<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR192469_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten in de Krant van Midden-Drenthe d.d. 4 juli 2012 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 8 lid 1 onder b, 8a en 18 Wwb; artt. 35 lid 1 onder b en c, en 20 IOAZ; artt. 35 lid 1 onder b en c en 20 IOAW</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>vervangt oude regeling uit 2010 ivm intrekking WIJ</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAW-norm: de IOAW-grondslag bedoeld in artikel 5, derde,
                                        vierde en vijde lid IOAW;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ-norm: de IOAZ-grondslag bedoeld in artikel 5, vierde
                                        lid IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel
                                        18, tweede lid, van de Wwb; of verlagen van de
                                        inkomensvoorziening op grond van artikel 20, derde lid IOAW;
                                        of verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel
                                        20, eerste lid IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>norm: de van toepassing zijnde de IOAW-grondslag,
                                        IOAZ-grondslag en Wwb-norm.</al></li><li nr="g."><al>uitkering(en): bijstandsuitkering Wwb en inkomensvoorziening
                                        IOAW, IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Wwb: de Wet werk en bijstand, inclusief Besluit
                                        bijstandverlening zelfstandigen 2004; </al></li><li nr="i."><al>Wwb-norm: de Wwb-norm bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                                        Wwb; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen in deze verordening, die niet nader zijn omschreven,
                                hebben dezelfde betekenis als in de IOAW, IOAZ, Wwb en de Algemene
                                wet bestuursrecht (Awb).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de beschikking, de
                                gemeentelijke verordeningen IOAW, IOAZ, of Wwb, de IOAW, IOAZ, of
                                Wwb, de artikelen 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt op grond van het bepaalde in
                                deze verordening een maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert en kan daarom naar boven of naar
                                beneden afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                percentages.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de van toepassing zijnde norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand als aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de Wwb. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Horen van een belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en er sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden zijn; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                        verstrekken als bedoeld in de IOAW, IOAZ, of Wwb.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende betaling
                            volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel
                            is bekendgemaakt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indeling in categorieën maatregelen op grond van de IOAW, IOAZ,
                                en Wwb</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 37 IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ, artikel 38 IOAZ,
                            artikel 9 Wwb, artikel 9a Wwb, artikel 55 Wwb niet of onvoldoende is
                            nagekomen en de inlichtingenplicht op grond van artikel 13 IOAW, artikel
                            20 IOAW, artikel 13 IOAZ, artikel 20 IOAZ, artikel 17 Wwb, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Eerste categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen
                                            van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college gestelde termijn
                                            verstrekken van informatie die van belang is voor het
                                            plan van aanpak, de uitkering of de voorzetting daarvan.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al><onderstreept>Tweede categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden; </al></li><li nr="b."><al>het niet verschijnen op een oproep, cursus of
                                            scholingsmogelijkheid of het niet of in onvoldoende mate
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen zorg, sociale
                                            activering en inburgering;</al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak;</al></li><li nr="d."><al>het niet voldoen aan de verplichting tot het leveren van
                                            een tegenprestatie naar vermogen;</al></li><li nr="e."><al>het niet voldoen aan de reintegratieverplichtingen die
                                            een alleenstaande ouder heeft indien hem een ontheffing
                                            van de arbeidsplicht is verleend.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><onderstreept>Derde categorie</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in algemeen
                                            geaccepteerde arbeid belemmeren; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen zorg, sociale
                                            activering of inburgering. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al><onderstreept>Vierde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel IOAW, IOAZ, en Wwb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, tweede lid van deze
                                verordening vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>5% van de norm, gedurende een maand bij gedragingen van de
                                        eerste categorie; </al></li><li nr="b."><al>20% van de norm, gedurende een maand bij gedragingen van de
