<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR185785_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen Delft 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">30 mei 2012 Stadskrant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen Delft 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 147 en art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-12-21</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen Delft 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van Delft;</al><al>gezien het voorstel van het college van 6 maart 2012;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is in aanvulling op de Wet Kinderopvang
                        en </al><al>kwaliteitseisen peuterspeelzalen concrete gedragsnormen vast te leggen
                        in een </al><al>verordening, zodat er een grondslag is in voorkomende gevallen voor het </al><al>opleggen van bestuurlijke sancties met het oog op handhaving van de
                        kwaliteit </al><al>van de kinderopvang;gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet, </al><al>Besluit: </al><al>Vast te stellen de volgende </al><al>Verordening kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen Delft </al><al>2012 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder: </al><al>a.wet:</al><al>Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; </al><al>b.dagopvang: </al><al>kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de
                            leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen; </al><al>c.buitenschoolse opvang:</al><al>kinderopvang, verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de
                            leeftijd dat zij naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang
                            wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd, evenals gedurende
                            vrije dagen of middagen en in de schoolvakanties; </al><al>d.groep: </al><al>een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met één of meer
                            beroepskrachten; </al><al>e.stamgroep: </al><al>een vaste groep kinderen in de dagopvang in een passend ingerichte vaste
                            groepsruimte; </al><al>f.peuterspeelzaalgroep: </al><al>een vaste groep kinderen met één of meer beroepskrachten in een passend
                            ingerichte vaste groepsruimte; </al><lijst><li nr="g."><al>stamgroepruimte: de ruimte waarin de kinderen in de dagopvang
                                    het grootste deel van de dag aanwezig zijn; </al></li><li nr="h."><al>basisgroep: </al></li></lijst><al>een vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang in een passend
                            ingerichte ruimte; </al><al>i.risico-inventarisatie: </al><al>de risico-inventarisatie, bedoeld in de artikelen 1.51 en 2.9 van de
                            wet; </al><al>j.vraagouder: </al><al>ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder; </al><al>k.bemiddelingsmedewerker: </al><al>de medewerker die zich bezighoudt met de taken, bedoeld in de artikelen
                            12, 14 en 19 van deze beleidsregels; </al><al>l.opvangadres: </al><al>het woonadres van de gastouder of het woonadres van een van de
                            vraagouders waar de gastouderopvang plaatsvindt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit kindercentra</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van de artikelen 1.49, eerste lid, en 1.50 van de wet
                                beschikt een kindercentrum over een pedagogisch beleidsplan, waarin
                                de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met
                                kinderen is beschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
                                termen ten minste een beschrijving van: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
                                        gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de
                                        ontwikkeling van hun persoonlijke- en sociale ompetentie, en
                                        de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan
                                        kinderen plaatsvindt; </al></li><li nr="b."><al>de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de
                                        stamgroepen; </al></li><li nr="c."><al>de (spel)activiteiten die kinderen buiten de stamgroep
                                        kunnen verrichten; en van </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden
                                        ondersteund door andere volwassenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar nodig wordt in een pedagogisch beleidsplan onderscheid gemaakt
                                tussen dagopvang en buitenschoolse opvang. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder en de personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in
                                de praktijk van dagopvang of buitenschoolse opvang naar het door de
                                houder vastgestelde pedagogisch beleidsplan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan wordt per kindercentrum voor de eerste
                                maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de
                                wet, wordt ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Dagopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, met dien
                                verstande dat in een groep: </al><lijst><li nr="a."><al>in de leeftijd tot één jaar gelijktijdig ten hoogste twaalf
                                        kinderen aanwezig zijn; </al></li><li nr="b."><al>in de leeftijd tot en met drie jaar gelijktijdig ten hoogste
                                        zestien kinderen aanwezig zijn, waaronder ten hoogste acht
                                        kinderen in de leeftijd tot één jaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder deelt de ouder en het kind mee tot welke stamgroep het
                                kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag aan welke groep
                                zijn toegewezen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten
                                toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is
                                in de groep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens
                                aanspreekpunt voor de ouders van het kind. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een kind maakt gedurende de week gebruik van ten hoogste twee
                                verschillende stamgroepruimtes. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vierde lid is niet van toepassing bij speciale activiteiten,
                                beschreven in het pedagogisch beleidsplan. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op kinderen
                                die gebruik maken van opvang op dagen die per week verschillen.
                            </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij dagopvang bedraagt de verhouding tussen het aantal
                                beroepskrachten en het aantal feitelijke aanwezige kinderen ten
                                minste: </al><lijst><li nr="a."><al>één beroepskracht per vier kinderen in de leeftijd tot één
                                        jaar; </al></li><li nr="b."><al>één beroepskracht per vijf kinderen in de leeftijd van één
                                        tot twee jaar;</al></li><li nr="c."><al>één beroepskracht per zes kinderen in de leeftijd van twee
                                        tot drie jaar; </al></li><li nr="d."><al>één beroepskracht per acht kinderen in de leeftijd van drie
                                        tot vier jaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het aantal beroepskrachten, bedoeld in het zevende lid, bij een
                                gemengde leeftijdsgroep wordt bepaald aan de hand van de voor de
                                aanwezige leeftijdscategorieën geldende maximale aantallen kinderen,
                                waarbij aan het eind van de berekening naar boven kan worden
                                afgerond. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien kinderen bij (spel)activiteiten de stamgroep verlaten, is het
                                eerste lid niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren
                                opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het zevende, achtste
                                of negende lid, voor ten hoogste drie uren per dag, met uitzondering
                                van de uren tussen 9.30 en 12.30 uur en 15.00 en 16.30 uur, minder
                                beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de
                                helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het
                                zevende of achtste lid, wordt ingezet. In de periode vóór 9.30 uur
                                en na 16.30 uur kan de in de eerste volzin bedoelde afwijkende inzet
                                van beroepskrachten ten hoogste anderhalf uur aaneengesloten
                                bedragen en in de (pauze)periode tussen 12.30 uur en 15.00 uur, ten
                                hoogste twee uren aaneengesloten en niet langer dan de duur van de
                                middagpauze. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Indien op grond van het tiende lid slechts één beroepskracht in het
                                kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze
                                beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum
                                aanwezig te zijn. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Indien op grond van het zevende of achtste lid slechts één
                                beroepskracht in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de
                                ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in
                                geval van calamiteiten te zijn geregeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Buitenschoolse opvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in groepen, met
                                dien verstande dat een basisgroep uit ten hoogste twintig kinderen
                                bestaat in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het
                                basisonderwijs voor die kinderen eindigt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een basisgroep, voor kinderen in
                                de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs
                                voor die kinderen eindigt, bestaan uit ten hoogste dertig kinderen.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang bedraagt de verhouding tussen het aantal
                                beroepskrachten en het feitelijk aanwezige aantal kinderen ten
                                minste één beroepskracht per tien kinderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van acht jaar
                                tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt
                                in een basisgroep met ten hoogste dertig kinderen, bedraagt de
                                verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het feitelijke
                                aantal aanwezige kinderen, in afwijking van het derde lid, ten
                                minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun
                                werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien kinderen bij (spel)activiteiten de basisgroep verlaten, is
                                het eerste of tweede lid niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen, besteedt de
                                houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan
                                de omgang met de basisgroep. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het derde of vierde lid kunnen voor en na de
                                dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen voor ten
                                hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet,
                                met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal
                                beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen of tijdens de
                                schoolvakanties kan, indien per dag ten minste tien aaneengesloten
                                uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de vorige volzin
                                bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur
                                bedragen, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal
                                op grond van het derde of vierde lid vereiste beroepskrachten wordt
                                ingezet en de afwijkende inzet niet plaatsvindt tussen 9.30 uur en
                                12.30 uur en 15.00 uur en 16.30 uur. Artikel 3, tiende lid, tweede
                                volzin, is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien op grond van het zevende lid slechts één beroepskracht in het
                                kindercentrum wordt ingezet, dient ter ondersteuning van deze
                                beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum
                                aanwezig te zijn. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien ingevolge het derde of vierde lid slechts één beroepskracht
                                in een kindercentrum aanwezig is, dan dient de ondersteuning van
                                deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van
                                calamiteiten te zijn geregeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verblijfruimten voor kinderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij dagopvang beschikt elke stamgroep over afzonderlijke vaste
                                groepsruimte van per kind minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte passend
                                ingerichte speelruimte, daaronder mede begrepen passend voor
                                spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de buitenschoolse opvang is per kind ten minste 3,5 m2
                                bruto-oppervlakte passend ingerichte (speel)ruimte beschikbaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                                leeftijd van de op te vangen kinderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Slaapruimten voor kinderen</titel></kop><al>Een kindercentrum, waar dagopvang wordt geboden, beschikt voor kinderen
                            tot de leeftijd van 1,5 jaar over op het aantal kinderen afgestemde
                            afzonderlijke slaapruimte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Buitenspeelterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende, voor
                                kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de
                                kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de
                                oppervlakte ten minste 3 m2 bruto-oppervlakte speelruimte per
                                aanwezig kind bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor
                                kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de
                                kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur
                                aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte ten minste
                                3 m2 bruto oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt. In
                                het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen
                                in de directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen
                                toegankelijk en veilig bereikbaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inhoud risico-inventarisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een risico-inventarisatie als bedoeld in artikel 1.51 van de wet
                                bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's
                                        die de opvang van kinderen in alle voor kinderen
                                        toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede
                                        begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt; </al></li><li nr="b."><al>een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen
                                        en binnen welke termijn deze maatregelen zijn
                                        respectievelijk worden genomen in verband de onder a
                                        bedoelde risico's en de samenhang daartussen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a,
                                beschrijft op het terrein van de veiligheid van kinderen in ieder
                                geval de risico's ten aanzien van verbranding, vergiftiging,
                                verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen,
                                stoten, steken en snijden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beschrijving van de risico's, bedoeld in het eerste lid, onder a,
                                beschrijft op het terrein van gezondheid van kinderen in ieder geval
                                de risico's ten aanzien van het voorkomen van ziektekiemen, het
                                binnenmilieu in een kindercentrum, het buitenmilieu bij een
                                kindercentrum en medisch handelen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een risico-inventarisatie ten aanzien van de veiligheid van de op te
                                vangen kinderen bevat tevens een lijst van ongevallen waarop de aard
                                en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop
                                het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd, alsmede een
                                overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk
                                ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder zorgt er voor dat personen werkzaam bij een kindercentrum
                                kennis kunnen nemen van de voor dat centrum vastgestelde
                                risico-inventarisatie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De houder stelt voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de
                                wet, wordt ingediend en daarna jaarlijks voor elk door hem
                                geëxploiteerd kindercentrum een risico-inventarisatie op.
