<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR195548_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wijkse Courant en www.wijkbijduurstede.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet,</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet,</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders,
        raads- en commissieleden 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al><al>d.d. 5 juni 2012, nr 507</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147
                        van de Gemeentewet,</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden,</al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, </vet><vet>raads</vet><vet>-
                        en commissieleden 2012</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk VIII van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>commissielid: het lid van een commissie als bedoeld in hoofdstuk
                                    VIII van de Gemeentewet en het steunfractielid wat zijn fractie
                                    vertegenwoordigt of optreedt als gespreksleider in een
                                    voorbesprekingsronde op de periodieke avond van de raad;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="d."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="e."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr.AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="h."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="i."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="j."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="k."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                                gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding van het raadslid dat tevens fractievoorzitter is wordt
                                verhoogd overeenkomstig het bepaalde in artikel 8b van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1.De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3, vermeld
                            in tabel II van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al>2.Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                            artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964
                            voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, is
                            in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het
                            bedrag voor gemeenteklasse 3, vermeld in tabel III van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een raadslid op aanvraag voor de uitoefening
                                van het raadslidmaatschap een tegemoetkoming in de kosten van
                                1<sup>e</sup> aanschaf van een tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 730,-. Het college beoordeelt periodiek of
                                het bedrag van de vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient het raadslid een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij terugtreden als raadslid binnen 6 maanden na uitbetaling
                                        van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij terugtreden als raadslid binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien het raadslid de tabletcomputer ter beschikking stelt
                                aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg. verklaring van
                                vrijwaring in bij het college. Het terugtreden raadslid ontvangt een
                                kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>1.Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
                            en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing
                            van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                            fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                            loonbelasting 2001.</al><al>Naar keuze van het raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                            onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                            bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al><al>2.Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke</al><al>arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid ontvangt jaarlijks de tegemoetkoming in de kosten van
                                een ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing
                                op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een
                                raadslid dat ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag
                                heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenten met een
                                inwoneraantal vanaf 18.001, vermeld in artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan de wethouder ingevolge artikel 22 van deze verordening
                                een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is gesteld, wordt
                                de component ‘telefoonkosten’ middels een korting op de
                                onkostenvergoeding zodanig verlaagd, dat daarvoor een bedrag van €
                                25 resteert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten;</al></li><li nr="d."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland,
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de
                                    krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>P.M.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een wethouder op aanvraag voor de uitoefening
                                van het ambt een tegemoetkoming in de kosten van 1<sup>e</sup>
                                aanschaf van een tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 730,-. Het college beoordeelt periodiek of
                                het bedrag van de vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient de wethouder een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij ontslag als wethouder binnen 6 maanden na uitbetaling
                                        van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij ontslag als wethouder binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien de wethouder de tabletcomputer ter beschikking stelt
                                aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg. verklaring van
                                vrijwaring in bij het college. De terugtredende wethouder ontvangt
                                een kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in
                                voorkomende gevallen een hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>1.Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                            niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                            benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van
                            de commissie vergoed.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b,
                                            van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                    redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van
                                    reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent aan het daartoe door de betreffende
                                raadsfractie aangewezen commissielid op aanvraag voor de
                                vertegenwoordiging van de fractie en het optreden als gespreksleider
                                in een voorbesprekingsronde op de periodieke avond van de raad een
                                tegemoetkoming in de kosten van 1<sup>e</sup> aanschaf van een
                                tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 730,-. Het college beoordeelt periodiek of
                                de vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient het commissielid een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij terugtreden als commissielid binnen 6 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij terugtreden als commissielid binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien het commissielid de tabletcomputer ter beschikking
                                stelt aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg.
