<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19918_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door </al><al>: d.d. </al><al>Gepubliceerd in de Zandvoortse Courant</al><al>: d.d. 24 december 2009</al><al>Inwerkingtreding</al><al>: d.d. 01 januari 2010</al><al>Registratienr: / Z2009/6145</al><al>Datum: </al><al>Bouwverordening Zandvoort 2009</al><al><vet>Gemeente Zandvoort</vet></al><al><vet>Telefoon</vet>: </al><al><vet>Fax</vet>: </al><al><vet>E-mail</vet>: </al><al><vet>Internet</vet>: </al><al><vet>Postadres</vet>: , </al><al><vet>Bezoekadres</vet>: te </al><al><vet>Bankrekening</vet>: </al><al><vet>Registratienr</vet>: </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag
                        bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde
                        lid van de Woningwet;</al><al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste
                        lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet;</al><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van
                        de Woningwet;</al><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a , eerste lid van de
                        Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                        materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                        de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                        grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt
                        verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005;</al><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                        Bouwbesluit;</al><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                        burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        norm;</al><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        voornorm;</al><al>straatpeil:</al><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
                        hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de
                        hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                        de bouw;</al><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden
                        daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of
                        paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als
                        zodanis aangeduide parkeerterreinen.</al><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw. <vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al><vet>2. </vet>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                        bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al><al><vet>2 De aanvraag bouwvergunning<cursief>Paragraaf 1 Gegevens en
                                bescheiden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) Artikel 2.1.2 In de
                            aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag
                            in te dienen bescheiden (vervallen) Artikel 2.1.4 Gegevens met
                            betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</vet></al><al><vet>(vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                        vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740,
                        bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                        onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                        volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB
                        (SDU, uitgave oktober 1993);</al><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader
                        Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                        (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                        onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de
                        beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                        bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de
                        Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen
                        dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de
                        bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien
                        in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                        paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten
                        geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard
                        en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken.
                        Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                        bouwwerken.</al><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf
                        1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien
                        voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente
                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw wordt begonnen. </al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning (vervallen) Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)
                            Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)<cursief>Paragraaf
                                2 Behandeling van de aanvraag om
                            bouwvergunning</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) Artikel 2.2.2
                            Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) Artikel
                            2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) Artikel 2.2.4 In
                            behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen)
                            Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                        bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                        aangegeven:</al><al>de naam van de aanvrager;</al><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;</al><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht. </al><al><vet><cursief>Paragraaf 3
                            Welstandstoetsing</cursief>Artikel 2.3.1
                            Welstandscriteria (vervallen)<cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van
                                bouwen op verontreinigde bodem</cursief>Artikel
                            2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet>Op een bodem die
                        zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de
                        gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen
                        betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en</al><al>dat de grond raakt, of</al><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. </al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf
                        1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en
                        wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op
                        grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport
                        en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                        overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                        goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet
                        van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                        door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
                                <vet><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard
                                en bereikbaarheidseisen</cursief>Artikel 2.5.1
                            Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
                            bepalingen (vervallen) Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet
                        worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning
                        voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. <vet>Artikel 2.5.3
                            Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                        en het overige te verwachten verkeer.</al><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa
                        van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als
                        bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit
                        bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                        dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                        zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een
                        doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                        worden gelegd.</al><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van
                        het bouwwerk zich daarvoor lenen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen) Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid
                            van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit;</al><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al><vet> Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg
                        gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is
                        en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter,
                        de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                        geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                        bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn. <vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                        van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k,
                        van het Besluit bouwwerken;</al><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met
                        niet meer dan 0,3 m overschrijden. </al><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het bepaalde in het
                        tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                        onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en
                        bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                        zijn;</al><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden;</al><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in ;</al><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;</al><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend, indien
                        niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                        breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover
                        de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg
                        van:</al><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, van het
                        Besluit bouwwerken;</al><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder
                        a, b en e, van het Besluit bouwwerken;</al><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming
                        op de weg toelaatbaar zijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing genoemd
                        in de artikelen </al><al> 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing
                        genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                        de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90
                        graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in
                        beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een
                        hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil -
                        worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid voor:</al><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken
                        bedoelde gebouwen;</al><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat. </al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich:</al><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                        onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                        op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                        tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                        gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                        grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                        langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                        geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
                        of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt
                        bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot
                        en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter.</al><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                        scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang
                        van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                        weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
                        van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de
                        gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in is het verboden bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen;</al><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden
                        van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de
                        afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld
                        in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                        van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k,
                        van het Besluit bouwwerken;</al><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van het
                        Besluit bouwwerken. </al><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden
                        van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de
                        afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd;</al><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in
                        de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het
                        Besluit bouwwerken;</al><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend;</al><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het
                        terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel 2,
                        onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving. </al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
                        strook grond omvat die:</al><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen
                        het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                        meter.</al><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                        in:</al><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                        voldaan:</al><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen
                        woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                        toestand verbeterd. </al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning
                        is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte
                        van ten minste 2 meter achter het verst </al><al>achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                        daarvan.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                        vormen;</al><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die:</al><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed
                        zijn;</al><al>niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al><vet>2. </vet>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van
                        het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. </al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel
                        uitmaken van de hoogspanningslijn. </al><al>Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                        uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                        van 1.000 volt of meer.</al><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden
                        gebouwd.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                        bezwaar oplevert;</al><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat. </al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                        een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1
                        meter, vermeerderd met:</al><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                        desbetreffende weg;</al><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        langs de desbetreffende weg.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
                        wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt,
                        in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
                        brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                        gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                        over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter
                        bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de
                        dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking
                        de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                        voorkomende rooilijnen. </al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                        een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                        1 meter, vermeerderd met:</al><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                        een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan
                        de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt,
                        moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat,
                        gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw. </al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
                        weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                        onverminderd het bepaalde in - de maximale hoogte van de zijgevel van het
                        eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                        eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                        bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling
                        van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
                            1. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                        bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn
                        niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                        voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens
                        de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 en - maximale bouwhoogte en die met het
                        horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>45 graden in de bebouwde kom;</al><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al><vet>2. </vet>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                        heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                        bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat
                        het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens
                        artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een
                        hoek vormt van 56 graden. <vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                            bouwwerken</vet></al><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen dan
                        15 meter.</al><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                        gelegen weg.</al><al><vet> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -
                        uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met
                        hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing
                        hiervoor geen beletsel vormen.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van
                        een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.</al><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                        bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
                        onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                        - buiten beschouwing worden gelaten.</al><al><vet> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 en is niet
                        van toepassing op:</al><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                        van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k,
                        van het Besluit bouwwerken;</al><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse;</al><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter. </al><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel
                        2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen
                        bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein;</al><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders
                        dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken,
                        en indien:</al><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de
                        welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                        aard;</al><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter,
                        de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
                        meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
                        Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                        verschillende gebouwen behoren;</al><al>draagconstructies voor een reclame;</al><al>vrijstaande schoorstenen;</al><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in
                        de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                        niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                            beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, en
                        kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot
                        bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van
                        het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en wethouders
                        worden verleend indien:</al><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro;</al><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie
                        inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        toekomstig ruimtelijk beleid.</al><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als bedoeld in
                        het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
                        geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:</al><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder schriftelijk zijn
                        zienswijze omtrent de aanvraag kan inbrengen;</al><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de
                        beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten hoogste zes
                        weken kunnen verdagen.</al><al><vet> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
                        moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate
                        ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                        overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                        openbaar vervoer.</al><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze
                        eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00
                        m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
                        behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze
                        behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                        wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het derde lid:</al><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit; of</al><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel
                        laad- of losruimte wordt voorzien. </al><al><vet><cursief>Paragraaf 6</cursief><cursief> Voorschriften inzake
                                brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
                                (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de
                            nutsvoorzieningen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m. </al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                        voor aardgas:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                        bejaarden.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                        voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet).</al><al><vet>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                            verwarming</vet>Indien in een deel van de gemeente een publieke
                        voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van
                        het Bouwbesluit (warmtedistributienet) aan wezig is, moet een aldaar te
                        bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:
                        <vet>a.</vet>indienhet bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de
                        dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening;</al><al><vet>b. </vet>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                        leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 40 meter. </al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten
                        aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het
                        maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                        gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                        faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                        natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet
                        worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                        aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                        werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van
                        hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                        hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                        geeft.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van
                        water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>voor agrarische bedrijven.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                        riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten
                        lozen op een rottingput met overstort;</al><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput
                        met overstort;</al><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder
                        verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. </al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                        plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van
                        de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                        gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de
                        buitenriolering.</al><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan
                        een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                        vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop
                        hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                        binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                        voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                        1997.</al><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer
                        van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de
                        weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen
                        van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan
                        deze eis wordt geacht te zijn voldaan, als wordt voldaan aan het bepaalde in
                        de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7. </al><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al><vet>3 De meldingArtikel 3.1 De wijze van melden (gereserveerd) Artikel 3.2
                            Welstandscriteria (gereserveerd)</vet></al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al><vet>4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                            staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59
                        van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                        indien:</al><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen
                        begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><al>de bouwvergunning;</al><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al><al>het bouwveiligheidsplan;</al><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag -
                        onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde - niet
                        worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor
                        zover nodig:</al><al>het straatpeil is aangegeven;</al><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet. </al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                        bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden
                        van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der
                        hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                        gesteld:</al><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                        begrepen;</al><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                        proefpalen daaronder begrepen;</al><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden
                        gesteld van het storten van beton.</al><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt. </al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet
                        geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                        veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                        gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken,
                        open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                        wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd
                        niet inbegrepen:</al><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het
                        bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat
                        het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                        deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                        daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                        verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                        bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                        andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                        nodig zijn. </al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                        werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien
                        gevaar of hinder te duchten is.</al><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                        ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de
                        toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen,
                        er niet door wordt belemmerd.</al><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet,
                        wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit
                        niet nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en
                        ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen
                        aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                        verkeren.</al><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of
                        een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving
                        optreedt.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade
                        of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                        verbieden.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te
                        gebruiken krachtwerktuig:</al><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                        gebruikt.</al><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                        indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de
                        Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. </al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                        volgende fracties:</al><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>overig afval.</al><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats
                        gescheiden worden gehouden.</al><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                        minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn
                        bedrijf voor tijdelijke opslag. </al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>Van het gereedkomen:</al><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede
                        van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                        straatpeil;</al><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische
                        isolatie in andere besloten constructies</al><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                        bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen
                        niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken
                        gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                        onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden
                        voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                        bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij
                        het bouwtoezicht gemeld.</al><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                        dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                        buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee
                        dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld
                        van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                        vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                        beneden 2 graden Celsius is.</al><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                        dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al><vet> Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </vet></al><al>Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, is het
                        verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de
                        volgende omstandigheden zich voordoet:</al><al><vet>a.</vet>het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;</al><al><vet>b.</vet>er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning;</al><al><vet>c.</vet>er op grond van het bepaalde in hoofdstuk 6 van deze
                        verordening een gebruiksvergunning is vereist en deze nog niet door de
                        brandweer is afgegeven.</al><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</vet></al><al><vet><cursief> Paragraaf 1 Staat van open erven en
                        terreinen</cursief></vet></al><al><vet> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                        voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                        veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers
                        of anderen, ten gevolge van:</al><al>drassigheid;</al><al>stank;</al><al>verontreiniging;</al><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>aanwezigheid van begroeiing. </al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan .. meter is verwijderd van een
                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                        wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa
                        van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als
                        bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit
                        niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                        hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                        bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                        gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening. </al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit;</al><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><cursief> Paragraaf 3 Aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen</cursief></vet></al><al><vet> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>woningen voor bejaarden;</al><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>woningen die niet worden verhuurd;</al><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. </al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in , op een doeltreffende wijze
                        zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden
                        gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is. </al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar
                        die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput
                        of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put,
                        tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                        water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. </al><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte.</cursief></vet></al><al><vet> Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van
                        burgemeester en wethouders: </al><al><vet>1. </vet>een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken voor zover
                        daarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                        verschaft aan meer dan 4 personen; </al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand
                                en brandgevaar (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                                ongevallen bij brand(vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><cursief> Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid
                                (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met
                        of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt
                        bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><vet><cursief> Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te
                        gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                        wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al><vet> Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                            gebrek aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders
                        gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al><vet> Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is bepaald
                        dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet
                        worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van
                        het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen
                        burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken
                        gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                                terreinen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.3.1 (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                        bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of
                        irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door
                        geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                        schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                        bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al><vet><cursief> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat
                        schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al><vet><cursief> Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al><vet><cursief> Paragraaf 6 Installaties</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de
                        Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                        verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Sloopvergunning</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen,
                        te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en
                        wethouders (sloopvergunning).</al><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                        redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10
                        m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van
                        artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                        wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het
                        derde lid.</al><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts
                        voorschriften over:</al><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval,
                        ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie
                        gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als
                        bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens
                        niet reeds zijn overgelegd.</al><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder
                        letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties
                        waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in
                        fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                        Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                        tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                        afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                        plaatsvinden.</al><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een
                        tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften
                        zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het
                        zesde lid van artikel 45 van de Woningwet. </al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van een door
                        of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al><al>De aanvraag moet inhouden:</al><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;</al><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk
                        bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden
                        bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van
                        hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en
                        huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                        ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de
                        sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                        gesloopt;</al><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk
                        laatstelijk is gebezigd;</al><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op
                        het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                        bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;</al><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en voorts,
                        indien van toepassing:</al><al>het sloopveiligheidsplan.</al><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest
                        bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een
                        van de volgende gegevens wordt overgelegd:</al><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een
                        deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in
                        het te slopen bouwwerk bevindt;</al><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór ... (= datum van verwerking in de
                        gemeentelijke bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL
                        5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                        bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                        vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                        te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk
                        hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                        toegepast;</al><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1
                        januari 1994;</al><al>bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare,
                        niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                        verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen
                        asbest heeft toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de
                        aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                        plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de
                        fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat,
                        alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van
                        deze fabrikant of leverancier afkomstig is.</al><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd,
                        wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in
                        vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het
                        oordeel van burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.</al><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk asbest
                        bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het
                        bouwwerk asbest bevindt wordt met een asbestinventarisatierapport van een
                        deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich
                        bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                        wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd
                        waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich
                        bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien</al><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het verwijderen
                        van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of</al><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag is
                        gevoegd.</al><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                        slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is
                        verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                        van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient
                        een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en
                        moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                        sloopvergunning worden gevoegd.</al><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in drievoud worden
                        ingediend.</al><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn
                        gesteld.</al><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft
                        op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen
                        dan wel indien zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één
                        bouwwerk in het kader van hetzelfde project.</al><al> De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de
                        aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al><al> Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft, moeten
                        uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe
                        toestand duidelijk blijken.</al><al> De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs
                        van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                        vermeld.</al><al> Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het voornemen
                        tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.</al><al> Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                        sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op
                        asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens
                        gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2
                        van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de
                        aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                        over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in
                        artikel 8.1.2, tweede lid, letter c. </al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning
                        binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing
                        eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit
                        tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en
                        wethouders over een aanvraag om sloopvergunning binnen vier weken na de dag
                        waarop de aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het slopen
                        uitsluitend is bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een
                        bouwwerk te verwijderen.</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                        burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens
                        artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een provinciale of een
                        gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van
                        de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het
                        slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De
                        aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                        vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen beslissing. </al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van
                        het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor
                        tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om
                        sloopvergunning - voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en
                        gegevens worden verlangd - worden verwezen naar die bescheiden en gegevens
                        die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                        bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de
                        aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om
                        bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn
                        ingediend.</al><al><vet> Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                        gewaarborgd;</al><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                        onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op
                        een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                        gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                        verleend;</al><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                        stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;</al><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een
                        voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien:</al><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van
                        gegevens;</al><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen
                        begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de
                        houder van de vergunning hebben gehoord. </al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning vereist
                        voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn
                        geheel slopen van:</al><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden
                        zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die
                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                        kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te
                        verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt;</al><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking
                        uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening
                        van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                        dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende
                        vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt;</al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist. Met een woning
                        wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld
                        met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders
                        vastgesteld formulier.</al><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden
                        ingediend.</al><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn
                        gesteld.</al><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                        gebruik van het bouwwerk.</al><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en
                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                        datum van ontvangst is vermeld.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling
                        niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van
                        rechtswege gedaan.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                        eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                        opslag en afvoer van asbest.</al><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is
                        verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting,
                        ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het
                        slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de
                        houder verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de
                        voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt
                        is niet toegestaan.</al><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het
                        vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en
                        wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen
                        één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. </al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning
                        vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                        uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                        kassen;</al><al>rem- frictiematerialen;</al><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met
                        een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                        slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking
                        heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter
                        hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming
                        van werk zal uitvoeren.</al><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan
                        de aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de
                        hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                        betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering
                        van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de
                        resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het
                        slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                        woningtoezicht.</al><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van
                        de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                        beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                        Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk
                        geschieden. </al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                        aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                        gesloopt.</al><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken
                        worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. </al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                        krachtens , noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten
                        minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>asfalt;</al><al>dakgrind;</al><al>overig afval.</al><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het
                        sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al><vet><cursief>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl.
                                11e serie wijz.</cursief></vet></al><al>Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al>Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al>Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al>Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al>Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al>Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al><al>Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al>Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al>Art. 10, letter a 8.1.1</al><al>Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 10, letter c 8.2.1</al><al>Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al>Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al>Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12</al><al>Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al>Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al>Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al>Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al><al><vet>9 Welstand</vet></al><al><vet> Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor
                        regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste
                        lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar advies op
                        de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al><al>Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                        welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in strijd
                        zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders baseren
                        hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. </al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit drie leden, waaronder een
                        voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn
                        op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie
                        leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben. </al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie
                        en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders
                        benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van
                        drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een
                        periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bij deze
                        verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                        leden, nadere benoemingsprocedures. </al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                        welstandsnota;</al><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens
                        burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag om</al><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a
                        van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub
                        b van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken;</al><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                        sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                        agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                        burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                        verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt
                        zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de
                        aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                        welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                        bouwplan.</al><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                        reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze
                        verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er
                        een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de
                        beraadslagingen. Alternatief 2: Belanghebbenden hebben geen
                        spreekrecht.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor
                        regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste
                        lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere daartoe
                        aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris)
                        adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                        welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in
                        het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester
                        en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen
                        tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan voor een
                        licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van
                        welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien in de
                        welstandsnota voor de verschillende categorieën licht vergunningplichtige
                        bouwwerken toetsingscriteria zijn opgenomen.</al><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet aan de
                        betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en wethouders het
                        bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. </al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en
                        wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.</al><al><vet> Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                        een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit
                        te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                        besluit niet dan nadat:</al><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien
                        in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. </al><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
                        moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel
                        waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen) Artikel 10.3
                            Overdragen vergunningen</vet></al><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                        woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                        gebruiksvergunning als bedoeld in dan wel de sloopvergunning als bedoeld in
                        op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag
                        van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene
                        op wiens naam de vergunning is gesteld.</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                        herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen
                        en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                        verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                        instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift
                        heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd.</al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de bouw stil te leggen
                        indien er wordt gebouwd:</al><al>a zonder bouwvergunning;</al><al>b in afwijking van de bouwvergunning;</al><al>c op grond van het bepaalde bij of krachtens 43 of 44, tweede lid van de
                        Woningwet en er niettemin wordt geconstateerd, dat er wordt gebouwd in
                        afwijking van het Bouwbesluit;</al><al>d in afwijking van de voorschriften van de bouwverordening. </al><al><vet>11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, kan het college van
                        burgemeester en wethouders de eigenaar of degene, die het in zijn macht
                        heeft aan de verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het
                        staken van het gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de
                        bouwvergunning. </al><al><vet>11.3 Stilleggen van het slopen.</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd sloopwerkzaamheden
                        stil te leggen, indien er wordt gesloopt:</al><al>zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid van deze
                        verordening:</al><al>in afwijking van een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste
                        lid van deze verordening.</al><al>zonder melding van het sloopvoornemen, als bedoeld in artikel 8.2.1, eerste
                        lid van deze verordening</al><al>in afwijking van de voorschriften die zijn gegeven in de mededeling, als
                        bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van deze verordening.</al><al>In afwijking van de voorschriften inzake de plichten tot slopen, opgenomen
                        in de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.5 van deze verordening.</al><al>In afwijking van de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit, zoals
                        laatstelijk gewijzigd, zijnde de Algemene Maatregel van Bestuur, bedoeld in
                        de artikelen 8,vierde lid, en 39, derde lid, van de Wet milieu gevaarlijke
                        stoffen, alsmede in de artikel 8, achtste lid, juncto 8 tweede lid,
                        onderdelen d en h, en 110, eerste lid, van de Woningwet; of</al><al>In afwijking van artikel 8.4.1 van deze verordening, indien en voor zover
                        het vergunningvrij slopen betreft.</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</vet></al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet> Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, 4.5, 4.7, 4.8,
                        4.9, 4.10, eerste tot en met vierde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 5.4.1,
                        6.1.1, eerste lid, 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2, 7.2.3, 7.3.2., 7.4.1., 7.5.1,
                        7.6.1, 8.1.1, eerste lid, 8..2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2,
                        8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.4.1, geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met
                        hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde
                        categorie.</al><al><vet> Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                        enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                        bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in
                        artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en
                        wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als
                        een recent onderzoek kan worden gezien. </al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de
                        brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 24 februari
                        2009 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in .</al><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd -
                        verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                        raadsbesluit d.d. 24 februari 2009, blijft van kracht totdat de termijn
                        waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al><al><vet> Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</vet></al><al><vet> Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>Deze verordening treedt op 01 januari 2010 in werking.</al><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30 mei 2006 en alle
                        daarin aangebrachte wijzigingen;</al><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 24
                        februari 2009 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van
                        bouwwerken stelt.</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de “bouwverordening Zandvoort
                        2009”. </al></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1 tot en met 6 (vervallen)</vet></al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen';</al><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1,
                    uitgave 1998, Nederlandstalig);</al><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername'
                    (Engelstalig);</al><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden'
                    (Engelstalig).</al><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al><vet><cursief>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                            vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van
                    asbest</cursief></vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2</al><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen.)</al><al><vet>Product</vet></al><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al><al><vet>Mate waarin het is toegepast</vet></al><al><vet>Uiterlijk</vet></al><al>Asbestcement, vlakke plaat</al><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al><al>Vaak</al><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant ‘wafelstructuur'</al><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al><al>Vrij algemeen in flats</al><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde geëmailleerde of gespoten
                    coating</al><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al><al>Vaak</al><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al><al>Asbestcement, bloembak</al><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al><al>Vaak</al><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner dan betonnen bak</al><al>Asbestcement, golfplaat</al><al>Daken van schuren en garages</al><al>Vaak</al><al>Als golfplaat, in diverse dikten</al><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard)</al><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen, inpandige kasten</al><al>Soms</al><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al><al>Asbestcement, dakleien</al><al>Imitatieleien</al><al>In Nederland weinig toegepast</al><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al><al>Asbestcement, standleidingen</al><al>Afvoer toilet</al><al>Vaak</al><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al><al>Asbestcement, imitatiemarmer</al><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al><al>Soms</al><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels zichtbaar</al><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al><al>Toiletten, keukens</al><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt.</al><al><vet>Afdichtkoord</vet></al><al><vet>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude haarden en
                        allesbranders,</vet></al><al><vet>Regelmatig</vet></al><al><vet>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</vet></al><al>Asbesthoudend stucwerk</al><al>Op (vochtige) muren en plafonds</al><al>Nauwelijks</al><al>Vezelige korrelstructuur</al><al>Brandwerend board</al><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds, trapbeschot</al><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen</al><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig</al><al>Asbestkarton</al><al>Bekleding zoldering</al><al>Weinig</al><al>Lichtgrijs, kartonachtig</al><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag</al><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983</al><al>Zeer vaak</al><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al><al><vet><cursief>Toelichting tabel</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Herkennen van asbest</cursief></vet></al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig. Voor de herkenning van vinylvloertegels en
                    vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de
                    volgende informatie worden gegeven:</al><al><vet><cursief>Asbesthoudende vinylvloertegels</cursief></vet></al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                    asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                    Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten en
                    keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit
                    'gevlamde' decoratie.</al><al><vet><cursief>Asbesthoudende vinylvloerbedekking</cursief></vet></al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                    gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit
                    asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                    lichtbeige en soms lichtgroen. Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten
                    vloerbedekking: vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt;
                    breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve,
                    zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin een
                    grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine,
                    harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam
                    (schuim).</al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop van
                    asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                    losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                    cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat.</al><al><vet>Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij
                    sloop</vet></al><al><vet>niveau I</vet></al><al><vet>minimumscheiding</vet></al><al><vet>niveau I-plus</vet></al><al><vet>minimumscheiding</vet></al><al><vet>niveau II</vet></al><al><vet>niveau III</vet></al><al><vet>maximumscheiding</vet></al><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                    afvalstromen)</al><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                    afvalstromen)</al><al>olieprodukten</al><al>afgewerkte olie</al><al>brandstofrestanten</al><al>overig gevaarlijk afval</al><al>batterijen</al><al>accu's</al><al>schoorsteenkanalen</al><al>rookkanalen</al><al>overig chemisch belast puin</al><al>verontreinigde leidingen</al><al>oliehoudende elementen</al><al>coatings, kitten</al><al>bitumineuze materialen</al><al>zeefzand</al><al>tl-buizen/starters</al><al>halogeen lampen</al><al>niet uitputtende lijst,</al><al>voor overzicht zie EURAL</al><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>asbestprodukten</al><al>golfplaat</al><al>spouwbladen</al><al>brandwerende platen</al><al>isolatiemateriaal</al><al>produkten niet elders genoemd</al><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al><al>metalen</al><al>metalen</al><al>ferro</al><al>constructiebalken e.d.</al><al>metalen trappen e.d.</al><al>betonijzer</al><al>schroot</al><al>tanks, silo's</al><al>ferro niet elders genoemd</al><al>non ferro</al><al>aluminium (kozijnen, constructies)</al><al>lood (buis, slabben)</al><al>zink (regenpijp, dakgoot)</al><al>koperbuis</al><al>non ferro niet elders genoemd</al><al>elektriciteitskabels</al><al>kabels 220 V</al><al>kabels &gt; 220 V</al><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al><al>beton</al><al>gewapend beton</al><al>schuimbeton</al><al>gasbeton</al><al>staalvezelbeton</al><al>hoge sterkte beton</al><al>betonprodukten</al><al>beton niet elders genoemd</al><al>metselwerk</al><al>metselwerkpuin</al><al>metselmortel</al><al>kalkzandsteen</al><al>metselwerkpuin</al><al>bouwblokken</al><al>dakpannen/bedekking</al><al>(beton, keramiek, leisteen)</al><al>intacte dakpannen</al><al>gebroken dakpannen</al><al>dakleien</al><al>keramiek</al><al>wandtegels</al><al>plavuizen</al><al>sanitair</al><al>gipshoudende elementen</al><al>gipsplaat</al><al>stucwerk</al><al>anhydriet vloeren</al><al>gipsvezelplaat</al><al>gipshoudende elementen</al><al>asfalt</al><al>asfaltbeton</al><al>asfaltpuin</al><al>freesafval</al><al>steenwol</al><al>steenwol</al><al>steenwol</al><al>glaswol</al><al>glaswol</al><al>glaswol</al><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar)</al><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al><al>balken</al><al>vloerdelen</al><al>trapelementen</al><al>dakbeschot</al><al>regels/tengels</al><al>pallets</al><al>schoon hout niet elders genoemd</al><al>geverfd/gelakt hout</al><al>gevelelementen</al><al>kozijnen</al><al>deuren</al><al>parketvloeren</al><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al><al>spaanplaat</al><al>multiplex</al><al>hardboard</al><al>vezelplaat</al><al>houtwolcementplaat</al><al>bekistingsmateriaal</al><al>vloerplaat</al><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al><al>geïmpregneerd hout</al><al>tuinhout</al><al>bielzen</al><al>geïmpregneerd hout niet elders genoemd</al><al>overig afval</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>PVC- en PE-leidingen</al><al>PVC</al><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al>PP en PE</al><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies </al><al>vlak glas</al><al>vlak glas</al><al>vlak glas</al><al>draadglas</al><al>spiegelglas</al><al>dubbelglas</al><al>HR- en LE-glas</al><al>papier en karton</al><al>papier en karton</al><al>papier</al><al>karton</al><al>overig afval</al><al>LDPE/HDPE</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies</al><al>leidingsystemen</al><al>XPS/EPS</al><al>vloerisolatie</al><al>dakisolatie</al><al>wandisolatie</al><al>PUR</al><al>isolatieplaten</al><al>PUR-produkten niet elders genoemd</al><al>overige kunststoffen gemengd</al><al>EPDM</al><al>overige kunststoffen gemengd</al><al>cellulose isolaties</al><al>cellulose isolaties</al><al>textiel</al><al>gordijnen</al><al>vloerbedekking</al><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al><al>folies met aanhangend vuil</al><al>papier/karton met aanhangend vuil</al><al>textiel met aanhangend vuil</al><al>glas met kitresten</al><al>composiet-materialen</al><al>beton met PS-platen</al><al>sandwich-panelen</al><al>metselwerk met stucwerk</al><al>beton met stucwerk</al><al>thermohardende kunststoffen</al><al>meterkasten</al><al>deurknoppen</al><al>overig afval</al><al>overig afval</al><al><vet>Toelichtingng tabel </vet></al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimum-scheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeente-raad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven. Niveau
                    III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding. Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder
                    inzicht wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                    verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                    onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                    betrekking tot scheiden. Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel
                    kan worden gebruikt als hulpmiddel.</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen:</al><al> Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen van
                    toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                    gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau
                    III.</al><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al> Het scheiden van asbestprodukten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                    worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende produkten in één
                    afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al><al>Overige afvalstromen</al><al> Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                    afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor
                    inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al> Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot niveau
                    III (bijvoorbeeld bepaalde betonprodukten, steenachtige isolatie-materialen,
                    dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). </al><al> Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II
                    (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                    papier en karton, textiel, kabels). </al><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                    afvalstromen</al><al> In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze
                    categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                    sorteerinrichting. </al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning. Er is
                    bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het is daarom
                    noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk voor de controle
                    van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen. </al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond. Voor
                    informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en lokaties van
                    bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de volgende publikaties
                    worden geraadpleegd:</al><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan den Rijn,
                    1993)</al><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991</al><al><vet>Bijlage 9 tot en met 12 (vervallen)</vet></al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van.8 december 2009</al><al>De griffier, De voorzitter,</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING OP DE BOUWVERORDENING 2009 HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN
                    </vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al><vet>Asbest </vet></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit <cursief>‘2005 (Stb. 2005, 704)’
                    </cursief>verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet
                    (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet
                    (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet
                    (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten
                    waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Het Bouwbesluit (Stb. 2001,
                    410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de
                    aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb.
