<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR197009_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand WWB ISD Bollenstreek 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Teylinger, 27-06-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Wet werk en bijstand, art. 18 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15076</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt <extref doc="http://teylingen.regelingenbank.nl/regelingen/Afstemmingsverordening-2004-ISD-Bollenstreek">Afstemmingsverordening 2004 ISD Bollenstreek</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand WWB ISD Bollenstreek 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand WWB ISD Bollenstreek 2012</al><al>De Raad van de gemeente Teylingen,</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke
                        sociale dienst Bollenstreek d.d. 19 maart 2012</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=147">artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid,
                            aanhef en onder b</extref>, en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18 van de Wet werk en bijstand</extref> en de
                        gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
                        Bollenstreek,</al><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de volgende</al><al>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand WWB ISD Bollenstreek 2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en het Besluit bijstandsverlening
                                zelfstandigen (Bbz), tenzij anders is aangegeven.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref>;</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel b van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel c van de wet</extref>;</al></li><li nr=""><al>de aan de jongere verstrekte bijzondere bijstand als bedoeld
                                        in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=12">artikel 12 van de wet</extref>, voor zover zij recht
                                        hebben op die bijzondere bijstand;</al></li><li nr=""><al>Voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben
                                        ontvangen wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op
                                        grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=78f">artikel 78f van de wet</extref> op hen van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="d."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                        Intergemeentelijke sociale dienst Hillegom, Lisse,
                                        Noordwijk, Noordwijkerhout, en Teylingen;</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende: persoon, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 eerste lid van de Algemene wet
                                            bestuursrecht</extref>;</al></li><li nr="g."><al>benadelingsbedrag: het bedrag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=58">artikel 58 lid 4 van de wet</extref>;</al></li><li nr="h."><al>jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1,"><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de
                                        belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze
                                        naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                        indien </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                                gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en
                                                zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
                                                hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek
                                                van het dagelijks bestuur om binnen een gestelde
                                                termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004/article=38">artikel 38, tweede lid, van het Bbz</extref>;
                                                of</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor
                                                het vaststellen van de ernst van de gedraging of de
                                                mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstand.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel kan ook worden toegepast op de bijzondere
                                        bijstand voor woonkosten en premie
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die
                                        bijstand voor levensonderhoud krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004">Bbz</extref> ontvangen of hebben ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het
                                besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                                vermeld</al><lijst><li nr="1."><al>de reden van de maatregel</al></li><li nr="2."><al>de duur van de maatregel</al></li><li nr="3."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd</al></li><li nr="4."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                        standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan bij een maatregelwaardige
                                        gedraging als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11
                                        volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                        tenzij het niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                                        plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden, te rekenen
                                        vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                        schriftelijke waarschuwing is gegeven een vergelijkbare
                                        gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een
                                        maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering
                                                van die gedraging door het dagelijks bestuur heeft
                                                plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
                                                van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van
                                                die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                                maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                                wordt niet opgelegd na verloop van 60 maanden nadat
                                                de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                    volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                                    tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog
                                    niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het
                                    zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud
                                    in de vorm van een geldlening op grond van het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004">Bbz</extref> hebben ontvangen, de maatregel worden
                                    betrokken bij de definitieve vaststelling van die
                                    uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een kalendermaand,
                                    tenzij in deze verordening een afwijkende termijn is opgenomen.
