<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19935_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PN 23-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Brandweerwet 1985</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>wijziging ivm Bouwbesluit 2012</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/028</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regeling vergunning brandveiliggebruik inrichtingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>inclusief toelichting.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                            plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende
                        gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor
                        zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 4 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                        nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                        lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                        verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                        inachtneming van het gestelde in de paragrafen 3 en 4.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                        gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de
                        gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van
                        inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                        opgetreden na het verlenen van de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergeunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, overeenkomstig van
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        Verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1
                            <cursief>°.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                        Brandbeveiligingsverordening van 14 mei 2009 en die van kracht zijn op het
                        moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                        vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                        aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van 14
                        mei 2009 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                        verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                        vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 14 mei 2009 wordt
                        beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Brandbeveiligingsverordening
                        2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van de
                        Wet veiligheidsregio's. </al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    Brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. Als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's, het niet beschikbaar zijn van de
                    hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant overgangsrecht in de Wet
                    veiligheidsregio's zal de raad een nieuwe brandbeveiligingsverordening moeten
                    vaststellen. De bestaande Brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van
                    rechtswege bij de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's.</al><al/><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn.Toegevoegd zijn regels
                    voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief></al><al/><al>De Brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien, Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    Brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar we! van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        <cursief>'niet-bouwwerken’</cursief>. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen.</al><al/><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel,
                    namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften)
                    geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving. Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren
                    duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken, Veel objecten
                    lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld dient een
                    bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit, het
                    Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de
                    definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan
                    in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het
                    water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving.
                    Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                    hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch
                    kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op
                    dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl
                    diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor
                    op grond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over
                    de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan
                    de hand van staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief></al><al/><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al/><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al/><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>- <cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout,
                    steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                    hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt
                    in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><al>1) constructie,</al><al>2) van enige omvang,</al><al>3) met de grond verbonden,</al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer</al><al>duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de conclusie te
                    komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te omvangrijk en te
                    casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie
                    kunt u vinden in de toelichting op de modelbouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al/><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van
                    erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 juli 2010 in
                    werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie
                    ABRvS 15 September 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het
                    gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden</al><al>aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw. Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend
                    onbebouwd perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in
                    de zin van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                    voorwaarden zijn voldaan: I) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3)
                    dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al><cursief>Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan. Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking
                    van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                    van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover
                    die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip:
                    inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is</al><al>concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van een vergunning
                    vormvrij.</al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen</al><al>stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in
                    de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al/><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al/><al>De modelbrandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn.</al><al/><al><cursief>Toezicht op de naleving</cursief></al><al/><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. </al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief></al><al/><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1 °. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in
                    2009 € 9.000. De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de
                    uitvoering van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft
                    te houden. Een alternatief artikel is aan het model van de verordening
                    toegevoegd.</al><al/><al><cursief>Strafbepaling</cursief></al><al/><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde Categorie. De wetgever heeft bier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al/><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2008 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al><cursief>Intrekken regeling</cursief></al><al/><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding van
                    de Wet</al><al>veiligheidsregio's van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
                    Brandweerwet 1985.</al><al>De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel 144 Gemeentewet
                    genoemde wijze.</al><al/><al><cursief>Bekendmaking</cursief></al><al/><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                    verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's in
                    werking kan treden. Dit kan:</al><al>a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                    gemeenteblad;b. bij gebreke van een gemeenteblad, door ter inzage legging voor
                    de tijd van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het
                    college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                    plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Voor de wijze van
                    elektronische bekendmaking zie: <extref doc="http://www.vng.nl/eCache/DEF/88/626.html">http://www.vng.nl/eCache/DEF/88/626.html</extref>.</al><al/><al><cursief>Intrekken vergunning</cursief></al><al/><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>