                    2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van
                    de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen. Voor de overige begrippen wordt
                    verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende
                    toelichting. </al><al><vet>Besluit indieningsvereisten </vet></al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en
                    gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen
                    meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de
                    opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen
                    gegevens overgeheveld van de wettekst zelf naar dit besluit. </al><al><vet>Besluit bouwwerken </vet></al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de wettekst
                    zelf naar dit besluit. Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de
                    mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb.
                    2003, 315 en Stb. 2004, 291). Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een
                    nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn. </al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p.31). </al><al><vet>Bouwtoezicht </vet>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100
                    expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de
                    bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot
                    en met IV van de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud)
                    Woningwet bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en
                    –handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken en
                    brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is naar eigen
                    inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van
                    het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op grond van het nieuwe
                    artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en wethouders degenen aan die belast
                    zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al><al><vet>Gebruiksoppervlakte </vet></al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar
                    NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële
                    regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992). De
                    gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking,
                    hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Modelbouwverordening. </al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                    Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om
                    bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                    gebruiksoppervlakten. </al><al><vet>Bouwwerk en gebouw </vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                    jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV
                    gehandhaafd. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen
                    en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet. Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is
                    jurisprudentie ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de
                    komst van de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op
                    basis van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.
                    Deze jurisprudentie is hierna vermeld. Bij de interpretatie van de
                    jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening worden gehouden met de
                    driedeling bouwvergunningplichtig, meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen
                    van bouwen, die niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het
                    Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn
                    bouwvergunningplichtig. </al><al><vet>Deskundig bedrijf </vet></al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.
                    En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in
                    artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor een
                    uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de
                    algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al><vet>Wat is bouwvergunningvrij bouwen? </vet></al><al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c en 44, tweede lid, van
                    de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is
                    opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                    bouwwerken is komen te vervallen. </al><al>De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                    43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht
                    van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de
                    met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken. </al><al><vet>Wat is licht bouwvergunningplichtig bouwen? </vet></al><al>De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                    de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien
                    is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen
                    onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Bouwplannen
                    waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden
                    getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de
                    eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voor zover
                    van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening. Wat
                    betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de
                    nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken. </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen e.d. in
                    de zin van de Modelbouwverordening en wat niet, is reeds vele malen onderworpen
                    aan het oordeel van de rechter. Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de
                    jurisprudentie op dit artikel gegeven worden. </al><al><cursief><onderstreept>Bouwwerk algemeen </onderstreept></cursief></al><al>Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer gewicht
                    dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt beschermd,
                    waaronder naast de belangen van veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het
                    belang betrokken bij het uiterlijk van bouwwerken, zowel op zich zelf als in de
                    omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de mondelinge behandeling van het
                    desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer opgemerkt dat het begrip bouwwerk
                    'alles en nog wat' kan omvatten. HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101;
                    NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR
                    1978, 196. </al><al>De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan het
                    spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in dezen
                    als richtsnoer dienen. Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24
                    januari 1983, GS 6751. </al><al>'Plaats van bestemming' in de definitie van bouwwerk moet niet worden opgevat
                    als 'plaats van voorkeur', doch veeleer als de plaats waarop de constructie
                    wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bij voorbeeld buiten het
                    regime van de bouwverordening vallen veelsoortig constructiewerk op industriële
                    terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats (prefabricatie e.d. en opslag van
                    constructies die zonder ter plaatse gebruikt te worden bestemd zijn om elders te
                    gaan functioneren). Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is
                    vervaardigd met de bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse
                    te doen spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats
                    van bestemming bevindt. HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr.
                    30369; NJ 1972, 453; Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436. Een
                    verrijdbaar of 'gemakkelijk' verplaatsbaar object moet in beginsel als bouwwerk
                    in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het naar omvang,
                    constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft. HR 29 mei 1973; BR
                    1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht
                    17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345;
                    ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135. </al><al>Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij
                    krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar verbonden
                    zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp, behorend bij een
                    stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10. </al><al><cursief><onderstreept>Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende
                            'verplaatsbare objecten': </onderstreept></cursief></al><al>Een wooncaravan. Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969,
                    429; OB 1969, XI.16.1, nr. 28673. Een stacaravan. ARRS 28 maart 1979; AB 1980,
                    76; GS 6587; NG 1980, 596; ARRS 5 maart 1982, A-3.2901 (1980). </al><al>Een friteskraam. Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325. </al><al>Een bloemenwagen. ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373. </al><al>Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen. Wnd. vz. ARRS 19
                    juli 1983, RO 3.83.4172. ARRS 21 januari 1986; GS 6842. </al><al>Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid. HR 29
                    mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974,
                    512. </al><al>Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242
                    m<sup>2 </sup>en een hoogte van 4 m. Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647. </al><al>Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum. ARRS 30
                    januari 1980; BR 1980, 599. Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met
                    een oppervlakte van 139 m<sup>2</sup>. </al><al>ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522. </al><al>Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een gebogen
                    ichtgewicht frame dat is overspannen met plastic. AARS 20 september 1986; RO
                    3.85.0135. </al><al>Demontabele luifels aan een winkelpand. Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S
                    5301. </al><al>Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde band
                    waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden. ARRS 9 december 1980; BR 1981,
                    342. </al><al>Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen door een
                    reclamebord in de vorm van een raket. ARRS 19 augustus 1983, A-31.2807
                    (1982)/19. </al><al>Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen
                    fundering. </al><al>ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982). </al><al>Een vlaggenmast van 13 m. Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1971, 551. </al><al>Een verplaatsbaar zwembad. Kg. Sneek 27 april 1973; BR 1973, 436; NJ 1973, 365. </al><al>Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als onderdak
                    voor een cv-ketel (ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825). </al><al>Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt
                    afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste, inklapbare delen
                    van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die rusten op vijf in de grond
                    verankerde staanders heeft toch een </al><al>plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig bouwwerk. Vz.
                    ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000. </al><al>De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden karakter, nu
                    daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn gemonteerd op plaatsen
                    waar contact met de ondergrond niet mogelijk is. Het verplaatsen kan daardoor
                    alleen nog met behulp van een hijskraan plaatsvinden. Voorts ligt het in de
                    bedoeling de unit blijvend te laten staan. ARRS, 16 augustus 1993, AB 1994, nr.
                    345. </al><al>Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is door de
                    maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide aanpassingen in
                    het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto kan worden voortbewogen,
                    aan te merken als een zomerhuis. Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en
                    S03.93.4772; ABRS, 4 april 1995, R03.93.5862. </al><al>Een paardencontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt een
                    plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie verplaatsbaar
                    en is derhalve een bouwwerk. ABRS 10 november 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.
                    Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeildoek afgedekt, die
                    dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk gezien het
                    plaatsgebonden karakter. </al><al>ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034. </al><al>Een verrijdbare overkapping, aan drie zijden omsloten door wanden, met een
                    oppervlakte van 75,6 m2, gezien de omvang, constructie, gebruik en
                    plaatsgebonden karakter. De omstandigheid dat de overkapping op wielen staat en
                    enige meters kan worden verreden doet daaraan niet af. ABRS 25 april 1995,
                    H01.95.0114 en K01.95.00.22.</al><al>Een op een standplaats geplaatste woonwagen met een permanent, plaatsgebonden
                    karakter. ABRS 4 november 1996, R03.94.0111, JG 97.0017. </al><al>Een dubbele stacaravan (houten, L-vormig chalet). ABRS 3 december 1996, nr.
                    R03.93.0294. </al><al>Een demontabel tuinhuisje, dat naar aard en gebruik plaatsgebonden is. Er komt
                    geen betekenis toe aan de omstandigheid dat geen fundering of betonnen vloer
                    aanwezig is. </al><al>ABRS 7 september 1997, nr. H01.96.0691. </al><al><cursief><onderstreept>Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:
                        </onderstreept></cursief></al><al>Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier tanks,
                    leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een oppervlakte in
                    beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m. HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ
                    1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062. </al><al>Een woonboot die met de grond is verbonden. Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748. </al><al>Een duiker in een weg. HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112. </al><al>Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken. ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331;
                    AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984, 331. </al><al>Een gedenkteken. ARRS 24 januari 1983; GS 6751. </al><al>Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed. ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB
                    1980, 217. </al><al>Een 'neerklapbaar' zomerhuisje op geheide fundering. ARRS 21 juli 1983,
                    A-31.3043 (1982)/21. </al><al>Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van elkaar staan.
                    ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200. </al><al>Hekwerken, afschermingen, rietmatten. ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS
                    24 februari 1978; BR 1978, 406; ARRS 10 december 1981; BR 1982, 314; ARRS 27
                    maart 1980, BR 1980, 704. </al><al>Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende
                    golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de vloer zijn
                    bevestigd. ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515. </al><al>Speeltoestellen. ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004. </al><al>Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porto-cabin, met een afmeting van
                    3x3x2,75) met een slagboom. Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en S03.93.0112. </al><al>Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een hoogte van
                    zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen worden en dat deze
                    niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn doet, in aanmerking
                    genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet af. ARRS 11 januari 1993,
                    R03.89.6929. </al><al>Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een tank van 7
                    m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als watertank. ARRS 9
                    januari 1987; RO 3.85.0723. </al><al>Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en omvang van
                    dit object. Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779. </al><al>Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel-café-restaurant, bedoeld om de
                    terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen. ARRS 11 maart 1988, RO
                    3.86.5649. Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een
                    zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een bouwwerk
                    is. </al><al>Een verrolpoort alsmede een afrastering. ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88. </al><al>Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep
                    verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene
                    zijde op de buis. ARRS 22 april 1988, GS 6863. </al><al>Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning geplaatste
                    antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne bestond onder
                    meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een tussenruimte van
                    ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren aangebracht en konden worden
                    gedraaid met behulp van een elektromotor. Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50. </al><al>Een balkonhek op de uitbouw van een woning. ARRS 20 oktober 1988. </al><al>De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden,
                    gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als (bouwvergunningplichtige)
                    bouwwerken. ARRS 25 november 1993, R03.91.0529. </al><al>Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar geplaatste
                    borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en plaatsgebonden karakter
                    een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431,
                    RB actueel 1994\9, p. 3. </al><al>Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond
                    geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m2, is gezien het plaatsgebonden
                    karakter ee (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Vz. ABRS 29 maart 1994,
                    R03.93.4934; S03.93.3858. </al><al>Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog
                    per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op
                    de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente
                    aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig)
                    bouwwerk. </al><al>Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen,
                    kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit
                    esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is. Rb. 's-Gravenhage 20 april
                    1994, KG 1994, nr. 186. </al><al>De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang 7,50
                    bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden beschouwd als
                    een bouwwerk. </al><al>Ook indien de reclame-installatie niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden
                    gezien, maar geacht zou moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk
                    te betreffen, dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het
                    gebouw waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis
                    worden beschouwd. ABRS 27 april 1995, R03.92.1653. </al><al>Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 m bedraagt, bestaande uit een
                    aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op zes palen in de
                    grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden karakter. ARRS 10 oktober
                    1995, R03.91.1601.</al><al>Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen van 1
                    meter.</al><al>Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335. </al><al>Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woningstichting), gelet op de
                    afmetingen en constructie. ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</al><al>Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang, gebruik en
                    plaatsgebonden karakter. ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</al><al>Een vaandel van 3,00 m hoog en 0,80 m breed, aan de boven- en onderzijde
                    bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder (beugel), ABRS 13 mei 1996,
                    BR 1996.</al><al>Een als vakantiewoning dienstdoende marina, bestaande uit een als woning
                    ingerichte en uitziende houten opbouw, geplaatst op een betonnen bak (caisson).
                    De marina is met stalen geleidingsbeugels verankerd aan een betonnen paal met
                    een lengte van 15 meter. Mede gezien deze solide verankering en het
                    plaatsgebonden karakter is sprake van een bouwwerk. Gezien de recreatieve
                    bestemming van de marina (wordt slechts enkele maanden per jaar bewoond) is hier
                    geen sprake van een woonschip in de zin van de Wet op Woonwagens en Woonschepen.
                    ABRS 18 september 1997, GS 7079, nr. 6, m. nt. Teunissen, BR 1998, p. 667.</al><al>Steigers die op staande palen worden gebouwd en met elkaar worden verbonden door
                    drijvende buizen. De hoofdsteiger zal een lengte hebben van ongeveer 60 m en een
                    breedte van 1,20 m; de aanloopsteigers zullen een breedte hebben van 0,5 m.</al><al>ABRS 13 september 1996, R03.93.3837 en R03.93.4690. </al><al><cursief><onderstreept>Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:
                        </onderstreept></cursief></al><al>Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen die
                    gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder het
                    maaiveld en die niet rusten op een fundering. Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR
                    1972, 416; NJ 1972, 258. </al><al>Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die
                    zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van circa 1,25
                    meter. KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974,
                    602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR
                    1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR
                    1984, 896.1. </al><al>Een oever- en terreinverharding als trailerhelling. KB 25 april 1974, S 279; OB
                    1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120. </al><al>Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen. Rb. Rotterdam 6 mei 1981;
                    BR 1981, 691. 10. </al><al>Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die met een
                    vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen en
                    afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen 's winters
                    neergelegd. ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143. </al><al>Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt ingenomen en
                    dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen garage. Daaraan doet
                    niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats,
                    aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet van de
                    elektriciteitsmaatschappij. Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976,
                    246. </al><al>Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame (boogkas) met
                    een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4 m. ARRS 1 december
                    1980; A-3.2995 (1979). Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135. </al><al>Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is. Vz. ARRS 15
                    juli 1983, RO 3.83.3881/15. </al><al>Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf. ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S
                    6709. Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met
                    betrekking tot een waterbassin van plasticfolie en gebruikte autobanden. </al><al>Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip. Hof Arnhem 6 juni
                    1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975, 274. </al><al>Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van eigenaar
                    perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een plaatsgebonden
                    karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan worden voor
                    veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie. Door diverse
                    omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 - datum uitspraak) op
                    het perceel gestald. ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373. NB: Een
                    omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan worden
                    onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht. </al><al>Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning
                    ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een caisson. Vz.
                    ARRS 6 augustus 1992, Gst 6968/8. </al><al>Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven grond
                    wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed met
                    kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen van een
                    bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in de
                    zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. </al><al>Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204. </al><al>Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen gelet op
                    de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor een
                    bouwvergunning noodzakelijk is. </al><al>Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari 1994, KG 94/353G. </al><al>Een berg aarde is geen bouwwerk. Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994,
                    nr. 467. </al><al>Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit aarden
                    dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. </al><al>De omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en
                    van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van
                    mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een
                    ander oordeel. Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355. 11 </al><al>Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de container,
                    bestemd voor inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, en de wijze waarop hij
                    los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar is, redenen waarom de container
                    naar gangbare opvattingen niet als een bouwwerk in de zin van de bouwverordening
                    kan worden aangemerkt. Hof Amsterdam 22 december 1994, 384/94 KG. </al><al>Een onderheid terras. </al><al>ABRS 17 februari 1995, BR 1995, p. 571. </al><al><cursief>Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt:
                    </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel
                        <onderstreept>1</onderstreept>, lid 1, sub c, van de Woningwet. </al><al><cursief>Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt: </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de
                    Woningwet. </al><al><cursief>Woning </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de
                    Woningwet. </al><al><cursief>Aan of uitbouw </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet. </al><al><cursief>Bijgebouw </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet. </al><al><cursief>Over meldingplichtig bouwen </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet. </al><al><cursief>Over vergunningvrij bouwen </cursief></al><al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet. </al><al><vet>Artikel 1.2 (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht,
                    die – na een intussen verstreken overgangsperiode – voor het gebied buiten de
                    bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer
                    bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied
                    binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de
                    voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige
                    bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid
                    van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens
                    bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van
                    de bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom
                    slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke
                    bestemmingsplannen. Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om
                    een indeling van de gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor
                    een zinvol onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige
                    voorschriften voor de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke
                    gebied. Het is praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij
                    de bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip ‘bebouwde
                    kom’, zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening,
                    lijkt niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan
                    worden afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens
                    worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden
                    die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht. </al><al>In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                    continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften
                    voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximum bouwhoogten. Daarom
                    zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het
                    buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                    bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip ‘bebouwde kom’
                    in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip ‘bebouwde kom’
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, zoals dit per 3 april 2000 is
                    gewijzigd. Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn
                    de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker
                    geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder
                    uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een
                    volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening. </al><al>Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van het
                    bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst van
                    (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande
                    bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn
                    vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouw-kundige voorschriften van de
                    bouwverordening <vet>vanaf 2003 </vet>nog belangrijker te zijn geworden, omdat
                    de vroegere meldingplichtige bouwwerken niet onder de werking van de
                    (stedenbouwkundige voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke
                    afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot
                    eventuele plangrenzen en grenzen van ‘welstandsvrije’ gebieden van groter
                    gewicht blijken dan in vroegere jaren. </al><al><vet>HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG BOUWVERGUNNING </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op
                    de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a
                    opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
                    voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichten en indiening van een
                    vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden. Dit is
                    het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit besluit zijn
                    limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de
                    Modelbouw-verordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen
                    artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten
                    opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2
                    bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt
                    getoetst c.q. moet voldoen. </al><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180, zijn per 1
                    juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door burgemeester en
                    wethouders wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies wordt
                    gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van
                    Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager – zowel natuurlijke als rechtspersonen – en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    burgemeester en wethouders aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren.
                    Bijlage 1 bij het standaardformulier voor het aanvragen van een bouwvergunning
                    bevat een checklist. In deze checklist is vermeld dat burgemeester en wethouders
                    de aanvrager informeren of en zo ja, welke gegevens en bescheiden de aanvrager
                    dient in te dienen in verband met de Wet BIBOB. Het vragen van een advies door
                    burgemeester en wethouders is facultatief. Indien een advies bij het Bureau
                    BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om
                    bouwvergunning met acht weken op. </al><al>Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht
                    geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie
                    Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van
                    Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot
                    de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob). </al><al><vet>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning </vet></al><al>De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet
                    zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                    wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd
                    gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen
                    gefaseerde vergunningverlening aan te vragen. Daarnaast biedt artikel 4 van het
                    Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de facultatieve
                    mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening (bouwvergunning op
                    hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen in de
                    Modelbouwverordening was opgenomen. </al><al>Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel
                    56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning
                    onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de
                    procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en
                    wethouders <vet>verplicht </vet>zijn een aanvraag om een reguliere
                    bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste geval
                    burgemeester en wethouders <vet>bevoegd </vet>zijn in te stemmen met de
                    verlening van een bouwvergunning op hoofdlijnen. </al><al><vet>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning </vet></al><al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                    scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het
                    afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter
                    uitvoering van wat is bepaald in artikel 4.11. </al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de
                    indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste
                    serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening 1992, zie de
                    losbladige uitgave ‘Standaardregelingen in de bouw’ van de VNG uitgeverij. </al><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1 tot en met 2.1.4 </vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </vet></al><al><cursief>Inleiding </cursief></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Modelbouwverordening hebben tot doel
                    te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                    bevat het verbod tot het bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een
                    uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek
                    wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                    met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningvereisten. Artikel
                    2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen. Om die
                    reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over het
                    bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening. In
                    verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningvereisten op 1 januari
                    2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen
                    vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit
                    de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd
                    Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling
                    inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en
                    protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede
                    tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. In een overleg met
                    het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het
                    bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog
                    enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht
                    deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit
                    overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met een
                    nieuw beschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de
                    bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke
                    regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens
                    noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien. Met betrekking tot de
                    voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG circulaire van 15 juli
                    2003, nr. MG 2003-18. </al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd – ook wel
                    historisch onderzoek genoemd – ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid
                    besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend
                    onderzoek. In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden:
                    vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek. </al><al><cursief>Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond.
                        Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                        onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.
                    </cursief></al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    bouwvergunning, dat en waar een dergelijk beoordeling kan plaatsvinden. Meestal
                    is dit een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                    werkzaamheden heeft uitbesteed. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoekverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk
                    te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5
                    is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat,
                    hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is
                    aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in
                    het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen
                    van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in
                    deze gevallen dus geen bodemonderzoekrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                    aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                    toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk
                    in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk
                    vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een
                    geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemde artikel 52a,
                    eerste lid Woningwet). <cursief>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de
                        beoordeling of een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen.
                    </cursief></al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Het begrip ‘bruikbare onderzoeksresultaten’ houdt in dat in ieder geval een
                    onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente
                    kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al><cursief>Lid 5 </cursief></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.
                    Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij
                    de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt:</al><al>“Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de bouwvergunning wordt vastgelegd op
                    basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet”. </al><al><vet>Artikel 2.1.6 tot en met 2.1.8 </vet></al><al>De toelichting bij deze artikelen komt te vervallen. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 2.2.1 tot en met 2.2.5 </vet></al><al>De toelichting bij deze artikelen komt te vervallen. </al><al><vet>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunning
                    </vet></al><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                    naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                    verleende bouwvergunning. De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is
                    door de Woningwet gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen de
                    inhoud van het bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan
                    plaatselijke omstandigheden en gebruiken. </al><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </vet></al><al>De toelichting bij dit artikel komt te vervallen. </al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord “uitsluitend” in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. </al><al>Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan
                    bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan.
                    De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor
                    het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is
                    vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens
                    artikel 44, derde juncto eerste lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten
                    deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het
                    Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht
                    tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in <cursief>paragraaf 1.2.5
                        onder e </cursief>van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit.
