<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR184199_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coördinatieverordening gemeente Ridderkerk 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentejournaal, 30-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coördinatieverordening gemeente Ridderkerk 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeentestukken: 2012-165</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door of namens het bevoegd gezag en met schriftelijk instemming van de aanvrager anders is besloten.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Coördinatieverordening gemeente Ridderkerk 2012
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Ridderkerk;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        20 maart 2012,</al>
          <al>nummer 165;</al>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3.30 van de Wet
                        ruimtelijke ordening;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de ‘Coördinatieverordening gemeente Ridderkerk
                        2012’</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>De verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>besluit: besluit als bedoeld in artikel 3.30 lid 1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="b."><al>coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van
                                    besluiten in één gezamenlijke procedure volgens de
                                    coördinatieregeling van Afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke
                                    ordening;</al></li>
              <li nr="c."><al>bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="d."><al>uitwerkingsplan, wijzigingsplan: een uitwerkingsplan
                                    respectievelijk wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de
                                    Wet ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="e."><al>structuurvisie: een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1
                                    van de Wet ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="f."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li>
              <li nr="g."><al>bouwen: bouwen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
                                    Wabo;</al></li>
              <li nr="h."><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk: een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a van de
                                    Wabo;</al></li>
              <li nr="i."><al>aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend;</al></li>
              <li nr="j."><al>Omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1
                                    en 2.2 van de Wabo.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Reikwijdte van de verordening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30, eerste lid van de Wet
                                ruimtelijke ordening, is alleen van toepassing op het coördineren
                                van de voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, een
                                uitwerkingsplan of een wijzigingsplan vast te stellen met het
                                besluit over een of meer daarmee samenhangende
                                omgevingsvergunningen, met daarin in ieder geval de activiteit het
                                bouwen van een bouwwerk opgenomen, al dan niet met aan de
                                omgevingsvergunning en/of aan het bestemmingsplan gerelateerde
                                vergunningen en ontheffingen als bedoeld in artikel 3.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Besluiten die bij een samenloop met een omgevingsvergunning aanhaken
                                en waarvoor een verklaring van geen bedenking nodig is van
                                Gedeputeerde Staten en/of de Minister vallen buiten de reikwijdte
                                van deze verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Coördinatie</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel>
            </kop>
            <al>Het college van burgemeester en wethouders bevordert een gecoördineerde
                            voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 2 in het geval
                            dat:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het besluit over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                                    bouwwerk dat op het moment van indienen alleen op grond van
                                    artikel 2.10, eerste lid, sub c Wabo geweigerd zou moeten worden
                                    en het besluit over het bestemmingsplan, het uitwerkingsplan of
                                    het wijzigingsplan dat de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    van een bouwwerk mogelijk maakt, maken tenminste deel uit van de
                                    te coördineren besluiten en;</al></li>
              <li nr="b."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering voordoet, waarbij de
                                    gevallen genoemd in artikel 4 in ieder geval als een dergelijke
                                    belemmering gelden en;</al></li>
              <li nr="c."><al>de aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de
                                    aanvrager heeft. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening
                                plaatsvindt</titel>
            </kop>
            <al>Het college van burgemeester en wethouders kan geen gebruik maken van
                            een gecoördineerde voorbereiding op grond van deze verordening in het
                            geval dat:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>er op grond van artikel 7, tweede lid van de Wet milieubeheer
                                    een milieueffectrapport opgesteld moet worden en het geen
                                    deelproject betreft van een grotere ontwikkeling waarvoor al een
                                    milieueffectrapport is opgesteld;</al></li>
              <li nr="b."><al>er op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke
                                    ordening een exploitatieplan moet worden opgesteld en er geen
                                    toepassing kan worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid van
                                    de Wet ruimtelijke ordening;</al></li>
              <li nr="c."><al>uit een analyse blijkt dat de bouw schade kan veroorzaken als
                                    bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de
                                    aanvrager niet bereid is deze schade voor zijn rekening te
                                    nemen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Procedurebepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Procedureregeling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>Aanvullend op de artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet
                                ruimtelijke ordening en op deze verordening, is § 3.5.3 van Afdeling
                                3.5 "Samenhangende besluiten" van de Algemene wet bestuursrecht van
                                toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.28 en 3.29 van die
                                wet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>Bij de toepassing van lid a is het college van burgemeester en
                                wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel
                                3.22 van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in
                                werking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze
                                verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door of
                                namens het bevoegd gezag en met schriftelijk instemming van de
