al>beleidsregel, betrekking heeft voortvloeit.</al><tussenkop>Artikel 4:84.</tussenkop><al>Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een
                    of meer </al><al>belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting bij de Algemene
                    Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting bij de Algemene
                    Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Naast de gebruikelijke definitiebepalingen is het begrip “jaarprogramma
                    welzijnsactiviteiten” omschreven.</al><al>In het jaarprogramma welzijnsactiviteiten zijn alle structurele subsidies op het
                    welzijnsterrein opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2 Reikwijdte van de verordening</tussenkop><al>In lid 1 van dit artikel zijn de beleidsterreinen omschreven waarop de
                    verordening betrekking heeft. De verordening voldoet daarmee aan artikel 4:23
                    lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Met betrekking tot de omschrijving van de beleidsterreinen wordt opgemerkt dat
                    onder het beleidsterrein jeugd- en jongerenwerk ook de kinderboerderijen en de
                    speeltuinen vallen. Het terrein maatschappelijke dienstverlening omvat tevens
                    het ouderenbeleid. </al><al>De verordening heeft het karakter van een algemene verordening en bevat geen
                    specifieke criteria voor al de verschillende subsidies die bestaan binnen het
                    brede terrein van cultuur, sport en welzijn. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop> Subsidievormen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de belangrijkste subsidievormen omschreven die in de
                    praktijk gebruikt worden. Niet alle begrippen worden verder in de verordening
                    genoemd, maar worden wel in de daarop gebaseerde praktijk gebruikt.</al><tussenkop>Artikel 4 Subsidieplafond</tussenkop><al>Dit artikel geeft een juridische basis voor de instelling van een
                    subsidieplafond. </al><al>Door het hanteren van een subsidieplafond kunnen ongewenste overschrijdingen van
                    het beschikbare budget worden voorkomen. </al><tussenkop>HOOFDSTUK II De subsidieverlening</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Aanvragen eenmalige subsidies</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat aanvragen om subsidie worden
                    ingediend wanneer reeds met de activiteiten is gestart.</al><al>In dit artikel is aangegeven dat een aanvraag voor een eenmalige subsidie
                    uiterlijk acht weken voor het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de
                    uitvoering van de voorgenomen activiteit bij het college moet worden ingediend. </al><al>Op grond van artikel 9 beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de
                    aanvraag. Dit betekent dat de aanvrager in principe voor de uitvoering van de
                    voorgenomen activiteit een beslissing heeft omtrent de subsidieaanvraag.</al><tussenkop>Artikel 6 Aanvragen structurele subsidies</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald dat aanvragen voor structurele subsidies vóór 1 mei
                    van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd
                    ingediend moet worden. Dit houdt verband met de opstelling van het jaarprogramma
                    welzijnsactiviteiten en de voorbereiding van de gemeentebegroting.</al><al>Voor het aanvragen van subsidies in het kader van het jaarprogramma
                    welzijnsactiviteiten zijn speciale formulieren beschikbaar.</al><tussenkop>Artikel 7 Algemene uitgangspunten voor het verstrekken
                    van subsidies</tussenkop><al>In dit artikel is een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd voor het
                    verstrekken van subsidies op grond van de verordening.</al><al>Het uitgangspunt van lid 1 betekent dat voor activiteiten die slechts een
                    algemeen, bovenlokaal, belang dienen geen subsidie wordt verstrekt. Dit sluit
                    aan bij het bestaande beleid.</al><al>Het uitgangspunt in lid 2 betekent dat geen subsidie wordt verstrekt voor
                    activiteiten met een godsdienstig, levensbeschouwelijk of politiek karakter. Dit
                    sluit niet uit dat subsidie kan worden verleend aan instellingen met een
                    dergelijke achtergrond, wanneer de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend
                    algemeen zijn.</al><al>Het in lid 3 genoemde uitgangspunt betekent dat in principe alleen subsidie
                    wordt verstrekt voor activiteiten die voor iedereen openstaan. Een uitzondering
                    hierop zijn de activiteiten die gericht zijn op een specifieke doelgroep.</al><al>Het uitgangspunt in lid 4 betekent dat in beginsel geen subsidie wordt verleend
                    aan natuurlijke personen. Het vereiste van volledige rechtsbevoegdheid betekent
                    verder dat een vereniging opgericht moet zijn bij notariële akte en/of de
                    statuten daarin opgenomen moet hebben (art. 2:27 en 2:28 Burgerlijk Wetboek).