                                        tweede categorie; </al></li><li nr="c."><al>50% van de norm, gedurende een maand bij gedragingen van de
                                        derde categorie; </al></li><li nr="d."><al>100% van de norm, gedurende een maand bij gedragingen van de
                                        vierde categorie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie
                                of wordt vermenigvuldigd met drie bij het zich daarna nogmaals
                                schuldig maken aan een verwijtbare gedraging van dezelfde
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een maatregel van 5% wordt afgezien en er wordt volstaan met een
                                schriftelijke waarschuwing als het gaat om het niet tijdig inleveren
                                van het rechtmatigheidsformulier en een dergelijke gedraging de
                                afgelopen 12 maanden niet eerder heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen de leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid Wwb, wordt, met
                                inachtneming van artikel 2, tweede lid van deze verordening, een
                                maatregel opgelegd van 50% van de norm, gedurende één maand. Indien
                                de maatregel betrekking heeft op bijzondere bijstand dan kan de
                                bijzondere bijstand geheel worden geweigerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van
                                toepassing op de IOAW en IOAZ. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die verband houden
                                met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20, tweede lid
                                IOAW, artikel 20, eerste lid IOAZ of artikel 18, tweede lid Wwb,
                                wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, een
                                maatregel opgelegd van 50% van de norm, gedurende één maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid kan, bij minimaal twee zeer ernstige
                                misdragingen, onverminderd artikel 2, tweede lid van deze
                                verordening, een maatregel worden opgelegd van 100% van de norm,
                                gedurende één maand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college stelt ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                            uitkeringen jaarlijks een onderzoeksplan ter beoordeling van de
                            rechtmatigheid op. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde
                            in deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de “Maatregelenverordening 2012
                            gemeente Midden-Drenthe”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2012. </al></li><li nr="2."><al>De “Maatregelenverordening 2010 gemeente Midden-Drenthe” wordt
                                    ingetrokken op 1 juli 2012. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 28 juni 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>C.J. Onderwater</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Broertjes</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>Deze maatregelverordening regelt de maatregelen voor de IOAW, IOAZ, en Wwb. De
                    gemeente Midden-Drenthe kent één gezamenlijke verordening om niet met een
                    veelheid aan verordeningen te worden geconfronteerd. Het is een verordening met
                    zoveel mogelijk eenvoud in de soorten van gedragingen die kunnen leiden tot een
                    maatregel en voor eenvoud in de hoogte en duur van op te leggen maatregelen.
                    Specifieke maatregelen voor jongeren zijn om die redenen niet afzonderlijk
                    ondergebracht in het maatregelenregime. Deze werkwijze is ingegeven door de wens
                    om burger, bestuur en uitvoering met deze verordening een instrument te bieden
                    dat maatregelen helder formuleert, zonder afbreuk te doen aan specifieke
                    kenmerken van gedragingen.</al><al>De algemene toelichting opgesplitst in twee delen. </al><lijst><li nr="1."><al>Toelichting op de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de
                            Wet werk en bijstand (Wwb<vet>).</vet></al></li><li nr="2."><al>Een toelichting op handhaving van de IOAW, IOAZ, en Wwb </al></li></lijst><al>Waar in deze verordening en toelichting “zijn” wordt genoemd, mag ook” haar”
                    worden gelezen.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 is de Wet investering in jongeren (WIJ) van
                    rechtswege komen te vervallen. Jongeren die een beroep op Wwb doen vallen met
                    ingang van 1 januari 2012 dan ook onder het regime van Wwb. Ze vielen vanaf 2010
                    al onder de “Maatregelenverordening gemeente Midden-Drenthe 2010”. </al><al><vet>1.</vet><vet>Toelichting op de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (IOAZ) en de Wet werk en bijstand (Wwb) </vet></al><al>De Wwb kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Artikel 18
                    Wwb bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een verordening
                    vast te leggen. </al><al>Dit artikel luidt: </al><al>1.Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. 2. Het college
                    verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste
                    lid, onderdeel <cursief>b</cursief>, ter zake van het niet of onvoldoende
                    nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet
                    dan wel de artikelen 30C van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                    inkomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen,
                    dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in
                    het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. 3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld
                    in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                    maanden bedraagt. 4. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder
                    belanghebbende mede verstaan het gezin en de ten laste komende kinderen van de
                    alleenstaande ouder.</al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is. </al><al>In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                    verplichtingen: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht
                    zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent
                    dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                    toepasselijke norm en de beschikbare middelen, maar ook van de mate waarin de
                    opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel
                    komt dat een belanghebbende zijn verplichtingen onvoldoende nakomt, wordt de
                    uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                    verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het
                    college af van een verlaging. Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden
                    overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. </al><al><vet>De term ‘maatregel’ </vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt aangeduid als het
                    afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde
                    verplichtingen nakomt. Met de begrip „afstemmen” wordt het uitgangspunt
                    benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. Om te
                    onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt voor gemeenten om
                    maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een
                    verplichting voldoet, duidt het college van Midden-Drenthe de verordening aan
                    als „maatregelenverordening”. </al><al><vet>Het verlagen van de bijstand </vet></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, Wwb kan de bijstand worden verlaagd. In
                    deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd
                    over de norm. De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een
                    maatregel. Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van groot
                    belang. De verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan
                    worden. De burger kan dit in de verordening nalezen. Daarnaast behoudt de
                    gemeente de mogelijkheid om een maatregel op grond van individuele
                    omstandigheden te matigen of te verzwaren. </al><al><vet>De relatie met de Re-integratieverordening </vet></al><al>In de Re-integratieverordening staat hoe het college de cliënten gaat
                    ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe het college omgaat met het
                    aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van
                    voorzieningen zijn: scholing, sociale activering, work-firtst en stages. In
                    beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene
                    verplichting staat in de wet. Gemeenten kunnen deze verplichting echter nader
                    specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de
                    beschikking vastleggen. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken
                    aan de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt
                    plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet
                    nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in
                    de maatregelenverordening.</al><al><vet>IOAW en IOAZ</vet></al><al>In de `Maartegelenverordening 2010 Midden-Drenthe` zijn de IOAW en IOAZ
                    onderdeel geworden van deze verordening en zijn de op te leggen maatregelen,
                    zoveel mogelijk, gelijk aan de Wwb. De toelichting op de Wwb is eveneens van
                    toepassing op de IOAW en IOAZ. De term bijstand moet dan worden gelezen als
                    inkomensvoorziening. De van toepassing zijnde artikelen zijn in deze verordening
                    benoemd en zijn qua strekking en inhoud overeenkomstig aan de Wwb.</al><al><vet>Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz)</vet></al><al>Deze maatregelenverordening is tevens van toepassing op zelfstandigen welke
                    bijstand ontvangen op grond van het Bbz. Met ingang van 1 juli 2011 zijn de
                    verplichtingen van de maatregelenverordening van toepassing op zelfstandigen
                    (zie artikel 78f en artikel 78g Wwb). De toelichting op de Wwb is eveneens van
                    toepassing op de Bbz. </al><al><vet>2. Toelichting op handhaving van de IOAW, IOAZ, en Wwb </vet></al><al><vet>De verordening op grond van artikel 35, eerste lid, onderdeel c IOAW,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel c IOAZ en artikel 8a Wwb </vet></al><al>Deze artikelen bepalen dat de gemeenteraad in het kader van het financiële
                    beheer bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte
                    ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
                    Hierin wordt aandacht besteed aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                    gebruik van gemeentelijke regelingen. Een goed financieel beheer bij de
                    uitvoering van de IOAW, IOAZ, en Wwb brengt met zich dat daarbij ook voortdurend
                    aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Door
                    handhaving op te nemen bij de verordening maatregelen hoeft geen aparte fraude-
                    of handhavingsverordening te worden opgesteld.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting </titel></kop><al>In onderstaande toelichting wordt een toelichting per artikel gegeven. </al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In de verordening wordt het begrip „norm” gebruikt. Dit begrip is de
                        verzameling van de toepasselijke norm op grond van de IOAW, IOAZ, en Wwb.