                                verklaring van vrijwaring in bij het college. Het terugtredende
                                commissielid ontvangt een kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en
                                binnen 2 maanden ingediend, onder bijvoeging van de originele
                                bewijsstukken. Hierbij geldt voor het indienen:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier of
                                een door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20, 24
                                en 27 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, commissielid of de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 1 maand
                                ingediend. Hierbij geldt voor het indienen:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier of
                                een door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>P.M. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2010
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2012 en werkt voor wat
                            betreft de artikelen 1, 2 lid 1, 3 tot en met 7, 11 tot en
                            met13a en 26 tot en met 29 terug tot en met 11 maart 2010.
                            Artikel 2 lid 2 werkt terug tot 1 januari 2009. De artikelen 16 tot en
                            met 22 werken ten aanzien van de op 18 mei 2010 beëdigde wethouders
                            terug tot en met de dag van hun beëdiging. De artikelen 31 tot en met 33
                            werken voor zover het betreft de leden van de raad en commissieleden
                            terug tot en met 11 maart 2010. De artikelen 31 tot en met 34 werken
                            voor zover het de op 18 mei 2010 beëdigde wethouders betreft terug tot
                            en met de dag van hun beëdiging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2012.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Wijk bij Duurstede, 19 juni2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier (wnd), De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING bij de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden 2012</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen.</al><al/><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling
                    voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook
                    uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><al/><tussenkop>Afzonderlijke verordeningen</tussenkop><al>Het is mogelijk de lokale regeling voor wethouders en voor raads- en
                    commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen. In dat geval bestaat
                    de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden uit de hoofdstukken I, II,
                    IV, V en VI van de voorbeeldverordening en de Verordening rechtspositie
                    wethouders uit de hoofdstukken I, III, V en VI van de voorbeeldverordening. In
                    Wijk bij Duurstede is er voor gekozen de bepalingen in één verordening te
                    bundelen.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="·"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26); de bezoldiging van de wethouders is uitputtend
                            geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="·"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 14);</al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19, 27 en
                            28);</al></li><li nr="·"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 24)</al></li><li nr="·"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21, en 22) en faciliteiten in de
                            vorm van deelname van wethouders, raads- en commissieleden aan
                            cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 20 en 29);</al></li><li nr="·"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor zowel wethouders als
                            raadsleden, zoals de spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen
                            10 en 23);</al></li><li nr="·"><al>de procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34).</al><al/></li></lijst><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006,
                    660) kan door de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten
                    van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Zie hiervoor verder de
                    toelichting bij artikel 13a.</al><al>Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder
                    de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder m.b.t. de zg. opting in
                    regeling).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Wethouders vallen niet onder de
                    werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al/><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting in regeling</tussenkop><al>Raadsleden – en inmiddels ook commissieleden - kunnen opteren voor de
                    loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze
                    loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie
                    van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde
                    wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het
                    raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                    gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente
                    de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen
                    werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Dat betreft bijv. de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling.</al><al/><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet</al><al>inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is
                    het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten
                    verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen.
                    Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling zullen dan ook over het
                    lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten
                    betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de
                    vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Zij
                    kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling en
                    fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><al/><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan het raadslid
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                    periode.</al><al/><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><al>-welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en
                    bestuurskosten);</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto)</al></li></lijst><al> vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende:</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder, het
                    raadslid of commissielid maar worden direct door de gemeente voldaan en de
                    voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                    worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                    kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de Financiële
                    beheersverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Voor Wijk bij Duurstede
                    is dat de ‘Gedragscodes bestuurlijke integriteit raadsleden en commissieleden,
                    geen raadslid zijnde en collegeleden’. Daarbij gaat het onder meer om afspraken
                    omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en
                    zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook het beleid rond
                    buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden opgenomen.
                    Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over de
                    afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                    verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen.</al><al/><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven.</al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld; dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is aangegeven dat
                    de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO- of WIA-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006
                    verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling
                    in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze
                    keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in
                    artikel 11 van deze verordening. Zie verder de toelichting bij dit artikel.</al><al/><tussenkop>Vergoeding fractievoorzitters</tussenkop><tussenkop>Bij Koninklijk Besluit van 16 december 2009 is in het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden een nieuw artikel 8b ingevoegd.
