<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19917_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zandvoortse courant 17 december 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=artikel 84">artikel 84 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=artikel 1:5 en de hoofdstukken 6 en 7">artikel 1:5 en de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>college van burgemeester en wethouders van 27oktober 2009, nr. 2009/10/003313 Z2009-007167</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Recht, Veiligheid en Handhaving</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>vervangt "Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften Zandvoort 2006"</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INZAKE DE BEHANDELING VAN BEZWAARSCHRIFTEN 2010.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>1 DE VERORDENING</vet></al><al/><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27
                        oktober 2009, nr. 2009/10/003313;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Raadzaken van 24 november
                        2009;</al><al>overwegende dat de raad, het college dan wel de burgemeester, ieder voor
                        zover het hun bevoegdheid betreft een commissie kan instellen ter advisering
                        over de afhandeling van bezwaarschriften;</al><al>gelet op artikel 1:5 en de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet
                        bestuursrecht en 84 van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al/><al>VERORDENING INZAKE DE BEHANDELING VAN BEZWAARSCHRIFTEN 2010.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort;</al></li><li nr="c."><al><vet>verwerend orgaan:</vet> bestuursorgaan dat het bestreden
                                    besluit heeft genomen;</al></li><li nr="d."><al><vet>commissie:</vet> commissie voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="e."><al><vet>wet:</vet> de Algemene wet bestuursrecht zoals die luidt
                                    per 1 oktober 2009.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2 De commissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Inleidende bepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op
                                    bezwaren tegen besluiten als bedoeld in artikel 1:5 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften
                                    die zijn ingediend tegen besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de Algemene wet inzake rijksbelastingen en aanverwante
                                            regelgeving en de Wet waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>de Ambtenarenwet of enige andere regeling betrekking
                                            hebbend op de rechtspositie van medewerkers van de
                                            gemeente Zandvoort.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                                    leden.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd,
                                    geschorst en ontslagen.</al></li><li nr="3."><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter, leden en plaatsvervangende leden zijn
                                    onafhankelijk en mogen geen bestuurlijke of ambtelijke functie
                                    vervullen bij de gemeente Zandvoort.</al></li><li nr="5."><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Instellen kamers</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de
                                    behandeling van bezwaarschriften.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer
                                    vast welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar
                                    zullen worden behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Elke kamer bestaat uit tenminste drie leden, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorzitter, zijnde de voorzitter of een van de leden
                                            van de commissie, uit haar midden aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>tenminste twee andere leden, door de commissie
                                            aangewezen uit haar midden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid, als bedoeld in
                                    het derde lid onder b, een plaatsvervanger aan. Indien geen
                                    plaatsvervanger beschikbaar is, wijst de voorzitter van de
                                    commissie een ander lid van de commissie als zodanig aan.</al></li><li nr="5."><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift
                                    door de commissie zal geschieden.</al></li><li nr="6."><al>Met betrekking tot de werkwijze van de kamers is het bepaalde in
                                    deze verordening van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Secretarissen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college wijst de ambtenaren aan die het secretariaat van de
                                    commissie vervullen.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst tevens één of meer plaatsvervangers van de
                                    secretarissen aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Zittingsduur</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden voor vier
                                    jaren benoemd en treden af op de dag van het aftreden van de
                                    raad. Zij kunnen terstond ten hoogste éénmaal worden
                                    herbenoemd.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                    ontslag nemen.</al></li><li nr="3."><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                    blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                    voorzien. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 7 Toezending bezwaarschriften aan de commissie</label></kop><al>Het bezwaarschrift wordt met de daarbij behorende stukken door het
                            bestuursorgaan onverwijld in handen van de commissie gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Ingediend bezwaarschrift</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                    aangetekend.</al></li><li nr="2."><al>Bij het bericht van ontvangst als bedoeld in artikel 6:14 van de
                                    wet wordt vermeld dat een commissie over het bezwaarschrift zal
                                    adviseren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Verstrekken van stukken aan de commissie</label></kop><al>Het verwerend orgaan is verplicht aan de commissie alle stukken over te
                            leggen die betrekking hebben op de zaak die onderwerp is van het
                            bezwaarschrift.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Herstel van verzuim</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bezwaarschrift niet is gemotiveerd, niet is
                                    ondertekend of dat er enige andere ontvankelijkheidsgebreken
                                    zijn, wijst de voorzitter van de commissie de klager op dit
                                    verzuim en stelt hij hem in de gelegenheid dit binnen een
                                    termijn van twee weken te herstellen.</al></li><li nr="2."><al>Indien in het bezwaarschrift gesteld wordt dat het is ingediend
                                    namens of mede namens een andere natuurlijke persoon of
                                    rechtspersoon en daarbij geen schriftelijke machtiging van die
                                    andere natuurlijke of rechtspersoon is overgelegd, wijst de
                                    voorzitter van de commissie de klager op dit verzuim en stelt
                                    hij hem in de gelegenheid dit uiterlijk tijdens de in artikel 13
                                    van deze verordening bedoelde hoorzitting te herstellen.</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing in het geval de
                                    gemachtigde als advocaat of procureur is ingeschreven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Uitoefening bevoegdheden</label></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet worden
                            voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter
                            van de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft
                                    tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="c."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Vooronderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle
                                    gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                    commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen
                                    zo nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen.
