<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR195139_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Afstemmingsverordening</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1 - Begripsomschrijving</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB; Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="2."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Boxtel;</al></li><li nr="3."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Boxtel;</al></li><li nr="4."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand zoals genoemd in
                                    artikel 5 sub a van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="5."><al>algemene bijstand : de bijstand ter voorziening in de algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan;</al></li><li nr="6."><al>bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 eerste
                                    lid van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="7."><al>bijstandsnorm: de norm zoals gedefinieerd in artikel 5 sub c van
                                    de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="8."><al>Vervallen per 1-1-2012</al></li><li nr="9."><al>belanghebbende: de persoon of het gezin die algemene bijstand,
                                    bijzondere bijstand of de</al></li><li nr="10."><al>langdurigheidstoeslag ontvangt dan wel een persoon die een
                                    uitkering ontvangt krachtens de Anw of de persoon die
                                    niet-uitkeringsgerechtigd is;</al></li><li nr="11."><al>plicht tot arbeidsinschakeling: de verplichtingen genoemd in
                                    artikel 9 eerste lid onder a en b van de Wet werk en
                                    bijstand;</al></li><li nr="12."><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                    sub a. van de wet alsmede als bedoeld in artikel 9 tot en met 17
                                    van de Reïntegratieverordening gemeente Boxtel;</al></li><li nr="13."><al>traject: het geheel van activiteiten gericht op het verkrijgen
                                    van betaalde arbeid, dan wel, ingeval van arbeidsactivering op
                                    het verbeteren van de kwaliteiten van de belanghebbende als
                                    voortraject van een reïntegratietraject;</al></li><li nr="14."><al>inlichtingenverplichting: de verplichtingen genoemd in artikel
                                    17 eerste, tweede en vierde lid van de Wet werk en bijstand en
                                    de artikelen 28 tweede lid en 29 eerst lid van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="15."><al>aanvullende verplichtingen: de, overige, aan de bijstand
                                    verbonden verplichtingen gebaseerd op de artikelen 55, 56 eerste
                                    lid en 57 sub a van de Wet werk en bijstand alsmede de
                                    individueel opgelegde verplichtingen welke in een beschikking
                                    zijn opgenomen;</al></li><li nr="16."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan: het verrichten van handelingen door
                                    belanghebbende dan wel het nalaten daarvan waardoor onnodig een
                                    beroep op de bijstand wordt gedaan of wordt voortgezet;</al></li><li nr="17."><al>Vervallen per 1-1-2012</al></li><li nr="18."><al>maatregel: het gedurende een bepaalde periode, geheel dan wel
                                    gedeeltelijk, verlagen van de bijstand of langdurigheidstoeslag
                                    op grond van het bepaalde in artikel 18 tweede lid van de wet
                                    alsmede op grond van het bepaalde in de
                                    afstemmingsverordening;</al></li><li nr="19."><al>benadelingsbedrag: het netto bedrag dat redelijkerwijs ten
                                    onrechte als bijstand of als langdurigheidstoeslag is of zal
                                    worden verleend als gevolg van het niet tijdig, niet of niet
                                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting, de plicht
                                    tot arbeidsinschakeling of overige verplichtingen dan wel als
                                    gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het
                                    benadelingsbedrag wordt bruto vastgesteld indien de bijstand of
                                    de langdurigheidstoeslag in een ander kalenderjaar is
                                    verstrekt.</al></li></lijst><al>Artikel 2 – (Vervallen per 1-1-2012)</al><al>Artikel 3 - De berekeningsgrondslag</al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand of</al></li></lijst><al>de langdurigheidstoeslag indien:</al><lijst><li nr="1."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="2."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag,
                                    daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Het horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al></li><li nr="1."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="2."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="3."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van een derde aanwie het college met toepassing van
                                    artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft
                                    uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                    verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;</al></li><li nr="4."><al>er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in
                                    artikel 17 van deze verordening.</al></li></lijst><al>Artikel 5 - Het afzien van het opleggen van een maatregel</al><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien</al></li><li nr="1."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="2."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                    gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                    gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                    maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                    opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                    gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst><al>Artikel 6 - De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel</al><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt in beginsel opgelegd met ingang van de eerst
                                    volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                                    tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende
                                    bijstandsnorm, zoals die gold binnen de eerste maand waarin de
                                    verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, onder toepassing van een
                                    herzienings- of terugvorderingsbesluit, vanaf de kalendermaand
                                    volgend op de datum van de verwijtbare gedraging</al></li><li nr="3."><al>Een maatregel wordt in beginsel voor bepaalde tijd opgelegd voor
                                    een periode van maximaal drie maanden.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 1 wordt de maatregel bij nieuwe uitkeringen
                                    opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende jegens wie een maatregel moet worden
                                    toegepast niet langer een WWB-uitkering ontvangt van de gemeente
                                    die de verlaging moet toepassen, dan heeft het college de
                                    bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe bijstandsaanvraag binnen
                                    6 maanden na de beëindigingdatum van het vorige recht op
                                    bijstand alsnog rekening te houden met de eerdere
                                    maatregelwaardige gedraging.</al></li></lijst><al>Artikel 7 - De heroverweging van de hoogte en/of duur van een
                            maatregel</al><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden
                                    wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze
                                    ten uitvoer is gelegd heroverwogen.</al></li><li nr="2."><al>2 In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                    beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en
                                    het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluitentot
                                    herziening, beëindiging of voortzetting van de maatregel.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de
                                    maatregel het percentage van de maatregelverdubbelen, tenzij
                                    reeds het maximum percentage is vastgesteld, rekening houdend
                                    met de ernstvan de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    individuele omstandigheden van debelanghebbende.</al></li></lijst><al>Artikel 8 - Recidive, samenloop en geïndividualiseerde
                            maatregeloplegging</al><lijst><li nr="1."><al>De duur van een maatregel als bedoeld in artikel 2 van deze
                                    verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                    binnen twaalf maanden na bekendmaking van een sluit waarbij een
                                    maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                    verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie dan wel
                                    met een zelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in
                                    Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening. Met een besluit waarmee
                                    een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om
                                    daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in
                                    artikel 5 tweede lid van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in
                                    het eerste lid, wederom schuldig maakt aan verwijtbare
                                    gedragingen van dezelfde of een hogere categorie dan wel met
                                    eenzelfde of een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in
                                    Hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening, én die plaatsvinden
                                    binnen een periode van 12 maanden na het laatste
                                    maatregelrecidivebesluit, kan het college al individualiserend
                                    de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel
                                    vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                                    gelijksoortige dan wel ongelijksoortige, verwijtbare gedragingen
                                    zoals genoemd in artikel 2 eerste lid van deze verordening en
                                    die tegelijkertijd of binnen een korte periode van maximaal twee
                                    maanden plaatsvinden, kan het college al individualiserend de
                                    hoogte en de duur van de op te leggen maatregel
                                    vaststellen.</al></li><li nr="4."><al>Bij de beoordeling van de hoogte en de duur van een
                                    geïndividualiseerde maatregel houdt het college nadrukkelijk
                                    rekening met het benadelingsbedrag dat redelijkerwijs als gevolg
                                    toegerekend kan worden aan het verwijtbaar handelen of nalaten
                                    van een belanghebbende.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID DAN WELAAN VOORZIENINGEN
                            GERICHT OP ARBEIDSINSCHAKELING OF ARBEIDSACTIVERING</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9 - Indeling in categorieën</al><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="1."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie;</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een
                                    aangegeven plaats en tijd teverschijnen in verband met de
                                    inschakeling in de arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling dan wel aan een
                                    onderzoek naar de geschiktheid voor scholing, opleiding of
                                    arbeidsactivering;</al></li><li nr="3."><al>het niet-voldoen aan nadere verplichtingen die aan de bijstand
                                    verbonden kunnen worden door het college, als bedoeld in artikel
                                    55 WWB.</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden in de periode
                                            voorafgaande aan de aanvraag tot bijstandsverlening dan
                                            wel na de datum van aanvraag;</al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld
                                            in artikel 9 eerste lid sub b en artikel 10 eerste lid
                                            van de wet, waaronder begrepen arbeidsactivering, als
                                            dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                            voortijdige beëindiging van het traject.</al></li><li nr="3."><al>gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren; (onderdeel d toegevoegd per 1-1-2012)</al></li><li nr="4."><al>het niet voldoen aan de aan de ontheffing verbonden
                                            re-integratieverplichtingen die een alleenstaande ouder
                                            heeft indien hem op grond van artikel 9a WWB 2012 een
                                            ontheffing van de arbeidsplicht is verleend en dit niet
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                                            beëindiging van het traject;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld
                                            in artikel 9 eerste lid sub b en artikel 10 eerste lid
                                            van de wet, waaronder begrepen arbeidsactivering, als
                                            dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                            voortijdigebeëindiging van het traject;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.(onderdeel d toegevoegd per
                                            1-1-2012)</al></li><li nr="4."><al>Het niet voldoen aan de aan de ontheffing verbonden
                                            re-integratieverplichtingen die een alleenstaande ouder
                                            heeft indien hem op grond van artikel 9a WWB 2012 een
                                            ontheffing van de arbeidsplicht is verleend en dit heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                                            beëindiging van het traject;</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 10 - Hoogte en duur van de maatregel bij een eerste verwijtbare
                            gedraging</al><al>Onverminderd artikel 2 tweede lid van deze verordening wordt de
                            maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="2."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="3."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="4."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst><al>Artikel 11 - De tijdelijke uitsluiting van een aanspraak op een
                            voorziening</al><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende verwijtbaar nalatig blijft bij de
                                    nakoming van:</al></li><li nr="1."><al>zijn reïntegratieverplichting als bedoeld in artikel 7 tweede
                                    lid van de reïntegratieverordening;</al></li><li nr="2."><al>de verplichtingen die voortvloeien uit de WWB, de Wet structuur
                                    uitvoering werk en inkomen en de reïntegratieverordening;</al></li><li nr="3."><al>de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                    heeft verbonden, kan het college beslissen dat een
                                    belanghebbende tijdelijk uitgesloten wordt van een aanspraak op
                                    een voorziening.</al></li><li nr="4."><al>Artikel 4 inzake het horen van belanghebbende en artikel 7
                                    eerste en tweede lid inzake de heroverweging van de hoogte en/of
                                    duur van een maatregel zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 12 - De terugvordering van kosten van een traject ten aanzien
