<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR187870_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Referendumverordening, incl. toelichting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws, 26-10-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Referendumverordening Utrechtse Heuvelrug 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-10-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-10-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Referendumverordening Utrechtse Heuvelrug 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug; </al><al> gelezen het voorstel van het college van ... (datum) inzake het referendum; </al><al> gelet op artikel 147, 149 Gemeentewet; </al><al> besluit vast te stellen de Verordening op het referendum
                        (Referendumverordening).</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>referendum: een volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich
                                uitspreken over een door de raad te nemen of genomen besluit. </al></li><li nr="b."><al>kiesgerechtigden: diegenen die op de drieënveertigste dag
                                voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden
                                overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de
                                verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Utrechtse
                                Heuvelrug. </al></li><li nr="c."><al>voorgenomen besluit: een ontwerpbesluit van de raad dat behoort bij
                                een raadsvoorstel dat op de (voorlopige) agenda van de
                                raadsvergadering is geplaatst inhoudende een publiekrechtelijke
                                rechtshandeling. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepassingsgebied</titel></kop><al> Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele
                        grondgebied van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Uitzonderingen</titel></kop><al>Een referendum kan niet worden gehouden over besluiten: </al><lijst><li nr="a."><al>over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen,
                                schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen,; </al></li><li nr="b."><al>over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;
                            </al></li><li nr="c."><al>over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; </al></li><li nr="d."><al>in het kader van deze verordening; </al></li><li nr="e."><al>inhoudende een algemeen verbindend voorschrift dan wel de intrekking
                                daarvan; </al></li><li nr="f."><al>waarbij het belang van het referendum niet opweegt tegen de
                                verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun
                                plaats in de samenleving; </al></li><li nr="g."><al>die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder
                                genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden
                                gehouden; </al></li><li nr="h."><al>ter uitvoering van een besluit van het rijk of de provincie waarbij
                                de raad geen beleidsvrijheid heeft; </al></li><li nr="i."><al>waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld
                                vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke
                                belangen;</al></li><li nr="j."><al>als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Wet Algemene
                                regels herindeling;</al></li><li nr="k."><al>waarvan de raad van mening is dat er andere dan bovengenoemde
                                dringende redenen zijn om geen referendum te houden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Initiatief van de Raad</titel></kop><al> 1. De raad kan besluiten tot het houden van een referendum. </al><al>2.Het bepaalde in artikel 7 e.v. is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Initiatief van kiesgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kiesgerechtigden kunnen schriftelijk aangeven dat zij een initiatief
                            willen nemen tot een referendum over een voorgenomen besluit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze kennisgeving moet ten minste 2 dagen vóór de raadsvergadering,
                            waarvoor het voorgenomen besluit is geagendeerd, bij de voorzitter van
                            de raad worden ingediend. De kennisgeving moet worden ondersteund door
                            minimaal 260 kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de
                            leden van de gemeenteraad<vet>. </vet> In de kennisgeving wordt
                            aangegeven om welk voorgenomen raadsbesluit het gaat. De kennisgeving
                            gaat vergezeld van een handtekening van elke verzoeker, met een opgave
                            van diens naam, adres, leeftijd en woonplaats. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde persoonsgegevens worden geplaatst op
                            daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een kennisgeving is gedaan volgens de hiervoor gestelde eisen,
