<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR19184_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet inburgering gemeente Capelle aan den IJssel 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselpost, 16 december 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet inburgering gemeente Capelle aan den IJssel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8, 19 vijfde lid, 23 derde lid, 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 en 108 tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-11-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2009, nummer 62 / a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening wet inburgering gemeente Capelle aan den IJssel 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering, Stb 2006, 625 en </al><al>Stb 2008, 604 en gelet op artikelen 108, tweede lid, 147 van de
                        Gemeentewet, Stb 1993, 610;</al><al>overwegende dat de raad ingevolge de Wet inburgering regels dient te
                        stellen over </al><lijst><li nr="-"><al>de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                inburgeringsplichtigen en inburgeringsbehoeftigen;</al></li><li nr="-"><al>het aanbieden van een inburgeringsvoorziening en/of
                                taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>de rechten en plichten van inburgeringsplichtigen en
                                inburgeringsbehoeftigen, </al></li></lijst><al>alsmede dat de raad ingevolge de Wet inburgering bij verordening het
                        bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgermeester en
                        wethouders;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening, vergezeld van de daarbij
                        behorende toelichting.</al><al><vet><cursief>Verordening Wet Inburgering gemeente Capelle aan den
                        IJssel 2010</cursief></vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN INFORMATIEVERSTREKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Capelle aan den IJssel;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>de aflossingscapaciteit: het door het college vastgestelde
                                        percentage van de bijstandsuitkering dat voor verrekening
                                        met schulden kan worden aangewend;</al></li><li nr="d."><al>het besluit: Besluit inburgering;</al></li><li nr="e."><al>Wwb: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="f."><al>WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;</al></li><li nr="g."><al>inburgeringsplichtige: de persoon die op grond van de
                                        artikelen 3, 5 en 6 van de wet inburgeringsplichtig is;</al></li><li nr="h."><al>inburgeringsbehoeftige: de vrijwillige inburgeraar zoals
                                        bedoeld in artikel 1 onderdeel h van de Regeling vrijwillige
                                        inburgering niet-G31 2007 en waarop de Regeling vrijwillige
                                        inburgering niet-G31 van toepassing is;</al></li><li nr="i."><al>inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening als bedoeld
                                        in artikel 19, tweede lid, van de Wet inburgering, artikel 4
                                        van de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007 en
                                        artikel 13b van de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering
                                        sociaal, integratie en veiligheid;</al></li><li nr="j."><al>taalkennisvoorziening: taalkennisvoorziening als bedoeld in
                                        artikel 19, tweede lid van de Wet inburgering en artikel 1
                                        onderdeel v van de Regeling vrijwillige inburgering
                                        niet-G31.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen of
                                inburgeringsbehoeftigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen of
                                inburgeringsbehoeftige op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot
                                inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college richt ten behoeve van de informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen of inburgeringsbehoeftigen in ieder geval een
                                gemeentelijk informatiepunt in.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zal de (potentieel) inburgeringsplichtigen of
                                inburgeringsbehoeftigen actief benaderen met informatie over de
                                inburgeringsplichtigheid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beoordeelt ten minste eens in de twee jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen of inburgeringsbehoeftigen en rapporteert
                                daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>DOELGROEPEN EN VOORWAARDEN INBURGERINGSVOORZIENING OF
                            TAALKENNISVOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het aanbod en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                                taalkennisvoorziening zo veel mogelijk af op het startniveau,
                                alsmede de talenten, capaciteiten, persoonlijke omstandigheden en
                                ambities van de inburgeringsplichtige of
                                inburgeringsbehoeftige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige of inburgeringsbehoeftige een
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
                                het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan per kalenderjaar een budgetplafond instellen ten
                                aanzien van het aanbod dat het college kan doen aan
                                inburgeringsbehoeftigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet
                                wordt in twee gelijke termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid aangegeven vorm van inning voor de
                                inburgeringsplichtige of inburgeringsbehoeftige aantoonbaar
                                problemen oplevert, kan het college in afwijking daarvan de inning
                                over meerdere termijnen spreiden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt bij een inburgeringsplichtige
                                of inburgeringsbehoeftige die een uitkering op grond van de Wwb
                                ontvangt het aantal termijnen afgestemd op de binnen zijn uitkering
                                beschikbare aflossingcapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de uitkering van
                                de uitkeringgerechtigde, wordt dat in de beschikking of overeenkomst
                                vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige of een inburgeringsbehoeftige,