                            van een nietuitkeringsgerechtigde en of ANW-gerechtigde</al><al>Vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- HET NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 13 - Te laat verstrekken van gegevens</al><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting op grond van
                            artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang
                            is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen
                            de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt ten
                            eerste een termijn gegeven van 5 werkdagen om de inlichtingen alsnog te
                            verstrekken. Is de informatie na het verstrijken van de 5 werkdagen niet
                            gegeven dan wordt, met toepassing van artikel 54 van de wet, het recht
                            op bijstand opgeschort en een maatregel opgelegd van 10 % van de
                            bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd artikel 2 tweede lid van
                            deze verordening.</al><al>Artikel 14 - Het niet verstrekken of het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand.</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet, heeft
                                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                    van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2 tweede lid van deze verordening, wordt de
                                    maatregel op de volgende wijze vastgesteld:</al></li><li nr="1."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- :10% van de bijstandsnorm
                                    gedurende een maand;</al></li><li nr="2."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000, -: 20% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="3."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000, -: 40% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="4."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- tot het bedrag van de
                                    aangiftegrens van de Richtlijn voor strafvordering sociale
                                    zekerheidsfraude: 100% van de bijstandsnorm gedurende een
                                    maand.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het maatregelbedrag van lid 2 sub a is maximaal
                                    het benadelingsbedrag</al></li></lijst><al>Artikel 15 - Het niet verstrekken of het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand of
                            langdurigheidstoeslag</al><lijst><li nr=""><al>1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 van de wet, niet
                                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van bijstand,bedraagt de maatregel, onverminderd
                                    artikel 2 tweede lid van deze verordening, tien procent van de
                                    bijstand gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college, indien het niet
                                    of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet
                                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van bijstand of een langdurigheidstoeslag, afzien van
                                    het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een
                                    schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de verplichting heeft plaatsgevonden binnen een
                                    periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder
                                    aan de belanghebbende eenschriftelijke waarschuwing is
                                    gegeven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 16 - Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de
                                    wet,uitgezonderd de situatie zoals omschreven in lid 3, wordt
                                    een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                    recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2 tweede lid, wordt de maatregel op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een periode van 3 maanden of korter : 10% van de
                                            bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="2."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden : 10% van de
                                            bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al></li><li nr="3."><al>bij een periode van 6 maanden en langer : 10% van de
                                            bijstandsnorm gedurende zes maanden;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet, door
                                    vermogen te snel in te teren, wordt de bijstand verstrekt in de
                                    vorm van een geldlening met inachtneming van het bepaalde in
                                    artikel 48 van de wet.</al></li><li nr="4."><al>In de situatie zoals omschreven in lid 3 wordt de bijstand ter
                                    hoogte van 100 % van de voor belanghebbende geldende
                                    bijstandsnorm verstrekt in de vorm van een geldlening gedurende
                                    de periode waarin hij, naar het oordeel van het college,
                                    redelijkerwijs had kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten
                                    van het bestaan, gelet op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Op de in lid 4 bedoelde verstrekte bijstand zal een inhouding
                                    plaatsvinden van 10 % ter aflossing van de geldlening vanaf de
                                    eerste van de maand waarin de bijstand in de vorm van geldlening
                                    wordt verstrekt.</al></li><li nr="6."><al>Na de periode van leenbijstand wordt het recht op bijstand om
                                    niet voortgezet en zal 10 % van de bijstandsnorm worden
                                    aangewend voor aflossing van de verstrekte leenbijstand.</al></li><li nr="1."><al>In geval van een verstrekking in het kader van bijzondere
                                    bijstand conform artikel 35 WWB kan van verantwoordelijkheid in
                                    de voorziening van het bestaan.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel is gelijk aan de hoogte van het benadelingsbedrag
                                    voor de gemeente en voor duur dat de belanghebbende het
                                    benadelingsbedrag had kunnen ontvangen.</al></li></lijst><al>Artikel 17 - Zeer ernstige misdragingen (lid 2 t/m 4
                            gewijzigd/toegevoegd per 1-1-2012)</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    het college of de in zijn opdracht werkende ambtenaren, onder
                                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering
                                    van de wet, als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet,
                                    wordt onverminderd artikel 2 tweede lid van deze verordening, al
                                    individualiserend een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Bij zeer ernstige misdragingen kan onderscheid gemaakt worden
                                    in:</al><lijst><li nr="1."><al>Het toebrengen van letsel aan personen en / of schade
                                            aan goederen of een poging daartoe middels fysiek geweld
                                            in de vorm van duwen, trekken, schoppen, slaan, gooien
                                            met voorwerpen, spugen.</al></li><li nr="2."><al>Het bedreigen van een medewerker met fysiek geweld,
                                            waaronder begrepen het hiertoe aanstalten maken.</al></li><li nr="3."><al>Het uitschelden van een medewerker</al></li></lijst></li></lijst><al>3. </al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 17, tweede lid, onderdeel a
                                    bedraagt een bedrag gelijk aan 100 % van de norm gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 17, tweede lid, onderdeel b
                                    bedraagt een bedrag gelijk aan 50 % van de norm gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 17, tweede lid, onderdeel c
                                    bedraagt een bedrag gelijk aan 20 % van de norm gedurende één
                                    maand.</al><al>4Bij zeer ernstige misdragingen door cliënten van de afdeling
                                    Sociale Zaken worden eveneens de richtlijnen voor agressie
                                    gevolgd zoals verwoord in het “Handboek veiligheid”, onderdeel
                                    “Het omgaan met agressie”.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4a</nr><titel>REGELINGEN IN VERBAND MET DE WIJZIGINGEN IN DE WWB EN INTREKKING WIJ
                            2012. (Toegevoegd per 1-1-2012)</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 17 a - Wijziging betekenis begrippen. (Toegevoegd per
                            1-1-2012)</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                    ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze
                                    vanaf de datum van de inwerkingtreding van de wetswijziging
                                    dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                    ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf de datum van de
                                    inwerkingtreding van de wetswijziging dezelfde betekenis als
                                    ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’,
                                    bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al><al>Artikel 17 b - Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak
                                    (Toegevoegd per 1-1-2012)</al><al>Onder ‘gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid
                                    belemmeren’ als bedoeld in artikel 9 lid</al><al>3 sub 3 , wordt vanaf de datum van de inwerkingtreding van de
                                    wetswijziging mede verstaan: het</al><al>onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel
                                    evalueren van een plan van aanpak.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 18 - Overgangsbepaling</al><al>Deze verordening is ook van toepassing op gedragingen die voor
                            inwerkingtreding van deze</al><al>verordening hebben plaats gevonden, voor zover aan belanghebbende, met
                            toepassing van de</al><al>artikelen 14 tot en met 14f van de Algemene bijstandswet, een maatregel
                            of boete opgelegd had</al><al>kunnen worden, als deze bepalingen van kracht zouden zijn gebleven.</al><al>Artikel 19 - Intrekking eerdere verordening</al><al>De eerder op 11 november 2004 vastgestelde Afstemmingsverordening onder
                            besluitnummer</al><al>0410538 intrekken met ingang van 1 maart 2006 .</al><al>Artikel 20 - De inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van acht dagen na de datum</al><al>van publicatie, doch niet voor 1 maart 2006.</al><al>Artikel 21 - Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening
                            gemeente Boxtel.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ DE AFSTEMMINGSVERORDENING GEMEENTE BOXTEL</titel></kop><tussenkop>I ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB komt het systeem van boeten en maatregelen
                    van de</al><al>Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt in het
                    Maatregelenbesluit en</al><al>het Boetebesluit sociale zekerheidswetten) te vervallen. In plaats daarvan
                    zullen gemeenten zelf hun</al><al>sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent slechts één soort sanctie: het
                    verlagen van een</al><al>uitkering middels een maatregel op de bijstand dan wel de langdurigheidstoeslag.
                    De boete als</al><al>punitatieve sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht
                    hebben geschonden,</al><al>verdwijnt.</al><al>Artikel 8 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast</al><al>te leggen. Het gaat dan om het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                    18 wwb. Dit artikel luidt:</al><al>1.Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de
                    omstandigheden,</al><al>mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</al><al>2.Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                    besef van</al><al>verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit
                    deze wet dan wel</al><al>de artikelen 28 tweede lid of 29 eerste lid van de Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en</al><al>inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder
                    begrepen het zich</al><al>jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig
                    de verordening,</al><al>bedoeld in artikel 8 eerste lid sub b, de bijstand. Van een verlaging wordt
                    afgezien indien elke</al><al>vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>3.Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een
                    door hem te</al><al>bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.</al><al>4.Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan
                    het gezin. In het</al><al>eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en
                    de daaraan</al><al>verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van
                    de</al><al>belanghebbende.</al><al>In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                    uitkering en de daaraan</al><al>verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan</al><al>de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden.</al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                    verplichtingen van uitkeringsgerechtigden:</al><al>het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten
                    om</al><al>weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling
                    van de hoogte van de</al><al>uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de</al><al>belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in</al><al>onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dan dus geen sprake
                    van een</al><al>bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt,</al><al>ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te</al><al>stellen verordening. Dit is de afstemmingsverordening.</al><tussenkop>De reikwijdte van de afstemmingsverordening</tussenkop><al>Opgemerkt wordt dat de wetgever er nadrukkelijk voor gekozen heeft om de
                    rechtswerking van de</al><al>afstemmingsverordening te beperken tot de WWB. De afstemmingsverordening is
                    derhalve niet van</al><al>toepassing op de Ioaw en de Ioaz. Voor deze twee regelingen blijft het
                    Maatregelenbesluit Abw, Ioaw</al><al>en Ioaz van kracht (zie de Handreiking overgangsrecht, pag. 8, december 2003 van
                    het WIS).</al><al>Voorts zijn er in de WWB geen regels gesteld ten aanzien van zelfstandigen. De
                    regels daarvoor zijn</al><al>beschreven in het Bbz. Ook hiervoor geldt dat de wettelijke grondslag voor het
                    opleggen van een</al><al>maatregel zijn rechtsgrond vindt in artikel 14 Abw en het Maatregelenbesluit
                    Abw, Ioaw en Ioaz. Het</al><al>van kracht worden van de afstemmingsverordening laat dit onverlet (zie de
                    Handreiking</al><al>overgangsrecht, pag. 8, december 2003 van het WIS).</al><tussenkop>Het verlagen van de bijstand</tussenkop><al>Op grond van artikel 18 tweede lid WWB jo. artikel 36 zesde lid WWB heeft de
                    raad de beleidskeuze</al><al>dat zij zowel de bijstand (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere
                    bijstand) als de</al><al>langdurigheidstoeslag kan verlagen.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden
                    opgelegd over de</al><al>10 Toelichting Afstemmingsverordening gemeente Boxtel</al><al>bijstandsnorm (de van toepassing zijnde norm algemene bijstand plus eventuele
                    toeslagen).</al><al>De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21
                    jaar. Deze groep</al><al>ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel
                    van aanvullende</al><al>bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen
                    op de lage</al><al>jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de groep 21-</al><al>jarigen en ouder.</al><al>In de verordening is het mogelijk gemaakt om slechts in incidentele gevallen een
                    maatregel toe te</al><al>passen op de langdurigheidstoeslag.</al><al>De keuze om niet in zijn algemeenheid maatregelen toe te passen op de