                                Onverminderd de eerste volzin stelt de houder een
                                risico-inventarisatie op ingeval van een ingrijpende verbouwing of
                                gewijzigd gebruik van een door hem geëxploiteerd kindercentrum.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende
                                beroepskwalificatie overeenkomstig de collectieve
                                arbeidsovereenkomst kinderopvang. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inzet van beroepskrachten in opleiding geschiedt overeenkomstig
                                de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomst kinderopvang.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wet zijn in
                                het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens
                                de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de
                                justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag of
                                afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
                                voor zover zij als houder, als bestuurder, als stagiair, als
                                werknemer krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
                                eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of als
                                vrijwilliger structureel werkzaam bij een kindercentrum zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij
                                een kindercentrum werkzaam is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de
                                verplichting van artikel 1.50, derde lid, van de wet de eerste maal
                                voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een kindercentrum
                                aanvangt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is
                                geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan
                                drie maanden worden ingezet bij een kindercentrum, in het bezit zijn
                                van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat voor
                                hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring is
                                aangevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a.</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder hanteert voor elk door hem geëxploiteerd kindercentrum
                                    een meldcode kindermishandeling. In deze meldcode is opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al>een definitie van kindermishandeling als bedoeld in de
                                            Wet op de Jeugdzorg; </al></li><li nr="b."><al>een duidelijke uitsplitsing van verantwoordelijkheden
                                            per organisatielaag in taken en bevoegdheden; </al></li><li nr="c."><al>een duidelijk stappenplan dat ten minste ingaat op de te
                                            onderscheiden stappen vermoeden, overleg, plan van
                                            aanpak, beslissen, handelen, evaluatie, nazorg en dat is
                                            voorzien van een heldere toelichting en een tijdslijn;
                                        </al></li><li nr="d."><al>aandachtspunten voor de gesprekvoering met verschillende
                                            partijen en hulpmiddelen voor het doorlopen van het
                                            stappenplan; </al></li><li nr="e."><al>een lijst van signalen per ontwikkelingsgebied
                                            uitgesplitst voor kinderen in de leeftijd tot vier jaar
                                            en kinderen in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd
                                            waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt;
                                        </al></li><li nr="f."><al>praktische informatie over de Bureaus Jeugdzorg en het
                                            Advies &amp; Meldpunt Kindermishandeling (AMK). </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de meldcode wordt aandacht besteed aan: </al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijke situatie waarin een beroepskracht of een
                                            andere, bij het kindercentrum werkzame, persoon de
                                            vermoedelijke dader is; </al></li><li nr="b."><al>de omgang met de Wet bescherming persoonsgegevens. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De houder zorgt ervoor dat de beroepskrachten op de hoogte zijn
                                    van de meldcode kindermishandeling. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Kwaliteit gastouderbureaus en gastouderopvang</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet beschikt een
                                gastouderbureau over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat
                                gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is
                                beschreven. Het pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal
                                vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45 van de wet,
                                wordt ingediend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
                                termen ten minste een beschrijving van: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
                                        gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de
                                        ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en
                                        de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan
                                        kinderen plaatsvindt; </al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het aantal kinderen dat door een
                                        gastouder wordt opgevangen, met dien verstande, dat een
                                        gastouder ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder
                                        begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar;
                                    </al></li><li nr="c."><al>de eisen die aan de opvangadres worden gesteld, welke in elk
                                        geval overeenkomen met de eisen, bedoeld in artikel 17.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onder c, bedoelde eisen worden jaarlijks door
                                de houder getoetst op naleving tijdens een bezoek op het
                                opvangadres. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het gastouderbureau informeert de vraagouder over de inhoud van het
                                pedagogisch beleidsplan, bedoeld in het eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Risico-inventarisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van artikel 1.49, derde lid, van de wet voert de
                                houder van een gastouderbureau een beleid dat ertoe leidt dat de
                                veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het
                                opvangadres door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau legt voordat de aanvraag, bedoeld
                                in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend en daarna jaarlijks in
                                een risico-inventarisatie vast welke veiligheids-en
                                gezondheidsrisico’s de opvang van kinderen in alle voor kinderen
                                toegankelijke ruimtes met zich meebrengt. Dit gebeurt samen met de
                                gastouder. Daartoe draagt de houder van een gastouderbureau er zorg
                                voor dat elke ruimte op het opvangadres ten minste één keer per jaar
                                wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het
                                gastouderbureau. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De administratie van het gastouderbureau bevat een door de
                                bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekend origineel van de
                                risico-inventarisatie, bedoeld in het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het opvangadres wordt door de houder van een gastouderbureau in
                                een samen met de gastouder opgesteld plan van aanpak aangegeven
                                welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden
                                genomen in verband met de in het tweede lid bedoelde risico’s.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De risico-inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, is tevens
                                inzichtelijk voor de vraagouders. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op
                                de in het tweede lid bedoelde risico-inventarisatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kwaliteit gastouderbureaus</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per
                                gastouder wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep kinderen
                                die wordt opgevangen, bedoeld in artikel 18 verantwoord is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten
                                gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan
                                begeleiding en bemiddeling. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, vijfde lid; </al></li><li nr="b."><al>Werving van de gastouder; </al></li><li nr="c."><al>Het intakegesprek, bedoeld in artikel 14, eerste lid; </al></li><li nr="d."><al>Scholing en begeleiding van de gastouder; </al></li><li nr="e."><al>Het begeleiden van de GGD-toetsing; </al></li><li nr="f."><al>De koppeling van gastouder en vraagouder; </al></li><li nr="g."><al>Het koppelingsgesprek, bedoeld in artikel 14, tweede lid;
                                    </al></li><li nr="h."><al>Het evaluatiegesprek, bedoeld in artikel 14, vierde lid;
                                    </al></li><li nr="i."><al>Vraagbaak voor gastouders; </al></li><li nr="j."><al>De bezoeken, bedoeld in artikel 14, zesde lid;
                                        Interne/externe opleiding/training; en </al></li><li nr="k."><al>Intern en extern overleg op het gebied van begeleiding en
                                        bemiddeling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat het
                                gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraag- en de gastouder en
                                informeert deze hierover. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, gelden de
                                eisen voortvloeiende uit artikel 1.56, derde lid, van de wet de
                                eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een
                                gastouderbureau aanvangt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Stagiaires dienen in het bezit te zijn van een verklaring omtrent
                                het gedrag als bedoeld in artikel 10. In afwijking hiervan geldt tot
                                1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan drie maanden worden
                                ingezet bij een gastouderbureau, in het bezit zijn van een
                                dergelijke verklaring, dan wel dat voor hen bij aanvang van de
                                stageperiode een dergelijke verklaring is aangevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Gesprekken gastouderbureau</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een intakegesprek met de
                                gastouder plaatsvindt op het opvangadres. De intake bij gastouder
                                wordt persoonlijk uitgevoerd door de bemiddelingsmedewerker van het
                                gastouderbureau. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau draagt er zorgt voor dat een
                                koppelingsgesprek plaatsvindt bij elke nieuwe koppeling tussen een
                                vraag- en een gastouder. Het koppelingsgesprek vindt plaats op het
                                opvangadres door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het
                                gastouderbureau. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat tenminste jaarlijks een
                                voortgangsgesprek met de gastouder op het opvangadres plaatsvindt.
                                Dit gesprek wordt gevoerd door de bemiddelingsmedewerker. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat jaarlijks
                                mondeling de gastouderopvang met de vraagouders wordt geëvalueerd en
                                legt deze schriftelijk vast. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat een
                                intakegesprek met de vraagouder plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat een
                                bemiddelingsmedewerker in ieder geval twee maal per jaar het
                                opvangadres bezoekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><al>Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                            voor ‘een </al><al>beroepskracht of een andere, bij het kindercentrum werkzame persoon’
                            wordt </al><al>gelezen: een persoon, werkzaam bij het gastouderbureau, een gastouder of
                            een </al><al>volwassen huisgenoot van de gastouder. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteit gastouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Kwaliteitseisen gastouder</titel></kop><al>De gastouder voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: </al><lijst><li nr="a."><al>goed telefonisch bereikbaar; </al></li><li nr="b."><al>een goede achterwachtregeling bij de opvang van meer dan drie
                                    aanwezige kinderen. Deze achterwacht is beschikbaar en bij
                                    calamiteiten binnen aanrijtijd van een ambulance bij het
                                    opvangadres aanwezig. Deze persoon is tijdens opvangtijden
                                    altijd telefonisch bereikbaar; </al></li><li nr="c."><al>handelt in de praktijk naar het door de houder van het
                                    gastouderbureau vastgesteld pedagogisch beleidsplan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Eisen aan het opvangadres</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het opvangadres: </al><lijst><li nr="a."><al>beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen,
                                        waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van 1,5
                                        jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke
                                        slaapruimte; </al></li><li nr="b."><al>beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd
                                        op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen;
                                        en </al></li><li nr="c."><al>is voorzien van voldoende en goed functionerende rookmelders
                                        conform de eisen uit het Bouwbesluit 2003. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gehele woning waar de opvang plaatsvindt is te allen tijde
                                rookvrij. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aantal op te vangen kinderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een gastouder worden maximaal vijf kinderen gelijktijdig
                                opgevangen, als de kinderen (op te vangen én eigen kinderen)
                                allemaal jonger zijn dan 4 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen gelijktijdig
                                opgevangen, als de op te vangen kinderen in de leeftijd van 0 tot 13
                                jaar zijn. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen maximaal 4
                                kinderen van 0 en 1 jaar aanwezig zijn, waarvan maximaal 2 kinderen
                                van 0 jaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Risico- inventarisatie opvanglocatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een originele door de bemiddelingsmedewerker en de
                                    gastouder ondertekende versie van de in artikel 12 bedoelde
                                    risico-inventarisatie aanwezig op het opvangadres. Deze
                                    risico-inventarisatie is beschikbaar vóór aanvang van de opvang
                                    en wordt daarna jaarlijks opnieuw opgesteld. Deze
                                    risico-inventarisatie is in samenwerking met een
                                    bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau opgesteld. </al></li><li nr="2."><al>Ter uitvoering van artikel 1.49, tweede lid, van de wet voert de
                                    gastouder een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
                                    gezondheid van de op te vangen kinderen op het opvangadres door
                                    de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd. </al></li><li nr="3."><al>De gastouder draagt er zorg voor dat de maatregelen ten aanzien
                                    van het opvangadres, bedoeld in artikel 17 binnen de gestelde
                                    termijn zijn, respectievelijk worden genomen in verband met de
                                    in artikel 12, tweede lid, bedoelde risico’s. </al></li><li nr="4."><al>Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing op de in het tweede lid bedoelde
                                    risico-inventarisatie. </al></li><li nr="5."><al>Er is een lijst van ongevallen waarop de aard en plaats van het
                                    ongeval, de leeftijd van het kind, de datum waarop het ongeval