                            beslist de raad in dezelfde vergadering waarvoor het voorgenomen besluit
                            van de raad is geagendeerd of over dit besluit, met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 3, een referendum kan worden gehouden. De raad kan
                            zijn beslissing voor ten hoogste 5 weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6Definitief verzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen 6weken na de dag waarop de raad heeft bekend gemaakt dat op
                                grond van de kennisgeving is besloten dat over een voorgenomen
                                besluit een referendum kan worden gehouden, kan door
                                kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum
                                worden ingediend bij de voorzitter van de raad. </al></li><li nr="2."><al>Dit verzoek moet worden ondersteund door minimaal 2600
                                kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de leden van
                                de gemeenteraad<vet>.</vet></al></li><li nr="3."><al>Voor de vaststelling van het in het tweede lid bedoelde aantal,
                                worden de kiesgerechtigden die de kennisgeving hebben ondersteund,
                                meegerekend. </al></li><li nr="4."><al>In het verzoek wordt aangegeven om welk te nemen raadsbesluit het
                                gaat. Het verzoek gaat vergezeld van een handtekening van elke
                                verzoeker, met een opgave van diens naam, adres, leeftijd en
                                woonplaats. </al></li><li nr="5."><al>De in het vierde lid genoemde persoonsgegevens zijn geplaatst op
                                daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten. </al></li><li nr="6."><al>De voorzitter van de raad onderzoekt na binnenkomst van het verzoek,
                                of dit verzoek aan de hiervoor gestelde eisen voldoet. Hij legt
                                hierover binnen 2 weken een advies voor aan de raad. </al></li><li nr="7."><al>Aan de hand van het advies als bedoeld in het zes lid stelt de raad
                                vast of het verzoek voldoet aan de hiervoor gestelde eisen. De raad
                                neemt uiterlijk binnen 8 weken na de dag van ontvangst van het
                                verzoek een besluit over het houden van een referendum. </al></li><li nr="8."><al>In de vergadering waarin de raad besluit dat een referendum wordt
                                gehouden, wordt ieder raadslid in de gelegenheid gesteld om uit te
                                spreken welke binding de uitslag van het referendum voor hem zal
                                hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Aanhouden beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de raad van mening is, dat over het voorgenomen besluit een
                                referendum kan worden gehouden, dan wordt het betreffende
                                raadsvoorstel op de gangbare wijze behandeld. </al></li><li nr="2."><al>De stemming over het door de raad te nemen besluit zoals dat luidt
                                na verwerking van de aanvaarde amendementen, wordt echter
                                aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop het
                                referendum wordt gehouden, tenzij eerder negatief over de
                                ontvankelijkheid van het definitieve verzoek wordt beslist. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Datum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden, met
                                dien verstande dat het referendum niet later plaatsvindt dan
                                uiterlijk 4maanden na de dag waarop het definitieve verzoek is
                                ingewilligd of nadat de raad besloten heeft tot het houden van een
                                referendum op basis van artikel 4. </al></li><li nr="2."><al>Er kunnen meer referenda op dezelfde dag worden gehouden. </al></li><li nr="3."><al>Indien binnen 26 weken na de in het eerste lid bedoelde vergadering
                                een verkiezing plaatsvindt van de leden van een algemeen
                                vertegenwoordigend orgaan, kan, in afwijking van het eerste lid, het
                                referendum worden gehouden op de dag van die verkiezing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Vraagstelling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Vraagstelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het
                                referendum vast. </al></li><li nr="2."><al>Bij de vaststelling van de vraagstelling en de antwoordcategorieën
                                streeft de raad een zo groot mogelijke neutraliteit na.</al></li><li nr="3."><al>De vraagstelling wordt weergegeven op de oproepingskaart. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Advies en toezicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad kan zich bij het vaststellen van de vraagstelling en de
                                antwoordcategorieën laten adviseren door een commissie van advies.
