<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR189546_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Wet inburgering gemeente Landgraaf 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-07-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Landgraaf Aktueel, 4 juli 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Wet inburgering gemeente Landgraaf 2012.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:81">artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening Wet inburgering gemeente Landgraaf 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Wet inburgering gemeente Landgraaf 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van Landgraaf;</al><al/><al>overwegende dat de raad op 31 mei 2012 de Verordening Wet inburgering
                        gemeente Landgraaf 2012 heeft vastgesteld;</al><al/><al>overwegende dat het omwille van effectiviteit van beleid, gelijkheid in
                        behandeling en rechtszekerheid voor de burgers wenselijk is beleidsregels
                        vast te stellen omtrent de uitvoering van de Wet inburgering en de
                        verordening voornoemd;</al><al/><al>gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al/><al> besluiten</al><al/><al>vast te stellen de Beleidsregels Wet inburgering gemeente Landgraaf
                        2012.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1:1 begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van
                                        de gemeente Landgraaf;</al></li><li nr="b."><al>de wet: Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>de verordening: Verordening Wet inburgering gemeente
                                        Landgraaf 2012;</al></li><li nr="d."><al>voorziening: een (duale) inburgeringvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop rustende regelingen
                                zijn van toepassing op de begrippen die in deze beleidsregels worden
                                gebruikt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Vaststellen voorziening </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2:1 doelgroepen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afhankelijk van het beschikbare rijksbudget wordt een voorziening
                                aangeboden aan:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwkomers die een uitkering ingevolge de WWB
                                        ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>nieuwkomers, die een opvoedingstaak hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een voorziening geldt dat de hoogste
                                prioriteit dient te worden gegeven aan de nieuwkomers als bedoeld
                                onder het eerste lid, onder a, en de laagste prioriteit dient te
                                worden gegeven aan de inburgeringsbehoeftigen als bedoeld in het
                                eerste lid, onder b.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:2 Procedure vaststellen voorziening inburgeringsplichtige</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens de intake wordt met de inburgeringsplichtige gesproken over
                                de voorziening die het college voor betrokkene geschikt acht. Er
                                zijn vervolgens vier mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>in de intake blijkt dat het college aan de
                                        inburgeringsplichtige geen voorziening wil verstrekken
                                        (bijvoorbeeld omdat betrokkene niet tot de prioritaire
                                        groepen behoort). Het college stelt geen voorziening vast en
                                        kan een handhavingbeschikking nemen (voor de oudkomer) of
                                        een kennisgeving afgeven (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="b."><al>het college biedt een voorziening aan en de
                                        inburgeringsplichtige is het hiermee eens. Het college stelt
                                        de voorziening vast;</al></li><li nr="c."><al>de inburgeringsplichtige vindt de voorziening niet gepast en
                                        geeft aan zelf op een andere wijze aan de inburgeringsplicht
                                        te zullen voldoen. Het college neemt alleen een
                                        handhavingbeschikking (voor een oudkomer) of een
                                        kennisgeving (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="d."><al>het college acht een voorziening geschikt maar de
                                        inburgeringsplichtige wil deze voorziening niet. Het college
                                        heeft de mogelijkheid om de voorziening vast te stellen,
                                        tegen de zin van betrokkene in.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige kan de verplichting worden opgelegd de
                                voorziening geheel of gedeeltelijk in de avonduren te volgen, indien
                                een arbeidsverplichting een belemmering vormt om dat overdag te
                                doen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor geestelijk bedienaren worden geen separate trajecten
                                ontwikkeld, maar wordt gebruik gemaakt van landelijke
                                mogelijkheden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3 Ontheffing </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3:1 ontheffing van de inburgeringsverplichting </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het college kan ontheffing verlenen van de
                                        inburgeringsverplichting indien het op grond van door de
                                        inburgeringsplichtige geleverde inspanningen tot het oordeel
                                        komt dat het voor hem niet mogelijk is het inburgeringexamen
                                        te behalen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder c,
                                        van de wet, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de inburgeringsplichtige een verklaring van de
                                                onderwijsinstelling of een</al><al> andere deskundige overlegt waaruit blijkt dat bij
                                                de inburgeringsplichtige het leervermogen ontbreekt
                                                om het inburgeringexamen te halen, of </al></li><li nr="b."><al>de inburgeringsplichtige aantoonbaar inspanningen
                                                heeft verricht om het inburgeringexamen te behalen,
                                                maar toch is gebleken, dat het behalen van het
                                                inburgeringexamen een onmogelijke opgave zal zijn.