                    langdurigheidstoeslag houdt</al><al>verband met artikel 36 eerste lid sub c WWB. Op grond van deze bepaling dient
                    het college een</al><al>aanvraag voor een langdurigheidstoeslag af te wijzen als iemand gedurende 60
                    maanden (= vijf jaar)</al><al>naar het oordeel van het college onvoldoende heeft getracht algemeen
                    geaccepteerde arbeid te</al><al>verkrijgen en aanvaarden. Deze afwijzingsgrond verhoudt zich niet met een
                    eventuele bevoegdheid</al><al>deze toeslag te verlagen.</al><al>Het ligt niet voor de hand om niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen
                    voor een</al><al>langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting die zij
                    kunnen schenden in</al><al>verband met de langdurigheidstoeslag is het verstrekken van geen of onvoldoende
                    gegevens</al><al>waardoor het college de rechtmatigheid van het verlenen van deze uitkering niet
                    kan vaststellen. De</al><al>sanctie die hierop rust is niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag, maar
                    het afwijzen van de</al><al>aanvraag van deze toeslag.</al><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens</al><al>schending van een of meer verplichtingen ook niet in de rede. Wel kan bij de
                    beoordeling of iemand in</al><al>aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn
                    verplichtingen in</al><al>voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende
                    besef van</al><al>verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. Wanneer deze
                    verplichting niet of</al><al>onvoldoende wordt nagekomen, stemt het college het recht op bijzondere bijstand
                    af gedurende de</al><al>periode dat de belanghebbende het benadelingsbedrag had kunnen ontvangen.</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Indien er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door te
                    snel interen van</al><al>vermogen en daardoor eerder bijstandsafhankelijk worden, wordt de bijstand
                    verleend in de vorm van</al><al>een geldlening gedurende de periode die van toepassing zou zijn bij verantwoord
                    interen van</al><al>vermogen.</al><al>Hierdoor wordt er geen financieel voordeel behaald door vermogen te snel in te
                    teren. Men moet</al><al>de geldlening immers terugbetalen middels inhouding op de uitkering, die vanaf
                    het moment van</al><al>bijstandsverlening van start gaat.</al><tussenkop>De invoeringstermijn en overgangsregeling</tussenkop><al>Gemeenten hadden tot 1 januari 2005 de tijd om de afstemmingsverordening vast te
                    stellen. Tot het</al><al>moment dat de afstemmingsverordening van kracht werd, bleven de artikelen 14 tot
                    en met 14f van de</al><al>Abw in de gemeente gelden. Dit geldt ook voor het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw
                    en Ioaz en het</al><al>Boetebesluit sociale zekerheidswetten.</al><al>De afstemmingsverordening had onmiddellijke werking. Dit betekende dat alle
                    maatregelen die waren</al><al>opgelegd op grond van de Abw golden als maatregelen die waren opgelegd op grond
                    van de WWB en</al><al>de afstemmingsverordening op basis van deze wet. Tegelijkertijd dient opgemerkt
                    te worden dat aan</al><al>een belanghebbende eerst via een zogenaamde omzettingshercontrole de
                    verplichtingen van de</al><al>WWB dienen te worden opgelegd, alvorens het college een maatregelbesluit kan
                    nemen indien een</al><al>belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt.</al><al>Bovendien is de afstemmingsverordening van toepassing op gedragingen die zich
                    vóór de</al><al>inwerkingtreding van deze verordening hebben voorgedaan wanneer het gaat om de
                    niet-nakoming</al><al>van de inlichtingenverplichting en tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid als bedoeld in</al><al>hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening.</al><al>Uitzondering hierop vormen zeer ernstige misdragingen jegens het college (en
                    jegens hen die belast</al><al>zijn met de uitvoering van de wet). Op grond van de Abw kon naar aanleiding van
                    dergelijke</al><al>gedragingen geen maatregel worden opgelegd. Dit betekent dat alleen zeer
                    ernstige misdragingen</al><al>van cliënten die plaatsvinden nadat de gemeentelijke afstemmingsverordening van
                    kracht is</al><al>geworden, kunnen leiden tot maatregeloplegging.</al><tussenkop>Regelen in de verordening of in beleidsregels</tussenkop><al>In de afstemmingsverordening is bij de invulling van een aantal artikelen met
                    betrekking tot individuele</al><al>afstemming van maatregelen de mogelijkheid opengelaten voor een nadere invulling
                    middels beleidsregels</al><al>van het college indien dit noodzakelijk mocht blijken in verband met de eisen
                    van rechtsgelijkheid</al><al>en rechtszekerheid.</al><tussenkop>(toegevoegd per 1-1-2012)</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Achtergrond</tussenkop><al>Vermoedelijk treedt op 1-1-2012 de wetswijziging ‘Wet tot wijziging van de Wet
                    werk en bijstand en</al><al>samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname</al><al>aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                    uitkeringsgerechtigden’</al><al>(kortweg: Wet Aanscherping WWB) in werking. Uitgangspunten van deze
                    wetswijziging zijn:</al><al>Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in het
                    bestaan;</al><al>Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet werk en
                    bijstand (WWB);</al><al>Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden;</al><al>Beperking van de doelgroep voor het gemeentelijk minimabeleid.</al><al>Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel
                    van inhoud verandert.</al><al>Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier weken gelden en hebben
                    zij, anders dan onder</al><al>het regime van de Wet investeren in jongeren (WIJ), geen recht meer hebben op
                    een werkleeraanbod,</al><al>maar op begeleiding bij de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg
                    naar economische</al><al>zelfstandigheid.</al><al>Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het afschaffen van de
                    bijstand voor</al><al>inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de creatie van een toets op het
                    huishoudinkomen.</al><al>Voorts worden enkele nieuwe verplichtingen in de WWB opgenomen en wordt de
                    doelgroep voor het</al><al>minimabeleid beperkt tot de groep minima met een inkomen tot 110% van de
                    bijstandsnorm.</al><al>Daarnaast is een verordeningsplicht gecreëerd voor de maatschappelijke
                    participatie van kinderen.</al><tussenkop>Consequenties voor gemeentelijk beleid</tussenkop><al>Mede vanwege intrekking van de WIJ per de datum van inwerkingtreding van de
                    wetswijziging hebben</al><al>de genoemde ontwikkelingen aanzienlijke consequenties voor het gemeentelijk
                    beleid. Deze</al><al>consequenties kunnen als volgt worden gecategoriseerd:</al><al>De WIJ-verordeningen vervallen per de datum van inwerkingtreding van de
                    wetswijziging. Doordat de</al><al>WIJ wordt ingetrokken, vervallen de daarop gebaseerde verordeningen eveneens per
                    de datum van</al><al>inwerkingtreding van de wetswijziging1. Jongeren vallen door de wetswijziging
                    voortaan onder het</al><al>WWB-regime (overgangssituaties daargelaten). Dit roept de vraag op of de huidige
                    WWBverordeningen</al><al>adequaat voorzien in het regeltechnisch kader voor jongeren, of dat in die</al><al>verordeningen nog aanpassingen nodig zijn. Dit is een vraag van regeltechnische
                    maar ook van</al><al>beleidsinhoudelijke aard;</al><al>Door herdefiniëring van de leefvormen die als afzonderlijk bijstandssubject voor
                    bijstand in</al><al>aanmerking komen alsmede de totstandkoming van de huishoudtoets wordt de kring
                    van</al><al>rechthebbenden kleiner, hebben meerderjarige kinderen en ouders nog slechts
                    gezamenlijk recht op</al><al>bijstand en treffen misdragingen van deze belanghebbenden het gezamenlijk
                    inkomen. Dit heeft</al><al>gevolgen voor het gemeentelijk toeslagenbeleid, het maatregelenbeleid en het
                    minimabeleid en roept</al><al>de vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst
                    zijn;</al><al>De nieuwe verplichtingen voor bijstandsgerechtigden hebben gevolgen voor het
                    maatregelenbeleid en</al><al>het re-integratiebeleid en roepen evenzeer de vraag op welke aanpassingen aan de
                    verordeningen</al><al>noodzakelijk en/of gewenst zijn;</al><al>De normering van gemeentelijk minimabeleid tot maximaal 110% van de
                    bijstandsnorm kan gevolgen</al><al>hebben voor de doelgroepomschrijving in de verordening langdurigheidstoeslag De
                    normering kan</al><al>tevens consequenties hebben voor andere delen van het minimabeleid.</al><tussenkop>Waarom een Raadsbesluit met tijdelijke regels?</tussenkop><al>De wetswijziging leidt, zoals gezegd, tot de noodzaak om het gemeentelijk beleid
                    op tal van terreinen</al><al>te heroverwegen. Gelet op de zeer korte invoeringstermijn is het echter
                    uitermate lastig om reeds voor</al><al>de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging dit indringende
                    heroverwegingsproces adequaat</al><al>te hebben afgerond én vormgegeven. Daarbij komt dat de aanscherping van de WWB
                    per de datum</al><al>van inwerkingtreding van de wetswijziging niet op zichzelf staat maar een stap
                    is in een proces dat in</al><al>2012 vermoedelijk tot nog een aantal wijzigingen in de WWB zal leiden die nopen
                    tot wijziging van het</al><al>gemeentelijk beleid. Gedacht moet ondermeer worden aan het wetsvoorstel
                    ‘Toevoeging van de eis</al><al>tot beheersing van de Nederlandse taal aan de Wet werk en bijstand’ (w.o. 32
                    328’), de plannen van</al><al>het kabinet betreffende “Aanpak fraude” (Handhavingsprogramma 2011-2014) en
                    uiteraard de Wet</al><al>werken naar vermogen.</al><al>Mede gelet op de uitvoeringstechnische complicaties die kunnen optreden als op
                    beleidsmatig vlak</al><al>keuzes worden gemaakt die tot aanpassingen in de uitvoeringspraktijk leiden, is
                    een keus om de</al><al>overgang naar de nieuwe WWB per 2012 zoveel mogelijk ‘beleids- en
                    uitvoeringsarm’ te laten</al><al>plaatsvinden een logische. Met ‘beleidsarm’ wordt bedoeld dat het huidige
                    gemeentelijk beleid zoveel</al><al>mogelijk in stand wordt gelaten dan wel dat slechts het minimaal noodzakelijke
                    aan nieuw of gewijzigd</al><al>beleid wordt vastgesteld. Een en ander in afwachting van een diepgaander
                    integrale heroverweging in</al><al>2012.Onder ‘uitvoeringsarm‘ wordt verstaan dat daar waar noodzakelijke
                    aanpassingen in het beleid</al><al>plaatsvinden, dit op de minst belastende wijze voor wat betreft de uitvoering
                    plaatsvindt. Bij deze</al><al>1 Intrekking van een regeling brengt mee dat de op die regeling gebaseerde
                    uitvoeringsregelingen van</al><al>rechtswege vervallen, tenzij voor die regelingen een nieuwe wettelijke grondslag
                    in het leven wordt geroepen (zie Aanwijzingen</al><al>voor de Regelgeving, A. 243). Uitvoeringsregelingen van een ingetrokken wet
                    behoeven dus niet uitdrukkelijk te worden</al><al>ingetrokken (zie ook A. 227).</al><al>uitgangspunten past dat thans niet alle WWB-verordeningen separaat worden
                    gewijzigd en in een</al><al>bestuurlijk wijzigingstraject worden geplaatst, maar dat slechts daar waar dat
                    strikt noodzakelijk is</al><al>aanpassingen aan de verordeningen plaatsvinden die middels één Raadsbesluit
                    worden</al><al>geëffectueerd. Met het thans voorliggende Raadsbesluit wordt dat beoogd.</al><tussenkop>Wat is de status van het tijdelijk Raadsbesluit?</tussenkop><al>Het Raadsbesluit heeft formeel gezien het karakter van een
                    wijzigingsverordening, dwz. zij brengt met</al><al>haar vaststelling door de gemeenteraad een wijziging in de inhoud en betekenis
                    van een aantal</al><al>verordeningen teweeg. Met de term ‘besluit’ wordt in dit Raadsbesluit overigens
                    niet gedoeld op het</al><al>begrip ‘besluit’, bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit
                    Raadsbesluit bevat</al><al>algemeen verbindende voorschriften.</al><al>Het Raadsbesluit is tijdelijk van aard, d.w.z. gericht op het faciliteren van de
                    met de genoemde</al><al>wetswijziging minimaal noodzakelijke aanpassingen in de gemeentelijke
                    verordeningen. De intentie is</al><al>erop gericht om in 2012 het gemeentelijk bijstandsbeleid integraal te
                    heroverwegen. De verwachting is</al><al>dat dit in 2012 zal leiden tot een inhoudelijke aanpassing van de betreffende
                    verordeningen. In dit</al><al>Raadsbesluit wordt geen gebruik gemaakt van een zgn. ‘horizonbepaling’, die de
                    duur van de</al><al>verordening vaststelt op een concrete periode (bijv. tot 1 januari 2013). De
                    ontwikkelingen binnen de</al><al>sociale zekerheid zijn nog te ongewis om met zekerheid te kunnen vaststellen dat
                    een integrale</al><al>heroverweging van het lokale sociale zekerheidsbeleid voor een bepaalde datum is
                    afgerond.</al><al>Bij de vormgeving van dit Raadsbesluit is ernaar gestreefd om zoveel mogelijk
                    recht te doen aan de</al><al>Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving van de VNG.</al><tussenkop>Gelijkstellingsbepaling</tussenkop><al>In dit Raadsbesluit wordt bij elke te wijzigen verordening een bepaling
                    voorgesteld die regelt dat de</al><al>begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ per de datum van
                    inwerkingtreding van de</al><al>wetswijziging in die verordening dezelfde betekenis hebben als in de gewijzigde
                    WWB. Uit een</al><al>oogpunt van duidelijkheid is dit opgenomen. Vervolgens is bepaald dat voor
                    ‘gehuwden’ en</al><al>‘gehuwdennorm’ moet worden gelezen en ‘gezin’ resp. ‘gezinsnorm’, om daarmee te
                    verduidelijken</al><al>dat onder het nieuwe regime niet meer de gehuwden maar het gezin de norm is
                    waarmee gewerkt</al><al>moet worden.</al><tussenkop>Geen voorstel voor aanpassing Verordening Cliëntenparticipatie en
                    Handhavingsverordening</tussenkop><al>Hoewel het denkbaar is dat door intrekking van de WIJ ook de Verordening
                    Cliëntenparticipatie en de</al><al>Handhavingsverordening worden geraakt, worden binnen het kader van dit
                    Raadsbesluit voor die</al><al>verordeningen geen wijzigingsbesluiten genomen. Voor de Verordening
                    Cliëntenparticipatie geldt dat</al><al>het intrekken van de WIJ er op zichzelf niet toe leidt dat er een wijziging
                    plaatsvindt in de wijze waarop</al><al>jongeren betrokken zijn bij de uitvoering van de wet en deelnemen aan
                    cliëntenparticipatie. Wel</al><al>moeten er formeel gesproken enkele tekstuele aanpassingen plaatsvinden, nu de
                    WIJ per de datum</al><al>van inwerkingtreding van de wetswijziging ingetrokken wordt. Omdat het belang
                    daarvan gering is en</al><al>de verordening weinig algemeen verbindend voorschriften bevat maar meer het
                    karakter van een</al><al>interne reglementering heeft, is het verantwoord om met aanpassing te wachten
                    tot invoering van de</al><al>Wet werken naar vermogen, die ingrijpende consequenties kan hebben op het
                    gemeentelijk</al><al>cliëntenbestand.</al><al>Met betrekking tot de handhaving van de WIJ geldt dat er geen afwijkende
                    regeling gold ten opzichte</al><al>van de handhaving van de WWB. Omdat er slechts enkele algemeen verbindende
                    voorschriften</al><al>voorkomen en deze inhoudelijk geen wijziging ondergaan als gevolg van intrekking
                    van de WIJ, is het</al><al>evenzeer verantwoord om eerst in 2012 tot een herziening van de verordening over
                    te gaan.</al><al>De wetgever heeft in het wetsvoorstel overgangsrecht opgenomen in artikel 78.
