<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR185673_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kinderopvang Geldrop-Mierlo 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Middenstandsbelangen, 13-06-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kinderopvang Geldrop-Mierlo 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, art. 1.25</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2012.0233</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>kinderopvang</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kinderopvang Geldrop-Mierlo 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo;Gezien het voorstel van burgemeester
            en wethouders van 24 april 2012;gelet op artikel 1.25 Wet kinderopvang en
            kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</vet></al><al/><al><vet>Besluit:</vet>Vast te stellen de Verordening kinderopvang
                        Geldrop-Mierlo 2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>College: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b)"><al>Wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                                        (Wko);</al></li><li nr="c)"><al>Ouder: de persoon als bedoeld in artikel 1.26 van de wet die
                                        een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang vraagt.
                                        Hieronder valt ook de vreemdeling die gelijkgesteld is met
                                        een Nederlander op grond van de bepalingen van de Wet werk
                                        en bijstand (WWB);</al></li><li nr="d)"><al>Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk in de
                                        kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 2, eerste
                                        lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
                                        regelingen (Awir); </al></li><li nr="e)"><al>Wettelijke doelgroep: de doelgroep als omschreven in artikel
                                        1.22 van de wet; </al></li><li nr="f)"><al>Kind: het kind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
                                        Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Recht op de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>- Recht op een tegemoetkoming</titel></kop><al>De ouder die valt onder de wettelijke doelgroep als bedoeld in artikel
                            1.22 van de wet, heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>- Indienen aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag voor de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wordt
                            ingediend bij het college van de woonplaats van de ouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>- Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a)"><al>naam, adres en BSN van de ouder; </al></li><li nr="b)"><al>indien van toepassing: naam en BSN van de partner en het
                                        adres van de partner; </al></li><li nr="c)"><al>naam, geboortedatum en BSN van het kind of de kinderen
                                        waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;
                                    </al></li><li nr="d)"><al>offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        dat de kinderopvang gaat verzorgen, met in ieder geval het
                                        aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur, de
                                        aanvangsdatum van de kinderopvang en het registratienummer
                                        in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) van de
                                        gastouder en het gastouderbureau;</al></li><li nr="e)"><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel
                                        1:22 van de wet; </al></li><li nr="f)"><al>van personen als bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening
                                        een loonstrook of een uitkeringsspecificatie;</al></li><li nr="g)"><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>- Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het besluit niet binnen acht weken kan worden genomen, kan
                                het college het besluit met ten hoogste acht weken verdagen. Het
                                college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>- Weigeringsgronden</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt, naast de in artikel 4:25 en 4:35 van de
                            Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen, in ieder geval geweigerd
                            indien de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 1.22
                            van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>- Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>- De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>- Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>- Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a)"><al>de vaststelling van de doelgroep waartoe de ouder of diens
                                    eventuele partner behoort; </al></li><li nr="b)"><al>de naam en de geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                    de tegemoetkoming betrekking heeft; </al></li><li nr="c)"><al>de naam en het adres van het kindercentrum of de gastouder waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt; </al></li><li nr="d)"><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend; </al></li><li nr="e)"><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; </al></li><li nr="f)"><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; </al></li><li nr="g)"><al>de verplichtingen van de ouder, waaronder de verplichting tot
                                    het bewaren van nota’s van de kinderopvangorganisatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>- Hoogte van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de tegemoetkoming wordt gerelateerd aan de kosten van
                                kinderopvang, zoals bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, en artikel
                                1.24, eerste tot en met derde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van kinderopvang waarvoor tegemoetkoming wordt verstrekt
                                worden bepaald overeenkomstig artikel 1.7 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een tegemoetkoming wordt, op grond van artikel 3 van de Regeling Wet
                                kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Rwko) in samenhang
                                met artikel 1.24, eerste tot en met derde lid, van de wet, verhoogd
                                met een toeslag voor de kosten van kinderopvang voor een eerste kind
                                dat gebruik maakt van kinderopvang en met een toeslag voor de kosten
                                van kinderopvang voor ieder tweede of volgende kind dat gebruik
                                maakt van kinderopvang. De hoogte van deze toeslag wordt bepaald in
                                een door het college vast te stellen beleidsregel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>- De betaling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt achteraf in maandelijkse termijnen
                                uitbetaald aan de kinderopvangorganisatie, op basis van een door de
                                ouder afgegeven machtiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt betaald op basis van een factuur.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>- Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of kinderopvangorganisatie, waar de ouder gebruik van
                                maakt, verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                                de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                                feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>- Verrekening met de betalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen acht
                                weken betaald, onder verrekening van de reeds betaalde
                                tegemoetkomingen als genoemd in artikel 4.8 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Teveel betaalde tegemoetkomingen worden zo mogelijk verrekend met
                                lopende tegemoetkomingen dan wel teruggevorderd op grond van het
                                bepaalde in artikel 1.38 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>- Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>- Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk schriftelijk
                                mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere of beëindiging van de
                                tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt op verzoek aan het college, binnen een
                                door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van de ouder en zijn partner die voor de aanspraak op
                                en de hoogte van de tegemoetkoming van het college van belang