                                                Als inspanning kan bijvoorbeeld worden aangemerkt de
                                                in het verleden reeds geleverde inspanningen inzake
                                                de Wet Inburgering Nieuwkomers, de Wet Educatie
                                                Beroepsonderwijs, oudkomersregelingen, en
                                                gelijksoortige regelgeving. Bij de beoordeling van
                                                de geleverde inspanningen wordt door het college
                                                indien mogelijk rekening gehouden met aanwezigheid-
                                                c.q. verzuimgegevens, of</al></li><li nr="c."><al>de resultaten van het examen aanleiding geven te
                                                veronderstellen dat de inburgeringsplichtige
                                                blijvend niet in staat zal zijn het
                                                inburgeringexamen te halen, mits gebleken is
                                                dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de inburgeringsplichtige een cursus heeft
                                                  ingekocht;</al></li><li nr="2."><al>de inburgeringsplichtige een cursus heeft
                                                  gevolgd en afgemaakt, en</al></li><li nr="3."><al>de inburgeringsplichtige minstens éénmaal
                                                  examen heeft afgelegd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de inburgeringsverplichting
                                indien de inburgeringsplichtige naar het oordeel van het college
                                aantoonbaar voldoende is ingeburgerd als bedoeld in artikel 2.8a van
                                het besluit inburgering. De inburgeringsplichtige kan hiertoe te
                                allen tijde een aanvraag doen en dient dan aan te tonen, dat hij/zij
                                in toereikende mate beschikt over kennis van de Nederlandse taal en
                                samenleving om op volwaardige wijze als burger in de Nederlandse
                                samenleving te participeren. Een en ander kan onder meer blijken uit
                                overlegging van:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>een arbeidscontract voor de duur van minimaal 1 jaar
                                                met een verklaring van de werkgever, waaruit de duur
                                                van het dienstverband blijkt en de mate waarin de
                                                Nederlandse taal door betrokkene op de werkvloer
                                                gebruikt wordt;</al></li><li nr="-"><al>bewijzen van publieke optredens of bestuurs- of
                                                vrijwilligersfuncties, waaruit blijkt dat de
                                                aanvrager in zijn functie-uitoefening mondeling en
                                                schriftelijk in het Nederlands communiceert;
                                                en/of</al></li><li nr="-"><al>documenten die aantonen dat met goed gevolg een
                                                opleiding is gevolgd die weliswaar niet wordt erkend
                                                als vrijstellingsgrond, maar waaruit blijkt dat
                                                betrokkene voldoende ingeburgerd is.</al><al/><al>De schriftelijke aanvraag voor ontheffing dient te
                                                zijn voorzien van de relevante bewijsstukken (zoals
                                                hierboven benoemd).</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 Vergoedingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4:1 vergoeding reiskosten</label></kop><al>De inburgeringsplichtige, waarvoor een voorziening door de gemeente is
                            vastgesteld, heeft recht op vergoeding van de aan de voorziening
                            verbonden reiskosten op basis van de kosten van openbaar vervoer op de
                            goedkoopste wijze tot een maximum van € 500,- per jaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5 Kinderopvang </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5:1 inburgering en kinderopvang </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kinderopvang is een eigen verantwoordelijkheid van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zal zich maximaal inspannen om randvoorwaarden te
                                scheppen voor het creëren van kinderopvang, zodat het aanbod van
                                kinderopvang geen beletsel is voor de inburgeringsplichtige om zijn
                                inburgeringtraject te volgen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6 De bestuurlijke boete </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6:1 indeling in categorieën </label></kop><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de zowel in de wet en de verordening
                            opgenomen als de bij beschikking opgelegde verplichtingen, wordt
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><al/><al>I.eerste categorie</al><al>het geen gehoor geven aan een oproep van het college om te verschijnen
                            en gegevens te verstrekken of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                            onderzoek in verband met het aanbieden van een voorziening of het
                            vaststellen van de start van de termijn van handhaving (artikel 29 van
                            de wet en artikel 8 van de verordening);</al><al/><al>II.tweede categorie</al><al>geen of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van de
                            vastgestelde voorziening of aan de bij verordening vastgestelde
                            verplichtingen in het kader van een dergelijke voorziening (artikel 30
                            van de wet en artikel 8 van de verordening); </al><al/><al>III.derde categorie</al><al> het niet binnen de voor hem geldende wettelijke termijn behalen van het
                            examen (artikelen 7, eerste lid, 31, tweede lid, onder a, van de wet jo.
