<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR187900_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Havenreglement Papendrecht 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-07-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PN 06-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Havenreglement Papendrecht 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Havenbeheersverordening Papendrecht 2011, artikelen 2.1, 4.6 en 5.1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>college</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>nadere regels gebruik en beheer havens</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>inclusief toelichting.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Havenreglement Papendrecht 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>ADN: Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van
                                    gevaarlijke stoffen over de binnenwateren;</al></li><li nr="-"><al>afvalstoffen: scheepsafval, ladingresiduen, vloeibare of vaste
                                    afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken van een
                                    schip;</al></li><li nr="-"><al>bijlage: bij dit reglement behorende bijlage;</al></li><li nr="-"><al>boeienspan: ligplaats met het kenmerk dat het schip vanaf het
                                    voor- of achterschip op een of meer boeien of palen kan afmeren,
                                    waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige
                                    havenafmeervoorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>brandbare vloeistof: een vloeistof met een vlampunt dat lager
                                    ligt dan,of gelijk is aan 100 graden Celsius en uitsluitend een
                                    brandbare eigenschap heeft;</al></li><li nr="-"><al>bootman: degene die in de uitoefening van zijn beroep een
                                    zeeschip vast- of losmaakt;</al></li><li nr="-"><al>brandstofolie: elke olie die wordt gebruikt als brandstof voor
                                    de voortstuwings- of hulpwerktuigen van schepen;</al></li><li nr="-"><al>bunkercontrolelijst: bunkercontrolelijst, als bedoeld in de
                                    ISGOTT;</al></li><li nr="-"><al>bunkeren: overslag van brandstofolie of smeerolie van een
                                    bunkerschip naar een zeeschip;</al></li><li nr="-"><al>bunkerschip: tankschip gebruikt voor het bevoorraden van schepen
                                    met brandstofolie of smeerolie;</al></li><li nr="-"><al>combinatietankschip: zeeschip, ingericht om afwisselend
                                    onverpakte vloeibare lading of droge lading te kunnen
                                    vervoeren;</al></li><li nr="-"><al>droogmaken: openstaande ladingtanks laten drogen of ventileren
                                    nadat deze met water zijn gewassen of op een andere wijze
                                    voldoende zijn schoongemaakt;</al></li><li nr="-"><al>gasdeskundige: gasdeskundige als bedoeld in de
                                    Arbeidsomstandighedenregeling, of een medewerker van de Divisie
                                    Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V., die daartoe door
                                    of vanwege dat bedrijf is opgeleid;</al></li><li nr="-"><al>Havenbeheersverordening: Havenbeheersverordening Papendrecht
                                    2011;</al></li><li nr="-"><al>ontvangstvoorziening: voorziening geschikt voor de ontvangst van
                                    scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van
                                    schadelijke stoffen;</al></li><li nr="-"><al>overslag: laden of lossen van lading in of uit een schip;</al></li><li nr="-"><al>RCLZ: Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart;</al></li><li nr="-"><al>schadelijke stoffen: stoffen die als zodanig bij of krachtens de
                                    Wet voorkoming verontreiniging door schepen zijn aangewezen of
                                    worden genoemd;</al></li><li nr="-"><al>schoonmaakcertificaat: door een gasdeskundige afgegeven
                                    certificaat, waaruit blijkt dat de ruimten binnen de ladingzone
                                    van een schip die ladingresten van een onverpakte gevaarlijke
                                    stof bevatten of laatstelijk hebben bevat, voldoende zijn
                                    schoongemaakt;</al></li><li nr="-"><al>schoonmaakschip: schip dat ingericht is om ruimten, tanks of
                                    andere plaatsen aan boord van een ander schip, die schadelijke
                                    of gevaarlijke stoffen bevatten, schoon te maken;</al></li><li nr="-"><al>schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt
                                    met het gasvrij, schoon-, of droogmaken van een tankschip;</al></li><li nr="-"><al>sloptank: tank aan boord van een schip bestemd voor het houden
                                    van al dan niet met water vermengde ladingrestanten van
                                    schadelijke, brandbare of andere gevaarlijke vloeistoffen
                                    (slops);</al></li><li nr="-"><al>smeerolie: elke vloeistof bestemd voor smering van machines aan
                                    boord van schepen;</al></li><li nr="-"><al>vlampunt: vlampunt, bepaald met het toestel van
                                    Pensky-Martens.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Veiligheid en milieu in de haven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Tankschepen met gevaarlijke stoffen in de haven</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zich met een tankschip te bevinden op een
                                    ligplaats in de haven indien zich een gevaarlijke stof als
                                    lading of ladingresidu aan boord bevindt, tenzij:</al></li><li nr="a."><al>het een binnentankschip betreft:</al></li><li nr="1°."><al>dat beladen is of was met een brandbare vloeistof met een
                                    vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, kaliumhydroxide,
                                    natriumhydroxide of fosforzuur, of;</al></li><li nr="2°."><al>waarvan de schipper heeft zeker gesteld dat alle (overige)
                                    ruimten binnen de ladingzone inclusief de sloptanks, leeg zijn
                                    van brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55 graden
                                    Celsius en de atmosfeer in deze tank(s) ten hoogste 8% zuurstof-
                                    of maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare gassen
                                    bevat en waarvan de tanks gesloten zijn;</al></li><li nr="b."><al>het een zeetankschip betreft dat beladen is of was met:</al></li><li nr="1°."><al>een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius
                                    of hoger, kaliumhydroxide, natriumhydroxide of fosforzuur,
                                    of;</al></li><li nr="2°."><al>een brandbare vloeistof met een vlampunt lager dan 55 graden
                                    Celsius die zich niet bevindt in een direct aan de scheepshuid
                                    grenzende tank en de atmosfeer in deze tank ten hoogste 8%
                                    zuurstof- of maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare
                                    gassen bevat, en;</al></li><li nr="-"><al>door een erkend gasdeskundige als bedoeld in de
                                    Arbeidsomstandighedenregeling een verklaring is afgegeven
                                    waaruit blijkt dat de ladingsituatie van het zeetankschip in
                                    overeenstemming is met de in dit onderdeel gestelde
                                    voorschriften;</al></li><li nr="-"><al>er uitsluitend overslag plaats vindt van de onder 1° genoemde
                                    stoffen;</al></li><li nr="-"><al>tanks met gevaarlijke stoffen gesloten blijven;</al></li><li nr="-"><al>er geen schoonmaakhandelingen van ruimten met gevaarlijke
                                    stoffen plaatsvinden, en;</al></li><li nr="-"><al>er maximaal 1 schip langszij ligt;</al></li><li nr="c."><al>het een combinatietankschip betreft dat geladen is of wordt met
                                    losgestorte bulklading in vaste vorm, waarvan:</al></li><li nr="1°."><al>sloptanks brandbare ladingresiduen bevatten waarvan de atmosfeer
                                    ten hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20% van de laagste
                                    explosiegrens brandbare gassen bevat en die niet direct aan
                                    ladingruimten grenzen;</al></li><li nr="2°."><al>alle overige ruimten in de ladingzone vrij zijn van brandbare
                                    vloeistoffen of </al><al>gassen;</al></li><li nr="3°."><al>door een erkend gasdeskundige als bedoeld in de
                                    Arbeidsomstandighedenregeling een verklaring is afgegeven
                                    waaruit blijkt dat de tanks of ruimten van het
                                    combinatietankschip in overeenstemming zijn met de in dit
                                    onderdeel gestelde voorschriften;</al></li><li nr="4°."><al>de zich aan boord bevindende brandbare ladingresiduen niet
                                    worden overgeslagen, en;</al></li><li nr="5°."><al>ruimten leeg van brandbare ladingresiduen niet worden
                                    schoongemaakt;</al></li><li nr="d."><al>voor het tankschip een schoonmaakcertificaat is afgegeven door
                                    een erkend gasdeskundige als bedoeld in de
                                    Arbeidsomstandighedenregeling;</al></li><li nr="e."><al>kortstondig ligplaats wordt genomen op een aangewezen
                                    autoafzetplaats om een auto onmiddellijk af te zetten of aan
                                    boord te nemen of bij een bunkerstation om onmiddellijk te
                                    bunkeren, of;</al></li><li nr="f."><al>het een ligplaats betreft die is aangeduid met een verkeersteken
                                    als ligplaats voor schepen met gevaarlijke stoffen.</al></li><li nr="2."><al>Direct nadat een combinatietankschip als bedoeld in het eerste
                                    lid, onder c, ligplaats neemt, begint de erkend gasdeskundige
                                    zijn onderzoek en worden ten spoedigste de gegevens van de
                                    afgegeven verklaring mondeling gemeld en gelijkdaaropvolgend
                                    schriftelijk bevestigd, aan de havenmeester.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Melding ligplaats tankschip in de haven</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Voordat een tankschip als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                    onderdeel a, onder 2, en onderdeel b, ligplaats neemt in de
                                    haven, worden de volgende gegevens aan de havenmeester
                                    gemeld:</al></li><li nr="a."><al>indien het een zeeschip betreft de naam en de roepnaam;</al></li><li nr="b."><al>indien het een binnenschip betreft de naam en het
                                    Rijnvaartnummer;</al></li><li nr="c."><al>de voorgenomen ligplaats van het schip, en;</al></li><li nr="d."><al>van de voorgenomen activiteiten aan boord van het schip:</al></li><li nr="1°."><al>de datum, het tijdstip van aanvang en de duur;</al></li><li nr="2°."><al>de aard van de voorgenomen activiteiten.</al></li><li nr="2."><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op
                                    elektronische wijze, op een door de havenmeester vast te stellen
                                    elektronisch adres en met gebruikmaking van een door de
                                    havenmeester vast te stellen berichtdefinitie en
                                    berichtprotocol.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan een melding als
                                    bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, onder 2, ook
                                    plaatsvinden per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde
                                    kanaal, per fax of per e-mail.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Melding combinatietankschip</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van een combinatietankschip dat gelost of geladen wordt met
                                losgestorte bulklading in vaste vorm worden naast de melding op
                                grond van de RCLZ tevens de volgende gegevens aan de havenmeester
                                gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de aanwezigheid van brandbare vloeistoffen of restanten daarvan van
                                voorgaande ladingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de stuwage van eventuele ladingrestanten van brandbare vloeistoffen,
                                en;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het zuurstofpercentage van de geïnertiseerde tankatmosfeer, boven de
                                in onderdeel b genoemde ladingrestanten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per fax of per