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onvoldoende nakomen of het nalaten van deze inlichtingenplicht
                                kan leiden tot het wijzigen of intrekken van de beschikking tot
                                verlening van de tegemoetkoming, het opschorten van de
                                bevoorschotting, het intrekken of wijzigen van het besluit tot
                                vaststelling van de tegemoetkoming, het terugvorderen van de
                                tegemoetkoming, of het opleggen van een bestuurlijke boete door het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>- De hoogte van de bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ouder de in artikel 6.1 van deze verordening en artikel
                                1.28 van de wet genoemde inlichtingenplicht niet nakomt kan het
                                college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 2.269,00.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst
                                van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging
                                aan de ouder kan worden verweten en houdt rekening met de
                                omstandigheden waarin de ouder verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan uitsluitend afzien van het opleggen van een
                                bestuurlijke boete als daarvoor dringende redenen aanwezig
                                zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte
                                toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>- Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Verordening
                                tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Geldrop-Mierlo 2010 is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op de aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag
                                beoordeeld op grond van de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Besluiten voor tegemoetkomingen genomen op grond van de Verordening
                                tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Geldrop-Mierlo 2010
                                blijven van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn genomen is
                                verstreken of totdat zij zijn ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening geldt met ingang van 1 juli 2012.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juni 2012.</ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn M.J.D. Donders-de Leest</ondertekening><ondertekening>griffie voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening kinderopvang Geldrop-Mierlo 2012</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Sinds 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term 'tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)'. </al><al>Artikel 1.25 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de
                    gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening
                    en de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming en de verplichtingen van de
                    ouder. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht.</al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                    tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen
                    van toepassing zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene subsidieverordening. De vraag
                    is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang en de
                    algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                    subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang.</al><al>Deze verordening is zo opgezet dat deze geheel los staat van de algemene
                    subsidieverordening. In dat geval is de algemene subsidieverordening niet van
                    toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt dan dat
                    de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene regeling. </al><tussenkop>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen</tussenkop><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.</al><tussenkop>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                    bevorderen</tussenkop><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente.</al><al>Om de gemeente in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                    verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                    verordening de volgende bepalingen opgenomen:</al><lijst><li nr="·"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                            eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt
                            aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze
                            groep ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                            kinderopvang per week dat naar oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken. </al></li><li nr="·"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                            waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst
                            is genomen.</al></li><li nr="·"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt.</al></li><li nr="·"><al>De tegemoetkoming wordt maandelijks achteraf uitbetaald na ontvangst van
                            een factuur van de kinderopvangorganisatie. Hierdoor blijft de omvang
                            van eventuele onverschuldigde betalingen die de gemeente van de ouders
                            moet terugvorderen, beperkt.</al></li></lijst><tussenkop>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</tussenkop><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij de wijze waarop de betalingen door
                    de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk
                    jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                    gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                    tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    re-integratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><tussenkop>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</tussenkop><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. </al><al>De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze
                    beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke
                    aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is
                    voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet
                    zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang en
                    zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter
                    schept de subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 - Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsbepalingen in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen zijn ook van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze
                    artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 - Recht op de tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 - Recht op een tegemoetkoming</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald wie recht heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 - Aanvraag van de tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 - Indienen van de aanvraag</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 3.2 - Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 1.26
                    Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). Het moet dan gaan om het
                    college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 1.22, derde lid, Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen). De aanvraag moet schriftelijk
                    gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor de
                    aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het aanbeveling dat de
                    gemeente het aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt,
                    waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente
                    bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier
                    aan te geven.</al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal
                    uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging
                    van de tegemoetkoming in verband met een vermindering van de omvang van de
                    kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel
                    onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 1.28, derde lid, Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en artikel 6.1, eerste lid van
                    deze verordening).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.</al><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                    ingeschreven staan in het Landelijk Register Kinderopvang (artikel 1.5, eerste
