<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR197075_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen WWB gemeente Lansingerland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Internet / Heraut 18 juli 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onder g</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-07-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR1200107 / T12.07352</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen WWB gemeente Lansingerland 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lansingerland; </al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15
                        mei 2012;</al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onder g, van de Wet werk en bijstand, de
                        Algemene wet bestuursrecht en artikel 149 van de Gemeentewet, besluit vast
                        te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen WWB
                            gemeente Lansingerland 2012.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>maatschappelijke participatie: het deelnemen aan activiteiten
                                    met een sportief, educatief, sociaal dan wel cultureel karakter
                                    door schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een vorm van financiële ondersteuning of
                                    ondersteuning in natura, gericht op de maatschappelijke
                                    participatie van schoolgaande kinderen van ouders met een laag
                                    inkomen, ter bevordering van maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="d."><al>schoolgaand kind: het ten laste komende kind van een ouder met
                                    een laag inkomen, voor wie de leer- of kwalificatieplicht,
                                    bedoeld in artikel 4 van de Leerplichtwet, geldt;</al></li><li nr="e."><al>laag inkomen: een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad beschouwt het als zijn taak om de maatschappelijke
                                participatie te bevorderen en het aantal schoolgaande kinderen dat
                                belemmeringen ondervindt in die participatie door de financiële
                                positie van hun ouders, terug te dringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening stelt regels over de wijze waarop de in het eerste
                                lid genoemde taak door het college wordt uitgevoerd, met inbegrip
                                van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip
                                maatschappelijke participatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Maatschappelijke participatie</titel></kop><al>Onder maatschappelijke participatie wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>lidmaatschap van of contributie voor een jeugd-, sport- en/of
                                    culturele vereniging;</al></li><li nr="b."><al>deelname aan muziek- en/of dansonderwijs;</al></li><li nr="c."><al>bezoek aan zwembad, bibliotheek, theater, concert, museum,
                                    bioscoop en/of pretpark in Nederland;</al></li><li nr="d."><al>deelname aan schoolreisjes, excursies, schoolzwemmen, werkweken
                                    en andere door school georganiseerde activiteiten;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor een pas die gratis toegang of korting geeft voor
                                    sportieve, educatieve, sociale dan wel culturele
                                    activiteiten;</al></li><li nr="f."><al>overige activiteiten en kosten die naar het oordeel van het
                                    college bijdragen aan maatschappelijke participatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid met betrekking tot maatschappelijke participatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verantwoordelijkheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt voorzieningen aan, die gericht zijn op
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in een andere gemeentelijke regeling al ondersteuning
                                wordt geboden ten behoeve van de maatschappelijke participatie voor
                                schoolgaande kinderen, wordt die regeling geacht mede uitvoering te
                                geven aan de opdracht, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
                                g, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een voorziening, bedoeld in het tweede lid, het
                                rechtskarakter heeft van categoriale bijstand, bedoeld in artikel
                                35, vijfde lid, van de wet, draagt het college er zorg voor dat deze
                                bijstand vanaf 1 april 2012 uitsluitend wordt verstrekt aan een
                                belanghebbende met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de op
                                hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college werkt bij het bevorderen van maatschappelijke
                                participatie samen met natuurlijke en rechtspersonen, voorzover die
                                samenwerking naar het oordeel van het college daaraan