                                e-mail.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor een ieder verboden om aan, buitenboord of onder een
                                schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te
                                verrichten of doen verrichten, die verband houden met de
                                bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van
                                het schip of het voorwerp, tenzij:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of
                                herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet
                                milieubeheer is verleend, of;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het schip geen ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of
                                herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet
                                milieubeheer is verleend en per scheepsbezoek aan de haven van
                                Papendrecht de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in
                                beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of
                                hinder kan ontstaan, en:</al></lid><lid><lidnr>1°.</lidnr><al>indien de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in
                                een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden
                                door een erkend gasdeskundige als bedoeld in de
                                Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en
                                Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren
                                werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>2°.</lidnr><al>dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van
                                die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, en;</al></lid><lid><lidnr>3°.</lidnr><al>de werkzaamheden ten minste 25 meter verwijderd zijn van gevaarlijke
                                stoffen of brandbaar materiaal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Melding verrichten van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een schip geen ligplaats heeft op of bij een Wet milieubeheer
                                vergunninghoudende scheepswerf of herstellingsinrichting, worden
                                voorafgaand aan de in artikel 2.4 bedoelde werkzaamheden, de
                                volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam en roepnaam van het schip;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de ligplaats van het schip tijdens de werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de datum, tijdstip van aanvang en duur van de werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de aard van de werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de plaats of plaatsen aan boord waar de werkzaamheden worden
                                uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de uitvoerder van de werkzaamheden, en;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>of het schip blijvend kan beschikken over zijn
                                hoofdvoortstuwingsvermogen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid gestelde meldplicht is niet van toepassing op
                                een schip dat droge lading, niet zijnde gevaarlijke stoffen, aan
                                boord heeft en dat uitsluitend binnenboord werkzaamheden verricht
                                als bedoeld in artikel 2.4 en waardoor geen gevaar, schade of hinder
                                kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische
                                wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch
                                adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te
                                stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan een melding voor het verrichten
                                van werkzaamheden buitenboord of onder een schip plaatsvinden per
                                telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of
                                per e-mail.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Ontsmetten van schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een schip ligplaats te nemen om het schip of de
                                lading te ontsmetten door het met gassen of stoffen die gassen
                                afstaan te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden met een schip, geladen met losgestorte bulklading in
                                vaste vorm, ligplaats te nemen of zich op een ligplaats te bevinden
                                indien de lading is behandeld met gassen of stoffen die gassen
                                afstaan met het doel de lading te ontsmetten, tenzij voor het schip
                                een verklaring is afgegeven door een deskundige, erkend of
                                aangewezen bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en
                                biociden, dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen
                                of stoffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Deugdelijk afmeren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een ieder verboden te laden of te lossen, tenzij het schip op
                                deugdelijke wijze is afgemeerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een zeeschip dat is afgemeerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>heeft, voor zover het een zeeschip betreft met een lengte van meer
                                dan 120 meter, op het voorschip een sleeptros aan dek gereed of tot
                                de waterspiegel uitgevierd, die gebruiksklaar is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is deugdelijk afgemeerd, waarbij, gelet op de plaatselijke
                                omstandigheden en indien daartoe de mogelijkheid bestaat, de voor
                                het afmeren gebruikte meerlijnen, als volgt zijn uitgegeven en
                                gepositioneerd:</al></lid><lid><lidnr>1°.</lidnr><al>dwarslijnen staan zo dwars mogelijk en springlijnen staan zo
                                parallel mogelijk ten opzichte van het zeeschip;</al></lid><lid><lidnr>2°.</lidnr><al>de verticale hoek van meerlijnen is tot een minimum beperkt,
                                en;</al></lid><lid><lidnr>3°.</lidnr><al>alle meerlijnen die in dezelfde richting staan zijn van hetzelfde
                                materiaal en hebben gelijke uitgegeven lengte en spanning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>heeft ligplaats ingenomen in de lengterichting ten opzichte van een
                                ander afgemeerd schip met inachtneming van de volgende onderlinge
                                afstand:</al></lid><lid><lidnr>1°.</lidnr><al>voor een zeeschip tot en met 120 meter; 0,1 x de lengte van het
                                zeeschip met een minimum van 10 meter, en;</al></lid><lid><lidnr>2°.</lidnr><al>voor een zeeschip langer dan 120 meter; 0,1 x de lengte van het
                                zeeschip met een minimum van 15 meter en een maximum van 35 meter,
                                en;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in een boeienspan wordt, voor zover de plaatselijke omstandigheden
                                dit toelaten, gemeerd met de boeg in de heersende windrichting en
                                presenteert ten minste één anker.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste
                                bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij
                                een verticale troshoek van maximaal 45 graden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in dit artikel bepaalde ontheffing of
                                vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Gebruik van ankers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een
                                palenligplaats;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>dit geschiedt door een drijvende kraan en zeker is gesteld dat
                                gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de
                                onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of
                                kadeverdedigingswerken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen om een anker te gebruiken als bedoeld in het eerste
                                lid, onder b, wordt gemeld aan de havenmeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bedoeld in het tweede lid vindt plaats per telefoon, per
                                marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per
                                e-mail.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                of vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Gebruik van spudpalen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een spudpaal te gebruiken, tenzij dit geschiedt in
                                overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en
                                nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 3.1 van de
                                Havenbeheersverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                of vrijstelling verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Gebruik generatoren door binnenschepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een door het college aan te wijzen gebied aan
                                boord van een binnenschip een generator te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                of vrijstelling verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de
                                generatorsets en overige aanwezige toestellen en installaties
                                behorend tot de binnenvaartschepen, mag ter plaatse van de gevels
                                van nabijgelegen woningen in de haven niet meer bedragen dan:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>55 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en
                                19.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>50 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en
                                23.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>45 dB(A) op 5,0 meter hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en
                                07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op zondagen en algemeen erkende feestdagen mag het in het tweede lid
                                genoemde beoordelingsniveau tussen 07.00 en 19.00 uur niet meer
                                bedragen dan 50dB(A).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De generatorsets of aggregaten moeten zijn voorzien van doelmatige
                                en in goede staat van onderhoud verkerende geluiddempers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Verbod gebruik hoofdmotor ex artikel 4.6
                                Havenbeheersverordening</titel></kop><al>Als gebieden waar het op grond van artikel 4.6 Havenbeheersverordening
                            verboden is op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben,
                            tenzij direct voor vertrek van het schip, worden aangewezen het gebied
                            bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Zoneringsregeling schepen met gevaarlijke stoffen in verpakking of
                            bulk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke stoffen in
                                verpakking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een schip dat geladen is met een in bijlage I
                                genoemde gevaarlijke stof in verpakking ligplaats te nemen binnen
                                een in bijlage I genoemde afstand van een woonconcentratie, tenzij
                                wordt gehandeld in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen
                                bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al><al>Artikel 3.2 Verbod ligplaatsinname tankschip met gevaarlijke stoffen
                                in bulk</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een zeetankschip, indien zich een
                                        gevaarlijke stof als lading of ladingresidu aan boord
                                        bevindt, ligplaats te nemen binnen een in bijlage I genoemde
                                        afstand van een woonconcentratie, die geldt voor zones A en
                                        B.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Melding laden gevaarlijke of schadelijke stoffen in verpakte
                                vorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voornemen tot het laden van een gevaarlijke of schadelijke stof
                                in verpakking, als bedoeld in artikel 10.07 van het
                                Binnenvaartpolitiereglement in samenhang met de RCLZ, aan boord van
                                een zeeschip wordt overeenkomstig de RCLZ ten minste drie uur
                                voorafgaande aan het laden aan de havenmeester gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische
                                wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch
                                adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te