                    Cliënten die op de</al><al>dag voor inwerkingtreding van de wetswijziging al uitkering ontvangen kunnen de
                    uitkering op basis</al><al>van de huidige norm behouden tot uiterlijk 1-7-2012. Per 1-7-2012 moeten alle
                    uitkeringen omgezet</al><al>zijn naar de nieuwe wet en daarbij behorende normen, rechten en plichten.</al><al>Dat betekent ook, dat de bestaande gemeentelijke verordeningen van toepassing
                    blijven zoals ze</al><al>golden op de dag voor de inwerkingtreding van de wetswijziging voor cliënten die
                    onder het</al><al>overgangsrecht van artikel 78 onderdeel s en t van de wet vallen voor de duur
                    dat het overgangsrecht</al><al>van toepassing is. Een overgangsbepaling in de verordening is daarom niet
                    nodig</al><tussenkop>II ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><al>Artikel 1. Begripsomschrijving</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de</al><al>omschrijving in de WWB. Gekozen is voor een uitgebreide begripsomschrijving
                    opdat de samenhang</al><al>van deze verordening met de reïntegratieverordening en de WWB duidelijk
                    zichtbaar wordt op het</al><al>niveau van de toepasselijke begrippen.</al><al>Artikel 2. (vervallen per 1-1-2012)</al><al>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag heeft de raad de beleidskeuze de
                    maatregel op te</al><al>leggen over de bijstand exclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging en
                    inclusief vakantietoeslag of</al><al>over de volledige bijstandsnorm.</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm.</al><al>Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief
                    gemeentelijke toeslag of</al><al>verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In dit lid is het zojuist genoemde uitgangspunt nader uitgewerkt voor twee
                    bijzondere situaties.</al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt</al><al>aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien</al><al>de maatregel alleen op de lage jongerennorm ad € 199,83 (peildatum 01-01-2004)
                    wordt opgelegd,</al><al>zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een maatregel</al><al>oplegt over de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel
                    een verband bestaan</al><al>tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand
                    of de</al><al>langdurigheidstoeslag.</al><al>Artikel 4. Het horen van belanghebbende</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende</al><al>verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter
                    niet bij de voorbereiding</al><al>van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak indien:</al><al>a.tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan
                    worden</al><al>ingesteld, en</al><al>b.de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan
                    kunnen</al><al>worden gemaakt.(artikel 4:12 Awb).</al><al>Omdat ook tegen maatregelbesluiten bezwaar en beroep mogelijk zijn waarbij de
                    eerdere</al><al>rechtsgevolgen ongedaan kunnen worden gemaakt, is het strikt wettelijk gezien
                    niet verplicht om een</al><al>belanghebbende vooraf te horen. Het college heeft bij de voorbereiding van een
                    maatregelbesluit</al><al>aldus de beleidskeuze om belanghebbende vooraf wel of niet te horen. In dit
                    artikel kiest de raad er</al><al>nadrukkelijk voor dat het college een belanghebbende vooraf hoort vóórdat een
                    maatregel wordt</al><al>opgelegd.</al><al>De reden hiervoor is dat een actieve benadering van een belanghebbende door het
                    college past</al><al>binnen de benadering van het klantmanagement.</al><al>Daarnaast draagt het vooraf horen van een belanghebbende bij aan het voorkomen
                    van bezwaar- en</al><al>beroepsprocedures doordat op voorhand getracht wordt zoveel mogelijk
                    eenduidigheid te verkrijgen</al><al>over de feitelijke juistheid van de vermeende verwijtbare gedraging in verband
                    met de beoordeling van</al><al>de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid, eventuele verschoonbare
                    omstandigheden en</al><al>eventuele persoonlijke omstandigheden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook</al><al>genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Artikel 5. Het afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel is deels wettelijk geregeld in
                    artikel 18 tweede lid,</al><al>laatste zin WWB (zie de toelichting bij het eerste lid), deels overgelaten aan
                    de beleidsvrijheid van de</al><al>Raad (zie de toelichting bij het tweede lid).</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In sub a van het eerste lid van dit artikel is bepaald dat wordt afgezien van
                    het opleggen van een</al><al>maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt’; dit is tevens
                    geregeld in artikel 18 tweede</al><al>lid WWB.</al><al>Deze rechtsregel bevestigt het uitgangspunt van maatregeloplegging zoals dat
                    reeds gold onder de</al><al>Abw en zoals dat thans in artikel 18 WWB en artikel 2 van deze verordening is
                    vastgelegd, namelijk</al><al>dat maatregeloplegging als een algemene verplichting geldt voor het
                    college.</al><al>De beleidsvrijheid die de WWB aan het college laat, betreft de duur en de hoogte
                    van de verlaging en</al><al>nadrukkelijk niet het punt òf een maatregel opgelegd dient te worden, gegeven
                    een verwijtbare</al><al>gedraging van een belanghebbende.</al><al>In sub b van het eerste lid van dit artikel is een andere reden aangegeven om af
                    te zien van het</al><al>opleggen van een maatregel, namelijk wanneer de gedraging te lang geleden heeft
                    plaatsgevonden</al><al>(verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een
                    maatregel spoedig nadat de</al><al>gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college</al><al>geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten</al><al>onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend,
                    geldt in de verordening</al><al>een verjaringstermijn van vijf jaar.</al><al>Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e van
                    de Algemene</al><al>bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van
                    de</al><al>inlichtingenplicht.</al><al>Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het</al><al>feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                    (het</al><al>benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Onder het regiem van de Abw (artikel 14 vierde lid Abw) had het college de
                    bevoegdheid om wegens</al><al>dringende redenen af te zien van maatregeloplegging.</al><al>In de WWB is dit niet meer wettelijk geregeld maar overgelaten aan de
                    beleidsvrijheid van de raad in</al><al>het kader van de afstemmingsverordening.</al><al>De raad maakt gebruik van haar beleidsvrijheid om in dit lid te bepalen dat
                    indien dringende redenen</al><al>aanwezig zijn, het college kan afzien van het opleggen van een maatregel.</al><al>Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                    niet op voorhand</al><al>worden vastgelegd. De raad is daarom van mening dat als leidraad voor de
                    invulling van het begrip</al><al>”dringende redenen” het beste aangesloten kan worden bij de jurisprudentie van
                    de bestuursrechter</al><al>ter zake van dit begrip in het bijstandsrecht.</al><al>Voorbeelden hiervan in het kader van de herzienings- en
                    terugvorderingsjurisprudentie van</al><al>rechtbanken en de CRvB die ook van betekenis kunnen zijn voor maatregeloplegging
                    zijn:</al><al>-dat dringende redenen nadrukkelijk betrekking hebben op de gevolgen die een
                    bepaald</al><al>besluit heeft voor een belanghebbende, gelet op zijn persoonlijke
                    omstandigheden.</al><al>Nadrukkelijk zien dringende redenen niet op omstandigheden die betrekking hebben
                    op de</al><al>oorzaak en de verwijtbaarheid van niet-nakoming van een verplichting;</al><al>-dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te kunnen worden dat
                    de dringende</al><al>redenen betrekking hebben op de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of
                    financiële</al><al>consequenties van een besluit voor belanghebbende; de enkele omstandigheid dat
                    een</al><al>belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een besluit is niet als
                    dringende reden</al><al>aan te merken;</al><al>-dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een belanghebbende hierbij
                    een rol</al><al>kunnen spelen; tegelijkertijd behoudt het college de bevoegdheid om hierover
                    nader een</al><al>zelfstandig onderzoek in te stellen.</al><al>(Zie CRvB d.d. 23 mei 2000, in: Sociaal Bestek 2000-nr. 7/8;
                    Voorzieningenrechter CRvB d.d. 12</al><al>maart 2002, in: JABW 2002-nr. 81; CRvB d.d. 26 september 2002, in: JABW 2003-nr.
                    33 en</al><al>Rechtbank Arnhem d.d. 19 februari 2003, in: JABW 2003-nr. 75)</al><al>16 Toelichting Afstemmingsverordening gemeente Boxtel</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel</al><al>wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.
                    Gemeenten hebben de</al><al>opdracht hun klanten zo goed mogelijk te informeren over de verplichtingen die
                    aan de bijstand zijn</al><al>verbonden. Klanten dienen op maat geïnformeerd te worden. Dit maakt onderdeel
                    uit van het</al><al>hoogwaardig handhaven, waarbij handhaving in de bedrijfsvoering is geïntegreerd.
                    Hierdoor zal ook</al><al>de naleving van de verplichtingen grot er worden. Het is daarom dat de klant
                    schriftelijk geïnformeerd</al><al>ook als er wordt afgezien van de maatregel. Dit verder ook van belang bij het
                    bepalen van een</al><al>maatregel waarbij sprake is van recidive.</al><al>Artikel 6. De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                    uitkering.</al><al>De ingangsdatum van een maatregel kan geschieden:</al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en);</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, zonder een herzienings- en
                            terugvorderingsbesluit;</al></li><li nr="3."><al>met terugwerkende kracht met een herzienings - en
                            terugvorderingsbesluit.</al></li></lijst><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat het verlagen van een uitkering in de zeer nabije
                    toekomst dient plaats te</al><al>vinden. Deze methode sluit aan bij de hoofdregel van artikel 3:40 Awb.</al><al>Namelijk dat een beschikking eerst rechtswerking heeft vanaf de datum dat deze
                    is bekend gemaakt.</al><al>Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met
                    ingang van de</al><al>eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de norm zoals die gold
                    in de maand</al><al>waarin de verwijtbare gedraging plaatsvond.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien het opleggen van een maatregel niet meer kan, bijvoorbeeld omdat de
                    uitkering inmiddels is</al><al>beëindigd, kan een maatregel opgelegd worden met terugwerkende kracht, echter
                    alleen met een</al><al>herzieningsbesluit en terugvorderingsbesluit. De maatregel gaat dan in op de
                    eerste van de maand</al><al>volgend op die waarin de gedraging plaatsvond, die aanleiding geeft tot het
                    toepassen van een</al><al>maatregel.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Bij de bepaling van de duur van een maatregel heeft de raad de keuzevrijheid om
                    te bepalen of</al><al>aangesloten wordt bij een stelsel van maatregeloplegging waarvan de duur bepaald
                    wordt tot in</al><al>beginsel de periode waarop een belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt
                    tot het tijdstip</al><al>waarop hij zich wederom aan zijn verplichtingen houdt òf bij een stelsel waarin
                    de duur van een</al><al>maatregel vooraf in duur is bepaald.</al><al>In dit lid wordt vastgesteld bij wijze van hoofdregel te hanteren dat de duur
                    van maatregeloplegging in</al><al>beginsel wordt opgelegd voor bepaalde tijd. Een duidelijk voorbeeld van de
                    uitwerking hiervan staat</al><al>beschreven in artikel 10 van deze verordening.</al><al>Namelijk, dat bij niet-nakoming van de plicht tot arbeidsinschakeling in
                    beginsel een maatregel wordt</al><al>opgelegd voor de duur van een maand voor een bepaald percentage van de geldende
                    bijstandsnorm</al><al>van een belanghebbende.</al><al>Deze beleidskeuze is gebaseerd op de volgende overwegingen:</al><al>-een maatregel dient vanuit zijn aard gericht te zijn op gedragsbeïnvloeding en
                    niet op</al><al>vergelding van verwijtbaar gedrag;</al><al>-de mogelijkheid om te komen tot gedragsbeïnvloeding bij verwijtbaar gedrag,
                    mede met het</al><al>oog op het realiseren van het doel van een traject, is groter naar mate het
                    college vaker en</al><al>indringender contact heeft met een belanghebbende dan wanneer deze contacten
                    worden</al><al>verminderd als gevolg van langdurige maatregeloplegging; deze opvatting sluit
                    aan bij de</al><al>opvatting van de bestuursrechter;</al><al>-een korte en duidelijk in hoogte en duur bepaalde maatregel sluit beter aan bij
                    de Boxtelse</al><al>benadering van klantmanagement dan een langdurige benadering van
                    maatregeloplegging;</al><al>namelijk een actieve begeleiding van klanten bij de nakoming van hun plicht
                    tot</al><al>arbeidsinschakeling naast een hoogwaardig handhavingsbeleid;</al><al>-kortdurende maatregeloplegging heeft een lager afbreukgehalte in bezwaar- ,
                    beroeps- en</al><al>voorlopige voorzieningsprocedures dan langdurige maatregeloplegging; dit is van
                    belang</al><al>mede vanuit het oogpunt om te komen tot beperking van bestuurslast bij de
                    uitvoering van een</al><al>wet alsmede met het oog op de Wet proceskosten bestuurlijke voorprocedure.</al><al>De afwijking van deze hoofdregel is nader bepaald in artikel 7 en 8 van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Door dit lid is het mogelijk om in afwijking van het eerste lid de maatregel bij
                    een nieuw uitkeringsrecht</al><al>direct toe te passen bij aanvang van de uitkering.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Gezien het feit dat de maatregel en het niet nakomen van de aan het recht op
                    uitkering verbonden</al><al>verplichtingen tegenover elkaar dienen te staan, is deze bevoegdheid van het
                    college beperkt. Te</al><al>denken valt in elk geval aan de situatie waarin:</al><al>-jegens belanghebbende reeds een verlaging werd toegepast en voor het einde van
                    de duur</al><al>van de maatregel de bijstand is beëindigd en een nieuwe aanvraag is
                    ingediend;</al><al>-belanghebbende zich na beëindiging ernstig misdraagt jegens het college en
                    vervolgens een</al><al>nieuwe aanvraag indient.</al><al>Artikel 7. De heroverweging van de hoogte en/of duur van een maatregel</al><al>Bij de bepaling van het tijdvak van een maatregel introduceert de WWB voor het
                    eerst nadrukkelijk de</al><al>mogelijkheid om een maatregel voor een langere duur, te weten totdat een
                    belanghebbende zijn</al><al>verwijtbare gedraging heeft hersteld. Indien het college van deze bevoegdheid
                    gebruik maakt, is het</al><al>rechtens verplicht om uiterlijk binnen een periode van drie maanden de opgelegde
                    maatregel te</al><al>heroverwegen. Dit is geregeld in artikel 18 derde lid WWB.</al><al>In dit artikel wordt in afwijking van het gestelde in artikel 6 derde lid van
                    deze verordening bepaald dat</al><al>bij wijze van uitzondering het college ook maatregelen voor een langere duur dan