                                    Indien daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van
                                    het college vereist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Hoorzitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin
                                    de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid
                                    worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                    wet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te
                                    zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de
                                    belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Uitnodiging zitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie nodigt de belanghebbenden en het
                                    verwerend orgaan ten minste twee weken voor de zitting
                                    schriftelijk uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of
                                    het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter
                                    verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk
                                    één week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden
                                    en het verwerend orgaan meegedeeld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                    wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd
                                    zijn in het eerste tot en met het derde lid.</al></li><li nr="5."><al>De zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats
                                    wat betreft bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten
                                    op grond van de Algemene bijstandswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Quorum</label></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het
                            aantal leden van de (kamer van de) commissie, onder wie in elk geval de
                            voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Niet-deelneming aan de behandeling</label></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Openbaarheid zitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                    commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of
                                    indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                    aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting
                                    verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Schriftelijke verslaglegging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de
                                    namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een korte zakelijke vermelding in van wat over
                                    en weer is gezegd en wat verder ter zitting is
                                    voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                    plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                    gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord,
                                    maakt het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                    bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                    secretaris van de commissie.</al></li><li nr="6."><al>Het verslag wordt tegelijkertijd met het advies toegezonden aan
                                    bezwaarde, belanghebbende en het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Nader onderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                    opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                    voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                    commissieleden dit onderzoek houden.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                    afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en
                                    de belanghebbenden toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                    belanghebbenden kunnen, binnen een week na verzending van de
                                    nadere informatie, aan de voorzitter van de commissie een
                                    verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                                    voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening
                                    die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Raadkamer en advies</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over
                                    het door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                    brengen advies.</al></li><li nr="3."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van
                                    de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding
                                    gemaakt indien die minderheid dat verlangt.</al></li><li nr="5."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                    beslissing op het bezwaarschrift.</al></li><li nr="6."><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                    commissie ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Uitbrengen advies en verdaging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het schriftelijk advies wordt, onder medezending van het verslag
                                    als bedoeld in artikel 18 van deze verordening en eventueel door
                                    de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag,
                                    tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                                    bezwaarschrift dient te beslissen.</al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter de termijn, als
                                    bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht wet, ontoereikend is voor achtereenvolgens het
                                    uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing,
                                    verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig de beslissing te
                                    verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                    belanghebbenden een afschrift.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Beslissing</label></kop><al>Het verwerend orgaan zendt de commissie een afschrift van zijn
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 23 Citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>“De verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften
                                    Zandvoort 2006” vastgesteld bij raadsbesluit van 31 januari 2006
                                    wordt in getrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde
                                    datum.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 18 december 2009</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening inzake de
                                    behandeling van bezwaarschriften 2010”.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 december 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college op 27 oktober 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De secretaris de burgemeester </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door de burgemeester op 27 oktober 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.1 ALGEMEEN</titel></kop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenenden bevoegdheid heeft.</al><al/><al>Het college en de burgemeester hebben deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee
                    het besluit tot instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is
                    het mogelijk dat de bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om
                    te adviseren op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de
                    burgemeester. De ondertekening gebeurt eveneens door de drie
                    bestuursorganen.</al><al/><al>Artikel 7:5 Awb bepaalt dat een adviescommissie uit drie leden bestaat. De
                    voorzitter van de adviescommissie mag niet ondergeschikt zijn aan het bestuur of
                    deel uitmaken van het bestuur. Verder mag het bestuur zelf bepalen wie zij
                    benadert om zitting te nemen in de adviescommissie. Het bestuur kan dus een
                    eigen adviescommissie voor de bezwaarschriften oprichten. </al><al/><al>In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een aantal vereisten voor de procedure
                    voor de behandeling van bezwaarschriften vastgelegd. Uitgangspunt daarbij is dat
                    in eerste instantie het bestuursorgaan dat een bepaalde beslissing genomen heeft