                                bijdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vorm van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij de gemeenteraad anders heeft bepaald, stelt het college de
                                vorm van de voorziening vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het bepalen van de vorm van een voorziening kiest het college
                                voor de vorm die naar zijn oordeel het meest doeltreffend is om de
                                maatschappelijke participatie te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bevordert de verstrekking van voorzieningen in
                                natura.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            participatie van schoolgaande kinderen 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al><al/><al/><al/><al>Aldus vastgesteld door de raad van Lansingerland op 5 juli 2012. </al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>Kees van ’t Hart Ewald van Vliet</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke participatie van schoolgaande
                        kinderen WWB gemeente Lansingerland 2012</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Per 1 januari 2012 is de gemeenteraad op grond van artikel 8, eerste lid, onder
                    g, Wet werk en bijstand (WWB) verplicht om een verordening vast te stellen over
                    het verlenen van de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, vijfde lid,
                    WWB. Dit artikel bepaalt het volgende:</al><tussenkop>In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een
                    persoon, met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding
                    volgt, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke
                    participatie van dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van dat kind
                    die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten
                    aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in
                    bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten
                    van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige
                    draagkracht te boven gaan.</tussenkop><al>Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand
                    te verlenen ten behoeve van de maatschappelijke participatie van schoolgaande
                    kinderen uit gezinnen met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de
                    toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Onder categoriale bijzondere bijstand wordt bijzondere bijstand verstaan die
                    wordt verleend aan een persoon of gezin, die/dat geacht wordt tot een bepaalde
                    groep te behoren waarvan mag worden aangenomen dat de leden van die groep
                    meerkosten hebben. Aan deze persoon/dat gezin wordt bijzondere bijstand verleend
                    zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van het kind die kosten ook
                    daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.</al><al>De mogelijkheid van categoriale bijzondere bijstand ten behoeve van de
                    maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen bestaat al enkele jaren,
                    maar omdat naar de mening van een deel van de Tweede Kamer onvoldoende gebruik
                    werd gemaakt van deze mogelijkheid, is op 16 februari 2010 de motie
                    Spekman/Blanksma c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 181) aanvaard. Met
                    die motie werd de regering verzocht om met ingang van 2011 gemeenten die
                    onvoldoende bijdragen aan de rijksdoelstelling het aantal kinderen uit arme
                    gezinnen dat maatschappelijk niet meedoet om financiële redenen met de helft
                    terug te dringen, financieel af te rekenen door een korting op de specifieke
                    uitkering uit het Gemeentefonds. Bij de uitvoering van deze motie heeft de
                    regering echter gekozen voor een uitwerking die recht doet aan het uiteindelijke
                    doel van de motie, namelijk het steviger stimuleren van gemeenten om er
                    daadwerkelijk werk van te maken het aantal kinderen uit arme gezinnen dat
                    maatschappelijk niet meedoet om financiële redenen terug te dringen. Er is
                    gekozen voor een verordeningsplicht voor gemeenteraden ten aanzien van artikel
                    35, vijfde lid, van de WWB.</al><al>Maatschappelijke participatie van kinderen is van groot belang met het oog op
                    een zelfredzame toekomst. In dat verband is het gewenst dat
                    inkomensondersteuning ten behoeve van die participatie rechtstreeks aan zoveel
                    mogelijk minderjarige kinderen van de doelgroep ten goede komt. Om die reden
                    verdient een verstrekking ‘in natura’ de voorkeur boven een geldbedrag. In
                    artikel 48, vierde lid, WWB is geregeld dat de bijzondere bijstand als bedoeld
                    in artikel 35, vijfde lid, in natura wordt verstrekt, tenzij dit naar het
                    oordeel van het college leidt tot ondoelmatige uitvoering van de wet.</al><al>Door de toevoeging van artikel 8, eerste lid, onder g, WWB, worden gemeenteraden
