<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR192425_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Midden-Drenthe 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteberichten in de Krant van Midden-Drenthe 4 juli 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wwb 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 8 lid 1 onder c en 30 Wwb</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Midden-Drenthe 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gezinsnorm: de norm als bedoeld in artikel 21, eerste lid
                                        van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is alleen van toepassing op alleenstaanden en
                                alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar en
                                op gezinnen waarvan alle meerderjarige gezinsleden 21 jaar of ouder
                                maar jonger dan 65 jaar zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel
                                18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet wordt
                                verstrekt aan de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens
                                woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>een meerderjarig kind als bedoeld in artikel 4, tweede lid
                                        van de wet;</al></li><li nr="b."><al>een zorgbehoevende waarvan het college heeft vastgesteld dat
                                        hij niet tot een gezin behoort op grond van artikel 4,
                                        vijfde lid van de wet;</al></li><li nr="c."><al>de medebewoners van een kamerbewoner in een commercieel
                                        pension.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Gezin</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gezinsnorm voor gezinnen in wiens woning één ander
                                zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20
                                procent van de gezinsnorm voor gezinnen in wiens woning twee of meer
                                anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>Verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet:</al><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin lagere
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin
                                    de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn
                                            verbonden;</al></li><li nr="b."><al>de betaling van de woonkosten door een ander dan wie in
                                            de woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het
                                    bedrag van de minimale normhuur volgens de Wet op de huurtoeslag
                                    (Wht).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt 10% van de
                            gezinsnorm indien het een jongere van 21 of 22 jaar betreft. Deze
                            verlaging wordt niet toegepast als er geen recht op een toeslag op grond
                            van artikel 3 bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: <vet>“Toeslagenverordening
                                Wet werk en bijstand gemeente
                                Midden-Drenthe</vet><vet>2012”.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>De “Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Midden
                                    Drenthe 2010” wordt ingetrokken per 1 juli 2012.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 28 juni 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>C.J. Onderwater J. Broertjes</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>1.Norm, toeslag en verlaging</al><al>Hoofdstuk 3 van de Wwb kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. </al><al>In de Wwb maakt het voor de financiering door het Rijk echter geen verschil of
                    bijstand is toegekend als norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2.</al><al>Paragraaf 3 voorziet in toeslagen en verlagingen.</al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal basisnormen,
                    te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>gezin: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gezinsnorm)</al></li><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm</al></li></lijst><tussenkop>Toeslagen</tussenkop><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    als de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen
                    worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast
                    betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde
                    woning hebben. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant
                    etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gezinsnorm, de uitkering is dan
                    maximaal voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gezinsnorm</al></li><li nr="·"><al> alleenstaanden: 70% van de gezinsnorm </al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gezinsnorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening. </al><al>Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. </al><al>Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een toeslag
                    rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de mogelijkheid
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.)</al><tussenkop>Verlagingen</tussenkop><al>De Wwb noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gezinnen
                            (artikel 26 Wwb);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 Wwb)</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beeindigen van een studie
                            (artikel 28 Wwb);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd alleenstaanden van 21 en 22 jaar
                            gezien de hoogte van het minimumloon.</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening. Van
                    een verlaging in verband met het beëindigen van een studie zien we af. Uit
                    jurisprudentie blijkt dat deze verlaging in veel gevallen niet kan worden
                    toegepast, omdat het inkomen onder het bestaansminimum komt te liggen (CRvB 12
                    mei 2009, LJN BI5349). De andere verlagingen passen we wel toe.</al><al>2.De Toeslagenverordening</al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 Wwb is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet worden
                    vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college
                    het beleid kan uitvoeren.</al><tussenkop>Categorieën</tussenkop><al>Artikel 30 Wwb bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 Wwb bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. </al><al>3.Berekening toepasselijke bijstandsnorm</al><al>De hoogte van de uitkering algemene bijstand </al><al>voor personen van 21 tot 65 jaar kan als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2."><al>a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><tussenkop>OF</tussenkop><lijst><li nr="b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gezinnen)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie.</al></li><li nr="4."><al>Korten met verlaging wegens de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden.</al></li></lijst><al>De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde afstemming
                    van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet. </al><tussenkop>4. Gezinsinkomen</tussenkop><al>Nieuw in de Wwb is dat meerderjarige kinderen en de ouders van meerderjarige
                    kinderen die in dezelfde woning wonen in beginsel tot hetzelfde gezin behoren.