                                    zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd. Alsmede een overzicht
                                    van de maatregelen die de gastouder naar aanleiding van elk
                                    ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
                                </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteit peuterspeelzalen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter uitvoering van de artikelen 2.5, 2.6 en 2.9 van de wet beschikt
                                een houder van een peuterspeelzaal over een pedagogisch beleidsplan
                                waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang
                                met kinderen is beschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare
                                termen ten minste een beschrijving van: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt
                                        gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de
                                        ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en
                                        de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan
                                        kinderen plaatsvindt; </al></li><li nr="b."><al>de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de
                                        peuterspeelzaalgroep; </al></li><li nr="c."><al>de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun
                                        peuterspeelzaalgroep dan wel de peuterspeelzaalgroepsruimte
                                        verlaten; </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij
                                        hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door
                                        andere niet structureel ingezette personen; </al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er
                                        slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is
                                        op de locatie; </al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal
                                        bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere
                                        problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende
                                        instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden,
                                        en</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal
                                        worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij
                                        daarbij worden ondersteund. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij een
                                peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het
                                pedagogisch beleidsplan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een pedagogisch beleidsplan wordt per peuterspeelzaal voor de eerste
                                maal vastgesteld voordat de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste
                                lid, van de wet, wordt ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Achterwachtregeling</titel></kop><al>Elke houder van een peuterspeelzaal heeft een achterwachtregeling. Deze
                            houdt in dat zodra er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal
                            aanwezig is op het moment dat er kinderen aanwezig zijn in de
                            peuterspeelzaal, er een volwassen achterwacht beschikbaar is, die in
                            geval van calamiteiten binnen ambulance-aanrijtijden in de
                            peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De houder van een peuterspeelzaal
                            maakt inzichtelijk wie deze persoon is en waar deze telefonisch te
                            bereiken is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op peuterspeelzalen, met
                            dien verstande dat voor ‘artikel 1.51’ wordt gelezen: artikel 2.9 van de
                            wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Aantal kinderen en omvang van de peuterspeelzaalgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een peuterspeelzaal vindt de opvang plaats in groepen, met dien
                                verstande dat in een peuterspeelzaalgroep ten hoogste zestien
                                kinderen gelijktijdig aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een peuterspeelzaal deelt de ouder en het kind mee tot
                                welke peuterspeelzaalgroep het kind behoort en welke beroepskrachten
                                op welke dag voor welke peuterspeelzaalgroep verantwoordelijk zijn
                                en welke vrijwilligers op deze dag aanwezig zijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten in een
                                peuterspeelzaal toegewezen, waarvan per dag ten minste één
                                beroepskracht in een peuterspeelzaal werkzaam is in de
                                peuterspeelzaalgroep van dat kind. Deze beroepskrachten zijn tevens
                                aanspreekpunt voor de ouders van het kind. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een peuterspeelzaalgroep is ten minste één beroepskracht
                                aanwezig. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij werk in een peuterspeelzaalgroep met meer dan acht feitelijk
                                aanwezige kinderen, doch ten hoogste zestien feitelijk aanwezige
                                kinderen, zijn er twee beroepskrachten of een beroepskracht en een
                                vrijwilliger aanwezig. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Beroepskrachten in een peuterspeelzaal beschikken over een voor de
                                werkzaamheden passende beroepskwalificatie overeenkomstig de
                                collectieve arbeidsovereenkomst Welzijn en Maatschappelijke
                                Dienstverlening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een peuterspeelzaal informeert ouders over het aantal,
                                de inzet en de opleiding van het personeel voor zover de ouder dat
                                nodig heeft om een goede keuze te kunnen maken voor een
                                peuterspeelzaal. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet zijn in
                                het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens
                                de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of de Wet op de
                                justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag,
                                voor zover zij als houder van een peuterspeelzaal, als bestuurder,
                                als stagiair, als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst
                                als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het
                                Burgerlijk Wetboek of als vrijwilliger structureel in de
                                peuterspeelzaal werkzaam zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij
                                een peuterspeelzaal werkzaam is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de
                                verplichting van artikel 2.6, derde lid, van de wet de eerste maal
                                voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een peuterspeelzaal
                                aanvangt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen omtrent stagiaires in het eerste lid is
                                geregeld geldt tot 1 juli 2012 dat alleen stagiaires die langer dan
                                drie maanden worden ingezet bij een peuterspeelzaal, in het bezit
                                zijn van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat
                                voor hen bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring
                                is aangevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><al>Artikel 10a is van overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Vrijwilligersbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er vrijwilligers op de peuterspeelzaal werkzaam zijn, voert
                                de houder van een peuterspeelzaal vrijwilligersbeleid, dat tot
                                uitdrukking komt in een beleidsplan. In dit beleidsplan staan in
                                ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de minimumeisen waar een op de peuterspeelzaal werkzame
                                        vrijwilliger aan dient te voldoen; </al></li><li nr="b."><al>de afspraken die de houder van een peuterspeelzaal met
                                        vrijwilligers maakt, en </al></li><li nr="c."><al>de taakomschrijvingen waarin wordt omschreven welke bijdrage
                                        aan het werk in de peuterspeelzaal van de vrijwilligers
                                        wordt verwacht en op welke wijze deze samenhangt met het
                                        pedagogisch beleid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er vrijwilligers op een peuterspeelzaal werkzaam zijn, draagt
                                de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat deze
                                vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 30.03.2012 en werkt terug tot en
                            met 21 december 2011. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitseisen
                            kinderopvang en peuterspeelzalen Delft 2012. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 april
                        2012.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>R.H. van Luyk ,griffier.</ondertekening><ondertekening>Bekendgemaakt 30 mei 2012.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al/><al>De kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk moet goed
                            zijn geregeld. Dat is in de eerste plaats nodig voor kinderen. De
                            periode waarin kinderen worden opgevangen in een kindercentrum,
                            peuterspeelzaal of – door tussenkomst van een gastouderbureau – door een
                            gastouder vindt plaats tijdens de belangrijkste ontwikkelingsfase in hun
                            leven. Maar ook degenen die (voornemens zijn) een kindercentrum,
                            gastouderbureau of peuterspeelzaal (te gaan) exploiteren hebben baat bij
                            duidelijke en herkenbare regels. Regels die tegelijkertijd voldoende
                            flexibel zijn om verantwoord te ondernemen. Goede kwaliteitsregels
                            hebben ten slotte een maatschappelijk belang. De kwaliteitsregels worden
                            sinds de invoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen (2005) vastgelegd in beleidsregels. Deze beleidsregels
                            geven een nadere uitleg aan een aantal globale kwaliteitsnormen van de
                            wet. De beleidsregels komen in beginsel tot stand op basis van een
                            convenant tussen organisaties van afnemers en aanbieders van
                            kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. De daarin vastgelegde afspraken
                            zijn basiseisen voor kwaliteit; het staat individuele
                            kinderopvangondernemers uiteraard vrij daarin verder te gaan. </al><al>Deze beleidsregels zijn geschreven voor houders van kindercentra,
                            peuterspeelzalen, gastouderbureaus en gastouders om hen duidelijkheid te
                            bieden op welke wijze in de praktijk aan een aantal kwaliteitsnormen van
                            de wet dient te worden voldaan. </al><al>Deze beleidsregels zijn tevens bedoeld als houvast voor het
                            (eerstelijns) toezicht door het college van burgemeester en wethouders,
                            uitgevoerd door de GGD. Tenslotte bieden deze beleidsregels ook ouders
                            duidelijkheid over wat zij ten minste mogen verwachten aan
                            basiskwaliteit bij een kindercentrum, peuterspeelzaal, gastouderbureau
                            of gastouder. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al/><al>Uit de aanhef van artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen blijkt dat de in die wet al gedefinieerde begrippen ook
                            voor de toepassing van deze regeling gelden. Zij hoeven dus niet opnieuw
                            in deze regeling gedefinieerd te worden. </al><al>Dagopvang (onder b) wordt verzorgd door een kindercentrum en heeft
                            betrekking op de opvang van kinderen tot de leeftijd waarop zij het
                            basisonderwijs volgen. Onder dagopvang wordt hele of halve dagopvang
                            begrepen. Aangezien in de begripsomschrijving geen begrenzing gedurende
                            de dag is aangebracht, valt tevens 24-uurs opvang (opvang zowel overdag
                            als ’s avonds of ’s nachts) onder de reikwijdte van deze regeling. </al><al>Buitenschoolse opvang wordt verzorgd door een kindercentrum en kan
                            bestaan uit voorschoolse opvang, naschoolse opvang en opvang tijdens de
                            schoolvakanties of een combinatie van beiden (onder c). </al><al>In de omschrijving van een stamgroep (onder e) wordt gesproken over een
                            vaste groep kinderen in een passend ingerichte vaste groepsruimte. Onder
                            passend ingericht wordt begrepen: in overeenstemming met het aantal en
                            de leeftijd van de op te vangen kinderen. Dat houdt in dat de inrichting
                            van de ruimte een structureel karakter heeft en geschikt voor meerdere
                            activiteiten die voor de betreffende leeftijdsgroep geschikt zijn.
                            Passend wil ook zeggen dat de inrichting veilig moet zijn. In onderdeel
                            g wordt de stamgroepruimte als vaste groepsruimte omschreven als de
                            ruimte waar de kinderen in de dagopvang het grootste deel van de dag
                            verblijven. </al><al/><al><vet>KWALITEIT KINDERCENTRA</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Pedagogische beleidsplan</titel></kop><al/><al>Deze bepaling geeft aan dat een kindercentrum dient te beschikken over
                            een pedagogisch beleidsplan. Het pedagogisch beleidsplan wordt voor de
                            eerste maal vastgesteld voordat een aanvraag tot registratie wordt
                            ingediend. Het pedagogische beleidsplan is een belangrijke toetssteen
                            voor ouders. Het pedagogische beleid dient te leiden tot verantwoorde
                            kinderopvang, dat wil zeggen kinderopvang waarbij sprake is van de
                            volgende vier competenties (tweede lid, onder a): </al><al>1) het bieden van voldoende veiligheid voor het kind; </al><al>2) het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om
                            persoonlijke competentie te ontwikkelen; </al><al>3) het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het
                            ontwikkelen van sociale competentie; </al><al>4) overdracht van normen en waarden. </al><al>Vanaf het moment dat de oudercommissie is ingesteld worden deze
                            competenties in overleg met de oudercommissie in een pedagogisch
                            beleidsplan verder uitgewerkt (verwezen zij naar artikel 1.60, eerste
                            lid, onder a, van de wet). </al><al>Aangezien ouders ook moeten weten in welke stamgroep hun kind zit en
                            welke leidsters bij welke groep horen, bevat het beleidsplan tevens de
                            werkwijze, samenstelling en de maximale omvang van de stamgroepen
                            (tweede lid, onder b). Een belangrijk onderdeel van de pedagogische
                            praktijk daarbij is de wijze waarop beroepskrachten met de kinderen
                            omgaan, oftewel de interactie tussen beroepskracht en kind. Hierbij
                            wordt aandacht besteed aan de fysieke omgeving waar de kinderen worden
                            opgevangen, groepsprocessen, het activiteitenaanbod en het gebruik van
                            spelmateriaal. Verder geeft een pedagogisch beleidsplan aan op welke
                            wijze het zogenaamde opendeuren-beleid wordt gevoerd. In dat geval maken
                            kinderen gebruik van verschillende ruimtes en verlaten hun stamgroep
                            (tweede lid, onder c). Het tweede lid, onder d heeft betrekking op de
                            beschrijving van de wijze waarop beroepskrachten worden ondersteund door
                            andere volwassenen in situaties, zoals geschreven in artikel 3, elfde en
                            twaalfde lid, artikel 4, achtste en negende lid en artikel 21. </al><al>Het ligt in de rede dat het pedagogische beleid een vertaling krijgt per
                            locatie. In ieder geval wordt het beleidsplan, waar nodig, uitgewerkt
                            naar de soorten kinderopvang die de houder aanbiedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Dagopvang</titel></kop><al>Er moeten duidelijke regels zijn voor het aantal kinderen dat een
                            beroepskracht ten hoogste mag opvangen; het gaat dan om het aantal
                            gelijktijdig aanwezige kinderen. Voor de jongste groep kinderen (0 tot 4
                            jaar) is het belangrijk dat de opvang plaats vindt in een vertrouwde
                            eigen ruimte en met dezelfde groep kinderen en vaste beroepskrachten.