                            </al></li><li nr="2."><al>De raad kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde commissie
                                tevens tot taak heeft toe te zien op de organisatie van het
                                referendum en/of op de objectiviteit van de voorlichting.</al></li><li nr="3."><al>De raad stelt de in de voorgaande leden bedoelde commissie van
                                advies en toezicht in en benoemt en ontslaat haar leden.</al></li><li nr="4."><al>De commissie bestaat uit drie leden.</al></li><li nr="5."><al>De leden mogen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder de
                                verantwoordelijkheid van de raad of het college.</al></li><li nr="6."><al>De commissie bepaalt haar eigen werkwijze. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Uitvoering</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Uitvoering</titel></kop><al> Het college is belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden
                        van een referendum. Het college regelt de bestuurlijke en ambtelijke
                        coördinatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Budget</titel></kop><al> De raad stelt, nadat is besloten tot het houden van een referendum, een
                        budget beschikbaar voor voorlichting en organisatie. <vet>Artikel 13 De
                            stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stemgerechtigd zijn degenen die op de drieënveertigste dag vóór de
                                dag waarop het referendum wordt gehouden, kiesgerechtigd zijn voor
                                de verkiezing van de leden van de raad. </al></li><li nr="2."><al>De bepalingen van de Kieswet zijn voor wat betreft de
                                raadsverkiezingen voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
                            </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Geldigheid van de uitslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het referendum wordt als geldig beschouwd, indien meer dan 30% van
                                de kiesgerechtigden een stem heeft uitgebracht. </al></li><li nr="2."><al>De uitslag van het referendum wordt berekend op basis van de gewone
                                meerderheid van het totaal aantal uitgebrachte stemmen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 De beslissing van de raad</titel></kop><al> In de eerstvolgende vergadering van de raad na de dag waarop het referendum
                        wordt gehouden, vindt besluitvorming plaats over het aangehouden
                        raadsbesluit dat aan het referendum is onderworpen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Strafsanctie</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Strafsanctie</titel></kop><al> Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                        categorie wordt gestraft degene die: </al><lijst><li nr="a."><al>stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten namaakt of
                                vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of
                                door anderen te doen gebruiken; </al></li><li nr="b."><al>stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten die hij zelf
                                heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing
                                hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en
                                onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken, dan wel deze met
                                het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door
                                anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft; </al></li><li nr="c."><al>stembiljetten, volmachtbewijzen of referendumkaarten voorhanden
                                heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door
                                anderen te doen gebruiken; </al></li><li nr="d."><al>als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is
                                overleden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Inwerkingtreding</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                        haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als 'Referendumverordening Utrechtse
                        Heuvelrug 2006'. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 oktober 2006. De
                        griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>M.Walrave G. F. Naafs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ToelichtingA Algemene toelichting</vet></al><al>Op grond van de huidige bepalingen in de Grondwet en de Gemeentewet hebben
                    gemeenten de mogelijkheid tot het houden van een raadplegend (initiatief vanuit
                    de raad) of raadgevend (initiatief vanuit de bevolking) referendum over een te
                    nemen of genomen besluit . Bij de presentatie van het voorontwerp van
                    bovengenoemd wetsvoorstel heeft het kabinet nog eens aangegeven geen uniforme
                    regels voor het referendum te willen opstellen. Het kabinet is van mening dat de
