<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19245_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-06-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch gemeenteblad d.d. 5 juni 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gemeenteblad 2013, nummer 20</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>werk en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geconsolideerde versie incl. toelichting</al><al>de regeling is van rechtswege vervallen door inwerkingtreding van de Participatiewet op 1 januari 2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="2" colwidth="2.18*"/><colspec colname="3" colwidth="8.70*"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>de wet:</al></entry><entry><al> de Wet werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>het college:</al></entry><entry><al> het college van burgemeester en
                                                  wethouders;</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet
                                voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit tot verlaging wordt onder toepassing van artikel 18,
                                derde lid, van de wet binnen 3 maanden door het college
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging van de bijstandsnorm wordt toegepast op de norm, zoals
                                die voor belanghebbende geldt in de periode waarop de verlaging
                                betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten tot het verlagen van de bijzondere
                                bijstand of de langdurigheidstoeslag indien de verwijtbare gedraging
                                van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand
                                of langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit</titel></kop><al>In het besluit tot verlaging worden, voor zover van toepassing, vermeld:
                            de reden, de duur en het percentage van de verlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijn die voor beoordeling van verlaging in aanmerking wordt
                                genomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een besluit tot verlaging wordt niet genomen na verloop van één jaar
                                nadat die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                gedraging ten onrechte bijstand is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                                die heeft geleid tot ten onrechte verleende bijstand wordt niet
                                genomen na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging
                                heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden betreffende het behouden van arbeid en
                            het nakomen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling ex artikel 9
                            van de wet , worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringenof het niet
                                    tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders
                                    verstrekken van het plan, gericht op het vergroten van de
                                    mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces, zoals
                                    bedoeld in artikel 5, zesde lid van de Re-integratieverordening
                                    Wet werk en bijstand.</al></li></lijst><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden, waaronder mede wordt verstaan het
                                    onvoldoende meewerken aan het opstellen of evaluaren van het
                                    plan van aanpak ex artikel 44a van de wet.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>Derde categorie:</al><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.</al><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid waaronder tevens WSW- arbeid wordt verstaan;</al></li><li nr="3."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging in de situaties waarin geen of
                                onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van
                                algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                een als verwijtbaar aangemerkte gedraging, opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aangemerkte gedraging van dezelfde of hogere
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij samenloop van gedragingen bedoeld in het eerste lid die niet tot
                                een zelfde feitencomplex behoren worden de percentages en duur
                                opgeteld,</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging ingevolge dit artikel wordt toegepast met ingang van de
                                eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het
                                besluit tot verlaging aan belanghebbende wordt bekendgemaakt. Indien
                                de verlaging op deze wijze niet of niet volledig kan worden
                                geëffectueerd wordt de verlaging toegepast met ingang van de eerste
                                dag van de gedraging of van de periode waarop de gedraging
                                betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid wordt de verlaging toegepast vanaf
                                de ingangsdatum van de bijstand indien de gedraging wordt
                                geconstateerd bij de beoordeling van een aanvraag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel> artikelen 8 tot en met 10 zijn vervallen bij raadsbesluit d.d.