                            voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, bij beschikking of
                            overeenkomst een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden en geaccepteerde
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan door het college geïnitieerde
                                    (voortgangs)gesprekken;</al></li><li nr="c."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="d."><al>het melden van alle omstandigheden die gevolgen hebben of kunnen
                                    hebben voor de deelname aan de inburgeringsvoorziening,
                                    alsmede</al></li><li nr="e."><al>het tijdig toestemming vragen om op vakantie te gaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>DE PROCEDURE VAN HET AANBOD VAN EEN INBURGERINGSVOORZIENING OF
                            TAALKENNISVOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige of de inburgeringsbehoeftige in
                                de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de
                                inburgeringsvoorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige of de inburgeringsbehoeftige - aan wie een
                                aanbod wordt gedaan - wordt gelijktijdig met het aanbod uitgenodigd
                                voor een gesprek. In dit gesprek dient de inburgeringsplichtige of
                                de inburgeringsbehoeftige aan te geven of hij het aanbod al dan niet
                                aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Verschijnt de inburgeringsplichtige of de inburgeringsbehoeftige tot
                                tweemaal toe zonder verdere opgaaf van redenen niet op het in het
                                derde lid bedoelde gesprek, dan wordt er vanuit gegaan dat hij het
                                aanbod niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige of de inburgeringsbehoeftige het
                                aanbod aanvaardt, neemt het college binnen vier weken na ontvangst
                                van deze mededeling het besluit tot toekenning van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, overeenkomstig het
                                gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inhoud van de beschikking of overeenkomst</titel></kop><al>De beschikking of overeenkomst inzake de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige of de inburgeringsbehoeftige;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijke consequenties indien het inburgeringsexamen niet
                                    voor de in sub c bedoelde datum is behaald;</al></li><li nr="e."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage bedoeld
                                    in artikel 23, tweede lid van de wet en</al></li><li nr="f."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>DE BESTUURLIJKE BOETE EN BELONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 250,-- indien de
                                    inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het
                                    college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                    inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent
                                    aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 500,-- indien de
                                    inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent
                                    aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                    inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid van
                                    de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 500,-- indien de
                                    inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid,
                                    van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op
                                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a van de wet
                                    verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></li></lijst><al><vet>z.o.z.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1.000,-- indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                            artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bestuurlijke beloning</titel></kop><al>Indien de inburgeringsbehoeftige het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II dat onderdeel uitmaakt
                            van het door het college vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening heeft behaald wordt een beloning ter hoogte van de
                            eigen bijdrage toegekend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na datum van
                            bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Wet
                            inburgering Capelle aan den IJssel 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Inburgering Capelle
                            aan den IJssel 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 14 december 2009,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Wet Inburgering Capelle aan den
                    IJssel</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De Wet inburgering (de wet) is op 1 januari 2007 in werking getreden en per 1
                    januari 2009 gewijzigd. De wet regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel
                    alle onderdanen van derdelanden </al><al>(niet-Nederlandse, noch EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en
                    verdragslanden) </al><al>van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven.</al><al>De wijziging van 1 januari 2009 (Stb 2008, 604) betreft het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>het college krijgt de bevoegdheid om aan iedere inburgeringsplichtige
                            een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Deze wijziging heeft
                            terugwerkende kracht tot en met 1 november 2007;</al></li><li nr="b."><al>het college krijgt de mogelijkheid om een inburgeringsprogramma aan te
                            bieden dat gericht is op het staatsexamen Nederlands als tweede taal.
                            Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari
                            2008;</al></li><li nr="c."><al>het college krijgt de bevoegdheid om in plaats van een
                            inburgeringsvoorziening een taalkennisvoorziening aan te bieden aan een
                            inburgeringsplichtige die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgt of
                            gaat volgen. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 september
                            2008;</al></li><li nr="d."><al>de gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat het college een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan vaststellen, zonder