                            artikel 9 van de verordening en de artikelen 32 en 33 van de wet jo.
                            artikel 10 van de verordening)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:2 (hoogte van) de bestuurlijke boetes </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij overtredingen van de 1<sup>e</sup> categorie is de volgende
                                boete van toepassing:</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>Overtreding</onderstreept></al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Bestuurlijke
                                                  boete</onderstreept></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen bestuurlijke boete</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 100,- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en vaker binnen 12 maanden na
                                                  de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                                  overtreding</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 250,- per keer </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij overtredingen van de 2<sup>e</sup> categorie is de volgende
                                boete van toepassing:</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>Overtreding</onderstreept></al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Bestuurlijke
                                                  boete</onderstreept></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col2"><al>Geen bestuurlijke boete </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 250,- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en vaker binnen 12 maanden na
                                                  de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                                  overtreding</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 500,- per keer</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overtredingen van de 3<sup>e</sup> categorie is de volgende
                                boete van toepassing:</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>Overtreding</onderstreept></al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Bestuurlijke
                                                  boete</onderstreept></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer niet verwijtbaar (artikel 7
                                                  jo. artikel 31, tweede lid, onder a, van de
                                                  wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen bestuurlijke boete, </al><al>hersteltermijn 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer verwijtbaar (artikel 7 jo.
                                                  artikel 31,eerste lid jo. artikel 32 van de
                                                  wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 100,-, </al><al>hersteltermijn 6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer niet verwijtbaar (artikel 33,
                                                  eerste lid jo. artikel 31, tweede lid, van de
                                                  wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen bestuurlijke boete,</al><al>hersteltermijn 12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer verwijtbaar (artikel 33,
                                                  eerste lid jo. artikel 32 van de wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 200,-, </al><al>hersteltermijn 12 maanden </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en vaker niet verwijtbaar
                                                  (artikel 33, tweede lid jo. artikel 31, tweede
                                                  lid, van de wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen bestuurlijke boete, </al><al>hersteltermijn 24 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en vaker verwijtbaar (artikel
                                                  33, tweede lid, van de wet)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 500,- iedere 2 jaar,
                                                  hersteltermijn 24 maanden </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6:3 afstemming</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                inburgeringsplichtige de gedraging verweten kan worden of de
                                omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, kunnen
                                de bestuurlijke boetes, bedoeld in artikel 6:2, worden verlaagd of
                                verhoogd. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                                geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging en verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel, bedraagt 50%.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien de
                                overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de
                                inburgeringsplichtige, hem niet volledig valt aan te rekenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het ontbreken van verwijtbaarheid is in ieder geval sprake