                                    5. Het besluit, inhoudende een verlaging van meer dan 3 maanden
                                    wordt door het dagelijks bestuur eens per drie maanden
                                    heroverwogen voor zolang deze uitkering duurt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                    meer dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende
                                    artikelen en het niet nakomen van deze verplichtingen voorkomt
                                    uit één gedraging, wordt slechts één maatregel opgelegd bij
                                    verschil die uit de hoogste categorie.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                    meer dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende
                                    artikelen en het niet nakomen van deze verplichtingen voorkomt
                                    uit verschillende gedragingen, wordt voor iedere gedraging een
                                    afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden
                                    gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, tweede
                                    lid, niet verantwoord is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>De duur of hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien
                            belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit
                            waarbij een maatregel is opgelegd, zich opnieuw schuldig maakt aan een
                            verwijtbare gedraging op grond waarvan dezelfde of een zwaardere
                            maatregel wordt opgelegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2 .</nr><titel>SCHENDING VAN DE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE
                            ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschieten in het naleven van de
                                arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 15% verlaagd indien
                                        belanghebbende: zich niet tijdig laten registreren als
                                        werkzoekende bij het UWV werkbedrijf of het niet tijdig
                                        verlengen daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid
                                        kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                        schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                                        behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen
                                        een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop
                                        eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                        gegeven</al></li><li nr="3."><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 30% verlaagd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende niet naar vermogen tracht algemeen
                                                geaccepteerd arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden van
                                                arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>er anderszins sprake is van een gedraging die de
                                                inschakeling in arbeid belemmert.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 60% verlaagd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende niet of in onvoldoende mate gebruik
                                                maakt van een door het dagelijks bestuur aangeboden
                                                voorziening als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9, eerste lid onder b en artikel 10,
                                                  eerste lid van de wet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet of in onvoldoende mate de door
                                                het dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde
                                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9, eerste lid onder c van de wet</extref>
                                                naar vermogen verricht;</al></li><li nr="c."><al>de jongere in de 4 weken na melding en registratie
                                                bij het UWV-werkbedrijf niet of in onvoldoende mate
                                                inspanningen doet om algemeen geaccepteerde arbeid
                                                en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs
                                                te verkrijgen en de jongere niet wordt uitgesloten
                                                van het recht op bijstand;</al></li><li nr="d."><al>de jongere in onvoldoende mate meewerkt aan het
                                                opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van
                                                aanpak als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=44a">artikel 44a van de wet</extref>.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 100% verlaagd
                                        indien: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid niet
                                                aanvaard;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van door eigen toedoen niet behouden van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 30% verlaagd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>een belanghebbende de verplichting op grond van
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004/article=38">artikel 38, tweede lid van het Bbz</extref>, niet
                                                binnen de door het dagelijks bestuur daartoe
                                                gestelde termijn is nagekomen,</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                                inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004/article=38">artikel 38, tweede lid van het Bbz</extref>, niet
                                                heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                                bedrag verlenen van bijstand</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel bedoeld in het eerste lid
                                        kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                        schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                                        behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen
                                        een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop
                                        eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                        gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige
                            inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004/article=38">artikel 38, tweede lid van het Bbz</extref>, heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                    bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid,
                                    vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>30% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            benadelingsbedrag tot € 1000,-;</al></li><li nr="b."><al>60% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            benadelingsbedrag vanaf € 1000,- tot € 2000,-;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            benadelingsbedrag groter dan € 2000,-.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
                                        bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>, wordt
                                        afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van
                                        zijn gedraging eerder of langer recht heeft op
                                        bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                        mede gerekend het door eigen toedoen niet behouden van
                                        algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten
                                        algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode
                                        voorafgaande aan de bijstandsverlening.</al></li><li nr="3."><al>De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld
                                        op: </al><lijst><li nr="a."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand
                                                bij een periode van korter dan 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden
                                                bij een periode van langer dan 6 maanden;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De maatregel, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                        overeenkomstig het gestelde in het derde lid vastgesteld
                                        voor zover de gedraging betrekking heeft op het door eigen
                                        toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en
                                        op 60% gedurende een maand indien sprake is van onvoldoende
                                        trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>De afstemming op grond van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als
                                        bedoeld in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de
                                        bijstand tevens te verstrekken in de vorm van een
                                        geldlening, zoals bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=48">artikel 48, tweede lid. van de wet</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals
                                bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikelen 55 WWB</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004/article=38">38 eerste lid Bbz</extref> zijn opgelegd en deze niet in
                                voldoende mate worden nagekomen wordt een maatregel opgelegd van 60%
                                van de norm gedurende 1 maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                dagelijks bestuur of zijn medewerkers onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, wordt
                                onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van</al><lijst><li nr="a."><al>60 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                        verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                        (dreigend) fysiek geweld en/of vernielingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding en toepassing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de daq volgend op zijn
                                        bekendmaking</al></li><li nr="2."><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                        maatregelenverordening WWB 2004, zoals gewijzigd bij
                                        raadsbesluit tijdelijke regels Aanscherping Wet werk en
                                        bijstand ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening WWB
                                ISD Bollenstreek 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De regeling in de Wet werk en bijstand Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, WWB
                    bevat de opdracht aan de gemeenteraad om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. De wettelijke grondslag voor maatregelen is artikel
                    18 WWB. Dit artikel luidt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of
                            onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen
                            voortvloeiende uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde lid,
                            van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waaronder
                            begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel
                            indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 WWB wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Omdat gesproken wordt van het
                    afstemmen van de bijstand, is er geen sprake van een punitieve sanctie.</al><al>In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                    uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden
                    maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de
                    persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een
                    directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering
                    verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af
                    van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelenverordening.</al><al>De term ‘maatregel’</al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemme nvan de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, is wordt het verlagen van de bijstand
                    vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aangeduid als het
                    opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het
                    spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook
                    het corrigerende karakter ervan benadrukt. Het opleggen van een maatregel is
                    géén punitieve sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar
                    een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer)
                    in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de
                    bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.</al><al>In de Memorie van Toelichting op de WWB wordt steeds gesproken over de
                    ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de juridische
                    grondslag vormt om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde
                    niet aan een verplichting voldoet, wordt de verordening aangeduid als
                    ‘maatregelenverordening’. De voorheen ook wel gehanteerde term
                    ‘afstemmingsverordening’ wordt ook landelijk weinig meer gebruikt, ook omdat
                    deze weinig aanspreekt. Mede daarom is er voor gekozen voortaan de term
                    Maatregelenverordening te hanteren.</al><al>Het verlagen van de bijstand</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan de bijstand worden verlaagd.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen worden opgelegd over de
                    bijstand, bedoeld in artikel 5, onderdeel c WWB (de op belanghebbende van
                    toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen, alsmede op bepaalde vromen van
                    bijzondere bijstand .</al><al>De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel.
                    Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De
                    verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden.
                    Dat houdt tevens in dat het niet toegestaan is om een zwaardere sanctie op te
                    leggen dan volgens de verordening is toegestaan.</al><al>De relatie met de participatieverordening Gemeenten moeten ook een participatie
                    (re-integratie) verordening vaststellen. In die verordening legt de gemeenteraad
                    vast hoe de gemeente klanten bij de arbeidsinschakeling ondersteunt en hoe de
                    gemeente omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing,
                    loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies,
                    kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan iedere klant de
                    arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd.
                    Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met
                    specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In
                    de-participatieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de
                    gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele
                    beschikking. Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in
                    beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                    maatregelenverordening.</al><al>Regelen in de verordening of in beleidsregels</al><al>Het vastleggen van gedragingen die een schending van een verplichting van de wet
                    betekenen, kan in beginsel op twee manieren. De eerste mogelijkheid is dat de
                    gemeente alle denkbare gedragingen die een schending van een verplichting
                    inhouden in de verordening vastlegt. Dit heeft als voordeel dat
                    bijstandsgerechtigden weten waar ze aan toe zijn. Alleen die gedragingen die in
                    de verordening worden genoemd, kunnen leiden tot het opleggen van een maatregel.
                    Het nadeel is de gebrekkige flexibiliteit. De verordening moet worden aangepast
                    als blijkt dat een bepaalde gedraging die in principe wel een schending van een
                    verplichting betekent, niet in de verordening is opgenomen.</al><al>De tweede mogelijkheid is dat de gedragingen in hoofdlijnen in de verordening
                    worden opgenomen en dat het college deze nader uitwerkt in beleidsregels. Het
                    voordeel van beleidsregels is dat deze gemakkelijker kunnen worden gewijzigd en
                    dat afwijken van beleidsregels onder bepaalde voorwaarden mogelijk is.
