Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Harlingen

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHarlingen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingReglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad
CiteertitelOnbekend
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-05-201024-10-2012Onbekend

19-05-2010

Onbekend

-

Tekst van de regeling

Intitulé

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad

 

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

a. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;

b. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar

de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

c. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm

geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

d. motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of

verzoek wordt uitgesproken;

e. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

f. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel.

g. het college: het college van burgemeester en wethouders van Harlingen.

 

Artikel 2 De voorzitter

De voorzitter is belast met:

a. het leiden van de vergadering;

b. het handhaven van de orde;

c. het doen naleven van het reglement van orde;

d. hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.

 

Artikel 3 De griffier

1. De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.

2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe

aangewezen plaatsvervangend griffier.

3. De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als

bedoeld in dit reglement deelnemen..

 

Artikel 4 De secretaris

De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deel te laten

nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.

 

Artikel 5 Het fractievoorzittersoverleg

1. Wanneer twee of meer fractievoorzitters de wens daartoe te kennen geven, kan er een

fractievoorzittersoverleg plaatsvinden.

2. Het fractievoorzittersoverleg bestaat uit de voorzitters van alle in de raad van Harlingen

vertegenwoordigde fracties. De fractievoorzitters benoemen een voorzitter uit hun midden.

De griffier is in elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig.

 

3. Het fractievoorzittersoverleg bepaalt zijn eigen agenda.

 

Artikel 5.a Het presidium.

1. De raad heeft een presidium.

2. Het presidium bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. De raadsvoorzitter is

tevens voorzitter van het presidium. De griffie verzorgt het secretariaat van het

presidium.

3 De voorzitter kan voorstellen de algemeen directeur / secretaris uit te nodigen voor het

presidium.

4. Elk lid van het presidium kan zich laten vervangen door een willekeurig lid van zijn

fractie.

5. Elke vertegenwoordigde fractie heeft één stem in het presidium.

6. Het presidium heeft, naast de taken die elders zijn opgenomen in de wetgeving en in

deze verordening, eveneens als taak aanbevelingen te doen aan de raad inzake de

organisatie van de taken van de raad en de commissies, niet zijnde de behandeling

van politieke onderwerpen.

 

Artikel 6 De agendacommissie.

1. Er is een agendacommissie

2. De agendacommissie bestaat uit vier door de raad uit zijn midden aan te wijzen leden..

3. De commissie stelt de conceptagenda vast voor de eerstvolgende raadsvergadering(en),

alsmede de middellange-termijnagenda. Het college levert daartoe maandelijks een overzicht

aan van te voorziene agendapunten voor de eerstkomende drie maanden.

4. De raad is bevoegd tot het pro-actief initiëren van agendapunten.

5. Gemeentesecretaris en griffier zijn als adviseur, resp. adviseur/secretaris in elke

vergadering aanwezig.

 

Artikel 7 De werkgeversdelegatie.

1. Er is een werkgeversdelegatie.

2. De werkgeversdelegatie bestaat uit vier door de raad aan te wijzen fractievoorzitters.

3. De werkgeversdelegatie treedt namens de raad op als werkgever van de griffier en de

griffiemedewerkers, behoudens voor die taken die wettelijk aan de raad zijn

voorbehouden.

4. De werkgeversdelegatie voert regelmatig overleg met de voorzitter van de raad en/of

desgewenst met derden.

 

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties
Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

1. Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit

drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking

hebbende stukken van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het centraal)

stembureau.

 

2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet

daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een

minderheidsstandpunt.

3. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste

vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet,

de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

4. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van

de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om

de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

5. Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie

ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. De

werkwijze van deze commissie is overeenkomstig het tweede lid.

 

Artikel 9 Fractie

1. De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst

verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is

onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie

beschouwd.

2. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad

deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst,

deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam

deze fractie in de raad wil voeren.

3. De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger

optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

a. Indien:

– één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden;

– twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;

– één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie;

- wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de

voorzitter.

b. Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang

van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.

 

Hoofdstuk 3 Vergaderingen
Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen
Artikel 10 Vergaderfrequentie

1. De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats één maal per drie weken, vangen aan

om 19.30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis.

2. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere

vergaderplaats aanwijzen.

 

Artikel 11 Oproep

1. De voorzitter zendt ten minste 10 dagen voor een vergadering de leden van de raad een

schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25,

eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de

schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.

 

Artikel 12 Agenda

1. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep tot

uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze

wordt met de daarbijbehorende stukken aan de leden van de raad verzonden, en openbaar

gemaakt.

2. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de

raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda

toevoegen of van de agenda afvoeren.

3. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid

acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere

inlichtingen of advies vragen.

4. Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van

behandeling van de agendapunten wijzigen.

 

 

Artíkel 13 Structuur van de vergadering.

1. De raadsvergadering bestaat uit drie delen, te weten A.een informatief gedeelte, B.een

voorbereidend deel en C.een besluitvormend gedeelte.

2. Het informatieve gedeelte (A) is niet gericht op besluitvorming, maar op het uitwisselen en

verzamelen van informatie. In dit gedeelte vindt inspraak door inwoners op niet geagendeerde

onderwerpen plaats en kan het college mededelingen aan de raad doen; ook het vragenuurtje

vindt plaats in dit gedeelte.

3. In het voorbereidende deel (B) kan worden gediscussieerd over de hoofdlijnen van toekomstig

te voeren beleid. Tevens worden voorbereidende besprekingen gevoerd over de agendapunten

waarover in het besluitvormende deel van de vergadering besloten gaat worden. Dit behelst

informatie-uitwisseling tussen raad en college over deze agendapunten.

4. De voorzitter stelt na de beraadslagingen in het voorbereidende deel per agendapunt vast of

het onderwerp als hamerstuk in het besluitvormend gedeelte van de vergadering behandeld

kan worden of welke andere actie ten aanzien van dat onderwerp geboden is.

5. In het besluitvormende deel (C) neemt de raad besluiten.

 

Artikel 14 De wethouder

In de regel worden wethouders geacht in de vergadering aanwezig te zijn en, indien daartoe

uitgenodigd, aan de beraadslagingen deel te nemen.

 

Artikel 15 Ter inzage leggen van stukken

1. Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden

gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis

ter inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage

worden gelegd, wordt hiervan terstond mededeling gedaan aan de leden van de raad en

zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

2. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

3. Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet

geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder

berusting van de griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.

 

Artikel 16 Openbare kennisgeving

1. De vergadering wordt door aankondiging in de gemeentelijke rubriek in één der plaatselijke

media en door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

2. De openbare kennisgeving vermeldt:

a. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

b. de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken

kan inzien;

3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden, indien digitaal beschikbaar,

op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2 Orde der vergadering
Artikel 17 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst. Aan het einde van

elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.

 

Artikel 18 Zitplaatsen

1. De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de

voorzitter in overleg met de fractievoorzitters bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode

van de raad aangewezen.

2. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien in overleg met de

fractievoorzitters..

3. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, secretaris en overige

personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

 

Artikel 19 Opening vergadering; quorum

1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de

wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig

is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van

de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

 

Artikel 20 Algemeen inspreekrecht burgers.

1. Na de opening van de vergadering kunnen andere aanwezige burgers gezamenlijk

gedurende

maximaal dertig minuten het woord voeren over niet geagendeerde onderwerpen.

2. Het woord kan niet gevoerd worden over:

a. een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft

opengestaan;

b. benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

c. een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht

kan of kon worden ingediend.

3. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 48 uur voor de

aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en

telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren.

4. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de

volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.

5. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd

evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in

bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

6. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de

deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te

stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de

vergadering.

 

Artikel 21 Specifiek inspreekrecht burgers.

1. Burgers kunnen ook inspreken bij een wel op de agenda vermeld onderwerp.

2. Zij doen dit direct voorafgaand aan de behandeling van het desbetreffende agendapunt.

3. De leden 2 tot en met 6 van artikel 20 zijn van overeenkomstige toepassing

 

Artikel 22 Primus bij hoofdelijke stemming

Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede, bij welk lid

van de raad, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de

presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.

 

Artikel 23 Verslag.

1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentielijst en het doen opmaken van het

verslag van de vergadering.

2. Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo mogelijk, aan de leden van de

raad toegezonden gelijktijdig met de schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt

gelijktijdig aan de overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.

3. De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris hebben het recht, een

voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien het conceptverslag onjuistheden bevat of

niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot verandering dient

voor de aanvang van de vergadering bij de griffier te worden ingediend.

4. Het verslag bevat ten minste:

a. de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de wethouders en de ter

vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige

personen die het woord gevoerd hebben;

b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van de namen van de

aanwezigen die het woord voerden;

d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke

stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening

van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming

hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

e. de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde,

moties, amendementen en subamendementen;

f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan

wie het op grond van het bepaalde in artikel 28 door de raad is toegestaan deel te

nemen aan de beraadslagingen.

5. Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld, waarna dit door de voorzitter

en de griffier wordt ondertekend.

 

Artikel 24 Ingekomen stukken

1. Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de

raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en

ter inzage gelegd.