                    Derhalve geldt de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet
                    voor een aanvraag om een lichte bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt
                    niet geheel overeen met de categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de
                    wetswijziging van 2003. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze dan
                    via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd
                    is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch
                    onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen. </al><al>In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de gesteldheid
                    van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen bodemonderzoeksrapport
                    hoeft te worden ingediend bij regulier bouwvergunningplichtig bouwen dat naar
                    aard en omvang gelijk is aan bouwvergunningvrij of licht bouwvergunningplichtig
                    bouwen. </al><al>Voorts worden hieronder bij het vierde aandachtsstreepje de omstandigheden
                    omschreven waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk
                    ontheffing kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van
                    bodemonderzoek. De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een
                    aanvraag om bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1
                    januari 2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit
                    indieningsvereisten geregeld. De structuur is als volgt: </al><al>De voorprocedure – voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                    bouwvergunning – waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de milieudienst, een
                    oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het onderzoeksrapport is als verplicht
                    onderdeel om te komen tot een aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu
                    de NEN 5740 deze materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel
                    heeft over keuze van de onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de
                    desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen en een
                    vooroverleg te voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag
                    of en zo ja voor welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar
                    de bodemgesteldheid.</al><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een reguliere
                    bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport betreffende de
                    bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus <cursief>paragraaf 1.2.5 onder e
                    </cursief>van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                    indieningsvereisten.</al><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5 uit de
                    resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens NEN 5740,
                    bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave 2000 <cursief>en
                        NEN 5707, uitgave 2003</cursief>. Voordat een verkennend onderzoek wordt
                    uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden
                    uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een
                    eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                    historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, verlenen
                    burgemeester en wethouders op grond van het derde lid van artikel 2.1.5 geheel
                    of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                    onderzoeksrapport als bedoeld in <cursief>paragraaf 1.2.5 onder e</cursief>.
                    Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient
                    daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de
                    Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN
                    90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de
                    algemene bodemkwaliteit van de bouwkavel en de aanwezigheid van puntbron(nen)
                    gebonden verontreiniging(en). Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat
                    sprake is van bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor
                    geldt het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083)
                    of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN 90-12-08232-3).
                    Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid van
                    asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld
                    met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse van
                    asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform
                    NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de
                    aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek
                    volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en
                    grond met minder dan 20% puin. Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan
                    20% puin is NEN 5897, uitgave 2005 ‘Monsterneming van analyse van asbest in
                    onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat’ van toepassing.</al><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit kan
                    zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat dit verzoek is
                    ingediend. De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst
                    wordt aan het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de
                    grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in
                    voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten.</al><al>Het criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder onderzoek,
                    dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft
                    opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de
                    gemeentelijke archieven bruikbare informatie voor een historisch onderzoek te
                    vinden is, uiteraard geen grond voor een ontheffing. Het eerdere onderzoek kan
                    door de gemeente in eigen beheer gebeurd zijn. De situatie waarin de gemeente
                    een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed
                    voor een ontheffing. Verder kan de aanvrager of een eerdere rechthebbende in een
                    ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning onderzoeks-gegevens aan de
                    gemeente hebben overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de
                    gemeente bekende informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de
                    onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk van de
                    aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van het
                    onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen,
                    deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders te mandateren. De
                    ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de
                    compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5 juncto
                    4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en wellicht niet goed
                    realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing
                    te beoordelen en bij een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de
                    mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                    ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt
                    ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente
                    voor problemen met de fatale termijnen. </al><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing blijkt
                    dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                    opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt
                    de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen burgemeester en
                    wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van
                    artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</al><al><vet>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen </vet></al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van
                    materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten
                    alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes
                    en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van
                    toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken
                    wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                    algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die
                    gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven
                    van mensen. </al><al>In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr.5, p 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><al><vet> Bouwwerken die de grond niet raken </vet></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist. </al><al><vet> Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging
                    </vet></al><al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en wethouders
                    het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van
                    bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat
                    bepaalde voorzieningen worden getroffen. </al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden
                    volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen. </al><al><vet> Afstemming met Wet bodembescherming </vet></al><al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                    bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet bodembescherming.
                    Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting
                    voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek
                    blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat
                    overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en
                    wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop
                    gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan
                    om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd,
                    bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van mensen. </al><al>Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het
                    krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft
                    vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging. </al><al><vet> Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk </vet></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester en
                    wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een
                    ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn
                    van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                    van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de
                    bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal
                    volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van de Modelbouwverordening. Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging
                    geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de
                    Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                    saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                    bouwaanvraag. </al><al>Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder
                    de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op
                    grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen. </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding
                        van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (Stb 1998, 132), en de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde
                        serie wijzigingen </cursief></al><al>Gelet op de functie van het in het geding zijnde bouwwerk (parkeerdak) is een
                    toets aan de in artikel 2.4.1, eerste lid (Model)bouwverordening neergelegde
                    verbodsbepaling niet redelijk. Gelet hierop bestond de mogelijkheid om
                    vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid, (Model)bouwverordening te
                    verlenen. Nu in dit geval sprake is van een van rechtswege verleende
                    bouwvergunning, en de Woningwet niet voorziet in de mogelijkheid dat een op
                    grond van de (Model)bouwverordening vereiste vrijstelling van rechtswege wordt
                    verleend, is deze bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder b,
                    van de Woningwet. Vz. ARRS 25 november 1993, S03.93.4868. </al><al> Artikel 2.4.1 van de (Model)bouwverordening is niet in strijd met artikel 8 van
                    de Woningwet. Bij een interne bouwvergunningplichtige verbouwing zijn b. en w.
                    gehouden, zonodig onder het stellen van voorwaarden, een vrijstelling van het
                    verbod tot bouwen op verontreinigde grond te verlenen. Pres. Rb. Zutphen 26
                    februari 1996, BR 1996, p. 499. </al><al>Uit het verkennend bodemonderzoek, dat zich heeft beperkt tot enkele parameters,
                    blijkt dat het desbetreffende gebied dermate is verontreinigd, dat de grond niet
                    zonder meer geschikt is voor woningbouw. Met betrekking tot de specifieke
                    verontreinigingsgraad van het perceel is nog onvoldoende bekend. B. en w. hebben
                    op goede gronden geconcludeerd dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is, om deze
                    specifieke verontreinigingsgraad te bepalen. Wegens het ontbreken van bereidheid
                    aan de zijde van eiser dit onderzoek te laten verrichten, hebben b. en w. de
                    bouwvergunning geweigerd. ABRS 2 september 1996, H01.95.0572. 22. Bij de
                    bodemtoets gaat het in het bijzonder om de actuele risico's voor de mens bij het
                    gebruik van een bouwwerk. Ook een niet-urgent geval van ernstige
                    bodemverontreiniging (volgens urgentiemethodiek Wet bodembescherming) kan
                    desondanks met zich meebrengen dat bij het gebruik van het bouwwerk voor de mens
                    een actueel risico bestaat, zodat de bouwvergunning geweigerd dient te worden.
                    Pres. Rb. Leeuwarden 21 augustus 1996, BR 1996, p. 1005. </al><al><vet> Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning </vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                    burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                    verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en
                    zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige
                    gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden
                    tot weigering van de bouwvergunning. In de voorwaarden van de bouwvergunning kan
                    aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en – in
                    relatie tot de bouw– op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken
                    aan: </al><al>– de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                    wordt aangebracht; </al><al>– de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                    afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al><al>– de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt
                    aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk
                    in stand wordt gehouden. </al><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                    belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                    bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe
                    deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake
                    is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit
                    artikel worden afgedaan. Nadat het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde
                    gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van
                    artikel 52A van de Woningwet is beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend
                    onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de
                    op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding
                        van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de MBV 1992 bijgewerkt tot de
                        zesde serie wijzigingen </cursief></al><al>De bodembepalingen uit de (Model)bouwverordening bieden de mogelijkheid tot
                    verlening van een bouwvergunning onder voorwaarde dat na afbraak van de
                    bestaande opstallen en verwijdering van de olietanks een nader bodemonderzoek
                    zal plaatsvinden, en dat niet met de beoogde bouw wordt begonnen voordat is
                    gebleken dat het desbetreffende terrein daarvoor geschikt is. ABRS 13 juni 1996,
                    BR 1996, 820. 23. <cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard
                    </cursief></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn
                    geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                    Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn: </al><al>– De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel 9 van
                    de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van kracht is, moet
                    worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht
                    hebben, voor zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn
                    kracht beroofd wordt. Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten
                    opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking
                    ondergaan. De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het
                    bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of
                    als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de
                    bouwverordening terugtreden. Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde
                    voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden
                    toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de
                    bouwverordening opzij kan zetten. Indien met toepassing van artikel 19 van de
                    Wet op de Ruimtelijke Ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht
                    geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt van
                    het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde daarvan het in
                    voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond treden bij de toepassing
                    van de conflictregel. In deze hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan
                    bepalingen uit de bouwverordening terzijde schuiven. Een eerste vereiste
                    hiervoor is dat er sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een
                    voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten
                    is dat het onherroepelijk zal worden. </al><al>Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                    vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het bouwplan past
                    binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien worden of het
                    toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de bouwverordening, waarbij de
                    conflictregel wederom aan de orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat
                    de bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het
                    toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de toetsing van
                    het concrete bouwplan buiten toepassing. Voor gebieden waar geen bestemmingsplan
                    geldt en waar dus een anticipatie op voet van artikel 19 van de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de
                    mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met
                    overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen
                    met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het
                    toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit
                    bestemmingsplan het stadium van 'intern praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het
                    betreffende artikel nader is geconcretiseerd. (Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995,
                    blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB
                    1987,135). </al><al>– De tweedeling in (licht) bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                    stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                    bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd worden
                    gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van rijkswege beschermde
                    stads- en dorpsgezichten altijd bouwvergunningplichtig zijn. De
                    stedenbouwkundige voorschriften zijn aangepast aan artikel 43 van de Woningwet
                    en het Besluit bouwwerken. </al><al>– Verwezen wordt naar de bij artikel 1.1 vermelde toelichting op meldingplichtig
                    bouwen. </al><al>– Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                    parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen is mede
                    noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter zake zal
                    bevatten. </al><al><vet>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </vet></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hiervan groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Modelbouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in artikel 9, lid 2 (slot): “….., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt”. Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft, volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. Alvorens in een concreet geval tot
                    aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een
                    drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat
                    tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend,
                    dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van
                    het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp
                    expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient
                    ten slotte te worden bezien of,</al><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften
                    van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de
                    bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit
                    het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond
                    van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                    bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                    laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                    Modelbouwverordening. Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel
                    33 WRO te introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om
                    een minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende
                    beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft
                    van continuïteit van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening
                    sinds 1965. <vet>Artikel 2.5.1 (vervallen) </vet></al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet> Deze bepaling dient om te
                    voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij
                    een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens
                    meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een
                    soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied
                    betekenis te hebben. </al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
                        Brandblusvoorzieningen </vet></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. Indien de maat in het eerste lid door
                    de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan correspondeert deze met de maat,
                    bij overschrijding waarvan – ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954
                    berust – een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van
                    aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een
                    oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                    blusslangen te groot wordt. Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van
                    een verbindingsweg in de zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden
                    geweigerd. Eventueel kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat
                    met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die
                    aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat
                    de aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                    toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het
                    wegennet. Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het
                    aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de
                    algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een
                    privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke
                    toestemming tot uitwegen is – gelet op artikel 14 van de Wegenwet – niet nodig
                    voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                    achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002) is
                    doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer
                    toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                    Boxmeer). De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het
                    gebruik door gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                    brandweerauto’s e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. </al><al>De eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                    sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                    gangbare vrachtauto's. </al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen
                    behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer over
                    blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt. </al><al><cursief>Lid 5 </cursief></al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een: </al><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al><al>speciaal gegraven blusvijver;</al><al>ander oppervlaktewater;</al><al>waterput of bron.</al><al><cursief>Lid 6 </cursief></al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die
                    aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor
                    materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Lid 1 (op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening 1965)
                    </cursief></al><al>Er kan met voldoende zekerheid van worden uitgegaan dat het bouwplan voldoet aan
                    de betrokken bepaling van de bouwverordening, nu ter zake schriftelijk is
                    overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zal worden gevestigd, zodat de
                    noodzakelijke uitweg tot stand zal komen. Vz. ARRS 24 februari 1992,
                    S03.91.4091. </al><al>De beoordeling of een op te richten gebouw langs een ontsluitingsweg bereikbaar
                    is, moet geschieden aan de hand van de feitelijke situatie. I.c. is de oplaag
                    verhard met grint en is de weg breed genoeg voor een brandweerauto en ander
                    ontsluitingsverkeer. ABRS 20 december 1996, Gst 7050/8, m.nt. JT. </al><al><cursief>Lid 6 (op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening 1992)
                    </cursief></al><al> Voor het aannemen van een verbindingsweg in de zin van artikel 37, lid 1,
                    (Model) bouwverordening 1965 is de feitelijke situatie beslissend. Geen beroep
                    op de wegenlegger. Met aantekening dat met dit artikel niet is beoogd het
                    voorkomen van verkeersgevaarlijke situaties. Vz. ABRS 25 april 1994,
                    R03.93.555346P90 en S03.94.0222. </al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen (vervallen)Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid
                        van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de
                    halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt,
                    de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as
                    van de weg. </al><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het
                    onderhavige verbod geldt niet voor bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus
                    wel voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het
                    Besluit bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken. Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of
                    bij een monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als
                    bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in
                    een beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan
                    is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering
                    licht-bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit
                    bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze
                    'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden
                    geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou
                    zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat
                    daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26
                    734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste lid, onder
                    k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een uitbreiding van het bebouwd
                    oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus bouwvergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                    Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij
                    de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij
                    de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes
                    en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                    overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en
                    wethouders dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden.
                    Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                    toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m
                    2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het
                    aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de
                    voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de
                    woorden ', te weten:'.</al><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan
                    in voorbereiding is.</al><al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van
                    het Besluit bouwwerken, uit te sluiten. Lid 1, ad b Deze bepaling maakt het
                    mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten. Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel
                    2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Lid 4, onder a</al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                    ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen. Het
                    geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als
                    een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt
                    aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of
                    dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van
                    uitzondering bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het
                    Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken
                    van de aanvraag om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.
                    Twee punten zijn van belang: </al><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3, eerste lid, onder
                    k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een uitbreiding van de bebouwde
                    oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag
                    er geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.</al><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is het wel
                    mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking heeft. In dat geval
                    hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening geen betekenis.
                    Voorzover het bestemmingsplan de aan- en uitbouwen verbiedt, is vrijstelling
                    mogelijk op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening.</al><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in
                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen
                    in het algemeen worden beschouwd:</al><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil mits zij
                    de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitspringende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij
                    de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten en kleine
                    afdaken.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van nieuw
                    ruimtelijk beleid.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is
                    vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term
                    'bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde' onder h.</al><al>Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen
                    de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                    worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan
                    te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al>Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                    1965.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van
                    de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen,
                    waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen
                    en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                    voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing
                    minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien
                    de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel
                    van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een
                    ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden
                    op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, onder e, van
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                    het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van
                    bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat
                    geen erf, behorend bij een gebouw, is. Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor
                    de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erf- en
                    terreinafscheidingen.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk
                    en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer
                    op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel
                    dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d. Het
                    gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                    hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning aanwezig
                    zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een bestemmingsplan,
                    zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een
                    andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet 1991. Omdat
                    het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. </al><al>De aan een ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn
                    gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het
                    voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten
                    gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk. Indien het onderhavige
                    artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met
                    de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. Krachtens
                    overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal de gemeente van derden in elk
                    geval het plegen van dergelijk overleg verlangen, indien bij een
                    hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd. Voor hoogspanningsleidingen
                    zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis hebben, indien op het
                    betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5,
                    lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het recht
                    van opstal niet alleen betrekking op bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar
                    ook op bouwvergunningvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2
                    x 30 meter, waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde
                    bouwwerken, machines e.d. is toegestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet>Dit en de
                    volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de
                    maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende
                    bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. Het stelsel is niet alleen
                    gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende
                    toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.). Met het oog op de in het algemeen wenselijke
                    stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden
                    voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                    anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12,
                    13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Een voorgevelrooilijn kan
                    ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een park of
                    een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan
                    te ver weg liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk
                    te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur
                    15). Een plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld
                    voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen. <vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten
                        hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn</vet></al><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die van
                    het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is onveranderd
                    gebleven. Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel. <vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                        achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22. <vet>Artikel
                        2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet>De maximumbouwhoogte
                    van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte -
                    overeen met 5 à 5,5 bouwlaag. <vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet
                        aan een weg grenzende terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande uit
                    twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en
                    vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot. <vet>Artikel 2.5.26 Wijze van
                        meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</vet></al><al>Ad a</al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                    bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                    artikel 2.5.28, onder e. <vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen
                        van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden besteed
                    aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                    welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                    ontheffing.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen. <vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding
                        van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding
                        van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                    ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                    buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds de
                    binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf) vrijstellingen ex
                    artikel 15 WRO. Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5 MBV te beschouwen als
                    een deel van een pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28
                    te beschouwen als drie 'binnenplanse' ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te
                    beschouwen als de 'buitenplanse' ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij
                    paragraaf 2.5. Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het
                    niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en
                    het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekende de
                    invoering van een (deels) zelfstandige projectenprocedure (artikel 19, lid 1
                    WRO), de aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2 WRO) en de algemene
                    vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO juncto artikel 20 Bro). De laatste
                    twee vrijstellingsregelingen kennen in beginsel geen preventief provinciaal
                    toezicht meer (verklaring van geen bezwaar). Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en
                    de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel 17 en 19 WRO leidt tot een nieuwe
                    opzet van artikel 2.5.29 MBV. De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van
                    de Wet op de Ruimtelijke Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit
                    op de ruimtelijke ordening hebben model gestaan voor de aanpassing van dit
                    artikel. Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                    overeenstemming vertoont met artikel 20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                    welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan met
                    een eenvoudige vrijstelling van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen
                    worden. Dit betreft met name in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de
                    algemeen toegestane bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder
                    meer de artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het
                    gaat meestal niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe
                    gebouwen die niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte passen).
                    Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                    afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV. Provinciaal toezicht
                    is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers in vele gevallen de
                    bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten goedgekeurde
                    bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie wordt gelegd met
                    het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg. Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de
                    hand de ontheffing van artikel 2.5.29 MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te
                    kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en in artikel 18 WRO.</al><al>Lid 1</al><al>De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie wijzigingen
                    (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de desbetreffende tekst
                    die van 1983 tot 2001 vigeerde. De woorden 'voor het bouwen in een gebied
                    waarvoor geen bestemmingsplan geldt' zijn vervallen, omdat niet slechts in het
                    geval dat er geen bestemmingsplan geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel
                    2.5.29 MBV, doch ook indien er een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan,
                    een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met
                    een aantal gebreken is; zie ook de Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de
                    MBV onder 'Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan'.</al><al>Lid 2</al><al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari
                    2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                    zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen de
                    rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het
                    gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw)
                    beleid'.</al><al>Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20
                    Bro.</al><al>Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                    wettekst tot uitdrukking.</al><al>Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR
                    1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984,
                    Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR
                    1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                    bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald, althans
                    bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de ontheffing
                    kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van ontheffing in
                    relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in
                    overeenstemming zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden
                    kenbaar, toekomstig planologisch kader.' De ARRS heeft de eisen later wat
                    afgezwakt, waarbij zij zo'n 'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening
                    niet als onverbindend aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen
                    slechts als eisen waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en
                    dat de GS een verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober
                    1985, AB 1986, 501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996. De afdeling is er in ieder
                    geval steeds van uitgegaan dat het materiële toetsingskader vergelijkbaar moet
                    zijn met het toetsingskader dat wordt gehanteerd bij toepassing van artikel 19
                    WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO moet men bedenken dat de toepassing ervan
                    zonder voorbereidingsbesluit slechts mogelijk is indien er een geldend
                    bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar en er bovendien een goede
                    ruimtelijke onderbouwing is gegeven. In eerste instantie moet natuurlijk gedacht
                    worden aan een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed
                    gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een
                    basis vormen. Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid',
                    evenals bij de toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk om de
                    ontheffing op de baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. Nadrukkelijk wordt echter ook ander
                    nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron genoemd. Immers enkel 'vastgesteld en
                    bekendgemaakt beleid' zal verstarrend werken want het kan lang duren voordat
                    zo'n beleid een feit is. Zo kan overeenstemming met een
                    voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale Planologische Commissie heeft
                    ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit laatste spoort immers met de
                    jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met de eerste uitspraken van
                    lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO (2000).</al><al>Motivering</al><al>De eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van
                    het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het
                    derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor een
                    dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van een
                    goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige
                    geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch beleid.
                    In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen
                    dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend 'in overeenstemming is met
                    in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van
                    artikel 19, lid 3 WRO en artikel 17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke
                    onderbouwing' te eisen voor de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing. Wel geldt
                    natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de relevante
                    jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over artikel
                    2.5.29.'</al><al>Milieuzonering</al><al>Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden met
                    alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                    afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                    'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Lid 3</al><al>Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen twee
                    weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende bouwplan kan
                    worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de MBV.</al><al>Afdeling 3.4 Awb</al><al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                    toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke
                    verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex
                    artikel 2.5.29 MBV.</al><al>Titel 4.1 Awb</al><al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                    specialis) hier niet van afwijkt.</al><al>Horen</al><al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden
                    (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag
                    te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft.</al><al>Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                    aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende
                    niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch
                    wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren
                    voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord
                    moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al><al>Inspraak</al><al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid
                    3 WRO.</al><al>Zienswijzen en fatale termijnen</al><al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn
                    al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het
                    inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem
                    van fatale termijnen van de Woningwet. </al><al>Deze ontheffingsprocedure moet immers worden doorlopen binnen de desbetreffende
                    fatale termijnen van de Woningwet. Zolang echter de aanvraag om een reguliere
                    bouwvergunning kan worden verdaagd, lijkt het mogelijk om beide procedures,
                    inclusief het afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er
                    sprake hoeft te zijn van fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie
                    (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds dat
                    een fictieve bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als er geen
                    vrijstelling van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet
                    voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste
                    vrijstelling van rechtswege wordt verleend.</al><al>Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure</al><al>De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de aanvraag.
                    Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het bij
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet gaan van de
                    rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen worden afgedaan met
                    behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28.
                    Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er geen knelpunten zijn met de
                    termijn van zes weken.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het
                    niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging
                    en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent
                    dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een
                    lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure op
                    grond van artikel 2.5.29 MBV. Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29
                    MBV wordt doorlopen in combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste
                    fase is het van belang dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als
                    gevolg van de nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen een
                    beslissing op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk
                    is. In een dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders tijdig een
                    verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve
                    bouwvergunning eerste fase ontstaat.</al><al>Monumenten en stads- en dorpsgezichten</al><al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de MBV
                    analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie
                    aangemerkt.</al><al>Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</al><al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de
                    bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen
                    worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de
                    verdagingsmogelijkheid.</al><al>Rechtsbescherming</al><al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                    rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning. De
                    beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</al><al><vet> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A,
                    B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De
                    Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet, decentraal wat
                    kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende
                    en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en
                    voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid
                    zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. </al><al>Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de
                    decentrale overheden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale
                    verkeer- en vervoerplan. Voor kencijfers betreffende in het algemeen
                    aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het
                    soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen
                    voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                    verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                    Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel.
                    0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm
                    alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald. Aan de hand van de
                    hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen bouwvergunning
                    een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het
                    onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige
                    flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het
                    aanbeveling om in een concrete bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar
                    boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer
                    bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                    verleend onder financiële voorwaarden.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet><cursief>Hoofdlijnen van de
                        jurisprudentie (oud)</cursief></al><al>Diverse uitspraken over artikel 258, lid 1, van de (Model-)bouwverordening 1965
                    kunnen relevant worden geacht voor de toepassing zowel van het derde lid van
                    artikel 2.5.30 (alternatief 1) als van het eerste lid van artikel 2.5.30
                    (alternatief 2).</al><al><vet>1 Algemeen</vet></al><al>Artikel 258 geldt uitsluitend bij het nemen van een beslissing op een aanvraag
                    om bouwvergunning. Het artikel is geen grondslag voor de toepassing van de
                    aanschrijvingsbevoegdheden krachtens de Woningwet. ARRS 20 november 1981, BR
                    1982, 312; OB 1982, III.2.2.7, nr. 44033.</al><al>Wanneer niet wordt en ook niet kan worden voldaan aan artikel 258, lid 1, van de
                    bouwverordening, dan voldoet het bouwwerk waarop de bouwaanvraag betrekking
                    heeft niet aan de bouwverordening en kan behoudens in het geval van vrijstelling
                    geen bouwvergunning worden verleend. Artikel 258 van de bouwverordening strekt
                    slechts ter bescherming van de belangen die worden bedreigd door het ontbreken
                    van voldoende parkeergelegenheid op een bouwperceel zelf. ARRS 21 januari 1982,
                    AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.</al><al>De gemeente moet het stellen van parkeereisen motiveren. ARRS 1 juli 1981,
                    RO3.3219/S859.</al><al>Bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan artikel 258, lid 1, van de
                    bouwverordening, kunnen niet in aanmerking worden genomen eventuele
                    parkeermogelijkheden (i.c. een te bouwen parkeergarage) aan de overzijde van de
                    weg waaraan men een verkeersaantrekkend gebouw wil oprichten. Een dergelijke
                    parkeermogelijkheid kan wel een rol spelen bij het verlenen van de vrijstelling
                    krachtens lid 3 (= MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1), lid 5, onder b, en
                    artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4). Vz. ARRS 30 juli 1985;
                    RO3.85.4382/S1097.</al><al>Een huurovereenkomst met kettingbeding (voor het gebruik van andermans grond
                    als</al><al>parkeerterrein) acht de ARRS in beginsel geen voldoende waarborg. ARRS 23
                    augustus 1985; GS 6817.</al><al>De uitbreiding van de werkplaats hangt samen met een wijziging van de
                    werkmethode. Vast staat dat er slechts één spuitcabine is en blijft; het
                    maximaal te behandelen aantal auto’s zal na de uitbreiding gelijk blijven aan
                    het huidige aantal. Er kan derhalve worden verwacht dat de parkeerdruk niet of
                    nauwelijks zal verhogen. Geen strijd met artikel 258 (Model-)bouwverordening
                    1965. ABRS 3 juli 1995, R03.91.1240.</al><al><vet>2 Vrijstellingsbeleid en -criteria</vet></al><al>NB: MBV 1965, artikel 258, lid 3 = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1), lid
                    5, onder b, = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4.</al><al>Wil de gemeente vrijstelling verlenen krachtens artikel 258, lid 3, dan moet zij
                    aantonen dat het scheppen van voldoende parkeerruimte op het terrein bij het
                    betrokken verkeersaantrekkende gebouw zodanige bezwaren oplevert, dat aan deze
                    bezwaren doorslaggevende betekenis moet worden gegeven ten opzichte van de
                    belangen van derden. ARRS 28 augustus 1981, BR 1982, 53.</al><al>Het weigeren van een vrijstelling op grond van motieven die niet in verband
                    kunnen worden gebracht met genoemde belangen, is ongeoorloofd. Een beslissing
                    omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 258, lid 3, van de bouwverordening
                    moet zijn onderbouwd met onderzoek naar:</al><al>a de te verwachten parkeerdruk (aantallen en aard bezoekers, piektijden, soorten
                    middelen</al><al> van vervoer);</al><al>b de aanwezige parkeermogelijkheden (ook in een wijdere omgeving dan de straat
                    waaraan</al><al> het bouwperceel ligt). ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982,
                    505.</al><al>In het algemeen is het redelijk vrijstelling te verlenen krachtens artikel 258,
                    lid 3, wanneer:</al><al>een te bouwen gebouw zich niet leent voor het daarop of daaronder aanleggen
                    van</al><al> parkeerplaatsen, terwijl van een daarbij behorend terrein niet of nauwelijks
                    sprake is;</al><al>b zonder vrijstelling het aan het gebouw geven van een functie die aan het
                    bestemmingsplan beantwoordt, moeilijk denkbaar is. ARRS 9 oktober 1981, A-3.0132
                    (1980).</al><al>Parkeerbehoeften kunnen niet op alle tijden en plaatsen onder alle
                    omstandigheden gelijkelijk worden beoordeeld. Daarom wordt van gemiddelden
                    uitgegaan. Aan de overheid is voor het vaststellen van deze gemiddelden grote
                    vrijheid gelaten. Afwijking van de gekozen gemiddelden is redelijkerwijs alleen
                    geboden, als de noodzaak daartoe uit de feiten blijkt. De problematiek van het
                    parkeren in stadscentra pleegt te worden aangepakt in het geheel van voor
                    stadscentra in te voeren verkeersreguleringen en andere maatregelen. Daarbij
                    behoeft niet voorop te staan dat voor alle bezoekers van de stadscentra op
                    koopavonden en zaterdagen te allen tijde en zonder dat enige wachttijd in acht
                    genomen moet worden, parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. ARRS 16 mei 1986,
                    RO3.83.6416.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de
                        bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>De behoefte aan parkeergelegenheid vloeit voort uit de aard en oppervlakte
                    alsmede het aantal zitplaatsen van een inrichting. Pas bij de vrijstelling
                    speelt de reeds aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving een rol. ABRS 21
                    maart 1994, R03.90.6357.</al><al>Het kan niet worden ontkend dat het regelen van parkeergelegenheid uit een
                    oogpunt van goede ruimtelijke ordening van belang is. Dit houdt echter niet in
                    dat het bestemmingsplan uit dien hoofde op gedetailleerde wijze de
                    parkeermogelijkheden zou dienen vast te leggen. De wegenverkeerswetgeving is het
                    meest geëigende instrument om het verkeer naar de minst bezwarende
                    parkeergelegenheid te verwijzen. Kroon 4 januari 1995, AB 1995, 337, m.nt.