                    de gelegenheid krijgt zijn beslissing te heroverwegen. Indien deze heroverweging
                    voor de indiener van het bezwaarschrift niet het gewenste resultaat heeft, staat
                    de indiener beroep open bij een ander bestuursorgaan, namelijk de
                    Arrondissementsrechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State. </al><al/><al>Artikel 6:14 Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan, aan degene die een
                    bezwaarschrift heeft ingediend een schriftelijke bevestiging van ontvangst moet
                    sturen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1 Begripsbepalinge</nr></kop><al>Dit artikel geeft aan wat onder de verschillende termen wordt verstaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><al>Lid 1. Artikel 1:5 van de Awb omschrijft wat onder het maken van bezwaar
                        wordt verstaan.</al><al>Lid 2 bepaalt de bevoegdheid van de commissie. In Zandvoort worden
                        ambtenarenzaken en belastingzaken niet door de commissie voor de
                        bezwaarschriften behandeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>Artikel 7:5 van de Awb schrijft voor dat het orgaan dat het besluit genomen
                        heeft, verplicht is degene die het bezwaarschrift heeft ingediend, te horen.
                        De wetgever heeft de voorkeur uitgesproken voor het instellen van een
                        adviescommissie die het bestuur adviseert over het bezwaarschrift. Een
                        dergelijke commissie doet in de visie van de wetgever het meeste recht aan
                        een objectieve heroverweging van het genomen besluit. Door de bepaling in
                        het tweede lid delegeert de raad de benoeming van commissieleden aan het
                        college</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Instellen kamers</titel></kop><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling van
                        bezwaarschriften. De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke
                        kamer vast welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen
                        worden behandeld.Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden: een
                        voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de voorzitter of een van
                        de leden van de commissie, uit haar midden aangewezen; ten minste twee
                        andere leden, door de commissie aangewezen uit haar midden. De commissie
                        wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en een tweede plaatsvervanger
                        aan. De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift door
                        de commissie zal geschieden. Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde
                        in deze verordening zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Voor de
                        samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13 Awb
                        gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                        1999/179).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Secretarissen</titel></kop><al>De secretaris ondersteunt de commissie in haar taken. Het feit dat het
                        college ambtenaren aanwijst voor die taken geeft aan dat het college
                        zorgdraagt voor voldoende ondersteuning. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>de leden van de adviescommissie worden benoemd voor de zittingsperiode van
                        de raad worden benoemd. Zij kunnen in Zandvoort éénmaal worden
                        herbenoemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toezending bezwaarschriften aan de commissie</titel></kop><al>Het bezwaarschrift wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit
                        heeft genomen. Het bezwaarschrift wordt doorgezonden naar de secretaris van
                        de commissie voor de bezwaarschriften. Deze draagt er zorg voor dat de
                        commissie het bezwaarschrift kan behandelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>Dit artikel regelt de ontvangst van het bezwaarschrift. In de Awb wordt
                        uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een bezwaarschrift
                        ingediend moet worden en de daarmee samenhangende ontvankelijkheidsvragen.
                        Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in de Awb aan de orde
                        komen: </al><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5). </al><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). </al><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
                        besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8). </al><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de
                        verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede lid). </al><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat ingediende
                        bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11). </al><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en met
                        6:15): </al><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij het
                        bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een commissie
                        over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later stadium: zie ook de
                        opmerkingen in paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14). </al><al>Doorzendplicht (artikel 6:15). </al><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per
                        post ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het
                        ontvangstbewijs kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in
                        de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig
                        na de ontvangst van het bezwaarschrift kan worden gedaan. Het verdient
                        aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                        ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te
                        bewaren. Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter
                        voorkoming van onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9
                        Awb). Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de
                        laatste dag van de termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie
                        moet het faxen zijn aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in
                        zowel de zendende als de ontvangende faxapparatuur is voor de verzender
                        (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is
                        (nog) niet mogelijk. Wordt een bezwaarschrift per e-mail ingediend, dan
                        dient u de verzender op de hoogte te brengen van het feit dat dit wettelijk
                        nog niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift alsnog
                        op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend
                        bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard. Het
                        aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                        uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij
                        een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit
                        heeft betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde
                        instantie is ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient
                        namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig
                        ingediend te beschouwen indien de indiening bij de onbevoegde instantie
                        tijdig is geschied, tenzij belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt
                        van zijn procesrecht (derde lid, zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet
                        Awb, in werking getreden op 1 april 2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake
                        als belanghebbende bij herhaling willens en wetens een bezwaarschrift bij
                        het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer het derde lid geen toepassing
                        vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan beslissend. Er zal dan meestal
                        sprake zijn van verwijtbaar handelen van de indiener die daarvoor zelf het
                        risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen twee weken plaatsvinden.