2. Na de vaststelling van het verslag stelt de raad, op voorstel van het college, de wijze van

afdoening van de ingekomen stukken vast. Een lid van de raad kan daarbij een korte

verhelderende vraag stellen; over ingekomen stukken wordt niet uitgebreid inhoudelijk

gediscussieerd.

3. Indien een lid van de raad inhoudelijk over een ingekomen stuk wenst te discussiëren, wordt

het stuk op de agenda voor de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst indien de meerderheid

van de aanwezige raadsleden daarmee instemt.

 

Artikel 25 Aantal spreektermijnen

1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen,

tenzij de raad anders beslist.

2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde

onderwerp of voorstel.

4. Het derde lid is niet van toepassing op:

a. de rapporteur van een commissie;

b. het lid dat een (sub)amendement,

een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft

dat amendement, die motie of dat voorstel.

5. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft

gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

 

Artikel 26 Spreektijd

Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden en de overige aanwezigen.

 

Artikel 27 Handhaving orde; schorsing

1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij

a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere

interrupties zijn betoog zal afronden.

2. Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het

in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel

anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de

betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de

vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen

tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de

vergadering sluiten.

 

Artikel 28 Beraadslaging

1. De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of meer

onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

2. Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de

beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden

de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat

de schorsingsperiode verstreken is.

 

Artikel 29 Deelname aan de beraadslaging door anderen

1. De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad,

de wethouder, de secretaris, de griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.

2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad

genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een

aanvang wordt genomen.

 

Artikel 30 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht

zijn stemgedrag te motiveren.

 

Artikel 31 Beslissing

1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij

de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.

2. Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over eventuele

amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel

tenzij geen stemming wordt gevraagd.

3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het

voorstel over de te nemen eindbeslissing.

 

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen
Artikel 32 Algemene bepalingen over stemming

1. De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en

ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke

stemming is aangenomen.

2. In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht

willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van

stemming hebben onthouden.

3. Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan

mededeling.

4. De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te

brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 21 is

aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.

5. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming

aan de stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit

te brengen.

6. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige

toevoeging.

7. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog

herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later,

dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel

aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter

geen verandering.

8. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal

voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het

genomen besluit.

 

Artikel 33 Stemming over amendementen en moties

1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat

amendement gestemd.

2. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het

subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

3. Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn

ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt

de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming

wordt gebracht.

4. Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel

gestemd en vervolgens over de motie.

 

Artikel 34 Stemming over personen

1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van

een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot

stembureau.

2. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van

stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen

identiek te zijn.

3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te

bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen

worden samengevat op één briefje.

4. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal

leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de

aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt

een nieuwe stemming gehouden.

5. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet

worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje

hebben ingeleverd.

6. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de

voorzitter.

7. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de

uitslag vernietigd.

 

Artikel 35 Herstemming over personen

1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt

tot een tweede stemming overgegaan.

2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is

verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede

stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd.

Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan

wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal

plaatshebben.

3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

 

Artikel 36 Beslissing door het lot

1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet

plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze

gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op

dit briefje voorkomt, is gekozen.

 

Hoofdstuk 4 Rechten van leden
Artikel 37 Amendementen

1. Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen.

Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer

onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen

beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad,

die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.

2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een

lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

3. Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden

schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het

eenvoudige karakter van het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan

worden volstaan.

4. Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming

door de raad heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 38 Moties

1. Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.

2. Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de

voorzitter worden ingediend.

3. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de

beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

4. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats

nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.

5. Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de besluitvorming door de

raad heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 39 Voorstellen van orde

1. De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel

van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

3. Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

 

Artikel 40 Initiatiefvoorstel

1. Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij

de voorzitter worden ingediend.

2. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de

schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de

agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst. Bij vaststelling van de agenda wordt

het initiatiefvoorstel in stemming gebracht.

3. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende

voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat:

a. het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander

geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld;

b. het voorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie;

c. het voorstel voor advies naar het college dient te worden gezonden. In dit geval bepaalt

de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

4. De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel, niet zijnde

een voorstel voor een verordening.

5. Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van een wethouder, zijn de

bepalingen in dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de

raad terstond aan de agenda toegevoegd worden.

 

Artikel 41 Collegevoorstel

1. Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de

raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

2. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug

aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel

opnieuw geagendeerd wordt.

 

Artikel 42 Interpellatie

1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de

voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering

schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het

onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige

leden van de raad en de wethouders. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende

vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De

raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

3. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, de

burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.

 

Artikel 43 Schriftelijke vragen

1. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een

toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of

mondelinge beantwoording wordt verlangd. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor

gestelde worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd.

2. De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig

mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester

worden gebracht.

3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig

dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de

eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan

plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller

hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen

beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

4. De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier

aan de leden van de raad toegezonden.

5. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende

raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de

behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen

omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij

de raad anders beslist.

 

Artikel 44 Vragenuur

1. Tijdens het informatieve gedeelte van iedere raadsvergadering is er voor de leden van de raad

gelegenheid tot het stellen van vragen aan het college.

2. Het lid van de raad dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van

het onderwerp ten minste 24 uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter, tenzij de

actualiteit of het spoedeisende karakter van het onderwerp zulks onmogelijk maakt.

3. De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenuur aan

de orde worden gesteld.

4. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor

de burgemeester en voor de overige leden van de raad.

5. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het

college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

6. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst

het woord om aanvullende vragen te stellen.

7. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aan de

vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde

onderwerp.

8. Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties

toegelaten.

 

Artikel 45 Inlichtingen

1. Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169,

derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door

tussenkomst van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester.

2. De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een afschrift van dit verzoek

krijgen.

3. De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daarop

volgende vergadering gegeven.

4. De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de

antwoorden zullen worden gegeven.

 

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening
Artikel 46 Procedure begroting

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, de

behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die de raad, op voorstel van het

college, vaststelt.

 

Artikel 47 Procedure jaarrekening

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoek van de

jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel

indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van het college vaststelt.

 

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties
Artikel 48 Verslag en verantwoording

1. Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de gemeenteraad

is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander

gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het

recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het

sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan

de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de

desbetreffende commissie.

2. Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen.

De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 43, zijn van

overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te

roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De

regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 45 , zijn van overeenkomstige

toepassing.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad

één van zijn leden heeft benoemd.

 

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering
Artikel 49 Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing

voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

 

Artikel 50 Verslag

Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld, maar ligt uitsluitend voor de leden

ter inzage.Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling

aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken

van dit verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

 

Artikel 51 Geheimhouding

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van

de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden.

De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

 

Artikel 52 Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel

86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt,

indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten

vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

 

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers
Artikel 53 Toehoorders en pers

1. De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen

bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is

verboden.

 

Artikel 54 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties

willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

 

Artikel 55 Verbod gebruik mobiele telefoons

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik,

alsmede het stand-by houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreuk

kunnen maken op de orde van de vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet toegestaan.

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen
Artikel 56 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement,

beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

 

Artikel 57 Inwerkingtreding

1. Dit reglement treedt in werking op de dag na zijn bekendmaking.

Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad en het

reglement van orde voor de commissie in de gemeente Harlingen, zoals (gewijzigd)

vastgesteld bij raadsbesluit van 16 april 2008.

 

Nota-toelichting  

 

Toelichting reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad

 

 

Algemene toelichting

Naar aanleiding van het voornemen om het presidium als gemeentelijk orgaan in ere te herstellen is het

nodig het Reglement van Orde te wijzigen. Van deze gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om enkele

taalfouten te verbeteren en de verwijzingen en nummering aan te passen.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luidt hetzelfde als in de artikelen

147a en 147b van de Gemeentewet.

 

Artikel 2 De voorzitter

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de

Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende

raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als

twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren degene die het raadsvoorzitterschap

waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer.

De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de

beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in

de vergadering.

 

Artikel 3 De griffier

De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De griffier is in eerste

instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de

raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d,

eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22

Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het

deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging,

woonplaats etcetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in

de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken

van de griffier uitgewerkt.

 

Artikel 4 De secretaris

De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college en het leiden van de

ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de secretaris

deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door

het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De

raad zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig

te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep

doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan

een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie.

 

Artikel 5 Het fractievoorzittersoverleg

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit het vorige Reglement van Orde.

Artikel 5.a Het presidium.

Na enige tijd zonder presidium te hebben gefunctioneerd, heeft de raad in mei 2010 besloten dit orgaan

opnieuw in te stellen, echter met de nadrukkelijke kanttekening dat daarin geen politiek gevoelige

onderwerpen besproken zullen worden.

 

Artikel 6 De agendacommissie

De bepaling in het reglement van orde is summier. De agendacommissie vervult een belangrijke

(coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raad. De commissie stelt de agenda’s van de

raadsvergaderingen voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van een raadsvergadering

geschiedt door de raad zelf bij de aanvang van de vergadering.

De commissie bestond oorspronkelijk uit twee leden. Toen na de verkiezingen van 2010 het aantal

fracties toenam van 5 naar 9, heeft de raad besloten het aantal leden uit te breiden tot vier.

 

Artikel 7 De werkgeversdelegatie

Nu er geen presidium meer bestaat, dat voorheen de werkgeversrol voor de griffie vervulde, is het

nodig voor die taak een afzonderlijk orgaan in te stellen.