                    AWK.</al><al>Voor een reeds bestaand bedrijf moet bij de uitbreiding aansluiting worden
                    gezocht bij de nieuwe parkeernormen, deze zijn niet zonder meer van toepassing.
                    Het tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie mag niet meegerekend worden.
                    Van de uitbreiding kan wel de extra verkoopruimte, maar niet de magazijnruimte
                    meegerekend worden. ABRS 17 januari 1995, R03.91.1986.</al><al><vet>3 Financiële voorwaarden</vet></al><al>Een vrijstelling van de hoofdregel dat op eigen terrein in voldoende mate in
                    parkeergelegenheid wordt voorzien, leidt tot de vraag hoe de kosten van de op
                    openbaar terrein aangelegde parkeerplaatsen kunnen worden verhaald. </al><al>De ARRS stelt in een uitspraak van 30 augustus 1985 (AB 1986, nr. 243, BR 1985,
                    p. 911) dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan de
                    mogelijkheid heeft door middel van een financiële voorwaarde tot betaling van
                    een tegemoetkoming of compensatie te verplichten, zij het onder een aantal
                    voorwaarden:</al><al>a de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling
                    van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>b de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                    geldbedrag;</al><al>c de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                    hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbeschermingmeer
                    aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te
                    verlangen.</al><al>De Afdeling overwoog voorts dat bij de besluitvorming omtrent de financiële
                    compensatie moet worden afgewogen of bestaande wettelijke voorzieningen de
                    gemeente ten dienste staan, die voor de betrokkene meer waarborgen bieden of die
                    anderszins gunstiger zijn dan de onderhavige financiële voorwaarde. In verband
                    met de onderhavige zaak wees de Afdeling op de parkeermetervoorziening en de
                    baatbelasting. De Afdeling lijkt te twijfelen aan het recht van de gemeente op
                    vergoeding voor de aanleg van een parkeerplaats door middel van een financiële
                    voorwaarde aan de vrijstelling op grond van art. 2.5.30. Algemene (en ook
                    recentere) jurisprudentie ten aanzien van kostenverhaal van openbare
                    voorzieningen doet vermoeden dat de twijfels van de Afdeling niet snel zullen
                    verdwijnen (Zie ook: ‘Kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie; verhaal
                    van kosten van voorzieningen van openbaar nut via de exploitatieveror–dening en
                    via de verordening baatbelasting’, VNG, 1994. Overigens is deze publikatie mede
                    verschenen naar aanleiding van de wijziging van de baatbelasting per 1 januari
                    1995; deze wijziging houdt in dat de bouwgrondbelasting opgaat in de
                    baatbelasting-nieuwe-stijl, waarmee 100% van de kosten</al><al>van openbare voorzieningen kunnen worden verhaald.)</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het – niet in werking getreden – artikel 218, lid 1, over
                    ‘parkeerplaatsen van voldoende afmetingen’. Het bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan het bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto’s).</al><al><cursief>Lid 4, ad a</cursief></al><al>De mogelijkheid tot onthefing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                    verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder ‘Hoofdlijnen van de
                    jurisprudentie’, punt 3. <cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake
                        brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen </cursief></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld. Overigens moet men zich realiseren dat het
                    onderhavige voorschrift geen aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater – als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer van het Bouwbesluit – ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan. Voor de wijze van meten van de afstand tot de
                    dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7. </al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1. <vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting
                        aan het aardgasnet </vet></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>De niet van toepassing verklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de
                    kans op ongevallen. </al><al><cursief>Lid 2, onder b </cursief></al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht. </al><al><cursief>Lid 2, onder c </cursief></al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op <cursief>stads-, wijk- of
                        blokverwarming</cursief>, kan door burgemeester en wethouders worden
                    geweigerd, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het
                    koken op aardgas. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. </al><al><vet>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                        verwarming </vet></al><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met
                    de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om
                    de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al
                    is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.</al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </vet></al><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                    Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte
                    beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting
                    verwijzen wij naar de <cursief>Leidraad riolering</cursief>, module aanpak
                    verspreide afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn
                    (losbladig). Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in
                    artikel 2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in
                    artikel 5.3.4. </al><al>Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de Woningwet
                    gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van de Woningwet, de
                    mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op
                    de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt. Het
                    Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater in
                    de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een
                    individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                    zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                    lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de
                    publicatie van het Ministerie van VROM: <cursief>Individuele behandeling van
                        afvalwater bij verspreide bebouwing</cursief>; onderzoeksfase 4B:
                    IBA-richtlijn (november 1991). Het lozen op oppervlaktewater wordt door de
                    waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1 maart
                    1997 het WVO-Lozingenbesluit huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb.
                    1997, 27). De systematiek van dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het
                    Lozingenbesluit bodembescherming. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor
                    hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het
                    is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer
                    grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare
                    riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is
                    echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. De aanvrager van de bouwvergunning kan de
                    onder b genoemde uitzondering op de aansluit-plicht aan het gemeenteriool
                    bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van
                    het <cursief>duurzaam bouwen </cursief>te consumeren, waar drinkwater niet
                    noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van
                    de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het <cursief>Nationaal
                        pakket Duurzaam bouwen, </cursief>uitgegeven en regelmatig herzien door de
                    Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445. </al><al><cursief>Lid 2, onder a </cursief></al><al>Naast het geven van aanwijzingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de
                    te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd: </al><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt
                    aangesloten;</al><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor
                    enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien in het
                    desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel
                    aanwezig is.</al><al><cursief>Lid 2, onder b </cursief></al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                    hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                    Uitzonderingen gelden voor: </al><al>a afvloeiend hemelwater; </al><al>b huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik; </al><al>c bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater
                    en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik. </al><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                    standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste
                    op grond van die wet. Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering,
                    koeling of dergelijke niet tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren
                    hoeveelheden zo groot zijn dat verstoring van de goede werking van de openbare
                    riolering of de zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op
                    andere wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten aanzien
                    van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen zijn dit
                    voor de complexe categorieën bedrijven niet langer burgemeester en wethouders,
                    zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de toenmalige
                    gemeentelijke lozingsverordeningen riolering. </al><al><cursief>Lid 4, onder a </cursief></al><al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond
                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. <cursief>Lid 4, onder b
                    </cursief></al><al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot
                    aansluiting aan het openbare riool verlenen. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief> Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                        1965 </cursief></al><al>Een eventuele verplichting voor de gemeente op grond van artikel 240, eerste
                    lid, van de bouwverordening (= artikel 2.7.4 in de MBV 1992) laat onverlet dat
                    de wetgever - blijkens artikel 274 van de gemeentewet en artikel 42, tweede lid,
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening In beginsel aanvaardbaar heeft geacht dat
                    een gemeente privaatrechtelijke middelen hanteert ter verkrijging van een
                    bijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals de aanleg van
                    riolering. Pres. Rb. Utrecht 13 augustus 1985. Beslissingen ten aanzien van het
                    beheer en onderhoud van openbare riolering hebben een publiekrechtelijk karakter
                    en worden derhalve door de Afdeling rechtspraak als beschikkingen getoetst. De
                    gemeente is niet verplicht om in geval van wateroverlast voorzieningen te
                    treffen die het terugstromen van rioolwater in lager gelegen woningen voorkomen,
                    nu die woningen van latere datum zijn dan het riool. ARRS 2 maart 1988,
                    RO3.86.2877. </al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening MBV
                        1992 </cursief></al><al>Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31 WVO een
                    aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige voorziening is als
                    bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders worden begrepen dan dat
                    de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het openbaar riool moet worden
                    aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang door het Hoogheemraadschap die
                    lozingsvergunning niet is ingetrokken. Nu voor dit pand de aansluiting aan de
                    gemeentelijke riolering niet is vereist, is het bepaalde in artikel 5.3.4,
                    eerste lid, van de (Model)bouwverordening voor eisers niet van betekenis en
                    heeft verweerder ten onrechte de bestuursdwangaanschrijving doen gronden op
                    laatstgenoemde bepaling. Rb. Den Haag 1 november 1995, 94/12569 GEMWT. </al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </vet></al><al><cursief>Lid 1, onder c </cursief></al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te wijzen
                    dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is ingevolge artikel
                    1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </al><al><cursief>Lid 1, onder d </cursief></al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                    daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                    hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                    behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                    andere oplossing moeten worden gezocht. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de inspecteur
                    van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu. </al><al>Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c. <vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en
                        dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen </vet></al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er –
                    met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede
                    werking van de zuiveringsinstallatie – op worden toegezien dat er in de
                    huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen. </al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering
                    in woningen en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts
                    toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat
                    de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de
                    daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet
                    zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet
                    tot bewoning bestemde gebouwen. </al><al><cursief>Lid 5 </cursief></al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm, doch niet groter dan 160 mm, dat
                    in het onderhavige lid is voorgeschreven. </al><al><cursief>Lid 6 </cursief></al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel. </al><al><vet>HOOFDSTUK 3 LICHT-BOUWVERGUNNINGPLICHTIGE BOUWWERKEN </vet></al><al>De licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verschillen op een aantal punten van
                    de regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken. </al><al>Termijnen</al><al>Welstand</al><al>Indieningsvereisten</al><al>Bij het indienen van een verzoek om bouwvergunning voor een zogenaamd
                    lichtvergunning-plichtig bouwwerk als bedoeld in artikel 44, derde juncto eerste
                    lid van de Woningwet is geen bodemonderzoek vereist. In artikel 4, eerste lid,
                    letter c van het Besluit indieningsvereisten staat dat bij een aanvraag om een
                    lichte bouwvergunning de gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragrafen 1.1 en
                    1.4 van hoofdstuk 1 van de bijlage moeten worden overgelegd. De plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport betreffende de bodem staat in artikel 1.2.6,
                    letter e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit. Derhalve geldt deze
                    plicht niet ten aanzien van een aanvraag om een lichte bouwvergunning. Indien
                    burgemeester en wethouders op andere wijze ermee bekend zijn dat de grond
                    ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht
                    bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook ingeval van een aanvraag
                    om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport
                    verlangen (zie artikel 52a Woningwet). Een uitvoerigere beschouwing staat in de
                    tweede alinea van de toelichting bij artikel 2.4.1. </al><al><vet> Artikel 3.1 De wijze van melden </vet></al><al>Gereserveerd. </al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria </vet></al><al>Gereserveerd. </al><al><vet>HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ
                        INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op
                    alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. </al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in
                    de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                    voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het
                    bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein.
                    Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het
                    bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het
                    in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in
                    afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde
                    systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met
                    de 11<sup>e </sup>serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de
                    Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto
                    artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig
                    het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van
                    niet/naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding
                    waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod
                    van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                    onder d van de Wet op de economische delicten (WED). </al><al><vet> Structuur van de voorschriften </vet></al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13. Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het
                    voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                    grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot
                    en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval. </al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds
                    1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet. De veiligheidsvoorschriften – de
                    artikelen 4.8 tot en met 4.10 – gelden ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het
                    slopen en het sloopterrein. </al><al><vet>Handhaving van de voorschriften </vet></al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b
                    van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11. </al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang. </al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.
                        <vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                        tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden </vet></al><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in
                    artikel 59 van de Woningwet. De intrekkinggronden zijn vanaf 1 januari 2003 in
                    de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit indieningsvereisten en het
                    gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken
                    indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de
                    bouwvergunning is verleend. </al><al>Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien
                    bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts
                    een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien
                    is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de
                    vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was
                    (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van leges). Van
                    belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a van de
                    Woningwet een aanvullende intrekkinggrond is opgenomen. De termijn van 26 weken
                    is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende plicht om
                    de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking van een
                    vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het intrekken
                    van een begunstigende beschikking zoals een bouwvergunning dient omgeven te zijn
                    met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid van de houder
                    der vergunning. Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet
                    gewijzigd teneinde het mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar
                    aanleiding van een integriteitbeoordeling Wet BIBOB. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Intrekking van een niet gebruikte bouwvergunning na 14 jaar. Ten tijde van de
                    intrekking zou de bouwvergunning niet meer kunnen worden verleend. Voldoende
                    grond voor intrekking nu geen sprake meer is van verbouw maar algehele nieuwbouw
                    van een ingestorte woning. ABRS 26 mei 1994, R03.92.4852. </al><al>B en W hebben de bouwvergunning ingetrokken omdat niet binnen de aangegeven
                    termijn met de bouwwerkzaamheden was begonnen. Ten tijde van de verlening van de
                    bouwvergunning was voor het desbetreffende gebied een bestemmingsplan in
                    voorbereiding. Daarmee was het bouwplan in strijd. B en W konden de gevraagde
                    bouwvergunning destijds evenwel niet weigeren. Aan het besluit tot intrekking
                    van de bouwvergunning kan thans een redelijk motief niet worden ontzegd. Er kan
                    voorts niet aan worden voorbij gegaan, gezien het feit dat belanghebbende noch
                    op de gehouden hoorzitting, noch daarna, B en W definitief uitsluitsel heeft
                    kunnen geven of het bouwplan daadwerkelijk gerealiseerd zou worden. ABRS 28
                    november 1994, R03.92.0637. </al><al>Een bouwwerk met bouwstop ligt zes maanden stil. B en W trekken de
                    bouwvergunning in op grond van artikel 52, lid 1, onder c, van de Woningwet 1962
                    en artikel 30 (Model) bouwverordening 1965. Een overschrijding van de termijn
                    van zes maanden die uitsluitend vanwege deze bouwstop heeft plaatsgevonden, kan
                    aan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen. De stelling dat
                    appellant het aan zichzelf te wijten heeft dat de bouwstop niet is opgeheven
                    door de geconstateerde afwijkingen en tekortkomingen niet te herstellen, doet
                    daaraan niet af. B en W hadden met het oog op hetgeen in afwijking van de
                    bouwvergunning reeds was gebouwd een aanschrijving op grond van artikel 25
                    Woningwet 1962 uit kunnen doen gaan. ABRS 30 december 1994, R03.91.1120. </al><al>Niet tijdig starten met de bouwwerkzaamheden is op zichzelf niet voldoende grond
                    om de bouwvergunning in te trekken. Verweerder dient de belangen die met de
                    intrekking zijn gediend af te wegen tegen die welke daardoor worden geschaad.
                    Het bestreden besluit geeft echter geen blijk van een zodanige belangenafweging.
                    Onvoldoende gemotiveerd. Rb. Arnhem 26 juli 1995, nr. Awb 94/2730, Awb-katern
                    1996, nr. 33. </al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden </vet></al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen. </al><al><cursief>Sub a </cursief></al><al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij
                    de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig
                    zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de
                    bouwwerkzaamheden. </al><al><cursief>Sub b </cursief></al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                    bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en ontheffingen kunnen
                    betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van
                    de rijks- of provinciale overheid. </al><al>Sub d </al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                    besluit tot toepassing van bestuurswang of oplegging van een last onder dwangsom
                    is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                    bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a, van de
                    Woningwet. Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge
                    artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn. </al><al><vet> Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet> Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw </vet></al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                        1965 </cursief></al><al> Bouw- en woningtoezicht heeft ingestemd met een onjuist uitgezet bouwpeil.
                    Gemeente aansprakelijk voor de vertragingsschade en de schade als gevolg van een
                    gewijzigde opzet van de bouw. Rb Roermond, 23 december 1982, BR 1983, 533.
                        <vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                        van) de bouwwerkzaamheden </vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle. </al><al><cursief>Lid 1, sub a </cursief></al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder
                    en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen. </al><al><vet> Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
                    </vet></al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. </al><al>Degene die bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van
                    bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens
                    conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken.
                    Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van
                    de controlerende instantie, c.q. de gemeente. Dit artikel geldt als aanvulling
                    op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek, opneming en
                    monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas
                    wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige
                    constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de bouwverordening
                    toegepast. </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Artikel 375 MBV 1965 (nu artikel 4.6 MBV) ziet op een correcte uitvoering van de
                    bouwvergunning, de door appellant gewenste (controle op de aanleg van)
                    groenvoorzieningen maken hier nu juist geen deel van uit. ARRS 26 juli 1993, No.
                    R03.91.0376. </al><al><vet> Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de
                    MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling
                    van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid. De hoeveelheid aan de bodem
                    te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien de onttrekking zodanige
                    vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit artikel genoemde kunnen
                    worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet in deze verordening
                    neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan worden aan een
                    waterwingebied. Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name
                    worden verstaan: zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen
                    lozen van het aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De
                    grondslag voor de vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het
                    onttrekken van grondwater staat in de Grondwaterwet en de provinciale
                    grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het
                    algemeen een uitzondering op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog
                    houden van een bouwput, mits nader in die verordeningen omschreven beperkte
                    hoeveelheden grondwater worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water
                    kan aan een vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden
                    ingevolge de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Legalisering van een illegaal gebouwde verblijfsruimte. Schade aan naastgelegen
                    woning als gevolg van bronbemaling. Artikel 383, lid 3, (Model)bouwverordening
                    1965 ziet slechts op het bouwproces en bevat geen eis waaraan het op te richten
                    bouwwerk zelf dient te voldoen. De gemeente heeft niet onzorgvuldig gehandeld,
                    nu zij direct na het ontstaan van de schade alle noodzakelijk te nemen
                    maatregelen (retourbemaling) hebben doen toepassen. Naar algemene
                    ervaringsregels was niet te verwachten dat de bronbemaling nadelige gevolgen zou
                    hebben. ABRS 25 juli 1994, R03.92.2217. </al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein </vet></al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de
                    bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                    veiligheid van voorbijgangers en belendingen. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. </al><al>Wat betreft de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN
                    1010. De controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de
                    Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf. Tot de achtste serie
                    wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een aanvraag om
                    bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel 2.1.6,
                    eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het
                    Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een
                    bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet
                    zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige
                    artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan
                    afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                    bouwveiligheidsplan voor. </al><al><cursief>Leden 2 en 3 </cursief></al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten. </al><al><vet> Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein </vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen – en vooral spelende kinderen – op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. De
                    verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn gewaarborgd. </al><al><vet> Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
                    </vet></al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het
                    algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten
                    aanzien van de arbeidsomstandigheden. </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                        1965 </cursief></al><al>Een bouwaanvraag kan niet worden getoetst aan de artikelen 382 en 383 van de
                    bouwverordening: deze bepalingen bevatten namelijk geen eisen waaraan een
                    bouwwerk moet voldoen, maar betreffen de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
                    ARRS 18 augustus 1978, BR 1978, 837; ARRS 29 januari 1982, BR 1982, 506; ARRS 10
                    december 1981, BR 1982, 313. </al><al>Het veroorzaken van ernstige geluidsoverlast bij bouw- en sloopwerkzaamheden
                    hoeft niet altijd onrechtmatig te zijn. Rb 's-Gravenhage, 1 november 1985,
                    rolnr. 85/923. Vergelijk Hof Leeuwarden 29 januari 1986, BR 1986, 443. </al><al> Ten aanzien van de klachten van appellanten over het heien kan aansluiting
                    worden gevonden bij art. 382, tweede en derde lid, van de
                    (Model)bouwverordening. Dit artikel is evenwel opgenomen, in de paragraaf welke
                    bepalingen bevat omtrent de wijze van bouwen en bevat geen eisen waaraan het op
                    te richten bouwwerk zelve dient te beantwoorden. Het behoort derhalve niet tot
                    de voorschriften waaraan, gelet op art. 48 Woningwet, een aanvraag om
                    bouwvergunning moet worden getoetst. Voorzover ondanks de getroffen
                    voorzieningen toch nog schade zou ontstaan zullen appellanten zich bij de
                    civiele rechter kunnen vervoegen (zie bijvoorbeeld KG 1985, nr. 375 en BR 1993,
                    p. 549). </al><al>ARRS 29 januari 1982, BR 1982, p. 506. Zie ook ARRS 18 augustus 1978, BR 1978,
                    p. 837 en Vz. ARRS 3 maart 1977, BR 1977, p. 411. </al><al>Het bezwaar, vrees voor schade aan woning als gevolg van heiwerkzaamheden, ziet
                    op de uitvoering van bouwwerkzaamheden en niet op de eisen waaraan het bouwwerk
                    zelf heeft te voldoen. Gelet op het bepaalde in art. 48, lid 2, Woningwet 1962
                    kan een voorwaarde met betrekking tot de te gebruiken heimethode op basis van
                    art. 161, lid 2 (Model)-bouwverordening 1965 dan ook niet ter voorkoming van
                    heischade aan omringende panden worden verbonden aan de bouwvergunning. ARRS 8
                    augustus 1991, BR 1992, p. 46. </al><al>Niet tijdig starten met de bouwwerkzaamheden is op zichzelf niet voldoende grond
                    om de bouwvergunning in te trekken. Verweerder dient de belangen die met de
                    intrekking zijn gediend af te wegen tegen die welke daardoor worden geschaad.
                    Het bestreden besluit geeft echter geen blijk van een zodanig belangenafweging.
                    Onvoldoende gemotiveerd. Rb. Arnhem 26 juli 1995, nr. Awb 94/2730, Awb-katern
                    1996, nr. 33. A<vet>rtikel 4.11 Bouwafval </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval. Uitgangspunt voor het
                    verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties
                    is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en
                    uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden,
                    dan wel dat een afvalstof slechts voor hergebruik geschikt is, indien deze
                    schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval. </al><al><vet>a Gevaarlijke afvalstoffen </vet></al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in het derde lid van artikel 4 van de Regeling
                    Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9),
                    verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen).
                    Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe
                    verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet
                    milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch)
                    afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van
                    gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van huishoudens. </al><al><vet>b en c Glaswol en steenwol </vet></al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m<sup>3</sup>) of een zak van 200 liter. De
                    ondergrens van 1 m<sup>3 </sup>per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                    kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel
                    van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is verleend.
                    Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. </al><al><vet>d Overig afval </vet></al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen. </al><al><vet>Wanneer is iets afval? </vet></al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval. </al><al><vet>Acceptatievoorwaarden en marktwerking </vet></al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. </al><al>Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift
                    dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die bevoegd is deze
                    afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in het algemeen worden
                    afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als sorteerinrichting worden ter zake ook
                    verstaan inrichtingen onder de naam overslagbedrijf of gemeentelijke
                    milieustraat. Voorwaarde is dat het overslagbedrijf c.q. de milieustraat op
                    grond van zijn vergunning bevoegd is tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet
                    alle overslagbedrijven c.q. milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van
                    bedrijfsafvalstoffen. Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is
                    afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit
                    van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere
                    verplichtingen zouden worden opgelegd dan die voortvloeien uit de
                    acceptatievoorwaarden van de ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.).
                    Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de
                    acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen daarin. </al><al><vet>Afvoeren en overdragen van bouwafval </vet></al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De afvoer naar een
                    stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de bouwplaats. Het Besluit
                    stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april 1997 een stortverbod voor
                    herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe hoeveelheden bouw-
                    en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij sorteerbedrijven en
                    gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen. Volledigheidshalve
                    zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest, waarvoor juist een
                    stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over bouwafval niet
                    genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is toegelaten. </al><al><vet>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant </vet></al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht. </al><al><vet>Sorteerinrichting </vet></al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is –
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat – alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen. Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de
                    beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan
                    de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996).
                    Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde
                    steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd
                    hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                    kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij
                    aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. Voor papier/karton en
                    kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig
                    operationeel. Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en
                    gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in
                    samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon afvoeren
                    ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel en voor
                    EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het niet-operationeel zijn
                    van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor zowel
                    steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen.