                            23-5-2013, uitgezonderd voor de situaties waarin het overgangsrecht ex
                            art. XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving van toepassing is</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt, indien een belanghebbende
                                een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan, anders dan door gedragingen als bedoeld
                                in hoofdstuk 2 , heeft betoond de bijstand verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>met een op basis van de zich voordoende individuele
                                        omstandigheden door het college te bepalen tijdelijke
                                        verlaging van de bijstandsnorm, indien belanghebbende
                                        verwijtbaar de hem opgelegde verplichtingen niet of niet
                                        behoorlijk nakomt</al></li><li nr="b."><al>met 10% van de bijstandsnorm gedurende de periode die
                                        belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien
                                        hij op verantwoordelijke wijze de middelen waarover hij
                                        beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben
                                        aangewend, met dien verstande dat deze periode niet langer
                                        dan 36 maanden is</al></li><li nr="c."><al>met 100 % van de bijstandsnorm gedurende maximaal 3 maanden
                                        als de bijstandsafhankelijkheid wordt veroorzaakt door een
                                        bestuurlijke boete als gevolg van het bij herhaling schenden
                                        van een in een andere uitkeringsregeling geldende
                                        inlichtingenverplichting, met dien verstande dat de
                                        verlaging zal worden gematigd in de situaties als omschreven
                                        in artikel 3 en 4 van de Verordening verrekening
                                        bestuurlijke boete</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging ingevolge dit artikel wordt toegepast met ingang van de
                                eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het
                                besluit tot verlaging aan belanghebbende wordt bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt de verlaging toegepast vanaf
                                de ingangsdatum van de bijstand indien de gedraging wordt
                                geconstateerd bij de beoordeling van een aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verlagingen van uitkeringen krachtens het Besluit
                                bijstandsverlening zelfstandigen 2004</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de zelfstandige niet voldoet aan de verplichtingen zoals
                                bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid, van het Besluit
                                bijstandsverlening zelfstandigen 2004, wordt een op basis van de
                                zich voordoende individuele omstandigheden door het college te
                                bepalen tijdelijke verlaging van de bijstand vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan de zelfstandige onder toepassing van artikel 38, derde
                                lid, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 de
                                verplichting tot arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 van
                                de wet, niet of onvoldoende nakomt, wordt de verlaging vastgesteld
                                onder toepassing van artikel 6 en 7 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt, indien een belanghebbende
                                zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn
                                ambtenaren, de verlaging vastgesteld op ten hoogste honderd procent
                                van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van categorieën
                                van misdragingen, zoals bedoeld in het eerste lid, en de
                                bijbehorende verlagingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening,indien toepassing van de verordening tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14a</nr></kop><al>Op de uitkeringsgerechtigden die algemene bijstand van de Sociale
                            Verzekeringsbank ontvangen is voor de vaststelling van deze bijstand in
                            afwijking van de voorgaande artikelen het maatregelenbeleid van de SVB
                            (zoals gepubliceerd in de Staatscourant) van toepassing</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening Wet
                            werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 augustus 2004.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al> Opmerking:</al><al>Bovenstaande betreft een geconsolideerde versie van de oorspronkelijke tekst van
                    de raadsverordening d.d. 14 juni 2004.</al><al> De nadien genomen wijzigingsbesluiten zijn hierin verwerkt.</al><al/><al><cursief>Verwerkte wijzigingen</cursief></al><al/><al>Artikel 6 onder "derde categorie" geldt per 15-5-2005 (raadsbesluit 28-4-2005).
                    Tot deze datum was de gedraging als vermeld in de vierde categorie onder 3
                    ingedeeld in de derde categorie.</al><al>Art. 14 a is in werking getreden per 1-1-2009 na raadsbesluit d.d.
                    17-12-2008.</al><al>Artikel 6 onder tweede categorie geldt per 1-1-2012 (raadsbesluit d.d.
                    14-12-2011). Tot deze datum gold de tekst tot aan de komma.</al><al>Artikelen 1, 2 en 8 tot en met 11 zijn gewijzigd bin raadsbesluit d.d. 23-5-2013
                    per 1 januari 2013.</al><al>Toelichting raadsbesluit d.d. 23 mei 2013:</al><al>Op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is
                    per 1 januari 2013 in een aantal situaties in verband met de invoering van de
                    boete niet langer een maatregel van toepassing boete. De betreffende passages
                    zijn in de verordening aangepast. </al><al>In verband met de introductie van de bestuurlijke boete is het opleggen van een
                    maatregel bij overtreding van de inlichtingenplicht ex artikel 17 lid 1 WWB
                    alleen nog van toepassing in situaties waarop het wettelijk overgangsrecht
                    betrekking heeft. Dit zijn met name overtredingen die uitsluitend in een tijdvak
                    tot 1 januari 2013 zijn begaan en pas later worden geconstateerd.</al><al>De gestandaardiseerde verlaging van de bijstand in geval van een recidiverende
                    overtreder van een andere uitkeringsregeling die door het verrekenen van de
