<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR194409_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Lansingerland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heraut 19-10-2011/Internet</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR1100231/Voorstelnr. 2011/92 T11.06582</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Lansingerland 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van
                                        artikel 18, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Lansingerland.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan, dan wel de uit de wet, of de artikelen
                                28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet
                                structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De afstemming wordt afgewogen op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De afstemming wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de afstemming ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel12 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>of de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                        met zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot toepassen van afstemming</titel></kop><al>In het besluit tot toepassen van afstemming wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van de afstemming, de duur van de afstemming, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardafstemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een afstemming wordt toegepast, wordt de belanghebbende in
                                de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het toepassen van afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van afstemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. Een afstemming wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het toepassen van afstemming indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het toepassen van afstemming op grond
                                van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De wijze van toepassen van afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de afstemming
                                toegepast met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op
                                de datum waarop het besluit tot het toepassen van de afstemming aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende ten tijde van de beoordeling van de
                                gedraging geen uitkering meer ontvangt, kan de gemeente de
                                afstemming toepassen over de laatste volledige uitkeringsmaand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kan de afstemming met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een besluit tot afstemming van het recht op bijstand niet kan
                                worden uitgevoerd omdat de bijstand is beëindigd of ingetrokken,
                                wordt het besluit alsnog uitgevoerd indien er voor de belanghebbende
                                binnen 12 maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het
                                besluit tot beëindiging of intrekking van de bijstand bekend is
                                gemaakt, wederom recht bestaat op bijstand voor de algemene
                                noodzakelijke kosten van het bestaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een afstemming wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een afstemming
                                die voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast,
                                wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan een gedraging waarmee
                            verschillende verplichtingen als genoemd in artikel 2, eerste lid,
                            worden geschonden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                            afstemming uitgegaan van de verplichting waarop bij schending de
                            zwaarste afstemming is gesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen
                                            van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en
                                            wethouders verstrekken van de bijlage bij het besluit
                                            tot toekenning of voortzetting van de bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid, van de wet,
                                            waaronder begrepen sociale activering.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de afstemming vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een afstemming is toegepast,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een afstemming is
                                toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de betreffende belanghebbende ten tijde van de beoordeling
                                van de gedraging geen uitkering meer ontvangt, kan de gemeente de
                                afstemming toepassen over de laatste volledige uitkeringsmaand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                                toepassing van artikel 54 van de wet een afstemming toegepast van
                                vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd
                                artikel 2, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de afstemming wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een afstemming wordt toegepast opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                                als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                afstemming is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het toepassen van afstemming kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de afstemming
                                aangepast aan de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de afstemming vastgesteld
                                op tien procent van het bruto benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De afstemming kan niet hoger zijn dan het bedrag dat de cliënt
                                maandelijks aan uitkering ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de afstemming, onverminderd artikel 2, tweede lid, vijf procent van
                                de bijstand gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het toepassen van afstemming bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt
                                onverminderd artikel 2, tweede lid, afstemming toegepast van twintig
                                procent gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in afwijking van het eerste lid, het percentage van
                                de verlaging hoger of lager vaststellen, alsmede de duur van de
                                afstemming inkorten of verlengen, rekening houdend met de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                                omstandigheden van de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan naast afstemming uit het eerste lid, eveneens een
                                uitkering verstrekken in de vorm van een geldlening gedurende de
                                periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder
                                of langer recht heeft op bijstand, indien de noodzaak tot
                                bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48
                                lid 2 sub b WWB).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college, zijn ambtenaren, of een andere functionaris die namens het
                                college is belast met de uitvoering van de WWB, onder omstandigheden
                                die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd
                                artikel 2, tweede lid, afstemming toegepast van minimaal twintig
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de afstemming wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                afstemming wordt toegepast opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee
                                afstemming is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt jaarlijks een handhavingsplan aan de gemeenteraad aan
                            met daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding
                            van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en bijstand en de te
                            verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de
                            gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening Wet
                            werk en bijstand 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de bekendmaking
                            van de vaststelling. </al><al>Op dat moment vervalt de Maatregelverordening Wet werk en bijstand van
                            de gemeente Lansingerland.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al/><al>Aldus vastgesteld door de raad van Lansingerland op 29 september
                            2011.</al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>Kees van ’t Hart, Ewald van Vliet</al><al/><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting op de Afstemmingsverordening Wet werk en
                                bijstand gemeente Lansingerland 2011</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand
                            (WWB). Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de
                            WWB of Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet afzonderlijk te definiëren
                            in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van
                            betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet worden
                            gewijzigd. Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen,
                            omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21
                            onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.