 

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn

benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model

vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet).

Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd

waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit

omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij

bekleedt, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien niet-

Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet

(artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering

gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken

worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane

nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag uit. Dit kan zowel

mondeling als schriftelijk.

De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die

het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau

nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de

verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de nieuwe raad

na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de

kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.

Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een

verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een

tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de

raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor

oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de

beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of

verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in

artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.

De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad is

vervallen door inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002.

Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het

geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen

volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan

welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst

worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten

voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor

het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te

stellen. Vandaar dat er een vijfde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als

er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten en nevenfuncties

dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn

opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een

meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw

raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet meestemmen over zijn eigen

benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het kan immers gebeuren dat deze

persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.

 

Artikel 9 Fracties

In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een fractie moet

worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk begrip niet maar gaat onder andere in artikel 33,

tweede lid, wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op

fractieondersteuning). In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties,

faciliteiten voor fracties, fractieassistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden aangesloten bij

het in dit reglement opgenomen fractiebegrip.

Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op

dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de

raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de

fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter

voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval

deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van

de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een

conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele

redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie

plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een

raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie

verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat

volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat wordt door de

voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel

‘hoort’ dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook

de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan

een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van

deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en

splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een

mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de

eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe

situatie.

Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de nieuwe fractie leden dient voor te

dragen voor commissies, lid wordt, als fractievoorzitter van het fractievoorzittersoverleg,

fractieondersteuning etc.

 

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 10 Vergaderfrequentie

Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts

indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de

raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de

voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt de

fractievoorzitters. Op deze wijze houden de fractievoorzitters ook bij vergaderingen, die niet op het

gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de

raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie.

 

Artikel 11 Oproep

In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad

schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een vergadering de leden een brief

(de schriftelijke oproep) stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Deze termijn is, bij de

herziening van het reglement in 2006, gewijzigd van veertien naar zeven dagen. In de praktijk worden

diverse termijnen gehanteerd. De brief vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het

tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering

van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de

oproep aan de leden worden verzonden.

De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan

geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk,

indien de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen.

 

Artikel 12 Agenda

De agendacommissie bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 6 ). Het versturen van de agenda

en stukken is geregeld in artikel 12 Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van

de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen,

die ook zicht heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het

verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan

echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de

vergadering. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de

raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via de agendacommissie onderwerpen voor de agenda

voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om

onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele

raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te

voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is

het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de

mogelijkheid om aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de

raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de

agendapunten kan wijzigen.

Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het

college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen.

 

Artikel 13 Structuur van de vergadering.

In verschillende gemeenten met een commissieloze vergaderstructuur wordt een drie- of zelfs

vierdeling in de raadsvergadering gehanteerd. In Harlingen is oorspronkelijk terwille van de

duidelijkheid en transparantie gekozen voor een tweedeling: één vergadergedeelte waarin de feitelijke

besluitvorming plaatsvindt en één gedeelte waarin alle overige onderwerpen een plaats vinden. Op

basis van de opgedane praktijkervaringen wordt thans voorgesteld om over te gaan tot een driedeling,

zoals in dit gewijzigde artikel is verwoord..

 

Artikel 14 De wethouder

Artikel 14 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de Gemeentewet. Dit artikel

voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering

aanwezig te zijn. Gelet op de frequentie van de raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle

portefeuilles aan de orde komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouders aanwezig zullen zijn.

Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze vaak deelnemen aan de beraadslagingen.

Het kan echter wenselijk zijn, dat een wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een

zelfstandige afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het eigen

functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van een besluit tot het houden van een

onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur.

Bij de evaluatie van de dualisering merkt de stuurgroep Leemhuis op dat een wethouder te allen tijde

bij raadsvergaderingen aanwezig moet kunnen zijn. De VNG vindt echter dat elke individuele

gemeente

dat zelf moet kunnen bepalen. Voorlopig komt op dit punt geen actie in de vorm van een

wetswijziging, hoewel het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wel onderzoekt op

welke andere wijze invulling kan worden gegeven aan deze aanbeveling.

In het herziene reglement van 2006 is dit artikel gewijzigd. In het vorige model was aangegeven dat de

wethouder voorafgaand aan de vaststelling van de voorlopige agenda kon verzoeken bij de vergadering

aanwezig te zijn, waarop het presidium hierover besliste. De praktische vraag is hoe de wethouder kan

weten wat er op de agenda gaat komen. Aangezien in de praktijk doorgaans e.e.a zich wel regelt op

informele manier is gekozen voor de huidige bepaling.

 

Artikel 15 Ter inzage leggen van stukken

In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken

waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's,

etc.).

Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende stukken, die

bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe bibliotheek onderbouwen. Omdat raadsleden

zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste

gevallen niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard

dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te hebben om alle stukken

desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken

gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage gelegd.

Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Een document

houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander

materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal

zoals agenda’s, notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de

zin van de WOB.

Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander het originele stuk mee naar huis

neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden en geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben

om het document in te zien. Een raadslid of een andere geïnteresseerde mag echter wel een kopie van

een ter inzage gelegd stuk maken.

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt dan ook in de rede dat

stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim

moeten blijven bij hem ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier

inzage aan hen verlenen.

 

Artikel 16 Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de

Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene

wet bestuursrecht. Bij de herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda

en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de burger is dit gewenst.

Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In

het reglement van orde wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen de

aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst.

Paragraaf 2 Orde der vergadering

 

Artikel 17 Presentielijst

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 Gemeentewet. In dit

artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel

vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te

stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij samen met de

voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de

lijst volledig is en het quorum aanwezig was.

 

Artikel 18 Zitplaatsen

De griffier is overeenkomstig artikel 3.1 in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen

zitplaats. De voorzitter kan na overleg met de fractievoorzitters de indeling herzien, indien daartoe

aanleiding bestaat. Op grond van artikel 14 kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de

vergadering aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering

aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen.

 

Artikel 19 Opening vergadering

De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden

aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een

procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.

 

Artikel 20 en 21 Inspreekrecht burgers

Het inspreekrecht is één van de instrumenten om burgers en instellingen nauwer bij het gemeentelijk

beleid te betrekken. Er zijn twee manieren waarop de burger of een instelling in kan spreken: ten eerste

bij een op de raadsagenda geplaatst onderwerp en ten tweede over een onderwerp vreemd aan de orde

van de dag.

In deze artikelen wordt een aantal beperkingen vermeld waaraan het inspreekrecht onderworpen is.

 

Artikel 22 Primus bij hoofdelijke stemming

Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de

vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele schorsing.

Uiteraard is ook hier afwijking mogelijk, bijvoorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van

stemming de primus wordt bepaald. Zie ook artikel 32, vierde lid.

 

Artikel 23 Verslag.

Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt

vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken

over de verplichting om een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Bij

de herziening van het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit betreft de bepaling over de

besluitenlijst en het gebruik van de term verslag.

Wat dit laatste betreft, voorheen werd gesproken over notulen. Gekozen is om aan te sluiten bij de

terminologie van de Gemeentewet (artikel 23, vijfde lid) en de bepalingen in het modelreglement van

orde voor het college.

Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige

personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders (artikel 14 ), de burgemeester, de griffier

en de secretaris ook het woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot

verandering van het verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de

vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het is ook mogelijk om te bepalen dat dit kan

plaatsvinden tot het moment dat het verslag wordt vastgesteld. Er is hier gekozen om het voor de

griffier zo praktisch mogelijk te regelen.

De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om

voorstellen tot wijzigingen van het verslag in ontvangst te nemen, het verslag op te stellen en deze,

tezamen met de voorzitter, te ondertekenen Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde

wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar

voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). Als de secretaris aanwezig is,

dient zijn naam, omdat het een belangrijke functionaris blijft, vermeld te worden in het verslag.

Hetzelfde geldt voor wethouders.

Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen de leden hebben gezegd te

bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de

gemeentesecretaris of burgers zeggen moet zakelijk samengevat worden. Dit betekent dat die sprekers

ook in het verslag genoemd moeten worden.

Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is de openbaarmaking

van een verslag/besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht gesteld vanaf 19 februari 2003. Al

eerder was in de Gemeentewet de verplichting voor het college opgenomen (artikel 60), door middel

van een amendement is dit nu ook voor de raad geregeld in artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet.

Tijdens de behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer is aangegeven dat het verslag / de

besluitenlijst op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is

vastgesteld aangezien de besluitenlijst ‘slechts’ een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen

beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht maar ook

bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen).

Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de

raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodesen

een besluitenlijst.

 

Artikel 24 Ingekomen stukken; mededelingen

Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten

genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling

nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie

over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren.

Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de

gebruikelijke wijze te worden voorbereid.

De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen.

De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. Verder bewaakt de voorzitter de orde van de

vergadering. De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere versies

van het reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd. Het is logischer deze taak hier neer te leggen.

 

Artikel 25 Aantal spreektermijnen

Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe

uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit

behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de

inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een

raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te

honoreren.

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de

beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.

 

Artikel 26 Spreektijd

Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief regels kan stellen over de

spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van

zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de

omvang van de spreektijd.