                    Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. </al><al>Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van aangeschafte
                    bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de Stichting
                    KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van
                    transporteurs als van sorteerbedrijven in voor recycling. De thermoplasten PVC,
                    PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven voor verwerking worden
                    aangeboden aan twee leden van de Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS)
                    te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik
                    maken van het recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een
                    verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband (PP-materialen)
                    is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis. </al><al><vet> Mee terugnemen naar de werf </vet></al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op
                    grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit
                    afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een
                    sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere
                    stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht
                    tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is. </al><al><vet>Enkele specifieke begrippen </vet></al><al>Met de term 'bevoegd is te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid van een
                    vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voor zover een milieuvergunning bij
                    die wet verplicht is gesteld. Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die
                    bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog op hergebruik of
                    teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat
                    een dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder
                    het kopje Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron – dit is op het
                    terrein – worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet
                    milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de
                    praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet
                    naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier
                    bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing. Voor de handhaving is het van belang dat het
                    begrip “gevaarlijk” uniform wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als
                    gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese
                    afvalstoffenlijst (EURAL, Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9) – in werking
                    getreden op 1 mei 2002 – voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer
                    wordt verwezen naar dit besluit. De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing
                    gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb. 1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1
                    mei 2002 gold. De EURAL wijkt inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke
                    afvalstoffen nauwelijks af van het BAGA. Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het
                    bouw- en sloopafval. De Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5
                    opgenomen in de publicatie “Handreiking Eural, Europese afvalstoffenlijst” van
                    het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
                    september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers zijn
                    gevaarlijke afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en
                    asbesthoudende materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit. </al><al><vet>Vergunningvoorwaarden </vet></al><al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                    uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                    genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze
                    voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                    verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan
                    bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                    gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één
                    bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                    mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de
                    bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de
                    wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken –
                    sommige typen onderverdeeld in compartimenten – zijn vaak eigendom van de
                    inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop
                    afstemmen. Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden
                    die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden
                    dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd
                    met het derde lid van artikel 56 van de Woningwet. Zie onder 'Hoofdlijnen van de
                    jurisprudentie' bij artikel 56 van de Woningwet de uitspraak Rb. Utrecht, 12
                    april 1996, BR 1996, p. 717; JB 1996, nr. 150. Om redenen van veiligheid en
                    verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid:
                    een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met een brand- of explosiebron
                    (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders,
                    versnellers, vertragers enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de
                    afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron noch met een brand- of
                    explosiebron. Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het
                    aanbeveling bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op
                    hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken. </al><al><vet> Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
                    </vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                    voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk ingevolge
                    artikel 7b Woningwet. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding. Het controleren van de
                    thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de uitkomst van de
                    berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende
                    categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts
                    effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                    opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van de
                    isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens stelde
                    SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007 een gratis
                    informatiemap met onder meer een checklist en een rekenliniaal samen om de
                    buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn
                    bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen. Raadpleeg,
                    voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakte of in onvoldoende
                    exemplaren aanwezig, daarvoor <onderstreept>ww.senternovem.nl/epn/handhaving
                    </onderstreept>of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem,
                        <onderstreept>gemeenten@senternovem.nl </onderstreept>of 030 239 35 33. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld, geldt
                    ook hier de termijn van twee dagen. </al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen </vet></al><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                    Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn. </al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </vet></al><al>De voltooiingsverklaring van artikel 54 van de Woningwet 1962 is niet in de
                    Woningwet 1991 teruggekeerd. Uit een oogpunt van deregulering is het aantal
                    beschikkingen verminderd, dus ook deze verklaring, die in de praktijk al
                    dikwijls achterwege werd gelaten. Nadat de voorstellen tot herziening van de
                    Woningwet in behandeling waren genomen, zijn enkele uitspraken van de Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State gedaan, die de noodzaak aangeven van een
                    juridisch te bepalen tijdstip waarop het bouwwerk is voltooid. Zie hierna de
                    hoofdlijnen van de jurisprudentie. De houder van een bouwvergunning is niet
                    verplicht te bouwen en derhalve ook niet verplicht alle onderdelen van een
                    bouwwerk waarvoor vergunning is verleend te realiseren. Toch kan er bezwaar
                    bestaan tegen het gebruiken van een niet afgebouwd bouwwerk of een bouwwerk dat
                    op onderdelen afwijkt van de bouwvergunning. Voordat ingebruikneming plaatsvindt
                    moet de vergunningverlenende overheid gelegenheid hebben het voltooide bouwwerk
                    te toetsen aan de gestelde eisen en moet zij indien nodig de ingebruikne ming
                    kunnen beletten. Tussen de gereedmelding en de ingebruikneming is nu in artikel
                    4.14 een toetsingsmoment geïntroduceerd. Met inachtneming van de bedoeling van
                    de wetgever – het schrappen van een beschikking uit een oogpunt van deregulering
                    – is artikel 4.14 zo opgesteld dat geen beschikking nodig is. Het artikel is een
                    verbod tegen overtreding waarvan bestuursdwang kan worden toegepast en een straf
                    is bedreigd. Overtreding van de voorschriften van het Bouwbesluit moet worden
                    gezien als een overtreding van de bouwvergunning. Bij het verlenen van die
                    vergunning is immers getoetst aan het Bouwbesluit. Zie ook de toelichting bij
                    artikel 11.1, eerste lid, letter e, en bij artikel 2.2.4.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de
                        bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Het niet aanbrengen van de vloerisolatie, die wel staat vermeld in de
                    bouwvergunning, is geen afwijken van de bouwvergunning. Tegen dit niet uitvoeren
                    van een onderdeel van een bouwwerk, kunnen het college van burgemeester en
                    wethouders niet optreden wegens het overtreden van artikel 47 Woningwet. Er is
                    niet gebouwd zonder vergunning. Het bouwen noch het voltooien van een bouwwerk
                    kan worden afgedwongen. ARRS 14 november 1988, GS 6872,11. (In verband met deze
                    uitspraak is artikel 4.14 noodzakelijk.) AARRS 1 maart 1990, BR 1991, 120.</al><al><vet>HOOFDSTUK 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, BRANDVEILIGHEIDINSTALLATIES,
                        AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN HET WEREN VAN SCHADELIJK EN
                        HINDERLIJK GEDIERTE </vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </cursief></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen
                    van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel 13
                    Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden
                    van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde
                    voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht
                    tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3
                    zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de
                    aanvraag om bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor
                    aanvraag om bouwvergunning. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de
                    staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.
                    Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. </al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2. </al><al><vet> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen </vet></al><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965. Van een
                    onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien
                    een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg
                    zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een bouwwerk.
                    De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.
                    Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965
                    gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262. </al><al><vet> Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Op het woonwagenkamp bevinden zich enige autowrakken, sloopcaravans en een
                    hoeveelheid afval. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat
                    zich een situatie voordeed die op grond van artikel 298 en 299
                    (Model)bouwverordening 1965 kan worden gekwalificeerd als onvoldoende staat van
                    onderhoud en gevaar voor de veiligheid. ABRS 23 september 1994, R03.90.6067. </al><al> Aanschrijving tot het kappen van een kastanjeboom op grond van art. 20 Ww
                    wegens strijd met artikel 5.1.1, tweede lid aanhef en onder e van de
                    (Model)bouwverordening. Op grond van adviezen konden B en W ervan uitgaan dat
                    alleen het kappen van de boom een afdoende oplossing was. Geen beroep op de
                    driejarentermijn uit artikel 25 Ww, omdat dit verbod zich niet mede uitstrekt
                    tot aanschrijvingen van een open erf of terrein als bedoeld in artikel 20 Ww.
                    ABRS 16 januari 1997, R03.94.0371. <vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van
                        gebouwen voor wegverkeer Brandblusvoorzieningen </vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3. Bij het toepassen van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom wegens strijd met artikel 7b, eerste lid,
                    onder d van de Woningwet, juncto het onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede
                    lid, ware rekening te houden met het bepaalde in artikel 12.3 van deze
                    bouwverordening. </al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</cursief></al><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </cursief></al><al><vet> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1. Het onderhavige voorschrift kan geen
                    grondslag voor een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing
                    van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom vormen waarin het
                    college van burgemeester en wethouders het maken van een aansluiting op het
                    waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie
                    – als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het Bouwbesluit – ontbreekt.
                    Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van
                    het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college de aanwezigheid van een alternatieve
                    voorziening voor het betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm
                    van een doeltreffende welput, regenbak of watertank. Voor de wijze van meten van
                    de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet,
                    zie artikel 5.3.7. </al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1. </al><al><vet> Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1. </al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </vet>Zie de
                    toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1. <vet>Hoofdlijnen
                        van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                        1965 </cursief></al><al><cursief>Opmerkingen </cursief></al><al>1 Artikel 5.3.4 van de MBV 1992 komt materieel overeen met artikel 322 van de
                    MBV 1965. </al><al>2 De hierna volgende uitspraken hebben betrekking op de tekst van artikel 322,
                    zoals deze luidde vóór de invoering van de 22e serie wijzingen van de MBV 1965
                    (d.d. 18 december 1986). Bij genoemde wijziging is het derde lid betreffende de
                    nadere eis vervallen. Derhalve ware thans waar in de uitspraken 'nadere eis'
                    staat, te lezen 'besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing
                    van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom'. </al><al>Artikel 322, derde lid, van de bouwverordening kan slechts toepassing vinden in
                    het kader van de toepassing van artikel 25 Woningwet. In verband daarmee zal
                    voor elke aanschrijving moeten kunnen worden aangetoond dat het om een
                    noodzakelijke aansluiting gaat. Voor het opleggen van een verplichting tot
                    aansluiting aan de openbare riolering worden in de regel milieuhygiënische
                    motieven voldoende geacht. De aanschrijving wordt door de afdeling getoetst aan
                    de beginselen van behoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 8 van de Wet Arob.
                    Daarbij komt vooral naar voren toetsing aan het beginsel van de redelijkheid en
                    aan het beginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Bij de
                    toetsing aan de redelijkheid vindt een afweging plaats van enerzijds het belang
                    van de aangeschrevene (bijv. de kosten van de aansluiting) en anderzijds het
                    milieuhygiënische belang van aansluiting aan de openbare riolering. Zie onder
                    meer: ARRS 11 november 1977; AB 1978, nr. 246; BR 1978, blz. 430; ARRS 26
                    september 1978; BR 1979, blz. 138; ARRS 10 januari 1987; nr. RO 3.85.3224. </al><al>Een goed functionerende eigen voorziening (bijv. een septic tank) staat niet in
                    de weg aan het stellen van een nadere eis tot aansluiting op de openbare
                    riolering. Een nadere eis is in beginsel niet mogelijk als er sprake is van een
                    pas korte tijd geleden, met aanzienlijke investeringen opgezet eigen
                    reinigingssysteem. ARRS 11 november 1977; AB 1978, 246; BR 1978, blz. 430; ARRS
                    15 november 1983, nr. A-31.5496 (1982). Zie ook ARRS 19 januari 1989, nr. RO
                    3.87.0318: De Afdeling rechtspraak acht een nadere eis acceptabel bij een circa
                    twee jaar oude septic tank. In casu voerde de gemeente een nieuw en versneld
                    aansluitingsbeleid voor gebouwen in het buitengebied, nieuw gelet op de
                    mogelijkheden van drukriolering en versneld vanwege de op handen zijnde afbouw
                    van de verfijningsuitkering van de rijksoverheid. Voor een financiële
                    tegemoetkoming is geen grond. </al><al>Wanneer op grond van milieuhygiënische overwegingen voor een bepaald gebied de
                    eis van aansluiting op het openbaar riool wordt gesteld, behoeft dat niet in te
                    houden dat zonder deze aansluiting ten aanzien van iedere woning afzonderlijk
                    sprake zou zijn van ontoelaatbare bodemverontreiniging. Voldoende is dat in
                    algemene zin sprake is van ontoelaatbare bodemverontreiniging door het niet
                    aangesloten zijn op de openbare riolering van woningen in het betrokken gebied.
                    ARRS 26 september 1978; BR 1979, blz. 138; ARRS 3 april 1987; GS 6849. </al><al>Niet onredelijk achtte de Afdeling rechtspraak onderstaande toepassing van
                    artikel 322 MBV 1965 van de bouwverordening: </al><al>In beginsel wordt niet tot aansluiting overgegaan, wanneer er sprake is van zo'n
                    gering verval dat bijzondere, vaak ook kostbare, voorzieningen nodig zijn om de
                    aansluiting te verwezenlijken. Bij een verval van 1 cm per 2 meter is er volgens
                    de gemeente in het algemeen geen sprake van technische moeilijkheden om aan te
                    sluiten.</al><al>Doel van de aanleg van het gemeentelijk riool (en van de verplichting om daarop
                    aan te sluiten) is te voorkomen dat door afvoer van verontreinigd water e.d.
                    schade aan het milieu wordt toegebracht.</al><al>Deze zorg voor het milieu dient zoveel mogelijk onder de taak en
                    verantwoordelijkheid van de gemeente te worden gebracht. Appellant verwerkt het
                    afvalwater en de feces op zijn terrein wellicht op de juiste wijze, maar minder
                    zeker is of zijn rechtsopvolger op dezelfde wijze te werk zal gaan. ARRS 15
                    november 1983, nr. A-31.5496 (1982).</al><al>Het milieubeschermingsbelang dient te worden afgewogen tegen het financiële
                    nadeel voor betrokkene. ARRS 12 november 1985, nr. RO 3.84.2154. </al><al> Bij de interpretatie van het afstandscriterium van 40 meter bij bestaande bouw
                    kan niet voorbijgegaan worden aan bijv. de bezwaren die hun grond vinden in de
                    bestaande rioleringssituatie. Anders dan bij nieuwbouw heeft de eigenaar immers
                    geen rekening kunnen houden met een eventuele aansluitplicht door de
                    afvoerleidingen zodanig aan te leggen, dat het punt van aansluiting bij het
                    gebouw zo dicht mogelijk komt te liggen bij het aansluitpunt aan het openbaar
                    riool. ARRS 6 mei 1986, nr. RO 3.84.5854; ARRS 22 februari 1988, nr. RO
                    3.86.4365; ARRS 28 december 1988, nr. RO 3.86.6568. <cursief>Jurisprudentie op
                        basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening 1992 </cursief></al><al> Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31 WVO een
                    aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige voorziening is als
                    bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders worden begrepen dan dat
                    de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het openbaar riool moet worden
                    aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang door het Hoogheemraadschap die
                    lozingsvergunning niet is ingetrokken. </al><al>Nu voor dit pand de aansluiting aan de gemeentelijke riolering niet is vereist,
                    is het bepaalde in artikel 5.3.4, eerste lid, van de (Model)bouwverordening voor
                    eisers niet van betekenis en heeft verweerder ten onrechte de
                    bestuursdwangaanschrijving doen gronden op laatstgenoemde bepaling. Rb. Den Haag
                    1 november 1995, 94/12569 GEMWT. </al><al> Door het verzakken van het openbare hoofdriool is de huisaansluitingbuis defect
                    geraakt. De aanschrijving tot herstel dient te worden gericht tot de eigenaar
                    van het huis dat door middel van de huisaansluitingbuis op het openbare riool is
                    aangesloten, mits diegene bevoegd en ook in staat is die buis te (laten)
                    herstellen. Bepalend is dus niet wie eigenaar is van de huisaansluitingbuis.
                    Onder het moeten voorzien zijn van een aansluiting op het openbare riool moet
                    tevens worden begrepen dat die aansluiting deugdelijk is. ABRS 25 mei 1998, BR
                    1998, p. 752, m. nt. Weerkamp. Het is zinloos om door middel van een
                    aanschrijving te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang –
                    op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming – het afvalwater in de bodem
                    mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen – in
                    financiële zin – nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening. </al><al><vet> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5. </al><al><cursief> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie </vet></al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking
                    en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                    13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het
                    bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te
                    gaan. </al><al><vet>HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De Woningwet schrijft voor dat de bouwverordening voorwaarden moet bevatten die
                    het brandveilig gebruik van bouwwerken regelen. In dit hoofdstuk wordt het
                    mogelijk gemaakt het brandveilig gebruik te regelen met een zogenoemde
                    gebruiksvergunning. Daarnaast bevat dit hoofdstuk gebruiksbepalingen, waaraan
                    alle bouwwerken moeten voldoen. Het merendeel van de voorschriften van dit
                    hoofdstuk en de bijlagen 2 t/m 6 behorende bij de verordening, alsmede de
                    bijlagen 2 t/m 4 behorende bij deze toelichting komen uit de
                    Modelbrandbeveiligingsverordening 1972. De terminologie en de systematiek zijn
                    slechts aangepast voor zover de Woningwet en de Modelbouwverordening dit
                    vereisen. Materieel is in de voorschriften niet veel veranderd zodat een
                    trendbreuk in het beleid over het brandveilig gebruik is voorkomen. Een
                    belangrijke verandering is wel dat alle voorschriften van bouwkundige aard nu in
                    het Bouwbesluit zijn opgenomen. Het brandveilig gebruik regelen is een nieuw
                    onderwerp voor de bouwverordening. Een gebruiksvergunning verschilt in menig
                    opzicht van een bouwvergunning. Nadat het bouwen is beëindigd, zal men een
                    bouwwerk in gebruik nemen. In beginsel zal dat gebruik langdurig zijn. Een
                    gebruiksvergunning zal na verloop van tijd aanpassing behoeven, aangezien
                    omstandigheden en inzichten over brandveiligheid in de loop van de tijd
                    wijzigen. Artikel 6.1.1, derde lid, gaat daar nader op in. Het regelen van een
                    vergunningplicht is niet in alle gevallen nodig. Alleen voor die situaties die
                    gevaar op kunnen leveren door een verhoogde kans op brand, dan wel een verhoogde
                    kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand, wordt een
                    gebruiksvergunning geëist. Vooruitlopend op de artikelsgewijze toelichting wordt
                    hier reeds opgemerkt dat het opleggen van een verplichting tot het treffen van
                    aanvullende voorzieningen op grond van artikel 13 van de Woningwet niet afhangt
                    van de vraag of een gebruiksvergunning verplicht is. Ook de gebruiksvoorwaarden
                    die in de (Model-)bouwverordening zijn opgenomen zijn daarvan niet afhankelijk.
                    Anders gezegd: de aanvraag om gebruiksvergunning kan een aanleiding zijn om
                    betrokkenen te verplichten tot het treffen van aanvullende voorzieningen. Per 1
                    april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet vervallen
                    en is een verbod opgenomen om te bouwen, een bouwwerk te gebruiken, een open erf
                    of terrein te gebruiken, in een staat te brengen of te houden, te slopen, anders
                    dan overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Bouwbesluit 2003
                    en de bouwverordening. Het niet voldoen aan de voorschriften van Bouwbesluit en
                    bouwverordening vormt een overtreding waartegen burgemeester en wethouders
                    direct handhavend kunnen optreden. </al><al><cursief> Paragraaf 1 Gebruiksvergunning </cursief></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk </vet></al><al>In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op
                    brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                    uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van burgemeester en
                    wethouders, een zogenoemde gebruiksvergunning. </al><al><vet>Criteria voor vergunningplicht </vet></al><al>Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld. Bewust
                    is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de feitelijke
                    situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorieën van bouwwerken
                    het aantal personen dat in dat bouwwerk of een gedeelte daarvan kan verblijven
                    als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn geweest het aantal vierkante
                    meters van een bouwwerk of een daarin gelegen verblijfsruimte als objectief
                    criterium te nemen, is toch gekozen voor het aantal personen. Immers, niet het
                    aantal vierkante meters, maar het aantal aanwezigen moet in geval van een
                    calamiteit het gebouw tijdig kunnen verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar
                    het aantal personen niet uit het aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid,
                    bij voorbeeld een discotheek, een op ervaring berustende berekening worden
                    gemaakt van het te verwachten aantal mensen op basis van het gegeven aantal
                    vierkante meters. </al><al>De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair
                    gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals
                    voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke. Bij de
                    beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoeveel personen
                    in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit hoofdstuk is de
                    feitelijke – niet de theoretische – situatie te beoordelen. Voor het beoordelen
                    van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom alleen het feitelijke
                    gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor wordt vermeden, dat in
                    concrete situaties te zware of te lichte eisen worden gesteld. De getalscriteria
                    in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van meningen van deskundigen
                    gekozen. Elk getal is arbitrair. In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven
                    e.d. een getal van vijf personen gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente
                    vrij een ander getal dan door ons aanbevolen in de verordening vast te stellen.
                    Van primair belang is dat eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk
                    worden verbeterd. </al><al><vet>HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik,
                    genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6
                    van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk. </al><al><cursief> Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen </cursief></al><al><vet> Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                        woonketen </vet></al><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet. Zij
                    zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist,
                    van gemeentewege een handhavingbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te balanceren.
                    Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel
                    7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden: 'Het is verboden een woning
                    te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één
                    persoon per 9 m<sup>2 </sup>gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de
                    eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste 12
                    m<sup>2 </sup>gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.' Vanwege de beperkende
                    wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van woningen door
                    toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen in het algemeen
                    geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins gerezen
                    vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde kamerverhuurbedrijven,
                    asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht wenselijk en mogelijk.
                    Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen gewone één- en
                    meergezinshuizen zijn, afhankelijk van het aantal aanwezige personen worden
                    beschikt over een vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze bouwverordening
                    ('vergunning brandveilig gebruik') </al><al><vet> Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m<sup>2 </sup>netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m<sup>2</sup>. Bovendien is de normstelling zo
                    gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                    verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. Zie voor het
                    begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1. </al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen </vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit. </al><al><cursief> Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al><vet>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van gebruik
                    </vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                    het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen. Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in
                    de artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van
                    burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te
                    beschouwen als een mededeling van feitelijke aard. </al><al><cursief> Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen in afwijking van de bestemming (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder </vet></al><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965. Het oude
                    artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is gebaseerd op
                    de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond van de
                    Woningwet is. Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter
                    voorkoming van schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een
                    algemene plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in
                    een APV is geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de
                    bouwverordening te worden opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere
                    overlapping van het onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel
                    in de ModelAPV (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening
                    zal artikel 7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan
                    worden gelegd met bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct
                    behorende tot een bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde
                    voor de omgeving hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met
                    hetgeen in, op, aan of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de
                    bouwverordening nodig. Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid
                    betreft, ware in plaats van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel
                    7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van
                    voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning
                    bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en
                    televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor
                    zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                    stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij
                    voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                    verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in
                    een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels of
                    –stof te vrezen valt. In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing
                    van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op
                    overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet. Voldaan
                    dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit artikel. Het
                    gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om maatregelen ter
                    voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en –stof te rechtvaardigen. </al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren
                    een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist. Gelet op het gestelde
                    onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze vergunningplichtige
                    inrichtingen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geldt het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift
                    2.12 van dit besluit stelt dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of
                    dagdelen) aanwijst waarop de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit
                    niet van toepassing zijn. Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is de ModelAPV herzien waarbij de
                    burgemeester bevoegd is om voor het houden van festiviteiten dagen of dagdelen
                    aan te wijzen waarop horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot
                    geluid- en trillinghinder niet hoeven na te leven. (ModelAPV artikelen 4.1.1 tot
                    en met 4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze zogenaamde
                    twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de
                    (Model)bouwverordening. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                        1965 </cursief></al><al> Een aanschrijving tot beëindiging van de overlast die wordt ondervonden van een
                    afzuigkap in een pas gebouwde woning, kan niet worden gebaseerd op overtreding
                    van artikel 367 van de bouwverordening, als alleen bezwaar bestaat tegen de
                    plaats, waar de aan de afzuigkap bevestigde ventilatieleiding uitmondt. </al><al>De aanschrijving moet dan worden gebaseerd op overtreding van de nieuwbouweisen.
                    ARRS 27 maart 1984, nr. A-31.2758 (1982). </al><al> Beslissing weigering van aanschrijving bestuursdwang op verzoek omwonenden
                    inzake overlast door rookontwikkeling is gebaseerd op waarnemingen van
                    ambtenaren bouw- en woningtoezicht. Nu deze waarnemingen niet schriftelijk zijn
                    vastgelegd en derhalve oncontroleerbaar is geworden of het onderzoek juist en
                    volledig is geweest, mist de beslissing voldoende grond. ARRS 3 februari 1986;
                    AB 1987, 258. </al><al> Door de woning te gebruiken op een voor de omgeving hinderlijke wijze -
                    stankverspreiding ten gevolge van een groot aantal dieren en uitwerpselen
                    hiervan alsmede een algehele onreinheid - ontstaat een situatie als bedoeld in
                    dit artikel. Vz. ARRS, 18 augustus 1986, R03.86.4703/S6037. Zie ook ARRS, 3
                    september 1985, R03.84.2414. </al><al> Een houtkachel veroorzaakt hinder door rook, roet en walm. Verweerders zijn van
                    mening dat artikel 367 (Model)bouwverordening 1965 in te algemene bewoordingen
                    is gesteld om een bestuursdwangaanschrijving op te baseren. De voorzitter deelt
                    dit standpunt niet. Vz. ARRS, 13 oktober 1992, M en R 1994, nr. 83. Verzoek om
                    bestuursdwang tegen hinder open haard op grond van artikel 367, lid 1, (Model)
                    bouwverordening 1965. Het Bureau milieutechnisch onderzoek van de provincie
                    stelt in haar onderzoek dat met een grote mate van waarschijnlijkheid de
                    concentratie zwarte rook de grenswaarden niet zal overschrijden. De afdeling
                    heeft, gezien de kritiek van appellant, gerede twijfel over de gehanteerde
                    onderzoeksmethoden. Uit het rapport blijkt niet duidelijk dat de open haard geen
                    hinder of schade veroorzaakt. Onzorgvuldig besluit. ARRS, 21 december 1994, AB
                    1995, 198. </al><al> Aanschrijving om ramen en deuren dicht te metselen van een leegstand pand na
                    diverse brandstichtingen. Overlast in de vorm van aanwezigheid van onbevoegden,
                    zgn. sociale overlast, kan niet gelijk worden gesteld met de overlast als
                    bedoeld in artikel 367 aanhef en onder a van de (Model)bouwverordening. ABRS 16
                    januari 1997, R03.94.038. </al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de
                        bouwverordening 1992 </cursief></al><al>Hinder door houtkachels van patiowoningen, B en W weigeren aan te schrijven. De
                    ARRS oordeelt dat, nu de woningen door hun constructie niet geschikt zijn voor
                    het gebruik van open haarden en allesbranders, en gegeven de door appellant
                    ondervonden overlast, onvoldoende is gemotiveerd waarom de belangen van de
                    bezitters van de haardkachels zwaarder wegen dan het belang van appellant. ARRS,
                    30 december 1993, M en R 1994, nr. 84. </al><al>Door onderzoek van de gemeentelijke milieudienst en de GGD is aannemelijk
                    geworden dat de rookoverlast veroorzaakt wordt door de bewoners van één bepaalde
                    woning. B en W weigerden echter op grond van artikel 7.3.2
                    (Model)bouwverordening op te treden door middel van bestuursdwang daar zij met
                    de eigenaar van de houtkachel afspraken hadden gemaakt aangaande het
                    stookgedrag. De Voorzitter constateert dat B en W hun stelling niet hebben
                    onderbouwd met een rapportage van bijvoorbeeld de milieudienst, een
                    motiveringsgebrek. Vz. ARRS, 7 januari 1994, R03.93.4442 en S03.93.4641. </al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie </vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar. </al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1. </al><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik </cursief></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water </vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en wethouders
                    de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en
                    met 7.2.3. </al><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties </cursief></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties </vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derdenbezoekers aan de orde is, ligt dit
                    anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud en
                    gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d. Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te
                    verrichten onderhoud aan terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op
                    in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater. NB:
                    Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten
                    van gewone personenliften, in principe geregeld in het Besluit liften, dat op de
                    Wet op de gevaarlijke werktuigen berust. </al><al><vet>HOOFDSTUK 8 SLOPEN </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In
                    dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de
                    vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke
                    sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de
                    bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel
                    mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief
                    gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze
                    toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren
                    van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is
                    in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren
                    afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van
                    zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                    haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest –
                    voor zover niet kan worden volstaan met een melding – in het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven. </al><al><vet> Asbest </vet></al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit
                    gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005,
                    Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger. Het laatstgenoemde besluit is in
                    werking getreden op 1 maart 2006. Artikel 8, negende lid, van de Woningwet
                    bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft om dit deel van het besluit –
                    in casu de artikelen 10 en 11 – in de bouwverordening op te nemen en dus
                    uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen zijn. Het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32). </al><al><cursief>Incident </cursief></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak asbestbranden”.