                    vraag of en zo ja, hoe op lokaal niveau referenda worden gehouden, een zaak is
                    die door gemeenten zelf moet worden beslist binnen de randvoorwaarden die de
                    Grondwet en Gemeentewet stellen. Bij de vernietiging van de
                    referendumverordening van de gemeente Amsterdam zijn deze randvoorwaarden nog
                    eens onderstreept: </al><lijst><li nr="·"><al>het is de gemeenteraad die per geval beslist of een referendum wordt
                            gehouden; </al></li><li nr="·"><al>ieder raadslid beslist individueel in hoeverre hij zich aan de uitslag
                            van het referendum gebonden zal achten; </al></li><li nr="·"><al>de gemeenteraad neemt een definitief besluit over het onderwerp van het
                            referendum, nadat het referendum is gehouden. </al></li></lijst><al><cursief>Bevoegdheid</cursief> De bevoegdheid van de raad om een
                    referendumverordening vast te stellen vloeit voort uit de artikelen 147 en 149
                    van de Gemeentewet. Deze bepalingen geven de raad een algemene verordenende
                    bevoegdheid. </al><al><cursief>Samenloop met wettelijke inspraak</cursief> De onderwerpen waarover
                    referenda worden gehouden, zijn vaak reeds via wettelijke bepaalde
                    inspraakmogelijkheden aan de bevolking voorgelegd. De vraag rijst of een
                    referendum in de plaats kan treden van voorgeschreven inspraakmogelijkheden. Het
                    antwoord hierop luidt ontkennend. Het wel of niet houden van een referendum
                    heeft geen invloed op de voorgeschreven inspraakprocedures. Het is echter
                    raadzaam om een referendum in een vroegtijdig stadium van een procedure te
                    houden. Voorlichting over het referendumonderwerp kan dan bijvoorbeeld in
                    praktische zin gekoppeld worden aan voorlichting over hetzelfde onderwerp in het
                    kader van de voorgeschreven inspraak. </al><al><vet>BArtikelsgewijze toelichtingArtikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>In deze verordening gaat het om het raadplegend én raadgevend
                            referendum. Dat wil zeggen een referendum dat niet bij voorbaat bindend
                            is voor de raad en plaatsvindt voordat door de raad een definitief
                            besluit over het onderhavige onderwerp wordt genomen of nadat een
                            besluit is genomen, maar waarvan de uitvoering is opgeschort. Een
                            correctief referendum, waarbij de bevolking een besluit dat de raad al
                            heeft genomen achteraf bindend kan verwerpen, is op dit moment wettelijk
                            nog niet mogelijk. </al></li><li nr="b."><al>Degenen die kiesgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen zijn ook
                            gerechtigd om deel te nemen aan een referendum. Daarom is aangesloten
                            bij artikel B3 van de Kieswet. Ook voor de genoemde termijn is
                            aangesloten bij de Kieswet, artikel J1. </al></li><li nr="c."><al>Hier wordt genoemd een 'voorgenomen besluit'. Hierbij kondigt de Raad
                            het voornemen tot een besluit aan. Vervolgens wordt het referendum
                            gehouden en de Raad neemt pas een eindbesluit nadat het referendum is
                            gehouden. Tevens wordt met deze definiëring bepaald welke voorgenomen
                            besluiten referendabel zijn. Deze zijn beperkt tot besluiten in de zin
                            van artikel 1:3 van de Awb. Hierbij gaat het om besluiten met een
                            publiekrechtelijk oogmerk. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Toepassingsgebied</vet></al><al><vet>Artikel 2 Toepassingsgebied</vet> Een referendum kan zich niet uitstrekken
                    tot buiten het grondgebied van de gemeente waarin een referendum wordt gehouden. </al><al><vet>Artikel 3 Uitzonderingen</vet></al><al><vet>Artikel 3 Uitzonderingen</vet> Alleen besluiten van de raad kunnen
                    onderwerp van een referendum zijn. De besluiten genomen door burgemeester en
                    wethouders of door de burgemeester zijn niet referendabel. Een aantal
                    onderwerpen waarover de raad een besluit neemt, leent zich echter minder goed
                    voor een referendum. In deze verordening wordt de lijst met uitzonderingen zo
                    beperkt mogelijk gehouden. Door het uitsluiten van veel onderwerpen bestaat
                    immers het gevaar dat de referendumverordening een 'leeg instrument' wordt,
                    waarbij het in de praktijk onmogelijk blijkt een referendum te organiseren. Het
                    opnemen van een algemene uitzonderingsgrond voorkomt dat het voor de raad
                    onmogelijk wordt een verzoek om een referendum af te wijzen. De lijst met