                            In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de Awb omschreven als ‘degene wiens belang
                            rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar
                                    vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te
                                    aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten
                                    worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                    toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                    bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke
                                    gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen
                                    van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen
                                    in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden
                                    neergelegd.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkerings-gerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: het toestaan van
                                    huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li><li nr="5."><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval
                                    een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich
                                    jegens het college zeer ernstig misdragen’. </al></li></lijst><al>De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) legt ook
                            verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de
                            verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV
                            Werkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het
                            college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
                            mee te delen aan het UWV Werkbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                            bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de
                            duur van de bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen standaardafstemmingen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient
                            afstemming af te wegen ten aanzien van de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                            met zich mee dat het college bij elke afstemming zal moeten nagaan of
                            gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaard-afstemming geboden is. Afwijking van de
                            standaardafstemming kan zowel een verzwaring als een matiging
                            betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een afstemming moet
                            worden toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde. De ernst van de gedraging komt tot
                                    uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de bijstand wordt
                                    verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                                    6. Matiging van afstemming wegens persoonlijke omstandigheden
                                    kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al></li><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van afstemmingen: de zwaarte van het
                                    geheel van afstemmingen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat afstemming wordt toegepast
                            over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag.</al><al>Tweede lid</al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm (WIJ),
                            die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                            bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de
                            maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd (via de WIJ),
                            zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van oudere groepen in
                            de bijstand.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                            incidentele gevallen afstemming toepast over de bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot toepassen van afstemming</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat afstemming wordt toegepast, vindt
                            plaats door middel van een besluit. Wanneer afstemming bij een lopende
                            uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot vaststelling van de
                            algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt afstemming met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een
                            besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde
                            lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep
                            worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                            met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                            in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                            voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12). In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende
                            voordat afstemming wordt toegepast in beginsel voorgeschreven. Het
                            tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a. en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het toepassen van afstemming</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het toepassen van afstemming ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.
                            Het college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te
                            gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te
                            geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en
                            welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden
                            vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende
                            omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het toepassen van afstemming is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat afstemming spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen afstemming toepast voor
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
                            bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een
                            verjarings-termijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                            hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit
                            dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                            (het benadelings-bedrag) vast te stellen.</al><al>Tweede lid</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van
                            afstemming indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd.</al><al>Derde lid</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            toepassen van afstemming wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive.</al><al>Een waarschuwing in plaats van afstemming.</al><al>Gemeenten zouden in de hun verordening kunnen regelen dat in beginsel
                            eerst altijd een waarschuwing wordt gegeven voordat afstemming wordt
                            toegepast. In deze verordening is hiervoor niet gekozen. Hiervoor zijn
                            twee redenen. De eerste reden is dat een waarschuwing er van uit gaat
                            dat uitkeringsgerechtigden (nogmaals) op de hoogte gesteld moeten worden
                            van hun verplichtingen. Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed
                            mogelijk te informeren over de verplichtingen die aan de bijstand
                            verbonden zijn. Klanten dienen op maat geïnformeerd te worden en ook de
                            dienstverlening zal op maat verzorgd moeten worden. Deze werkwijze maakt
                            onderdeel uit van hoogwaardig handhaven, waarbij handhaven in de
                            bedrijfsvoering is geïntegreerd. Hierdoor zal waarschijnlijk ook de
                            naleving van de verplichtingen groter worden en afstemmingen die worden
                            toegepast beter worden geaccepteerd. De informatie over afstemmingen
                            moet goed toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal geschreven zijn.