                            dat daar een procedure van aanbieden van een inburgeringsvoorziening
                            door het college en aanvaarding daarvan door de inburgeringsplichtige
                            aan vooraf hoeft te gaan. De inburgeringsplichtige is direct verplicht
                            medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vastgestelde
                            voorziening (vaststellingsstelsel).</al></li></lijst><al>Onder het huidige zogenaamde aanbodstelsel, heeft de gemeente Capelle aan de
                    IJssel nauwelijks </al><al>te maken met inburgeringsplichtigen die een aanbod weigeren. De casemanagers
                    treden de inburgeringsplichtige tegemoet vanuit overtuiging dat deelname aan een
                    inburgeringstraject de <vet><cursief>participatie</cursief></vet>in de
                    Capelse samenleving bevordert. Hierbij is het leren van de Nederlandse taal
                    onontbeerlijk. De kans van slagen wordt groter naarmate betrokkene zelf ook
                    overtuigd is van de noodzaak tot het leren van de taal. De afdeling Sociale
                    Zaken werkt sinds 2007 naar tevredenheid met het aanbodstelsel. Het
                    aanbodstelsel past ook beter bij het de wens om ook vrijwillige inburgeraars, de
                    inburgeringsbehoeftige, de mogelijkheid te bieden om in te burgeren.</al><al>De wijzigingen van de wet in 2009 beogen een verbetering van de inburgering en
                    meer beleidsruimte aan de gemeente. De verbeteringen brengen met zich mee dat de
                    gemeente een ruimere doelgroep een aanbod kan doen, zodat er meer mensen kunnen
                    participeren in de Capelse samenleving. Bovendien bestaat de mogelijkheid tot
                    belonen, het opnemen van het participatietraject en het persoonsgebonden
                    inburgeringstraject (maatwerk). </al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. </al><al>Het willen bieden van maatwerk aan zowel inburgeringsplichtigen als
                    inburgeringsbehoeftigen enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid anderzijds
                    zijn ook argumenten om het aanbodstelsel te handhaven.</al><tussenkop>Taken op grond van de WI</tussenkop><al>De WI geeft de gemeente de wettelijk opdracht om de inburgeringsplichtigen in de
                    gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                    wet. Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het
                    inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal. In plaats van een
                    inburgeringsvoorziening mogen gemeente aan inburgeringsplichtingen die een
                    mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen een taalkennisvoorziening
                    aanbieden. Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen
                    handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een
                    inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor
                    hem gelden.</al><tussenkop>De verordening</tussenkop><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen.</al><lijst><li nr="-"><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 Wet inburgering).</al></li><li nr="-"><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen of
                            taalkennisvoorziening en over de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid en artikel
                            23, derde lid Wet inburgering).</al></li><li nr="-"><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 Wet
                            inburgering).</al></li><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                            Wet inburgering);</al></li><li nr="-"><al>de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van
                            betaling in termijnen (artikel 23, derde lid Wet inburgering).</al></li></lijst><al>Aanvankelijk konden gemeente uitsluitend een inburgeringsaanbod doen aan
                    bepaalde categorieën inburgeringsplichtingen. Gemeenten kunnen met ingang van 1
                    november 2007 ook aan nieuwkomers (houders van een verblijfsvergunning regulier
                    meteen niet-tijdelijk doel, zoals gezinsvormers en </al><al>–herenigers) zonder werk en zonder uitkering en aan nieuwkomers en oudkomers met
                    werk een inburgeringsaanbod doen.</al><al>Binnen de budgettaire kaders kunnen de gemeenten ook nieuwkomers en oudkomers
                    oproepen die sedert 1 januari 2007 inburgeringsplichtig zijn en tot 1 november
                    2007 niet in aanmerking kwamen voor een aanbod. </al><al>Op grond van de Regeling Vrijwillige inburgering niet-G31 kunnen gemeenten al
                    aan elke inburgeringsbehoeftige die tot de doelgroep van deze regeling behoort
                    een inburgeringsaanbod doen. Inburgeringsbehoeftigen zijn personen die niet tot
                    inburgering kunnen worden verplicht. </al><al>Belangrijkste groepen die onder deze regeling vallen zijn met name
                    (genaturaliseerde) Nederlanders en EU/EER-onderdanen en Zwitsers. En onderdanen
                    uit de landen van Midden- en Oost-Europa.</al><al>De Regeling vrijwillige inburgering niet- G31 maakt het mogelijk dat het college
                    aan vrijwillige inburgeraars een inburgeringsaanbod doet. Er is geen
                    verplichting de onderdelen betreffende vrijwillige inburgering te regelen in een
                    verordening. Door vrijwillige inburgering op te nemen in de verordening wordt
                    het recht om vrijwillig in te burgeren geborgd. Bovendien gelden voor de
                    inburgeringsbehoeftigen dezelfde voorwaarden, waaronder het betalen van de eigen
                    bijdrage.</al><al>Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om naast de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtigen vast te leggen in de verordening, ook de rechten en
                    plichten van vrijwillige inburgeraars vast te leggen. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN INFORMATIEVERSTREKKING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In sub c wordt het begrip aflossingscapaciteit nader gedefinieerd. Dit begrip is
                    van belang voor de vaststelling van het aantal termijnen waarbinnen de eigen
                    bijdrage in het kader van een door de gemeente aangeboden
                    inburgeringsvoorziening kan worden geïnd (zie verder artikel 4 van de
                    verordening). Met deze begripsomschrijving wordt aansluiting gezocht bij het
                    tijdens de uitvoering </al><al>van de Wet Werk en Bijstand gehanteerde aflossingspercentage.</al><al>De inburgeringsplichtige (onderdeel g) is degene die verplicht is in te burgeren
                    volgens de wet. Dit in tegenstelling tot de inburgeringsbehoeftige (onderdeel