                        Hiermee wordt de norm voor de toepasselijke uitkering voor de belanghebbende
                        wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken bedoeld. In het
                        begrip “norm” wordt verwezen naar de IOAW-norm, IOAZ-norm en Wwb-norm. Al
                        deze normen zijn eveneens opgenomen in de begripsomschrijving. </al><al>Overal waar de Wwb wordt benoemd kan, indien van toepassing, worden gelezen
                        Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). De Bbz valt via artikel
                        78 f en 78g onder de Wwb.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de IOAW, IOAZ, Wwb en de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op een uitkering de volgende
                        verplichtingen: </al><lijst><li nr="1."><al>de arbeidsverplichtingen (artikel 20 en 37);</al></li><li nr="2."><al>de inlichtingenverplichting (artikel 13, eerste lid);</al></li><li nr="3."><al>de medewerkingsplicht (artikel 13, tweede lid);</al></li><li nr="4."><al>de identificatieplicht (artikel 13, derde en vierde lid).</al></li></lijst><al>De Wwb verbindt aan het recht op een uitkering de volgende verplichtingen: </al><al>1.het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening</al><al> in het bestaan (artikel 18, tweede lid);</al><lijst><li nr="2."><al>de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9);</al></li><li nr="3."><al>de informatieplicht (artikel 17, eerste lid);</al></li><li nr="4."><al>de medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid).</al></li></lijst><al>Als meerdere maatregelen min of meer gelijktijdig plaatsvinden kunnen deze
                        gelijktijdig worden opgelegd. In die situatie is afstemming op grond van het
                        tweede lid van extra belang. Alle verplichtingen die voortkomen uit
                        beschikkingen en gemeentelijke verordeningen (kunnen) leiden tot het
                        opleggen van een maatregel.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                        betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het
                        UWV WERKbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het
                        college en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                        alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV WERKbedrijf, waarvan
                        hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                        het recht op uitkering, het geldend maken van het recht of de hoogte of de
                        duur van de uitkering. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Voor allerlei gedragingen zijn standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm
                        van een vaste verlaging van de norm. In het tweede lid is de hoofdregel
                        neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de
                        individuele omstandigheden en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling
                        brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal
                        moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden afwijking van de
                        hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                        Afwijking van de standaardmaatregel <onderstreept>kan zowel een verzwaring
                            als een matiging betekenen</onderstreept>. Dit betekent dat het college
                        bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd de volgende drie
                        stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                belanghebbende.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage waarmee de
                        bijstand of inkomensvoorziening wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde
                        maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan in bijvoorbeeld de volgende
                        situaties aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere
                                aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen of gezinnen met drie
                                of meer meerderjarige gezinsleden;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de norm. Het gaat dan om de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                        toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Dit lid heeft betrekking op de 18 tot 21-jarigen. Deze jongeren ontvangen
                        een lage norm, die als dit noodzakelijk is wordt aangevuld met aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. In deze gevallen kan
                        de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor
                        levensonderhoud. Als de maatregel alleen op de lage norm wordt opgelegd, zou
                        dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Horen van een belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht is in een
                        aantal gevallen het horen van een belanghebbende verplicht bij de
                        voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de
                        voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële
                        aanspraak (artikel 4:12), behalve bij subsidies. </al><al>In dit artikel wordt het horen van een belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                        uitzonderingen op de hoorplicht. </al><al>Het horen gebeurt door het schriftelijk vragen om een (bij voorkeur)
                        schriftelijke reactie binnen een gestelde termijn of door de belanghebbende
                        uit te nodigen voor een gesprek en mondeling om een reactie te vragen. Een
                        weergave van zowel de schriftelijke als een mondelinge reactie moet in de
                        rapportage worden vermeld. Dit maakt zichtbaar welke activiteiten in het
                        kader van de vastgestelde maatregel zijn genomen en hoe de afweging heeft
                        plaatsgevonden. </al><al>Maatregelen in verband met schending inlichtingenplicht zijn vaak punitief
                        (bestraffende maatregel); maatregelen in verband met niet nakomen
                        arbeidsverplichtingen zijn vaak reparatoir (herstelmaatregel). Voor een
                        punitatieve maatregel moet de belanghebbende worden gehoord voordat tot
                        oplegging van de maatregel wordt overgegaan en dat bij het horen de “cautie”
                        wordt verleend. Dit wil zeggen dat de belanghebbende erop gewezen wordt dat
                        deze niet verplicht is om antwoorden te geven op vragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging kan </al><al>–indien mogelijk- worden geëffectueerd bij de eerst volgende betaaldatum.