                    Beleidsregels bieden dus meer mogelijkheden voor flexibiliteit.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te
                    leggen. Dit betekent dat het college (dwz het dagelijks bestuur) daarnaast in
                    beleidsregels kan vastleggen welke soort gedragingen vallen onder de algemeen
                    omschreven aanduidingen.</al><al>De relatie met het Bbz</al><al>Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van
                    het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het gaat hierbij primair
                    om de verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud, en de in de
                    jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm staat in artikel 1,
                    onderdeel g, Bbz.</al><al>Het gaat ook om uitbreiding van het begrip inlichtingen- en medewerkingsplicht,
                    Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel 38, tweede lid van het
                    Bbz:</al><al>De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een
                    administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop
                    van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college te overleggen. Die
                    plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om de
                    bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging van de
                    uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Een verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                    uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de
                    algemene inlichtingplicht en de medewerkingsplicht.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel b, Bbz dat het
                    college de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen
                    van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In artikel 47 Bbz is
                    opgenomen dat het college kosten van bijstand in de vorm van een geldlening
                    terugvordert, indien de zelfstandige de uit de geldlening voortvloeiende
                    verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Het college is onder toepassing
                    van beide artikelen gehouden de geldlening over het betreffende boekjaar geheel
                    van de zelfstandige terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde
                    verplichting niet wordt nagekomen. Er is in dat geval in principe geen
                    aanleiding om tevens een maatregel op grond van deze verordening op te leggen:
                    de gehele jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook gen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet op
                    een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende:</al><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de
                    zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste
                    zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38,
                    derde lid Bbz).</al><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of
                    fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                    Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in
                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.</al><al>De in hoofdstuk 4 opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, nadere verplichtingen en zeer
                    ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een
                    maatregel. Artikel 18, tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het
                    Bbz.</al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                    beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan
                    is het college bevoegd om een maatregel op te leggen, omdat de zelfstandige door
                    deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van
                    een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening.</al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van
                    de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure
                    leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.),
                    op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering
                    brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.),
                    of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige
                    niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                    beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een maatregel.
                    Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de orde, indien er nog
                    sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode
                    kan worden vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen
                    en de daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de
                    maatregel, van artikel 14 (20% van de bijstandnorm voor één maand).</al><al>Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan. Dan
                    kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een maatregel aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB, de Bbz en de Algemene wet
                    bestuursrecht, tenzij anders is aangegeven.</al><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Eerste lid</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering een aantal
                    verplichtingen.</al><al>Nieuw is dat jongeren vanaf 1 januari 2012 gedurende vier weken na de eerste
                    melding geen aanvraag voor bijstand levensonderhoud mogen indienen. De gemeente
                    kan besluiten overtreding van die regel te sanctioneren, door het bijvoorbeeld
                    aan te merken als niet voldoen aan de medewerkingsplicht . Dat wordt uit
                    doelmatigheidsoverwegingen niet voorgesteld: In voorkomend geval zal een
                    beschikking worden afgegeven dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen
                    of wordt de jongere op een andere (meer informele) manier tegengehouden van het
                    doen van een aanvraag. De nieuwe verplichting om tijdens de `wachttijd` te
                    zoeken naar werk en scholing valt onder het bereik van de artikel 9 tweede lid
                    van deze verordening. Een maatregel wordt dan alleen opgelegd als de jongere
                    niet wordt uitgesloten.</al><al>Overige verplichtingen zijn onder meer:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB). Deze plicht bestaat
                            uit twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr=""><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr=""><al>de plicht om gebruik te maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten
                                    worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                    toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                    bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening
                                    (participatieverordening) die elke gemeente moet opstellen,
                                    vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen moeten in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB) . Dit is de plicht
                            van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: </al><lijst><li nr=""><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr=""><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid WWB, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                    van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan UWV WERKbedrijf
                    te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30c,
                    tweede en derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit
                    eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan UWV WERKbedrijf,
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte
                    of de duur van de bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.</al><al>Dit betekent dat het college (lees; het dagelijks bestuur) bij het beoordelen of
                    een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie
                    stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld
                    hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor
                    geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid.</al><al><vet>Artikel 3. Horen van belanghebbende</vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 4. De berekeningsgrondslag</vet></al><al>Een maatregel wordt toegepast op de bijstand.</al><al>Onder de bijstand wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                    toeslag of verlaging inclusief vakantiegeld, de aan de jongere verstrekte
                    bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 van de wet, voor zover zij recht
                    hebben op die bijzondere bijstand en de norm die op grond van artikel 78f van de
                    wet op zelfstandigen die onder de regeling van de Bbz vallen van toepassing
                    is</al><al><vet>Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering
                    wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op
                    grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide
                    besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien.</al><al><vet>Artikel 6. Waarschuwen of het afzien van het opleggen van een
                        maatregel</vet></al><al>Eerste lid</al><al>In gevallen dat er sprake is van een niet tijdige registratie bij het UWV
                    werkbedrijf of het verlengen daarvan of van het niet of niet behoorlijk nakomen
                    van de inlichtingenplicht zonder dat dit geleid heeft tot het ten onrechte of
                    tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand kan in plaats van een maatregel ook
                    een waarschuwing worden opgelegd. Deze waarschuwing wordt schriftelijk
                    gegeven</al><al>Als eerder binnen 12 maand en een (schriftelijke) waarschuwing is gegeven
                    volstaat een waarschuwing niet meer. Een schriftelijke waarschuwing is evenwel
                    geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe
                    een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de recidivemaatregel.</al><al>Tweede lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het
                    college (lees: dagelijks bestuur) kan in beleidsregels neerleggen hoe het van
                    plan is om te gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld
                    aan te geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en
                    welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd
                    in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het
                    dagelijks bestuur geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer dan een
                    jaar geleden hebben plaatsgevonden..</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die in artikel 14e van
                    de Algemene bijstandswet was opgenomen in verband met het opleggen van een boete
                    wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                    voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
                    dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dat geval behoeft niet te worden over gegaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te
                    vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Derde lid</al><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt
                    en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat boekjaar
                    definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel met
                    terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van de
                    bijstand.</al><al>Vierde lid</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd, en voor de
                    duur van een kalendermaand. Door een maatregel voor een bepaalde periode op te
                    leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd
                    waar hij aan toe is. Het dagelijks bestuur kan na afloop van de periode waarvoor
                    de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel
                    weer een apart besluit nodig.</al><al>Vijfde lid</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    dagelijks bestuur de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                    geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 9 Recidive</vet></al><al>Recidive maakt het meer verwijtbaar dan standaard. Daarom wordt bij recidive de
                    standaardtermijn genoemd in de verordening verdubbeld of, indien meer gewenst,
                    de hoogte van de verlaging.</al><al>De keus tussen een verdubbeling van de standaardtermijn of een verdubbeling van
                    de hoogte gedurende de standaardtermijn kan onder meer afhangen van de
                    persoonlijke (financiële) omstandigheden van de belanghebbende. Zo zal bij een
                    gezin met kinderen, anders dan bij bijvoorbeeld een thuisinwonende jongere, de
                    “straf” eerder gezocht worden in de duur van de verlaging dan in de verdubbeling
                    van de hoogte.</al><al><vet>Artikel 10. Tekortschieten in het naleven van de arbeidsverplichtingen en