                    Zij hebben gezamenlijk recht op bijstand. Het gezin kan dan bestaan uit twee,
                    maar ook uit meer dan twee personen. Voor de hoogte van de bijstand van het
                    gezin maakt dat niet uit. De systematiek van toeslagen en verlagingen is door
                    dit nieuwe begrip niet gewijzigd. Het betekent wel dat meerderjarige kinderen
                    geen zelfstandig recht op bijstand hebben. Bovendien zijn de voorwaarden voor
                    het recht op bijstand van toepassing voor alle gezinsleden.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de Wwb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de Wwb ook de Verordening moet worden
                    gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gezinsnorm is gekozen, omdat de hoogte van deze
                    norm in de Wwb zelf wordt gegeven in artikel 21, eerste lid Wwb. Dit bedrag is
                    feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch
                    jonger dan 65 jaar. </al><al>De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als de partner om
                    bepaalde redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht heeft op bijstand
                    (artikel 13, eerste lid, onder a, Wwb). Heeft de niet-rechthebbende partner geen
                    of een zeer laag inkomen en is geen sprake van medebewoning, dan zal de toeslag,
                    in beginsel zelfs 20% van de gezinsnorm moeten bedragen. </al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30
                    lid 4 Wwb. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De hoogte van 20 procent van de gezinsnorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onderdeel a Wwb. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. </al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gezinsnorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf heeft. Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft
                    kunnen de kosten nog meer gedeeld worden. In de toeslagenverordening is daarom
                    gekozen geen toeslag te verstrekken in het geval twee of meer anderen in
                    dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Gezinnen (met hen ten last komende
                    kinderen) en de alleenstaande met ten laste komende kinderen worden gezamenlijk
                    als een ander beschouwd.</al><al>In het vierde lid wordt geregeld dat een aantal personen niet worden gerekend
                    tot een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Dat betekent dat
                    zij geen invloed hebben op de hoogte van de vast te stellen toeslag. Woont de
                    alleenstaande of de alleenstaande ouder uitsluitend met iemand uit die
                    categorieën in de woning, dan krijgt hij dus wel de maximale toeslag. Deze
                    personen zijn:</al><al><onderstreept>Onder a:</onderstreept> een meerderjarig kind met een inkomen van
                    minder dan het bedrag genoemd in artikel 4, tweede lid van de wet en dat:</al><lijst><li nr="a."><al>uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet
                            studiefinanciering 2000; of</al></li><li nr="c."><al>voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking
                            komt.</al></li></lijst><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de
                    alleenstaande ouder om de benodigde inlichtingen te verstrekken.</al><al><onderstreept>Onder b:</onderstreept> een zorgbehoevend gezinslid, zij kunnen
                    een verzoek indienen om niet als gezinslid te worden aangemerkt. Om daarvoor in
                    aanmerking te komen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>in dezelfde woning wonen als een meerderjarig kind of als ouder(s);</al></li><li nr="b."><al>een geldig indicatiebesluit hebben voor 10 uur of meer zorg op grond van
                            de AWBZ;</al></li><li nr="c."><al>de zorg betreft persoonlijke verpleging, verzorging, begeleiding,
                            verblijf of voortgezet verblijf;</al></li><li nr="d."><al>aantonen dat voor in ieder geval 10 uur zorg per week geen pgb of zorg
                            in natura wordt ontvangen voor één van deze vormen van zorg;</al></li><li nr="e."><al>aannemelijk maken dat een meerderjarig kind, dan wel ouder, dat
                            gezinslid is zorg verleent voor ten minste 10 uur per week;</al></li><li nr="f."><al>de zorgbehoevende is jonger dan 65 jaar, dan wel 65 of ouder, maar op de
                            dag voor de 65<sup>e</sup> verjaardag een AWBZ indicatie heeft en houdt
                            van 10 uur of meer per week.</al></li></lijst><al>Zorgbehoevenden voor wie het college vaststelt dat ze geen gezinslid zijn,
                    krijgen een zelfstandige aanspraak op bijstand en worden een medebewoner voor
                    wie het toeslagen- en verlagingenbeleid gaat gelden. Deze bepaling zorgt er voor
                    dat de toeslag voor de zorgverlener niet lager wordt vastgesteld.</al><al><onderstreept>Onder c:</onderstreept> medebewoners van kamerbewoners van een
                    commercieel pension. De reden is dat het verlagen van de toeslag voor deze groep
                    personen als onbillijk wordt beschouwd. Deze kamerbewoners betalen een vast
                    bedrag per maand voor kost, inwoning en bewassing. Voor persoonlijk zaken als
                    kleding, persoonlijke verzorging, uitstapjes e.d. blijft een minimaal bedrag
                    over. Door het handhaven van de toeslag wordt dit rechtgezet. De gemeente
                    Midden-Drenthe heeft op dit moment twee commerciële pensions waar deze
                    kamerbewoners verblijven, te weten pension Ritsma en pension van Loenen. Deze
                    pensions richten zich op psychisch zwakkeren die moeite hebben met zelfstandig
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In de gezinsnorm is reeds rekening gehouden met het feit dat de gezinsleden de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. </al><al>Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de