                    uitzonderingen is niet limitatief. Omdat het de raad is die de uiteindelijke
                    beslissing over het al dan niet houden van een referendum neemt, vormt een
                    beperkte lijst met uitzonderingen geen probleem. Bij het nemen van de beslissing
                    kan de raad immers ook andere relevante zaken, die niet expliciet in de lijst
                    met uitzonderingen staan, in zijn overwegingen meenemen. Een zorgvuldige
                    afweging is daarbij een voorwaarde. De meeste onderwerpen die in dit artikel
                    zijn opgenomen, zijn door de in 1982 ingestelde Staatscommissie Biesheuvel
                    genoemd, als niet geschikt als onderwerp voor een (correctief) referendum. Nog
                    even een toelichting bij een drietal uitzonderingen:</al><lijst><li nr="·"><al>Beslissingen in het kader van deze verordening. Dit om te voorkomen dat
                            de besluitvorming in een vicieuze cirkel terecht kan komen, zeker
                            wanneer de raad negatief op een verzoek beslist. Tegen een dergelijke
                            beslissing kan wel bezwaar en beroep worden aangetekend in de zin van de
                            Awb. Dit vergt dus een zorgvuldige afweging en goede motivering door de
                            raad. </al></li><li nr="·"><al>Beslissingen waarvan de raad van mening is dat er andere dan
                            bovengenoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden. Deze
                            algemene uitzonderingsgrond benadrukt en garandeert de
                            beoordelingsvrijheid van de raad. </al></li><li nr="·"><al>Beslissingen waarbij het belang van het referendum niet opweegt tegen de
                            verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in
                            de samenleving. Hoewel het de raad uiteraard vrij staat deze afweging
                            bij zijn besluit te maken ook zonder dit expliciet in de verordening op
                            te nemen, heeft dit criterium toch een zodanig belang dat het vermelding
                            kan verdienen. Enerzijds dwingt dit de raad rekening te houden met het
                            belang van deze groepen, anderzijds geeft een expliciete vermelding deze
                            groepen ook betere rechtsbescherming omdat het een aanwijsbare grond
                            voor bezwaar en beroep vormt. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 Raadsinitiatief</vet></al><al><vet>Artikel 4 Raadsinitiatief</vet> De raad kan zelf het initiatief nemen tot
                    het houden van een referendum. Uiteraard dient bij de beslissing rekening
                    gehouden te worden met het bepaalde in artikel 3 ten aanzien van de
                    onderwerpskeuze. De raad beslist over het houden van een referendum bij gewone
                    meerderheid. Artikel 30 Gemeentewet luidt immers: 'voor het tot stand komen van
                    een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een
                    stem uitbrengen'. <vet>Artikel 5 Kennisgeving</vet> Kiesgerechtigden kunnen een
                    verzoek indienen tot het houden van een referendum. Een referendum biedt de
                    burgers de mogelijkheid aan de noodrem te trekken als hun politieke
                    vertegenwoordigers een besluit dreigen te nemen dat in hun ogen verkeerd is. Het
                    is logisch dat burgers dan ook zelf kunnen beslissen wanneer dit noodzakelijk
                    is. Het zou onjuist zijn wanneer alleen de raad kan bepalen bij welk besluit het
                    moment is aangebroken waarop burgers hun gekozen vertegenwoordigers kunnen
                    'corrigeren'. Het doen van een verzoek aan de raad tot het houden van een
                    referendum bestaat uit een kennisgeving en een definitief verzoek. Het doel van
                    de kennisgeving is dat de Raad direct beslist of een onderwerp referendabel is.
                    Op deze wijze is het voor burgers heel snel duidelijk of het zin heeft om
                    handtekeningen te verzamelen ter ondersteuning van het initiatief. Het voordeel
                    van een kennisgeving is dat dit vlak voor de raadsvergadering (uiterlijk twee
                    dagen) kan worden gedaan en er maar beperkte steun nodig is ( 0,7 % van het
                    aantal kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de leden van de
                    raad). </al><al><vet>Artikelen 6 Definitief verzoek en steunverwerving</vet></al><al><vet>Artikelen 6 Definitief verzoek en steunverwerving</vet> Als de Raad van
                    mening is dat het onderwerp referendabel is, zijn de initiatiefnemers weer aan
                    bod. Zij moeten een verzoek doen tot het houden van een referendum en voldoende
                    ondersteunende handtekeningen verzamelen. Op basis van artikel 4:4 Awb
                    (aanvraagformulier beschikkingen) heeft de gemeente de bevoegdheid om een
                    formulier voor het aanvragen en het verstrekken van gegevens vast te stellen.