                                aanvrager anders is besloten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Gemeente
                            Ridderkerk 2012.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 26
                        april 2012.</ondertekening>
        <ondertekening>Ridderkerk, </ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>AG/234/AL</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage:</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Toelichting op de coördinatieverordening</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1</tussenkop>
        <al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al>
        <tussenkop>Artikel 2</tussenkop>
        <al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling alleen ziet op het coördineren
                    van de procedure van de omgevingsvergunning (voor het bouwen van een bouwwerk)
                    met de bestemmingsplanprocedure of de procedure van een uitwerkingsplan of van
                    een wijzigingsplan. Dat is de basis. Daarbij kunnen vergunningen die een relatie
                    hebben met de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het
                    bestemmingsplan ook betrokken worden bij de coördinatie. Dat kunnen vergunningen
                    zijn op basis van bijzondere wetten of op basis van gemeentelijke
                    verordeningen.</al>
        <tussenkop>Artikel 3</tussenkop>
        <al>In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en”
                    om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als
                    aan alle voorwaarden is voldaan.</al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Lid a</onderstreept>
          </vet> vormt de basis van de
                    coördinatieverordening: coördinatie op grond van de coördinatieverordening is
                    alleen mogelijk als tenminste het besluit over een bestemmingsplan (of over een
                    uitwerkingsplan / wijzigingsplan) en het besluit over een omgevingsvergunning
                    (voor het bouwen van een bouwwerk) tot de te coördineren besluiten behoren. </al>
        <al>De omgevingsvergunning moet een plan betreffen dat op het moment van indienen op
                    grond van artikel 2.10 lid 1 sub c Wabo geweigerd zou moeten worden (wegens
                    strijdigheid met bestemmingsplan) en die slechts op grond van artikel 2.12 lid 1
                    sub a onder 3 van de Wabo kan worden verleend. Het bestemmingsplan dat de
                    coördinatieregeling volgt, moet die strijdigheid opheffen, zodat de vergunning
                    verleend kan worden. Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op
                    grond van deze verordening dus niet toegepast worden als de aanvraag past in het
                    geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie neerkomen op het omzeilen
                    van de gewone vergunningprocedure.</al>
        <al>Dat kan anders zijn als naast de omgevingsvergunning voor het bouwen van een
                    bouwwerk ook nog andere vergunningen nodig zijn om het project te realiseren.
                    Als het wenselijk is om in dat geval (als er meer vergunningen nodig zijn) de
                    besluiten met de coördinatieregeling voor te bereiden, dan moet de gemeenteraad
                    daartoe apart besluiten.</al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Lid b</onderstreept>
          </vet> moet ruim geïnterpreteerd worden.
                    Het gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen van lid 4 is
                    voldaan, maar het college beoordeelt ook of aan de procedure-eisen voldaan is.
                    Het college kan ook afzien van coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college
                    constateert dat de gemeente geen bestemmingswijziging wil.</al>
        <al>Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie
                    “bevordert”. Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat op grond van deze
                    verordening mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming voorstaat.</al>
        <al>Een ruime uitleg van lid b kan er niet toe leiden dat het college gevallen
                    coördineert die niet onder de verordening vallen en waartoe de raad niet
                    expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te
                    besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.</al>
        <al>Uit <vet><onderstreept>lid c</onderstreept></vet> blijkt dat de aanvrager en de
                    gemeente samen de coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan
                    niet gedwongen worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming.
                    Dat zou namelijk inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een
                    vergunning aan te vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af
                    te zien van coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker
                    wil weten dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil
                    maken voor het maken van een bouwtekening.</al>
        <tussenkop>Artikel 4</tussenkop>
        <al>In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is.
                            <vet><onderstreept>Leden a b</onderstreept></vet> sluiten uit dat
                    besluiten gecoördineerd worden voorbereid, terwijl de uitkomst van de
                    voorbereiding nog onzeker is.</al>
        <al>Zolang geen MER is opgesteld, is ook niet duidelijk welke locatievariant of
                    welke inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Ook de noodzaak tot het opstellen
                    van een exploitatieplan maakt de procedure ingewikkelder. Het feit dat een
                    exploitatieplan nodig is, betekent dat er met partijen (nog) geen
                    overeenstemming is over de financiering, wat geen goede basis is voor een
                    gecoördineerde voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo’n geval te proberen om
                    alsnog met partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de
                    voortvarendheid waarmee via de coördinatieregeling uitvoering kan worden
                    voorbereid.</al>
        <al>Bij mogelijke planschade moet de aanvrager zich bereid verklaren de kosten voor
                    zijn rekening te willen nemen. Dit is vastgelegd in <vet><onderstreept>lid
                            c</onderstreept></vet>. Als de aanvrager dat niet wil, dan ligt het
                    financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de gemeente.
                    De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico. Gecoördineerde
                    besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk.</al>
        <tussenkop>Artikel 5</tussenkop>
        <al>De Wet ruimtelijke ordening geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de
                    coördinatieregeling uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente
                    duidelijkheid geeft over de uitvoering. Dit kan via de Wet samenhangende
                    besluiten Awb. Met deze wet is een coördinatieprocedure toevoegt aan de Algemene
                    wet bestuursrecht. Dit onderdeel van de Awb (met name: § 3.5.3) werkt pas als
                    een gemeentelijke verordening de procedure van toepassing verklaart.
                            <vet><onderstreept>Lid a</onderstreept></vet> regelt dat de Wet
                    samenhangende besluiten Awb van toepassing is op deze verordening. </al>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Lid b</onderstreept>
          </vet> is opgenomen voor alle
                    duidelijkheid. Dat het college het “coördinerend orgaan” is, blijkt ook al uit
                    artikel 3.31, eerste lid Wro, dus feitelijk is dit lid ove</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>