                    Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. </al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren. </al><al><cursief>Certificering </cursief></al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De instantie die
                    zich bezig houdt met de certificering is: Stichting Certificatie Asbest, Postbus
                    22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax: 0317-425725, website:
                    www.ascert.nl. </al><al><cursief>Risicoklasse </cursief></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning. </al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd. </al><al><cursief>Intensivering van de handhaving </cursief></al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over
                    Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor
                    de handhaving van de voorschriften over asbestverwijdering en de LOM-projecten
                    over ketenhandhaving asbest. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland
                    publiceert in de eerste helft van 2007 de “Handreiking slopen.
                    Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze handreiking staat ook op de
                    site van deze vereniging: <onderstreept>www.vereniging-bwt.nl</onderstreept>.
                    Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                    asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie
                    van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW/Arbeidsinspectie, Infomil,
                    de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM. </al><al><cursief> Paragraaf 1 Sloopvergunning </cursief></al><al><vet> Artikel 8.1.1 Sloopvergunning </vet></al><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De Woningwet en het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor de
                    sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de
                    sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb. </al><al><cursief> Lid 1 </cursief></al><al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                    handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder
                    afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang. Veel van wat
                    behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van
                    ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een
                    sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval. Het is wenselijk
                    dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt afgevoerd. Daarom is
                    voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen asbest bevattend – minder
                    dan 10 m<sup>3 </sup>– een algemene eis geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht
                    kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende interne verbouwingen. </al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1. </al><al><cursief> Lid 2 </cursief>Een ondergrens van 10 m<sup>3 </sup>voor de
                    vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te slopen bouwwerk geen asbest
                    bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een gangbare containermaat. Gekozen is
                    voor een inhoudsmaat, omdat deze op de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een
                    gewicht is ter plekke niet te controleren. Het splitsen van een sloopwerk in
                    kleinere sloopwerken die elk net onder de 10 m<sup>3 </sup>komen is een te
                    opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om kans van slagen te
                    hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens het ontbreken van
                    een sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin
                    afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan storten op een
                    stortplaats. Onder 10 m<sup>3 </sup>sloopafval wordt verstaan los gestort
                    sloopafval. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering. </al><al><vet>Ad a en b </vet></al><al>De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken
                    Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2,
                    tweede lid. Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas
                    wanneer de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk,
                    bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                    voorkoming van deze strijdigheid. </al><al><vet> Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren </vet></al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van
                    gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer
                    dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en
                    transporteurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan
                    bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning
                    ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                    'gedwongen winkelnering’ inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar
                    bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.
                    De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving. Naast
                    deze drie 'onvermijdelijke’ fracties – gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval – verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen: </al><al>– steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al><al>– bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al><al>– met PAKS verontreinigde materialen; </al><al>– asfalt; </al><al>– dakgrind; </al><al>– glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is. </al><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer. Wanneer de
                    sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde in
                    artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Een opdrachtgever doet er verstandig aan een
                    sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt
                    aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd
                    bedrijf. Wij wijzen hier op het gestelde in het beleidshoofdstuk 'Selectief
                    slopen en afvalbeleid’. </al><al><vet> Welke voorschriften, wanneer en waarvoor </vet></al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit. </al><al> Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen. Het is van
                    belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan: </al><al>– wat kan worden hergebruikt; </al><al>– wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie; </al><al>– kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet; </al><al>– aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen; </al><al>– wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders en
                    inzamelaars. </al><al><vet> Onderzoek </vet></al><al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende
                    onderzoeken plaatsvinden: </al><al>– Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                    daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f); </al><al>– Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                    slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                    gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoeld in het
                    BAGA, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke
                    verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de
                    aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid); –
                    Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest aanwezig is,
                    moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover bij het indienen
                    van een aanvraag om sloopvergunning gegevens worden ingediend. <cursief>Op grond
                        van artikel 3 van het </cursief>Asbestverwijderingsbesluit 2005
                    geldt in het algemeen een onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest door
                    een deskundig, dat wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf. Achterin deze
                    toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de vaststelling van
                    deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de sloopvergunning
                    een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter in de voorwaarden
                    van de sloopvergunning verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren.
                    Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële
                    als milieuhygiënische overwegingen in zijn beschouwing betrekken. </al><al><vet>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen </vet></al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld. De VKG heeft met het Ministerie van
                    VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst gesloten over de inzameling en
                    herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren. Daartoe zal een stichting
                    worden belast met het (doen) inzamelen en herverwerken van alle aangeboden oude
                    kunststof kozijnen, ramen en deuren. De FKS heeft met het Ministerie van VROM
                    een overeenkomst gesloten over de volledige inzameling en het hergebruik van bij
                    bouw en sloop vrijkomende kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt
                    erop neer dat degene die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                    kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                    ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan hier
                    genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem. </al><al><vet>Andere inzamelsystemen </vet></al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie. </al><al><vet> Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend </vet></al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast –gewoonlijk de aannemer – zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen. In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden
                    is belast worden overgelegd aan burgemeester en wethouders of de directeur van
                    het (gemeentelijk) bouwtoezicht. </al><al><vet> Het gebruik van een mobiele puinbreker </vet></al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15 januari 2004, Stb. 2004,
                    25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking
                    getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke
                    bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over mobiele brekers van
                    rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de plaats van de lagere
                    regeling. Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is
                    het toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid
                    daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en
                    sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste
                    drie maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval
                    te bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij
                    de breker is opgesteld. Interessant is de uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst.
                    7208, 90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen. Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een
                    bouwvergunningplichtig bouwwerk. De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is
                    hierop van toepassing. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</vet>Bij de beoordeling omtrent de
                    afgifte van een sloopvergunning is de economische waarde van een woning geen
                    belang waarop de bouwverordening ziet. Ook bezwaren tegen de nieuwbouwplannen
                    dienen buiten beschouwing te blijven. De te verwachten overlast is, gezien de
                    tijdelijkheid van de werkzaamheden, geen grond voor een weigering. ABRS 18 maart
                    1994, S03.93.5464. </al><al> Groot sloopproject tussen hoge bebouwingsdichtheid aan een drukke weg. Hoewel
                    er zonder sloopveiligheidsplan geen grond is om de sloopvergunning te weigeren,
                    dient zij te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Nu er
                    niet bekend was wie zou gaan slopen, laat staan de sloopmethode, konden B en W
                    door middel van voorwaarden aan de sloopvergunning niet duidelijk maken of de
                    veiligheid in voldoende mate zal worden gewaarborgd. Nu alsnog een plan is
                    ingediend, bestaat er aanleiding dit zorgvuldigheidsgebrek te passeren. In de
                    toekomst zullen dergelijke sloopvergunningen worden geschorst. Rb. Groningen 7
                    juni 1994, KG 1994, p. 709. </al><al> Er mogen geen voorwaarden worden gesteld die zien op de afvoer van
                    sloopmaterialen. Ook de eis van volledig herstel overeenkomstig de
                    oorspronkelijke vormgeving is niet mogelijk. ABRS 16 november 1994, R03.90.7207. </al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                    Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                    bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval
                    zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De
                    tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het afzonderlijk gereed
                    maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen
                    dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen. Deze
                    verplichting staat in artikel 10, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005. </al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al><cursief>Lid 5 </cursief></al><al>Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een tijdelijke
                    bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk is verleend en daarin
                    voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke bouwwerk –
                    meestal in de zin van het uit elkaar nemen van en opslaan van de onderdelen van
                    het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd – is daarvoor geen
                    afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke bouwvergunning dient de
                    nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van het bouwwerk. Uit de
                    Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met name wordt gedacht aan
                    Strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d. </al><al><vet> Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning </vet></al><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de zin
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de zogeheten
                    Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van toepassing op de
                    behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt niet zinvol, deze UOV
                    van toepassing te verklaren op de sloopvergunning. Aanvullend op de eisen die in
                    dit artikel zijn gesteld gelden de voorschriften van de Awb over het indienen
                    van verzoeken om besluiten, indienen door een gemachtigde enz<cursief>.
                    </cursief></al><al><cursief>Leden 1 en 2 </cursief></al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                    verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coördinatie tussen
                    bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel 8.1.5,
                    tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen tevens
                    (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De bouwvergunning
                    houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze situatie van samenloop
                    van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid, bedoeld. De aanvrager is
                    niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan te vragen. Doet hij dit wel,
                    dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor de gemeente) enige procedurele
                    voordelen. De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te
                    slopen bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist
                    beeld te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke
                    overige bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn. Een
                    asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt,
                    opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport
                    behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als
                    bedoeld in het derde of vierde lid. Lid 2 letters j, k en l: Indien geen
                    onderzoeksrapport wordt overgelegd, kan de aanwezigheid of afwezigheid van
                    asbest aannemelijk worden gemaakt door het overleggen van andere informatie.
                    Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                    asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten als
                    dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in verscheidene
                    streken van Nederland initiatieven tot projectmatige asbestverwijdering vanaf
                    een reeks agrarische bedrijfsgebouwen in de gemeente. Het verlenen van één
                    enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor het gehele
                    asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan het verlenen
                    van individuele sloopvergunningen voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder
                    agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloopvergunning
                    behoeft niet op juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige
                    plaatsaanduiding van alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                    asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                    vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                    volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                    ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie
                    voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet voor
                    sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige artikel.
                    Hierbij kan worden gedacht aan informatie van de fabrikant of de leverancier van
                    de te slopen materialen en aan gegevens over de gebruikelijke bouwwijze in de
                    periode dat het bouwwerk is gebouwd, verbouwd of gerenoveerd. Een
                    sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                    vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a van
                    de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in enkele
                    risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot de
                    standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                    voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk plan
                    nodig is. De zinsnede 'en voorts, indien van toepassing’ duidt erop dat slechts
                    indien door of namens burgemeester en wethouders het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan van toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te
                    worden voldaan. Over het tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen
                    naar het eerste lid van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt dat
                    het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt aan hem
                    de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is gebaseerd.
                    Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk zijn dat er geen
                    asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van VROM, de
                    bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de aanvrager van
                    een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van burgemeester en
                    wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn opgesomd in het
                    onderhavige lid 3. </al><al>Dit lid is een direct werkend voorschrift, waarop de indiener van een verzoek om
                    sloopvergunning zich kan beroepen door op het aanvraagformulier aan te geven dat
                    en waarom geen onderzoeksrapport is bijgevoegd. De gedachte achter deze
                    inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht tot het doen van een
                    onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappelijke kosten met zich brengt,
                    omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in verhouding tot die kosten
                    staat. In sommige gevallen is het evident dat het te slopen bouwwerk geen asbest
                    bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren dat er vermoedelijk
                    geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de gevallen waarin de
                    aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het bouwwerk, gelet op
                    bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk eenvoudig moet zijn. Niet
                    valt uit te sluiten dat zich in de praktijk vergelijkbare gevallen zullen
                    aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover eens zijn dat aannemelijk is
                    dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het voorstel biedt de
                    mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van burgemeester en wethouders in
                    andere, vergelijkbare gevallen of op andere, vergelijkbare wijze aan te tonen
                    dat de verplichting om een onderzoek door een deskundig bedrijf te overleggen
                    niet van toepassing is. </al><al><cursief>Onder b </cursief></al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat – voorafgaand aan met name grote
                    sloopprojecten – een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond. </al><al>Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien daarin
                    aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen worden
                    gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe ondersteuning,
                    of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het onderzoeksrapport niet
                    aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek door een deskundig
                    asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. Een dergelijk onderzoek kan als
                    voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd, indien het aan de volgende
                    criteria voldoet: </al><al>– De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                    dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn BRL 5052,
                    uitgave 1998. </al><al>– De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet duidelijk
                    omschreven zijn. </al><al>– Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met een
                    aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende materialen. </al><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                    woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend uit
                    het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).
                    Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                    onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten: </al><al>– een samenvatting; </al><al>– de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met informatie uit
                    desk research; </al><al>– de bemonstering; </al><al>– de laboratoriumanalyses; </al><al>– een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van bevestiging
                    van het asbestbevattende materiaal; </al><al>– een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                    mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is. </al><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                    verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993 heeft
                    plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de aanwezigheid van
                    asbest zal geven. </al><al>Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen bij de beoordeling worden betrokken
                    indien uit de schriftelijke verklaring blijkt dat de onderzochte situatie later
                    niet meer gewijzigd is. Hiervoor kan onder andere informatie ingewonnen worden
                    bij de eigenaar, de beheerder of de huurder. </al><al><cursief>Onder c </cursief></al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                    opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                    januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken die
                    na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.
                    Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk stuk
                    overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel van het
                    bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd. </al><al><cursief>Onder d </cursief></al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager bekend
                    zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde verbouwingen kan
                    worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de fabrikant dat het
                    hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze situatie is echter niet
                    beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van tussentijds aangebrachte
                    voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende voorzieningen, dient te worden
                    aangetoond dat deze geen asbest bevatten. Hiervoor kan onder andere informatie
                    ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder. </al><al><cursief>Onder e </cursief></al><al>Sinds de risico’s van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                    fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij is
                    van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers bij
                    gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen van de
                    fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is gebruikt.
                    Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige situatie onnodig;
                    voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze verklaringen worden volstaan.
                    Onder verwijdering van bepaalde materialen wordt bijvoorbeeld verstaan
                    verwijdering van vinylvloerbedekking of standleidingen uit een serie woningen.
                    Zie ook de toelichting onder f. </al><al><cursief> Visuele inspectie </cursief></al><al>De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie de
                    aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11<sup>e </sup>serie van
                    wijzigingen vervallen. De visuele inspectie aan de hand van de checklist van
                    bijlage 8 van de bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de
                    gemeente en de aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan
                    van asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie
                    voldoende houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede gelet
                    op de strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder
                    uitzonderingen toe te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen het
                    geval was, is de visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist
                    bijlage 8 vervallen. De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als
                    bijlage bij de toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering. Het vierde
                    lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is aangescherpt in die
                    zin dat de gevallen waarin een dergelijk inventarisatierapport niet behoeft te
                    worden overgelegd bij de aanvraag om sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt
                    aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 3 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “… beschikt … over een
                    asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zich
                    in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De combinatie van de herziene leden 3 en 4
                    van artikel beoogt hier invulling aan te geven. </al><al><cursief>Lid 4 </cursief></al><al>‘Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                    slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                    criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                    asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. </al><al>Deze criteria zijn ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit
                    besluit wordt in artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet
                    of redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die
                    voornemens is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee
                    situaties genoemd waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport te
                    doen opstellen. Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en
                    het vierde lid voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een
                    deskundig bedrijf vereist. </al><al><cursief>Lid 5 </cursief></al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                    historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                    historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan te
                    treffen en de daaraan te verbinden conclusie – wel of geen onderzoek instellen –
                    is vooroverleg met de gemeente verstandig. </al><al><cursief>Lid 6 </cursief></al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                    worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                    plaatselijke organisatie. </al><al><vet>Het opstellen van een sloopveiligheidsplan </vet></al><al>Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                    omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit, de
                    externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. De maatregelen die de aanvrager
                    om sloopvergunning denkt te nemen, moeten voorafgaand aan de sloop aan de hand
                    van een sloopveiligheidsplan kunnen worden getoetst. Er wordt met nadruk op
                    gewezen dat het sloopveiligheidsplan als bedoeld in dit artikel alleen
                    betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen werken, de weggebruikers, de
                    naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. </al><al><vet>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig </vet></al><al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5
                    van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de
                    afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze
                    bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden
                    kan het nodig zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen
                    (bijlage 6 van de toelichting). Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig
                    indien de locatiespecifieke omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder
                    een dergelijk plan voor het bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de
                    externe veiligheid op voorhand afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake
                    is van bedreiging(en) van de externe veiligheid. Aan de hand van enkele
                    voorbeelden is hierna één en ander verduidelijkt. </al><al><vet>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan </vet></al><al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de locatiespecifieke
                    omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist wordt
                    voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke
                    maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De
                    aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige
                    maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                    toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                    sloopveiligheidsplan. </al><al><vet>Toetsing van het sloopveiligheidsplan </vet></al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde objecten en
                    functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het opstellen en toetsen
                    van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de betreffende situatie en
                    voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met de in de checklist gegeven
                    objecten, functies en maatregelen. </al><al><cursief>Vooroverleg </cursief></al><al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                    vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen dienen
                    bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de bedreigde
                    objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend te zijn,
                    zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan worden bepaald of
                    er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het sloopveiligheidsplan
                    zich op dient te richten. </al><al><vet>Voorbeelden </vet></al><al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m)
                    drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto’s. De weg dient
                    gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven vervullen.
                    De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te slopen gebouw.
                    Voor slopen van het dak is een kraan nodig. Het zal duidelijk zijn dat in deze
                    complexe situatie de externe veiligheid een belangrijke rol speelt. In het
                    sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten worden: </al><al>– gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit kan
                    inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt); </al><al>– de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                    uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels; </al><al>– de verkeerscirculatie gedurende de sloop; </al><al>– de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram; – het
                    tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden. </al><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er is
                    te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten worden
                    gewerkt. </al><al> In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                    aan: </al><al>– de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan; </al><al>– de draagkracht van het wegdek; </al><al>– de duur, het tijdstip van de werkzaamheden; </al><al>– het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de hijslast
                    of delen daarvan; </al><al>– eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken. </al><al> Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft ook
                    de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De gevel van
                    het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is sprake van
                    gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in een matige staat
                    en bezitten een historische waarde. In het sloopveiligheidsplan zullen de
                    volgende aspecten minimaal aan de orde moeten komen: </al><al>– stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                    steunconstructie; </al><al>– sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen; </al><al>– bemaling in verband met grondwaterstand; </al><al>– stabiliteit belendingen in verband met bouwput; </al><al>– verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur. </al><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                    midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten minste
                    500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is er geen
                    sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand tot de
                    openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk. </al><al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt gesloopt
                    kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop buitenwand
                    (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat deze wand
                    regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan voldoen aan de
                    eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het
                    Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan vooraf worden besproken
                    tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is een privaatrechtelijke
                    aangelegenheid. </al><al>De overheid kan volstaan met het stellen van voorschriften tot het voorkomen van
                    schade. Zie onder hoofdlijnen van de jurisprudentie bij artikel 8.1.6 de
                    uitspraak van 3 december 1992. </al><al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                    bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                    sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                    voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand. </al><al><vet>Aanbevelingen </vet></al><al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid tijdens
                    het slopen vergroten: </al><al>– vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt; </al><al>– voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment dat
                    sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                    sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn. Een
                    mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de externe
                    veiligheid op te nemen (Deze aspecten worden niet als voorschrift aan de
                    sloopvergunning verbonden, omdat zij van privaatrechtelijke aard zijn); </al><al>– zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                    momenteel gewerkt door de brancheorganisaties ); </al><al>– indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het gebied van
                    sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden ingeschakeld. </al><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting bevinden
                    worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een sloopveiligheidsplan. </al><al><cursief>Lid 7 </cursief></al><al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te doen. </al><al><cursief>Leden 12 en 13 </cursief></al><al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                    Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een bouwwerk
                    zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel van de
                    sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig, is het
                    geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                    meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning. Indien per abuis een
                    vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden met een melding, wordt
                    de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding. </al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen </vet></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Dit
                    is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de aanvrager
                    in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een beschikking
                    in de zin van de Awb. Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure
                    de toelichting bij artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de
                    gebruiksvergunning geldt mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning. Omdat bij
                    het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen onderzoeksplicht
                    geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen inzichten meent dat
                    zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat burgemeester en
                    wethouders op grond van hun ter beschikking staande gegevens menen dat het te
                    slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien burgemeester en wethouders voldoende
                    zeker zijn van hun zaak stellen zij op grond van de tweede zin van dit lid de
                    aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de aanwezigheid van
                    asbest aan te vullen binnen vier weken. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert buiten
                    de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op een later
                    tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden ingediend. Zie
                    daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter d. </al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing </vet></al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3. De termijnen in dit
                    artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde. Dit betekent dat
                    ook na het verstrijken van een termijn burgemeester en wethouders alsnog een
                    beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet te wachten. Deze mag
                    aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na het verstrijken van de
                    termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve weigering kan op grond
                    van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. Het tweede lid bevat een
                    uitzondering op de termijn van het eerste lid. Het derde lid bevat een
                    aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat een sloopvergunning op
                    grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna een andere noodzakelijke
                    vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze verwarrende situatie zou tot
                    onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het slopen van een beschermd monument. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                    termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                    sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                    uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend. Dit houdt
                    in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere sloopsituaties
                    waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de asbestverwijdering ook
                    andere materialen worden gesloopt. Een mogelijk nadeel van de korte termijn van
                    vier weken is dat er geen tijd meer is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV
                    - een aanvrager in de gelegenheid te stellen een onvolledige aanvraag aan te
                    vullen. Het aantal keren dat een aanvraag niet in behandeling wordt genomen
                    wegens onvolledigheid van de stukken kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb).
                    Artikel 10 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor
                    verlenging van de termijn. Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen
                    relatie legt met de Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke
                    monumentenverordening of met een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, gaan wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de
                    bouwverordening de koppeling die bedoeld is om de beschermende werking te
                    verzekeren, te handhaven ook indien daarmee de termijn van vier weken
                    aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel monumenten zijn opgericht in een tijd
                    dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij een eerdere (meestal inpandige)
                    verandering of restauratie asbest zijn toegepast, dat nu weer wordt verwijderd. </al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij het
                    al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan een
                    aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is, mag die
                    weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te slopen dat
                    staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra weigeringgrond
                    voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f, voor het (nog) niet
                    aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de
                    Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge de Huisvestingswet ook in de
                    opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te worden opgenomen als
                    aanhoudingsgrondslag. </al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen </vet></al><al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                    aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag
                    om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken zal dat
                    praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om sloopvergunning moet
                    worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning. Gelet op de samenhang van
                    beide vergunningen, kan het onder omstandigheden de voorkeur verdienen de
                    beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te overschrijden in afwachting van
                    de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Ter zake van de aanvraag om
                    sloopvergunning gelden immers geen fatale termijnen. Zie ook de toelichting bij
                    artikel 8.1.4. Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor
                    één activiteit zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een
                    bouwveiligheidsplan wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en
                    bouwveiligheidsplan worden ingediend. Zie voorts de toelichting bij artikel
                    8.1.2, eerste en tweede lid. Een toepassing van de samenloopregeling is niet
                    zinvol indien uitsluitend asbest wordt verwijderd en daarop de termijn van vier
                    weken van toepassing is als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.1.4. </al><al><vet>Hoofdlijnen van de jurisprudentie </vet></al><al>Samenloop van slopen en bouwen. Geen sprake van een situatie als bedoeld in
                    artikel 8.1.5, tweede lid, van de (Model)-bouwverordening, aangezien de
                    aanvragen niet gelijktijdig zijn ingediend (tijdsverschil van 2 weken). De
                    president had zich uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming kunnen
                    voorstellen dat verweerder de beide aanvragen gezamenlijk had behandeld. Pres.
                    Rb. Leeuwarden 9 mei 1994, KG 1994, nr. 198.</al><al>De samenloopregeling is niet van toepassing bij sloopwerkzaamheden die zijn
                    vereist in verband met algehele nieuwbouw. Vz. ABRS 13 december 1996, ABkort
                    1997, nr. 147.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld. Voorheen
                    bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962 een
                    regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1 juli
                    1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid, tweede
                    zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en met
                    56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet 1991. De
                    artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de mogelijkheid tot
                    het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                    splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                    huisvestingsverordening. Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog
                    wordt verwezen naar de vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de
                    Woningwet, dienen deze verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van
                    de sloopvergunning hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het
                    niet aanwezig zijn van een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid,
                    van de Woningwet 1962. Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu
                    luiden: 'f. een vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de
                    Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.’ </al><al><vet>Ad a en b </vet></al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                    bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens
                    het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is
                    gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau
                    van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de sloopvergunning
                    worden geweigerd. </al><al>Meestal zal in overleg met de aanvrager – vaak al vóór de indiening van de
                    aanvraag om sloopvergunning – worden gezocht naar een voor de gegeven situatie
                    veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende bescherming van
                    nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a en b strekken
                    ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere
                    bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te
                    maken. Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt
                    gesloopt. </al><al><vet>Ad c, d en e </vet></al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                    aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond voor
                    de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is geweigerd. Op deze
                    wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het sluitstuk van het
                    complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het slopen van een bouwwerk. </al><al>Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning, waarbij
                    het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de tweede
                    vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een duidelijke
                    relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is gevraagd voor die
                    locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de aanleg van een weg een
                    bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een aanlegvergunning is vereist en
                    niet is verleend. Dan bestaat een causaal verband tussen de sloopvergunning en
                    de aanlegvergunning en is het logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd
                    indien de reden voor de aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de
                    weg er niet. Indien er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een
                    sloopvergunning aanwezig is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in
                    hetzelfde gebied nodig zijn, geldt deze weigeringsgrond niet. </al><al><vet>Jurisprudentie bij Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning </vet></al><al>Bezwaar tegen verleende sloopvergunning, omdat hierdoor de zijgevel van de
                    woning (bestaande uit kalkzandsteen) onbedekt zal achterblijven. Schade ongeveer
                    ƒ 15.000,-. VAR: vrees voor schade geen reden tot schorsing. Gestelde voorwaarde
                    over het voorkomen van schade is voldoende. Dergelijke schadegevallen dient
                    verzoeker via privaatrechtelijk verhaal te regelen. Vz. ARRS 3 december 1992;
                    S03.92.4270. </al><al>Schorsing sloopvergunning. De gemeente heeft in casu op geen enkele wijze
                    verzekerd dat op korte termijn met de nieuwbouw een aanvang kan worden genomen,
                    aangezien het uitgeven in erfpacht aan de vergunninghouder nog tot stand moet
                    komen en voorts verzoekers zich door middel van een executiegeding verzetten
                    tegen de tenuitvoerlegging van het jegens hen gewezen ontruimingsvonnis.