                    een maand kan</al><al>opleggen, zoals zojuist omschreven. Wanneer het college kiest voor deze wijze
                    van</al><al>maatregel oplegging, dan staan in dit artikel de voorwaarden waaraan het college
                    dan gebonden is.</al><al>Van belang is nog om op te merken dat wanneer het college voornemens is om
                    binnen een termijn</al><al>van drie maanden over te gaan tot voortzetting van een opgelegde maatregel, dat
                    dan de duur en de</al><al>hoogte van de opgelegde maatregel niet meer ter discussie staat. In die situatie
                    gaat het dan enkel en</al><al>alleen nog om de vraag of een belanghebbende in voldoende mate zijn eerdere
                    verwijtbare gedraging</al><al>heeft hersteld.</al><al>Tevens staat in het derde lid bepaald dat het college de bevoegdheid heeft om
                    bij voortdurend</al><al>verwijtbaar gedrag, het college zonodig niet alleen de duur van de maatregel kan
                    aanpassen maar</al><al>ook het percentage van de maatregel. Dit laatste was onder de Abw slechts
                    mogelijk bij een</al><al>geïndividualiseerde maatregel.</al><al>Artikel 8. Recidive, samenloop en geïndividualiseerde maatregeloplegging</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij herhaling van verwijtbaar gedrag van dezelfde of een hogere categorie of met
                    een zelfde of een</al><al>hoger benadelingsbedrag heeft de raad de beleidsvrijheid om te bepalen of de
                    duur en/of de hoogte</al><al>van een maatregel wordt verdubbeld.</al><al>In dit lid wordt vastgesteld om bij een eerste herhaling van een verwijtbare
                    gedraging slechts de duur</al><al>van de maatregel te verdubbelen. In de verdubbeling van de duur van de maatregel
                    wordt aldus de</al><al>grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht.</al><al>Omdat dit een ingrijpende bepaling is voor een belanghebbende, dient helder en
                    duidelijk te zijn</al><al>wanneer er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging.</al><al>Met een eerste verwijtbare gedraging wordt bedoeld de eerste gedraging die
                    aanleiding is geweest</al><al>tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het</al><al>bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop
                    het besluit</al><al>waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt middels een
                    beschikking.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Wanneer een belanghebbende ondanks een eerder recidivebesluit, blijft volharden
                    in verwijtbaar</al><al>gedrag van dezelfde of een hogere categorie dan wel met een zelfde of een
                    hoger</al><al>benadelingsbedrag, dan heeft de raad de beleidskeuze om:</al><al>• wederom de duur van de maatregel te verdubbelen (zoals beschreven in het
                    eerste lid van dit</al><al>artikel); of</al><al>• de in het eerste lid beschreven hoogte en duur te verdubbelen; of</al><al>• de hoogte en/of duur van een maatregel op indivi duele wijze te bepalen, gelet
                    op de ernst van</al><al>het feit, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden.</al><al>Omdat uit de bedoeling van de wetgever bij artikel 18 WWB nadrukkelijk de wens
                    blijkt om bij de</al><al>bepaling van de financiële gevolgen bij de niet-nakoming van verplichtingen door
                    een</al><al>belanghebbende, uit te gaan van maatwerk, is er in dit lid gekozen voor het
                    laatste alternatief, te</al><al>weten de individuele afstemming in plaats van een vooraf bepaalde forfaitaire
                    benadering ten aanzien</al><al>van de duur of hoogte van een maatregel.</al><al>Uit deze beleidskeuze volgt aldus tevens dat een recidivemaatregel op basis van
                    verdubbeling van de</al><al>duur van een maatregel, zoals beschreven in het eerste lid, slechts één keer kan
                    worden toegepast</al><al>binnen de periode van een jaar, gerekend vanaf een eerste verwijtbare
                    gedraging.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Bij een opeenvolging van verwijtbare gedragingen die tegelijkertijd of binnen
                    een korte periode plaats</al><al>vinden (ook wel samenloop genoemd), kan gekozen worden om op elke verwijtbare
                    gedraging</al><al>afzonderlijk te reageren middels een maatregelbesluit dan wel om in één besluit
                    een op het individu</al><al>afgestemde maatregel te bepalen.</al><al>In dit lid is gekozen voor het laatste alternatief om aldus een integrale
                    beoordeling van alle feiten en</al><al>verwijtbare gedragingen mogelijk te maken. Terzijde wordt hier opgemerkt dat de
                    bestuursrechter</al><al>onder het regime van de Abw, een dergelijke wijze van maatregeloplegging reeds
                    verdedigbaar heeft</al><al>geacht.</al><al>Afstemming in de vorm van geïndividualiseerde maatregeloplegging kan in meerdere
                    vormen tot</al><al>uitdrukking gebracht worden door het college. In het onderstaande wordt ingegaan
                    op twee</al><al>methodieken:</al><al>A.Gekozen kan worden voor een optelsom van de percentages van de verwijtbare
                    gedragingen</al><al>waarbij het mogelijk is om deze maatregel in één maand op te leggen dan wel om
                    deze te spreiden</al><al>over meerdere maanden.</al><al>Zo kan een belanghebbende zijn inschrijving als werkzoekende bij het CWI laten
                    verlopen alsmede</al><al>weigerachtig blijven om mee te werken aan een onderzoek. In die situatie verzet
                    er zich rechtens niets</al><al>tegen om belanghebbende een maatregel op te leggen van 15% gedurende een maand,
                    te weten de</al><al>optelsom van 5% en 10%.</al><al>B.Individualisering kan ook plaats vinden op basis van een benadering vanuit
                    het</al><al>benadelingsbedrag. Een dergelijke benadering ligt voor de hand in die situaties
                    waarin een optelsom</al><al>van forfaitaire percentages van maatregeloplegging, zoals genoemd onder A.,
                    onvoldoende recht doet</al><al>aan alle omstandigheden van het geval.</al><al>Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken: zo kan een belanghebbende een
                    aanbod voor</al><al>algemeen geaccepteerde arbeid weigeren en kort daarna weigerachtig blijven om
                    zelfstandig andere</al><al>sollicitaties te doen alsmede om tijdig zijn inschrijving als werkzoekende bij
                    het CWI te laten</al><al>verlengen.</al><al>Wanneer uitgegaan wordt van een optelsom van percentages dan zou aan
                    belanghebbende een</al><al>maatregel opgelegd dienen te worden van 125%, te spreiden over twee maanden. Het
                    nadeel van</al><al>deze rekenkundige benadering bestaat hierin dat onvoldoende rekening gehouden
                    wordt met de totale</al><al>bijstandsschade die het college leidt door deze handelwijze en die geheel en in
                    ieder geval</al><al>gedeeltelijk voorkomen had kunnen worden.</al><al>Immers, wanneer een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid weigert dan is
                    de</al><al>bijstandsschade dat belanghebbende langer op bijstand aangewezen blijft dan
                    noodzakelijk is.</al><al>Wanneer belanghebbende ondanks deze aantoonbare benadelingshandeling vervolgens
                    weigerachtig</al><al>blijft om actief schadebeperkend te handelen, door bij voorbeeld niet actief te
                    solliciteren en zich niet</al><al>in te schrijven bij meerdere uitzendbureaus en door in ieder geval de
                    inschrijving bij het CWI tijdig te</al><al>laten verlengen, dan loopt de duur van de bijstandsafhankelijkheid nog verder
                    door.</al><al>Deze situatie moet dan ook anders beoordeeld worden dan het geval waarin een
                    belanghebbende in</al><al>een korte periode enkel en alleen onvoldoende gesolliciteerd heeft en zijn
                    inschrijving heeft laten</al><al>verlopen bij het CWI zonder de context waarin een belanghebbende eerder algemeen
                    geaccepteerde</al><al>arbeid geweigerd heeft.</al><al>Deze weigering om schadebeperkend op te treden leidt aldus tot een voorzienbare
                    en een door eigen</al><al>toedoen van een belanghebbende ontstane vergroting van het
                    benadelingsbedrag.</al><al>Deze bijstandsschade dient op een of andere wijze verdisconteerd te worden in de
                    hoogte en/of duur</al><al>van de op te leggen maatregel. De raad heeft in dit soort situaties de
                    beleidskeuze om</al><al>maatregeloplegging te baseren op:</al><al>• een forfaitaire grondslag van vooraf bepaalde kortingspercentages met een
                    vastomlijnde</al><al>tijdsduur; òf</al><al>• een forfaitaire grondslag van vooraf bepaalde kortingspercentages met een
                    tijdsduur die</al><al>bepaald wordt door het moment waarop een belanghebbende het eerdere verwijtbare
                    gedrag</al><al>wederom herstelt (zie artikel 6 van deze verordening); òf</al><al>• afstemming in de vorm van een geïndividualiseerde maatregel, zowel qua hoogte
                    als duur.</al><al>Onder verwijzing naar de bedoeling van de wetgever bij artikel 18 WWB inzake het
                    maatwerkbeginsel,</al><al>zoals reeds beschreven bij de toelichting onder het tweede lid, wordt ook in
                    deze situaties gekozen</al><al>voor maatregeloplegging middels individuele afstemming.</al><al>Terzijde wordt hier opgemerkt dat ook de bestuursrechter onder het regiem van de
                    Abw een dergelijke</al><al>wijze van geïndividualiseerde maatregeloplegging rechtens verdedigbaar heeft
                    geacht. In het</al><al>bovengenoemde voorbeeld werd aldus een door een bestuursorgaan
                    geïndividualiseerde maatregel</al><al>van 100% gedurende twee maanden niet onrechtmatig verklaard.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Onder de toelichting bij het tweede en derde lid is reeds veelvuldig gewezen op
                    het belang van het</al><al>benadelingsbedrag bij afstemming middels een geïndividualiseerde maatregel naar
                    aanleiding van</al><al>herhaaldelijk verwijtbaar gedragingen. In dit lid wordt dit nadrukkelijk
                    vastgelegd. Leidraad bij de</al><al>beoordeling van de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid dient in
                    situaties, zoals</al><al>beschreven in het tweede en derde lid, te zijn het benadelingsbedrag dat het
                    gevolg is van het</al><al>verwijtbaar handelen of nalaten van de belanghebbende waardoor belanghebbende
                    door eigen</al><al>toedoen langer aangewezen is op bijstandsverlening.</al><al>Tegelijkertijd wordt nogmaals verwezen naar de toelichting bij artikel 2 tweede
                    lid van deze</al><al>verordening. Namelijk dat bij de beoordeling van de verwijtbare handeling tevens
                    rekening gehouden</al><al>dient te worden met het effect op de mate en de tijdsduur waarbinnen het traject
                    inzake de kortste</al><al>weg naar duurzame arbeid, negatief wordt beïnvloed. Dit dient terug te komen in
                    de motivering van</al><al>een maatregelbeschikking.</al><al>Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de op te leggen maatregel:</al><al>• geen vergeldend karakter verkrijgt maar gericht blijft op gedragsbeïnvloeding
                    en voor zover</al><al>het gaat om de plicht tot arbeidsinschakeling, op het doel van het traject;</al><al>• in overstemming blijft met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel
                    3:4 tweede lid</al><al>Algemene wet bestuursrecht, namelijk dat er evenredigheid dient te bestaan
                    tussen de</al><al>zwaarte van de verwijtbare gedraging en de zwaarte van de maatregel.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HETVERKRIJGEN
                    OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID DAN WEL AANVOORZIENINGEN GERICHT
                    OP ARBEIDSINSCHAKELING OF ARBEIDSACTIVERING</tussenkop><al>Artikel 9. Indeling in categorieën </al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Bij de beoordeling van de rechtsgevolgen bij de niet-nakoming van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling</al><al>kan gekozen worden om maatregeloplegging te baseren op:</al><al>• individuele afstemming in de vorm van geïndividualiseerde maatregelen; òf</al><al>• een stelsel van forfaitaire percentages gekoppeld aan een onderverdeling in
                    categorieën van</al><al>verwijtbare gedragingen.</al><al>In deze verordening is gekozen voor laatstgenoemde benadering omdat deze
                    benadering aansluit bij</al><al>de thans bestaande en effectief gebleken uitvoeringspraktijk onder het regime
                    van de Abw. Op enkele</al><al>plaatsen is het bestaande beleid aangescherpt vanuit het oogpunt van de
                    gelijkstelling tussen</al><al>enerzijds belanghebbenden die aangewezen zijn op voorzieningen bij hun
                    reïntegratie op de</al><al>arbeidsmarkt en anderzijds belanghebbenden die zelfstandig in staat zijn
                    algemeen geaccepteerde</al><al>arbeid te verwerven.</al><al>Deze gelijkstelling is verdedigbaar nu er geen principieel onderscheid dient te
                    zijn tussen beide</al><al>groepen belanghebbenden, omdat vanuit oogpunt van het reïntegratiebeleid voor
                    beide groepen geldt</al><al>dat de kortste weg naar duurzame arbeid leidend dient te zijn. Deze principiële
                    gelijkstelling tussen</al><al>beide groepen binnen het reïntegratiebeleid dient door te werken in het
                    handhavingsbeleid, in het</al><al>bijzonder bij de oplegging van maatregelen.</al><al>Om die reden is het verdedigbaar dat het niet naar vermogen algemeen
                    geaccepteerde arbeid te</al><al>verkrijgen of te aanvaarden in de periode voorafgaande aan de bijstand, niet
                    langer als een categorie</al><al>2-verwijtbare gedraging aangemerkt dient te worden maar als een categorie
                    3-verwijtbare gedraging,</al><al>gelijk aan het niet dan wel in onvoldoende mate gebruik maken van
                    reïntegratievoorzieningen.</al><al>Om dezelfde reden is het niet-aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    tijdens de bijstand als</al><al>categorie 4-verwijtbare gedraging op één lijn gesteld kan worden het in zodanige
                    mate niet of</al><al>onvoldoende gebruik maken van reïntegratievoorzieningen dat daardoor een traject
                    voortijdig</al><al>beëindigd wordt of geen doorgang meer kan vinden. Hieruit volgt dat ook in het
                    laatste geval</al><al>verdedigbaar is dat aan belanghebbende in beginsel een maatregel wordt opgelegd
                    van 100%</al><al>gedurende een maand.</al><al>Dit is een verzwaring ten opzichte van de Abw nu deze gedraging voorheen als een
                    categorie 3-</al><al>verwijtbare gedraging werd aangemerkt. Vanuit de principiële gelijkstelling
                    tussen bovengenoemde</al><al>twee groepen belanghebbenden, is echter deze wijziging van categorie-indeling
                    ten opzichte van de</al><al>Abw, gerechtvaardigd.</al><tussenkop>Nadere toelichting bij de categorie-indeling</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met de niet-nakoming van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling als</al><al>bedoeld in artikel 9 WWB, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is
                    de ernst van de</al><al>gedraging het onderscheidend criterium.</al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                    heeft voor het niet</al><al>verkrijgen of behouden van betaalde arbeid dan wel voor het niet bereiken van de
                    doelstelling van een</al><al>traject waarvoor een reïntegratievoorziening is verleend.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de niet -nakoming van de formele
                    verplichting om zich als</al><al>werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te blijven.</al><al>De tweede categorie betreft de niet-nakoming van de medewerkingsverplichting tot
                    een actieve</al><al>opstelling ten aanzien van arbeidsinschakeling en een daarop gericht onderzoek.