                        Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van belanghebbende. De in
                        artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                        bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn wordt
                        verlengd (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat
                        het aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de
                        hoogte te brengen van de te volgen procedure. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verstrekken van stukken aan de commissie</titel></kop><al>Het bestuursorgaan dient de leden van de commissie voor de bezwaarschriften
                        alle relevante stukken te verstrekken zodat de commissie het besluit kan
                        heroverwegen op de grondslag van het bezwaarschrift. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Herstel van verzuim</titel></kop><al>De Awb noemt een aantal vereisten waaraan een bezwaarschrift moet voldoen,
                        alvorens het in behandeling kan worden genomen. Indien het bezwaarschrift
                        niet aan deze vereisten voldoet, kan het niet-ontvankelijk worden verklaard.
                        Deze vereisten zijn dat het bezwaarschrift:</al><lijst><li nr="-"><al>op tijd moet worden ingediend, dat wil zeggen binnen zes weken, te
                                beginnen met de dag nadat het besluit in werking is getreden;</al></li><li nr="-"><al>voorzien moet zijn van naam en adres en melding moet maken van het
                                besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt;</al></li><li nr="-"><al>een motivering van het bezwaar moet bevatten.</al></li></lijst><al>Indien een bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen waaraan op grond van de
                        Awb moet worden voldaan, moet de indiener van bet bezwaarschrift daarover
                        worden geïnformeerd. Ook moet een termijn worden genoemd waarbinnen dit
                        alsnog dient te gebeuren. In de gemeente Zandvoort bedraagt deze termijn
                        veertien dagen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitoefening van bevoegdheden</titel></kop><al>Artikel 2:1, tweede lid Awb luidt: “Een bestuursorgaan kan van een
                        gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen”. Indien de gemachtigde
                        een advocaat betreft, wordt geacht dat de bezwaarmaker de advocaat heeft
                        gemachtigd en dient een schriftelijke machtiging achterwege te blijven.</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                        vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                        niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft
                        gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De
                        termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                        door de voorzitter. Uitgangspunt is dat er sprake moet zijn van een
                        redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken
                        na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de
                        indiener een reële mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te
                        herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de
                        procedure wordt vertraagd. Een zorgvuldige formulering van de brief waarin
                        gewezen wordt op het verzuim en waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen
                        het verzuim moet worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk
                        aangegeven moeten worden welke consequentie verbonden is aan het
                        niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze
                        waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn:
                        het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                        uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan. Overigens zal niet
                        zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n situatie sprake is van
                        een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor - ingevolge artikel
                        7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien. Artikel 6:17 Awb luidt: “Indien
                        iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het
                        bezwaar of beroep te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken in
                        ieder geval aan de gemachtigde”. Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover
                        het de behandeling door de commissie betreft, ligt deze taak bij de
                        voorzitter. Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de
                        vertegenwoordigers van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd
                        in de fase tussen de aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB
                        1997/196). Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het
                        verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde
                        van een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30). Artikel 7:4 Awb
                        luidt: “Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                        betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste
                        één week voor belanghebbenden ter inzage”. Het inzagerecht is als een van de
                        fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te
                        beschouwen. Het maakt het principe van hoor en wederhoor mogelijk. Het is
                        gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet gehoord, dan is er ook geen
                        sprake van een verplichte ter-inzage-legging. Stukken toezenden hoeft niet,
                        maar een verzoek van een belanghebbende om stukken in te zien mag niet
                        beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb. Amsterdam, 8
                        augustus 1995, Awb katern 1996, 19). Artikel 7:6, vierde lid Awb luidt: “Het
                        bestuursorgaan kan al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing
                        van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige
                        redenen is geboden”. Het derde lid van dit artikel luidt: Wanneer
                        belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte
                        gesteld van het verhandelende tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid. </al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
                        voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend
                        bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk
                        opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim
                        als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim
                        is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>De voorzitter van de commissie dient op verzoek alle stukken van de
                        betrokken afdeling te ontvangen. Dit verzoek moet ruim worden opgevat. Dat
                        geldt zowel intern bij de gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste
                        inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de
                        klager in contact te treden om nadere informatie in te winnen of
                        bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te geven
                        het bezwaarschrift in te trekken. De activiteiten van de commissie of haar
                        voorzitter bij de voorbereiding van de te behandelen zaken kunnen kosten
                        meebrengen. Daarbij vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij
                        gewone kosten valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden.