                                indien de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de
                                inburgeringsplichtige, hem niet valt aan te rekenen</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7:1 inwerkingtreding </label></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na algemene
                            bekendmaking daarvan, onder gelijktijdige intrekking van de
                            Beleidsregels Wet inburgering gemeente Landgraaf 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7:2 van toepassing verklaring </label></kop><al>Indien het college besluit een voorziening aan te bieden aan de
                            doelgroep, genoemd in artikel 2, lid 1 onder c, zijn deze beleidsregels
                            van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7:3 citeertitel</label></kop><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Wet inburgering
                            gemeente Landgraaf 2012. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 12 juni 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf,</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en Wethouders van Landgraaf,</ondertekening><ondertekening>de Secretaris, de Burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> ir. J.M.C. Rijvers, loco mr. R.J.H. Vlecken </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Artikel 1:1 begripsomschrijvingen</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1 doelgroepen</vet></al><al>Wettelijk aangewezen doelgroepen zijn:</al><al>- asielgerechtigde nieuwkomers;</al><al>- geestelijk bedienaren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:2 procedure vaststellen voorziening
                    inburgeringsplichtige</vet></al><al>Het hebben van werk of andere bezigheden overdag is geen reden een aanbod te
                    weigeren om het aanbod in de avonduren te volgen. De gemeente Landgraaf heeft
                    gekozen voor het vaststellingsstelsel. Een handhaving is een beschikking, waarin
                    wordt vastgesteld, dat de betrokkene inburgeringsplichtig is en dat hij binnen
                    een bepaalde termijn het inburgeringsexamen dient te behalen en dat hij/zij zich
                    hiervoor zelf dient voor te bereiden.</al><al/><al><vet>Artikel 3:1 ontheffing van de inburgeringsverplichting</vet></al><al>Het college heeft de bevoegdheid iemand (bij voorbaat) te ontheffen van zijn
                    inburgeringsplicht, op basis van medische gronden. Dit wordt uitputtend geregeld
                    in art. 6 van de wet, het Besluit inburgering en de Regeling inburgering. In
                    deze beleidsregels wordt ontheffing als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder c,
                    van de wet, uitgewerkt. Het betreft de mogelijkheid tot ontheffing gedurende het
                    traject (wegens het ontbreken van leervermogen: 1a en 1b) en de mogelijkheid tot
                    ontheffing aan het einde van het traject (als gevolg van de resultaten van het
                    examen: 1c). Op basis van artikel 6 van de wet jo. artikel 2.8a Besluit
                    inburgering kan het college eveneens een ontheffing verlenen op basis van
                    “evidente inburgering”. Uit de nota van toelichting bij artikel 2.8a volgt dat
                    de bevoegdheid een uitzondering op de algemene inburgeringsplicht betreft,
                    waarbij verwacht mag worden dat prudent wordt omgegaan met de ruimte die het
                    college is gegeven om inburgeringsplichtigen van deze plicht te ontheffen. Tot
                    een ontheffing wegens “evidente inburgering” dient dus niet al te lichtvaardig
                    te worden omgegaan. Aangezien er geen nadere regels zijn gesteld bij
                    ministeriële regeling, worden in deze beleidsregels handvaten geboden om
                    ontheffing te kunnen verlenen op basis van evidente inburgering.</al><al/><al><vet>Artikel 4:1 vergoeding reiskosten</vet></al><al>Het is al jaren beleid dat reiskosten voor verplichte inburgering worden
                    vergoed. Om deze vergoeding financieel in te kunnen kaderen is gekozen voor een
                    maximum vergoedingsbedrag van € 500,- op basis van de goedkoopste wijze van
                    vervoer. </al><al/><al><vet>Artikel 5:1 inburgering en kinderopvang</vet></al><al>Het gebrek aan voldoende kinderopvang kan leiden tot stagnatie bij het volgen
                    van een voorziening. Aangezien kinderopvang tegenwoordig onder marktwerking
                    valt, heeft de gemeente daar geen invloed op. Met de inburgeringsplichtige zal
                    zonodig wel actief worden meegedacht over een oplossing.</al><al/><al><vet>Artikel 6:1 indeling in categorieën</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 6:2 (hoogte van) de bestuurlijke boetes </vet></al><al>Alvorens wordt overgegaan tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt de
                    inburgeringsplichtige schriftelijk op de hoogte gesteld van het bestaande