                    verplicht regels op te nemen in een verordening over de wijze waarop meegewerkt
                    wordt aan het bevorderen van de maatschappelijke participatie. De gemeenteraden
                    zijn gehouden om in ieder geval in de verordening invulling te geven aan het
                    begrip maatschappelijke participatie. De verordening krijgt op voorhand geen
                    structureel karakter. De effecten van de verordeningsplicht op de participatie
                    van de betreffende doelgroep worden na twee jaar geëvalueerd. Vervolgens vindt
                    een beoordeling plaats of het wel of niet wenselijk is om structureel te blijven
                    verplichten om op het beleidsterrein van participatie van kinderen, regels in
                    een verordening vast te leggen en is er een afwegingsmoment om te bezien hoe
                    hiermee verder moet worden omgegaan. </al><al/><tussenkop>Betekenis verordeningsplicht en inhoud verordening </tussenkop><al>Strekking van de verordeningsplicht is dat gemeenten werk maken van
                    maatschappelijke participatie van kinderen. Daartoe zijn bij de inwerkingtreding
                    van artikel 35, vijfde lid (per 1 januari 2009), extra middelen aan het
                    Gemeentefonds toegevoegd. Gemeenten die al maatregelen hebben genomen om de
                    participatie van kinderen te bevorderen kunnen dit beleid rechtstreeks in de
                    verordening opnemen en daarmee voldoen aan de verordeningsplicht. Voor gemeenten
                    die nog geen maatregelen hebben genomen, betekent dit dat nog vorm gegeven dient
                    te worden aan specifiek beleid. Op welke wijze dat beleid vorm gegeven wordt,
                    qua vorm en inhoud, wordt aan de gemeenten zelf overgelaten. De
                    verordeningsplicht verandert niets aan de gemeentelijke beleidsvrijheid op dit
                    punt. Dit wetsvoorstel dwingt daarom niet tot het creëren van categoriale
                    bijzondere bijstand voor schoolgaande kinderen. Met de verordeningsplicht
                    krijgen gemeenten de opdracht om op lokaal niveau gerichte –generieke dan wel
                    individuele- participatiebevorderende maatregelen te treffen voor schoolgaande
                    kinderen. </al><al>Gelet op het bovenstaande wordt aan de opgelegde verordeningsplicht voldaan als
                    maatregelen ter bevordering van de participatie van kinderen opgenomen worden in
                    de WWB-verordening. Dergelijke maatregelen kunnen ook gevonden worden in andere
                    regelingen, zoals, in Lansingerland, de Beleidsregels Fonds Tegemoetkoming
                    Minima 2008. Omdat ook daarmee de beoogde transparantie en verantwoording van
                    beleid gerealiseerd worden, is het niet noodzakelijk om dergelijke regelingen
                    volledig ‘om te bouwen’ en integraal op te nemen in de WWB-verordening.
                    Voldoende is om daarnaar te verwijzen en in hoofdlijnen aan te geven wat de
                    inhoud van die regeling/dat beleid is. </al><al>Bedacht moet worden dat deze verordening met name een intern karakter heeft en
                    bovendien een beperkte duur heeft. Met de verplichting om regels te stellen in
                    een verordening, wordt dus beoogd het vastleggen van voorschriften gericht aan
                    het college, met het oogmerk dat het college verder vorm geeft aan de door de
                    gemeenteraad voorgeschreven opdracht om voorzieningen te treffen die de
                    participatie van kinderen bevorderen. Deze voorschriften kunnen ook
                        <cursief>individuele </cursief>maatregelen betreffen, zolang deze maar
                    bijdragen aan participatiebevordering en uit de verordening duidelijk wordt wat
                    de maatregel inhoudt.</al><al/><tussenkop>Formele invulling </tussenkop><al>Deze verordening heeft het karakter van een instructieregeling, vergelijkbaar
                    met de Handhavingsverordening WWB, waarmee het college opgedragen wordt binnen
                    bepaalde beleidsmatige kaders uitvoering te geven aan participatie van
                    schoolgaande kinderen. Tevens wordt het college met deze verordening voorzover
                    nodig gefaciliteerd om participatie van kinderen in de praktijk vorm te geven. </al><al>De gemeente kan kiezen tussen een formele of een materiële invulling van de
                    opdracht aan de gemeenteraad om regels te stellen.</al><al>Met een materiële invulling wordt bedoeld dat in de verordening zelf (de
                    hoofdlijnen van) het beleid is opgenomen. Aangegeven wordt om welke maatregelen
                    het gaat, voor welke doelgroep die maatregelen gelden, wat de hoogte en vorm is
                    van deze maatregelen en met wie er eventueel samengewerkt wordt om de
                    maatregelen te effectueren.</al><al>In deze verordening is gekozen voor een formele invulling. Er wordt door de
                    gemeenteraad een opdracht aan het college gegeven om vorm te geven aan de
                    maatschappelijke participatie van kinderen. Een onderdeel van deze opdracht is
                    dat regels gesteld worden met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen.