                    h.) die deze verplichting niet heeft, maar zijn deelname aan de Nederlandse
                    samenleving beperkt ziet wegens het ontbreken van kennis over de Nederlandse
                    taal en cultuur.</al><al>In artikel 1 onderdeel h. van de Regeling vrijwillige inburgering niet G-31 2007
                    wordt de volgende begripsomschrijving gegeven van de (vrijwillige) inburgeraar: </al><al>De Nederlander, of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, bedoeld
                    in artikel 5, </al><al>tweede lid, onderdeel a, van de wet, of het rechtmatig in Nederland verblijvende
                    familielid van voornoemde vreemdeling, of de rechtmatige in Nederland
                    verblijvende vreemdeling van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen
                    van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen
                    inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de wet kan worden opgelegd, </al><al>en die</al><lijst><li nr="1."><al>ouder is dan 15 jaar;</al></li><li nr="2."><al>minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland
                            heeft verbleven, en;</al></li><li nr="3."><al>niet beschikt over een diploma, certificaat of document, bedoeld in
                            artikel 2.3 van het besluit;</al></li><li nr="4."><al>niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding
                            volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een diploma,
                            certificaat of document, bedoeld in artikel 2.3 van het besluit;</al></li><li nr="5."><al>geen overeenkomst heeft afgesloten op grond van de Regeling inburgering
                            allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen
                            G31, dan wel het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone
                            vrouwen Taal Totaal;</al></li><li nr="6."><al>niet eerder een overeenkomst heeft afgesloten op grond van de
                            onderhavige regeling.</al></li></lijst><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><al>De inburgeringsvoorziening (onderdeel i.) en de taalkennisvoorziening (onderdeel
                    j) zijn de voorzieningen die op grond van de Wet inburgering kunnen worden
                    aangeboden.</al><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                    inburgeringsbehoeftigen</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en inburgeringsbehoeftigen
                    in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien
                    uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                    wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen en
                    inburgeringsbehoeftigen wordt georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 </al><al>Wet inburgering dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over de
                    informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen en
                    inburgeringsbehoeftigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van
                    deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen
                    en taalkennisvoorzieningen. Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking
                    van deze verplichting.</al><al>In het eerste lid wordt de opdracht tot informatievoorziening bij het college
                    neergelegd. Het college is belast met de organisatie van deze
                    informatieverstrekking.</al><al>In het tweede en derde lid worden kaders gesteld met betrekking tot de vorm van
                    de informatievoorziening. Zoals aangegeven in de kadernota “Inburgeren in
                    Capelle aan den IJssel” is een herkenbaar informatiepunt essentieel om op een
                    verantwoorde wijze een beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige en inburgeringsbehoeftige. Bij dit informatiepunt kan de
                    inburgeringsplichtige en de inburgeringsbehoeftige het gereedschap vinden om aan
                    zijn eigen inburgeringsproces vorm te geven, indien een gemeentelijk aanbod niet
                    mogelijk is, dan wel door de gemeente of de inburgeringsplichtige niet wordt
                    gewenst. Daarnaast is ook reeds in de kadernota aangegeven dat de verwachting
                    niet bestaat dat sec met het op aanvraag verstrekken van informatie de
                    (potentiële) doelgroep in voldoende mate wordt bereikt. De gemeente zal er
                    daarom naar streven ook via organisaties en derden die in contact staan met de
                    (potentieel) inburgeringsplichtigen en inburgeringsbehoeftige informatie over de
                    uit de wet voortvloeiende verplichtingen te verspreiden.</al><al>In het vierde lid is tenslotte gekozen voor een tweejaarlijkse
                    verantwoordingscyclus. Hierbij is rekeninggehouden met het feit dat de effecten
                    van een informatiebeleid in hoge mate eerst meetbaar zullen zijn na de eerste
                    met dit informatiebeleid doorlopen inburgeringsprocessen. Gezien het gemiddelde
                    te verwachten looptijd van een inburgeringsproces is daarom gekozen voor een
                    cyclus van twee jaar.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 DOELGROEPEN EN VOORWAARDEN VAN DE INBURGERINGSVOORZIENING OF
                    TAALKENNISVOORZIENING</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Het aanbod en de samenstelling van de inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening</tussenkop><al>Het doen van een aanbod is een taak van het college, de raad is echter wettelijk
                    verplicht om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de criteria
                    die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan de doelgroep (artikel 19,
                    vijfde lid, onderdeel a Wet inburgering).</al><al>Daarbij gaat het specifiek om kaderstelling richting college. Aan dit artikel
                    kan de inburgeringsplichtige dus geen recht op een aanbod ontlenen.</al><al>Gestreefd wordt naar een volwaardige participatie. De integratie in Capelle aan
                    den IJssel is eerst écht geslaagd als de allochtone burger participeert aan de
                    samenleving op een niveau dat in overeenstemming is met zijn/haar talenten,
                    capaciteiten en ambities.</al><al>Dit laatste wil niet zeggen dat de gemeente een beleid voert dat zich richt op
                    het volledig realiseren van deze situatie. De volle ontplooiing van mensen is
                    immers vooral afhankelijk van hun eigen inspanningen (lees ook: eigen
                    verantwoordelijkheid). Wel voert de gemeente een beleid dat zich richt op het
                    toerusten van mensen om zelf “het stokje over te kunnen nemen” (empowerment).