                    Het verzoek is te beschouwen als een aanvraag in de zin van de Awb. Bij de
                    controle of er niet is gefraudeerd met de handtekeningen op de lijsten, volstaat
                    een steekproefsgewijze controle. Bij het verzamelen van de handtekening kan
                    worden gekozen voor een 'haal' of een 'brengsysteem'. In deze verordening is
                    gekozen voor een haalsysteem, waarbij het ophalen van de vereiste handtekeningen
                    aan de initiatiefnemers wordt overgelaten. Dit wordt gezien als het meest
                    effectieve systeem om ook daadwerkelijk de benodigde ondersteuning te
                    verkrijgen. De initiatiefnemers kunnen hiervoor immers langs de deuren gaan of
                    een stand innemen op plaatsen waar veel burgers komen. Het alternatief dat
                    kiesgerechtigden hun handtekening dienen te plaatsen in de daarvoor aangewezen
                    plaatsen, zoals bijvoorbeeld het gemeentewinkel, dorpshuizen etc. betekent dat
                    burgers zelf eerst enige moeite moeten ondernemen om steun aan een
                    referendumverzoek te vergeven. Wanneer het definitieve verzoek wordt gedaan door
                    het vereiste aantal burgers, beslist de raad of een referendum zal worden
                    gehouden. Het besluit van de Raad op het definitieve verzoek is een besluit in
                    de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar en beroep open. Binnen zes weken na
                    de dag waarop de Raad een besluit heeft genomen op de kennisgeving (zie artikel
                    5), wordt een verzoek tot het houden van een referendum bij de raad ingediend.
                    De Raad controleert de vormvereisten en de geldigheid van de handtekeningen en
                    de Raad beslist vervolgens of een referendum wordt gehouden. Bij de hoogte van
                    de drempel die wordt gesteld ten aanzien van het verzoek om een referendum moet
                    de hoogte van deze drempel niet te hoog zijn om een verzoek tot referendum
                    onmogelijk te maken, maar wel hoog genoeg om te voorkomen dat een referendum
                    wordt aangevraagd dat te weinig draagvlak vindt onder de bevolking. Gekozen is
                    daarom voor 7 % van het aantal kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing
                    van de leden van de raad. Met deze norm wordt enigszins aangesloten op normen
                    die de inmiddels ingetrokken Tijdelijke referendumwet hanteerde en goede
                    ervaringen van andere gemeenten. </al><al><vet>Artikel 7 Aanhouden beslissing</vet></al><al> Indien een referendum wordt gehouden over een voorgenomen besluit is het
                    ongewenst dat als er een definitief verzoek tot het houden van een referendum
                    wordt ingediend tevens het besluitvormingsproces stil ligt. Het verdient daarom
                    aanbeveling de besluitvorming zo veel mogelijk af te ronden. Alle argumenten
                    zijn dan uitgewisseld, zodat ook het onderwerp en de vraagstelling op een
                    zinnige wijze kunnen worden gepresenteerd. De eindbeslissing wordt na het
                    referendum genomen. Als een referendum wordt gehouden over een reeds genomen
                    besluit, dan wordt de uitvoering opgeschort. Na het referendum kan de raad het
                    besluit heroverwegen (referendum is een nieuw feit) c.q. de uitvoering
                    hervatten. <vet>Artikel 8 Datum</vet> Het vaststellen van de datum waarop het
                    referendum zal worden gehouden is voorbehouden aan de raad. Deze datum kan
                    vallen op een dag waarop tevens andere verkiezingen worden gehouden, maar dat
                    hoeft niet het geval te zijn. Het combineren van verkiezingen kan in sommige
                    gevallen praktisch zijn, omdat de kiesgerechtigden niet twee maal naar de
                    stembus hoeven te komen. Ook kan een combinatie zorgen voor een reductie in de
                    kosten van een referendum. Ook kunnen er meerdere referenda op dezelfde dag
                    plaatsvinden. Er zal dan wel een afzonderlijk kiesregister voor ieder referendum
                    moeten worden bijgehouden en tevens dienen de kiesgerechtigden voor ieder
                    onderwerp een aparte oproepingskaart te krijgen. <vet>Artikel 9
                        Vraagstelling</vet> De raad beslist of, hoe en wanneer een referendum wordt
                    gehouden en stelt ook de vraagstelling, inclusief de antwoordmogelijkheden vast.