                                stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste en tweede lid gestelde
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Regeling bunkercontrolelijst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Bunkercontrolelijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een zeeschip te bunkeren tenzij aan boord van de
                                bij het bunkeren betrokken schepen wordt zorggedragen dat voordat
                                met het bunkeren wordt begonnen de bunkercontrolelijst:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>volledig, positief en naar waarheid is ingevuld, en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is ondertekend door de voor het bunkeren verantwoordelijke personen
                                van de bij het bunkeren betrokken schepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan boord van de bij het bunkeren betrokken schepen wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdens het bunkeren het voor ieder bij het bunkeren betrokken schip
                                gestelde in de bunkercontrolelijst nageleefd, en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bunkeren onmiddellijk gestopt als het voor ieder bij het
                                bunkeren betrokken schip gestelde in de bunkercontrolelijst, niet
                                wordt nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bunkercontrolelijst wordt tijdens en tot vierentwintig uur na het
                                einde van de bunkering aan boord van de bij het bunkeren betrokken
                                schepen gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien meer dan één bunkerlichter betrokken is bij de aanlevering
                                van een partij bunkerolie vult iedere bunkerlichter voor zich een
                                afzonderlijke bunkercontrolelijst in, die wordt ondertekend door bij
                                de bunkering betrokken partijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Melding bunkeren of overpompen van brandstofolie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten minste dertig minuten en ten hoogste zes uur voorafgaand aan het
                                in artikel 4.1 bedoelde bunkeren of het onderling overpompen van
                                bunkerolie tussen bunkerschepen, wordt, door de schipper van het
                                brandstofolie pompende bunkerschip, aan de havenmeester gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de ligplaats waar het bunkeren of overpompen zal plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de soort en hoeveelheid brandstofolie die gebunkerd of gepompt gaat
                                worden, en;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het tijdstip van aanvang van bunkeren of overpompen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten minste dertig minuten en ten hoogste zes uur voorafgaand aan het
                                terugpompen van brandstofolie van een zeeschip in een bunkerschip
                                wordt, door de schipper van het brandstofolie ontvangende
                                bunkerschip aan de havenmeester, gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de ligplaats waar het bunkeren of overpompen zal plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de soort en hoeveelheid brandstofolie die gebunkerd of gepompt gaat
                                worden, en;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het tijdstip van aanvang van bunkeren of overpompen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste en tweede lid gestelde
                                vrijstelling verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats per
                                telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of
                                per e-mail.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Het in ontvangst nemen van scheepsafvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Schoonmaakschepen en inzamelvaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het schoonmaken van een schip dat gevaarlijke of schadelijke
                                stoffen bevat geschiedt door een schoonmaakschip worden afvalstoffen
                                aan boord van het schoonmaakschip genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om aan boord van het schoonmaakschip in de
                                ladingtanks of -ruimen andere stoffen te hebben dan
                                afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Water dat is verontreinigd met afvalstoffen en wordt gebruikt voor
                                het schoonmaken door een schoonmaakschip wordt betrokken van een
                                daartoe ingerichte voorraadtank van het schoonmaakschip.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Hergebruikt water uit en via de voorraadtank, bedoeld in het derde
                                lid, wordt gezuiverd door een doelmatige filterinstallatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ruimten van het schoonmaakschip waarin afvalstoffen worden vervoerd
                                zijn met nummer aangegeven op een algemeen of capaciteitsplan. Een
                                afschrift van dit plan bevindt zich aan boord van het
                                schoonmaakschip.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De constructie van tanks van het schoonmaakschip waarin vloeibare
                                afvalstoffen worden vervoerd is zodanig dat de inhoud van de tanks
                                eenvoudig gemeten en gemonsterd kan worden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Aan boord van een schoonmaakschip of een inzamelvaartuig genomen
                                vloeibare, vaste of verpakte scheepsafvalstoffen worden vermeld op
                                een daartoe strekkend stoffenregistratieformulier waarvan een model
                                is opgenomen in een bijlage van de vergunning als bedoeld in artikel
                                10.48 van de Wet milieubeheer voor het inzamelen van
                                scheepsafvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De formulieren, bedoeld in het zevende lid, worden direct na
                                ontvangst van deze stoffen, conform de toelichting van het
                                formulier, volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De exploitant van het schoonmaakschip of inzamelvaartuig zorgt dat
                                de ingevulde en ondertekende formulieren, bedoeld in het zevende,
                                uiterlijk acht dagen na afloop van de kalendermaand waarin de
                                ontvangst of ontstaan van de afvalstoffen heeft plaatsgevonden in
                                het bezit zijn van de havenmeester en bewaart de exploitant de
                                afschriften van de volledig ingevulde en ondertekende formulieren
                                ten minste zes maanden aan boord van het schoonmaakschip.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Tenzij bij of krachtens de Wet milieubeheer anders is bepaald, geeft
                                de exploitant de in ontvangst genomen afvalstoffen binnen 30 dagen
                                af aan een bedrijf dat beschikt over een toereikende vergunning voor
                                het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Melding schoonmaken door schoonmaakschepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanvang van het schoonmaken door een schoonmaakschip worden de
                                volgende gegevens aan de havenmeester gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam van het schoonmaakschip;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de naam of het nummer van het schip waarvan de ruimten worden
                                schoongemaakt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de ligplaats waar het schoonmaken plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de chemische of technische naam van de stof of stoffen die de schoon
                                te maken ruimten bevatten of laatstelijk hebben bevat en welke
                                ruimten het betreft, en;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de datum en het tijdstip van aanvang van het schoonmaken en de
                                verwachte duur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per
                                marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per
                                e-mail.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Melding van afgifte scheepsafvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten minste 24 uur voordat afvalstoffen, afkomstig van een zeeschip,
                                worden afgegeven, worden de volgende gegevens aan de havenmeester
                                gemeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aan welk aangewezen bedrijf wordt de afvalstof afgegeven, en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>welke afvalstoffen worden afgegeven en in welke hoeveelheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats op elektronische
                                wijze, op een door de havenmeester vast te stellen elektronisch
                                adres en met gebruikmaking van een door de havenmeester vast te
                                stellen berichtdefinitie en berichtprotocol.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Aanwijzing van bedrijven met ontvangstvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder aanwijzing van het college scheepsafval,
                                overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen in
                                ontvangst te nemen die rechtstreeks afkomstig zijn van zeeschepen
                                die het toepassingsgebied, bedoeld in artikel 1.2 van de
                                Havenbeheersverordening, aandoen om te laden, te lossen, te bunkeren
                                of voor reparatiedoeleinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5, eerste lid, van de
                                Havenbeheersverordening, kan het college voorschriften en
                                beperkingen verbinden aan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid,
                                die onder meer betrekking kunnen hebben op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de soort ontvangstvoorzieningen en de veranderingen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geschiktheid en beschikbaarheid van de ontvangstvoorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verplichting tot het in ontvangst nemen van
                                scheepsafvalstoffen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de soorten stoffen waarvoor de aanwijzing geldt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het meedelen van het tarief van de kosten die in rekening worden
                                gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>melden van ontvangst van scheepsafvalstoffen en het verstrekken van
                                gegevens daaromtrent;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de maximale verblijfsduur van de ontvangen stoffen in de
                                ontvangstvoorzieningen en het verstrekken van gegevens en houden van
                                registratie daaromtrent, of;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>het afleveren van de ontvangen stoffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanwijzing wordt voor maximaal 5 jaar verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Aanvraag van een aanwijzing</titel></kop><al>Bij de aanvraag van een aanwijzing, als bedoeld in artikel 5.4, worden
                            in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>gegevens van het bedrijf van de aanvrager, naam en functie van
                                    aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van
                                    het betreffende bedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de relevante bij of krachtens de Wet milieubeheer afgegeven
                                    vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="d."><al>de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen die onder
                                    de werking van de aanwijzing vallen, waaronder ten minste de
                                    capaciteit en de geschiktheid ervan;</al></li><li nr="e."><al>de soorten schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 2 van het
                                    Besluit voorkoming verontreiniging door schepen, waarop de
                                    aanvraag betrekking heeft, en;</al></li><li nr="f."><al>de bestemming van de ontvangen schadelijke stoffen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6</nr><titel>Het vast- en losmaken van schepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Uitoefenen van beroep bootman</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college het beroep van bootman
                            uit te oefenen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7</nr><titel>Aanwijzing havenmeester</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanwijzing havenmeester</titel></kop><al>Het hoofd van de divisie havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V.
