<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR189910_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2012 gemeente Dalfsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 03-07-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio’s, artikel 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>26-04-2012, nummer 56</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2012 gemeente Dalfsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d 26
                        april 2012, nummer 56;</al><al>Gezien de ledenbrief met kenmerk Lbr.12/025 van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten, </al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al>Gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s, de aanpassing daarop
                        (Staatsblad 2010, 145 en 146) en het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416
                        en 676);</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen <vet>“Brandbeveiligingsverordening 2012 gemeente
                            Dalfsen”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                    begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 75 personen* tegelijk aanwezig zullen zijn; of,
                                    </al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst><al/><al>*Het aantal personen wijkt hier af van de model
                                Brandbeveiligingsverordening (50 personen) en is </al><al>afgestemd op de Algemene Plaatselijk Verordening (APV) van de
                                gemeente Dalfsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden
                                verbinden in het belang van het voorkomen van brand en het beperken
                                van brand en brandgevaar (paragraaf 3) en het bestrijden van brand
                                en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. (paragraaf
                                4)</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorwaarden ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416 en 676) zijn van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2011, 416 en
                            676) zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede
                            lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de voorgaande
                                Brandbeveiligingsverordeningen en die van kracht zijn op het moment
                                van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                                vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de
                                Brandbeveiligingsverordening van 2010 is ingediend waarop nog niet
                                is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening van 2010, wordt
                                beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                                    Brandbeveiligingsverordening 2012.</al></li><li nr="2."><al>De ‘Brandbeveiligingsverordening 2010’ wordt bij
                                    inwerkingtreding van deze regeling ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Deze regeling treedt in werking op 1 april 2012.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 25 juni 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten N.A. Ynema Msc </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2012</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur (AMvB) aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                    Brandbeveiligingsverordening. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 968,
                    nummer 8, pagina 7) Naar verwachting treedt deze AMvB pas op zijn vroegst medio
                    2012 in werking. Tot die tijd zal op grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke
                    gemeente een Brandbeveiligingsverordening van kracht zijn.</al><al>Als een gemeente na het in werking treden van de Wet veiligheidsregio’s (op 1
                    oktober 2010) nog geen nieuwe Brandbeveiligingsverordening heeft vastgesteld is
                    zij verplicht dit alsnog te doen. De op de Brandweerwet 1985 gebaseerde
                    Brandbeveiligingsverordening is namelijk van rechtswege bij de inwerkingtreding
                    van de Wet veiligheidsregio’s vervallen.</al><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn. De verordening bevat
                    tevens regels voor de bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet.</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening mag niet regelen 'voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien'. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wet al voorziet of mede (indirect)
                    voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s als opdacht aan
                    het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk voorschrift voor op de
                    Brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    Brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de Brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk is er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een bepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de Brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel een drijvende discotheek, of een tijdelijke
                    tent die korter dan 31 dagen staat<sup>1</sup>. Het onderwerp is vooraf niet te
                    bepalen. (<sup>1</sup> Bron ministerie VROM: Desgevraagd heeft Vrom bevestigd
                    dat evenementen en activiteiten niet onder de werkingssfeer van Wabo vallen als
                    deze korter dan 31 dagen staan of gebruikt worden. Bij een kortere periode dan
                    31 dagen is deze Brandbeveiligingsverordening van toepassing.) </al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften)
                    geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het, vanwege het feit dat niet van tevoren
                    duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten
                    lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                    geval het <cursief>Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening ex</cursief> de
                    Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de
                    bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit 2012 is een
                    constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de
                    Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de
                    Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    Brandbeveiligingsverordening het juiste kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig – meer dan 31 dagen – op dezelfde plaats
                    staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent
                    tijdens een kortdurende periode – minder dan 31 dagen – een ‘niet bouwwerk’ is,
                    waarvoor op grond van de Brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden
                    gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staand jurisprudentie, een toelichting:</al><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    Brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de bouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-<cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><lijst><li nr="1)"><al>constructie, </al></li><li nr="2)"><al>van enige omvang, </al></li><li nr="3)"><al>met de grond verbonden, </al></li><li nr="4)"><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuїstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie staat in de toelichting op de model bouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de Brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de Brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998,
                    5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde, verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en
                    waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de Bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingplicht in plaats van een vergunningplicht, omdat tussen die
                    situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in
                    de Brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan
                        <onderstreept>altijd</onderstreept> moet worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via een directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de Brandbeveiligingsverordening niet aan te maken aan de hand
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De model Brandbeveiligingsverordening 2012 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn. </al><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de Brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met opsporing
                    van strafbare feiten.</al><tussenkop> Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (Brandbeveiligingsverordening) en derde lis (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1°. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2011 €
                    9.000,--.</al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    rekening hoeft te houden.</al><al>Een alternatief artikel is aan de verordening toegevoegd.</al><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied in de verordening zelf.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel is twee keer de Brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de Brandbeveiligingsverordening van
                    vóór 2008 en die van 2010 nog van kracht moeten zijn.</al><tussenkop>Intrekken regeling</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening die nog gebaseerd is op de Brandweerwet 1985, is
                    van rechtswege vervallen op het moment van inwerkingtreding van de Wet
                    veiligheidsregio’s (1 oktober 2010).</al><al>De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel 144 Gemeentewet
                    genoemde wijze.</al><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al>De verordening zal worden opgenomen in het gemeenteblad van de gemeente Dalfsen
                    en in de regelingenbank, onder mededeling hiervan in de KernPUNTEN.</al><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook met zich mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits
                    daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Paragraaf 1 Algemeen </al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </al><al>Paragraaf 2 Gebruiksvergunning </al><al>Artikel 2 Verbodsbepaling </al><al>Artikel 3 Weigeringgronden </al><al>Artikel 4 Gebruikseisen </al><al>Artikel 5 Brandveiligheidsvoorzieningen </al><al>Artikel 6 Melden van brand en broei </al><al>Artikel 7 Bossen, heidevelden, venen </al><al>Artikel 8 Overgangsrecht </al><al>Artikel 9 Citeertitel en inwerkingtreding </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>