                    boete bijstandsafhankelijk wordt sluit aan op de regelgeving in de Verordening
                    bestuurlijke boete bij recidive. Het bedrag van de verlaging komt overeen met de
                    verrekening die als gevolg van deze verordening zou worden toegepast ten
                    opzichte van een recidiverende bijstandsgerechtigde. Daartoe wordt een verlaging
                    van 100% gedurende drie maanden mogelijk gemaakt met een matiging in geval van
                    geen of onvoldoende bezit.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op verordening vastgesteld op 14 juni 2004</titel></kop><al/><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al-groep><al>Met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand (WWB) komt het systeem
                        van boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot
                        en met 14f ABW, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit ABW, Ioaw en Ioaz
                        en Boetebesluit sociale zekerheidswetten) te vervallen. In plaats daarvan
                        zullen gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent
                        slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als
                        sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben
                        geschonden, verdwijnt.</al><al>Gemeenten hebben tot 1 januari 2005 de tijd om een Afstemmingsverordening
                        vast te stellen. Wel geldt de voorwaarde dat de Afstemmingsverordening
                        gelijktijdig met de re-integratieverordening in werking treedt. In de
                        kadernotitie WWB is aangekondigd dat de gemeente Sittard-Geleen streeft naar
                        vaststelling van de verordeningen ingevolge de WWB in de raadsvergadering
                        van 25 maart 2003 en naar inwerkingtreding per 1 juni 2004.</al><al>Tot het moment dat de Afstemmingsverordening van kracht is geworden, blijven
                        de artikelen 14 tot en met 14f ABW in de gemeente gelden. Dit geldt ook voor
                        het Maatregelenbesluit ABW, Ioaw en Ioaz en Boetebesluit sociale
                        zekerheidswetten</al></al-groep><tussenkop>Reikwijdte van de Afstemmingsverordening.</tussenkop><al-groep><al>In artikel 8, eerste lid, onder b, jo. artikel 18, tweede lid en artikel 36,
                        zesde lid, WWB is de gemeenteraad de verplichting opgelegd regels te
                        formuleren die in verlaging van algemene bijstand, bijzondere bijstand en
                        langdurigheidstoeslag voorziet, indien de belanghebbende een tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan
                        dan wel zijn verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                        het zich zeer ernstig misdragen.</al><al>In het eerste lid van artikel 18 WWB wordt gesproken over het afstemmen van
                        de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                        benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                        verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                        recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                        omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een
                        directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van
                        uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan
                        de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te
                        worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet
                        alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare
                        middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de toegepaste
                        verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt
                        dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate
                        nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een
                        bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig de door de
                        gemeenteraad vast te stellen Afstemmingsverordening.</al></al-groep><al-groep><al>Deze verordening is alleen van toepassing op WWB-uitkeringsgerechtigden. Een
                        aparte doelgroep binnen de WWB zijn de (startende) zelfstandigen. Het Rijk
                        is voornemens de bijstandsverlening aan zelfstandigen neer te leggen in een
                        aparte wet. In verband hiermee hierop zijn de bepalingen ten aanzien van
                        deze groep voor het grootste gedeelte opgenomen in het nieuwe Besluit
                        bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Hierin zijn geen bepalingen opgenomen
                        over verlagingen. In deze verordening is dan ook een afzonderlijke bepaling
                        opgenomen over een verlaging als een zelfstandige zijn verplichtingen niet
                        nakomt.</al><al>Zowel de bijstand (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand)
                        als de langdurigheidstoeslag kunnen worden verlaagd. De verordening bevat
                        met name specifieke bepalingen ten aanzien van de mate en duur van verlaging
                        van algemene bijstand. Het karakter van de bijzondere bijstand leent zich er
                        immers niet voor om door middel van het benoemen van gedragingen de
                        afstemming te reguleren, te meer daar veelal sprake zal zijn van incidentele
                        bijstandsverlening. Dit neemt echter niet weg dat het college in de
                        individuele situatie met tekortkomingen bij de beoordeling van de verlening
                        van bijzondere bijstand rekening moet kunnen houden. De keuze om niet in
                        zijn algemeenheid verlagingen toe te passen op de langdurigheidstoeslag
                        houdt verband met artikel 36, eerste lid sub c WWB.</al><al>Op grond van deze bepaling moet de langdurigheidstoeslag onder meer worden
                        geweigerd als iemand gedurende de referteperiode van 60 maanden naar het
                        oordeel van het college onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde
                        arbeid te verkrijgen en aanvaarden.</al></al-groep><tussenkop>De relatie met de re-integratieverordening</tussenkop><al-groep><al>Gemeenten moeten ook een re-integratieverordening vaststellen. In deze
                        verordening zullen zij moeten vastleggen hoe zij de cliënten gaan
                        ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaan met het aanbieden
                        van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies,
                        gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies, kinderopvang en stages.