                            wordt aangewezen als havenmeester ex artikel 2.1 van de
                            Havenbeheersverordening voor de wateren van het Beheersgebied in de
                            gemeente Papendrecht, als aangegeven in de samenwerkingsregeling van de
                            gemeente Dordrecht en het Havenbedrijf Rotterdam N.V., in casu artikel 1
                            van het Hoofdlijnendocument, als nader omschreven in de bijbehorende
                            Bijlagen;</al><al>bijlage II, tekening Dordrecht, regionaal nautisch beheer no 2 (mei
                            2011), voor zover het gaat om die havens die in de gemeente Papendrecht
                            liggen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>8</nr><titel>Woonschepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Vergunning woonschepen</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning met een woonschip ligplaats te nemen
                            in de haven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>9</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit besluit wordt gepubliceerd in het Papendrechts Nieuwsblad en treedt
                            in werking op het moment dat de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011
                            in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als Havenreglement Papendrecht 2011,
                            afgekort HrP 2011.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlagen Havenreglement Papendrecht 2011</titel></kop><al>Bijlage I: Zoneringsregeling;</al><al>Bijlage II: tekening Dordrecht, regionaal nautisch beheer no 1 (oktober 2009),
                    voor zover het gaat om die havens die in de gemeente Papendrecht liggen. </al><tussenkop>Toelichting bij het Havenreglement Papendrecht
                    2011</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het Havenreglement Papendrecht 2011 (verder Havenreglement) vindt zijn
                    (wettelijke) basis in de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011. Voor een
                    uitgebreide toelichting over de achtergronden van het Havenreglement wordt
                    verwezen naar de toelichting bij de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011
                    (verder Havenbeheersverordening).</al><al>Voorts is in plaats van opname in de bijlagen, door een verwijzing in de
                    regeling naar de internationaal gebruikte en in de scheepvaartwereld wel bekende
                    schip-wal veiligheidscontrolestaat van OCIMF (Oil Compagnies International
                    Marine Forum), een zeer omvangrijke bijlage buiten de regeling gebleven. Het
                    gebruik van deze OCIMF veiligheidscontrolestaat is wel voorgeschreven. De
                    Staatsdrukkerij voorziet in druk en distributie van deze
                    veiligheidscontrolestaat. </al><al>Zoals aangegeven wordt de juridische basis van het Havenreglement gevormd door
                    de artikelen 4.6 en 5.1 van de Havenbeheersverordening op grond waarvan de
                    gemeenteraad ons college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                    Papendrecht (hierna: college) de bevoegdheid gedelegeerd heeft om een nadere
                    invulling te geven van de in die artikelen bedoelde normen. De bevoegdheden die
                    voortvloeien uit dit reglement worden vervolgens gemandateerd aan de
                    Havenmeester van Papendrecht, die op grond van artikel 2.1 van de
                    Havenbeheersverordening, door ons college is aangewezen. </al><tussenkop>Verhouding andere regelgeving</tussenkop><al>De bepalingen in het Havenreglement zijn aanvullend ten opzichte van hogere
                    regelgeving zoals de Havenbeheersverordening en rijksregelgeving. Wat het
                    laatstgenoemde betreft kunnen in het bijzonder worden genoemd het
                    Binnenvaartpolitiereglement, de Regeling communicatie en loodsaanvragen
                    zeevaart, de Regeling vervoer van gevaarlijke stoffen door zeeschepen, de Wet
                    voorkoming verontreiniging door schepen en de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Toepassingsbereik</tussenkop><al>Het Havenreglement is van toepassing binnen het gebied dat staat omschreven in
                    artikel 1.2 van de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011. Dit is alleen
                    anders indien expliciet aangegeven is dat het van toepassing is op een beperkter
                    of ruimer gebied.</al><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><al>In dit deel van de toelichting wordt, voor zover noodzakelijk, per artikel een
                    nadere toelichting gegeven. </al><tussenkop>§ 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de omschrijvingen neergelegd van de begrippen die in het
                    Havenreglement worden gehanteerd. Naast deze begrippen gelden de
                    begripsomschrijvingen van artikel 1.1 van de Havenbeheersverordening Papendrecht
                    2011.</al><al>De meeste begripsomschrijvingen spreken voor zich, hieronder zijn enkele
                    bijzondere toegelicht. </al><tussenkop>Brandstofolie</tussenkop><al>Ook brandstofolie van binnenvaartschepen valt onder het toepassingsbereik. </al><tussenkop>Schadelijke stoffen</tussenkop><al>In deze definitie wordt alleen nog naar de Wet voorkoming verontreiniging door
                    schepen verwezen. In deze wet worden alle schadelijke stoffen aangewezen. Om die
                    reden behoeft het college – zoals voorheen het geval was – deze stoffen niet
                    nader aan te wijzen. </al><tussenkop>§ 2 Veiligheid in de Haven</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Tankschepen met gevaarlijke stoffen in de
                    haven</tussenkop><al>Artikel 2.1 regelt onder welke voorwaarden tankschepen met gevaarlijke stoffen
                    in de haven mogen liggen, waarbij wordt opgemerkt dat onder het in dit artikel
                    gebruikte begrip ladingresidu mede gasvormige ladingrestanten dient te worden
                    verstaan.</al><al>Tankschepen (zowel zeetankschepen als binnentankschepen) kunnen grote
                    hoeveelheden gevaarlijke stoffen (waaronder ook gasvormige ladingsresiduen
                    worden verstaan) aan boord hebben en kunnen om die reden ook grote risico’s met
                    zich meebrengen. In principe kunnen deze schepen alleen ligplaats nemen in
                    zogenaamde petroleumhavens. Deze petroleumhavens zijn bijv. in de havens van
                    Dordrecht en Rotterdam beschikbaar. Op dit uitgangspunt is een aantal in dit
                    artikel opgesomde uitzonderingen mogelijk.</al><tussenkop>Eerste lid, onderdeel a </tussenkop><al>Het betreft in de eerste plaats een binnentankschip dat ongevaarlijke stoffen,
                    brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger,
                    kaliumhydroxide, natriumhydroxide of fosforzuur aan boord heeft. Tevens dient de