                    Opmerking: de aangehaalde bepaling van de Amsterdamse bouwverordening komt
                    overeen met het tweede lid van artikel 8.1.6 MBV. Vz. ARRS 21 september 1992,
                    Nos. S03.92.3196 en S03.92.3232. </al><al>Tegen een vergunning voor de sloop van 26 woningen stelt derde-belanghebbende
                    dat de gemeente ten onrechte de weigeringsgrond aantasting van het stads- of
                    dorpsbeeld als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.6 (thans 8.1.6)
                    ongebruikt heeft gelaten. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat
                    verweerders in het verleden voor minder belangrijke en het dorpsgezicht
                    bepalende woningen een sloopvergunning hebben geweigerd. Voor een langdurige
                    kaalslag behoeft niet te worden gevreesd daar inmiddels een bouwvergunning is
                    aangevraagd voor de bouw van 32 bejaardenwoningen ter plaatse. Derhalve doet de
                    genoemde weigeringsgrond zich niet voor en vindt geen beoordeling plaats van de
                    verbindendheid van dit tweede lid. Vz. ARRS 14 september 1993; SO3. 93. 3444, BR
                    1994, 319. </al><al>De weigeringsgronden voor een sloopvergunning staan limitatief opgesomd in
                    artikel 8.6 van de (Model)bouwverordening. In casu is aan de orde de vraag of
                    wordt verwacht dat door het slopen het stads- of dorpsbeeld ernstig zal worden
                    geschaad. Het enkele feit van het plaatsen van de bouwwerken door de
                    gemeenteraad op de lijst in het kader van het Monumentenselectieproject is
                    daartoe niet voldoende. Vz. ARRS 7 januari 1994, SO3.93.4666. </al><al>Aangezien artikel 8 van de herziene Woningwet geen verruiming beoogt van artikel
                    9 van de voorheen geldende Woningwet 1962, wordt op grond van dezelfde
                    argumenten als de Kroon hanteert in onder meer KB 21 juni 1985 en KB 7 mei 1985,
                    geoordeeld dat artikel 8.6, tweede lid, van de bouwverordening 1992 verbindende
                    kracht mist. De Woningwet beoogt voorschriften te doen opnemen in het belang van
                    de veiligheid bij het slopen en niet specifiek planologische belangen als
                    stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten van het slopen. Vz. ABRS 3 maart
                    1994, NJB, 1994, p. 258, BR 1994, p. 588; Gst. 6988, p. 282. </al><al>De bouwverordening bepaalt, in afwijking van de (Model)bouwverordening, dat een
                    aanvraag om sloopvergunning wordt aangehouden indien op dezelfde plaats een
                    bouwvergunning is aangevraagd. Deze bepalingen zijn gericht op het tegengaan van
                    open gaten en naar voorlopig oordeel niet in strijd met de Woningwet. Nu er geen
                    sprake is van onzekerheid of de door verzoeker aangevraagde bouwvergunning zal
                    worden verleend, kunnen verweerders hier geen argument aan ontlenen om te
                    wachten met het beslissen op de aanvraag om een sloopvergunning. Pres. Rb.
                    Amsterdam 14 juni 1994, AWB 94/930. Zie ook Vz. ABRS 13 december 1996, ABkort
                    1997, nr. 147. </al><al>Het verzoek om aanwijzing als monument is door de minister niet in behandeling
                    genomen, maar ter kennisgeving doorgezonden naar de raad. Derhalve is geen
                    sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet. De
                    voorzitter acht het voor gerede twijfel vatbaar of de minister het verzoek
                    buiten behandeling kon laten, doch dit is niet bestreden en de bezwaartermijn is
                    verlopen. Verlening van de sloopvergunning. Vz. ABRS 9 augustus 1994, JB 1994,
                    p. 865. </al><al>Verwijzing naar eerdere jurisprudentie over artikel 8.6, lid 2,
                    (Model)bouwverordening. Daaruit blijkt dat een sloopvergunning in ieder geval
                    niet kan worden geweigerd op grond van architectonische, cultuurhistorische of
                    specifiek planologische gronden. Indien als toetsingscriterium is opgenomen dat
                    moet worden geweigerd indien te verwachten is dat door het slopen het stadsbeeld
                    zal worden geschaad, kent de Afdeling rechtspraak daaraan geen verder reikende
                    betekenis toe dan te voorkomen dat na sloop langdurig gaten zouden ontstaan die
                    niet passen in het stadsbeeld. In artikel 8.6, lid 2, is opgenomen dat de
                    welstandscommissie adviseert. Deze duidelijke regeling laat geen ruimte voor een
                    andere procedure, zoals het onderhavige advies van de monumentencommissie. Pres.
                    Rb. Breda 22 augustus 1994, 94/2262 VEROR KO. </al><al>De (Model)bouwverordening bevat een limitatieve opsomming van weigeringsgronden
                    voor een sloopvergunning. Pres. Rb. Alkmaar 1 september 1994, BR 1994, p. 933.
                    Zie ook Vz. ABRS 13 december 1996, ABkort 1997, nr. 147. Sloop van een
                    winkelpand dat als 'winkeltrekker' dient. President overweegt dat de gemeente
                    onvoldoende overleg heeft gepleegd met de direct belanghebbenden over de afgifte
                    van een sloopvergunning. Onvoldoende afweging van belangen in het kader van
                    artikel 8.1.6, lid 2, van de bouwverordening. De planologische procedure is de
                    eerst aangewezen weg, voordat tot sloop kan worden besloten. Pres. Rb. Den Haag
                    6 oktober 1994, 94/08485. </al><al>Gelet op de dwingendrechtelijke aard van dit artikel, dienen b. en w. in
                    beginsel de sloopvergunning te verlenen indien zich geen weigeringsgrond
                    voordoet. Toetsing van dit besluit aan de a.b.b.b. Hoewel in zijn algemeenheid
                    het rechtszekerheidbeginsel het zwaarste zal wegen, kan er sprake zijn van een
                    situatie waarin strikte uitvoering van een wettelijk voorschrift voor een
                    bestuursorgaan geen rechtsplicht meer is. Gezien de gedane toezeggingen weegt
                    het vertrouwensbeginsel zwaarder. (I.c. verleende de gemeente zichzelf een
                    sloopvergunning, terwijl het overleg met de buurt nog gaande was.) Volgt
                    schorsing. Pres. Rb Amsterdam 16 juli 1996, KG 1996, 270. </al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning </vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
                    </cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening. Een melding als hier bedoeld is
                    gericht op het verkrijgen van de mededeling van burgemeester en wethouders. Deze
                    mededeling is een beschikking en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk
                    moet worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan, dit is burgemeester en
                    wethouders. Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt van de door
                    burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is
                    bepaald dat aan de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden. Degene die
                    een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor degene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                    Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een brochure
                    uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een ontvangen
                    mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen over de wijze
                    waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te raden deze brochure
                    aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de mededeling. </al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn. </al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat burgemeester en wethouders aan de mededeling
                    voorschriften kunnen verbinden. De houder van de sloopvergunning is verplicht
                    het werk op te dragen aan een deskundig bedrijf. Degene die een mededeling als
                    hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de sloopwerkzaamheden verrichten. Bij
                    het opstellen van de regels is hiervan uitgegaan. Daarbij is gekeken naar de
                    risico’s voor degene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de woning
                    verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheidsaspecten). </al><al>Het Ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer heeft
                    in de Publicatiereeks afvalstoffen onder nr. 1994/14 in juni 1994 het rapport
                    'Landelijke richtlijn verwijdering, inzameling, afvoer en stort asbestbevattend
                    afval van huishoudens voor gemeenten, provincies en stortplaatsen’ gepubliceerd.
                    Hierin staan aanbevelingen over de zorg die de gemeenten en provincies hebben
                    ten aanzien van dit afval. Deze publicatie is niet bindend. Voor de particulier
                    die zelf asbest verwijdert, gelden standaardvoorschriften; zie hierover de
                    toelichting bij lid 9 van artikel 8.2.1. Voor het zich ontdoen van het verpakte
                    asbest staan thans drie mogelijkheden open: zelf afvoeren naar een stortplaats
                    of depot, door een aannemer laten afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een
                    mogelijkheid aanbiedt, meestal tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op
                    vergelijkbare wijze als het grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek
                    raakt’ verdient het aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig van
                    particulieren een inzamelstructuur creëert, waardoor ten minste op een van de
                    vorenstaande wijzen de particulier zich van dit afval kan ontdoen. </al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de woonwagen alsmede de op het
                    daarbij behorende erf staande bijgebouwen. Het door de burger verwijderen van
                    geschroefde asbesthoudende platen, van asbesthoudende vloertegels en van
                    niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per
                    kadastraal perceel. Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot
                    woningen en bijgebouwen bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een
                    woonwagen of woonkeet wel een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling
                    voor woning in het tweede lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt
                    verstaan en omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor
                    zover bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging
                    in het beleid noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden
                    geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet
                    en een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 van de
                    Bouwverordening. De tekst van het derde lid van artikel 4 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende
                    golfplaten op een schuurtje bij een woning vergunningvrij door de burger
                    verwijderd mogen worden onder het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. Er
                    staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden
                    zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning
                    staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                    uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende
                    platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt’.
                    Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de Modelbouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd. Beleidsmatig verdient het
                    de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is beter dan de andere uitleg,
                    dat een burger het verwijderen van het asbest van een schuurtje niet zelf mag
                    doen. </al><al>De kans is groot dat dan toch door de burger het asbest golfplaten dakje van de
                    schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je
                    moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt
                    weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan
                    hij de asbestplaten legaal inleveren. Met de inwerkingtreding van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan om anders dan in het
                    kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het verwijderen van: </al><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met betrekking
                    tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig complex dat ze
                    voor particulieren niet goed waren na te leven. Minder vergaande voorschriften
                    leiden echter tot een risico op blootstelling aan asbestvezels.</al><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij breuk
                    van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot een
                    onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging van het
                    milieu met deze vezels. Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al><cursief>Lid 9 </cursief></al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften’
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats. </al><al><cursief>Lid 10 </cursief></al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk. </al><al><cursief>Lid 11 </cursief>De sloopmelding is een aanvraag om
                    beschikking. Dit betekent dat de procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet
                    bestuursrecht van toepassing is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde
                    eisen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld
                    zijn aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                    te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden (één
                    week), mede gelet op de korte beslistermijn op de sloopmelding. Men zij erop
                    bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van termijnoverschrijding
                    groot is. Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij
                    artikel 3.1, achtste lid. </al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
                    </vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                    bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag
                    gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin
                    bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning, ontheffing of melding
                    zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening. Sinds de
                    inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het
                    verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen als
                    vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als
                    voegkit. Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a
                    bedoelde waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en
                    mantelbuizen, voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-,
                    water- en rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en
                    mantelbuizen in bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig
                    asbestverwijderingsbedrijf. </al><al>Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                    bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                    beheersbaar risico. </al><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </cursief></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein </vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De artikelen
                    4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384 van de MBV
                    1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op het slopen. </al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
                    </vet></al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht – in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning – geacht worden de voorwaarden te kennen. Artikel 8.3.3, tweede lid,
                    bepaalt dat de houder van de sloopvergunning, indien deze mede betrekking heeft
                    op asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand stelt aan de
                    sloopaannemer. </al><al><vet>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest </vet></al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Artikel 8.3.4 geldt
                    voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze
                    situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5
                    geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    sloopvergunning als op grond van een mededeling naar aanleiding van een melding.
                    De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt
                    krachtens het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van
                    een mededeling. </al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning </vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k,
                    l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Volledigheidshalve merken
                    wij op dat in artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene
                    die opdracht geeft tot het slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een
                    afschrift van het asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de
                    handeling verricht. Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is
                    er nog, maar staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening. </al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt </vet></al><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt. </al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van de
                    Woningwet. </al><al><cursief>Lid 2 </cursief></al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde
                    geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien
                    tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt. </al><al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                    van een sloopwerk bevestigen, b.v. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval. </al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest </vet></al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voorzover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Voor het beroepsmatig of
                    bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden regels op basis van het
                    Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende certificering. Voor degenen
                    die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een handeling als
                    hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 een vergelijkbare verplichting. Van de bevoegdheid om op grond van het
                    tweede lid van artikel 8 een ministeriële regeling te doen uitgaan heeft de
                    minister van VROM geen gebruik gemaakt en is thans mei 2006 evenmin een aanvang
                    gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog te doen. De leden 1 en 2 van dit
                    artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van asbest wordt voorkomen
                    althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister op grond van het
                    tweede lid 114 van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels
                    stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel
                    8.3.5 buiten werking. </al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                        (vervallen)</vet></al><al>Vervallen. </al><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen </cursief></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen </vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10
                    m<sup>3 </sup>sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan
                    10 m<sup>3 </sup>bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. Voorheen
                    bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe relatie. Met
                    ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992, gepubliceerd in 1997, is
                    dit niet meer het geval. De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden
                    gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen daarin voorkomen, betreffen
                    gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het
                    overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit
                    zonder vergunning of zonder melding mag worden verwijderd. Preventief toezicht
                    op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien. De handhaving vindt
                    bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10 m<sup>3</sup>,
                    uitsluitend repressief plaats. </al><al><vet>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e serie
                    </vet></al><al><vet>wijz. </vet></al><al>Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen </al><al>Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit </al><al>Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c </al><al>Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c </al><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e </al><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b </al><al>Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen </al><al>Art. 6 1.1 (Begripsbepaling) </al><al>Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen </al><al>Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2 </al><al>Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet </al><al>Art. 10, letter a 8.1.1 </al><al>Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c </al><al>Art. 10, letter c 8.2.1 </al><al>Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7 </al><al>Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8 </al><al>Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9 </al><al>Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8 </al><al>Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12 </al><al>Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2 </al><al>Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4 </al><al>Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4 </al><al>Art. 11 12.1, lid 1 en 2 115 </al><al><vet>HOOFDSTUK 9 WELSTAND </vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                    modelbouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking
                    tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de
                    Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling,
                    inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. De werkwijze van de
                    welstandscommissie is in de modelbouwverordening niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven. Het is noodzakelijk om een huishoudelijk
                    reglement toegesneden op de lokale situatie of een reglement van orde voor de
                    lokale welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening.
                    Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf
                    te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als
                    de gemeentelijke bouwverordening. </al><al><cursief>Welstandscriteria en welstandsnota </cursief></al><al>De werking van het begrip “redelijke eisen van welstand” heeft met de gewijzigde
                    wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de hand van
                    criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                    aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook
                    bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen.
                    Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de
                    eigenaar van een bouwwerk dat “in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand” aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht meer mogelijk. Voor het uitwerken van de
                    welstandscriteria alsmede de samenstelling van en de besluitvorming over de
                    welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18 maanden na 1 januari 2003. Tot
                    het moment dat een gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft de
                    zelfstandige werking van de in de bouwverordening aangeduide “redelijke eisen
                    van welstand” in stand. Als er op 1 juli 2004 geen door de gemeenteraad
                    aangenomen welstandsnota ligt, vervalt van rechtswege de mogelijkheid om
                    bouwplannen te toetsen aan redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling
                    c.q. advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria.
                    In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria “zo veel
                    mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën bouwwerken en
                    standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar
                    een bouwwerk of standplaats is gelegen”. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                    per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de
                    bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en
                    ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikke-lingen, die
                    vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld
                    in het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                    architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst
                    zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid.
                    In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander
                    gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is
                    nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend
                    welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de
                    schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. De
                    welstandsnota is derhalve een dynamisch document. </al><al>Steeds als er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor
                    het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                    vaststellingsprocedure (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door
                    de raad) wordt gevolgd. Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria
                    in bijzondere gevallen buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb
                    (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk
                    door burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd. Het werken met deelnota’s
                    ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk wordt toegepast, heeft met
                    name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004 belangrijke consequenties. Indien
                    voor een deel van de gemeente een welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat
                    moment immers in het deel van de gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt
                    vastgesteld artikel 9.1 (oud) MBV niet meer gelden op grond van artikel VII,
                    tweede lid van de Wet van 18 oktober 2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij
                    gebruik maken van de bij artikel 1.3 MBV behorende kaart. De welstandscriteria
                    uit de welstandsnota spelen een rol bij: </al><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij of
                    krachtens de Woningwet is bepaald.</al><al><cursief>Relatie bestemmingsplan en welstand </cursief></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangsregel
                    uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten
                    naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. De
                    welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                    (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het
                    welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als
                    zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel
                    9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit
                    stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april
                    1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                    Gst. 2000, 7119). In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het
                    bestemmingsplan op de welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12,
                    derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen
                    prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet
                    vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekken
                    bij de advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument
                    waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met
                    bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de
                    daarbij behorende bebouwings- en gebruiks-mogelijkheden worden aangegeven. Dit
                    betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële
                    verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het
                    bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n.
                    A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naar mate
                    het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                    realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                    Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan
                    en welstand. Tot het moment dat de gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt,
                    blijft de zelfstandige werking van de tot de achtste serie wijzigingen van de
                    MBV aangeduide “redelijke eisen van welstand” in stand (zie ook artikel VII,
                    tweede lid van de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige
                    bepalingen van hoofdstuk 9 geldt geen overgangstermijn. </al><al><vet><cursief>Tabel oude/nieuwe welstandsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikelnummer oud</vet></al><al><vet>Titel oud</vet></al><al><vet>Artikelnummer nieuw</vet></al><al><vet>Titel nieuw</vet></al><al>1 Welstandscriteria</al><al>–</al><al>–</al><al>9.2</al><al>Advisering door commissie van onafhankelijke deskundigen</al><al>9.1</al><al>Advisering door welstandscommissie</al><al>9.3</al><al>Termijn van advisering</al><al>9.5</al><al>Termijn van advisering</al><al>9.4</al><al>Openbaarheid van vergaderen</al><al>9.6</al><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>9.5</al><al>Afdoening bij mandaat</al><al>9.7</al><al>Afdoening bij mandaat</al><al>9.6</al><al>Mondelinge toelichting</al><al>–</al><al>–</al><al>9.7</al><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>9.8</al><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>9.8</al><al>gebieden</al><al>9.9</al><al>Uitsluiting gebieden en categorieën bouwwerken en standplaatsen</al><al>–</al><al>–</al><al>9.2</al><al>Samenstelling van de welstands-commissie</al><al>–</al><al>–</al><al>9.3</al><al>Benoeming en zittingsduur</al><al>–</al><al>–</al><al>9.4</al><al>Jaarlijkse verantwoording</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                    welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht indien
                    een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert,
                    burgemeester en wethouders beslissen. In de herziene Woningwet is bij amendement
                    de figuur van de stadsbouwmeester opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de
                    gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. De
                    figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt in de
                    Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                    welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                    welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de stadsbouwmeester
                    niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle collectieve
                    oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties
                    van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan
                    worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen aanknopingspunten hoe de
                    figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed moet worden. Naar verwachting
                    zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen voor een stadsbouwmeester. In de
                    welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de welstandstoets voor
                    de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet door de volledige
                    welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer gemandateerde leden van de
                    commissie als bedoeld in artikel 9.2 Model-bouwverordening dan wel door
                    burgemeester en wethouders. De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er
                    wordt gewerkt met lokale dan wel provinciale welstandscommissies. </al><al>Ook onder het nieuwe regime van de Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen
                    om voor de welstandsadvisering gebruik te (blijven) maken van een provinciale
                    welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling
                    of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van
                    een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscom-missie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2. <vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al><onderstreept>Onafhankelijkheid</onderstreept>Sinds de Woningwet
                    1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk afzonderlijk lid van deze
                    commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie
                    niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de
                    selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk
                    tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van burgemeester
                    en wethouders aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband
                    uitgesloten.</al><al><onderstreept>Deskundigen en burgers</onderstreept>In afwijking
                    van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de eis dat in de
                    welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen hebben. Deskundige
                    leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te
                    nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden
                    verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over
                    plannen van collega's. Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van
                    de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig
                    bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                    gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad
                    beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke
                    verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie. In
                    de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde burgers'
                    zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een provinciale
                    welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente
                    aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen. Een lid van de commissie is
                    penvoerder van de commissie. Indien een provinciale welstandsorganisatie is
                    aangewezen als commissie, is dit veelal de rayonarchitect. <vet>Artikel 9.3
                        Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen. De
                    leden en voorzitter van een welstandscommissie die op 1 januari 2003 ten minste
                    drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen nog ten hoogste drie jaar na
                    die datum benoemd blijven in die commissie. Het is onmogelijk en ongewenst om in
                    algemene zin de benoemingsprocedure voor (deskundige) leden op te nemen in de
                    (Model)-verordening. Een reglement van orde dat als bijlage 9 bij de
                    bouwverordening dient te worden vastgesteld en toegesneden is op de lokale
                    situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk reglement van orde lijkt het
                    zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te regelen om in geval van
                    bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen
                    van leden/voorzitter aan te kunnen tonen. </al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al><onderstreept>Jaarverslag welstandscommissie</onderstreept>In de
                    afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                    welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van de
                    welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn doorgaans aan
                    de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de welstandscommissies gedane
                    inspanningen tot verbetering van deze negatieve maatschappelijke beeldvorming,
                    kan er nog steeds gesproken worden van een onvoldoende maatschappelijk draagvlak
                    voor de werkwijze van de welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het
                    aanscherpen van de politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders
                    voor het functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel
                    om de functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van burgemeester
                    en wethouders, voorzover het betreft hun verantwoordelijkheid voor het
                    welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er de algemene uitgangspunten
                    zoals deze zijn opgenomen in de Wet Dualisering gemeentebestuur om de
                    controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en te verduidelijken.
                    Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te voorzien in het verbeteren van de
                    kwaliteit alsmede het transparanter maken van de welstandsadvisering. Een
                    jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als
                    beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling
                    en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is
                    afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                    welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. Het
                    jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het
                    gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota.
                    Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag
                    tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat
                    de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou
                    het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni. </al><al><onderstreept>Jaarverslag burgemeester en
                    wethouders</onderstreept>Teneinde de politieke
                    verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te
                    verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten,
                    is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge artikel 12c van de Woningwet de
                    verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het
                    welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten
                    minste aan de orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen;</al><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de aanvraag voor
                    een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op
                    welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                    welstandscriteria;</al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben
                    genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als
                    bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                    zijn overgegaan.</al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Tezamen met het jaarverslag van de
                    welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht
                    inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd. In de Woningwet wordt per
                    1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor burgemeester en wethouders
                    opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. </al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                    oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit uitgangspunt
                    als procedurevoorschrift uitgewerkt. De adviestermijn laat de mogelijkheid van
                    beoordeling van een schetsplan onverlet, omdat het uitgangspunt voor de
                    adviestermijn de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning is. De Woningwet
                    formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte beslissingstermijnen.
                    Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de behandeling snel moet leiden
                    tot een positieve of negatieve conclusie, omdat in beginsel binnen twaalf weken
                    respectievelijk zes weken op de aanvraag om bouwvergunning moet zijn beslist.
                    Indien bij een verlening van een bouwvergunning in twee fasen, de
                    eerstefasetoetsing moet worden herhaald vanwege een wijziging van het bouwplan
                    in de tweede fase, zou in beginsel een relatief korte termijn van twee weken
                    kunnen gelden, omdat volgens de wetgever alleen de wijzigingen van het bouwplan
                    voorzover relevant door de welstandscommissie opnieuw moeten worden beoordeeld.