                    Een stichting heeft per definitie volledige rechtsbevoegdheid. Een vereniging
                    waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte dient ook ingeschreven
                    te zijn in het verenigingsregister bij de Kamer van Koophandel (art. 2:29
                    Burgerlijk Wetboek). Zeker bij grote structurele subsidies moet immers volstrekt
                    duidelijk zijn hoe de vereniging aangesproken kan en moet worden op nakoming van
                    de subsidievoorwaarden.</al><al>Wanneer het gaat om kleine of incidentele subsidies weegt dit minder zwaar. Uit
                    lid 5 volgt dat in die gevallen ook subsidie aan natuurlijke personen en
                    verenigingen met een beperkte rechtsbevoegdheid (art. 2:30 Burgerlijk Wetboek)
                    kan worden verleend. </al><tussenkop>Artikel 8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht worden enkele algemene
                    gronden genoemd voor het weigeren van een subsidie (art. 4;25 en 4:35). Deze
                    gronden hoeven daarom niet in de verordening opgenomen te worden. Artikel 8
                    bevat daarom een aantal aanvullende algemene weigeringsgronden. Wanneer een
                    subsidie geweigerd wordt, zal daarvoor in het algemeen wel één van de in de wet
                    of de verordening genoemde weigeringsgronden genoemd kunnen worden. Het gaat
                    echter niet om een limitatieve opsomming. Het gemeentebestuur kan zonodig ook
                    andere, niet in de wet of de verordening genoemde, gronden aanvoeren voor het
                    weigeren van een subsidie. De onder d genoemde, zeer algemene, weigeringsgrond
                    geeft dit ook wel aan. Bij deze weigeringsgrond kan gedacht worden aan beleid
                    zoals dat is neergelegd in beleidsnota's die zijn opgesteld voor diverse
                    terreinen van cultuur, sport en welzijn. </al><tussenkop>Artikel 9 De beslistermijn</tussenkop><tussenkop>In dit artikel is de termijn opgenomen waarbinnen het
                    college een besluit op een subsidieaanvraag dient te nemen. Het college dient
                    binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit te nemen. Voor
                    aanvragen in het kader van het jaarprogramma welzijnsactiviteiten wordt een
                    besluit genomen binnen acht weken na de vaststelling van het jaarprogramma. </tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Minimum subsidiebedrag </tussenkop><tussenkop>Teneinde veel administratieve rompslomp te voorkomen is
                    in dit artikel een minimum bedrag opgenomen om voor subsidie in aanmerking te
                    komen. Dit minimum bedrag geldt overigens alleen voor subsidies op het terrein
                    van welzijn. De subsidiesystematiek voor de onderdelen cultuur en sport lenen
                    zich minder om een minimum bedrag te hanteren. </tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Het is van belang om vast te kunnen stellen welk bestuursorgaan dient te
                    besluiten over subsidieaanvragen en alles wat daarmee samenhangt. Dit artikel
                    geeft dit aan. Uitgangspunt is dat burgemeester en wethouders beslissen over het
                    verstrekken van subsidies, voor zover de raad hiervoor een budget beschikbaar
                    heeft gesteld. De raad heeft immers het budgetrecht (art 156 Gemeentewet).</al><tussenkop>Artikel 12 Verstrekken van voorschotten</tussenkop><al>Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders voorschotten
                    verstrekken.</al><al>In de beschikking tot subsidieverlening wordt aangegeven op welke wijze de
                    voorschotten zullen worden uitbetaald.</al><tussenkop>HOOFDSTUK III Verplichtingen van de
                    subsidie-ontvanger</tussenkop><tussenkop>Artikel 13 Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de wet
                    voor structurele subsidies</tussenkop><al>De subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht bevat in afdeling 4.2.8 een
                    standaardregeling voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen.