                    Daarbij zijn binnen de kadernota een viertal “toerust”-elementen geformuleerd,
                    waarover de allochtoon dient te beschikken om tot volwaardige participatie te
                    kunnen komen. Meer specifiek gaat het dan erom dat de allochtoon:</al><lijst><li nr="a."><al>- in overeenstemming met zijn talenten, capaciteiten en ambities -
                            tenminste een startkwalificatie heeft om te gaan werken, een opleiding
                            te gaan volgen, sociaal redzaam te zijn of de opvoeding van zijn of haar
                            kinderen volledig ter hand te kunnen nemen;</al></li><li nr="b."><al>(zinvolle) sociale contacten heeft, binnen en buiten de eigen etnische
                            groep;</al></li><li nr="c."><al>(de normen en waarden van) het functioneren van de Nederlandse
                            samenleving respecteert en</al></li><li nr="d."><al>tenminste de taal beheerst op het (in de Wet inburgering) vastgestelde
                            niveau.</al></li></lijst><al>Inburgering moet binnen integratie worden beschouwd als een eerste stap binnen
                    het integratieproces. Het gaat om het verwerven van basisvaardigheden die nodig
                    zijn voor de participatie in de Nederlandse samenleving. Dit houdt in relatie
                    tot het bovenstaande in dat de genoemde vier “toerust”-elementen idealiter het
                    einddoel vormen van het inburgeringstraject. Een succesvol doorlopen
                    inburgeringstraject heeft aldus tot gevolg dat de inburgeringsplichtige over al
                    het gereedschap beschikt om tijdens het verdere verblijf in Nederland zijn
                    integratie vorm te geven. Dit houdt wederom in dat daar waar een aanbod van
                    gemeentezijde wordt gedaan, de aangeboden voorziening erop is gericht voor de
                    inburgeringsplichtige – voor zover zijn capaciteiten dit toestaan - het
                    bovenstaande toerustingniveau te bereiken.</al><al>Naast bovenstaande streefdoelen zijn in de wet zelf enkele extra criteria
                    opgenomen waaraan de</al><al>inburgeringsvoorziening dient te voldoen. Ten eerste dient een
                    inburgeringsvoorziening in ieder geval te bestaan uit een cursus die toe leidt
                    naar het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen
                    (artikel 19, derde lid Wet inburgering). Daarnaast is wettelijk bepaald dat de
                    inburgeringsvoorziening gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening
                    wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                    uitkering ontvangt op basis van een andere bij AMvB aangewezen wet of regeling
                    én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste
                    lid Wet inburgering). Indien in deze specifieke situatie geen
                    re-integratievoorziening wordt aangeboden, kan de gemeente derhalve geen
                    inburgeringsvoorziening aanbieden. </al><al>Op gelijke wijze is bepaald dat in het verplichte aanbod aan asielzoekers zonder
                    meer een component maatschappelijke begeleiding dient te zijn opgenomen (artikel
                    19, zesde lid Wet inburgering). Daar al deze eisen met betrekking tot de
                    samenstelling van de voorziening reeds in de wet zijn opgenomen, zijn zij niet
                    in de verordening herhaald.</al><al>Opgemerkt zij tenslotte nog dat de samenstelling van de inburgeringsvoorziening
                    voor geestelijke</al><al>bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet
                    de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><tussenkop>Kaderstelling</tussenkop><al>Zoals reeds in de kadernota “Inburgeren in Capelle aan den IJssel” aangegeven,
                    is ervoor gekozen om - gelijk de Wet inburgering - de eigen verantwoordelijk van
                    de inburgeringsplichtige centraal te stellen. Dit houdt in dat de gemeente in
                    beginsel haar wijze van ondersteuning zal afstemmen op de mogelijkheden van de
                    betrokken inburgeringsplichtige om zijn inburgeringsplicht verantwoord zelf ter
                    hand te nemen.</al><al>Dit laatste heeft tot gevolg dat het college enerzijds daar waar de
                    inburgeringsplichtige in voldoende mate mogelijkheden heeft om zijn
                    inburgeringsplicht zelf succesvol vorm te kunnen geven, zich zal beperken tot
                    het verlenen van informatie; terwijl anderzijds daar waar omstandigheden het
                    eigen handig oppakken van die inburgeringsplicht bemoeilijken, het college zo
                    mogelijk een aanbod kan doen.</al><al>De inburgeringsplicht houdt voor degene die geen aanbod van de zijde van de
                    gemeente krijgt of die het aanbod van gemeentezijde afslaat in dat hijzelf zijn
                    inburgeringsplicht vorm moet geven. Hij kan daartoe zijn eigen
                    inburgeringscursus inkopen en krijgt daarvoor ook de mogelijkheid om een lening
                    aan te gaan bij de IBG. Wordt het examen binnen drie jaar na de start van het
                    inburgeringsproces succesvol afgerond, dan krijgt de inburgeringsplichtige een
                    deel van zijn kosten vergoed. Dit laatste voorkomt echter niet dat de
                    inburgeringsplicht voor de inburgeringsplichtige zonder aanbod van
                    gemeentezijde, een aanzienlijke kostenpost vormt, zeker als sprake is van
                    bijstandbehoeftigheid of een inkomensniveau dat hiermee vergelijkbaar is. </al><al>Op grond van het eerste lid kan de gemeente het doen van een aanbod uitstellen,
                    indien zij van mening is dat in de nabije toekomst de omstandigheden voor de
                    desbetreffende inburgeringsplichtige gunstiger zijn om de inburgeringsplicht te
                    vervullen. Daarbij kan worden gedacht aan de inburgeringsplichtige met nog niet
                    schoolgaande kinderen, die bij directe inzet van de inburgeringsvoorziening
                    kinderopvang voor de lesuren zal moeten organiseren. Inzet van de voorziening op
                    een later moment - wanneer alle kinderen leerplichtig zijn - heeft dan, indien