                    Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                    zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het bouwwerk waarop
                    de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota opgenomen
                    welstandscriteria in acht te nemen. Indien er een aanvraag om bouwvergunning
                    wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over alternatieven verwacht
                    kan worden, lijkt het raadzaam overleg voorafgaand aan de indiening van een
                    formele bouwaanvraag te stimuleren. <vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen
                        en mondelinge toelichting</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren. Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor
                    de welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                    hebben op de geagendeerde bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en
                    daarvan melding te maken in de bekendmaking. De openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het
                    welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens
                    voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke
                    kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen
                    aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                    burger/bouwer. Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen
                    dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                    aanvrager van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. Uit
                    artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning. Desondanks is het
                    inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwaanvraag toe te lichten
                    zeer zinvol. </al><al>Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot
                    alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een
                    hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind. Indien er in het kader
                    van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de
                    aanvrager, is het zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot
                    belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat
                    allerlei personen die tijdens de vergadering van de welstandscommissie kunnen
                    inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de
                    bouwvergunning geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden
                    zijn. De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. </al><al>Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende
                    tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht
                    toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                    voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is. De verplichting tot
                    openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het
                    welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel
                    vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of
                    meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De
                    potentiele bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient. <vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                    welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                    bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 2
                    en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in alternatief 2 van
                    artikel 9.7 MBV. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan worden gecombineerd
                    met een keuze voor artikel 9.1 MBV, alternatief 1 of 3, waarbij de advisering
                    ten aanzien van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken immers aan de
                    welstandscommissie wordt opgedragen. Dit houdt in dat de welstandstoets van
                    bouwplannen voor licht-vergunningplichtige bouwwerken die voldoen aan de
                    welstandscriteria uit de welstandsnota wordt gemandateerd aan een ambtenaar. Het
                    mandaat kan slechts bestaan uit een positief welstandsoordeel. Indien het
                    bouwplan niet aan de criteria uit de nota voldoet, leggen burgemeester en
                    wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. Mandaat aan één
                    persoon verdient in dit verband de meeste aandacht. Indien bij artikel 9.2
                    gekozen is voor alternatief 1 of 2 kan aan een ambtelijk secretaris, die geen
                    lid is van de commissie, geen mandaat worden verleend. Mandaat aan een
                    subcommissie behoort uiteraard wel tot de mogelijkheden. De meest voorkomende
                    vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening van een
                    welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. Daarnaast kunnen
                    burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met betrekking tot
                    bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken)</al><al><onderstreept>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal
                        uitgesloten</onderstreept>Behandeling van bouwplannen onder
                    mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met name
                    in geval van veelvoorkomende kleine bouwplannen zal er geringe belangstelling
                    zijn om de behandeling van bouwplannen door de gemandateerde bij te wonen. Het
                    verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te
                    agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte
                    (vergader)tijd verloren hoeft te gaan. Voor een beknopte uiteenzetting over
                    mandatering: zie de VNG-uitgave 'WRO 2000 in de praktijk', vragen en antwoorden
                    gewijzigde WRO (3 april 2000), bijlage 3. <vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het
                        advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1 Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                    uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in
                    artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het
                    niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                    motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct
                    zodra bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend. </al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                        standplaatsen</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3 MBV. </al><al><vet>HOOFDSTUK 10 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al><onderstreept>De aanvraag</onderstreept>Ook de Woningwet 1962
                    hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in gebruik geven of nemen van
                    een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of niet eerder legaal gewoond
                    werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar maken verbouwd worden en
                    is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan wijkt de eis van een
                    woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning. Met de Woningwet van 1991
                    verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu in de wet is uitgewerkt
                    in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe bouwverordening is alleen nog
                    plaats voor een invulling van de wijze van indiening en inrichting van de
                    aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de Woningwet verplichtend
                    vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen van de op basis van de
                    oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor een woonvergunning.</al><al><onderstreept>De vergunning</onderstreept>Met het in de Woningwet
                    1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt overigens de regeling van de oude
                    bouwverordening. Op grond van de op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV kon een
                    woonvergunning worden geweigerd als er sprake was van strijd met het
                    bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende nieuwbouweisen. Op grond van
                    artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een woonvergunning alleen worden
                    geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het bestemmingsplan of de
                    bouwverordening. Welk deel van de bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is
                    onduidelijk. Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is
                    uitdrukkelijk geen weigeringgrond voor de woonvergunning. Uit het eerste lid van
                    artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het gebouw in principe
                    geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het bestemmingsplan of de
                    bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het gebouw bouw- en/of
                    woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er volgens het
                    Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw alsnog
                    geschikt gemaakt wordt:</al><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                    woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet.</al><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord.</al><al>Ad 1</al><al>Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden
                    aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                    maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning noodzakelijk
                    en de wetssys-tematiek gaat ervan uit, dat er of een woonvergunning of een
                    bouwvergunning noodzakelijk is.</al><al>Ad 2</al><al>Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                    Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande
                    woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                    onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning kan
                    echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de noodzakelijkheid van
                    voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een voorzieningenniveau
                    beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor
                    bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit ingevolge artikel 13
                    Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden.</al><al>De praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen. Het kiezen voor de tweede
                    oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning wordt toegestaan voordat het
                    gebouw geschikt is tot bewoning. De woonvergunning is een beschikking. Dat
                    betekent dat naast de eisen van de bouwverordening, de algemene eisen van de Awb
                    van toepassing zijn. De aanvraag moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden
                    ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beschikken
                    (artikel 4:1 Awb). Ingevolge artikel 60 van de Woningwet zijn burgemeester en
                    wethouders het bevoegde orgaan. Worden de in de bouwverordening geeiste gegevens
                    niet ingediend, dan is artikel 4:5 juncto artikel 4:15 Awb van toepassing.
                        <vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de
                    overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                    vergunningen. De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor
                    de overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV
                    overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                    bouwverordening gebaseerde vergunningen. Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester
                    en wethouders verplicht zijn tot overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs
                    al leidt overschrijving tot een niet gewenste en planologisch niet juiste
                    situatie. Zowel de rechtverkrijgende onder bijzondere titel (bij voorbeeld de
                    koper) als de rechtverkrijgende onder algemene titel (bij voorbeeld de
                    erfgenaam) moet om overschrijving vragen. Met het recht van de verkrijgende
                    wordt hier het recht bedoeld dat is neergelegd in de vergunning. De wet van 10
                    juni 2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb. 2004, 320, en
                    krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op 15 september 2004,
                    Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59 gewijzigd.
                        <vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>Vervallen <vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                        en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>Vervallen <vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                        andere voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij
                    toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin
                    aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij
                    houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                    voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                    instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                    waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke
                    kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige
                    editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                    voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                    gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                    praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden gewijzigd
                    om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen zijn.</al><al><vet>HOOFDSTUK 11 Handhaving</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                    bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                    toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid van
                    de Woningwet. Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van
                    de handhaving integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande
                    bouwwerk vormt niet langer een geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit
                    beter aan op de voorschriften inzake het bouwen van bouwwerken. Qua systematiek
                    is zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke instrumentarium van de Awb. Het
                    niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de bouwverordening
                    of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken vormt een
                    overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                    een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de
                    tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003
                    gaat nu voor alle bouwwerken gelden (artikel 1b Woningwet), voor de
                    bouwverordening krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor
                    het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet.
                    Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                    Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander
                    bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open
                    erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk
                    van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de
                    welstandsnota. Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel
                    4:8 van de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting
                    bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de
                    gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                    handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke
                    voorschriften van het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw,
                    ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen
                    of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in
                    overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de
                    daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan
                    overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van
                    bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de
                    Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan
                    de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van
                    State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een
                    voorlopige voorziening te vragen). Deze nieuwe systematiek betekent ook een
                    vereenvoudigde regeling voor de toepassing van bestuursdwang bestaande uit het
                    stilleggen van de bouw- en sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de
                    Gemeenteweg blijft de mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang
                    of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend
                    op te treden tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het
                    stilleggen van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in
                    afwijking van een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in
                    beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                    overeenkomstig artikel 5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang
                    optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te
                    voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor
                    burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In
                    dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14
                    november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>Artikel 100, derde lid van de Woningwet geeft het college van burgemeester en
                    wethouders de bevoegdheid om de bouw stil te leggen indien wordt gebouwd in
                    strijd met de bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschriften. Het kan
                    hierbij alleen gaan om bouwactiviteiten. Illegale sloopwerkzaamheden vallen niet
                    onder de werking van deze bijzondere bestuursdwangbevoegdheid en de handhaving
                    op dit punt dient derhalve gebaseerd te worden op de algemene
                    bestuursdwangbevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet. Hoofdstuk 5 van de
                    Awb is van toepassing op de bestuursdwangbevoegdheid tot stilleggen van de bouw.
                    Bij het stilleggen van de bouw is het belangrijk te letten op de juiste
                    grondslag. Deze grondslag wordt gevonden in artikel 100 Woningwet en artikel
                    11.1 bouwverordening juncto artikel 5.21 van de Awb. Artikel 100 geeft aan dat
                    de toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van
                    bouwwerkzaamheden slechts kan plaatsvinden in de bij de bouwverordening
                    aangewezen gevallen en overeenkomstig de daarbij gegeven voorschriften. In
                    artikel 11.1 worden deze situaties aangegeven. Het artikel is algemeen
                    geformuleerd, waarmee alle niet toegestane activiteiten op het gebied van bouwen
                    kunnen leiden tot het stilleggen van de bouw. Deze gevallen zijn identiek aan de
                    situaties waarin voorheen de zogenaamde ambtelijke bouwstop mogelijk was, die
                    bij de invoering van de derde tranche van de Awb op 1 januari 1998 is geschrapt.
                    Artikel 11.1 sub c doelt op bouwen in afwijking van het Bouwbesluit, maar dan
                    alleen voor zover er sprake is van vrij bouwen. In geval van sub f, het bouwen
                    in afwijking van de bouwverordening, dient er sprake te zijn van het niet
                    naleven van de voorschriften van hoofdstuk 4 van de bouwverordening. Dit
                    hoofdstuk bevat direct werkende normstellingen. Het niet naleven van de
                    voorschriften van bijvoorbeeld hoofdstuk 2, de paragrafen 3 tot en met 5, kan
                    niet rechtstreeks dienen als grondslag voor het stilleggen van de bouw. Bij het
                    niet naleven van deze voorschriften zal er sprake zijn van het bouwen zonder of
                    – mits de bij de bouwvergunning behorende bescheiden en voorwaarden hiertoe een
                    handvat geven – het bouwen in afwijking van de bouwvergunning. Met de
                    inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb per 1 januari 1998, zijn het
                    alleen het college van burgemeester en wethouders die beschikken over de
                    bevoegdheid om met bestuursdwang de bouwwerkzaamheden stil te leggen. Voor die
                    tijd betrof het een aan de met het toezicht belaste ambtenaren geattribueerde
                    bestuursdwangbevoegdheid. De feitelijke gang van zaken hoeft daarmee echter niet
                    te veranderen. Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de
                    mandaatverlening verzet (artikel 10:3 lid 1 van de Awb). Hoewel de
                    stillegbevoegdheid voor de burger zeer ingrijpend van aard is, acht de wetgever
                    mandaatverlening van de stillegbevoegdheid aan de met toezicht belaste
                    ambtenaren mogelijk (MvT Aanpassingswet derde tranche Awb II, p. 70). Het
                    college van burgemeester en wethouders kunnen ook toestaan dat ondermandaat
                    wordt verleend (artikel 10:9 Awb). Deze mogelijkheid moet dan wel expliciet bij
                    het mandaatbesluit worden aangegeven. Het is twijfelachtig of het verlenen van
                    een mandaat zover kan gaan dat ook niet-ambtenaren, die door het college van
                    burgemeester en wethouders met het bouw- en woningtoezicht zijn belast, de
                    bestuursdwangbevoegdheid tot stilleggen van de bouw kunnen uitoefenen. Gezien
                    het feit dat sprake is van een ingrijpende handhavingsbevoegdheid zou het
                    wenselijk kunnen zijn om het hoofd van een dienst of een
                    bestuurder/portefeuillehouder te mandateren. Het stilleggen van de bouw kan dan
                    pas plaatsvinden nadat de bestuurder of een afdelingshoofd hiertoe het besluit
                    heeft genomen. Afhankelijk van de gemeentelijke organisatie behoeft dit in de
                    regel niet te leiden tot onoverkomelijke vertraging in het handhavingsproces.
                    Het verlenen van het mandaat aan een portefeuillehouder heeft als voordeel dat
                    het stilleggen van de bouw bestuurlijk is gedekt. Zoals gesteld heeft de
                    wetgever duidelijk gemaakt dat de feitelijke gang van zaken rond het stilleggen
                    van de bouw niet hoeft te wijzigen. Naast het feit dat de gemandateerde
                    ambtenaar zelfstandig over het stilleggen van de bouw moet kunnen beslissen
                    impliceert dit ook dat er bij de constatering van illegale bouw direct actie
                    ondernomen moet kunnen worden. </al><al>Zoals dit ook bij de oude regeling het geval was zou dit betekenen dat
                    voorafgaand aan de toepassing van bestuursdwang niet eerst een schriftelijke
                    waarschuwing behoeft te worden gegeven. Onder de oude regeling was de ambtenaar
                    die de bouw had stilgelegd, gehouden om binnen twee werkdagen een
                    (bestuursrechtelijk)proces verbaal op te stellen en in afschrift mee te delen
                    aan de overtreder. Dit schriftelijke stuk gaf voor de rechter de doorslag om het
                    stilleggen van de bouw te zien als een bijzondere vorm van bestuursdwang. De
                    wetgever heeft er nu voor gekozen om op dit punt aan te sluiten op de in
                    hoofdstuk 5 van de Awb gegeven regeling. Artikel 5:24 lid 6 van de Awb bepaalt
                    dat indien de situatie spoedeisend is, het bestuursorgaan de beslissing tot
                    toepassing van bestuursdwang niet van tevoren op schrift hoeft te stellen. Het
                    belang om de bouw direct stil te leggen is er veelal in gelegen om te voorkomen
                    dat de illegale situatie verder in ernst en omvang toeneemt. Dit zou een verdere
                    belangenafweging rond de vraag of volledige afbraak van het gebouwde dient
                    plaats te vinden, kunnen frustreren. Aldus zou het bestuursorgaan zich bij het
                    stilleggen van de bouw, kunnen beroepen op het zesde lid van artikel 5:24 Awb.
                    Zo spoedig mogelijk na het optreden kan het bestuursorgaan dan zorgdragen voor
                    de opschriftstelling van het besluit. Dit strookt ook met de stelling dat de
                    feitelijke gang van zaken rond het stilleggen van de bouw niet behoeft te
                    wijzigen. Het lijkt ons echter evenzeer denkbaar dat niet in alle situaties de
                    toestand voldoende nijpend is om van een voorafgaande waarschuwing af te zien.
                    Dit zal mede kunnen afhangen van eventueel gevaar of hinder die uit de
                    bouwwerkzaamheden voortvloeit, de mogelijkheid om de werkzaamheden later
                    ongedaan te maken of de mogelijkheid om de bouw alsnog te legaliseren. Een
                    voorafgaande waarschuwing zal veelal kunnen bestaan uit een standaard document
                    waarin de feiten en omstandigheden worden ingevuld. De opschriftstelling van
                    zo'n besluit zal dan ook niet veel tijd in beslag nemen. Bovendien verdient uit
                    oogpunt van rechtsbescherming het vooraf geven van een schriftelijke
                    waarschuwing natuurlijk de voorkeur. Pas als het besluit schriftelijk is
                    meegedeeld is er de mogelijkheid om op grond van de Awb een voorlopige
                    voorziening te vragen opdat het bestuursdwangbesluit wordt geschorst. Ook indien
                    dit besluit pas achteraf, na de feitelijke toepassing van bestuursdwang bekend
                    wordt gemaakt staan de normale rechtsmiddelen van de Awb open en zal de rechter
                    achteraf de rechtmatigheid van het ingrijpen beoordelen. Het feit dat vanwege
                    onverwijlde spoed geen voorafgaande schriftelijke waarschuwing verstuurd wordt
                    betekent niet dat er bij de besluitvorming geen zorgvuldige belangenafweging
                    behoeft plaats te vinden. Het kan voorkomen dat het halverwege staken van de
                    bouwwerkzaamheden tot onaanvaardbare situaties leidt. Denk aan het halverwege
                    staken van de bouw van een dakkapel met het risico van inregenen. In deze
                    situaties moet altijd afgewogen worden in hoeverre het beter is om toch door te
                    bouwen of om tijdelijke noodvoorzieningen aan te brengen. Ook is het mogelijk om
                    bij de al dan niet mondeling gegeven bestuursdwangwaarschuwing een termijn te
                    gunnen van enkele uren waarna de bouw moet zijn gestaakt. Indien de gegeven last
                    niet is opgevolgd kan na de gegeven tijdsperiode bestuursdwang worden toegepast.
                    Indien de situatie zodanig spoedeisend is dat van een voorafgaande schriftelijke
                    waarschuwing wordt afgezien zal de bestuursdwangtoepassing uiteraard zo spoedig
                    mogelijk gevolgd moeten worden door de schriftelijke vastlegging van het besluit
                    en de bekendmaking daarvan. Het feit dat er nu op grond van de bouwverordening
                    geen (bestuursrechtelijk) proces-verbaal meer behoeft te worden opgesteld,
                    betekent overigens niet dat voor het instellen van strafvervolging geen
                    (strafrechtelijk) proces-verbaal meer behoeft te worden opgesteld. Het bouwen
                    zonder of in afwijking van een bouwvergunning blijft immers op grond van de
                    artikelen 107 en 108 van de Woningwet een strafbaar feit. Ingevolge artikel 113
                    van de Woningwet is eveneens de door de burgemeester aangewezen met het
                    bouwtoezicht belaste ambtenaar bevoegd om deze strafbare feiten op te sporen.
                    Het strafrechtelijke proces-verbaal kan dus ook door deze ambtenaren worden
                    opgesteld.</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet>Artikel
                    11.2 hoort bij artikel 4.14, het verbod tot ingebruikneming. Bij de eis, dat een
                    bouwwerk niet in gebruik mag worden genomen zonder dat aan alle voorwaarden van
                    de bouwvergunning is voldaan, behoort een handhavingsmethode. De
                    aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 11.2 is aanvullend ten opzichte van de
                    aanschrijvingsbevoegdheden van de Woningwet. In feite is artikel 4.14 een
                    bijzonder gebruiksvoorschrift. Daarmee is de conclusie, dat bij het niet-naleven
                    van dit gebruiksvoorschrift gebruik kan worden gemaakt van de
                    aanschrijvingsbevoegdheden van de Woningwet, een voor de hand liggende. Echter,
                    de aanschrijvingsbevoegdheden van de Woningwet richten zich op het gebruik en
                    houden in, dat het gebruik in overeenstemming moet worden gebracht met de
                    voorschriften. In de situatie waar artikel 4.14 op doelt, wordt de oplossing
                    niet gevormd door het in overeenstemming brengen van het gebruik met de
                    voorschriften, maar door het treffen van voorzieningen aan het bouwwerk, die in
                    afwijking van de bouwvergunning niet getroffen zijn. De enige andere oplossing
                    is het staken van het gebruik. Voor het uit laten gaan van een aanschrijving op
                    grond van artikel 11.2 is een evenredigheidsoordeel nodig. Wanneer bij voorbeeld
                    is verzuimd een trapleuning aan te brengen, dan is de eis tot het alsnog
                    aanbrengen van deze voorziening veel minder ingrijpend en kostbaar dan wanneer
                    is verzuimd vloerisolatie aan te brengen en dit alsnog moet gebeuren. Het staken
                    van het gebruik zal dikwijls een onevenredig zware maatregel blijken te zijn.
                        <vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet>Vervallen.</al><al><vet>HOOFDSTUK 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet langer
                    mogelijk. Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en
                    structuur zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een
                    afzonderlijk overgangsartikel op te nemen. <vet>Artikel 12.1 Strafbare
                        feiten</vet></al><al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                    vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld in
                    artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in artikel
                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED). Overtreding van
                    voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van (brand)veiligheid en
                    gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft gekozen voor het onder de
                    WED brengen van deze overtredingen, omdat aan overtredingen als bedoeld veelal
                    een financieel-economisch belang ten grondslag ligt. Door de indeling in artikel
                    1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij de strafbaarstelling van een groot
                    aantal milieudelicten, die veelal een vergelijkbare achtergrond hebben en
                    waarmee inmiddels de nodige ervaring is opgedaan door de politie, het Openbaar
                    Ministerie en de rechterlijke macht. Voor deze indeling heeft de wetgever mede
                    gekozen vanwege het (potentiële) gevaar en de (potentieel) zeer ernstige
                    gevolgen die het niet naleven van deze voorschriften met zich mee kan brengen.
                    Indien opzettelijk gepleegd, zijn deze delicten misdrijven; indien niet
                    opzettelijk gepleegd, zijn het overtredingen. Overgangsrecht strafbare feiten:
                    Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat overtredingen van de oude
                    bouwverordening worden afgedaan volgens de oude Woningwet. Men zie artikel 97
                    oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al><al>Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op het
                    bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift gegeven
                    krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over voorschriften in
                    een a.m.v.b. ter nakoming van internationale verplichtingen. Overtreding van de
                    verbodsbepaling is in artikel 110, tweede lid van de Woningwet aangemerkt als
                    een economisch delict in de zin van de Wet op de Economische Delicten (WED). Het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese internationale
                    verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1, tweede lid van de MBV
                    legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet. Overtreding
                    van de artikelen genoemd in het tweede lid van artikel 12.1, voor zover deze
                    betrekking hebben op het slopen van asbest, is een economisch delict. </al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder uitgevoerde
                    indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt. Voor de
                    vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de toelichting bij
                    artikel 2.4.1 van de Model-bouwverordening. <vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling
                        met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties - dat
                    wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze voorschriften -
                    lijkt de eis wel redelijk. </al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen. <vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling
                        (aanvragen om) gebruiksvergunning</vet></al><al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                    krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht te
                    doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan voor de
                    ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>Vervallen <vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>Algemeen De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats. De
                    inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter een
                    ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                    inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te bepalen. De
                    verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al><vet>TOELICHTING BIJLAGEN</vet></al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al><al>Ligging van het te slopen perceel</al><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al><al>Beschrijving werkzaamheden</al><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en hulp- en
                    beveiligingsmiddelen</al><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot externe
                    veiligheid</al><al>Betrokken instanties</al><al>Dagindeling werkzaamheden</al><al>Instructies aan werknemers</al><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al><al>Logboek</al><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><al>belangrijke telefoonnummers</al><al>tekening waarop staat aangegeven:</al><al>- de situering van het sloopobject;</al><al>de plaats van de bouwkranen;</al><al>de aan- en afvoerwegen;</al><al>de laad-, los- en hijszones;</al><al>de plaats van de bouwketen;</al><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen, bouwwerken
                    e.d.;</al><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het laden
                    en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening mag niet kleiner
                    zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al><al>transportroutes afkomende materialen</al><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al><vet>niveau I minimumscheiding</vet></al><al><vet>niveau I-plus minimumscheiding</vet></al><al><vet>niveau II</vet></al><al><vet>niveau III maximumscheiding</vet></al><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                    afvalstromen)</al><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                    afvalstromen)</al><al>olieproducten overig gevaarlijk afval</al><al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al><al>batterijen</al><al>accu’s</al><al>schoorsteenkanalen</al><al>rookkanalen</al><al>overig chemisch belast puin</al><al>verontreinigde leidingen</al><al>oliehoudende elementen</al><al>coatings, kitten</al><al>bitumineuze materialen</al><al>zeefzand</al><al>tl-buizen/starters</al><al>halogeen lampen</al><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>asbestproducten golfplaat</al><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal producten niet elders
                    genoemd</al><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al><al>metalen</al><al>metalen</al><al>ferro</al><al>constructiebalken e.d.</al><al>metalen trappen e.d.</al><al>betonijzer</al><al>schroot</al><al>tanks, silo’s</al><al>ferro niet elders genoemd</al><al>non ferro</al><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis, slabben)</al><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al><al>non ferro niet elders genoemd</al><al>elektriciteitskabels</al><al>kabels 220 V</al><al>kabels &gt; 220 V</al><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al><al>beton</al><al>gewapend beton</al><al>schuimbeton</al><al>gasbeton</al><al>staalvezelbeton</al><al>hoge sterkte beton betonproducten</al><al>beton niet elders genoemd</al><al>metselwerk</al><al>metselwerkpuin</al><al>metselmortel</al><al>kalkzandsteen</al><al>metselwerkpuin</al><al>bouwblokken</al><al>dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al><al>intacte dakpannen</al><al>gebroken dakpannen</al><al>dakleien</al><al>keramiek</al><al>wandtegels</al><al>plavuizen</al><al>sanitair</al><al>gipshoudende elementen</al><al>gipsplaat</al><al>stucwerk</al><al>anhydriet</al><al>vloeren</al><al>gipsvezelplaat</al><al>gipshoudende elementen</al><al>asfalt</al><al>asfaltbeton</al><al>asfaltpuin</al><al>freesafval</al><al>steenwol</al><al>steenwol</al><al>steenwol</al><al>glaswol</al><al>glaswol</al><al>glaswol</al><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct herbruikbaar)</al><al>massief hout(zonder verduurzamings-middelen, direct herbruikbaar)</al><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al><al>balken</al><al>vloerdelen</al><al>trapelementen</al><al>dakbeschot</al><al>regels/tengels</al><al>pallets</al><al>schoon hout niet elders genoemd</al><al>geverfd /gelakt hout</al><al>gevelelementen</al><al>kozijnen</al><al>deuren</al><al>parketvloeren</al><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al><al>spaanplaat</al><al>multiplex</al><al>hardboard</al><al>vezelplaat</al><al>houtwolcementplaat</al><al>bekistingmateriaal</al><al>vloerplaat</al><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al><al>geïmpregneerd hout</al><al>tuinhout</al><al>bielzen</al><al>geïmpregneerd hout</al><al>niet elders genoemd</al><al>overig afval</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>kunststof gevelelementen</al><al>PVC- en PE-leidingen</al><al>PVC</al><al>leidingsystemen(riolering, afvoer)</al><al>PP en PE</al><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies</al><al>vlak glas</al><al>vlak glas</al><al>vlak glas</al><al>draadglas</al><al>spiegelglas</al><al>dubbelglas</al><al>HR- en LE-glas</al><al>papier en karton</al><al>papier en karton</al><al>papier</al><al>karton</al><al>overig afval</al><al>LDPE / HDPE</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies</al><al>leidingsystemen</al><al>XPS / EPS</al><al>vloerisolatie</al><al>dakisolatie</al><al>wandisolatie</al><al>PUR</al><al>isolatieplaten</al><al>PUR-producten niet elders genoemd</al><al>overige kunststoffen gemengd</al><al>EPDM</al><al>overige kunststoffen gemengd</al><al>cellulose isolaties</al><al>cellulose isolaties</al><al>textiel</al><al>gordijnen</al><al>vloerbedekking</al><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil textiel met aanhangend
                    vuil glas met kitresten</al><al>composiet-materialen</al><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met stucwerk</al><al>beton met stucwerk</al><al>thermohardende kunststoffen</al><al>meterkasten</al><al>deurknoppen</al><al>overig afval</al><al>overig afval</al><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden.</al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste afvalstromen:</al><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen van
                    toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                    gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau
                    III.</al><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                    worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten in één
                    afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al><al>Overige afvalstromen</al><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                    afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor
                    inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al>Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot niveau
                    III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige isolatiematerialen,
                    dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten
                    kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk,
                    kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel,
                    kabels).</al><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                    afvalstromen</al><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze categorie
                    worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                    sorteerinrichting.</al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen van de
                    mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze regionaal
                    of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                    voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                    regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                    tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                    onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                    aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en locaties
                    van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de volgende
                    publicaties worden geraadpleegd:</al><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan den Rijn,
                    1993)</al><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 2 De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al><vet>Hoofdstuk 3 De melding</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen,
                        brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren
                        van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
                    (vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
                    (vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
                    (vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Slopen</vet></al><al>Paragraaf 1 Sloopvergunning</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Welstand</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al>01 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>02 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)</al><al>03 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al>04 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties (vervallen)</al><al>05 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al>06 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) </al><al>07 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op open
                    erven en terreinen</al><al>08 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>09 Reglement van orde van de welstandscommissie (vervallen)</al><al>10 Tabel 2.6.1 (vervallen)</al><al>11 Tabel 2.6.5 (vervallen) 12 Tabel 2.6.8 (vervallen)</al></bijlage></regeling></body></cvdr>