                            Het uitgangspunt van dit artikel is: verantwoorde kinderopvang met vaste
                            groepen in een eigen ruimte (stamgroepen), maar een zogenaamd
                            opendeuren-beleid moet mogelijk zijn. Dat laatste betekent dat kinderen
                            de eigen groep gedurende de dag kunnen verlaten op een wijze zoals is
                            omschreven in het pedagogisch beleidsplan. </al><al>Kinderen komen vaak op verschillende dagen en veel beroepskrachten
                            werken parttime. Daardoor zijn niet elke dag dezelfde kinderen en
                            dezelfde beroepskrachten aanwezig. Teneinde de continuïteit voor de
                            kinderen te waarborgen deelt het kindercentrum ouders en kinderen mee in
                            welke stamgroep het kind zit en welke beroepskrachten op welke dag bij
                            welke groep horen (tweede lid). Op die wijze wordt bewerkstelligd dat
                            een kind bijvoorbeeld iedere maandag altijd in dezelfde groep kinderen
                            met dezelfde beroepskrachten verblijft. </al><al>De onderhavige bepaling geldt voor structurele roosters, behoudens
                            ziekte, verlof en vakantie. </al><al>Het derde lid bepaalt dat een kind niet meer dan drie vaste
                            beroepskrachten krijgt toegewezen. Op de dagen waarop het kind aanwezig
                            is, is dus tenminste een van deze drie beroepskrachten werkzaam.
                            Uiteraard kunnen naast de vaste beroepskrachten ook andere
                            beroepskrachten worden ingezet, waardoor op een bepaald moment
                            bijvoorbeeld vier beroepskrachten worden ingezet. Er worden drie vaste
                            beroepskrachten toegewezen in de situaties dat er in groepen met twee
                            beroepskrachten tegelijk wordt gewerkt. Indien er in grotere groepen met
                            drie beroepskrachten tegelijk wordt gewerkt, worden er maximaal vier
                            vaste beroepskrachten toegewezen aan een kind. </al><al>Het vierde lid schrijft voor dat een kind gedurende de week in de regel
                            gebruik maakt van ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes. Een
                            stamgroepruimte is een ruimte waar het kind het grootste deel van de dag
                            aanwezig is (artikel 1, eerste lid, onder g). Deze bepaling geldt niet
                            in geval van speciale activiteiten die zijn omschreven in het
                            pedagogisch beleidsplan (vijfde lid). </al><al>In het zesde lid is geregeld dat de bepalingen met betrekking tot vaste
                            beroepskrachten en (vaste) stamgroepruimtes niet van toepassing zijn op
                            kinderen die gebruik maken van een zogenoemd flexibel aanbod, dat wil
                            zeggen, dat de dagen waarop deze kinderen komen per week verschillen.
                            Welke kinderen dat zijn, moet blijken uit het contract tussen de houder
                            en de ouders van het kind. </al><al>Bij de berekening van het maximale aantal kinderen in een groep en het
                            minimaal vereiste aantal beroepskrachten, wordt bij groepen,
                            samengesteld uit kinderen van verschillende leeftijden, een vaste
                            volgorde aangehouden (achtste lid). De eerste stap daarbij is dat het
                            maximale aantal kinderen per leeftijdscategorie wordt berekend,
                            bijvoorbeeld maximaal vier baby’s (‘0-jarigen’) per beroepskracht. De
                            tweede stap is vervolgens de berekening van het resterende aantal
                            kinderen en de daarbij behorende maxima. </al><al>Het tiende lid biedt houders van kindercentra die dagopvang van ten
                            minste tien aaneengesloten uren per dag bieden, de mogelijkheid
                            gedurende ten hoogste drie uur per dag (niet aaneengesloten) minder
                            beroepskrachten in te zetten dan op grond van het zevende, achtste of
                            negende lid, is voorgeschreven. Aan de inzet van minder beroepskrachten
                            zit een grens. Ten minste de helft van het aantal beroepskrachten
                            vereist op grond van het zevende of achtste lid dient gedurende deze
                            drie uur ingezet te worden. Houders van kindercentra kunnen deze drie
                            uur naar eigen inzicht over de dag verdelen binnen de aangegeven
                            periodes gedurende de dag. Thans is expliciet bepaald dat de verminderde
                            inzet van beroepskrachten niet plaatsvindt tussen 9.30 en 12.30 uur en
                            tussen 15.00 en 16.30 uur. Vóór 9.30 uur en na 16.30 uur mag de
                            afwijking van het maximaal aantal kinderen per beroepskracht (de
                            zogenoemde beroepskracht-kind-ratio) niet langer duren dan anderhalf uur
                            aaneengesloten en in de pauzeperiode tussen 12.30 en 15.00 uur niet
                            langer dan twee uur aaneengesloten. Hoewel in de pauzeperiode een
                            afwijking van de beroepskracht-kind-ratio is toegestaan van maximaal
                            twee aaneengesloten uren, geldt dat, indien een beroepskracht een pauze
                            heeft van 13.00 tot 14.00 uur deze afwijkingsregel alleen geldt voor dat
                            uur en niet voor de volledige periode van 12.30 tot 15.00 uur. </al><al>Voor kindercentra met een beperkt aantal openingsuren, bijvoorbeeld
                            halve dagopvang of opvang gedurende acht uur per dag, is er geen
                            roostertechnische noodzaak tot afwijking van de beroepskracht-kind-ratio
                            met drie uren per dag, maar kan de tijdsduur van deze afwijking beperkt
                            worden tot bijvoorbeeld de tijd dat de beroepskrachten pauze hebben. </al><al>Wanneer tijdens de toegestane perioden met minder beroepskrachten
                            slechts één beroepskracht in het kindercentrum wordt ingezet, dient
                            ingevolge het elfde lid ten minste een volwassene ter ondersteuning van
                            deze beroepskracht aanwezig te zijn. </al><al>Indien een beroepskracht conform de beroepskracht-kind-ratio alleen op
                            een kindercentrum aanwezig is, bijvoorbeeld bij een klein kindercentrum,
                            dan dient een achterwachtfunctie geregeld te zijn (twaalfde lid). Het
                            gaat daarbij om een andere volwassene die in geval van calamiteiten,
                            waarbij de veiligheid van de opgevangen kinderen in het geding is,
                            beschikbaar is. De houder van het kindercentrum beschrijft in het
                            pedagogisch beleidsplan hoe hij deze achterwachtfunctie heeft
                            vormgegeven (verwezen zij naar artikel 2, tweede lid, onder d). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Buitenschoolse opvang</titel></kop><al>Voor de buitenschoolse opvang gelden minder stringente normen dan voor
                            de dagopvang. Bovendien wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderen
                            van vier tot acht en van acht tot twaalf jaar. Buitenschoolse opvang
                            vindt plaats in groepen van ten hoogste twintig kinderen (eerste lid).
                            De verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal feitelijk
                            aanwezige kinderen bedraagt één beroepskracht per tien kinderen (derde
                            lid). Het gaat hier om kinderen in de leeftijd vanaf vier jaar tot de
                            leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. In
                            afwijking hiervan kunnen 8 tot 12-jarige kinderen in groepen van ten
                            hoogste dertig kinderen worden opgevangen (tweede lid), waarbij de inzet
                            van een extra beroepskracht of andere volwassene vereist is (vierde
                            lid). </al><al>In het zesde lid is geregeld dat bij groepen met meer dan dertig
                            kinderen, extra aandacht in het pedagogisch beleidsplan wordt besteed
                            aan de omgang met de basisgroep. </al><al>Evenals bij dagopvang bestaat bij buitenschoolse opvang de mogelijkheid
                            om op dagen dat de opvang tenminste tien uur aaneengesloten wordt
                            aangeboden, op bepaalde tijden en gedurende een bepaald aantal uren
                            minder beroepskrachten in te zetten dan volgens de zogenoemde
                            beroepskracht-kind-ratio is vereist (zevende lid). Net zoals bij
                            dagopvang is de verminderde inzet van beroepskrachten gedurende de dag
                            gekoppeld aan te onderscheiden perioden. In de bepaling is, analoog aan
                            de afwijkingsregeling voor dagopvang, geregeld dat de afwijkende inzet
                            niet plaatsvindt tussen 9.30 en 12.30 uur en tussen 15.00 en 16.30 uur.