                    verder arbeid als doelperspectief niet speelt, tot voordeel dat het volgen van
                    de inburgeringsvoorziening </al><al>geen (of slechts in beperkte mate) kosten in verband met kinderopvang met zich
                    meebrengt.</al><al>Lid 2 houdt niet in dat inburgering voor arbeidstoeleiding gaat. De uitstroom
                    uit de uitkering heeft prioriteit nummer een en vormt in die zin ook het eerste
                    deel van het aanbod. De scholing inzake taal en kennis van de Nederlandse
                    samenleving kan immers ook na de uitstroom worden ingezet, als het gecombineerde
                    aanbod van uitstroom en inburgering maar is gedaan op het moment dat betrokkene
                    nog uitkeringsgerechtigd was.</al><al>Het Rijk heeft duidelijk een onderscheid aangebracht tussen de
                    inburgeringsplichtigen en inburgeringsbehoeftigen. Om te voorkomen dat de
                    inburgering van de doelgroep die verplicht is in te burgeren in het gedrang komt
                    krijgt het college door het bepaalde in het derde lid de bevoegdheid om
                    voorafgaand aan het begrotingsjaar een plafond in te stellen aan de inburgering
                    van degene die vrijwillig inburgeren. Indien het plafond bereikt is heeft het
                    college de mogelijkheid het verzoek om een inburgeringsvoorziening af te wijzen.
                    Het plafond wordt gesteld aan de uitgaven van de inburgering voor
                    inburgeringsbehoeftigen en geldt telkens voor één jaar. Deze beperking geldt
                    uiteraard niet voor de inburgeringsplichtigen.</al><tussenkop>Artikel 4 De inning van de eigen bijdrage</tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid Wet inburgering).
                    De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                    bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                    tweede lid Wet inburgering).</al><tussenkop>De Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007 kent een uitzondering
                    op de eigen bijdrage in artikel 4 lid 5 is bepaald dat de inburgeraar de eigen
                    bijdrage is verschuldigd, tenzij hij op last van het college of bestuur, dan wel
                    een andere instantie een gecombineerde inburgeringsvoorziening dient te
                    volgen.</tussenkop><al>Alleen de inburgeraars die een aanbod van de gemeente hebben geaccepteerd zijn
                    voor deze inburgeringsvoorziening een eigen bijdrage schuldig. De overige
                    inburgeringsplichtigen dienen hun inburgering volledig zelf te financieren. Zij
                    kunnen hiertoe een lening sluiten bij de Informatie Beheer Groep (IBG). Wordt
                    het inburgeringsexamen binnen drie jaren met succes afgerond, dan volgt een
                    gedeeltelijke vergoeding van de kosten.</al><al>Bij de inning van de eigen bijdrage wordt gewerkt met twee termijnen. Het is aan
                    het college om de</al><al>momenten waarop de beide termijnen worden gesteld te bepalen. Gedacht kan worden
                    aan een inning bij start en bij afronding van het inburgeringstraject. Het gaat
                    dan om momenten dat het college zonder meer contact met de inburgeringsplichtige
                    heeft. Deze contactmomenten geven de inburgeringsplichtige de gelegenheid aan te
                    tonen dat een eenmalige invordering van € 135,-- (de helft van de totale eigen
                    bijdrage) hem voor financiële problemen plaatst, waarna op basis van het tweede
                    lid alsnog afspraken kunnen worden gemaakt om in afwijking van het eerste lid
                    betaling in meerdere termijnen mogelijk te maken. Daarbij zal veelal aansluiting
                    worden gezocht bij de voor een bijstandsgerechtigde vastgestelde
                    aflossingcapaciteit. Het college zal in de reeds aangehaalde nadere richtlijnen
                    voor de uitvoering de momenten waarop de beide termijnen worden gesteld nader
                    bepalen.</al><al>Artikel 24, eerste lid Wet inburgering maakt het bij inburgeringsplichtigen die
                    algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent
                    met deze uitkering. In het derde lid is daarom in afwijking van bovenstaande
                    richtlijn bepaald dat wanneer verrekening met een WWB uitkering mogelijk is, het
                    aantal termijnen afhankelijk wordt gesteld van de aflossingcapaciteit van de
                    inburgeringsplichtige. Voor de bepaling van de aflossingcapaciteit wordt
                    verwezen naar hetgeen hierover is opgenomen in artikel 1 van de
                    verordening.</al><al>Opgemerkt zij nog dat indien de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV
                    ontvangt, het college het UWV kan verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met
                    of in te houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid Wet
                    inburgering). In dit geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de
                    gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de
                    gemeente, </al><al>en wordt dus niet in deze verordening geregeld.</al><tussenkop>Artikel 5 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, Wet inburgering dat
                    bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en
                    plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringvoorziening is
                    vastgesteld. De raad delegeert in dit artikel de bevoegdheid aan het college om
                    de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen
                    in het kader van een inburgeringvoorziening op te leggen. Het college legt in de
                    beschikking tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen
                    vast.</al><al>Opgemerkt zij dat de genoemde verplichtingen alleen kunnen worden opgelegd aan
                    de inburgeringsplichtige die een aanbod van gemeentezijde heeft gehad en dit ook
                    heeft geaccepteerd. Aan inburgeringsplichtigen die zonder aanbod van de gemeente
                    hun inburgeringsplicht vorm geven, kan het college geen verplichtingen opleggen.