                    Daarbij kan hij zich laten adviseren door een commissie. De
                    eindverantwoordelijkheid blijft echter bij de raad berusten. Bij de
                    antwoordmogelijkheden kan het gaan om: </al><lijst><li nr="·"><al>'ja' of 'nee'; </al></li><li nr="·"><al>een keuze uit alternatieven; </al></li><li nr="·"><al>een combinatie van deze twee mogelijkheden. </al></li></lijst><al>Bij voorkeur wordt gewerkt met uitgewerkte alternatieven.</al><al><vet>Artikel 10 Advies en toezicht</vet></al><al> In dit artikel wordt de deelname aan de commissie van leden van de raad , het
                    college en degenen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van deze twee
                    organen uitgesloten. Dit om de onafhankelijkheid van de commissie te
                    benadrukken, </al><al><vet>Artikel 11 Uitvoering</vet></al><al><vet>Artikel 11 Uitvoering</vet> Het feit dat burgemeester en wethouders zijn
                    belast met de uitvoering, volgt uit de Gemeentewet (artikel 162). Het is
                    burgemeester en wethouders toegestaan om een advies- en begeleidingscommissie in
                    te stellen ter coördinatie van de bestuurlijke en ambtelijke werkzaamheden.
                    Burgemeester en wethouders wijzen, zoals ook in de Kieswet wordt bepaald ten
                    aanzien van (raads-)verkiezingen, de stemlokalen aan. In afwijking van de
                    Kieswet mogen zij wel besluiten dat dit er minder kunnen zijn dan bij reguliere
                    verkiezingen. <vet>Artikel 12 Budget</vet> De besteding van het budget kan
                    worden overgelaten aan burgemeester en wethouders aan wie de uitvoering van het
                    raadsbesluit tot het houden van een referendum is opgedragen (artikel 12). Ook
                    kan de raad besluiten dat aan de groep burgers die om het referendum heeft
                    verzocht, een bedrag voor promotiedoeleinden wordt verstrekt. <vet>Artikel 13 De
                        stemming</vet> Voor de procedures rond de stemming kan zoveel mogelijk
                    worden aangesloten bij de gang van zaken rond de raadsverkiezingen. Hierbij
                    wordt, indien mogelijk, aangesloten op moderne wijzen van het </al><al>uitbrengen van stemmen, bijvoorbeeld via internet <vet>Artikel 14 Geldigheid van
                        de uitslag</vet></al><al>Wanneer 30% procent van de kiesgerechtigden zijn stem heeft uitgebracht, wordt
                    de uitslag van het referendum geacht geldig te zijn. Het percentage kan lager
                    zijn dan het gemiddelde opkomstpercentage bij de raadsverkiezingen, maar moet
                    hoog genoeg zijn om een drempel op te werpen. Op deze wijze komen alleen
                    onderwerpen aan bod die door een redelijk deel van de bevolking als van belang
                    worden beschouwd, zonder dat het praktisch onmogelijk zal worden een geldige
                    uitslag te krijgen. </al><al>De uitslag wordt altijd openbaar gemaakt, ongeacht de geldigheid.</al><al><vet>Artikel 15 De beslissing van de raad</vet></al><al> De eerste vergadering nadat de uitslag van het referendum bekend is, moet de
                    raad een besluit nemen over het aangehouden onderwerp, om zo snel mogelijk
                    duidelijkheid te kunnen bieden aan de burgers. Geldigheid van de uitslag wil
                    niet zeggen dat de uitslag ook bindend is voor de raad. Het geeft enkel aan dat
                    aangenomen mag worden dat de uitslag een voldoende draagvlak heeft onder de
                    bevolking. De raad kan zich niet vooraf binden aan de uitslag van het
                    referendum. Wel is het mogelijk dat individuele raadsleden, wanneer zij dat zelf
                    wenselijk achten, vooraf te kennen geven welke consequenties zij aan een uitslag
                    verbinden. Een dergelijke uitspraak is juridisch gezien niet bindend, maar kan
                    wel politieke gevolgen hebben. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>