                        In beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De
                        algemene verplichting staat in de wet genoemd.</al><al>Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen
                        met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking
                        vastleggen. In de re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de
                        voorzieningen die de gemeente kan inzetten. De vertaling daarvan vindt
                        plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen
                        niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een verlaging, waarvoor de basis is
                        gelegd in de Afstemmingsverordening.</al></al-groep><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene
                    wet bestuursrecht.</al><al>Volstaan wordt met een verwijzing naar die wetten, zodat bij een eventuele
                    definitiewijziging in die wetten de verordening niet hoeft te worden
                    aangepast.</al><tussenkop>Artikel 2.</tussenkop><al-groep><al>De WWB en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI)
                        verbinden aan het recht op een uitkering een aantal verplichtingen.
                        Onderstaand worden deze in het kort omschreven.</al><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                        in het bestaan is ingevolge artikel 18, tweede lid).</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9) bestaat uit 2 onderdelen,
                        namelijk het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen en
                        aanvaarden, alsmede het gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht
                        op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                        verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                        bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening vormt de juridische basis
                        voor het toepassen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen
                        zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden
                        neergelegd. </al><al>Op belanghebbende rust de verplichting aan het college op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
                        Bovendien is hij verplicht om desgevraagd de medewerking te verlenen die
                        redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht
                        kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals het toestaan van
                        huisbezoek en het meewerken aan een onderzoek. De inlichtingenplicht en
                        medewerkingsplicht zijn neergelegd in artikel 17 WWB. Artikel 18, tweede lid
                        WWB, noemt als een gedraging die in ieder geval een schending van de
                        medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen’.</al></al-groep><al-groep><al>De Wet SUWI bevat de verplichting om alle gevraagde gegevens en
                        bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die
                        nodig zijn voor de beslissing door het college en de verplichting om op
                        verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee
                        te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
                        recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of de hoogte
                        of de duur van de bijstand (artikel 28, tweede lid, en artikel 29, eerste
                        lid, Wet SUWI).</al><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld.
                        De bepaling in het tweede lid brengt met zich mee dat het college bij elke
                        op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                        omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de
                        hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                        Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een
                        matiging betekenen. Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt moet van
                        verlaging worden afgezien. De termijn van de verplichte heroverweging is in
                        het derde lid vastgesteld op 3 maanden. Deze heroverweging is op grond van
                        deze bepaling dan ook verplicht als de verlaging 3 maanden heeft
                        voortgeduurd, waarbij het college bevoegd is om een kortere termijn te
                        hanteren. Bij zo’n herbeoordeling hoeven niet opnieuw alle relevante feiten
                        en omstandigheden die in het eerste besluit hebben meegewogen tegen het
                        licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><al>Het uitgangspunt is dat een verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm. Onder
                    de bijstandsnorm wordt verstaan de basisnorm voor voorziening in algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan, vermeerder of verminderd met gemeentelijke
                    toeslag of verlaging op grond van de Toeslagenverordening. Een dergelijke
                    verlaging kan veelal niet worden geëffectueerd als het gaat om bijzondere
                    bijstand. In de algemene toelichting is op de mogelijkheden tot verlaging van
                    bijzondere bijstand nader ingegaan. In dergelijke gevallen dient een op de
                    situatie afgestemde besluit te worden genomen. Waar mogelijk dient zo veel
                    mogelijk te worden aangesloten bij de hoofdregel om rechtsongelijkheid te
                    voorkomen. Als voorbeeld kan worden gewezen op de bijzondere bijstand aan
                    jongeren op grond van art. 12 WWB als aanvulling op de algemene bijstand. Als
                    uitsluitend een verlaging op de algemene bijstand ( lage jongerennorm) zou
                    worden toegepast, zou dit kunnen leiden tot een hogere uitkering dan ten behoeve
                    van een 21 jarige in vergelijkbare omstandigheden.</al><tussenkop>Artikel 4.</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een verlaging wordt toegepast, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit
                    het motiveringsbeginsel. In de hiervoor in aanmerking komende situaties, met
                    name de verlagingen van algemene bijstand, zal ook de ingangsdatum, de termijn
                    en het percentage van verlaging van de relevante bijstandsnorm vermeld moeten
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 5.</tussenkop><al-groep><al>Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een besluit
                        tot verlaging spoedig nadat de verwijtbare gedraging is betoond, wordt
                        genomen. Om deze reden wordt geregeld dat tot verlagingen niet wordt
                        besloten na verloop van één jaar. Voor gedragingen die een schending van de
                        informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is
                        verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt echter een
                        afwijkende termijn.</al><al>Met de termijn van 5 jaar wordt aangesloten bij de termijn in artikel 14e
                        Algemene bijstandswet (ABW) voor het toepassen van een boete wegens
                        niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor
                        de hand, gelet op de ernst van de gedraging (fraude).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al-groep><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich
                        als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen
                        blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het
                        trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij het
                        besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand meegestuurd. In de
                        re-integratie verordening is opgenomen dat de desbetreffende krachtens de
                        ABW geldende verplichting als gemeentelijk beleid wordt voortgezet.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                        arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                        bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.</al><al>In de derde categorie gaat het om het stellen van niet-verantwoorde
                        beperkingen ten aanzien van de arbeid, zoals negatieve gedragingen bij
                        sollicitaties.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid, het door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                        geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel het tijdens de bijstand
                        (deeltijd)arbeid niet behouden. Onder algemeen geaccepteerde arbeid dient
                        tevens een eerder aanvaarde arbeidsbetrekking in WSW verband te worden
                        verstaan. Deze situatie moet worden onderscheiden van iemand die geen
                        aanvraag </al></al-groep><al-groep><al>voor een WSW-indicatie wil doen omdat dan geen maatregel op de uitkering kan
                        worden opgelegd. Evenmin kan op grond van het feit dat een WSW-geïndiceerde
                        op de wachtlijst een passend aanbod voor WSW-arbeid weigert, een maatregel
                        op de uitkering worden opgelegd.</al><al>Tot slot is per 15 mei 2005 een gedraging als het niet of in onvoldoende
                        mate meewerken aan de uitvoering van een trajectplan in deze categorie
                        ingedeeld.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 7.</tussenkop><al-groep><al>De gedragingen die in artikel 6 zijn gecategoriseerd zijn in artikel 7
                        gekoppeld aan gestandaardiseerde verlagingen. De hoogte en duur van deze
                        verlagingen zijn ontleend aan het Maatregelenbesluit.</al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                        herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Dit
                        betekent dat iedere verwijtbaar gedrag via een besluit kenbaar zal moeten
                        worden gemaakt, ook indien de gedraging op grond van andere redenen dan het
                        ontbreken van verwijtbaarheid niet heeft geleid tot een verlagingsbesluit.
                        Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging slechts één keer worden
                        toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                        hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        individuele omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Bij samenloop van afzonderlijke gedragingen worden de (eventueel
                        verschillende) percentages en tijdvakken getotaliseerd. Een gedraging van
                        een van de partners die geleid zou hebben tot een verlaging van 5 % voor de
                        duur van 2 maanden in combinatie met een gedraging van de andere partner
                        waaraan een verlaging is verbonden van 10 % gedurende 1 maand leidt dan tot
                        een verlaging van15% gedurende 1 maand en van 5% gedurende de daaropvolgende
                        maand. Indien deze systematiek mocht leiden tot een verlaging van meer dan
                        100% wordt het meerdere niet overgeheveld naar een daaropvolgende
                        maand.</al><al>Het toepassen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. De WWB laat het toe om een verlaging van de uitkering op twee
                        manieren te effectueren, namelijk met terugwerkende kracht of door middel
                        van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Om te
                        voorkomen dat een groot aantal herzienings- en terugvorderingsbesluiten
                        genomen zouden moeten worden, is bepaald dat in beginsel een verlaging wordt
                        toegepast met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
                        beschikkingsdatum c.q. de ingangsdatum van bijstandsverlening. In de
                        uitzonderlijke situaties waarin dit niet mogelijk is ( b.v. in verband met
                        beëindiging van uitkering) vindt de verlaging plaats met terugwerkende