                    Ingevolge dit artikel ontvangen de fractievoorzitters naast de vergoeding voor
                    het raadslidmaatschap voor de duur van hun voorzitterschap een toelage gelijk
                    aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% voor elk
                    lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen
                    bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis. </tussenkop><tussenkop>De burgemeester stelt vast:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>hoeveel leden een fractie telt;</onderstreept></al></li><li nr="b."><al><onderstreept>de duur van het
                            fractievoorzitterschap.</onderstreept></al></li></lijst><tussenkop>Deze bepaling werkt terug tot 1 januari 2009.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding raadsleden en
                    wethouders</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Voor de kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen zijn vanaf 1 januari
                    2001 specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 20, 21 en
                    29).</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. De onkostenvergoeding
                    kan door de raad op een lager </al><al>bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de
                    minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene
                    zin is aangegeven dat de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister
                    te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><tussenkop>Artikelen 5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor woon-werk-verkeer voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen
                        <onderstreept>binnen</onderstreept> het grondgebied van de gemeente. </al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel in een
                    vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen
                        <onderstreept>buiten</onderstreept> het grondgebied van de gemeente ter
                    uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan bovendien krachtens artikel 96, eerste lid, van de
                    Gemeentewet ook een vergoeding worden gegeven voor de reis- en verblijfkosten in
                    verband met reizen <onderstreept>binnen</onderstreept> de gemeente.</al><al>In de artikelen 5 en 27 is voor de vergoedingen aansluiting gezocht bij de
                    ‘Regeling rechtspositie wethouders’.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze
                    specifieke regeling voor de wethouders de mogelijkheid meer op dat ambt
                    toegespitste vergoedingen vast te stellen. De vergoedingen zijn in principe
                    dezelfde als die welke in de voor de rijksoverheid geldende ‘Reisregeling
                    binnenland’ en de ‘Reisregeling buitenland’ zijn opgenomen. </al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is
                    niet nader ingevuld. Onder verblijfkosten worden verstaan de kosten i.v.m.
                    overnachting in een hotel. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan
                    worden vastgelegd in een door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling,
                    waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden bij de rijksregelingen (voor de
                    wethouders is het aan het college een uitvoeringsregeling te treffen). Gezien
                    het zeer incidentele karakter van hotelverblijf door raads- en commissieleden is
                    er voor gekozen vooralsnog geen uitvoeringsregeling te treffen. In voorkomende
                    gevallen kunnen voor wat betreft het begrip ‘noodzakelijke en redelijkerwijs
                    gemaakte verblijfkosten’ vooraf de actuele vergoedingen ingevolge de
                    Reisregelingen binnenland en buitenland als richtlijn worden geraadpleegd.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                    verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed kunnen worden de kosten van
                    openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een
                    kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt. De vergoeding van
                    de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is
                    voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. </al><al>In het Handboek loonheffingen 2010 wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing,
                    voor zover ze loon zijn.</tussenkop><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.</al><al/><tussenkop>Artikelen 7, 20 en 29 Cursus, congres, seminar of symposium </tussenkop><al>In de paragraaf ‘De vergoedingensystematiek’ in het algemene deel van deze
                    toelichting is aangegeven dat deze voorziening in de bedrijfsvoering is
                    ondergebracht. De kosten voor cursussen, congressen e.d. komen dus rechtstreeks
                    voor rekening van de gemeente. Zij zijn geen onderdeel van de vaste
                    kostenvergoeding van de wethouders c.q. raadsleden. </al><al>Een onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                    de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                    congressen e.d. waaraan een wethouder c.q. het individuele raads- of
                    commissielid in verband met de vervulling van het ambt c.q. raads- of
                    commissielidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.</al><al>Kosten van partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente
                    worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                    cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                    gesteld aan de aanvraag (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres
                    en een kostenspecificatie). Hierbij kan de betreffende fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen, congressen e.d. hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikelen 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de Nota naar aanleiding van het
                    verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt hierover het volgende
                    opgemerkt:</al><al>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel of
                    nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk worden
                    gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium 'nagenoeg geheel' zorgt
                    ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele
                    computer in de heffing hoeft te betrekken. De werkgever dient aannemelijk te
                    maken dat de computer geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om
                    deze onbelast te kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen.