                    schipper zeker te hebben gesteld dat alle overige ruimten binnen de ladingzone
                    met inbegrip van de sloptanks leeg zijn van brandbare vloeistoffen met een
                    vlampunt lager dan 55 graden Celsius en waarvan de atmosfeer in deze ruimten ten
                    hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20 % van de laagste explosiegrens brandbare
                    gassen bevatten en waarvan de ruimten gesloten zijn.</al><al>De schipper dient op grond van artikel 2.6 zich tevens gemeld te hebben aan de
                    Havenmeester.</al><tussenkop>Eerste lid, onderdeel b</tussenkop><al>Voorts betreft het een zeetankschip dat geladen of leeg is van ongevaarlijke
                    stoffen, brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger,
                    kaliumhydroxide, natriumhydroxide, fosforzuur of brandbare vloeistoffen met een
                    vlampunt lager dan 55 graden Celsius, waarbij tevens voorwaarde is dat deze
                    tanks ten hoogste 8% zuurstof- of maximaal 20% van de laagste explosiegrens
                    brandbare gassen bevatten en die niet aan de scheepshuid grenzen en:</al><lijst><li nr="-"><al>door een erkend gasdeskundige als bedoeld in de
                            Arbeidsomstandighedenregeling een verklaring is afgegeven waaruit blijkt
                            dat de ladingsituatie van het zeetankschip in overeenstemming is met de
                            in dit onderdeel gestelde voorschriften;</al></li><li nr="-"><al>er uitsluitend overslag plaats vindt van de onder 1° genoemde
                            stoffen;</al></li><li nr="-"><al>tanks met gevaarlijke stoffen gesloten blijven;</al></li><li nr="-"><al>er geen schoonmaakhandelingen van ruimten met gevaarlijke stoffen
                            plaatsvinden, en;</al></li><li nr="-"><al>er maximaal 1 schip langszij ligt.</al></li></lijst><al>Deze laatste criteria werden voorheen in de ontheffingen opgenomen. Door deze nu
                    in het artikel op te nemen, neemt het aantal gevraagde ontheffingen aanzienlijk
                    af.</al><al>Voor deze schepen geldt ook de meldplicht bedoeld in artikel 2.2. Voorafgaand
                    aan het innemen van ligplaats dient het melden te geschieden, zodat bekend is
                    dat er zich een tankschip in de haven bevindt en onder welke omstandigheden,
                    zodat daarop middels toezicht kan worden geanticipeerd. Indien een tankschip
                    niet aan de criteria voldoet van dit artikel, dan is ligplaats nemen verboden
                    tenzij op grond van het derde lid ontheffing is verkregen.</al><tussenkop>Eerste lid, onderdeel c </tussenkop><al>Onderdeel c stelt regels aangaande een combinatietankschip. Een</al><al>combinatietankschip is gebouwd om afwisselend vloeibare of droge lading te
                    vervoeren, en kunnen er zich tengevolge van dit afwisselend vervoer brandbare
                    ladingresiduen in de sloptanks bevinden. Indien het combinatietankschip geladen
                    is of wordt met losgestorte bulklading in vaste vorm, zal het schip in de haven
                    afmeren. Indien het combinatietankschip voldoet aan de criteria van dit artikel,
                    kan na een melding als bedoeld in artikel 2.3 zonder meer worden afgemeerd in de
                    haven. Indien het schip niet voldoet aan de gestelde criteria van dit artikel,
                    is ligplaats nemen in beginsel verboden en kan het schip een ontheffing
                    aanvragen.</al><al>In verband met internationale verplichtingen ten aanzien van de dubbelwandigheid
                    van de scheepsromp van combinatietankschepen is nagenoeg de hele
                    wereld-combinatietankervloot niet meer geschikt voor het vervoer van aardolie.
                    Deze schepen worden gesloopt of vervoeren nog uitsluitend droge bulk lading. Bij
                    werfbeurten worden meer en meer de olierestanten verwijderd en nemen de
                    veiligheidsrisico's voor deze schepen af. De hele regeling aangaande
                    combinatietankschepen is hierop aangepast en vereenvoudigd. Een melding als
                    bedoeld in artikel 2.3 in samenhang met het gestelde in dit artikel en de
                    handhaving van de regeling biedt voldoende garantie voor de
                    havenveiligheid.</al><tussenkop>Eerste lid, onderdeel d </tussenkop><al>Ten slotte betreft het tankschepen voorzien van een schoonmaakcertificaat of
                    indien kortstondig ligplaats wordt genomen op een daartoe aangewezen
                    autoafzetplaats voor het aan of van boord zetten van de auto, te bunkeren bij
                    een bunkerschip of indien het een ligplaats betreft die is aangeduid met een
                    verkeersteken als ligplaats voor schepen met gevaarlijke stoffen, is het verbod
                    tot het nemen van ligplaats in de haven niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 2.2 Melding ligplaats tankschip in de
                    haven</tussenkop><al>Dit artikel regelt de meldplicht voor een tankschip dat voornemens is om
                    ligplaats te nemen in de haven en dat voldoet aan het gestelde in artikel 2.1,
                    eerste lid, onderdeel a, onder 2, en onderdeel b. Het betreft hier een
                    elektronische melding via een Electronic Data Interchange (EDI). De meldingen
                    worden verricht via Port Infolink.</al><al>Naast de elektronische mag een binnentankschip (welke valt onder artikel 2.1,
                    eerste lid, onderdeel a, onder 2) een melding ook doorgeven per telefoon, per
                    marifoon, per fax of per e-mail op telefoonnummer 010 – 252 1000, faxnummer 010
                    – 252 1600, VHF kanaal 14 of e-mail cmh@portofrotterdam.com .</al><tussenkop>Artikel 2.3 Melding combinatietankschip</tussenkop><al>Deze meldverplichting is een aanvulling op de melding op grond van de Regeling
                    communicatie en loodsaanvragen zeevaart (RCLZ) voor een combinatietankschip die
                    losgestorte bulklading in vaste vorm lost of daarmee geladen wordt.</al><al>De melding omvat de eventuele aanwezigheid van brandbare vloeistoffen of
                    restanten daarvan van voorgaande ladingen, de stuwage en het zuurstofpercentage
                    van de geïnertiseerde tankatmosfeer boven de brandbare ladingrestanten.</al><al>Aan de hand van deze melding kan getoetst worden of het combinatietankschip
                    voldoet aan het gestelde in artikel 2.1, eerste lid, onder c. Voldoet het
                    combinatietankschip hier aan, dan kan het ter ladingbehandeling in de haven
                    afmeren. </al><al>De melding vindt plaats per fax op faxnummer 010 – 252 1600 of per e-mail op
                    cmh@portofrotterdam.com .</al><tussenkop>Artikel 2.4 Verrichten van werkzaamheden</tussenkop><al>Artikel 2.4 geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen.