                        Het verlagen van de uitkering die nog moet worden betaald, is de
                        gemakkelijkste methode. Het college hoeft in dat geval niet over te gaan tot
                        herziening en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen. Om die reden is
                        vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                        betaling na bekendmaking. Bij een gezinsnorm, bedoeld in artikel 21, eerste
                        lid van de wet, wordt de maatregel berekend op de gezinsnorm van het gezin,
                        maar de maatregel wordt toegerekend aan het gezinslid met de
                        maatregelwaardige gedraging.</al><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Daardoor weet de
                        belanghebbende die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe
                        is. Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                        zal het college de maatregel aan een herbeoordeling onderwerpen. Slechts in
                        uitzonderlijke situaties zal hier sprake van zijn. Herbeoordeling is
                        geregeld in artikel 18, derde lid Wwb. Het college mag zelf bepalen wanneer
                        die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden
                        nadat het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                        besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden
                        opnieuw worden bezien. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                        beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                        gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                        betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel
                        aan zijn verplichtingen voldoet. In de gevallen dat een maatregel voor een
                        periode van maximaal drie maanden wordt opgelegd, wordt de uitkering na
                        afloop van deze maatregelperiode zonder nadere rapportage, ongekort
                        voortgezet. Dit is slechts anders als de belanghebbende zich na bekendmaking
                        van de maatregel en vóór het verstrijken van de maatregelperiode opnieuw
                        maatregelwaardig gedraagt. In dat geval kan (al dan niet direct aansluitend
                        op de eerdere maatregel) opnieuw een (hogere) maatregel worden opgelegd. Dit
                        op basis van een nieuw besluit. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indeling in categorieën maatregelen op grond van de IOAW, IOAZ en
                            Wwb</titel></kop><al>In dit artikel worden de gedragingen die verband houden met het geen of
                        onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                        geaccepteerde arbeid in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst
                        van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                        geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                        verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. </al><al>Tevens worden de gedragingen die verband houden met het schenden van de
                        inlichtingenplicht in de eerste categorie van gedragingen ondergebracht. </al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De <vet><onderstreept>eerste categorie</onderstreept></vet></al><al><onderstreept>Onder a.</onderstreept> betreft de formele verplichting om
                        zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV WERKbedrijf en
                        ingeschreven te blijven.</al><al><onderstreept>Onder b.</onderstreept> betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>de zogeheten „nulfraude”: het verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                                voor de hoogte van de uitkering. Voorbeelden van nulfraude zijn het
                                niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of
                                het niet melden van vrijwilligerswerk.</al></li><li nr="-"><al>een belanghebbende die de voor de verlening van uitkering van belang
                                zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt,
                                kan het college het recht op uitkering opschorten (artikel 13,
                                eerste lid IOAW en IOAZ, artikel 54, eerste lid, WWB). Het kan
                                daarbij gaan om het niet tijdig aanleveren van specifiek gevraagde
                                gegevens in het kader van een onderzoek. Het college geeft
                                vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen
                                (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de
                                gestelde termijn verstrekt, dan kan het college de uitkering
                                stopzetten (het intrekken van het besluit tot toekenning). Worden de
                                gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt
                                de uitkering voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd.
                                Zie echter ook de toelichting onder artikel 7, derde lid.</al></li><li nr="-"><al>in artikel 13, eerste lid IOAW en IOAZ en artikel 17, eerste lid Wwb
                                is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen
                                beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan
                                hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
                                zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering.</al></li></lijst><al>Waarbij:</al><lijst><li nr="-"><al>Opgemerkt wordt dat de op te leggen maatregel bij inlichtingenfraude
                                niet op zich staat. Naast het opleggen van een maatregel wordt
                                tevens het ten onrechte uitgekeerde bedrag teruggevorderd.</al></li><li nr="-"><al>Uitgangspositie in de uitvoeringspraktijk blijft dat wanneer er
                                sprake is van een bruto benadelingsbedrag van € 10.000,- of meer de
                                fraude wordt afgehandeld door middel van een door de afdeling
                                Fraudebestrijding aan het OM in te sturen proces-verbaal.