                            vóór 9.30 uur en na 16.30 uur mag de afwijking van de zogenoemde
                            beroepskracht-kind-ratio niet langer duren dan anderhalf uur
                            aaneengesloten en tijdens de voor dat kindercentrum gebruikelijke
                            middagpauze gedurende niet langer dan twee uur aaneengesloten. Voor een
                            toelichting op het achtste en negende lid zij verwezen naar de
                            toelichting op artikel 3. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verblijfruimten voor kinderen</titel></kop><al>Huisvesting is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. In dit artikel
                            wordt bepaald dat voor elk kind minimaal 3,5 m2 bruto oppervlak
                            speelruimte in de groepsruimte aanwezig is. Speelruimtes dienen passend
                            te zijn ingericht voor spelen en rusten. Bij de inrichting van de
                            binnenspeelruimte dient verder rekening te worden gehouden met het
                            aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt en met de leeftijd van
                            de kinderen. ‘Voor elk kind’ betekent dat ieder kind ook daadwerkelijk
                            over minimaal 3,5 m2 bruto speelruimte kan beschikken. Het gaat daarbij
                            om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar zijn in de
                            groepsruimtes. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de
                            ruimtes waar de kinderen spelen. Indien andere ruimten als speelruimte
                            zijn ingericht, dan wordt deze ruimte evenredig toebedeeld aan de
                            groepsruimte. Dit betekent bijvoorbeeld een speelhal, die door meerdere
                            groepen wordt gebruikt, kan worden meegerekend. De bruto oppervlakte van
                            de speelhal wordt in dat geval gedeeld door het aantal groepen en dit
                            wordt opgeteld bij de oppervlakte van de groepsruimte. Dat betekent dat
                            de in die ruimte aanwezige kasten, stoelen, tafels en verwarmingen niet
                            worden afgetrokken van de bruto oppervlakte. Slaapkamers kunnen alleen
                            dan worden meegerekend indien deze ruimtes ook daadwerkelijk als
                            speelruimte wordt gebruikt (dus niet een vaste slaapkamer met vaste
                            bedden, maar wel een slaapruimte met stretchers die na het slapen van de
                            kinderen kunnen worden verwijderd). </al><al>In het tweede lid wordt voor kinderen in de buitenschoolse opvang een
                            concrete norm met betrekking tot passend ingerichte (speel)ruimte
                            vastgesteld. Voor deze groep kinderen geldt niet de verplichting van een
                            eigen vaste groepsruimte (artikel 1, eerste lid, onder h). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Slaapruimten voor kinderen</titel></kop><al>Voor de allerjongste kinderen tot circa 1,5 jaar beschikt elk
                            kindercentrum dat dagopvang biedt over afzonderlijke slaapruimten,
                            afgestemd op de aantallen kinderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Buitenspeelterrein</titel></kop><al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die
                            gebruikmaken van dagopvang aangrenzend aan het kindercentrum dient te
                            zijn gesitueerd; bovendien afgestemd op de leeftijd van de kinderen,
                            veilig en toegankelijk voor kinderen. Bij buitenschoolse opvang is de
                            buitenspeelruimte bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum.
                            Wanneer dat niet het geval is, mag een buitenspeelruimte voor
                            buitenschoolse opvang ook in de directe nabijheid liggen, mits
                            toegankelijk en veilig bereikbaar. Als het bijvoorbeeld gaat om een
                            openbare speeltuin of -ruimte, dan moet die speeltuin of -ruimte
                            daadwerkelijk open zijn op de tijden dat de kinderen worden opgevangen.
                            Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt te zijn
                            en te zijn ingericht in overeenstemming met de behoeften en
                            mogelijkheden van de kinderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden
                            met het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt en met de
                            leeftijd van de kinderen. De speelruimte bestaat per aanwezig kind
                            minimaal 3 m2 bruto oppervlakte. Voor een toelichting op de bruto norm
                            zij verwezen naar de toelichting op artikel 5. Met ‘aanwezig kind’ wordt
                            gedoeld op in het kindercentrum aanwezige kinderen, niet
                            noodzakelijkerwijs buitenspelend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud risico-inventarisatie</titel></kop><al>Een kindercentrum dient voldoende veilig te zijn en een voor kinderen
                            gezonde omgeving te bieden. Daartoe voert de houder ingevolge artikel
                            1.51 van de wet een verantwoord veiligheids- en gezondheidsbeleid. De
                            Wet kinderopvang eist op dit punt van de houder een
                            risico-inventarisatie. Om tot een weldoordacht beleid te komen, moet de
                            ondernemer inzicht hebben in alle risico’s die zich in een kindercentrum
                            (inclusief de buitenruimte) kunnen voordoen en maatregelen treffen die
                            deze risico’s afdoende beperken. Dit kan per kindercentrum verschillend
                            zijn. Zonder dat inzicht zal een dergelijk beleid niet veel meer zijn
                            dan een beleid, gebaseerd op incidenten, waarbij geen prioriteiten
                            worden gesteld of planmatig wordt gewerkt aan structurele oplossingen
                            voor gesignaleerde problemen. Om tot een dergelijk beleid te komen biedt
                            dit artikel een aantal opdrachten aan de ondernemer. Zo moet elke
                            ondernemer in een schriftelijk document (de risico-inventarisatie) de
                            veiligheids- en gezondheidsrisico’s beschrijven. Verder legt de
                            ondernemer in een plan van aanpak, als onderdeel van de
                            risico-inventarisatie, vast welke maatregelen binnen welke termijn
                            genomen zijn respectievelijk worden in verband met die risico’s. Deze
                            bepaling is opgenomen om te voorkomen dat deze maatregelen kunnen worden
                            uitgesteld. Als handreiking kunnen de ondernemers voor het onderwerp
                            veiligheid gebruik maken van een model risico-inventarisatie ontwikkeld
                            door Stichting Consument en Veiligheid, dat ook elektronisch ter
                            beschikking wordt gesteld. Voor het onderwerp gezondheid is als
                            handreiking voor de ondernemers een model ontwikkeld door het Landelijk
                            Centrum Hygiëne en Veiligheid. Bovendien is aan de ondernemers als
                            onderdeel van de implementatie van de Wet kinderopvang gratis
                            ondersteuning geboden bij de invoering van de risico-inventarisatie. </al><al>Ten aanzien de risico-inventarisatie met betrekking tot de veiligheid
                            zij volledigheidshalve opgemerkt dat de lijst van ongevallen (vierde
                            lid) in ieder geval betrekking heeft op ongevallen, waarbij een arts of
                            tandarts is ingeschakeld of een ziekenhuisbezoek noodzakelijk was.
                            Voorts gaat het om ongevallen die met een zekere regelmaat terugkeren,
                            ook al hoeft in die gevallen de arts of tandarts niet te worden
                            ingeschakeld en is een bezoek aan een ziekenhuis niet aan de orde.
                            Bijvoorbeeld: kinderen die voortdurend op een zelfde plek in een
                            kindercentrum uitglijden. Gezien het belang van de risico-inventarisatie
                            voor de gehele organisatie is tevens bepaald dat elk personeelslid van
                            dit document kennis moet kunnen nemen (vijfde lid). De houder kan dit op
                            vele manieren doen. Hoewel dit niet expliciet is vermeld, geldt dit
                            uiteraard ook voor iedere wijziging van de risico-inventarisatie. De
                            ondernemer is vrij in de wijze waarop hij het personeel betrekt bij de
                            risico-inventarisatie. De risico-inventarisatie is ook openbaar voor
                            ouders. </al><al>Dat laatste vloeit voort uit artikel 1.54 van de wet. Ingevolge dat
                            artikel dient de houder ouders wier kinderen in een kindercentrum worden
                            opgevangen te informeren over het te voeren beleid, daaronder mede
                            begrepen het beleid op het terrein van veiligheid en gezondheid. Een
                            risico-inventarisatie moet zijn opgesteld voordat de aanvraag tot
                            registratie, zoals bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend
                            (zesde lid). Daarna moet een risico-inventarisatie jaarlijks worden
                            uitgevoerd, aangezien een risico-inventarisatie een actueel document is,
                            toegesneden op het vigerende gebruik van de accommodatie. Voorkomen moet
                            worden dat het beleid en de risico-inventarisatie een statisch karakter
                            krijgen. Tegen deze achtergrond wordt tevens een risico-inventarisatie
                            uitgevoerd na een ingrijpende verbouwing (daaronder begrepen
                            uitbreiding) of gewijzigd gebruik van de accommodatie (bijvoorbeeld een
                            extra babygroep of een nieuwe stamgroep voor de buitenschoolse opvang).
                            De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de houder. Voor alle
                            duidelijkheid zij erop gewezen dat de oudercommissie ingevolge artikel
                            1.60, eerste lid, onder b, van de wet over een voorgenomen besluit met
                            betrekking tot de risico-inventarisatie een adviesrecht toekomt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><al>De Wet kinderopvang geeft in artikel 1.50, eerste lid, onder andere aan
                            dat de houder ter uitvoering van de norm verantwoorde kinderopvang
                            aantoonbaar aandacht besteedt aan de opleidingseisen van de
                            beroepskrachten en de voorwaarden waaronder en de mate waarin
                            beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast met de verzorging en
                            opvang van kinderen. Hieraan is op de volgende wijze invulling
                            aangegeven. In het Convenant kwaliteit kinderopvang dat aanbieders en
                            afnemers zijn overeengekomen, is vastgelegd dat de houder zorgt voor
                            voldoende en goed opgeleid personeel. Tegelijkertijd vermeldt het
                            convenant dat de afspraken uit de collectieve arbeidsovereenkomst
                            kinderopvang onverkort gelden. Daarin zijn onder andere de
                            opleidingseisen opgenomen. In verband hiermee is in dit artikel verwezen
                            naar de collectieve arbeidsovereenkomst als aangrijpingspunt voor de
                            opleidingseisen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Het eerste lid van dit artikel bevat een uitwerking van artikel 1.50,
                            derde lid en vierde lid van de wet. Dit artikel bepaalt dat personen
                            werkzaam bij een kindercentrum in het bezit dienen te zijn van een
                            verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële
                            documentatie of de Wet op de justitiële documentatie en op de
                            verklaringen omtrent het gedrag. Aangegeven is nu om welke personen het
                            concreet gaat. Dat betreft de houder, de bestuurder of de werknemer met
                            een arbeidsovereenkomst (ongeacht of het een arbeidsovereenkomst voor
                            bepaalde of onbepaalde tijd betreft dan wel om voltijd of deeltijdwerk)
                            en de stagiair. Ook de vrijwilliger dient aangemerkt te worden als een
                            persoon werkzaam bij een kindercentrum en dus in het bezit te zijn van
                            een verklaring omtrent het gedrag. Volgens de definitie van de wet
                            (artikel 1.1) is er sprake van een vrijwilliger wanneer deze structureel
                            werkzaam is in de kinderopvang. De toezichthouder zal na een
                            overgangsperiode van een half jaar per 1 juli 2012 actief toetsen op de
                            eis dat een vrijwilliger in het bezit moet zijn van een verklaring
                            omtrent het gedrag. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in geval van werknemers moet gaan om
                            personen werkzaam op de locatie waar kinderen worden opgevangen. Dat
                            betekent bijvoorbeeld dat kantoorpersoneel (bijvoorbeeld beleids- en
                            stafmedewerkers, administratieve medewerkers), werkzaam op de
                            hoofdvestiging, niet zijnde een kindercentrum, niet noodzakelijkerwijs
                            hoeft te beschikken over een dergelijke verklaring omtrent het gedrag.