                    Deze afdeling is volgens artikel 4:58 alleen van toepassing, indien dit bij
                    wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.</al><al>In dit artikel wordt deze afdeling van toepassing verklaard op het aanvragen en
                    verstrekken van structurele subsidies. Dit betekent dus dat de bepalingen van
                    deze afdeling in beginsel voor alle structurele subsidies op het terrein van
                    deze verordening rechtstreeks van toepassing zijn, <cursief>tenzij bij de
                        subsidieverlening anders is bepaald</cursief>. Deze voorschriften
                    hoeven niet meer in de verordening of in de subsidievoorschriften opgenomen te
                    worden.</al><al>In de verordening wordt op enkele punten van de bepalingen van afdeling 4.2.8
                    afgeweken en/of worden deze bepalingen aangevuld. Bij de subsidieverlening kan
                    bepaald worden dan één of meer bepalingen van afdeling 4.2.8 niet van toepassing
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 14 Handelingen waarvoor de subsidieontvanger
                    toestemming nodig heeft</tussenkop><al>In artikel 4:71 lid 1 onder a tot en met j van de Algemene wet bestuursrecht is
                    een aantal handelingen opgesomd waarvoor de subsidieontvanger toestemming van
                    burgemeester en wethouders nodig heeft; althans indien dat bij wettelijk
                    voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald.</al><al>In lid 1 van dit artikel wordt daarom bepaald dat voor alle genoemde handelingen
                    deze toestemming vereist is. Bij de subsidieverlening kan desgewenst
                    vrijstelling van een aantal toestemmingsvereisten worden verleend, maar indien
                    daar niets over wordt bepaald is het artikel in zijn geheel van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15 Egalisatiereserve</tussenkop><al>In artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht zijn enkele bepalingen
                    opgenomen over de vorming van een egalisatiereserve. Ook deze bepalingen zijn
                    alleen van toepassing indien dat bij wettelijk voorschrift of bij de
                    subsidieverlening is bepaald. Dit artikel laat dit geheel over aan de
                    subsidieverlening, maar geeft wel reeds een aanwijzing voor de toegestane hoogte
                    van de egalisatiereserve (maximaal 20% van de laatstelijk verstrekte subsidie),
                    alsmede voor de jaarlijkse toevoeging (maximaal 5% van de in dat jaar verstrekte
                    subsidie).</al><tussenkop>Artikel 16 Vermogensvorming</tussenkop><al>Dit artikel biedt eventueel voor de subsidieontvanger de mogelijkheid om met
                    gemeentesubsidie reserves te vormen. Een en ander moet bij de subsidieverlening
                    worden geregeld.</al><al>Verder is in dit artikel vastgelegd dat de reserves die met gemeentesubsidie
                    zijn opgebouwd alleen mogen worden besteed aan kosten die direct verband houden
                    met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten welke niet kunnen worden
                    gedekt door de voor dat jaar verleende subsidie.</al><al>Voorts wordt in lid 3 geregeld dat indien de gesubsidieerde activiteiten worden
                    beëindigd de verplichting aanwezig is om het vanuit de gemeentelijke subsidie
                    ontstane vermogen terug te betalen aan de gemeente. </al><tussenkop>Artikel 17 Financieel verslag, balans en
                    exploitatierekening</tussenkop><al>Uit artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat wanneer een
                    subsidieontvanger zijn inkomsten
                    <cursief>geheel</cursief>ontleent aan de subsidie, deze in of bij
                    het op grond van artikel 4:75 in te dienen financieel verslag ook een balans en
                    een exploitatierekening met toelichting moet voegen. Deze zullen moeten voldoen
                    aan de verder in dit artikel omschreven kwaliteitseisen. Dit betekent in de
                    praktijk dat niet volstaan kan worden met een “amateuristisch” verslag, maar dat
                    de subsidieontvanger een deskundige zal moeten inschakelen.</al><al>Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten niet geheel, maar <cursief>in
                        overwegende mate</cursief> ontleent aan de subsidie, is artikel 4:76 alleen
                    van toepassing als dit in de verordening of de subsidievoorschriften is bepaald
                    (zie art 4:77). De vraag is daarbij wanneer een professioneel verslag verlangd
                    kan en moet worden. In het algemeen geldt daarbij dat het om een substantiële
                    subsidie zal moeten gaan.</al><al>Om te voorkomen dat dit steeds per geval bezien moet worden, is een algemene en
                    duidelijke richtlijn in de verordening op dit punt opgenomen.</al><al>Uit artikel 12 volgt dat wanneer de subsidieontvanger zijn inkomsten voor meer
                    dan 50% ontleent aan de subsidie en het subsidiebedrag hoger is dan € 5.000,--,
                    artikel 4:76 van toepassing is.</al><al>In dat geval dient het financiële verslag te voldoen aan de in dit artikel
                    omschreven kwaliteitseisen. In andere gevallen dient wel een financieel verslag
                    ingediend te worden, maar worden daaraan minder eisen gesteld.</al><tussenkop>Artikel 18 Accountantsverklaring</tussenkop><al>Volgens artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht dient de
                    subsidieontvanger een accountantsverklaring te laten opstellen en deze over te