                    Daarnaast kan het college vanuit de Wet inburgering ook niet de verplichting
                    opleggen om een gemeentelijk aanbod te accepteren. Het is in beginsel de vrije
                    keuze van de inburgeringsplichtige. Daar waar sprake is van
                    bijstandgerechtigheid kan het weigeren van het aanbod in het kader van het WWB
                    verlagingen beleid wel gevolgen hebben voor </al><al>de hoogte van de uitkering.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 DE PROCEDURE VAN HET AANBOD VAN EEN INBURGERINGSVOORZIENING
                    OF TAALKENNISVOORZIENING</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 De procedure van het doen van een aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze geschiedt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening. In het eerste lid van
                    dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                    inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet
                    en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige
                    staat ingeschreven in de GBA. </al><al>Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid ontstaan over het feit dat het college
                    de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking </al><al>(het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden
                    opgevat als instemming met de beschikking tot toekenning van de
                    inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd).</al><al>Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vijfde
                    lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt </al><al>of weigert, hij of zij dit duidelijk kenbaar maakt (het derde lid). In beginsel
                    zal de inburgeringsplichtige conform de huidige praktijk worden verzocht het
                    aanbod te ondertekenen zo hij er mee instemt. </al><al>Het niet ondertekenen houdt dan in principe in dat hij het aanbod weigert.
                    Verschijnt de inburgeringsplichtige tot tweemaal toe, zonder opgaaf van redenen,
                    niet op de uitnodiging van het college om het aanbod nader te bespreken dan gaat
                    het college er vanuit dat de inburgeringsplichtige het aanbod weigert (vierde
                    lid).</al><al>Het kan verder natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                    gemeente meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet
                    op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod
                    van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane
                    aanbod moeten aanpassen. Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te
                    accepteren. Weigert de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich
                    zelfstandig moeten voorbereiden op het</al><al>inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen termijn vastgesteld
                    waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen moet hebben behaald.
                    Het college zal in een dergelijke situatie een handhavingbesluit nemen: een
                    besluit op grond van artikel 26 Wet inburgering waarmee de termijn van start
                    gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben
                    behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het college zal deze
                    handelwijze vastleggen in de eerder reeds aangehaalde richtlijnen voor de
                    uitvoering en dit evenzo opnemen in de brief waarin het aanbod wordt gedaan,
                    zodat tevoren voor de betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de
                    gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 7 De inhoud van de beschikking of overeenkomst</tussenkop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een beschikking
                    (voor de inburgeringsplichtige) of het ondertekenen van de
                    inburgeringsovereenkomst (voor de inburgeringsbehoeftige). In de beschikking of
                    overeenkosmt zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan
                    verbonden rechten en plichten van de belanghebbende nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
                    uitvoering van de</al><al>inburgeringsvoorziening (artikel 23, eerste lid Wet inburgering). Handhaving
                    hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige
                    duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                    beschikking) bekend zijn gemaakt. Deze verplichting geldt niet voor de
                    inburgeringsbehoeftige, maar doordat de inburgeringsbehoeftige de overeenkomst
                    ondertekend verbindt hij zich wel aan de afspraken die in het contract opgenomen
                    zijn. </al><al>Deze afspraken, die vergelijkbaar met de verplichtingen van de
                    inburgeringsplichtige, zijn dan niet meer vrijblijvend.</al><al>De termijn waarbinnen een belanghebbende het inburgeringsexamen moet hebben
                    behaald, is genoemd in de wet (artikel 7, eerste lid,Wet inburgering)
                    respectievelijk regeling (artikel 5, lid 3 van de Regeling). In de beschikking
                    of overeenkomst hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding te worden gemaakt
                    (onderdeel c).</al><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking of overeenkomst moet worden vastgelegd
                    in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                    betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                    bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 4 van de verordening.</al><al>Onderdeel f heeft uitsluitend betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien
                    het college een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet
                    het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn
                    van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid
                    juncto artikel 26 Wet inburgering).</al><al>Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                    inburgeringsexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het college zal
                    daarbij</al><al>-voor zover mogelijk – aansluiting zoeken bij de aanvangsdatum van de
                    inburgeringsvoorziening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 DE BESTUURLIJKE BOETE EN BELONING</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op inbugeringsplichtigen. Artikel 35
                    Wet inburgering draagt </al><al>de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te