                    Hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip
                    plaatsvinden.</al><al>Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in
                    een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen
                    bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder
                    bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen. Het verbod richt zich niet
                    alleen op de kapitein of de schipper, maar tevens op alle andere personen, door
                    de toevoeging van de zinsnede “een ieder”. Zie voor een toelichting hierop
                    tevens de toelichting op artikel 1.10 van de Havenbeheersverordening Papendrecht
                    2011. </al><al>Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of
                    herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente
                    veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid onder b,
                    opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. In het eerste
                    lid onder b, zijn tevens de beperkingen en voorschriften opgenomen uit de thans
                    bestaande ontheffing terzake, zodat deze ontheffing (en aanvraag) kan vervallen,
                    voor zover de drie dagen niet wordt overschreden en wordt voldaan aan de in het
                    artikel gestelde criteria. </al><al>Het eerste lid is ook van toepassing ten aanzien van de bedrijfsgereedheid van
                    het schip. Werkzaamheden aan bijvoorbeeld de voortstuwingsinstallatie mogen niet
                    leiden tot het belemmeren van de bedrijfsgereedheid voor een periode van meer
                    dan drie dagen. </al><al>Indien de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing
                    worden aangevraagd op grond van het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 2.5 Melding verrichten van
                    werkzaamheden</tussenkop><al>Dit artikel regelt een meldplicht voor een schip dat voornemens is om
                    scheepsreparatie-werkzaamheden uit te voeren buiten een werf of
                    herstellingsinrichting. Reparaties aan schepen bij een werf of
                    herstellingsinrichting vallen, met uitzondering van het ligplaats nemen, buiten
                    de werking van het Havenreglement. </al><al>Deze meldplicht is ter vervanging van een ontheffingenstelsel, voor zover de
                    scheepsreparatie ten hoogste drie dagen duurt. Indien uit de melding blijkt dat
                    de reparatie meer dan drie dagen duurt, kan de Havenmeester op grond van het
                    tweede lid van artikel 2.4 ontheffing verlenen.</al><al>De melding voor het verrichten van werkzaamheden geschiedt via een Electronic
                    Data Interchange (EDI). Deze meldingen worden verricht via Port Infolink. </al><al>Bij het verrichten van werkzaamheden buitenboord of onder een schip kan de
                    melding per telefoon, per marifoon, per fax of per e-mail geschieden via
                    telefoonnummer 010 – 252 1000, faxnummer 010 – 252 1600, VHF kanaal 14 of e-mail
                    cmh@portofrotterdam.com .</al><tussenkop>Artikel 2.6 Ontsmetten van schepen</tussenkop><al>Artikel 2.6 regelt het ontsmetten van schepen. Het in het eerste lid opgenomen
                    verbod is beperkt tot het nemen van ligplaats. Tijdens het gassen van ruimten
                    aan boord van een schip kunnen risico's ontstaan voor het havengebied. In
                    verband met de veiligheid van deze omgeving, is het noodzakelijk dat de
                    havenmeester instemt met het nemen van ligplaats door een schip en met het op
                    die bepaalde plaats verrichten van ontsmettingsactiviteiten in de haven.</al><al>In het tweede lid is het begrip “zeeschip” gewijzigd in “schip”, als gevolg
                    waarvan de bepaling tevens van toepassing is op binnenschepen. Hierdoor wordt de
                    bepaling in overeenstemming gebracht met de bestaande praktijk. De redactie van
                    het tweede lid houdt tevens rekening met schepen die in het buitenland zijn
                    beladen met aldaar (in de silo) aan de wal ontsmette lading, die in de haven
                    wordt gelost. Deze lading kan vanzelfsprekend eveneens bepaalde risico’s met
                    zich meebrengen. Voorts is het tweede lid beperkt tot schepen, geladen met
                    losgestorte bulklading in vaste vorm. Hierdoor worden alle containerschepen van
                    de toepassing uitgesloten. Deze schepen hebben containers als lading onder gas
                    aan boord en zouden dus allemaal een ontheffing dienen te krijgen, hetgeen niet
                    wenselijk is. Het onder gas staan van te vervoeren containers is in de IMDG-Code
                    geregeld, inclusief de labeling. Het onder gas zetten van containers geschiedt
                    binnen een inrichting en valt onder de vergunningplicht uit de Wet milieubeheer. </al><al>In het derde lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 2.7 Deugdelijk afmeren</tussenkop><al>Het eerste lid van artikel 2.7 bepaalt dat het verboden is te laden of te
                    lossen, tenzij het schip op deugdelijke wijze is afgemeerd. Door de formulering
                    "het is een ieder verboden" richt de norm zich op een ieder. Door deze
                    formulering kan ook degene die het schip laadt of lost vanaf de wal gehouden
                    worden aan de verplichting om het schip eerst deugdelijk af te (laten)
                    meren.</al><al>In de praktijk komt het regelmatig voor dat een schip slechts op een spring is
                    afgemeerd en men vervolgens overgaat tot lossen of laden. Hierdoor bestaat het
                    gevaar dat lading in het oppervlaktewater wordt gemorst of materiële schade aan
                    schip of haveninfrastructuur ontstaat. Door het opnemen van de verplichting op
                    deugdelijke wijze af te meren, kan hiertegen worden opgetreden. Het schip moet
                    zodanig zijn afgemeerd dat het geen voor- of achterwaartse verplaatsing kan
                    ondergaan, met dien verstande dat enige beweging als gevolg van golfslag of
                    winddruk onvermijdelijk is en schade, anders dan door toedoen van menselijk
                    handelen wordt voorkomen.</al><al>Tengevolge van veranderingen in de atmosfeer worden schepen, ook in de haven,
                    vaker geconfronteerd met zware stormen en extreme weersomstandigheden. In het
                    tweede lid, onder a, wordt voor zeeschepen met een lengte van meer dan 120 meter
                    voorgeschreven dat een sleeptros op het voordek gebruiksklaar dient te liggen.
                    Dit is van belang voor een losgebroken schip dat door aangesnelde sleepboten,
                    middels de sleeptros, kan worden aangepakt en voor verder driften kan worden
                    behoed. Teneinde het losbreken zo veel mogelijk te voorkomen, zijn onder b en c
                    kwaliteitseisen opgenomen waaraan een afgemeerd schip dient te voldoen. Deze
                    eisen zijn een kopie van de Guidlines on Mooring van OCIMF (Oil Compagnies
                    International Marine Forum).</al><al>Indien een zeeschip afmeert in een boeienspan dient, voor zover de plaatselijke
                    omstandigheden dit toelaten, het zeeschip af te meren met de boeg in de
                    heersende windrichting en wordt ten minste één anker gepresenteerd.</al><tussenkop>Artikel 2.8 Gebruik van ankers</tussenkop><al>In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen
                    infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels.
                    Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van
                    deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit
                    te voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van een anker
                    gebruik te maken. Daarnaast is het in verband met de orde in de haven niet
                    acceptabel dat willekeurig ten anker wordt gegaan.</al><al>Het gebruikmaken van een anker is, op grond van onderdeel a van het eerste lid,
                    wel toegestaan indien ligplaats wordt genomen in een boeienspan of op een
                    palenligplaats. Vanzelfsprekend mag het anker niet in de nabijheid van een boei
                    of een paal worden neergelaten aangezien het anker de boei of paal zou kunnen
                    beschadigen.</al><al>Tevens is het gebruik van een anker toegestaan indien dit geschiedt door een
                    drijvende kraan en zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade
                    toebrengt aan de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of
                    oever- of kadeverdedigingswerken. </al><al>Indien een drijvende kraan zijn anker wil gebruiken, dient dit gemeld te worden
                    aan de havenmeester. De melding kan per telefoon, per marifoon, per fax of per
                    e-mail plaatsvinden op telefoonnummer 010 – 252 1000, faxnummer 010 – 252 1600,
                    VHF kanaal 14 of e-mail cmh@portofrotterdam.com .</al><al>Tot slot kan het college op grond van het vierde lid ontheffing of vrijstelling
                    verlenen van het verbod om een anker te gebruiken. </al><tussenkop>Artikel 2.9 Gebruik van spudpalen</tussenkop><al>In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen
                    infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels.
                    Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van
                    deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit
                    te voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van spudpalen
                    gebruik te maken. Daarnaast is het in verband met de orde in de haven niet
                    acceptabel dat willekeurig een schip zijn spudpalen gebruikt.</al><al>Het verbod geldt niet indien dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse
                    aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011.</al><al>Tot slot kan het college op grond van het tweede lid ontheffing of vrijstelling
                    verlenen van het verbod om spudpalen te gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 2.10 Gebruik generatoren door
                    binnenschepen</tussenkop><al>Het is verboden om in een door het college aan te wijzen gebied aan boord van
                    een binnenschip een generator te gebruiken. Het college kan van dit verbod
                    ontheffing of vrijstelling verlenen. In het kader van het leveren van een
                    bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven
                    bij de openbare ligplaatsen voor de binnenvaart aansluitingen voor de afname van
                    elektriciteit (ten behoeve van de binnenvaart) gerealiseerd. Op het moment dat
                    het op een ligplaats dermate druk is met binnenschepen dat geen aansluitingen
                    meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens kerst of andere feestdagen), dan
                    kunnen binnenschepen onverkort gebruik maken van hun scheepsgenerator om
                    elektriciteit op te wekken. Dit geldt ook voor binnenschepen die voor hun
                    elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben, dan de walstroomvoorziening
                    kan leveren. Bij toegestaan gebruik van generatorsets is in het artikel wel een
                    limiet verbonden aan het maximaal te produceren geluid versus aanwezige woningen
                    en tijd.</al><tussenkop>Artikel 2.11 Verbod gebruik hoofdmotor ex artikel 4.6
                    Havenbeheersverordening</tussenkop><al>De basis voor dit artikel ligt in artikel 4.6 van de Havenbeheersverordening
                    Papendrecht 2011. Daarin is geregeld dat het college gebieden kan aanwijzen waar
                    het verboden is de hoofdmotor van een afgemeerd schip in werking te hebben,
                    tenzij direct voor vertrek van een schip. Het onnodig laten draaien van de
                    hoofdmotor betekent een belasting van het milieu en het kan hinder voor
                    omwonenden veroorzaken. In artikel 2.10 staan de door het college aangewezen
                    gebieden genoemd waar een hoofdmotor niet mag worden gebruik als een schip is
                    afgemeerd.</al><tussenkop>§ 3 Zoneringsregeling schepen met gevaarlijke stoffen in
                    verpakking of bulk</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Verbod ligplaatsinname schip met gevaarlijke
                    stoffen in verpakking</tussenkop><al>In de zoneringsregeling voor schepen geladen met gevaarlijke stoffen in
                    verpakking is geregeld dat het verboden is met een schip dat geladen is met een
                    in bijlage I genoemde gevaarlijke stof in verpakking ligplaats te nemen binnen
                    een in bijlage I genoemde afstand van een woonconcentratie, tenzij gehandeld
                    wordt in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen bepalingen. Bijlage I is
                    een overzichtelijk schema. Uit dat overzicht blijkt duidelijk welke afstand tot
                    een woonconcentratie bij het toekennen van een ligplaats in acht moet worden
                    genomen indien een bepaalde hoeveelheid stoffen uit de IMDG-Code, aangegeven met
                    unieke VN-nummers, zich in verpakte vorm aan boord van het schip bevindt. Zie
                    verder de toelichting bij Bijlage I.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Verbod ligplaatsinname tankschip met
                    gevaarlijke stoffen in bulk</tussenkop><al>Toegevoegd is een artikel voor een zeetankschip, dat een gevaarlijke stof als
                    lading of ladingresidu aan boord heeft en die in de haven afmeert. Het innemen
                    van een ligplaats door deze tankschepen kan risico inhouden voor de
                    woonomgeving. Vandaar dat voor deze zeetankschepen een verbod is opgenomen om
                    ligplaats te nemen binnen een afstand als aangegeven in Bijlage I, die geldt
                    voor zone A en zone B. Er is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor die
                    gevallen waarin het innemen van ligplaats verantwoord wordt geacht.</al><tussenkop>Artikel 3.3 Melding laden gevaarlijke of schadelijke
                    stoffen in verpakte vorm</tussenkop><al>In artikel 10.07 van het Binnenvaartpolitiereglement is de verplichting
                    opgenomen om vóór vertrek van een zeeschip dat in dat artikel genoemde
                    schadelijke of gevaarlijke stoffen in verpakking vervoert, bepaalde gegevens te
                    melden aan de bevoegde autoriteit van de betreffende haven. In de Regeling
                    communicatie en loodsaanvragen zeevaart is neergelegd welke gegevens gemeld
                    moeten worden en aan wie gemeld moet worden. In artikel 3.3 is de aanvullende
                    verplichting opgenomen om ten minste drie uur voor aanvang ook melding te maken
                    van het voornemen tot het laden van bovengenoemde stoffen. Met deze kennis kan
                    rekening worden gehouden met het toewijzen van ligplaatsen in de nabijheid van
                    het zeeschip dat geladen wordt met de genoemde stoffen in verpakte vorm. Ook is
                    de melding van belang voor de toepassing van de zogeheten zoneringsregeling (zie
                    ook toelichting bij artikel 3.1).</al><al>De melding vindt elektronisch plaats via een Electronic Data Interchange (EDI)
                    en wordt verricht via Port Infolink.</al><tussenkop>§ 4 Regeling bunkercontrolelijst</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Bunkercontrolelijst</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het bunkeren van zeeschepen en is een bepaling
                    van beperkte omvang. De in het artikel genoemde bunkercontrolelijst is te vinden
                    in het ISGOTT.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Melding bunkeren of overpompen van
                    brandstofolie</tussenkop><al>De meldverplichting aangaande het bunkeren van zeeschepen is uitgebreid met een
                    meldplicht in verband met het terugpompen van bunkerolie van het zeeschip naar
                    de bunkerlichter. Bunkeren of terugpompen leveren een soortgelijk risico op.
                    Tevens is een meldverplichting opgenomen met betrekking tot het onderling
                    overpompen van bunkerolie tussen bunkerschepen. Er bestaat ook een mogelijkheid
                    dat de havenmeester van de verplichtingen vrijstelling verleend.</al><al>In de praktijk kan het voorkomen dat meerdere bunkerschepen tegelijkertijd een
                    schip bevoorraden. In principe is dit niet bezwaarlijk. Echter hierdoor mag geen
                    gevaar of hinder ontstaan voor de overige scheepvaart. Indien bijvoorbeeld twee
                    bunkerschepen naast elkaar liggen op een plaats waar dit de scheepvaart hinder
                    oplevert, kan de havenmeester een bunkerschip een aanwijzing op grond van
                    artikel 6.1 Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 geven om (tijdelijk) elders
                    te gaan liggen om hinder te voorkomen.</al><al>De melding kan per telefoon, per marifoon, per fax of per e-mail geschieden via
                    telefoonnummer 010 – 252 1000, faxnummer 010 – 252 1600, VHF kanaal 14 of e-mail
                    cmh@portofrotterdam.com .</al><tussenkop>§ 5 Het in ontvangst nemen van
                    scheepsafvalstoffen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Schoonmaakschepen</tussenkop><al>Op een schoonmaakschip zijn verschillende wettelijke regimes van toepassing. Het
                    schip moet in het bezit zijn van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer
                    of zijn opgenomen in de vergunning van de walinrichting. Het gebruik dient te
                    voldoen aan de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (hierna: Wvvs). Zoals
                    eerder vermeld is het regime van het Havenreglement aanvullend van aard. De
                    verhouding van artikel 5.1 van dit reglement ten opzichte van de genoemde wetten
                    is als volgt. </al><al>Het begrip schadelijke en gevaarlijke stoffen in de zin van de
                    Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 en dit reglement wijkt af van de
                    begrippen in de Wet milieubeheer. De regels in en op grond van de Wet
                    milieubeheer op het gebied van het schoonmaken van schepen hebben betrekking op
                    ‘scheepsafvalstoffen’ en ‘bedrijfsafvalstoffen’. Dit reglement sluit met het
                    begrip ‘schadelijke stoffen’ aan bij de Wvvs en met het begrip ‘gevaarlijke
                    stoffen’ in de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 wordt bedoeld de stoffen
                    die staan vermeld in de IMDG-Code, de Bulk Chemical Code en het ADN. Daarnaast
                    hanteert de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 het begrip ‘scheepsafval’
                    dat een brede omschrijving kent van al het afval afkomstig van een schip (bijv.
                    ook alle vaste materialen). </al><al>De begripsomschrijvingen van de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 en dit
                    reglement omvatten dan ook meer stoffen dan de stoffen genoemd in de Wet
                    milieubeheer. De ontvangst van scheepsafvalstoffen (waaronder gevaarlijke
                    afvalstoffen die vrijkomen bij schoonmaakwerkzaamheden) is door middel van een
                    vergunningensysteem afdoende geregeld in het op de Wet milieubeheer gebaseerde
                    Besluit inzamelen afvalstoffen. De voorschriften van artikel 5.1 van dit
                    reglement zijn aanvullend van aard en hebben betrekking op de schoonmaakschepen.