 

Artikel 27 Handhaving orde; schorsing

Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties toegestaan voor

zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de

beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te

bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22

Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht

zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen.

Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders, de

secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde

roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd.

De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een

aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26,

derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van

zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de

voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 26 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit

van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met

een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138).

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze

uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde

op de publieke tribune wordt verwezen naar de artikelen 53 t/m 55 van dit reglement.

 

Artikel 28 Beraadslaging

Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of

artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een

uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.

Door de toevoeging ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsleden het recht toegekend om voor te

stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze

bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering,

aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van de raad

veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate

instrumenten te beschikken.

Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn

er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen

wordt een derde termijn toegevoegd (zie artikel 25 ).

In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader

beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende

onderwerp vertegenwoordigd is.

 

Artikel 29 Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde

verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in

bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de

deelgemeenteraad aan de beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden).

De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 14 bepalen dat de griffier, de secretaris en de

wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De burgemeester heeft het recht (het woord te voeren

en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. De

strekking van artikel 28 blijft alleen onveranderd wanneer aan het eerste lid de griffier, de wethouder

en de secretaris worden toegevoegd. Daarmee blijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat

anderen kunnen deelnemen aan de beraadslagingen.

In het tweede lid wordt het begrip ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijk niet om het

besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 30 Stemverklaring

Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als

laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep

van de leden tot de stemming begint.

 

Artikel 31 Beslissing

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht,

tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen

stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de

Gemeentewet.

 

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen

Artikel 32 Algemene bepalingen over stemming

Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De

raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken.

Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede

wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, dat een hoofdelijke stemming

verplicht.

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de

stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich

alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een

raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een

volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de

achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld

in artikel 22 .

In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op artikel 28

Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is

met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling

onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de

mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.

In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 Awb voorrang boven

hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert

Minister Remkes in zijn beschouwing van 19 mei 2003:

“de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij

stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar

zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een

spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een

belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de

schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijv.

opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens

niet wenselijk.”

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de

vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig,

dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen

staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

 

Artikel 33 Stemming over amendementen en moties

Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen

naar de artikelen 1, 37 en 38 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in

procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming

voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van

een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over

het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard

niet en is het vierde lid niet van toepassing.

 

Artikel 34 Stemming over personen

Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen. Voorheen was in

artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over de benoeming, voordracht of

aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te geschieden door middel van gesloten en ongetekende

stembriefjes. Op deze wijze zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij

stembriefjes te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook middels een elektronisch stemsysteem

stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is.

Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van een behoorlijk ingevuld

stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje

(MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening

gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de

bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een

(niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.

Bij de herziening van het reglement in 2006 is de bepaling wat wel en wat niet onder een behoorlijk

stembriefje valt geschrapt. De bepalingen zijn onnodig gedetailleerd en zorgden in de praktijk

regelmatig voor verwarring. Daarnaast heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twijfel

over een behoorlijk stembriefje.

Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder).

Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere

vacatures) met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ vermeld. Het gaat hier overigens niet over de

benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 4 van dit reglement wordt

toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een

bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de

voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’. Bij een

aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad

mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook

toelichting bij artikel 32). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen te worden

vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen

keuze kan worden ingevuld.

 

Artikel 35 Herstemming over personen

De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term ‘herstemming’ in artikel 31,

tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen

 

Artikel 36 Beslissing door het lot

In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de

Gemeentewet is voorgeschreven.

Hoofdstuk 4 Rechten van leden

 

Artikel 37 Amendementen

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de

raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op basis

van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.

Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de

raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate

instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele

raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen drempelsteun). Door het

recht van amendement kan de regelgevende taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste

staan van de inkadering en de controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden

worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,

vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.

Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op

initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend,

kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te

stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit,

dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee

termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging

noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 24 ).

Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 32 . Voorstel tot

splitsing van een voorgesteld beslissing kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van

een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard.

 

Artikel 38 Moties

In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een

voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van

inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over

bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek Een motie betreft dus niet een concreet

besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis.

Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan

verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een

vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie

een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp

geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over

het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de

agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties

benaderen de in artikel 39 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de

vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele

raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor

een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder

belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een

moties in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en

controle door de raad.

 

Artikel 39 Voorstellen van orde

De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde.

Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van

stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).

Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het

gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden

(artikel 36).

 

Artikel 40 Initiatiefvoorstellen

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook

zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad

indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.

In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt

dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en

behandeld. Het eerste tot en met het derde lid van artikel 39 voorzien hierin. Artikel 147a, derde lid,

bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte

behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het

in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor – in aanvulling op

de eerste drie leden voorschriften.