                                Inlichtingenfraude tot € 10.000,- kan door middel van een maatregel
                                worden afgedaan. Is er echter sprake van „witte‟fraude (door
                                koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de
                                gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van</al><al> € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat
                                geldt ook als er geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen
                                maatregel kan worden toegepast. </al></li></lijst><al>De <vet><onderstreept>tweede categorie</onderstreept></vet> betreft de
                        verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen
                        verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te
                        solliciteren, een school te vinden en te voldoen aan een oproep. Hierbij kan
                        het ook gaan om afspraken in het kader van zorg, sociale activering, een
                        noodzakelijke (medische) behandeling en inburgering en scholing (het
                        daadwerkelijk volgen van lessen) of een andere voorziening. De actieve
                        opstelling wordt ook verwacht ten aanzien van alle onderdelen van het plan
                        van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet.</al><al><onderstreept>Onder d.</onderstreept> Het niet of onvoldoende gebruik maken
                        van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen, zoals
                        bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c Wwb, artikel 37, eerste lid
                        onderdeel f IOAW en IOAZ kan leiden tot een maatregel. Het college heeft de
                        bevoegdheid om van mensen met een uitkering Wwb, IOAW en IOAZ een
                        tegenprestatie te verlangen. Het gaat om onbeloonde maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden. De tegenprestatie moet voldoen aan de volgende
                        randvoorwaarden:</al><lijst><li nr="·"><al>niet gericht zijn op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="·"><al>niet in de weg mag staan aan acceptatie van arbeid of
                                re-integratie;</al></li><li nr="·"><al>bestaat uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt zijn;</al></li><li nr="·"><al>bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde naar vermogen
                                kan verrichten;</al></li><li nr="·"><al>onbeloond wordt verricht naast of in aanvulling op de reguliere
                                arbeidsmarkt;</al></li><li nr="·"><al>wordt ondersteund met voorzieningen als scholing, kinderopvang en
                                premies.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onder e. </onderstreept>Indien een alleenstaande ouder die de
                        volledige zorg heeft voor een kind tot vijf jaar een ontheffing van de
                        plicht tot arbeidsinschakeling heeft dan moet een maatregel worden opgelegd
                        als niet aan de aan de ontheffing verbonden re-integratieverplichtingen(art.
                        9a Wwb) wordt voldaan. Als verwijtbaarheid ontbreekt, kan hiervan worden
                        afgezien. </al><al>In de <vet><onderstreept>derde categorie</onderstreept></vet> gaat het om
                        gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of
                        het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen
                        van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en
                        om gedragingen die bewust de kansen op arbeidsinschakeling verminderen.
                        Voorbeelden hiervan zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en
                        onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder ook
                        maatschappelijke participatieplaatsen en inburgering verplicht kan worden
                        gesteld. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het bewust belemmeren
                        van arbeidsinschakeling en het geen gebruik maken van een door de gemeente
                        aangeboden voorziening van een zwaardere categorie is. Van scholing kan
                        gezegd worden dat het bewust niet volgen ervan leidt tot een maatregel van
                        de derde categorie. Een enkele keer een les verzuimen valt echter onder de
                        tweede categorie. </al><al>De <vet><onderstreept>vierde categorie</onderstreept></vet> betreft het niet
                        aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en het voorafgaand aan de
                        aanvraag door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                        dan wel het tijdens de bijstand niet behouden van deeltijdarbeid of het niet
                        aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van (door de gemeente)
                        aangeboden arbeid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel IOAW, IOAZ en Wwb</titel></kop><al>De regels voor hoogte en duur van een maatregel gelden voor elke
                        maatregelwaardige gedraging afzonderlijk. Dat betekent dat meerdere
                        maatregelen gelijktijdig mogelijk zijn. Het kan daarbij noodzakelijk zijn om
                        naast de hoogte te beoordelen of de maatregel over meerdere maanden moet
                        worden verdeeld. In de toetsing moet in samenhang met artikel 2, tweede lid