                        de tegenprestatie</vet></al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                    heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al>Dit artikel is zo opgebouwd dat per lid een steeds ernstiger gedraging wordt
                    weergegeven met dientengevolge een hogere (standaard) maatregel.</al><al>Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand dan wordt verlaagd,
                    hebben twee vragen een rol gespeeld.</al><lijst><li nr="1."><al>In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de bijstand aan de eisen
                            van proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende gedraging in
                            ogenschouw wordt genomen?</al></li><li nr="2."><al>In hoeverre zal het opleggen van de maatregel effectief zijn, in de zin
                            dat de maatregel de beoogde gedragsverandering bij de
                            bijstandsgerechtigde zal bewerkstelligen?</al></li></lijst><al><vet>Artikel 11 Niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht..</vet></al><al>In dit artikel worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden:</al><al>Eerste lid onderdeel a.</al><al>Indien een klant de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens
                    of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het dagelijks bestuur
                    het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het dagelijks
                    bestuur geeft de klant vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan
                    herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het dagelijks bestuur bijstand stopzetten (het intrekken van
                    het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél
                    binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand, al dan niet herzien,
                    voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte
                    van de maatregel.</al><al>Eerste lid, onderdeel b.</al><al>In dit onderdeel van lid 1 wordt de zogenaamde “nulfraude” geregeld: het
                    verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder dat deze gedraging
                    gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn:
                    het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het
                    niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al>Tweede lid</al><al>Dit lid is een herhaling van artikel 6 lid 1 van deze verordening.</al><al>Artikel 12 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</al><al>Eerste lid</al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het dagelijks besuur zal
                    moeten vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                    bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.</al><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente
                    worden verstrekt. In dat geval kan het dagelijks bestuur de rechtmatigheid van
                    de uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen
                    van een maatregel is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk
                    zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de
                    orde.</al><al>Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting,
                    onder de kop ‘ De relatie met het Bbz’.</al><al><vet>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Eerste lid</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering.</al><al>Tweede lid</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat tot tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid tevens wordt gerekend het voorafgaand aan de aanvraag en
                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel het
                    in onvoldoende mate algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen..</al><al>Volgens vaste jurisprudentie kan het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid namelijk niet worden teruggevoerd op artikel 10
                    van deze verordening, maar op artikel 13, omdat deze gedraging valt onder het
                    begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 18 WWB), zie
                    onder meer LJN BN9720, CRvB 06.10.2010.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage op bijstand (100%) en
                    wordt ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de maatregel. Bij de
                    vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang
                    betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het derde lid worden
                    hiervoor richtlijnen gegeven. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het
                    dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Zie in
                    dit verband ook het bepaalde in het vijfde lid.</al><al>Vierde lid</al><al>In het vierde lid wordt meer specifiek ingegaan op de gedragingen als bedoel in
                    lid 2.</al><al>Onderscheid wordt daarbij gemaakt op het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten die arbeid te
                    verkrijgen.</al><al>Vijfde lid</al><al>Het vijfde lid geeft aan dat de bijstand ook verstrekt kan worden in de vorm van
                    een geldlening indien er sprake is van een ”ongenoegzaam besef”. Dit zal met
                    name toegepast kunnen worden in situaties waarbij bijvoorbeeld te snel een
                    bedrag aan vermogen is ingeteerd of waarbij een schenking is gedaan. De hoogte
                    van de geldlening zal dan maximaal overeenkomen met het te snel ingeteerde
                    bedrag enz</al><al>Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting,
                    onder de kop ‘ De relatie met het Bbz’.</al><al><vet>Artikel 14. Nadere verplichtingen</vet></al><al>Zie hiervoor de algemene toelichting, onder de kop ”de relatie met het Bbz” Voor
                    het overige betreft het hier verplichtingen die niet direct “’herleidbaar” zijn
                    tot de artikelen 10 tot en met 13 van deze verordening .</al><al><vet>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB.</al><al>In artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                    college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB, bijvoorbeeld UWV
                    WERKbedrijf of re-integratiebedrijf.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                    instrumenteelgeweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het dagelijks bestuur legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                    tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al><vet>Artikel 16 Inwerkingtreding en toepassing</vet></al><al>Geen toelichting</al><al><vet>Artikel 17 Citeertitel</vet></al><al>Geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>