                            Een houder of bestuurder van een kindercentrum dient vanwege diens
                            verantwoordelijkheid echter in alle gevallen te beschikken over een
                            dergelijke verklaring. </al><al>Het derde lid regelt dat werknemers die als uitzendkracht werkzaam zijn
                            slechts de eerste maal dienen te voldoen aan artikel 1.50, derde lid,
                            van de wet. Dit laat onverlet dat de houder, wanneer hij redelijkerwijs
                            mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het
                            afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, een nieuwe verklaring kan
                            verlangen. </al><al>Het vierde lid regelt dat met betrekking tot de verklaring omtrent het
                            gedrag ten aanzien van een bepaalde groep stagiaires (korter dan drie
                            maanden werkzaam) wordt voorzien in een overgangsperiode om te wennen
                            aan de nieuwe situatie. Gelet op het belang van de veiligheid en
                            beperking van mogelijke risico’s, zullen vanaf 1 juli 2012 evenwel alle
                            stagiaires in bezit moeten zijn van een verklaring omtrent het gedrag
                            als bedoeld in het eerste lid en dient deze voorafgaand aan de start van
                            de werkzaamheden te zijn overgelegd aan de houder van het kindercentrum.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><al>Kinderopvangorganisaties spelen een belangrijke rol in de signalering en
                            de melding van kindermishandeling. De kans dat medewerkers, werkzaam bij
                            een kindercentrum, te maken krijgen met (een vermoeden) van
                            kindermishandeling, is aanwezig. In verband daarmee dient de houder van
                            een kindercentrum een meldcode te hebben voor kindermishandeling, waarin
                            een duidelijke procedure is vastgelegd die gevolg kan worden in geval
                            van een (vermoeden) van kindermishandeling of seksueel misbruik. In het
                            eerste lid is bepaald dat een houder voor elk door hem geëxploiteerd
                            kindercentrum een meldcode moet hanteren. In onderdeel a tot en met f,
                            staat wat in deze meldcode moet zijn opgenomen. In het tweede lid staat
                            dat in de meldcode ook aandacht moet zijn besteed aan de situatie waarin
                            een beroepskracht of een andere, bij het kindercentrum werkzame, persoon
                            de vermoedelijke dader is. In het derde lid wordt geregeld dat de houder
                            er zorg voor moet dragen dat de beroepskrachten op de hoogte zijn van de
                            meldcode kindermishandeling. </al><al/><al><vet>KWALITEIT GASTOUDERBUREAUS EN GASTOUDEROPVANG</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><al>Dit artikel geeft aan dat een gastouderbureau, net zoals een
                            kindercentrum dient te beschikken over een pedagogisch beleidsplan. De
                            ouders worden geïnformeerd door het gastouderbureau over de inhoud van
                            dit pedagogisch beleidsplan. Gelet op het bijzondere karakter van
                            gastouderopvang is het beleidsplan op onderdelen afwijkend van het plan
                            waarover een kindercentrum dient te beschikken. Dit komt bijvoorbeeld
                            tot uitdrukking in de eisen die aan gastouderschap worden gesteld. Het
                            pedagogisch beleidsplan dient te leiden tot verantwoorde gastouderopvang
                            waarbij sprake is van vier competenties (tweede lid, onderdeel a): </al><lijst><li nr="1."><al>het bieden van voldoende veiligheid voor de kinderen; </al></li><li nr="2."><al>het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om
                                    persoonlijke competentie te ontwikkelen; </al></li><li nr="3."><al>het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het
                                    ontwikkelen van sociale competentie; </al></li><li nr="4."><al>overdracht van normen en waarden. </al></li></lijst><al>Het pedagogisch beleidsplan bevat tevens de samenstelling en de maximale
                            omvang van de door de gastouder op te vangen kinderen. Hieronder worden
                            begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar. Voor nadere
                            toelichting op het aantal op te vangen kinderen wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 18. Het pedagogisch beleidsplan gaat ten slotte
                            in op de eisen die worden gesteld aan het opvangadres. Deze eisen moeten
                            in elk geval overeenkomen met de eisen, bedoeld in artikel 17. Hiervoor
                            wordt verwezen naar de toelichting bij dit artikel. Dit laat onverlet
                            dat in het pedagogisch beleidsplan door het gastouderbureau aanvullende
                            eisen kunnen worden opgenomen ten aanzien van het aantal bij een
                            gastouder aanwezige kinderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Risico-inventarisatie</titel></kop><al>Eerste lid. Net als bij kindercentra hebben ondernemers die een
                            gastouderbureau exploiteren een actieve rol bij het controleren van de
                            veiligheids- en gezondheidsrisico’s aan de hand van een jaarlijkse
                            inventarisatie van de risico’s die kinderen lopen in woningen waar
                            gastouderopvang plaatsvindt (eerste lid). Dit kan de woning van de
                            vraagouder of van de gastouder zijn. Om die reden wordt in dit artikel
                            in algemene bewoordingen gesproken over opvangadres. Het opvangadres
                            dient voldoende veilig te zijn en een voor kinderen gezonde omgeving te
                            bieden. Daartoe voert de houder van een gastouderbureau een verantwoord
                            veiligheids- en gezondheidsbeleid. Dit ter uitvoering van artikel 1.49,
                            tweede lid, van de Wet kinderopvang. </al><al>Tweede lid. Om tot een weldoordacht beleid te komen, moet de houder van
                            een gastouderbureau inzicht hebben in alle risico’s die zich op een
                            opvangadres kunnen voordoen en maatregelen treffen die deze risico’s
                            afdoende beperken (tweede lid). Dit kan per opvangadres verschillen.
                            Zonder dat inzicht zal een dergelijk beleid niet veel meer zijn dan een
                            beleid, gebaseerd op incidenten, waarbij geen prioriteiten worden
                            gesteld of planmatig wordt gewerkt aan structurele oplossingen voor
                            gesignaleerde problemen. Om tot een dergelijk beleid te komen biedt
                            artikel 12 een aantal opdrachten aan de houder van een gastouderbureau.
                            Zo moet elke houder van een gastouderbureau samen met de gastouder in
                            een schriftelijk document (de risico-inventarisatie) de veiligheids- en
                            gezondheidsrisico’s beschrijven. Dit gebeurt voordat de aanvraag tot
                            registratie, bedoeld in artikel 1.45 van de wet, wordt ingediend en
                            daarna jaarlijks. Verder draagt de houder van een gastouderbureau er
                            zorg voor dat elke ruimte op het opvangadres tenminste één keer per jaar
                            wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het
                            gastouderbureau. Dit bezoek kan een onderdeel zijn van de twee bezoeken,
                            bedoeld in artikel 15, zesde lid. Aangezien een risico-inventarisatie
                            een actueel document betreft, toegesneden op het vigerende gebruik van
                            de accommodatie. In verband hiermee zal een risico-inventarisatie
                            jaarlijks moeten worden uitgevoerd. Tegen deze achtergrond wordt tevens
                            een risico-inventarisatie uitgevoerd na een ingrijpende verbouwing of
                            gewijzigd gebruik van de accommodatie. </al><al>Derde lid. De administratie van het gastouderbureau bevat een door de
                            bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekend origineel van de
                            risico-inventarisatie. </al><al>Vierde lid. De houder van een gastouderbureau stelt in samenspraak met
                            de gastouder een plan van aanpak op, als onderdeel van de
                            risico-inventarisatie, waarin wordt vastgelegd welke maatregelen op
                            welke termijn worden genomen. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen
                            dat deze maatregelen kunnen worden uitgesteld. </al><al>Vijfde lid. De risico-inventarisatie moet inzichtelijk zijn voor de
                            vraagouders. </al><al>Zesde lid. Artikel 8, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de in dit artikel bedoelde risico-inventarisatie. Dat
                            betekent dat er een beschrijving is van de veiligheids- en
                            gezondheidsrisico’s van alle ruimtes waar de opvang plaatsvindt,
                            waaronder begrepen de buitenspeelruimte. Dit wordt opgetekend in een
                            plan van aanpak die de punten bevat zoals beschreven in de toelichting
                            bij het vierde lid. Verder wordt er bij de beschrijving van de risico’s
                            op het terrein van veiligheid van kinderen in ieder geval ingegaan op de
                            risico’s ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking,
                            valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en
                            snijden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kwaliteit gastouderbureaus</titel></kop><al>Eerste lid. Artikel 13 regelt de kwaliteit van de gastouderbureaus. In
                            het eerste lid is geregeld dat gastouderbureaus per gastouder beoordelen
                            of het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen
                            verantwoord is. Factoren die het gastouderbureau in de beoordeling onder
                            meer moet betrekken zijn: de grootte en de mogelijkheden van de ruimte
                            waar de kinderen worden opgevangen, de leeftijd en eventuele extra
                            zorgbehoefte van de op te vangen en de eigen kinderen van de gastouder
                            en de deskundigheid en ervaring van de gastouder. Zie hiervoor ook de
                            toelichting bij artikel 17 (eisen aan het opvangadres) en 18 (aantal op
                            te vangen kinderen). Het gastouderbureau moet in zijn afweging of sprake
                            is van verantwoorde kinderopvang, het aantal en de leeftijd van de
                            gastkinderen en van de eigen kinderen meewegen. </al><al>Tweede lid. </al><al>In het derde lid wordt geregeld dat het gastouderbureau er zorg voor
                            draagt dat er door de bemiddelingsmedewerker per aangesloten gastouder
                            op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en
                            bemiddeling. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="1."><al>Het eerste contact met de ouder. Hieronder wordt o.a. verstaan
                                    informatieverstrekking over de inhoud van gastouderopvang, de
                                    kosten en de dienstverlening van het gastouderbureau. </al></li><li nr="2."><al>De werving van de gastouder. Hierbij gaat het o.a. om de uitleg
                                    voer de wettelijke eisen, waaronder de scholingseisen, de eisen
                                    aan de woning, de risico-inventarisatie, de verklaring omtrent
                                    gedrag en uitleg over het werk van een gastouder. </al></li><li nr="3."><al>De intake met de gastouder. Hier worden o.a. de aanwezige
                                    competenties en gevolgde scholing besproken, volgt er uitleg
                                    over het pedagogisch beleid van het gastouderbureau en toetsing
                                    met de opvoedideeën van de gastouder. Tevens wordt de
                                    risico-inventarisatie uitgevoerd en besproken met een plan van
                                    aanpak en de planning. </al></li><li nr="4."><al>Scholing van de gastouder (minimaal de wettelijke
                                    deskundigheidseisen). Hieronder valt het begeleiden en bewaken
                                    van gastouders bij het behalen van de verschillende vereiste
                                    documenten. </al></li><li nr="5."><al>De GGD toetsing. De bemiddelingsmedewerker geeft waar nodig
                                    hierover uitleg en begeleidt de GGD inspectie. </al></li><li nr="6."><al>De koppeling van de gastouder en de vraagouder. Hierbij gaat het
                                    om zaken als het bepalen van de match tussen ouder en gastouder,
                                    de intake met de vraagouder, de informatieverstrekking over de
                                    gastouder aan de vraagouder en over het kind aan de gastouder.
                                </al></li><li nr="7."><al>Het koppelingsgesprek. Hierbij kan gedacht worden aan de
                                    begeleiding tussen gast- en vraagouder, het vastleggen van
                                    afspraken en het sluiten van overeenkomsten. </al></li><li nr="8."><al>Het evaluatiegesprek met de vraagouders over de gastouderopvang.