                    Namelijk, het tijdig</al><al>voldoen aan een oproep of een onderzoek naar de mogelijkheden voor
                    arbeidsinschakeling of naar de</al><al>geschiktheid voor scholing, opleiding of arbeidsactivering; voorts het meewerken
                    aan aanvullende</al><al>verplichtingen die verbonden worden aan de bijstand als bedoeld in artikel 55
                    WWB (nota bene: in de</al><al>Reïntegratieverordening is geregeld, zie artikel 8, dat het op advies van een
                    deskundige ondergaan</al><al>van een medische behandeling, niet als verplichting wordt opgelegd).</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op</al><al>bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.</al><al>Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gedragingen van enerzijds kansrijke
                    belanghebbenden</al><al>die zelfstandig in staat moeten worden geacht algemeen geaccepteerde arbeid te
                    aanvaarden en</al><al>anderzijds van belanghebbenden die voor hun arbeidsinschakeling aangewezen zijn
                    op</al><al>voorzieningen.</al><al>Op grond van vorengenoemde principiële gelijkstelling tussen beiden groepen
                    belanghebbenden is</al><al>het verdedigbaar dat het onvoldoende solliciteren naar algemeen geaccepteerde
                    arbeid door een</al><al>kansrijke belanghebbende zowel in de periode voor als na het doen van een
                    aanvraag om bijstand,</al><al>zwaar verwijtbaar is nu deze belanghebbende door zijn eigen toedoen
                    uitkeringsafhankelijkheid laat</al><al>ontstaan dan wel laat voortduren. Een verzwaring van het standaardpercentage ten
                    opzichte van de</al><al>Abw, is aangewezen nu de WWB nog meer dan de Abw, nadrukkelijk activering van
                    een</al><al>belanghebbende voorop stelt. Niet-nakoming van deze activeringsverplichting acht
                    de raad daarom</al><al>ook ernstig verwijtbaar.</al><al>Op grond van vorengenoemde principiële gelijkstelling tussen beiden groepen
                    belanghebbenden is</al><al>het tevens verdedigbaar dat het verwijtbaar niet of onvoldoende meewerken aan
                    aangeboden</al><al>voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling of arbeidsactivering, als een
                    ernstig feit wordt</al><al>aangemerkt van de derde categorie, op voorwaarde dat de benadelingshandeling
                    niet heeft geleid tot</al><al>het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.</al><al>De medewerkingsplicht aan deze voorzieningen treedt namelijk in de plaats van de
                    verplichting tot</al><al>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en is als
                    sluitend alternatief</al><al>bedoeld voor arbeidstoeleiding dan wel de bevordering van de zelfstandige
                    bestaansvoorziening.</al><al>Anders gezegd, ook voor deelname aan een voorziening geldt dat de kortste weg
                    naar duurzame</al><al>arbeid voorop staat en dat vertraging van het traject door eigen toedoen van een
                    belanghebbende</al><al>zwaar verwijtbaar wordt geacht. Vertraging op zichzelf is dus verwijtbaar, bij
                    voorbeeld als gevolg van</al><al>het verwijtbaar te laat terugkomen van verblijf in het buitenland met behoud van
                    uitkering; niet</al><al>noodzakelijk is dat de vertraging geleid heeft tot het geen doorgang vinden van
                    of het beëindigen van</al><al>het traject (indien dit laatste gevolg optreedt dient de verwijtbare handeling
                    te worden aangemerkt als</al><al>een categorie 4-verwijtbare gedraging).</al><al>Van het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van
                    een door het college</al><al>aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9
                    eerste lid sub b en</al><al>artikel 10 eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering, is in
                    ieder geval sprake</al><al>wanneer een belanghebbende:</al><al>• niet of regelmatig niet-tijdig op afspraken bij een reïntegratiebedrijf
                    verschijnt; of</al><al>• opdrachten in het kader van scholing niet naar behoren uitvoert; of</al><al>• zich anderszins door aantoonbare negatieve gedragingen of een negatieve
                    houding of</al><al>opstelling, de kans op succes van het behalen van de doelstelling van een
                    traject negatief</al><al>beïnvloedt.</al><al>Als sluitstuk van de derde categorie verwijtbare gedragingen is genoemd
                    gedragingen die overigens</al><al>de inschakeling in de arbeid belemmeren. Het gaat hier om het stellen van
                    niet-verantwoorde</al><al>beperkingen ten aanzien van algemeen geaccepteerde arbeid die de kansen op
                    arbeidsinschakeling</al><al>verminderen.</al><al>De noodzaak om deze subcategorie op te nemen bestaat hierin dat een
                    belanghebbende weliswaar</al><al>feitelijk kan meewerken aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                    doch door een</al><al>aantoonbare negatieve houding en opstelling, de kans op succes van een
                    sollicitatie aantoonbaar</al><al>negatief beïnvloedt.</al><al>Voorbeelden van deze categorie vormen het voorwenden dan wel het overdrijven van
                    medische</al><al>beperkingen bij sollicitatiegesprekken door een belanghebbende dan wel bij
                    inschrijvingsgesprekken</al><al>bij uitzendbureaus of het CWI. Denkbaar is ook dat soortgelijke oneigenlijke
                    beperkingen gesteld</al><al>worden ten aanzien van de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in verband met
                    zorgtaken.</al><al>Uitgangspunt dient te zijn dat indien een belanghebbende beperkingen stelt, dat
                    deze objectief dienen</al><al>te worden vastgesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede het</al><al>door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid
                    niet behouden</al><al>dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. In vergelijking met de
                    Abw is hieraan</al><al>toegevoegd het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken
                    van een door het</al><al>college aangeboden voorziening, waaronder begrepen arbeids activering, als dit
                    heeft geleid tot het</al><al>geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.</al><al>In het kader van de sluitende aanpak acht de raad deze laatstgenoemde gedraging
                    een zeer ernstig</al><al>feit omdat het in die situatie al duidelijk is dat directe bemiddeling een zeer
                    geringe kans van slagen</al><al>heeft en dat het, onder die omstandigheden, dan niet aangaat dat een
                    belanghebbende een laatste</al><al>kans tot arbeidsinschakeling door eigen toedoen in zeer ernstige mate belemmert.