                    lid, in samenhang met artikel 1.45 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:</al><lijst><li nr="·"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                            IOAW/IOAZ, WIJ én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="·"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het UWV Werkbedrijf én maakt gebruik van een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="·"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt.</al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><lijst><li nr="·"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                            inkomensvoorziening kunstenaars;</al></li><li nr="·"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt scholing
                            of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of
                            kan zo’n uitkering ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school of instelling
                            als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
                            Studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner ontvangt een uitkering in het kader van de WW
                            of Anw en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt gebruik van
                            een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente:</al><lijst><li nr="·"><al>Naam van deze gemeente;</al></li><li nr="·"><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut;</al></li><li nr="·"><al>Trajectplan van het UWV.</al></li></lijst><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 1.26,
                    derde lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 - Verlening van de tegemoetkoming </tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 - Beslistermijn</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste acht weken die eventueel met acht weken kan worden verlengd.</al><al>De beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen.</al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college
                    deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er naar moeten
                    streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met
                    name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden
                    versneld.</al><tussenkop>Artikel 4.2 - Weigeringsgronden</tussenkop><al>Naast de weigeringsgronden in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om
                    de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                    toepassing. Artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                    geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="A."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="B."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="C."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                    ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="A."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="B."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.3 - Ingangsdatum van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Het artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. </al><al>Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet
                    aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een
                    aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door
                    het college in ontvangst is genomen.</al><tussenkop>Artikel 4.4 - De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen.</al><al>Deze periode sluit aan bij de tegemoetkomingsperiode van de
                    Belastingdienst.</al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een re-integratietraject voor een
                    bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming
                    te koppelen aan de duur van het re-integratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><tussenkop>Artikel 4.5 - Omvang van de kinderopvang</tussenkop><al>De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen regelt uitsluitend de
                    aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van
                    kinderopvang en niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van
                    de criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort, heeft deze
                    recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het
                    aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in
                    het systeem van de wet waarin de ouder zelf bepaalt hoeveel kinderopvang hij
                    nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg.</al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ’Koa-kopje (Kinderopvang
                    en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders), zie artikel 1.24, eerste lid,
                    onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem
                    op de vraag naar kinderopvang. Dit in tegenstelling tot aanvragers die wel een
                    (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten
                    betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar
                    kinderopvang. Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze
                    bepaling in de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                    enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep
                    ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel
                    kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht
                    te kunnen combineren met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om
                    arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouders(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie op grond van artikel 1.23 Wet kinderopvang en
                    kwaliteitseisen peuterspeelzalen, hoeft voor deze beoordeling geen advies te
                    worden aangevraagd.</al><al><vet>Artikel 4.6 - Inhoud van de beschikking</vet></al><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. </al><al>In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 4.8 van de verordening
                    bepaalt dat de uitbetaling achteraf maandelijks plaatsvindt. </al><al>Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder
                    worden opgenomen. </al><al>Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="·"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                            de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                            verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                            periode;</al></li><li nr="·"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 1.28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en
                            artikel 6.1 van deze verordening.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4.7 - Hoogte van de tegemoetkoming</tussenkop><al>Voor de doelgroepen die genoemd zijn in artikel 1.22 van de wet staat de hoogte
                    van de tegemoetkoming in de artikelen 1.7, eerste lid, en 1.24, eerste tot en
                    met derde lid, van de wet.</al><al>Het derde lid van dit artikel geeft aan een tegemoetkoming wordt verhoogd met
                    een toeslag voor de kosten van kinderopvang voor een eerste kind dat gebruik
                    maakt van kinderopvang en van een toeslag voor de kosten van kinderopvang voor
                    ieder tweede of volgende kind dat gebruik maakt van kinderopvang. De hoogte van
                    deze toeslag wordt bepaald in een door het college vast te stellen beleidsregel. </al><tussenkop>Artikel 4.8 - De betaling van de tegemoetkoming</tussenkop><al>De tegemoetkoming vindt in de vorm van maandelijkse betalingen achteraf plaats
                    op basis van een factuur van de kinderopvangorganisatie.</al><al>De betaling vindt plaats aan de kinderopvangorganisatie, op basis van een door
                    de ouder afgegeven machtiging. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets
                    aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag
                    gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft
                    sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 - Vaststelling van de tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 - Het besluit tot vaststelling van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders
                    hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college
                    in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. </al><al>Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht
                    van de kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden
                    ingediend. </al><al>Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. </al><al>Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming vast te
                    stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren
                    en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau
                    op te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. </al><al>De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van de
                    tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis
                    van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking
                    tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een lager