                    Een dergelijke formele invulling is flexibeler. De kaders worden gesteld door de
                    gemeenteraad, waarna het college deze kaders nader invult. Dit biedt de
                    mogelijkheid om bestaande regelingen in stand te laten, zoals de Beleidsregels
                    Fonds Tegemoetkoming Minima. Deze door het college vastgestelde beleidsregels
                    voldoen, voor zover het gaat om de vergoeding van kosten of activiteiten door
                    schoolgaande kinderen, aan de kaders en de doelgroep van deze verordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </tussenkop><al>Gebruikte begrippen waarvan de betekenis niet zondermeer duidelijk is worden
                    hier omschreven. Het begrip ‘maatschappelijke participatie’ is hier omschreven,
                    ter uitvoering van de opdracht van de wetgever, bedoeld in artikel 8, eerste
                    lid, onderdeel g WWB. Er is gekozen voor een ruime betekenis. Maatschappelijke
                    participatie kan op vele wijzen plaatsvinden en niet ieder kind is hetzelfde. Om
                    die reden wordt het begrip op deze plaats in zo algemeen mogelijke bewoordingen
                    gedefinieerd, en wordt het toegespitst op ouders van schoolgaande kinderen, met
                    een laag inkomen. Een dergelijke begripsomschrijving heeft als voordeel dat op
                    andere plaatsen in de verordening volstaan kan worden met het begrip
                    ‘maatschappelijke participatie’, waarmee dan gedoeld wordt op de participatie
                    van de hier beschreven doelgroep. </al><al>Het begrip ‘voorziening’ is in de verordening gebruikt en heeft een ruime
                    betekenis gekregen. In wezen wordt met iedere vorm van financiële ondersteuning
                    of ondersteuning in natura door het college die specifiek is bestemd voor de
                    maatschappelijke participatie van kinderen, uitvoering gegeven aan de wens van
                    de wetgever als verwoord in de Memorie van Toelichting op artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel g WWB. Een dergelijke voorziening kan bijzondere bijstand zijn, maar
                    ook een tegemoetkoming of kostenvergoeding dan wel een subsidie of verstrekking
                    ‘in natura’, zolang dit maar bijdraagt aan de participatie. </al><al>‘Schoolgaand kind’ is gedefinieerd. Schoolgaande kinderen staan centraal in het
                    beleid m.b.t. maatschappelijke participatie. Onder schoolgaande kinderen wordt
                    in dit verband verstaan, niet alleen kinderen die feitelijk schoolgaand zijn,
                    maar ook zij die de verplichting hebben omdat ze onder de leerplicht of
                    kwalificatieplicht vallen. </al><al>Het begrip ‘laag inkomen’ sluit aan bij de bepaling van artikel 35, negende lid,
                    WWB. Verlening van categoriale bijzondere bijstand is uitsluitend mogelijk als
                    het inkomen van de aanvrager niet hoger is dan 110% van de voor hem van
                    toepassing zijnde bijstandsnorm.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Toepassingsbereik </tussenkop><al>In artikel 2 is verduidelijkt wat de gemeenteraad als zijn taak aanmerkt op het
                    gebied van de maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen. Die taak
                    is enerzijds gelegen in het in algemene zin vergroten van de maatschappelijke
                    participatie van de doelgroep (kwalitatief) en anderzijds het terugdringen van
                    het aantal kinderen dat onvoldoende participeert (kwantitatief). In het tweede
                    lid is aangegeven wat gegeven die taken, het doel is van deze verordening. Dat
                    is het stellen van regels voor het bestuursorgaan dat belast is met de
                    uitvoering van deze verordening, het college. Die regels zijn in het vervolg van
                    de verordening te vinden en betreffen bijv. de opdracht aan het college om
                    samenwerking te zoeken met natuurlijke personen en rechtspersonen. Het is
                    vervolgens aan het college om die regels tot uitvoering te brengen. Dat kan in
                    de vorm van beleidsplannen, beleidsregels of andere instrumenten, zoals
                    samenwerkingsovereenkomsten.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Maatschappelijke participatie</tussenkop><al>In dit artikel wordt een opsomming gegeven die een beeld geeft van de
                    activiteiten en kosten die een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappelijke
                    participatie. Daarmee wordt richting gegeven aan de opdracht die de gemeenteraad
                    in deze verordening aan het college geeft. Deze opsomming is niet
                    limitatief.</al><al>Het college stelt nadere regels over de vorm en de omvang van de in deze
                    opsomming genoemde activiteiten die onder de maatschappelijke participatie