                            Een waarschuwing richting klanten kan bij zo’n beleid achterwege
                            blijven.</al><al>De tweede reden om niet te kiezen voor een waarschuwing heeft te maken
                            met het feit dat een waarschuwing er vanuit gaat dat herstel van de oude
                            situatie mogelijk is. Dat is echter niet het geval. Uitgezonderd het
                            niet of niet op tijd voldoen aan bepaalde administratieve
                            verplichtingen, waarbij het verzuim geen gevolgen heeft voor de hoogte
                            van de bijstand, hebben alle andere gedragingen in meer of mindere mate
                            gevolgen (gehad) voor het verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Om
                            die reden wordt in deze verordening alleen bij het te laat verstrekken
                            van informatie aan het college de mogelijkheid geboden om te volstaan
                            met een waarschuwing.</al><al>Overigens is in het individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van
                            het toepassen van afstemming en in plaats daarvan een waarschuwing te
                            geven. In dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel
                            a (afzien van afstemming omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt)
                            of het tweede lid (afzien van afstemming omdat daarvoor dringende
                            redenen aanwezig zijn).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De wijze van toepassing van afstemming</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>Het toepassen van afstemming vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op drie
                            manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt,
                            is de meest voor de hand liggende methode. Gemeenten hoeven in dat geval
                            niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde
                            bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid
                            vastgelegd dat afstemming wordt toegepast met ingang van de
                            eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Als de belanghebbende ten tijde van de beoordeling van de gedraging geen
                            uitkering meer in de volgende maand ontvangt, maar alsnog recht heeft op
                            een volledige uitkeringmaand (nabetaling), kan de afstemming worden
                            toegepast op deze laatste volledige uitkeringsmaand.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald, waaronder ook het gereserveerde vakantiegeld. De
                            bevoegdheid wordt ontleend aan artikel 60 lid 3 WWB. In dat geval moet
                            de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Vierde lid</al><al>Indien het recht op bijstand is beëindigd of ingetrokken en al volledig
                            is uitbetaald, kan er geen afstemming van het recht meer plaatsvinden.
                            Dit lid opent de mogelijkheid om het besluit alsnog uit te voeren indien
                            de belanghebbende binnen 12 maanden na dagtekening van de beschikking,
                            waarin het besluit tot beëindiging of intrekking van de bijstand bekend
                            is gemaakt, opnieuw een beroep doet op bijstand. Een termijn van 12
                            maanden wordt een redelijke termijn geacht.</al><al>In beschikking kan een aankondiging plaatsvinden van de afstemming bij
                            terugkeer in de bijstand binnen 12 maanden. Een dergelijke afstemming
                            kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat
                            worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                            recht op bijstand binnen 12 maanden beoordelen in hoeverre er nog
                            aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen.</al><al>Vijfde lid</al><al>Dit lid regelt dat afstemming voor bepaalde tijd wordt toegepast. Door
                            afstemming voor een bepaalde periode toe te passen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met afstemming wordt geconfronteerd waar hij
                            aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor afstemming
                            is getroffen opnieuw afstemming toepassen. Hiervoor is dan wel weer een
                            apart besluit nodig.</al><al>Wordt afstemming voor een langere duur dan drie maanden toegepast, dan
                            zal het college de afstemming aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. Gemeenten mogen zelf
                            bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt
                            binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                            herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij
                            alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                            gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                            beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste afstemming wordt
                            gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                            betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu
                            wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende verplichtingen die door één gedraging van een
                            bijstandsgerechtigde worden geschonden. De regeling geldt dus niet voor
                            verschillende gedragingen die verschillende schendingen van
                            verplichtingen met zich meebrengen. Indien sprake is van schending van
                            meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen
                            van de afstemming te worden uitgegaan van de gedraging waarop de
                            zwaarste maatregel van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om
                            zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te
                            doen blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan,
                            het (standaard) trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als
                            bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand
                            meegestuurd. Deze verplichting geldt uiteraard alleen als de gemeente
                            voorschrijft dat bijstandsgerechtigden een trajectplan moeten
                            ondertekenen.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling
                            op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende
                            om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een
                            oproep.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                            vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer
                            voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde
                            beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die
                            de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze
                            categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende
                            meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder ook sociale activering
                            verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de
                            aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de
                            bijstand deeltijdarbeid niet behouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de afstemming</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling bevat de standaardafstemmingen voor de vier categorieën
                            van gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd, zullen gemeenten zich twee vragen moeten
                            stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de uitkering aan de
                                    eisen van proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende
                                    gedraging in ogenschouw wordt genomen? </al></li><li nr="2."><al>In hoeverre zal het opleggen van de maatregel effectief zijn, in
                                    de zin dat de afstemming de beoogde gedragsverandering bij de
                                    bijstandsgerechtigde zal bewerkstelligen? </al></li></lijst><al>Tweede lid</al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de afstemming. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot afstemming, ook indien
                            de afstemming wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                            bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                            waarop het besluit waarmee de afstemming is toegepast, bekend is
                            gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidiveafstemming slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belang-hebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de afstemming individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            betrokkene.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><structuurtekst><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                            informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>1. Artikel 11: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan
                                    de gemeente. In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing.