                        Het inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen.
                        Deze kosten komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is
                        er in de begroting voorzien in de normale kosten van een commissie. Dat kan
                        anders liggen als het om bijzondere kosten gaat. Aangezien het college
                        belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het voor de hand dat
                        bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de gelegenheid
                        heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is in deze
                        bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging vooraf
                        geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                        toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                        daardoor aantast. In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht.
                        Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht,
                        al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur
                        die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak. Uit de hier
                        gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het bestuursorgaan
                        blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies van de
                        commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking hebbende
                        gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel kunnen
                        uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden. Door de voorzitter van de
                        commissie kan, indien een deskundigenadvies noodzakelijk wordt geacht, een
                        onderzoek worden ingesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                        belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is
                        dat indien: </al><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; </al><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is; </al><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                        recht te worden gehoord, of </al><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden
                        daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. </al><al>Ad d. Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar
                        van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                        voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook
                        gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het
                        tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het
                        bestreden besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een
                        bestuursorgaan zo'n intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het
                        bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit tenzij
                        dat besluit geheel tegemoetkomt aan het bezwaar. De bevoegdheid om van het
                        horen af te zien wordt door de verordening toegekend aan de voorzitter van
                        de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het bestuursorgaan dat het
                        bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook niet mogelijk zijn,
                        gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is bepaald dat de
                        commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald,
                        beslist over de toepassing van artikel 7:3. Het bepaalde in het derde lid
                        spreekt voor zich. Daarnaast zal in het uiteindelijk uit te brengen advies
                        hier nogmaals op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk omdat
                        ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien
                        van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is
                        geschied. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitnodiging hoorzitting</titel></kop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                        uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook
                        ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er,
                        vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is
                        het voor een externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te
                        vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de
                        commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken. Het verdient
                        aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de oproeping en de
                        zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een zodanige termijn
                        dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen
                        om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden. Bezwaarden kunnen
                        geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op schrift te stellen
                        dat bij het verslag wordt gevoegd. Gekozen is voor een termijn van twee
                        weken, mede in verband met de termijn waarbinnen, behoudens verdaging, op
                        het bezwaar moet zijn beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in
                        artikel 7:4 Awb (zie hierna). Voorts is een regeling opgenomen over het
                        desgevraagd wijzigen van het tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft
                        overigens niet altijd te worden verleend. Betrokkene dient wel tijdig
                        uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen. Een verzoek om uitstel
                        moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd verzoek om uitstel
                        kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt tot een
                        eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een te
                        grote vertraging kan ondervinden. De toelichting op dit artikel van deze
                        verordening is ook de plaats om te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en
                        7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen
                        bij de uitnodiging van de hoorzitting mededeling te doen. Belanghebbenden
                        kunnen tot tien dagen voorafgaand aan de hoorzitting nadere stukken indienen
                        (art. 7:4 lid 1 Awb). Daarom moet het horen op een termijn van ten minste
                        méér dan tien dagen worden afgekondigd. De in de verordening opgenomen
                        termijn van twee weken lijkt een redelijke termijn. Belanghebbenden kunnen
                        de voorzitter verzoeken de hoorzitting uit te stellen en een andere datum
                        vast te stellen waarop reclamanten wel kunnen worden gehoord. Deze termijn
                        schorst de wettelijke afhandelingtermijn van artikel 6:7 Awb. Andere
                        belanghebbenden mogen echter niet in hun belang worden geschaad en dienen in
                        te stemmen met de verdaging. Artikel 7:4 </al><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen. </al><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift en
                        alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het
                        horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage. </al><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste
                        lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. </al><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de
                        kosten afschriften verkrijgen. </al><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                        tweede lid achterwege worden gelaten. </al><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                        belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                        voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing
                        van deze bepaling wordt mededeling gedaan. </al><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de
                        Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                        informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. </al><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                        lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage
                        van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die
                        hetzij advocaat, hetzij arts is. </al><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                        geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de
                        WOB opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996,
                        Awb katern 1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in
                        en geheimhouding van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van
                        toepassing (Rb. Alkmaar, 20 oktober 1997, Belastingblad 1998, 7). Artikel
                        7:8 </al><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                        deskundigen worden gehoord. </al><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                        belanghebbende die hen heeft meegebracht. </al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                        bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG
                        2000/122).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                        bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie,
                        terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2
                        maart 2000, GS 2000/ 7119, 3). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Niet- deelnemen aan de behandeling</titel></kop><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet
                        vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid
                        sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover
                        niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het
                        openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid
                        aan de commissie toegekend. In de onderhavige verordeningsbepaling is
                        vastgelegd dat de hoorzitting in principe in het openbaar plaatsvindt.