                    Onder die</al><al>omstandigheden acht het college het daarom verdedigbaar dat ook voor deze
                    gedraging een</al><al>standaardmaatregel passend is van 100% gedurende een maand.</al><al>Omdat het hier om een zeer ingrijpende maatregel gaat, hecht de raad er aan te
                    benadrukken dat op</al><al>grond van artikel 2 tweede lid van deze verordening, het college ten allen tijde
                    gehouden is tot</al><al>maatwerk bij de maatregeloplegging.</al><al>(aanvulling per 1-1-2012)</al><al>In artikel 9 worden gedragingen genoemd die kunnen leiden tot het opleggen van
                    een maatregel.</al><al>Daarbij worden gedragingen qua zwaarte gerangschikt in categorieën. In de wet is
                    artikel 9 a</al><al>aangepast en dit vraagt om een aanvulling op de genoemde gedragingen omdat ze
                    specifiek</al><al>betrekking hebben op alleenstaande ouders die een ontheffing van de
                    arbeidsplicht hebben, maar</al><al>gedurende de ontheffingsperiode wel moeten meerwerken aan een traject. Bij het
                    indelen in een</al><al>catgorie is wel aansluiting gezocht bij een soortgelijke gedraging van andere
                    dan alleenstaande</al><al>ouders en ook of de gedraging tot beëindiging van het traject heeft geleid (lid
                    4 d) of niet (lid 3 d).</al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Wanneer gekozen wordt voor een stelsel van maatregeloplegging op basis van een
                    onderverdeling in</al><al>categorieën van verwijtbare gedragingen, zoals beschreven in artikel 9, dan de
                    in dit artikel genoemde</al><al>forfaitaire maatregelpercentages passend bij de verschillende categorieën
                    verwijtbare gedragingen.</al><al>Daarbij wordt aangesloten bij de vroegere en effectief gebleken
                    uitvoeringspraktijk onder het regime</al><al>van de Abw.</al><al>Benadrukt wordt dat, hoewel in dit artikel gestandaardiseerde
                    maatregelpercentages zijn benoemd,</al><al>als uitgangspunt bij maatregeloplegging het beginsel van maatwerk dient te
                    worden gevolgd conform</al><al>de bedoeling van de wetgever bij artikel 18 WWB. In artikel 2 tweede lid van
                    deze verordening is dit</al><al>nader uitgewerkt.</al><al>Op basis van dit uitgangspunt dient het college aldus bij elk afzonderlijk
                    maatregelbesluit aan te geven</al><al>of er termen aanwezig zijn om af te wijken van de in artikel 10 beschreven
                    standaardmaatregelen.</al><tussenkop>Artikel 11. De tijdelijke uitsluiting van een aanspraak op een
                    voorziening</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij de beoordeling van de rechtsgevolgen bij de niet-nakoming van de
                    verplichtingen die in ruimste</al><al>zin samenhangen met het aanbieden van reïntegratievoorzieningen, kan de raad
                    bepalen om, naast</al><al>de verplichting tot afstemming van bijstandsverlening, tevens de aanspraak van
                    een belanghebbende</al><al>op een voorziening te beperken dan wel uit te sluiten.</al><al>In het verlengde hiervan kan de raad bepalen of deze beperkings- en/of
                    uitsluitingsbevoegdheid voor</al><al>het college als een algemene verplichting geldt dan wel als een
                    bevoegdheid.</al><al>In artikel 7 zesde lid van de reïntegratieverordening heeft de raad deze
                    beleidskeuze aldus ingevuld</al><al>door aan het college de bevoegdheid toe te kennen om een belanghebbende
                    tijdelijk uit te sluiten van</al><al>een traject wanneer die zijn reïntegratieverplichtingen, zoals beschreven in het
                    eerste lid van dit</al><al>artikel, niet nakomt conform hetgeen gesteld is in de
                    afstemmingsverordening.Hieruit volgt dat de</al><al>uitsluitingsbevoegdheid nader ingevuld wordt in het kader van de
                    afstemmingsverordening.</al><al>De raad is op dit punt van mening dat toepassing van deze
                    uitsluitingsbevoegdheid een zeer ingrijpende</al><al>maatregel is die naar haar mening alleen verdedigbaar is wanneer het doel van
                    het traject</al><al>hiermee gediend is.</al><al>Hiervan kan bij voorbeeld sprake zijn in het geval het college van mening is dat
                    door eigen toedoen</al><al>van een belanghebbende een eerder aangeboden voorziening niet langer als
                    effectief kan worden</al><al>aangemerkt. In verband hiermee kan het zinvol zijn om even tijdelijk pas op de
                    plaats te maken</al><al>alvorens een nieuwe voorziening terstond aan te bieden.</al><al>Vandaar de toedeling van de bevoegdheid aan het college om een belanghebbende
                    tijdelijk uit te</al><al>sluiten van iedere voorziening ten einde te voorkomen dat een belanghebbende
                    eist dat het college</al><al>terstond een alternatieve voorziening dient aan te bieden.</al><al>De raad is van mening dat gelet op de maatwerk- en activeringsdoelstelling van
                    de WWB, het niet</al><al>voor de hand ligt om een belanghebbende die zijn verplichtingen niet nakomt, als
                    het ware te</al><al>“belonen” met langdurige uitsluiting van voorzieningen.</al><al>Integendeel, juist door een nieuw diagnostisch onderzoek dient het college zo
                    spoedig mogelijk te</al><al>komen tot herziening van het eerder aangeboden traject ten einde de
                    arbeidstoeleiding nog strakker</al><al>te begeleiden alsmede om de voorwaarden te bepalen waardoor het traject door een
                    belanghebbende</al><al>wel effectief wordt doorlopen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Omdat zoals reeds gesteld, toepassing van de uitsluitingsbevoegdheid door het
                    college een ingrijpende</al><al>maatregel is, hecht de raad er aan dat dit besluit met voldoende waarborgen is
                    omkleed. Het horen</al><al>van een belanghebbende merkt de raad aldus aan als een belangrijke waarborg
                    alsmede de heroverwegingsbevoegdheid,</al><al>zoals beschreven in artikel 7 van de afstemmingsverordening.</al><tussenkop>Artikel 12. De terugvordering van kosten van een traject ten aanzien van
                    een</tussenkop><al>nietuitkeringsgerechtigde en of ANW-gerechtigde</al><al>In de kop van dit artikel wordt al aangegeven, dat er sprake is van een
                    terugvordering en eigenlijk niet</al><al>van een maatregel, want de personen op wie dit betrekking heeft hebben geen
                    uitkering. In die zin is</al><al>wordt het terugvorderen punitief als een maatregel aangemerkt.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De gemeente kan ook een traject aanbieden aan niet-uitkeringsgerechtigden en
                    Anw-gerechtigden,</al><al>omdat die tot hun doelgroep horen. Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een
                    Anw-gerechtigde zich</al><al>niet aan de afspraken houdt, waardoor het traject niet tot het gewenste
                    resultaat komt, heeft de</al><al>gemeente niet de mogelijkheid om een maatregel toe te passen. Er wordt immers
                    geen uitkering</al><al>vanuit de gemeente aan deze personen verstrekt. De enige mogelijkheid is dan om
                    de reeds</al><al>gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hier wordt verwezen naar artikel 2 waarin omschreven wordt, wanneer er sprake is
                    van maatregelwaardiggedrag</al><al>en hoe daar verder mee om te gaan. Verder zijn art 4 en de strekking van artikel
                    5van</al><al>deze verordening van toepassing, respectievelijk het horen van de cliënt en de
                    mogelijkheid van het</al><al>college om toch af te zien van een maatregel, in dit geval (en daarom wordt
                    gesproken over “de</al><al>strekking van“) om af te zien van het terugvorderen van reeds gemaakte
                    kosten.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Om tot terugvordering van reeds gemaakte kosten te kunnen overgaan, zal eerst
                    een besluit moeten</al><al>plaatsvinden om de eerder toegekende reïntegratievoorzieningen in te trekken.
                    Dan wordt de weg vrij</al><al>gemaakt om de kosten terug te vorderen op grond van onverschuldigde betaling
                    conform het</al><al>Burgerlijk Wetboek. Indien de niet-uitkeringgerechtigde of Anw-gerechtigde
                    weigert te betalen kan het</al><al>college besluiten de kosten via gerechtelijke weg te vorderen. Gekozen wordt
                    voor een “kan”-</al><al>bepaling, omdat in het Beleidskader Terug- en invordering WWB in artikel 6
                    mogelijkheden worden</al><al>genoemd om af te zien van een terugvorderingsbesluit.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. HET NIET-TIJDIG, ONVOLDOENDE DAN WEL NIET -NAKOMEN VAN DE
                    INLICHTINGENPLICHT</tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden drie vormen van het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht onderscheiden:</al><al>1.Artikel 13 van deze verordening: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen
                    aan de gemeente. Als</al><al>de te verstrekken informatie niet tijdig is gegeven dan wordt nog eenmaal een
                    termijn van 5</al><al>werkdagen gegund om dit alsnog te doen. Is de informatie dan nog niet verstrekt
                    dan is artikel 54</al><al>WWB van toepassing. Het college kan in dat geval het recht op bijstand
                    opschorten en</al><al>belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn
                    het verzuim te</al><al>herstellen. Deze informatieplicht slaat op alle informatie die van belang is
                    voor het verlenen van</al><al>de bijstand of de voortzetting daarvan.</al><al>2.Artikel 14 van deze verordening: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                    inlichtingen aan de</al><al>gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog
                    bedrag aan bijstand</al><al>is verstrekt. In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan
                    de inlichtingenplicht</al><al>van artikel 17 WWB. Het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie
                    tegenover de gemeente,</al><al>met het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending
                    van de informatieplicht</al><al>van artikel 17 WWB.</al><al>3.Artikel 15 van deze verordening: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                    inlichtingen aan de</al><al>gemeente, zonder dat er achteraf gezien ten onrechte bijstand is verstrekt of
                    een te hoog bedrag</al><al>aan bijstand is verstrekt.</al><al>In deze drie situaties heeft de raad in het kader van de afstemmingsverordening
                    aldus de beleidskeuze</al><al>de hoogte en de duur van de maatregel te bepalen; de raad heeft geen
                    beleidsvrijheid ten</al><al>aanzien van de vraag òf een maatregel dient te worden opgelegd wanneer de
                    inlichtingen verplichting</al><al>niet wordt nagekomen. Een belangrijke voorwaarde voor maatregeloplegging bij de
                    niet-nakoming</al><al>van de inlichtingenplicht in deze drie situaties is dat het recht op bijstand
                    van een belanghebbende</al><al>nog immer objectief vast te stellen moet zijn.</al><al>Anders gezegd, het kan ook gebeuren dat door de niet-nakoming van de
                    inlichtingenplicht het college</al><al>de rechtmatigheid van de uitkering niet meer kan vaststellen. De bijstand moet
                    dan worden geweigerd</al><al>(in de situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot
                    toekenning van de bijstand moet</al><al>worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Hierdoor komt het college niet
                    meer toe aan het</al><al>opleggen van een maatregel.</al><tussenkop>Artikel 13. Het te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><al>Bij het te laat verstrekken van gegevens door een belanghebbende in het kader
                    van een onderzoek</al><al>naar de rechtmatigheid van een recht op bijstand als bedoeld in artikel 53a WWB,
                    heeft de raad de</al><al>beleidskeuze de hoogte en de duur van een maatregel te bepalen wanneer een
                    belanghebbende</al><al>binnen een hersteltermijn alsnog de gevraagde gegevens overlegt als bedoelt in
                    artikel 54 eerste en</al><al>tweede lid WWB.</al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde</al><al>bewijsstukken niet op tijd verstrekt in het kader van een onderzoek in verband
                    met de beoordeling van</al><al>de rechtmatigheid dan wel de doelmatigheid van zijn uitkering dan wel in verzuim
                    blijft door zonder</al><al>tijdig bericht van verhindering niet in persoon te verschijnen voor een
                    afspraak, kan het college het</al><al>recht op bijstand opschorten vanaf de dag dat belanghebbende in verzuim is
                    (artikel 54 eerste lid</al><al>WWB).</al><al>Het college stelt middels een herstelbrief de belanghebbende in kennis van het
                    voornemen tot het</al><al>nemen van een opschortingsbesluit met ingang van de eerste dag waarop
                    belanghebbende zijn</al><al>inlichtingenverplichting niet is nagekomen en biedt tegelijkertijd de
                    belanghebbende alsnog de</al><al>gelegenheid om zijn verzuim te herstellen.</al><al>Ten einde een onnodig zware uitvoeringslasten te voorkomen wordt er voor gekozen
                    dat het college</al><al>voordat een formele opschorting- en herstelbeschikking wordt gestuurd (waarin
                    ook wordt</al><al>medegedeeld dat een maatregel zal worden overwogen), het college nog één keer
                    een termijn gunt</al><al>van 5 werkdagen om de informatie te verstrekken.</al><al>Wanneer uiteindelijk, dus na de extra termijn van 5 werkdagen, een officiële
                    hersteltermijn tezamen</al><al>met een officieel opschortingsbesluit wordt genomen én de gevraagde gegevens
                    alsnog binnen de</al><al>hersteltermijn worden verstrekt dan wel verschijnt belanghebbende alsnog op de
                    tweede uitnodiging</al><al>voor een gesprek, dan dient de bijstand te worden voortgezet onder gelijktijdige
                    oplegging van een</al><al>maatregel van 10% voor de duur van een maand.</al><tussenkop>Artikel 14. Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17 eerste lid WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen</al><al>beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                    redelijkerwijs duidelijk</al><al>moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het
                    recht op bijstand.</al><al>Onder ”onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van” wordt verstaan dat een
                    belanghebbende</al><al>op het eerst volgende maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROF-je)
                    waarin de relevante</al><al>gebeurtenis heeft plaats gevonden, melding dient te maken van de, vanuit oogpunt
                    van de WWB,</al><al>relevante gebeurtenis.</al><al>Komt een belanghebbende deze verplichting niet na en wordt er daardoor ten
                    onrechte bijstand</al><al>verleend, dan dient het recht op bijstand met terugwerkende kracht te worden
                    herzien en</al><al>teruggevorderd. Daarnaast dient de raad een maatregel op te leggen wegens het
                    niet of niet</al><al>behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</al><al>Onder de Abw gold als hoofdregel dat aan een belanghebbende een boete diende te
                    worden</al><al>opgelegd naar rato van 10% van de bruto ten onrechte verleende bijstand. Onder
                    de WWB heeft de</al><al>raad de beleidskeuze de hoogte en de duur van de maatregel te bepalen. In het
                    eerste lid van artikel</al><al>14 heeft de raad hiervoor als beleidsuitgangspunt gekozen de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat</al><al>is het door de gemeente te veel en ten onrechte betaalde bedrag aan
                    bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>Er is voor gekozen om op dit punt het handhavingsbeleid aan te scherpen door de
                    hoogte van de</al><al>maatregel meer af te stemmen op de hoogte van het benadelingsbedrag in plaats
                    van een standaardpercentage</al><al>te hanteren van 10% van het benadelingsbedrag. In de hoogte van het
                    maatregelpercentage</al><al>komt de ernst van de gedraging tot uitdrukking, zoals die feitelijk wordt
                    bepaald door de hoogte</al><al>van het benadelingsbedrag.</al><al>In het tweede lid is aldus gekozen voor een aantal forfaitaire