                    voornemen hem een boete op te leggen en wordt hij in de gelegenheid gesteld
                    binnen een termijn van twee weken zijn zienswijze daarop kenbaar te maken. Een
                    en ander in verband met het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al/><al><onderstreept>Overtredingen van de eerste categorie: </onderstreept></al><al>Nadat de gemeente Landgraaf een potentieel inburgeringsplichtige heeft
                    opgeroepen voor een intakegesprek, moet deze conform de wet verschijnen. </al><al>Indien de persoon niet verschijnt op de afspraak wordt eenmalig een
                    waarschuwingsbrief gestuurd met een nieuwe afspraak (opnieuw intake binnen 2
                    weken na datum oorspronkelijke afspraak). </al><al>Indien de persoon vervolgens wederom geen gehoor geeft aan de oproep, wordt een
                    bestuurlijke boete opgelegd van € 100,-. </al><al>Bij recidive binnen twaalf maanden na de vorige overtreding wordt de boete
                    verhoogd tot € 250,- zonder dat daarvoor opnieuw een hersteltermijn wordt
                    afgegeven. </al><al>Wanneer een afspraak voor de tweede keer (zonder gegronde reden) door een
                    potentieel inburgeringsplichtige wordt verzet, wordt dit gelijkgesteld aan het
                    niet meewerken aan een inburgeringsonderzoek. </al><al>Indien de persoon wel verschijnt op het intakegesprek, maar niet of onvoldoende
                    meewerkt, wordt eenmalig een nieuwe afspraak gemaakt middels het versturen van
                    een waarschuwingsbrief met een voornemen tot het opleggen van een boete (nieuwe
                    afspraak binnen maximaal 2 weken na oorspronkelijke afspraak). Indien de persoon
                    vervolgens wederom geen of onvoldoende medewerking verleent tijdens de intake,
                    wordt een bestuurlijke boete opgelegd van € 100,-. Bij recidivegedrag wordt dit
                    bedrag verhoogd tot € 250,-. </al><al>De intake is onder meer bedoeld om de inburgeringsplicht vast te stellen en de
                    termijnen die hieruit voortvloeien te handhaven. Wanneer de potentiële
                    inburgeringsplichtige bij herhaling geen gehoor geeft aan de oproep voor de
                    intake of de afspraak daartoe bij herhaling verplaatst, wordt er vanuit gegaan
                    dat er een inburgeringsplicht bestaat en wordt hieromtrent een beschikking
                    afgegeven. </al><al/><al/><al><onderstreept>Overtredingen van de tweede categorie </onderstreept></al><al>Indien de persoon niet voldoet aan de wet, de verordening en/of in de
                    individuele beschikking gestelde voorwaarden, wordt eerst een gesprek gevoerd
                    met de deelnemer en worden de daarin gemaakte afspraken vastgelegd in een brief.
                    In deze brief wordt tevens het voornemen tot opleggen van een boete kenbaar
                    gemaakt, wanneer de inburgeringsplichtige zich niet houdt aan de gemaakte
                    afspraken. </al><al>Indien de persoon vervolgens wederom geen medewerking verleent, wordt een
                    bestuurlijke boete opgelegd van € 250,- en wordt een gesprek gevoerd met de
                    inburgeringsplichtige. </al><al>Bij recidivegedrag binnen twaalf maanden na de vorige overtreding wordt een
                    boete opgelegd van € 500,- en wordt een gesprek gevoerd met de deelnemer.
                    Afhankelijk van de inhoud van dit gesprek wordt het trajectaanbod heroverwogen. </al><al/><al/><al><onderstreept>Overtredingen van de derde categorie</onderstreept></al><al>Indien een inburgeringsplichtige niet verwijtbaar niet tijdig het
                    inburgeringsexamen heeft gehaald (artikel 7 jo. artikel 31 tweede lid, onder a,
                    van de wet), wordt geen bestuurlijke boete opgelegd en wordt een hersteltermijn
                    geboden van 6 maanden. Indien een inburgeringsplichtige verwijtbaar niet tijdig
                    het inburgeringsexamen heeft gehaald (artikel 7 jo. artikel 31, eerste lid jo.
                    artikel 32 van de wet), wordt een bestuurlijke boete van € 100,- opgelegd en
                    wordt een gesprek gevoerd met de deelnemer. Er wordt een hersteltermijn geboden
                    van 6 maanden.</al><al>Indien een inburgeringsplichtige niet verwijtbaar aan het einde van de geboden
                    hersteltermijn van 6 maanden niet tijdig het inburgeringsexamen heeft gehaald
                    (artikel 33, eerste lid jo. artikel 31, tweede lid, van de wet), wordt geen
                    bestuurlijke boete opgelegd en wordt een hersteltermijn geboden van 12
                    maanden.</al><al>Indien een inburgeringsplichtige verwijtbaar aan het einde van de geboden
                    hersteltermijn van 6 maanden niet tijdig het inburgeringsexamen heeft gehaald
                    (artikel 33, eerste lid jo. artikel 32 van de wet), wordt een bestuurlijke boete
                    van </al><al>€ 200,- opgelegd en wordt een gesprek gevoerd met de deelnemer. Er wordt een