                    In dit artikel wordt het overkoepelende begrip ‘afvalstoffen’ gebruikt waarmee
                    alle afvalstoffen aan boord van een schoon te maken schip worden bedoeld. De
                    definitie van dit begrip is opgenomen in artikel 1.1 van dit
                    Havenreglement.</al><al>Het eerste lid van artikel 5.1 bevat de verplichting voor schoonmaakschepen om
                    alle afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken aan boord te nemen. Voor de
                    ontdoener geldt op grond van de Wet milieubeheer de plicht om
                    scheepsafvalstoffen af te geven aan een instantie die daarvoor een vergunning
                    heeft. Het is wenselijk om een verplichting voor de schoonmaker op te nemen om
                    alle aanwezige soorten afvalstoffen mee te nemen. Op die manier kan goed
                    toezicht gehouden worden op de afvalstromen binnen de Rotterdamse haven.</al><al>Schoonmaakschepen mogen op grond van het tweede lid uitsluitend afvalstoffen aan
                    boord hebben. Deze verplichting is opgenomen om te voorkomen dat
                    schoonmaakschepen naast afvalstoffen ook lading aan boord vervoeren. </al><al>De voorschriften in het derde en vierde lid hebben betrekking op water dat door
                    het schoonmaakschip opnieuw wordt gebruikt voor het schoonmaken van ladingruimen
                    die leeg zijn van laatstelijk vervoerde droge lading. Deze bepalingen dienen ter
                    versterking van het regime van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
                    Wanneer de schoonmaakschepen voorzien zijn van voorraadtanks en doelmatige
                    filterinstallaties wordt een eventuele prikkel om dit water te lozen op het
                    oppervlaktewater weggenomen.</al><al>Op het zogeheten S-formulier (artikel 6, tweede lid, van de Regeling melden
                    bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen), waarop de ontvangst van
                    afvalstoffen wordt aangegeven, moeten ook de afvalstoffen, ontstaan uit
                    schoonmaakwerkzaamheden, worden genoteerd. Een afschrift van het ondertekende
                    S-formulier met daarop aangegeven de ingenomen hoeveelheden afvalstoffen moet
                    worden afgegeven aan het schoongemaakte schip. Vervolgens moet de exploitant van
                    het schoonmaakschip periodiek een afschrift van het zogeheten
                    stoffenregistratieformulier (waarop een overzicht staat van de op de
                    verschillende S-formulieren genoteerde hoeveelheden ingezamelde afvalstoffen)
                    aan de Havenmeester doen toekomen. Op deze wijze houdt de Havenmeester een goed
                    overzicht van alle afvalstromen binnen de haven. </al><tussenkop>Artikel 5.2 Melding schoonmaken door
                    schoonmaakschepen</tussenkop><al>Voor aanvang van het schoonmaken dienen aan de Havenmeester via telefoon,
                    marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, fax of e-mail de volgende gegevens te
                    worden gemeld:</al><lijst><li nr="-"><al>naam van het schoonmaakschip;</al></li><li nr="-"><al>naam van het schoon te maken schip; </al></li><li nr="-"><al>waar het schoonmaken plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>welke stoffen in de schoon te maken ruimten betreft;</al></li><li nr="-"><al>tijdstip aanvang van schoonmaken en verwachte duur.</al></li></lijst><al>De melding kan per telefoon, per marifoon, per fax of per e-mail geschieden via
                    telefoonnummer 010 – 252 1000, faxnummer 010 – 252 1600, VHF kanaal 14 en e-mail
                    cmh@portofrotterdam.com .</al><tussenkop>Artikel 5.3 Melding van afgifte
                    scheepsafvalstoffen</tussenkop><al>In dit artikel is een meldplicht opgenomen betreffende de afgifte van
                    scheepsafvalstoffen. De kapitein van een zeeschip, dat een schadelijke stof aan
                    boord heeft, zorgt er voor dat zijn voornemen tot afgifte van die stof ten
                    minste 24 uur van tevoren aan de havenmeester wordt gemeld. </al><al>Aangezien de kapitein daarbij tevens het bedrijf moet vermelden aan wie de
                    schadelijke stoffen worden afgegeven, zal eerst overeenstemming met dit bedrijf
                    moeten zijn bereikt over de ontvangst van die stoffen. De termijn van 24 uur is
                    in overeenstemming met de meldingstermijn van gevaarlijke stoffen en is ook de
                    gebruikelijke termijn voor de melding van aankomst van het zeeschip. De termijn
                    van 24 uur is niet verplicht voor de afgifte van niet afgiftplichtige stoffen. </al><al>De melding dient elektronisch te geschieden via een Electronic Data Interchange
                    (EDI). De meldingen worden verricht via Port Infolink.</al><tussenkop>Artikel 5.4 Aanwijzing van bedrijven met
                    ontvangstvoorzieningen</tussenkop><al>Nederland heeft op 2 juli 1983 het (gewijzigde) Internationaal Verdrag ter
                    voorkoming van verontreiniging door schepen geratificeerd. Dit zogenaamde
                    Marpol-Verdrag heeft tot doel verontreiniging van de zee (en van de kusten)
                    tengevolge van het lozen van schadelijke afvalstoffen van schepen te
                    voorkomen.</al><al>Het betreft afvalstoffen, afkomstig uit de normale bedrijfsvoering aan boord,
                    zoals olierestanten en oliehoudende mengsels, schadelijke vloeibare chemicaliën,
                    gevaarlijke en voor het milieu schadelijke stoffen in verpakte vorm, sanitair
                    afval en vuilnis. Het Marpol-Verdrag is geïmplementeerd in de Wet voorkoming
                    verontreiniging door schepen (Wvvs).</al><al>Op basis van het onderhavige artikel kunnen bedrijven worden aangewezen als
                    bedrijf met ontvangstvoorzieningen, zodat kan worden voldaan aan de wettelijke
                    verplichting, bedoeld in de Wvvs, om zorg te dragen voor voldoende
                    voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van
                    schadelijke stoffen, afkomstig van zeeschepen, zonder aan deze schepen onnodig
                    oponthoud te veroorzaken. Daarbij kunnen drie groepen van bedrijven worden
                    onderscheiden: de overslagterminals en scheepsreparatiewerven, de bedrijven met
                    een vaste inrichting aan de wal om de aangeboden schadelijke stoffen te
                    ontvangen en eventueel te bewerken, te verwerken of te vernietigen en ten slotte
                    de (transport)bedrijven die de afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele
                    voorzieningen (lichters, voertuigen).</al><al>Een overslagterminal of scheepsreparatiewerf, die is aangewezen voor het in
                    ontvangst nemen van afvalstoffen, mag slechts afvalstoffen accepteren die
                    afkomstig zijn van zeeschepen, die bij het bedrijf worden geladen, gelost of
                    gerepareerd. Ter voorkoming van een te grote belasting van de
                    zuiveringsinstallaties van deze bedrijven mogen zij, op basis van hun
                    lozingsvergunningen, slechts afvalstoffen, die bij het laden, lossen of
                    repareren van zeeschepen zijn ontstaan, in ontvangst nemen. Het spreekt voor
                    zich dat bedrijven, die het in ontvangst nemen, bewerken, verwerken en
                    vernietigen van afvalstoffen als hoofdbedrijf uitoefenen, door de aanwijzing ook
                    verplicht zijn om alle aangewezen schadelijke afvalstoffen te accepteren.
                    Transportbedrijven, zonder een vaste inrichting aan de wal voor het bewaren,
                    bewerken of verwerken van afvalstoffen komen ook voor aanwijzing in aanmerking,
                    mits zij ingevolge de milieuwetgeving gerechtigd zijn gevaarlijke afvalstoffen
                    in te zamelen of te bewaren. Deze bedrijven worden door de aanwijzing verplicht
                    tot aflevering van de ingezamelde scheepsafvalstoffen aan een bedrijf dat op
                    basis van de milieuwetgeving bevoegd is die stoffen te bewerken, verwerken of
                        vernietigen<cursief>. </cursief></al><tussenkop>Artikel 5.5 Aanvraag van een aanwijzing</tussenkop><al>Tot op heden wordt aan de aanvrager van een aanwijzing van een bedrijf met
                    ontvangstvoorzieningen een formulier gezonden waarop is vermeld welke gegevens
                    in ieder geval bij de aanvraag dienen te worden overgelegd. De gegevens komen
                    overeen met de inhoud van het genoemde formulier. </al><al>Deels betreft het het overleggen van gegevens, zoals een milieuvergunning of een
                    uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Deels dient de
                    aanvrager bepaalde zaken aannemelijk te maken, zoals de bestemming van de
                    ontvangen schadelijke stoffen.</al><tussenkop>§ 6 Het vast- en losmaken van schepen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Uitoefenen van beroep bootman</tussenkop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college het beroep van bootman uit te
                    oefen.</al><tussenkop>§ 7 Aanwijzing havenmeester</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.1 van de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 wijst
                    het college van burgemeester en wethouders de havenmeester van Rotterdam aan. Op
                    grond van dit artikel wordt het hoofd van de divisie havenmeester van
                    Havenbedrijf Rotterdam N.V. aangewezen als havenmeester voor de wateren in de
                    gemeente Papendrecht die in beheer zijn (ook regionaal nautisch beheer) bij het
                    Havenbedrijf Rotterdam N.V.</al><tussenkop>§ 8 Woonschepen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Vergunning woonschepen</tussenkop><al>Het is verboden zonder vergunning met een woonschip ligplaats te nemen in de
                    haven.</al><tussenkop>§ 9 Overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.1 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat het Havenreglement in werking treedt op het moment dat de
                    Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 in werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 9.2 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel regelt de citeertitel, te weten Havenreglement Papendrecht 2011,
                    afgekort HrP 2011.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><al>Bijlage I: Zoneringsregeling</al><al>In deze bijlage is een schema opgenomen waaruit kan worden afgeleid welke
                    afstand tot een woonconcentratie in acht moet worden genomen wanneer een schip
                    met een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verpakking aan boord
                    ligplaats wil nemen in de haven. De gevaarlijke stoffen zijn aangeduid met de
                    internationale codes op grond van de IMDG-Code van de IMO. Bij het toekennen van
                    ligplaatsen door de Havenmeester wordt rekening gehouden met deze zogeheten
                    zoneringsregeling.</al><al>De bijlage II spreekt voor zich.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>