                                </al></li><li nr="9."><al>Het zijn van vraagbaak voor gastouders. </al></li><li nr="10."><al>Het uitvoeren van twee bezoeken aan het opvangadres per jaar.
                                </al></li><li nr="11."><al>De interne en externe opleiding/training. </al></li><li nr="12."><al>Het voeren van interne en externe overleggen op het gebied van
                                    begeleiding en bemiddeling. </al></li></lijst><al>Derde lid. De houder van een gastouderbureau moet er zorg voor dragen
                            goed bereikbaar te zijn voor zowel de vraagouder als de gastouder. De
                            houder informeert de vraag- en gastouders hier goed over. </al><al>Vierde en vijfde lid. Een verklaring omtrent het gedrag is ook een
                            verplichting voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is bij
                            het gastouderbureau. Het vijfde lid regelt dat met betrekking tot de
                            verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een bepaalde groep
                            stagiaires (korter dan drie maanden werkzaam) enig respijt wordt
                            verleend. Gelet op het belang van de veiligheid en beperking van
                            mogelijke risico’s, zullen vanaf 1 juli 2012 evenwel alle stagiaires in
                            bezit moeten zijn van een verklaring omtrent het gedrag en dient deze
                            voorafgaand aan de start van de werkzaamheden te zijn overgelegd aan de
                            houder van het gastouderbureau. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Gesprekken gastouderbureau</titel></kop><al>In artikel 14 wordt geregeld voor welke gesprekken het gastouderbureau
                            verantwoordelijk is. Hieronder volgt een weergave van deze gesprekken: </al><al>Eerste lid. De gastouder meldt zich aan bij het gastouderbureau omdat
                            hij graag gastouderopvang wil verzorgen aan huis. Het gastouderbureau
                            beoordeelt tijdens een intakegesprek of het opvanghuis afdoende voldoet
                            en of de gastouder in het bezit is van de juiste papieren en
                            eigenschappen en voldoet aan de gestelde eisen. </al><al>Tweede lid. Als het gastouderbureau een goede match heeft gevonden
                            tussen gast- </al><al>en vraagouder en deze aan elkaar wil voorstellen, vindt er een
                            koppelingsgesprek plaats. Dit gesprek vindt plaats op het opvangadres.
                            Indien de match niet doorgaat, zal bij ieder vervolg koppelingsgesprek
                            het gesprek op het opvangadres plaatsvinden. </al><al>Derde lid. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat tenminste een
                            keer per jaar een voortgangsgesprek door een bemiddelingsmedewerker met
                            de gastouder plaatsvindt. Dit is uit oogpunt van de continuïteit van de
                            kwaliteit van de opvang door de gastouder. </al><al>Vierde lid. Uit het oogpunt van continuïteit van de kwaliteit wordt de
                            opvang jaarlijks met de vraagouder geëvalueerd. De resultaten van dit
                            gesprek worden schriftelijk vastgelegd. </al><al>Vijfde lid. Na formele inschrijving (kan schriftelijk: naam kind, om
                            welke dagen gaat het of hij dit bij de gastouder thuis wil of op eigen
                            adres etc.) neemt het gastouderbureau contact op met de vraagouder om
                            een afspraak te maken voor een intakegesprek. Tijdens dit gesprek wordt
                            duidelijk of de opvang op het eigen adres plaats moet vinden of op het
                            adres van de gastouder. Indien de opvang op het thuisadres van de
                            vraagouder plaatsvindt, zal het intakegesprek op dat adres moeten
                            plaatsvinden. Indien de opvang bij de gastouder thuis plaatsvindt, kan
                            het intakegesprek ook telefonisch of op het bureau plaatsvinden. </al><al>Zesde lid. Het gastouderbureau draagt er zorg voor kwaliteitscriteria
                            voor de gastouders tenminste twee maal per jaar worden getoetst door een
                            bezoek van een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau
                            aan de woning waar de gastouderopvang plaatsvindt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><al>Gastouderbureaus en gastouders spelen een belangrijke rol in de
                            signalering en de melding van kindermishandeling. De kans dat
                            medewerkers, werkzaam bij een gastouderbureau, of werkzaam als gastouder
                            te maken krijgen met (een vermoeden) van kindermishandeling, is
                            aanwezig. In verband daarmee dient de houder van een gastouderbureau een
                            meldcode te hebben voor kindermishandeling, waarin een duidelijke
                            procedure is vastgelegd die gevolg kan worden in geval van een
                            (vermoeden) van kindermishandeling of seksueel misbruik. Als
                            kwaliteiteis aan de gastouder is in artikel 16, onderdeel c, gesteld dat
                            hij in de praktijk handelt naar het door de houder vastgesteld
                            pedagogisch beleidsplan. Er is een landelijk model meldcode
                            kindermishandeling ontwikkeld voor kindercentra en gastouderopvang. Het
                            staat de houder echter vrij om een eigen meldcode te hanteren, indien
                            deze gelijkwaardig is aan de Model Meldcode. Deze moet met andere
                            woorden dezelfde elementen bevatten als het landelijk model. </al><al/><al><vet>KWALITEIT GASTOUDERS</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kwaliteitseisen gastouder</titel></kop><al>Artikel 16 regelt de kwaliteitseisen van de gastouders. Op grond van
                            artikel 1.49, tweede lid, is de gastouder verantwoordelijk voor het
                            bieden van verantwoorde gastouderopvang waaronder wordt verstaan opvang
                            die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een
                            veilige en gezonde omgeving. Daartoe besteedt de gastouder in ieder
                            geval aandacht aan de volgende kenmerken: </al><lijst><li nr="a."><al>de gastouder is goed telefonisch bereikbaar; </al></li><li nr="b."><al>de gastouder beschikt over een goede achterwachtregeling bij de
                                    opvang van meer dan drie aanwezige kinderen. Deze achterwacht is
                                    beschikbaar en bij calamiteiten binnen aanrijtijd van een
                                    ambulance bij de ruimte op het opvangadres aanwezig. Deze
                                    persoon is tijdens opvangtijden altijd telefonisch bereikbaar;
                                </al></li><li nr="c."><al>de gastouder handelt in de praktijk naar het door de houder van
                                    het gastouderbureau vastgesteld pedagogisch beleidsplan. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Eisen aan het opvangadres</titel></kop><al>In het Convenant kwaliteit kinderopvang 2009 zijn de o.a. de volgende
                            eisen aan het opvangadres van de gastouder gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De woning waarin de kinderen worden opgevangen dient te allen
                                    tijde rookvrij te zijn. Omdat de regels op grond van de
                                    Tabakswet niet van toepassing zijn op private ruimtes, in dit
                                    geval woningen, in artikel 17 bepaald dat het door de houder te
                                    voeren veiligheids- en gezondheidsbeleid in geval van
                                    gastouderopvang impliceert dat de ruimtes waar kinderen worden
                                    opgevangen te allen tijde rookvrij dienen te zijn.</al></li><li nr="-"><al>Het opvangadres beschikt over voldoende speel- en slaapruimte
                                    voor kinderen. </al></li><li nr="-"><al>Voor kinderen jonger dan 1,5 jaar dient een aparte slaapkamer
                                    beschikbaar te zijn. </al></li><li nr="-"><al>De woning waar de opvang plaatsvindt beschikt over voldoende
                                    buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd
                                    van de op te vangen kinderen. </al></li><li nr="-"><al>De woning waar de opvang plaatsvindt, ook als het gaat om een
                                    bestaande woning, dient te voorzien zijn van voldoende en goed
                                    functionerende rookmelders, conform de eisen uit het Bouwbesluit
                                    2003. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aantal op te vangen kinderen</titel></kop><al>In het Convenant kwaliteit kinderopvang 2009 is voor gastouderopvang
                            bepaald dat indien alleen kinderen in de leeftijd van 0–4 jaar worden
                            opgevangen, maximaal 5 kinderen mogen worden opgevangen. Dit is
                            inclusief de eigen kinderen in de leeftijd tot 10 jaar. In deze groep
                            mogen maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar aanwezig zijn, waarvan
                            maximaal 2 kinderen van 0 jaar. Voor gastouderopvang waar kinderen van
                            0–13 jaar worden opgevangen mogen tegelijkertijd maximaal 6 kinderen
                            worden opgevangen, waarbij de eigen kinderen tot 10 jaar worden
                            meegeteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Risico-inventarisatie opvanglocatie</titel></kop><al>Eerste lid. Op het opvangadres is in ieder geval een originele door de
                            bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekende versie van de
                            risico-inventarisatie aanwezig. Deze is beschikbaar vóór de opvang
                            begint en wordt jaarlijks opnieuw opgesteld. Deze inventarisatie is in
                            samenwerking met een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau
                            opgesteld. </al><al>Tweede lid. Voor een toelichting op dit lid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij ar</al><al>tikel 12, eerste lid. </al><al>Derde lid. In het derde lid is de verantwoordelijkheid voor de gastouder
                            opgenomen om de maatregelen ten aanzien van de ruimte op het
                            opvangadres, zoals beschreven in artikel 17, binnen de gestelde termijn
                            zijn of worden genomen. Dit in verband met de risico-inventarisatie door
                            het houder van gastouderbureau die vóór de aanvang van de opvang moet
                            zijn opgesteld. </al><al>Vierde lid. In het vierde lid wordt geregeld dat artikel 8, tweede en
                            derde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. Voor een toelichting op
                            dit lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 12, zesde. </al><al>Vijfde lid. De gastouder moet een lijst bijhouden van de ongevallen,die
                            hebben plaatsgevonden. Op deze lijst is in ieder geval terug te vinden
                            de aard en de plaats van het ongeval, alsmede de leeftijd van het kind
                            en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan. Op de lijst wordt
                            door de gastouder tevens aangegeven welke maatregelen de gastouder heeft
                            genomen ter voorkoming van dergelijke ongevallen. </al><al/><al><vet>KWALITEIT PEUTERSPEELZALEN</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Pedagogisch beleidsplan</titel></kop><al>Dit artikel geeft aan dat een houder van een peuterspeelzaal, net als de
                            houder van een kindercentrum en een gastouderbureau, dient te beschikken
                            over een pedagogisch beleidsplan. De ouders worden geïnformeerd door de
                            houder van een peuterspeelzaal over de inhoud van dit pedagogisch
                            beleidsplan. Dit plan is een belangrijke toetssteen voor ouders. Het
                            pedagogisch beleidsplan dient te leiden tot verantwoorde opvang in een
                            peuterspeelzaal, dat wil zeggen opvang waarbij sprake is van de volgende
                            vier competenties: </al><lijst><li nr="1."><al>Het bieden van voldoende veiligheid voor het kind. </al></li><li nr="2."><al>Het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen om
                                    persoonlijke competentie te ontwikkelen. </al></li><li nr="3."><al>Het bieden van voldoende mogelijkheden voor de kinderen voor het
                                    ontwikkelen van sociale competentie. </al></li><li nr="4."><al>De overdracht van normen en waarden. </al></li></lijst><al>Het beleidsplan bevat tevens de werkwijze, samenstelling en maximale
                            omvang van de groepen. Een belangrijk onderdeel van de pedagogische
                            praktijk daarbij is de wijze waarop beroepskrachten met de kinderen
                            omgaan, oftewel de leidster-kind-interactie. Hierbij wordt aandacht
                            besteed aan de fysieke omgeving waar de kinderen worden opgevangen,
                            groepsprocessen, het activiteitenaanbod en het gebruik van
                            spelmateriaal. Verder geeft het pedagogisch beleidsplan aan op welke
                            wijze het zogenaamde open-deuren-beleid (tweede lid, onderdeel c) wordt
                            gevoerd. In dat geval maken kinderen gebruik van verschillende ruimtes
                            en verlaten hun groep. Het tweede lid, onderdeel d, heeft betrekking op
                            de beschrijving van de wijze waarop beroepskrachten worden ondersteund
                            door andere volwassenen. </al><al>Artikel 20, tweede lid, onderdelen e tot en met g, zijn ten opzichte van
                            het pedagogisch beleidsplan voor kindercentra extra onderwerpen die aan
                            de orde komen in het pedagogisch beleidsplan voor een peuterspeelzaal.