                    aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen.</al><al>Lager vaststellen kan ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze
                    bevoegdheid op grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van
                    het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="A."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="B."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="C."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste, of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="D."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><tussenkop>Artikel 5.2 - Verrekening met de betalingen</tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 1.38 Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen . </al><tussenkop>Hoofdstuk 6 - Verplichtingen van de ouder</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 - Inlichtingenplicht</tussenkop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 1.28,
                    eerste tot en met derde lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen. Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald.</al><al>Het vierde lid van artikel 1.28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                    kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder verstrekt
                    desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en
                    inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van belang
                    zijn’.</al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 6.2 van deze verordening kan het college een boete opleggen
                    wanneer de aanvrager niet de genoemde verplichtingen nakomt.</al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.</al><tussenkop>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) kan
                    worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen
                    van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48
                    Awb)</tussenkop><al> Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="A."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="B."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="C."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="D."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    tegemoetkoming is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><tussenkop>Opschorten van de betalingen (artikel 4:56 Awb)</tussenkop><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel totdat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de</al><al>tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de
                    verplichting tot betaling van een tegemoetkoming opschorten met ingang van de
                    dag waarop het college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige
                    vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van de
                    tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met
                    de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt
                    of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken
                    zijn verstreken.</al><tussenkop>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming (artikel 4:49
                    Awb)</tussenkop><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="A."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="B."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="C."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    tegemoetkoming is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al>De vaststelling van de tegemoetkoming kan niet meer worden ingetrokken of ten
                    nadele van de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken
                    sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt.</al><tussenkop>Terugvordering (artikel 1.38 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen)</tussenkop><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen.</al><al>In artikel 1.38 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen worden de
                    bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand
                    van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een
                    tegemoetkoming (artikel 58 tot en met 60 WWB). Dit betekent bijvoorbeeld dat het
                    bedrag dat wordt teruggevorderd, kan worden verrekend met de tegemoetkoming die
                    aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze
                    waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid
                    WWB).</al><tussenkop>Artikel 6.2 - De hoogte van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in
                    bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is
                    geregeld in artikel 1.72 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen. </al><al>Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een
                    onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op
                    bestraffing van de overtreder. </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht ingevolge artikel 1.28 van de wet niet nakomt. </al><al>Het gaat daarbij om het schenden van de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel
                            1.28, eerste lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen);</al></li><li nr="·"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                            college te stellen redelijke termijn (artikel 1.28, tweede lid, Wet
                            kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen);</al></li><li nr="·"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                            college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                            vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 1.28, derde lid, Wet
                            kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 1.80 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen stelt het college van burgemeester en wethouders de overtreder
                    in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar
                    voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd. </al><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 1.72,
                    eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).
                    Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete zal het college
                    maatwerk moeten leveren. </al><al>In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is geregeld in welke
                    gevallen het college géén bestuurlijke boete mag opleggen. </al><al> Dit is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="·"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="·"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                            boete opgelegd of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke
                            boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte
                            doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="·"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 1.72, 1.80 en 1.86 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen.</al><al>Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op
                    de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                    verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden met de
                    omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46, tweede lid,
                    Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college
                    bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend
                    is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    inburgeringsplichtige. </al><al>Het college heeft tevens de mogelijkheid om af te zien van het opleggen van een
                    bestuurlijke boete als daarvoor dringende redenen zijn. </al><tussenkop>Hoofdstuk 7 - Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1 - Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college stelt de gemeenteraad
                    de beleidskaders vast in een verordening. Het college is belast met de
                    uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking
                    daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte
                    toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van
                    overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                    recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk
                    beleid en anderzijds het individuele belang van de ouder. Dat kan onder
                    omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 7.2 - Overgangsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat er altijd een wettelijke basis is voor de
                    ingediende aanvragen. Besluiten die op basis van de oude verordening zijn
                    genomen blijven van kracht voor de periode waarvoor zij zijn genomen of totdat
                    zij zijn ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 7.3 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>