                        worden beoordeeld of het nodig is af te wijken van de gestelde percentages
                        en/of de duur.</al><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en
                        het niet of niet tijdig verstrekken van inlichtingen. Het genoemde
                        percentage houdt in dat de op te leggen maatregelen in de beschikking zal
                        worden vermeld in een percentage van de van toepassing zijnde norm gedurende
                        een maand. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Als binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                        verwijtbare gedraging van dezelfde categorie, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van <vet>de
                            duur </vet>van de maatregel in de voor die gedraging van toepassing
                        zijnde categorie. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                        gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een maatregel. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarmee de eerdere maatregel is opgelegd, bekend is
                        gemaakt. Van recidive is ook sprake als de eerste maatregel is opgelegd aan
                        een ander gezinslid. Met belanghebbende kan immers ook het gezin worden
                        bedoeld. </al><al>Als de belanghebbende zich na het opleggen van de in duur verdubbelde
                        maatregel binnen twaalf maanden na bekendmaking daarvan opnieuw schuldig
                        maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie dan wordt de
                        maatregel verdrievoudigd (de oorspronkelijke maatregel vermenigvuldigd met
                        drie). </al><al>Mocht als gevolg van meervoudige recidive een honderd procent maatregel
                        worden opgelegd die qua duur meer bedraagt dan drie maanden, dan moet,
                        binnen drie maanden nadat het besluit is genomen een herbeoordeling
                        plaatsvinden. Een marginale beoordeling volstaat dan. </al><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Hier wordt geregeld dat het mogelijk is om van een maatregel af te zien en
                        alleen een schriftelijke waarschuwing te geven. Het gaat uitsluitend om het
                        niet tijdig inleveren van het rechtmatigheidsformulier (RMF). Wordt het RMF
                        wel ingeleverd, maar niet binnen de gestelde termijn, dan geven we een
                        schriftelijke waarschuwing. Een waarschuwing is geen maatregel. Bij
                        herhaling gaat het niet om recidive en is het tweede lid van dit artikel
                        niet van toepassing. Het alsnog verstrekken van de gevraagde informatie
                        wordt in tijd begrensd door de start van de werkzaamheden om tot een
                        maatregelbesluit te komen. In die situatie is een waarschuwing niet meer
                        mogelijk. Indien de afgelopen 12 maanden al is volstaan met een waarschuwing
                        is een waarschuwing niet nogmaals mogelijk en is een maatregel op zijn
                        plaats.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt al voordat een uitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een uitkering aanvraagt,
                        de gemeente bij de toekenning hiermee rekening kan houden door het opleggen
                        van een maatregel. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan
                        uit allerlei gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                                alimentatievordering.</al></li></lijst><al>De hoogte van de op te leggen maatregel is 50% van de norm gedurende één
                        maand. </al><al>Hier is vastgelegd dat als het om bijzondere bijstand, als bedoeld in
                        artikel 35 Wwb, gaat deze bijzondere bijstand geheel kan worden geweigerd
                        bij het tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. </al><al>Afstemming vindt plaats op grond van artikel 2, tweede lid. Dat kan zowel
                        een verhoging als een verlaging van de hoogte en/of duur van de maatregel
                        opleveren. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In dit artikel verschilt de Wwb van de IOAW en IOAZ. Deze regelingen bieden
                        geen mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel als bedoeld in het
                        eerste lid. Artikel 8 van deze verordening is daarom niet van toepassing op
                        een aavraag voor IOAW en IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Onder de term „zeer ernstige misdragingen‟kunnen diverse vormen van agressie
                        worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                        gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                        onacceptabel kan worden beschouwd. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om verbale
                        uitingen of gedragingen, schade aan eigendommen of goederen, verbale
                        bedreigingen richting een persoon of lichamelijk geweld. Het college kan een
                        maatregel opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging
                        en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het
                        recht op bijstand of inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt
                        bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                        omstandigheden die verband houden met het niet nakomen van de verplichtingen
                        die voortvloeien uit de IOAW, IOAZ en Wwb. Dergelijke maatregelen kunnen
                        daarom opgelegd worden aan cliënten of personen die dit worden of (geweest)
                        zijn en voor zover het laakbare gedrag tevens tot gevolg heeft dat degene
                        die zich misdraagt hierdoor een uit de IOAW, IOAZ of Wwb voortvloeiende
                        verplichting niet of onvoldoende is nagekomen (CRvB 29-07-2008, 0/1329 Wwb,
                        LJN: BD7970).</al><al>In artikel 20, tweede lid IOAW, artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 18,
                        tweede lid Wwb wordt gesproken over „het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen”. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                        tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                        opleggen van een maatregel Er kan dus in principe geen maatregel worden
                        opgelegd voor gedragingen tegenover een medewerker van een andere
                        organisatie (bijv. het UWV WERKbedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk om
                        een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van
                        een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 6 van deze
                        verordening). Naast het doen van aangifte en/of het voeren van een
                        ordegesprek wordt als uitgangspunt aan de agressieve persoon een maatregel
                        opgelegd van 50% van de norm voor een maand. </al><al>Op grond van artikel 2, tweede lid kan de maatregel worden afgestemd. Dat
                        kan zowel een verhoging als een verlaging van de hoogte en/of duur van de
                        maatregel opleveren. Een voorstel tot een maatregel kan pas worden gedaan
                        nadat de medewerker tegen wie de agressie gericht was of door wiens cliënt
                        vernielingen zijn aangericht hierover overleg gevoerd heeft met zijn
                        leidinggevende. Vanwege het feit dat wat onder „zeer ernstig misdragen” moet
                        worden verstaan slechts in algemene omschrijvingen kan worden aangegeven en
                        beoordeling van dit gedrag ook sterk afhankelijk is van de omstandigheden
                        van het geval en de persoon van degene die over dit gedrag moet rapporteren
                        is het nodig om individuele verschillen tussen medewerkers met betrekking
                        tot de invulling wat onder zeer ernstig misdragen moet worden verstaan zo
                        klein mogelijk te laten zijn. Het hoofd is hiervoor de aangewezen persoon.
                        Hierbij is het agressieprotocol van toepassing. Bij het opleggen van een
                        maatregel worden de omstandigheden en de gang van zaken vastgelegd in een
                        rapport. </al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Als een zeer ernstige misdraging zich opnieuw voordoet binnen twee jaar, te
                        rekenen vanaf de datum waarop de beschikking waarin de eerste maatregel is
                        opgelegd is verzonden, dan bedraagt deze 100% van de norm voor een maand. Op
                        grond van artikel 2, tweede lid kan de maatregel worden afgestemd. Dat kan
                        zowel een verhoging als een verlaging van de hoogte en/of duur van de
                        maatregel opleveren. Bij meer zeer ernstige misdragingen ligt het in de rede
                        de duur van de maatregel van 100% minimaal te verdubbelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 35, eerste lid onderdeel c IOAW,
                        artikel 35, eerste lid onderdeel c IOAZ en artikel 8a Wwb, op grond waarvan
                        de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening
                        regels dient vast te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand als mede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                        wetten. Hier is bepaald, dat het college ter voorkoming van misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van bijstandsuitkeringen of inkomensvoorzieningen
                        jaarlijks een onderzoeksplan opstelt, waarin wordt aangegeven op welke wijze
                        de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen wordt beoordeeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in
                        deze verordening. Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het
                        opleggen van een maatregel indien de maatregel tot een onaanvaardbare
                        hardheid leidt. Wat onaanvaardbare hardheid is, is afhankelijk van de
                        concrete situaties en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De naam waaronder deze verordening bekend is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>De Maatregelenverordening 2012 gemeente Midden-Drenthe treedt in werking op
                        1 januari 2012. In deze verordening zijn zowel de maatregelen voor de IOAW,
                        IOAZ, als voor de Wbb vastgelegd. Gelijktijdig wordt de
                        Maatregelenverordening 2010 gemeente Midden-Drenthe ingetrokken, welke tot 1
                        januari 2012 van toepassing is. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>