                    Hierbij geldt de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer
                    die privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang
                    heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de <cursief>computer geen vrije
                        internettoegang heeft, er op de computer geen software anders dan
                        bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid
                        heeft er software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan
                        aansluiten.’</cursief></al><tussenkop>1e aanschaf van een tabletcomputer door wethouders, raads- en
                    commissieleden</tussenkop><al>Om redenen van milieu en kostenbesparing hebben zowel het college als de raad
                    besloten per september 2012 over te gaan naar papierloos vergaderen. Een
                    tabletcomputer is daarvoor het geëigende hulpmiddel. Voor de 1<sup>e</sup>
                    aanschaf van een tabletcomputer wordt een door het college vast te stellen
                    vergoeding verleend. </al><al>De grondslag voor de vergoeding is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor
                    wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>Technische voorzieningen die privé-gebuik (nagenoeg) onmogelijk maken worden
                    niet getroffen. De vergoeding voor de aanschaf van een tabletcomputer is daarom
                    fiscaal belast. Voor raadsleden en steunfractieleden die niet hebben geopteerd
                    voor de loonbelasting geldt dat de vergoeding bij de aangifte inkomstenbelasting
                    moet worden verantwoord.</al><al>De 1<sup>e</sup> aanschaf van de tabletcomputer wordt bekostigd uit het netto
                    resultaat van de vergoeding. Uitgangspunt daarbij is:</al><lijst><li nr="-"><al>de wethouders vallen onder het bijzonder tarief van 52%; de netto
                            vergoeding bedraagt dan (afgerond) € 350.</al></li><li nr="-"><al>raadsleden die hebben gekozen voor de opting-in-regeling vallen in de
                            salarisadministratie onder het bijzonder tarief van 33,10%. Aanname is
                            dat zij voor hun totale inkomen vallen onder het bijzonder tarief van
                            52%; de netto vergoeding bedraagt bij uitbetaling (afgerond) € 488. Op
                            aangifte zal er tot 52% worden nageheven = € 138, waarmee de feitelijke
                            vergoeding netto ook op € 350 komt.</al></li><li nr="-"><al>raadsleden die niet hebben gekozen voor opting-in-regeling en
                            steunfractieleden ontvangen een bruto/netto vergoeding van € 730 en
                            betrekken die bij hun aangifte.</al></li></lijst><al>De wethouder, het raadslid en het steunfractielid zijn vrij in de keuze van een
                    tabletcomputer. De netto vergoeding is een toereikende tegemoetkoming in de
                    aanschaf van een kwalitatief goede tabletcomputer. </al><al>College en raad zijn van mening dat voor deelname aan het maatschappelijk
                    verkeer het hebben van een computer en randapparatuur zodanig gemeengoed is, dat
                    een vergoeding in de aanleg- en abonnementskosten van een internetverbinding
                    alsmede de aanschaf van applicaties niet langer geëigend is. Hoewel ook het
                    bezit van een tabletcomputer is toegenomen, is het bezit ervan nog geen
                    gemeengoed. Om die reden wordt op aanvraag een vergoeding verleend als
                    tegemoetkoming in de kosten van 1<sup>e</sup> aanschaf. De verwachting is dat op
                    termijn van enige jaren nauwelijks nog aanvragen zullen worden ingediend.</al><al/><tussenkop>De burgemeester</tussenkop><al>De burgemeester is geen belanghebbende in de zin van de Verordening
                    rechtspositie bestuurders 2012. Artikel 30, lid 2, van het Rechtspositiebesluit
                    burgemeesters 1994 biedt echter de mogelijkheid de burgemeester eveneens een
                    vergoeding te verlenen voor de aanschaf van een (tablet-)computer. Zijn positie
                    is daarmee gelijk aan die van de wethouder. </al><al/><tussenkop>Artikelen 10a en 23a Fietsregeling raadsleden en wethouders</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet toegestaan een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Afhankelijk van
                    de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste het bedrag dat in
                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden raadsleden bij
                    arbeidsongeschiktheid </tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling.</al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij
                    verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Artikel 11 van de verordening regelt daarom dat op aanvraag
                    een raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                    voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering
                    raadsleden</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand die een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Vergoeding raadslid voor waarneming voorzitterschap van de
                    gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 13 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de</al><al>vaste onkostenvergoeding.</al><al/><tussenkop>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening raadsleden</tussenkop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de
                    status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een
                    inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet worden betaald (2010:
                    4,95%).</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door
                    de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na
                    afloop van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum
                    inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten die in
                    welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is
                    ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden
                    terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen op de raads- en onkostenvergoeding
                    (2010: 4,95%).</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel 11
                    van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze tegemoetkoming
                    wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald. Deze tegemoetkoming
                    is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op verzoek van een groot aantal
                    gemeenten als reactie op de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage
                    waardoor de netto raadsvergoeding vermindert. De tegemoetkoming kan worden
                    gezien als een compensatie hiervoor.</al><al/><tussenkop>Artikel 13b Voorzieningen raadsleden bij tijdelijk ontslag wegens
                    zwangerschap en bevalling of ziekte</tussenkop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de
                    Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij</al><al>opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van
                    dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Reiskosten woon/werk en 16 Zakelijke reiskosten
                    wethouders</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding € 0,15 per afgelegde
                    kilometer (norm per 1 juli 2008).</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto vergoed naar € 0,37 per
                    afgelegde kilometer (norm per 1 juli 2008). De kilometervergoeding is belast,
                    voor zover die meer bedraagt dan € 0,19.</al><al>Voor de fiscus is uitgangspunt dat zakelijke kilometers, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel, tot en met € 0,19 onbelast kunnen worden verstrekt. Vergoedingen
                    die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het Handboek
                    loonheffingen 2010 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing,
                    voor zover ze loon zijn.</tussenkop><al>De kilometers voor het woon-werkverkeer worden fiscaal gerekend tot de zakelijke
                    kilometers.</al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen.</al><al>Dat betekent het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>de vergoeding voor dienstreizen is voor € 0,18 per kilometer belast (€
                            0,37 minus € 0,19) </al></li><li nr="-"><al>de vergoeding voor woon/werkverkeer bedraagt € 0,15 per km en is dus
                            onbelast; er resteert een marge van € 0,04 tot het fiscaal vrije bedrag
                            van € 0,19 per km.</al></li></lijst><al>Onderstaand voorbeeld laat zien hoe de salderingsregeling werkt:</al><tussenkop>De reiskostenvergoeding die een wethouder in enig kalenderjaar ontvangt
                    bedraagt € 890,- bestaande uit:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al><cursief>een vergoeding voor 1.000 km woon-werkverkeer a € 0,15 = €
                                150,-</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>een vergoeding voor 2.000 km wegens dienstreizen a € 0,37 = €
                                740,-</cursief></al></li></lijst><al><cursief>Zonder </cursief><cursief>saldering</cursief><cursief> is een bedrag
                        van 2.000 x € 0,18 = </cursief><vet><cursief>€
                        360,-</cursief></vet><cursief> fiscaal belast.</cursief></al><al><cursief>Saldering</cursief><cursief> geeft het volgende resultaat: de totale
                        reiskostenvergoeding (€ 890,-) gedeeld door het totaal aantal kilometers
                        (3.000) betekent een gemiddelde vergoeding van € 0,30 per km. Het fiscaal
                        belaste bedrag is nu 3.000 x € 0,11 (€ 0,30 minus € 0,19) =
                            </cursief><vet><cursief>€ 330,-</cursief></vet><cursief>.