                            Dit is overeengekomen in het Convenant Kwaliteit peuterspeelzaalwerk.
                            Het gaat om de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="-"><al>De wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er
                                    slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op
                                    de locatie. </al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal
                                    bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere
                                    problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende
                                    instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden.
                                </al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal toegerust
                                    worden voor deze taak en op welke wijze zij daarbij ondersteund
                                    worden. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Achterwachtregeling</titel></kop><al>Elke houder van een peuterspeelzaal beschikt over een
                            achterwachtregeling. Deze regeling houdt in dat zodra er slechts één
                            beroepskracht in de peuterspeelzaal aanwezig is op het moment dat er
                            kinderen worden opgevangen in de peuterspeelzaal, er een achterwacht
                            beschikbaar dient te zijn die in geval van calamiteiten binnen
                            ambulance-aanrijtijden in de peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De
                            houder van een peuterspeelzaal maakt inzichtelijk wie deze persoon is en
                            waar deze telefonisch te bereiken is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>In artikel 18 wordt artikel 8 van overeenkomstige toepassing verklaard
                            op peuterspeelzalen. Net als bij kindercentra, gastouderbureaus en
                            gastouders hebben ondernemers die een peuterspeelzaal exploiteren een
                            actieve rol bij het controleren van de veiligheids- en
                            gezondheidsrisico’s aan de hand van een jaarlijkse inventarisatie van de
                            risico’s die kinderen lopen in peuterspeelzalen. De peuterspeelzaal
                            dient voldoende veilig te zijn en een voor kinderen gezonde omgeving te
                            bieden. Daartoe voert de houder van een peuterspeelzaal een verantwoord
                            veiligheids- en gezondheidsbeleid. Dit ter uitvoering van artikel 2.9
                            van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Om tot een
                            weldoordacht beleid te komen, moet de houder van een peuterspeelzaal
                            inzicht hebben in alle risico’s die zich in een peuterspeelzaal kunnen
                            voordoen en maatregelen treffen die deze risico’s afdoende beperken. Dit
                            kan per peuterspeelzaal verschillen. Zonder dat inzicht zal een
                            dergelijk beleid niet veel meer zijn dan een beleid, gebaseerd op
                            incidenten, waarbij geen prioriteiten worden gesteld of planmatig wordt
                            gewerkt aan structurele oplossingen voor gesignaleerde problemen. Om tot
                            een dergelijk beleid te komen biedt artikel 8 een aantal opdrachten aan
                            de houder van een peuterspeelzaal. Zo moet elke houder van een
                            peuterspeelzaal in een schriftelijk document (de risico-inventarisatie)
                            de veiligheids- en gezondheidsrisico’s beschrijven. Dit gebeurt vóór
                            aanvang van de opvang en daarna jaarlijks. Aangezien een
                            risico-inventarisatie een actueel document betreft, toegesneden op het
                            vigerende </al><al>gebruik van de accommodatie, zal in verband hiermee een
                            risico-inventarisatie jaarlijks moeten worden uitgevoerd. Tegen deze
                            achtergrond wordt tevens een risico-inventarisatie uitgevoerd na een
                            ingrijpende verbouwing of gewijzigd gebruik van de accommodatie. De
                            administratie van de peuterspeelzaal bevat een door de houder
                            ondertekend origineel van de risico-inventarisatie. De houder van een
                            peuterspeelzaal stelt een plan van aanpak op, als onderdeel van de
                            risico-inventarisatie, waarin wordt vastgelegd welke maatregelen op
                            welke termijn worden genomen. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen
                            dat deze maatregelen kunnen worden uitgesteld. De risico-inventarisatie
                            moet inzichtelijk zijn voor de ouders. Verder betekent de
                            risico-inventarisatie dat er een beschrijving is van de veiligheids- en
                            gezondheidsrisico’s van alle ruimtes waar de opvang plaatsvindt,
                            waaronder begrepen de buitenspeelruimte. Dit wordt opgetekend in een
                            plan van aanpak die de punten bevat zoals beschreven in de toelichting
                            bij het vierde lid. Verder wordt er bij de beschrijving van de risico’s
                            op het terrein van veiligheid van kinderen in ieder geval ingegaan op de
                            risico’s ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking,
                            valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en
                            snijden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Aantal kinderen en omvang van peuterspeelzaalgroep</titel></kop><al>In een peuterspeelzaalgroep mogen gelijktijdig niet meer dan zestien
                            kinderen aanwezig zijn. In een peuterspeelzaalgroep is altijd ten minste
                            één beroepskracht aanwezig. Het gaat hierbij om een beroepskracht die
                            aan de kwalificatie-eis van artikel 20 voldoet en dus ten minste een
                            pedagogische opleiding op mbo-3 niveau heeft afgerond. Het gaat hier om
                            SPW-3 of een equivalent conform de CAO Welzijn en Maatschappelijke
                            Dienstverlening. Indien er meer dan acht kinderen feitelijk aanwezig
                            zijn in een peuterspeelzaalgroep dan zijn er of twee beroepskrachten
                            aanwezig of een beroepskracht en een vrijwilliger. Aan een kind worden
                            ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen. Deze zijn ook het </al><al>aanspreekpunt voor ouders. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Beroepskwalificatie personeel</titel></kop><al>In het Convenant Kwaliteit peuterspeelzaalwerk staat de eis dat de
                            opleidingseisen voor beroepskrachten werkzaam in een peuterspeelzaal
                            wordt beschreven in de CAO-Welzijn. Is een peuterspeelzaal aangewezen
                            als VVE-peuterspeelzaal, dan gelden de eisen uit het Besluit
                            basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Beroepskrachten
                            werkzaam in een peuterspeelzaal moeten ten minste een pedagogische
                            opleiding op mbo-</al><al>3 niveau hebben afgerond. Het gaat hier om een opleiding SPW-3 of een
                            equivalent uit de CAO Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening. Deze
                            eis is in onderhavige beleidsregels overgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Personen die op structurele basis werkzaam zijn ten behoeve van de
                            verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van
                            kinderen op de locatie van een peuterspeelzaal dienen in het bezit te
                            zijn van een verklaring omtrent het gedrag afgegeven volgens de Wet
                            justitiële en strafvorderlijke gegevens. Voor de werknemer (is
                            beroepskracht), de uitzendkracht, de stagiaire en de vrijwilliger, geldt
                            de verplichting ten aanzien van de verklaring omtrent het gedrag, voor
                            zover deze persoon op de locatie van de peuterspeelzaal werkzaam is. Dit
                            is geregeld in het tweede lid. De houder van een peuterspeelzaal en de
                            bestuurder dienen echter, gezien hun verantwoordelijkheid, altijd in het
                            bezit te zijn van een dergelijke verklaring, ongeacht waar deze persoon
                            werkzaam is. Voor uitzendkrachten geldt deze verplichting voor het eerst
                            voordat deze persoon begint te werken in een peuterspeelzaal. Voor
                            vrijwilligers en stagiaires is met betrekking tot de verklaring omtrent
                            het gedrag de toelichting bij artikel 10 van overeenkomstige toepassing.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Protocol kindermishandeling</titel></kop><al>In artikel 22 wordt artikel 10a van overeenkomstige toepassing verklaard
                            op peuterspeelzalen. Peuterspeelzalen, net als kindercentra,
                            gastouderbureaus of gastouders, spelen een belangrijke rol in de
                            signalering en de melding van kindermishandeling. De kans dat
                            medewerkers, werkzaam bij een peuterspeelzaal, te maken krijgen met (een
                            vermoeden) van kindermishandeling, is zeker aanwezig. In verband daarmee
                            dient de houder van een peuterspeelzaal een meldcode te hebben voor
                            kindermishandeling, waarin een duidelijke procedure is vastgelegd die
                            gevolg kan worden in geval van een (vermoeden) van kindermishandeling of
                            seksueel misbruik. Als kwaliteiteis aan de beroepskracht is in artikel
                            16 gesteld dat hij in de praktijk handelt naar het door de houder
                            vastgesteld pedagogisch beleidsplan. Er is een landelijk model meldcode
                            kindermishandeling ontwikkeld voor kindercentra, gastouderopvang en
                            peuterspeelzaalwerk. Het staat de houder echter vrij om een eigen
                            meldcode te hanteren, mits deze gelijkwaardig is aan de Model Meldcode.
                            Deze moet met andere woorden dezelfde elementen bevatten als het
                            landelijk model. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Vrijwilligersbeleid</titel></kop><al>In het Convenant Kwaliteit peuterspeelzaalwerk is neergelegd dat indien
                            er vrijwilligers in een peuterspeelzaal werkzaam zijn, de houder van
                            deze peuterspeelzaal vrijwilligersbeleid vastlegt in een beleidsplan.
                            Dit in het belang van de kwaliteit van peuterspeelzaalwerk en in het
                            belang van vrijwilligers. Dit beleid moet aan een aantal minimumeisen
                            voldoen, welke alleen betrekking hebben op de vrijwilligers die met
                            kinderen op de groep werken. In het beleidsplan staan in ieder geval de
                            onderwerpen die zijn opgenomen in het eerste lid, onderdelen a tot en
                            met c. Het gaat om: </al><lijst><li nr="-"><al>De minimumeisen waaraan een vrijwilliger dient te voldoen.</al></li><li nr="-"><al>De afspraken tussen de houder van een peuterspeelzaal en de
                                    vrijwilliger. </al></li><li nr="-"><al>De taakomschrijvingen. </al></li></lijst><al>Tevens draagt de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat zijn
                            vrijwilligers zijn verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>