                    kortingspercentages welke corresponderen</al><al>met een benadelingsbedrag waarbij een onder- en een benedengrens bepaald is. Het
                    college</al><al>dient op grond van artikel 2 tweede lid van deze verordening maatwerk te
                    leveren, hetgeen kan leiden</al><al>tot verzwaring dan wel tot matiging van de op te leggen maatregel.</al><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                    proces-verbaal op te</al><al>maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van
                    fraude en het</al><al>benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,- (de Richtlijn voor strafvordering
                    sociale zekerheidsfraude).</al><al>Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
                    bestaan, ook al kent de</al><al>WWB de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet
                    nakomen van de</al><al>inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. Het doen van aangifte wegens
                    fraude sluit</al><al>overigens het opleggen van een maatregel niet uit; op dit punt heeft de raad een
                    beleidskeuze. Beide</al><al>sancties kunnen samen gaan.</al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel
                    die is opgelegd</al><al>door het bestuursorgaan. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan
                    tot het opleggen van</al><al>een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’
                    beginsel (geen</al><al>samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing
                    van één enkele</al><al>overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De Centrale Raad voor Beroep
                    heeft zich in het</al><al>(recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al>In verband hiermee wordt er hier voor gekozen om af te zien van
                    maatregeloplegging wanneer</al><al>aangifte wordt gedaan bij de Officier van Justitie én deze overgaat tot
                    vervolging van het feit. Wanneer</al><al>de Officier van Justitie besluit tot sepot, dient het college alsnog een
                    maatregel op te leggen analoog</al><al>aan artikel 14 tweede lid sub d van deze verordening. Een redelijke termijn
                    waarbinnen deze</al><al>maatregel moet zijn opgelegd is twee jaar na de datum waarop het college bekend
                    is geworden met</al><al>het sepotbesluit van de Officier van Justitie.</al><al>Derde lid</al><al>Dit lid wordt toegevoegd omdat bij een zeer laag benadelingsbedrag de maatregel
                    hoger kan zijn dan</al><al>het benadelingsbedrag en dat is niet wenselijk.</al><tussenkop>Artikel 15. Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                    zonder gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige</al><al>inlichtingen, zonder dat dez e gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de
                    bijstand. Voorbeelden</al><al>van nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                    vermogensgrens of het</al><al>niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al>Ondanks het niet optreden van een benadelingsbedrag wordt hier, in het verlengde
                    van de</al><al>systematiek die is gevolgd bij het niet-tijdig verstrekken van gegevens, gekozen
                    voor een maatregel</al><al>van 10% voor de duur van een maand.</al><al>Tweede lid</al><al>Op het eerste lid is een belangrijke uitzondering te noemen, namelijk dat het
                    college in dit</al><al>soort situaties ook éénmalig bevoegd is tot het geven van een waarschuwing bij
                    het niet of</al><al>nietbehoorlijk</al><al>nakomen van de inlichtingenplicht tenzij het niet of niet-behoorlijk nakomen van
                    de</al><al>verplichting heeft plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar te rekenen
                    vanaf de datum</al><al>waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                    gegeven.</al><al>Met deze keuze, zoals beschreven in het eerste en tweede lid van artikel 15,
                    wordt het bestaande</al><al>handhavingsbeleid gevolgd zoals dat gold onder het regime van de Abw, in het
                    bijzonder artikel 14</al><al>derde lid Abw. Ook hier is gebleken is dat voortzetting van het bestaande
                    handhavingsbeleid op dit</al><al>punt voldoende houvast biedt voor het college om maatwerk te leveren in
                    vorengenoemde soort</al><al>situaties.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het</al><al>bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit
                    betekent dat wanneer</al><al>iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend
                    besef van</al><al>verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de
                    middelen om in de</al><al>kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                    aanvraagt, de</al><al>gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het
                    opleggen van een</al><al>maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>het niet voldoen aan de verplichting tot meewerken aan
                            budgetbeheer.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Er is in het tweede lid sprake van een vast kortingspercentage op de bijstand
                    (10%) en de ernst van</al><al>de gedraging wordt uitgedrukt in de duur van de maatregel. Bij de vaststelling
                    van de periode van de</al><al>maatregel moet beoordeeld worden wat de gevolgen zijn van de handelwijze van de
                    cliënt vergeleken</al><al>met de situatie indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had
                    betoond. Dit laat onverlet</al><al>de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en of hoogte op basis
                    van de mate van</al><al>verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Hierin wordt nog een mogelijkheid beschreven van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid,</al><al>namelijk het onverantwoord besteden van vermogen, waardoor eerder een beroep
                    gedaan moet</al><al>worden op bijstand. Het wordt nadrukkelijk als een aparte vorm van
                    tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid genoemd, omdat de maatregel van lid 2 meestal niet in
                    verhouding staat met het</al><al>onverantwoord besteden van vermogen. Om te voorkomen, dat er sprake is van een
                    voordeel door</al><al>vermogen te snel in te teren en daardoor eerder een beroep doen op bijstand,
                    wordt er weliswaar</al><al>bijstand verleend, maar dan in de vorm van een geldlening, die terugbetaald moet
                    worden. Door deze</al><al>vorm van tek ortschietend besef van verantwoordelijkheid niet bij lid 1 op te
                    nemen is ook lid 2 in deze</al><al>situatie niet van toepassing en vervalt het eventuele voordeel om vermogen snel
                    in te teren en dan</al><al>maar een maatregel van 10 % voor lief te nemen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De bijstand wordt als lening verstrekt voor de duur van de periode, waarin de
                    cliënt het vermogen op</al><al>een verantwoorde wijze had moeten besteden. Op basis van juris prudentie houdt
                    dit in, dat er</al><al>rekening gehouden kan worden met een maandelijks bedrag van anderhalf maal de
                    toepasselijke</al><al>norm plus eventuele bijzondere noodzakelijke kosten en onder aftrek van
                    eventuele inkomsten.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Vanaf het moment van bijstandsverlening in de vorm van geldlening betaalt de
                    cliënt de lening terug</al><al>middels inhouding op de uitkering van 10 %.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Na die periode wordt de bijstand om niet verstrekt. De inhouding ter aflossing
                    van de lening blijft</al><al>doorlopen, totdat deze is terug betaald.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Door deze bepaling op te nemen wordt het mogelijk om bij aanvragen bijzondere
                    bijstand rekening te</al><al>houden met het bedrag dat de belanghebbende via een voorliggende voorziening had
                    kunnen</al><al>aanspreken en dat door zijn nalatigheid niet heeft gedaan en ook niet meer kan
                    aanspreken. Zonder</al><al>deze bepaling zou het bedrag dat de gemeente aan bijzondere bijstand moet
                    verstrekken hoger</al><al>worden en is er sprake van een benadelingsbedrag voor de gemeente (het verschil
                    in bedragen</al><al>zonder rekening te houden met een voorliggende voorziening en met een
                    voorliggende voorziening) .</al><al>Via deze bepaling kan dan een maatregel opgelegd worden ter hoogte van het
                    benadelingsbedrag</al><al>voor de gemeente. Belanghebbenden worden hiermee aangespoord om gebruik te maken
                    van</al><al>voorliggende voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 17. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij</al><al>het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale
                    menselijke verkeer in</al><al>alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige</al><al>misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van
                    het recht op een</al><al>uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige
                    misdragingen moeten hebben</al><al>plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van</al><al>WWB.</al><al>In artikel 18 tweede lid WWB wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig</al><al>misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van
                    het college en hun</al><al>ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen
                    maatregel worden</al><al>opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker
                    van een andere</al><al>organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    reïntegratiebedrijf). Het is in</al><al>dat geval mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende
                    gebruikmaken van</al><al>een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9 derde lid van deze
                    verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft</al><al>misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid</al><al>en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Bij de ernst van de gedraging zal de vorm van agressief gedrag mede bepalend
                    zijn voor de hoogte</al><al>van de maatregel.</al><al>(aanvulling per 1-1-2012)</al><al>In artikel 17 lid 1 van de verordening wordt geregeld dat er een maatregel
                    opgelegd kan worden indien</al><al>er sprake is van zeer ernstige misdragingen. Dit lid blijft ongewijzigd in de
                    verordening staan.</al><al>In lid 2 werd bepaald dat het college hoogte en duur in beleidsregels opstelt.
                    Dit is een bevoegdheid</al><al>van de raad en kan niet in beleidsregels door het college bepaald worden. Daarom
                    zijn de maatregelen</al><al>bij zeer ernstige misdragingen in de Afstemmingsverordening Wij en de
                    Afstemmingsverordening</al><al>IOAW / IOAZ wel in de betreffende verordeningen opgenomen. Dat gebeurt nu ook
                    voor de WWB</al><al>door het tweede lid te herzien en het derde en vierde lid toe te voegen. De
                    hoogte en duur van de</al><al>maatregelen zijn gelijk aan de hoogte en duur zoals die opgenomen was in de
                    Afstemmingsverordening</al><al>WIJ en de Afstemmingsverordening IOAW / IOAZ.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid worden 3 vormen van agressie beschreven. In onderdeel a wordt
                    de meest ernstige</al><al>vorm beschreven, in onderdeel c de minst ernstige vorm.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de</al><al>omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het
                    relevant een</al><al>onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld.</al><al>Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust
                    gebruikt om een</al><al>bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering).
                    Agressie die ontstaat door</al><al>onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld
                    in beginsel groter is dan</al><al>bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college</al><al>legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich
                    richtte aangifte kan doen bij</al><al>de politie.</al><al>Derde lid</al><al>Afhankelijk van de vorm van de ernstige gedraging wordt de hoogte en de duur van
                    de maatregel in lid</al><al>1 tot en met 3 vastgesteld. Deze komen overeen met de hoogte en duur zoals die
                    ook al was</al><al>opgenomen in de Afstemmingsverordening WIJ en ook is opgenomen in de
                    Afstemmingsverordening</al><al>IOAW / IOAZ.</al><al>Vierde lid</al><al>Het is aan te bevelen dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin
                    is aangegeven</al><al>hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol
                    kan een relatie</al><al>worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve klanten, in
                    de vorm van</al><al>beleidsregels. Dit is verwoord in de “Handboek veiligheid” onderdeel “Het omgaan
                    met agressie” van</al><al>de gemeente Boxtel.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4a REGELINGEN IN VERBAND MET DE WIJZIGINGEN IN DE WWB EN
                    INTREKKING WIJ 2012. (Toegevoegd per 1-1-2012)</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 a - Wijziging betekenis begrippen. (Toegevoegd per
                    1-1-2012)</tussenkop><al>Reeds toegelicht in het algemene deel (toevoeging per 1-1-2012)</al><tussenkop>Artikel 17 b - Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak (Toegevoegd per
                    1-1-2012)</tussenkop><al>De wetswijziging creëert enkele nieuwe wettelijke verplichtingen:</al><al>• de verplichting2;</al><al>• de verplichting om naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige</al><al>werkzaamheden te verrichten3;</al><al>• de verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te dienen dan
                    vier weken na</al><al>melding4.</al><al>• De verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar mogelijkheden
                    voor werk of</al><al>scholing5</al><al>Om gedragingen die een schending vormen van deze verplichtingen te kunnen
                    sanctioneren, is het in</al><al>ieder geval voor de tweede en derde verplichting noodzakelijk om deze in de
                    Maatregelenverordening</al><al>WWB te benoemen. Gegeven een beleids- en uitvoeringsarme overgang is daartoe
                    geen tekstvoorstel</al><al>gedaan, maar dit kan uiteraard bij dit onderdeel opgenomen worden. De eerste en
                    vierde</al><al>verplichtingen zullen in veel gevallen ook onder één van de reeds in de
                    verordening benoemde</al><al>categorieën gebracht kunnen worden. Voor het zoeken van scholing geldt dat dit
                    niet, maar die</al><al>verplichting treedt pas 1 juli 2012 in werking. Voor de duidelijkheid is in
                    onderdeel C opgenomen dat</al><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van
                    aanpak wordt</al><al>aangemerkt als een gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmert.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 18. Overgangsbepaling</tussenkop><al>Ten einde overgangsrechtelijke problemen in juridisch-technische zin te
                    voorkomen is een</al><al>afzonderlijke</al><al>overgangsbepaling in deze verordening opgenomen.</al><al>2 Art. 9, eerste lid, onderdeel b WWB</al><al>3 Art. 9, eerste lid, onderdeel c WWB</al><al>4 Art. 41, vierde lid WWB</al><al>5 Art. 43, vierde lid WWB</al><al>Hierbij is ook van belang dat het tijdstip waarop het maatregelwaardig gedrag
                    plaatsvond van belang</al><al>is voor de hoogte van de maatregel. Rechtens geldt namelijk de voor de
                    belanghebbende meest</al><al>“gunstige” maatregel bij een vergelijking tussen het beleid zoals dat gold ten
                    tijde van het</al><al>Maatregelwaardig gedrag voor 1 januari 2005 en het beleid op basis van de
                    verordening die van toepassing was vanaf 1 januari 2005, dan wel de verordening
                    die van toepassing is vanaf 1 maart 2006.</al><tussenkop>Artikel 19. Intrekking eerdere verordening</tussenkop><al>Behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 20. De inwerkingtreding</tussenkop><al>Behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21. Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>