                    hersteltermijn geboden van 12 maanden.</al><al>Indien een inburgeringsplichtige niet verwijtbaar voor de derde keer aan het
                    einde van de geboden hersteltermijn van 12 maanden niet tijdig het
                    inburgeringsexamen heeft gehaald (artikel 33, tweede lid jo. artikel 31, tweede
                    lid, van de wet) wordt geen bestuurlijke boete opgelegd en wordt een
                    hersteltermijn geboden van 24 maanden.</al><al>Indien een inburgeringsplichtige verwijtbaar voor de derde keer aan het einde
                    van de geboden hersteltermijn van 12 maanden niet tijdig het inburgeringsexamen
                    heeft gehaald (artikel 33, tweede lid van de wet) wordt een bestuurlijke boete
                    van </al><al>€ 500,- opgelegd en wordt een gesprek gevoerd met de deelnemer. Er wordt een
                    hersteltermijn geboden van 24 maanden. Deze boete wordt iedere 2 jaar na het
                    verstrijken van de (verlengde) termijn voor het halen van het inburgeringsexamen
                    herhaald. Er wordt eveneens iedere 2 jaar een gesprek gevoerd met de
                    deelnemer.</al><al/><al><onderstreept>Handhaving inburgeringsplichtige zonder gemeentelijk aanbod
                    </onderstreept></al><al>Inburgeringsplichtigen die geen gemeentelijk aanbod ontvangen, krijgen een
                    beschikking waarin staat dat zij binnen een bepaalde termijn het
                    inburgeringsexamen gehaald moeten hebben. Het slagen voor het inburgeringsexamen
                    is de verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige zelf. Omdat de gemeente
                    het echter van groot belang acht dat de mensen die het blijkbaar nodig hebben om
                    meer van de Nederlandse taal en samenleving te leren dit ook daadwerkelijk doen,
                    wordt de inburgeringsplichtige éénmaal per jaar aangeschreven als herinnering
                    aan de invulling van zijn inburgeringsverplichting.</al><al/><al><vet>Artikel 6:3 afstemming</vet></al><al>Conform artikel 38 van de wet kan het college geen bestuurlijke boete opleggen
                    voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Tevens
                    dient het college de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de
                    overtreding en de mate waarin de inburgeringsplichtige de gedraging verweten kan
                    worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de
                    overtreding is gepleegd. Bij het opleggen van de boete en de hoogte van de boete
                    moet worden afgestemd op: </al><al/><al><vet>1. de ernst van de overtreding</vet></al><al>Voordat de overige aspecten beoordeeld kunnen worden, moet vaststaan dat er
                    sprake is van een feit waarvoor het reëel is om een boete te verstrekken. Het
                    gaat dan om een objectieve vaststelling. </al><al/><al><vet>2. de mate van verwijtbaarheid</vet></al><al>De vraag die hierbij beantwoord moet worden, is of de gedraging verwijtbaar is
                    en zo ja, in welke mate. Niet de gemeente moet de verwijtbaarheid aantonen maar
                    de inburgeringsplichtige moet het ontbreken daarvan aantonen. </al><al>Feitelijk wordt hier de conclusie getrokken uit de beoordeling van het feit in
                    relatie tot de persoonlijke omstandigheden. Ook omstandigheden die buiten de
                    persoon zijn gelegen kunnen van belang zijn. </al><al>Bij volledige verwijtbaarheid wordt de boete toegepast. Bij verminderde
                    verwijtbaarheid kan de boete met maximaal 50% worden verlaagd en in geval
                    vermeerderde verwijtbaarheid kan de boete met maximaal 50% worden verhoogd. </al><al>In geval van ontbreken van verwijtbaarheid wordt op grond van de wet geen boete
                    gegeven.</al><al/><al><vet>3. de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert</vet></al><al>Het gaat hier om een ruim begrip waarbij financiële, sociale en medische/
                    psychische omstandigheden in hun samenhang beoordeeld moeten worden. </al><al>In alle gevallen moet een expliciet besluit worden genomen. Zowel in de gevallen
                    dat een boete wordt opgelegd, als in die gevallen waarbij daarvan uiteindelijk
                    wordt afgezien moet het besluit in een beschikking aan de belanghebbende worden
                    medegedeeld. </al><al/><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een boete is van belang in verband met eventuele recidive. Als
                        <cursief>elke </cursief>vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, dan wordt er
                    immers geen boete opgelegd en is er bij een volgende verwijtbare gedraging geen
                    sprake van recidive. </al><al/><al><vet>Artikel 7:1 inwerkingtreding</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 7:2 van toepassing verklaring </vet></al><al>Spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 7:3 citeertitel</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>