                    leggen bij het verzoek tot subsidievaststelling. Met het opstellen van een
                    accountantsverklaring zijn natuurlijk de nodige kosten gemoeid. Het zou daarom
                    te ver gaan om steeds een dergelijke verklaring te verlangen.</al><al>Lid 1 van dit artikel geeft aan dat voor subsidies van minder dan € 250.000,--
                    per boekjaar geen accountantsverklaring nodig is. Het kan echter zijn dat ook
                    bij een lager subsidiebedrag toch behoefte is aan een accountantsverklaring,
                    bijvoorbeeld bij een nieuwe subsidie of wanneer er enige twijfel bestaat over de
                    financiële gang van zaken bij de subsidieontvanger. In dat geval kan altijd in
                    de subsidievoorwaarden om een accountantsverklaring worden gevraagd.</al><al>Indien een accountantsverklaring een te zwaar middel is, maar toch enige
                    verantwoording gewenst is over de betrouwbaarheid van het financiële verslag,
                    kunnen volgens lid 3 ook zonodig andere voorschriften worden gesteld. </al><al>Ter uitvoering van dit artikel zal in principe de volgende gedragslijn worden
                    gehanteerd:</al><lijst><li nr="Ø"><al>Bij een subsidiebedrag tot € 50.000,-- is geen verklaring vereist;</al></li><li nr="Ø"><al>Bij een subsidiebedrag van € 50.000,-- tot € 250.000,-- kan in beginsel
                            worden volstaan met een zgn. samenstellingsverklaring van een
                            accountant.</al></li></lijst><al>Verder dienen verenigingen volgens artikel 2:48 van het Burgerlijk Wetboek een
                    kascommissie in te stellen als er geen accountantsverklaring is. In dat geval
                    kan dus bijvoorbeeld om het verslag van de kascommissie worden gevraagd. In
                    andere gevallen kan zonodig inzage in de financiële administratie verlangd
                    worden.</al><al>Artikel 4:79 van de Algemene wet bestuursrecht geeft nog de mogelijkheid om niet
                    alleen een accountantsverklaring te verlangen, maar om de accountant ook te
                    vragen een onderzoek in te stellen naar de naleving van de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen. Dit verhoogt natuurlijk wel de kosten van de
                    accountantsverklaring. Deze verplichting zal daarom niet zonder reden worden
                    opgelegd. Er kan daarom ook moeilijk een algemene bepaling daarover in de
                    verordening worden opgenomen. Lid 2 geeft aan dat deze verplichting alleen geldt
                    wanneer dit bij de subsidieverlening is bepaald.</al><tussenkop>HOOFDSTUK IV De subsidievaststelling</tussenkop><tussenkop>Artikel 19 Indienen aanvraag tot
                    subsidievaststelling</tussenkop><al>Deze bepaling regelt dat de subsidieontvanger binnen zeventien weken na afloop
                    van het kalenderjaar een aanvraag tot subsidievaststelling in moet dienen.
                    Burgemeester en wethouders kunnen overigens bij de beschikking tot
                    subsidieverlening een andere termijn stellen waarbinnen een aanvraag tot
                    subsidievaststelling ingediend moet worden. </al><al>Indien na afloop van de gestelde termijn geen aanvraag tot subsidievaststelling
                    is ingediend, dan kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 20 De beslistermijn</tussenkop><al>Op grond van dit artikel stelt het college de subsidie vast binnen acht weken na
                    ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.</al><tussenkop>Artikel 21 Eenvoudige structurele subsidies</tussenkop><al>Artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat voorafgaand aan een
                    subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening kan worden
                    gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>Op grond van artikel 20 van de verordening kan voor eenvoudige structurele
                    subsidies tot een bedrag van € 1.500,-- volstaan worden met het afgeven van één
                    beschikking, namelijk de beschikking tot subsidievaststelling.</al><al>Deze bepaling is opgenomen omdat voor de hier bedoelde subsidies het
                    subsidiebedrag meestal niet direct gerelateerd is aan het werkelijke
                    exploitatietekort (vaak is er in deze gevallen sprake van een zgn.
                    waarderingssubsidie). Het subsidiebedrag dat bij de subsidieverlening wordt
                    toegekend is in deze gevallen ook het definitieve subsidiebedrag.</al><tussenkop>HOOFDSTUK IV Slot- en overgangsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Verslag</tussenkop><al>Op grond van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht moet tenminste
                    eenmaal in de vijf jaren een verslag worden gepubliceerd over de
                    doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Bij wettelijk
                    voorschrift kan hiervan worden afgeweken.</al><al>Het subsidiebeleid op de diverse terreinen van cultuur, sport en welzijn zal in
                    deze gemeente regelmatig worden geëvalueerd. </al><al>Een verslag zoals bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht
                    heeft dan ook weinig toegevoegde waarde. </al><tussenkop>Artikel 23 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op grond van dit artikel vallen nieuwe subsidieaanvragen zes weken na
                    bekendmaking van de verordening onder de werking van deze verordening. De oude
                    subsidieverordening wordt op dat moment ingetrokken. </al><tussenkop>Artikel 24 Citeerartikel</tussenkop><al>Hierin is de "roepnaam" van deze verordening bepaald, Algemene
                    Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>