                        kracht, hetgeen dan wel tot een herzienings- en terugvorderingsbesluit zal
                        moeten leiden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8.</tussenkop><al-groep><al>De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                        benadelingsbedrag dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                        onrechte of te veel is betaald. Hiermee wordt zo veel mogelijk aangesloten
                        bij de boetesystematiek in het kader van de ABW. Bij de vaststelling van de
                        maximumverlaging is rekening gehouden met de maximale geldboete, zoals die
                        door de strafrechter wordt opgelegd. Deze maximale verlaging zal
                        waarschijnlijk niet vaak voorkomen. Op grond van de “Aanwijzing Sociale
                        Zekerheidsfraude” dient er in principe bij fraude vanaf € 6.000,- (bruto
                        bedrag inclusief de af te dragen of afgedragen loonheffing en premies)
                        aangifte gedaan te worden bij het Openbaar Ministerie (OM) en dient er een
                        proces-verbaal opgemaakt te worden. Als het OM een zaak niet accepteert
                        wordt de gemeente geïnformeerd en zal er alsnog een besluit tot verlaging
                        genomen moeten worden.</al><al>Indien er een strafvervolging is ingesteld, wordt een besluit tot verlaging
                        niet genomen zolang het OM de gedraging onderzoek. Is de strafvervolging
                        zover gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                        genomen of er een schikking heeft plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr,
                        dan blijft een verlagingsbesluit definitief achterwege. Het ‘una via’
                        beginsel kan zich immers verzetten tegen een samenloop van een aanpassing
                        van de uitkering door een bestuursorgaan wegens inlichtingenfraude en een
                        strafrechtelijke afdoening. De Centrale Raad van Beroep heeft dit in het
                        (recente) verleden geregeld tot uitdrukking gebracht.</al><al>Omwille van de flexibiliteit in regelgeving wordt het college bevoegd
                        verklaard om de in het tweede lid van dit artikel aangegeven bedragen aan te
                        passen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 9.</tussenkop><al-groep><al>Het besluit tot verlaging op grond van artikel 18, tweede lid, WWB en de
                        bepalingen in deze verordening laat onverlet dat er een besluit moet worden
                        genomen waarbij de ten onrechte verleende bijstand wordt teruggevorderd.
                        Deze afstemmingsverordening is er niet voor bedoeld om hierop nader in te
                        gaan. Het college heeft over terugvordering nadere beleidsregels
                        vastgesteld. Artikel 9 geeft daarentegen de wijze van tenuitvoerlegging van
                        de als gevolg van schending van de informatieplicht opgelegde verlaging
                        weer, waarbij als uitgangspunt geldt dat de op grond van artikel 8 berekende
                        verlaging optimaal moet worden geëffectueerd. Indien het besluit wordt
                        genomen op een tijdstip waarin belanghebbende geen verdere aanspraak op
                        bijstand heeft dient zo mogelijk de verlaging te worden toegepast gedurende
                        de periode waarop de inlichtingenfraude betrekking heeft. Deze methodiek
                        heeft echter alleen maar effect voor situaties, waarin er toch nog een
                        gedeeltelijk recht op bijstand zou hebben bestaan als de betreffende
                        informatie destijds bekend zou zijn geweest. In de andere situaties wordt
                        immers al na een besluit ex artikel 54, lid 3, WWB de volledige bijstand
                        teruggevorderd. In laatstbedoelde situaties en in situaties waarin
                        anderszins de verlaging niet volledig kan worden geëffectueerd kan tot
                        (verdere) effectuering worden overgegaan als belanghebbende alsnog een
                        beroep doet op bijstand binnen een termijn van 5 jaar na het desbetreffend
                        besluit.</al><al>In het vierde lid gaat het in tegenstelling tot artikel 5, lid 2 van deze
                        verordening om de effectuering van een besluit tot verlaging. Artikel 5
                        heeft daarentegen betrekking op het tijdstip van het in artikel 8 bedoelde
                        besluit, dat – in overeenstemming met de boetesystematiek - genomen moet
                        worden binnen 5 jaar na de gedraging.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 10.</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel geeft weer welke instrumenten moeten worden toegepast in de
                        situaties waarin geconstateerd wordt dat belanghebbende de informatieplicht
                        heeft geschonden, doch deze tekortkoming niet heeft geleid tot een
                        benadelingsbedrag. Een voorbeeld van een dergelijke “nulfraude” is het niet
                        opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens.</al><al>Het recht op bijstand blijft in de hier bedoelde situaties onverkort
                        bestaan.</al><al>Ook wordt hieronder verstaan de omstandigheid waarin een cliënt de voor de
                        verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde
                        bewijsstukken niet op tijd verstrekt en het recht op bijstand wordt
                        opgeschort (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de cliënt
                        vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                        hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                        gemeente verstrekt, dan wordt de uitkering beëindigd door middel van het
                        intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand met ingang van de
                        opschortingsdatum. Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn
                        verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar wordt een waarschuwing
                        gegeven of – bij een herhaalde tekortkoming - een verlaging toegepast. Het
                        verstrekken van onvolledige informatie naar aanleiding van een aanvraag
                        leidt tot het niet in behandeling nemen of afwijzen van de aanvraag. Een
                        verlaging van toe te kennen uitkering is dan ook niet aan de orde. Een
                        waarschuwing is evenmin opportuun, tenzij blijkt van een kennelijke
                        bedoeling of opzet tot fraude.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 11.</tussenkop><al-groep><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden door het toepassen van een verlaging.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken.</al><al>Enkele voorbeelden: een onverantwoorde besteding van vermogen, het door
                        eigen toedoen geen aanspraak maken op een voorliggende voorziening, het niet
                        nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                        alimentatievordering.</al><al>Het is niet mogelijk om op voorhand alle in aanmerking komende situaties in
                        beeld te brengen. Veelal zal bovendien sprake zijn van de beoordeling van
                        een aanvraag om bijzondere bijstand, waarin maatwerk is vereist. Het college
                        moet om deze reden dan ook een op de individuele situatie toegesneden
                        besluit kunnen nemen. De situatie zoals vermeld in het eerste lid onder b is
                        niet uitzonderlijk, zodat regulering is vereist. De onder de ABW geldende
                        beleidslijn wordt hierbij gehandhaafd. De vorm van de bijstand wordt in de
                        betreffende periode vastgesteld op een geldlening.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><al-groep><al>Aan een zelfstandige kunnen op grond van artikel 38 lid 1 Bbz 2004
                        specifieke verplichtingen gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                        beroepsuitoefening worden opgelegd. Het stellen van deze verplichtingen is
                        aan de orde wanneer er sprake is van gebreken in de bedrijfsvoering en
                        wanneer, zonder aanpassing hiervan, de voortzetting van het bedrijf of
                        beroep in gevaar komt. Op grond van artikel 38 lid 2 van de Bbz 2004 is de
                        zelfstandige verplicht om binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar uit
                        eigen beweging of op verzoek van het college zijn administratie te
                        overleggen. Het college moet een op situatie afgestemd verlagingsbesluit
                        kunnen nemen ten aanzien van de zelfstandige die niet aan de hier bedoelde
                        verplichtingen voldoet.</al><al>Indien een beroep of bedrijf tijdelijk (d.w.z. gedurende ten minste een
                        halfjaar) niet kan worden uitgeoefend, dient de zelfstandige te proberen in
                        het bestaan te voorzien door naar arbeid in dienstbetrekking uit te zien. In
                        die situatie worden middels een beschikking de verplichting tot
                        arbeidsinschakeling opgelegd. Bij het niet of niet voldoende meewerken aan
                        deze verplichting, moet een verlaging worden toegepast overeenkomstig
                        artikel 6 en 7.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 13.</tussenkop><al-groep><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich zeer ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks worden
                        onderscheiden:</al></al-groep><lijst><li nr="·"><al>verbaal geweld;</al></li><li nr="·"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="·"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="·"><al>mensgericht fysiek geweld; In dit verband is het tevens relevant een
                            onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld.
                        </al></li></lijst><al-groep><al>Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld
                        bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen
                        van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                        onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie.
                        Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel
                        geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie.</al><al>In dit artikel wordt de marge van de verlaging aangegeven en krijgt het
                        college de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Dit kan in de vorm van
                        het vaststellen van gecategoriseerde gedragingen en standaardverlagingen en
                        deze op te nemen in een allesomvattend agressieprotocol.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 14.</tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                    Afstemmingsverordening bij het college.</al><tussenkop>Artikel 14a</tussenkop><al>Dit artikel is per 1 januari 2009 toegevoegd bij besluit van de raad van
                    17-12-2008 en hangt samen met de mandatering aan de Sociale Verzekeringsbank van
                    de uitvoering van de algemene bijstand voor personen van 65 jaar en ouder.</al><tussenkop>Artikel 15.</tussenkop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever in artikel 18 WWB.</al><tussenkop>Artikel 16.</tussenkop><al-groep><al>De Afstemmingsverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet
                        referendabel.</al><al>De datum van de inwerkingtreding van de Toeslagenverordening moet daarom,
                        met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op ten minste 6
                        weken na datum publicatie gesteld worden. De inwerkingtreding van alle
                        ingevolge de WWB vast te stellen verordeningen is bepaald op 1 augustus
                        2004.</al><al/></al-groep></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>