                    moeten worden begrepen (op het moment van inwerkingtreding van deze verordening
                    gebeurt dit via het Fonds Tegemoetkoming Minima). Deze opsomming geeft dus niet
                    automatisch het recht op een vergoeding of een verstrekking in natura voor deze
                    activiteiten of kosten. Dit is afhankelijk van de nadere regels.</al><al>Het college zorgt bij de verdere uitwerking voor een logische relatie met andere
                    voorzieningen en regelingen (zoals een kortingspas). De diverse voorzieningen en
                    regelingen moeten elkaar op een goede manier aanvullen.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Verantwoordelijkheid college </tussenkop><al>Met betrekking tot het beleid, gericht op de maatschappelijke participatie van
                    kinderen, krijgt het college in dit artikel nog enkele opdrachten. </al><al>In het eerste lid is vastgelegd dat het college de opdracht krijgt om
                    zelfstandig vormen van ondersteuning te creëren die de participatie
                    ondersteunen. Zoals ook uit artikel 5 volgt, bepaalt het college de vorm, tenzij
                    de vorm in deze verordening is bepaald. </al><al>Het tweede lid sluit aan bij het gegeven dat aan ondersteuning van
                    maatschappelijke participatie uitdrukking is gegeven door het creëren van
                    regelingen of voorzieningen buiten de WWB om. Dit komt geregeld voor. Gedacht
                    moet worden aan reductieregelingen, subsidies (bijvoorbeeld aan het
                    Jeugdsportfonds of Stichting Leergeld), tegemoetkomingen en verstrekkingen ‘in
                    natura’ (fietsen, computers e.d.) met behulp van andere instanties. Het betreft
                    veelal regelingen die onder de autonome bestuursbevoegdheid van de gemeenteraad
                    tot stand gekomen zijn (artikel 149 Gemeentewet). Uitgangspunt blijft dat het
                    vaststellen van participatiebevorderende maatregelen tot dat domein
                    behoort.</al><al>Het derde lid bepaalt dat voorzieningen met het karakter van categoriale
                    bijstand, onder de beperking van de inkomensgrens van 110% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm vallen. Deze inkomensgrens is sinds 1 januari 2012 opgenomen in
                    artikel 35, negende lid, WWB. Voor bestaande regelingen gold dat er
                    overgangsrecht was tot 1 april 2012. Vanaf die datum is de mogelijkheid om
                    categoriale bijzondere bijstand te verlenen volledig begrensd tot huishoudens
                    met een inkomen tot 110%. </al><al>Het vierde lid geeft uitdrukking aan de idee dat samenwerking gewenst c.q.
                    noodzakelijk is bij het bevorderen van maatschappelijke participatie.
                    Armoedebestrijding is niet alleen iets van gemeenten, o.a. ook maatschappelijke
                    instellingen spelen hier een belangrijke rol bij. </al><al/><tussenkop>Artikel 5 Vorm van een voorziening </tussenkop><al>Het college kiest de vorm van een voorziening, tenzij daarover al iets is
                    bepaald in deze verordening of de gemeenteraad langs andere wegen daarover ander
                    een standpunt inneemt. Uitgangspunt is de meest doeltreffende vorm, uiteraard
                    voor zover dat financieel en uitvoeringstechnisch realiseerbaar is. In de
                    verordening is vastgelegd dat het college de verstrekking van voorzieningen in
                    natura bevordert. Door middel van verstrekkingen in natura kan bewerkstelligd
                    worden dat in alle gevallen de voorziening terecht komt bij het kind waarvoor
                    het bedoeld is. Dit kan bij financiële vergoedingen niet gegarandeerd worden.
                    Dit sluit aan bij artikel 48, vierde lid, WWB: ‘Het college verstrekt bijzondere
                    bijstand als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, in natura, tenzij dit naar het
                    oordeel van het college leidt tot een ondoelmatige uitvoering van de wet’.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding </tussenkop><al>De verordening treedt met terugwerkende kracht in werking. Hierbij wordt 1
                    januari 2012 als datum van inwerkingtreding benoemd, omdat de gemeenteraad vanaf
                    die datum verplicht is om een verordening met betrekking tot het verlenen van
                    bijzondere bijstand, zoals bedoeld in artikel 35, vijfde lid, vast te stellen.
                    Hoewel in artikel 78v WWB is opgenomen dat de verordeningsplicht geen
                    structureel karakter heeft, is geen concrete datum genoemd waarop die plicht
                    komt te vervallen. Om die reden is in de verordening geen horizonbepaling
                    opgenomen, die ervoor zorgt dat de verordening op een bepaalde datum zou komen
                    te vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>