                        Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder
                        persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard of andere
                        zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen. De zitting dient te
                        worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die ingevolge
                        artikel 20 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft. Indien de
                        bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op het gebied van
                        bijstandsverlening, kan het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit
                        duidelijk wordt dat deze zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden.
                        Hiermee worden problemen voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten
                        tot een niet-openbare zitting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag
                        wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag
                        worden niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg
                        dat in de verordening een vaste procedure wordt opgenomen. Het bepaalde in
                        het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het aanwezige
                        publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                        duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door
                        hen naar voren is gebracht. Gezien de betekenis van de hoorzitting in het
                        kader van de besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand
                        (hoewel niet voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van de zitting
                        uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar aan belanghebbende
                        wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag van de hoorzitting vóór
                        het nemen van het bestreden besluit aan de belanghebbenden te zenden.
                        Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te reageren indien het
                        verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit oogpunt van een
                        zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten (ABRS 12 juni
                        1997, JB 1997/188). Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij
                        het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen
                        staken in de adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de
                        commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB
                        1997/23).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die
                        op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn
                        om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                        bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                        nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in
                        het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op
                        bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
                        belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden
                        gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe
                        informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                        belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de
                        hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader
                        onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige
                        procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de
                        adviescommissie kan wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de
                        gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken
                        (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe
                        openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren
                        plaats. Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                        vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een
                        of meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing
                        van artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen
                        bestaat. Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie
                        onder 11); de advisering dient plaats te vinden door een commissie die
                        voldoet aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies
                        totstandkomt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk
                        (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001,
                        ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621). Advisering door de
                        voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met artikel 7:13,
                        eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                        19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel (mogelijkheid voor
                        de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of een lid dat geen
                        deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het
                        bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering kan worden opgedragen
                        aan de voorzitter en één lid. Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze
                        kan geen (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling
                        bestuursrechtspraak 06-01-1997). </al><al>Artikel 21 Uitbrengen van advies en verdaging</al><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                        verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt
                        het schriftelijk uitgebracht. Ingevolge artikel 7:10 van de Awb wordt de
                        beslistermijn gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
                        indienen van het bezwaarschrift is verstreken. </al><al>Er bestaat de mogelijkheid tot opschorting of verdaging van de
                        beslistermijn. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de
                        commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet
                        wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het
                        bezwaar te verdagen. Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge
                        artikel 7:14 Awb zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van
                        bekendmaking en mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van
                        toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat
                        een besluit niet in werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt
                        voor de hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het
                        verdagingsbesluit toe te zenden. Het advies geldt als een volledige
                        heroverweging. Dat betekent dat de commissie behalve een
                        rechtmatigheidtoetsing ook een beleidstoetsing moet uitvoeren. In de
                        praktijk blijkt dat externe commissies zich nogal vaak terughoudend
                        opstellen bij het uitvoeren van de beleidstoetsing indien zij zich moeten
                        uitspreken over de vraag of het bestuur op een juiste wijze van de aanwezige
                        afwegingsruimte gebruik heeft gemaakt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>De beslissing</titel></kop><al>Het bestuursorgaan zendt de beslissing op het advies ook aan de leden van de
                        commissie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening inzake de
                        behandeling van bezwaarschriften Zandvoort 2010”.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>