                                    Het college kan in dat geval het recht op bijstand opschorten en
                                    belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te
                                    stellen termijn het verzuim te herstellen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 12: het verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige
                                    inlichtingen aan de gemeente, waardoor er ten onrechte een
                                    uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag aan bijstand is
                                    verstrekt. In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet
                                    voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Het
                                    opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover de
                                    gemeente, met het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen
                                    (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van artikel
                                    17.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat door het niet verstrekken van bepaalde
                            gevraagde gegevens de rechtmatigheid van de uitkering niet kan worden
                            vastgesteld. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat
                            een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de
                            bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering).</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                            gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                            college het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB).
                            Het college geeft de cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                            verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                            gemeente verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het
                            intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de
                            gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, wordt de
                            bijstand voortgezet, maar wordt tevens afstemming toegepast. Dit lid
                            regelt de hoogte van de afstemming.</al><al>Tweede lid</al><al>Indien de belanghebbende zich binnen één jaar nadat hij/zij kennis heeft
                            genomen van het besluit tot toepassen van afstemming wederom schuldig
                            maakt aan een gedraging in dezelfde categorie (artikel 9 van deze
                            verordening) wordt de duur van de afstemming verdubbeld (artikel 10 van
                            deze verordening). Deze verdubbeling is ook van toepassing indien in het
                            jaar voorafgaande aan het constateren van de afstemmingswaardige
                            gedraging in dezelfde categorie om dringende redenen is besloten af te
                            zien van toepassen van afstemming.</al><al>Derde lid</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen afstemming. Dit wil zeggen dat
                            bij herhaling van de gedraging in principe afstemming wordt toegepast
                            zonder toepassing van de recidive-afstemming. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek
                            of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. Het college zal moeten vaststellen wat het onder ‘onverwijld’
                            verstaat.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                            benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag
                            aan bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>De afstemming wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk
                            gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de
                            schending van die verplichting ten onrechte of teveel aan de
                            belanghebbende is betaald. De afstemming wordt toegepast op de
                            toekomstige bijstandsuitkering van de belanghebbende.</al><al>Derde lid</al><al>Deze bepaling sluit uit dat afstemming wordt toegepast die hoger is dan
                            de bijstandsuitkering die de belanghebbende ontvangt, en die als het
                            ware zou voortduren in de volgende maand.</al><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Voor gemeenten bestaat de verplichting om proces-verbaal op te maken en
                            aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) indien er sprake is
                            van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 10.000,- (de
                            aangifterichtlijn sociale zekerheid).</al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het toepassen van
                            afstemming niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan.</al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de
                            afstemming die is toegepast door het bestuursorgaan. Dit is het principe
                            van ‘anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan
                            tot het toepassen van afstemming, als het OM inmiddels een sanctie heeft
                            opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op
                            dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                            overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor
                            beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen
                            ‘dubbele bestraffing’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                            gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude
                            zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                            vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de
                            bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het te laat
                            verstrekken van informatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="·"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering.</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de
                            afstemming en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit
                            geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene
                            gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn
                            gebleven.</al><al>In het derde lid wordt gesteld dat naast de toe te passen afstemming, de
                            gemeente eveneens kan overgaan tot het vertrekken van leenbijstand. Het
                            verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening is conform
                            artikel 48 lid 2 sub b van de WWB. De mogelijkheid van samenloop is
                            opgenomen ter verduidelijking van het verschil tussen afstemming
                            enerzijds, en de vorm van de bijstand anderzijds, hetgeen overigens
                            wordt ondersteund door een uitspraak van de CRvB (d.d. 09-11-1999, nr.
                            98/924 NABW).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen afstemming toepassen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van WWB.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                            aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen
                            afstemming worden toegepast als een klant zich agressief heeft gedragen
                            tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                            uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf).</al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om afstemming toe te passen
                            wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze
                            verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de afstemming in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken
                            tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel
                            geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om
                            een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van afstemming staat geheel los van het doen van aangifte
                            bij de politie. Het college past en afstemming toe, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie.</al><al>Het is aan te bevelen dat een gemeente over een agressie protocol
                            beschikt waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en
                            agressieve klanten. In zo’n agressie-protocol kan een relatie worden
                            gelegd met het afstemmingsbeleid ten aanzien van agressieve klanten, in
                            de vorm van beleidsregels. De gemeente kan bij de bescherming tegen
                            agressie ook zich baseren op de Arbeidsomstandighedenwet (ARBO). In de
                            ARBO is expliciet geregeld dat werkgevers hun medewerkers moeten
                            beschermen tegen agressie.</al><al/><al><vet>De artikelen 16 t/m 18 spreken voor zich en behoeven geen nadere
                                toelichting.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>