                    stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. In artikel
                    34 Wet inburgering zijn voor de verschillende overtredingen de maximumbedragen
                    van de bestuurlijke boete vastgelegd. De binnen de wet boetewaardig gestelde
                    gedragingen zijn in hoge mate vergelijkbaar met de verlagingwaardige gedragingen
                    binnen de WWB. Er is voor gekozen om het boete beleid in het kader van de Wet
                    inburgering zo veel mogelijk in de pas te laten lopen met het
                    WWB-verlagingenbeleid. Dit laatste houdt in dat de wettelijk vastgestelde maxima
                    van toepassing worden verklaard, nu deze de hoogte van de maatregel het best
                    benaderen (zie bijgevoegde tabel).</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Boetewaardige gedraging</vet></al><al><vet>Wet inburgering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Maximaal</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verlagingwaardige gedraging WWB</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Maximaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet dan wel in te beperkte</al><al>mate verlenen van medewerking bij het onderzoek naar de
                                        inburgeringsplichtigheid</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 250,--</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet dan wel in onvoldoende</al><al>mate meewerken aan een</al><al>onderzoek naar de mogelijkheden</al><al>tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de
                                        geschiktheid voor scholing of opleiding.</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet dan wel in te beperkte</al><al>mate meewerken aan de</al><al>uitvoering van de inburgeringsvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500,--</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet of in onvoldoende mate</al><al>gebruik maken van een door het</al><al>college aangeboden voorziening,</al><al>gericht op arbeidsinschakeling, </al><al>als bedoeld in artikel 9, eerste lid,</al><al>onderdeel b, en artikel 10, </al><al>eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale
                                        activering.</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het niet behalen van het</al><al>inburgeringsexamen binnen de</al><al>gestelde termijn</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500,--</al></entry><entry colname="col3"><al>Het niet naar vermogen trachten</al><al>algemeen geaccepteerde arbeid te</al><al>verkrijgen en te aanvaarden.</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>één maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Het bij herhaling niet behalen</al><al>van het inburgeringsexamen</al><al>binnen de gestelde termijn</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.000,--</al></entry><entry colname="col3"><al>Het bij herhaling niet naar vermogen trachten algemeen
                                        geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.</al></entry><entry colname="col4"><al>100%</al><al>twee maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De boetebedragen die in de verordening zijn opgenomen, zijn - net zoals in de
                    Afstemmingsverordening - géén gefixeerde sancties. Het college zal bij elke
                    overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                    overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.
                    Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de
                    omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid Wet
                    inburgering). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te
                    leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. Een boete
                    hoger dan het in de verordening aangegeven bedrag is echter niet mogelijk.</al><al>Opgemerkt zij nog dat in het kader van de uitvoering van een gecombineerde
                    re-integratie- en inburgeringsvoorziening het kan voorkomen dat dezelfde
                    gedraging (bijvoorbeeld het niet voldoen </al><al>aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken) zowel aanleiding
                    kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor het verlagen van
                    de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid Wet werk en
                    bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere
                    socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 Wet inburgering bevat een
                    regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in
                    dat geval géén bestuurlijke boete op grond van de wet kan opleggen.</al><tussenkop>Artikel 9 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen </al><al>heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke boete op. De
                    maximumboete die kan </al><al>worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9, derde lid, van de verordening. Op
                    grond van artikel 32 Wet inburgering moet het college in de boetebeschikking een
                    nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                    inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze
                    nieuwe termijn het inburgeringsexamen verwijtbaar niet heeft behaald, is in
                    artikel 10 geregeld dat het college een boete van maximaal € 1.000,-- (artikel
                    34, onderdeel d Wet inburgering) vaststelt. Daarmee loopt het boetebeleid van de
                    Wet inburgering wederom in de pas met het WWB-verlagingenbeleid, waarin ook voor
                    een verdubbeling van de sanctie wordt gekozen zo sprake </al><al>is van recidive.</al><al>In de boetebeschikking zal weer een nieuwe termijn moeten worden opgenomen
                    waarbinnen de</al><al>inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het inburgeringsexamen
                    niet heeft behaald, kan een boete van wederom maximaal € 1.000,-- worden
                    opgelegd. Een hogere boete is in deze wettelijk niet toegestaan.</al><tussenkop>Artikel 10 Bestuurlijk beloning</tussenkop><al>Er is een financiële prikkel om inburgeringbehoeftigen die hun inburgering met
                    succes afsluiten door het behalen van het examen een bonus te geven ter hoogte
                    van de eigen bijdrage. Deze bonus kan ambtshalve worden toegekend zodra het
                    college heeft vastgesteld dat het examen behaald is.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Inwerkingtreding en intrekking</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>