                    </cursief></al><al>Afhankelijk van de verhouding in de soorten kilometers kan saldering in enig
                    kalenderjaar leiden tot een volledig onbelaste vergoeding.</al><al>De salderingsmogelijkheid mag alleen worden toegepast, indien formeel in de
                    verordening vastgelegd. Bovendien moet worden aangesloten bij de
                    salderingsregeling die geldt voor de medewerkers van de gemeente Wijk bij
                    Duurstede. Zou die regeling er niet zijn geweest, dan zou de salderingsregeling
                    voor het rijkspersoneel gelden. </al><al>Bij de saldering mogen ook worden betrokken de kilometers die betrekking hebben
                    op:</al><lijst><li nr="-"><al>het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in geld is
                            ontvangen </al></li><li nr="-"><al>kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake is van
                            vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor een
                            vergoeding heeft ontvangen.</al></li></lijst><al>Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel dat na
                    saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op basis
                    van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient uiterlijk
                    plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar. Saldering na
                    afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel kalenderjaar is
                    mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In verband daarmee
                    wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van voorschot
                    uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van
                    de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te worden
                    uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de
                    daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Dienstauto</tussenkop><al>P.M. </al><al/><tussenkop>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis wethouders en
                    commissieleden</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld (zie de Toelichting algemeen, paragraaf Controle en verantwoording,
                    2<sup>e</sup> alinea). Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het
                    college over buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van
                    derden.</al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende) privéreis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 22 mobiele telefoon wethouders</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                    mobiele telefoon, een smartphone en een BlackBerry geheel onbelast als het
                    zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component van 9% voor telefoonkosten
                    opgenomen (per 1 januari 2010: 9% x € 614,45 = € 55,30). Bij het verstrekken van
                    een mobiele telefoon c.a. kan sprake zijn van overbedeling. De component
                    telefoonkosten kan om die reden verminderd worden. Anderzijds is ook bij
                    wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor zakelijke doeleinden.
                    Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks bruto een bedrag van € 25,-.
                    Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordt
                    gekort, deze korting tot een bedrag van € 25,- per maand van de bruto
                    onkostenvergoeding achterwege te laten. Per 1 januari 2010 bedraagt de korting
                    dan € 30,30.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling wethouders</tussenkop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens
                    plaatsvindt.</al><al/><tussenkop>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al/><tussenkop>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer
                    CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al/><tussenkop>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie raads- en commissieleden
                    en wethouders</tussenkop><al>In artikel 31 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. Betaling via een
                    gemeentelijke creditcard is niet van toepassing. In de artikelen 32 en 33 is
                    bepaald in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en welke
                    procedurevoorschriften daarbij gelden.</al><al/><tussenkop>Artikel 33: declaratie van vooruitbetaalde kosten</tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden (art. 5 en 6);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art.16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            (art. 19);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders (art. 24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies (art.
                            27).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 34: rechtstreekse facturering bij de gemeente</tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders (art. 7, 20 en 24);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art. 16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van wethouders (art. 24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            (artikel 19).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. Zoals in de
                    meeste gemeenten zijn de wethouders in Wijk bij Duurstede pas later
                    benoemd.</al><al/><al>De inwerkingtreding geldt dientengevolge: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht tot en met 11
                            maart 2010;</al></li><li nr="-"><al>voor de nieuw aangetreden wethouders met terugwerkende kracht tot en met
                            de dag van hun beëdiging, in casu 18 mei 2010.</al></li></lijst><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die benaming is de
                    naam van de verordening: Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                    commissieleden 2012.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>