                    mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is
                    een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. </al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gezinsnorm, als de kosten
                    met één ander kunnen worden gedeeld en 20 procent van de gezinsnorm, als twee of
                    meer anderen in de woning hun hoofdverblijf hebben. Gezinnen (met hen ten last
                    komende kinderen) en de alleenstaande met ten laste komende kinderen worden
                    gezamenlijk als een ander beschouwd.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat een aantal personen niet worden gerekend tot
                    een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Dat betekent dat zij
                    geen invloed hebben op de hoogte van de vast te stellen verlaging. Woont het
                    gezin uitsluitend met iemand uit die categorieën in de woning, dan krijgt het
                    gezin geen verlaging. Deze personen zijn:</al><al><onderstreept>Onder a:</onderstreept> een meerderjarig kind met een inkomen van
                    minder dan het bedrag genoemd in artikel 4, tweede lid van de wet en dat:</al><lijst><li nr="a."><al>uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet
                            studiefinanciering 2000; of</al></li><li nr="c."><al>voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking
                            komt.</al></li></lijst><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan het
                    gezin om de benodigde inlichtingen te verstrekken.</al><al><onderstreept>Onder b:</onderstreept> een zorgbehoevend gezinslid, zij kunnen
                    een verzoek indienen om niet als gezinslid te worden aangemerkt. Om daarvoor in
                    aanmerking te komen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>in dezelfde woning wonen als een meerderjarig kind of als ouder(s);</al></li><li nr="b."><al>een geldig indicatiebesluit hebben voor 10 uur of meer zorg op grond van
                            de AWBZ;</al></li><li nr="c."><al>de zorg betreft persoonlijke verpleging, verzorging, begeleiding,
                            verblijf of voortgezet verblijf;</al></li><li nr="d."><al>aantonen dat voor in ieder geval 10 uur zorg per week geen pgb of zorg
                            in natura wordt ontvangen voor één van deze vormen van zorg;</al></li><li nr="e."><al>aannemelijk maken dat een meerderjarig kind, dan wel ouder, dat
                            gezinslid is zorg verleent voor ten minste 10 uur per week;</al></li><li nr="f."><al>de zorgbehoevende is jonger dan 65 jaar, dan wel 65 of ouder, maar op de
                            dag voor de 65<sup>e</sup> verjaardag een AWBZ indicatie heeft en houdt
                            van 10 uur of meer per week.</al></li></lijst><al>Zorgbehoevenden voor wie het college vaststelt dat ze geen gezinslid zijn,
                    krijgen een zelfstandige aanspraak op bijstand en worden een medebewoner voor
                    wie het toeslagen- en verlagingenbeleid gaat gelden. Deze bepaling zorgt er voor
                    dat de geen verlaging voor de zorgverlener wordt vastgesteld.</al><al><onderstreept>Onder c:</onderstreept> medebewoners van kamerbewoners van een
                    commercieel pension. De reden is dat het verlagen van de gezinsnorm voor deze
                    groep personen als onbillijk wordt beschouwd. Deze kamerbewoners betalen een
                    vast bedrag per maand voor kost, inwoning en bewassing. Voor persoonlijk zaken
                    als kleding, persoonlijke verzorging, uitstapjes e.d. blijft een minimaal bedrag
                    over. Door het afzien van een verlaging wordt dit rechtgezet. De gemeente
                    Midden-Drenthe heeft op dit moment twee commerciële pensions waar deze
                    kamerbewoners verblijven, te weten pension Ritsma te Wijster en pension van
                    Loenen. Deze pensions richten zich op psychisch zwakkeren die moeite hebben met
                    zelfstandig wonen.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Artikel 27 Wwb geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 Wwb is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 Wwb.</al><al>In dit artikel is een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning
                    voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18
                    lid 1 Wwb de bijstand lager vast te stellen. </al><al>Door een korting toe te passen die aansluit bij de Wet op de huurtoeslag (Wht)
                    wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke,
                    voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit artikel
                    te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van
                    Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van
                    artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB
                    06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In dit artikel is een verlaging opgenomen voor de situatie dat betaling van de
                    woonkosten door een ander dan de bewoner plaatsvindt. </al><al>In deze situatie gaat het om een woning waaraan wel woonkosten zijn verbonden,
                    maar de belanghebbende betaalt die woonkosten niet zelf. Meestal gaat het dan om
                    de ex-partner die de woonkosten voor zijn rekening neemt. Ook in deze situatie
                    is voor het kortingsbedrag aansluiting gezocht bij de Wht. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Artikel 29 Wwb geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. De verlaging wordt voor 21 en
                    22-jarigen vastgesteld op 10% van de gezinsnorm. De gezinsnorm is feitelijk
                    gelijk aan het netto minimumloon. </al><al>De verlaging kan alleen plaatsvinden als er recht op een toeslag op grond van
                    artikel 3 bestaat. Zonder toeslag en met een verlaging zou het inkomen van de
                    jongere lager worden dan het college wenselijk acht.</al><tussenkop>Artikel 7, 8, 9 en 10</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>