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende

functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te

beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het

wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft.

Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve

uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden

worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en

budgettaire functie.

Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst,

maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is.

Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 12 , tweede

lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de hand ligt om de raad

tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel

of onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet

langs het college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het

raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies. De stuurgroep

Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de aanbeveling gedaan om het college de

beleidsvoorbereiding te laten doen en om de rol van het college bij initiatiefvoorstellen te versterken.

De VNG vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het college bij

initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad, in haar kaderstellende rol is het

uitgangspunt. De tendens, dat het college meer betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding is

evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellende rol van de raad niet

gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide organen een oplossing

is voor eventuele fricties.

Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een

verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan

gedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk

beleid.

De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke

ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente

(bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren

van achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het

centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt).

Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het initiatiefrecht. De minister

heeft aangegeven: “Het recht op initiatief houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden

het recht moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat

zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad om, aan het

begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan

ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht

toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief functioneren van

de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda

plaatst, waarover de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad

ernstig belemmeren”.

Het vijfde lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid geeft een wethouder

na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). In de oude Gemeentewet was een

afkoelingstermijn van 30 dagen opgenomen. Zonder de bepaling in het vijfde lid is deze

ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedure regels van het reglement van orde.

 

Artikel 41 Collegevoorstel

Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel

voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het

college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel

kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk

is. De raad moet hier toestemming voor geven.

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet

voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond

van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld

verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt

echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder

voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar

de raad kan dit bijvoorbeeld ook aan de agendacommissie overlaten.

 

Artikel 42 Interpellatie

Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het

verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om

tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de

burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig.

Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de

raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate

instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele

raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een

ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid.

Minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de Groen-Links fractie in Schoonhoven

aangegeven dat de raad de ruimte heeft op eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de

vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De

minister juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede

Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning

door 30 van de 150 leden) volstaat.

In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij

bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek.

Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij artikel 39 over de

stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel van

toepassing.

 

Artikel 43 Schriftelijke vragen

Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die

tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is

primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen

stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De

verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de

beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het

verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat

het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een

vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen.

In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen

over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van

mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het

recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van

de raad te krijgen.

 

Artikel 44 Vragenuur

Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met

betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de

instelling van een vragenuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van

orde wenselijk is. Wel kan het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van

burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van dualisering.

Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur. Veelal fungeert de rondvraag in

de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het

echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en

omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een

aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de mediaaandacht

voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid

over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.

Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van

interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter.

Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur,

voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.

Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde

bestuur. Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel

is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip te

houden.

In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen opgenomen vanwege het feit dat

wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden.

Vanwege het minder zware karakter van het vragenuur vergeleken met de interpellatie is gekozen voor

een aanmeldingstermijn van 24 uur (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt).

 

Artikel 45 Inlichtingen

In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de

burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

 

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening

Artikel 46 Procedure begroting en artikel 47 Procedure jaarrekening

In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende

procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de

Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a

Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.

 

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 48 Verslag en verantwoording

Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de

gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling,

verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam

van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling

functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de

gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking

aan de raad bepalingen te bevatten.

In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan

ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een commissie kan

plaatsvinden. Indien de gemeente geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend

overlegorgaan worden opgenomen.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven,

overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 42 .

Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor

inlichtingen.

Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties,

waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke

rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet

het vierde lid.

 

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering

Artikel 49 Algemeen

Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een

raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen

omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken

van het verslag.

De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover het toepassen van die

bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen

beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de

stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten

besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt

opgelegd dan wel opgeheven.

In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het sluiten van de

deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

 

Artikel 50 Verslag

In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet.

In overeenstemming met artikel 22 is de griffier verantwoordelijk voor het verslag van de

raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter

inzage bij de griffier.

 

Artikel 51 Geheimhouding

Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege onder de

geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 25 jo artikel 55 van de

Gemeentewet noodzakelijk.

 

Artikel 52 Opheffing geheimhouding

In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken

op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie

bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester

geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd.

De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de

burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting

opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de

burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de

raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken

vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst

door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat

geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten

vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen.

 

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers

Artikel 53 Toehoorders en pers

De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en tweede lid, van de

Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde

verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.

 

Artikel 54 Geluid- en beeldregistraties

Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations

geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering

betreft

 

Artikel 55 Verbod gebruik mobiele telefoons

Dit artikel 47 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele telefoonverkeer werkt

verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit

noodzakelijk maken, de voorzitter aanwezigen toestemming kan geven zijn mobiele telefoon wel

standby te laten staan.

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 56 Uitleg reglement

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 57 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.