<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR18373_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kinderopvang Oostzaan 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015, 5664</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kinderopvang Oostzaan 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0017017&amp;artikel=25">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kinderopvang oostzaan 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oostzaan</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders nr. ; </al><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel14g van de
                        Gemeentewet; </al><al>Overwegende dat de Raad In artikel 25 van de Wet kinderopvang de opdracht
                        zal krijgen om bij verordening regels te stellen ten aanzien van de
                        gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en dat de Raad
                        hel in het belang van de rechtszekerheid noodzakelijk oordeelt om deze
                        verordening voorafgaand aan het van kracht worden van de Wet kinderopvang nu
                        reeds vast te stellen; </al><al><vet>Besluit: </vet></al><al>vast te stellen de volgende regeling: </al><al><vet>VERORDENING KINDEROPVANG OOSTZAAN 2004 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Conformiteit aan de wet</titel></kop><al>De begrippen gedefinieerd in de artikelen 1 en 2 van de Wet kinderopvang
                            gelden onverkort voor deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang;</al><al> Hoofdstuk 2 Vaststellen sociaal medische indicatie </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt welke gegevens en bewijsstukken de aanvraag als
                                bedoeld in artikel 23 van de wet dient te bevatten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De termijn voor het geven van een beslissing als bedoeld in artikel
                                23 van de wet wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de
                                adviseur als bedoeld in artikel 23, derde lid van de wet het
                                adviesverzoek in behandeling neemt tot de dag waarop hij het advies
                                aan het college bekend maakt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie: </al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal medische indicatie vast te stellen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en/of de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten
                                    van kinderopvang ontvangen of kunnen ontvangen: </al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoren tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of I van de wet </al></li><li nr="c."><al>de ouder enl of de partner weigeren mee te werken aan het
                                    onderzoek, dan wel weigeren toestemming te geven voor het
                                    opvragen van hun medische gegevens door de adviseur als bedoeld
                                    in artikel 23, derde lid van de wet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt welke gegevens en bewijsstukken de aanvraag als
                                bedoeld in artikel 26 van de wet dient te bevatten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Voorwaardelijke verlening</titel></kop><al>Het college kan als voorwaarde voor verlening van de tegemoetkoming
                            stellen dat de ouder en - indien van toepassing - de partner akkoord
                            gaan met cessie van de tegemoetkoming aan het kindercentrum of
                            gastouderbureau en dat zij daartoe een akte van cessie ondertekenen en
                            inleveren bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voorafgaand aan de beslissing op een aanvraag als bedoeld in
                                artikel 26 van de wet een beslissing als bedoeld in artikel 23 van
                                de wet moet worden genomen, wordt de termijn voor het geven van een
                                beslissing op de aanvraag als bedoeld in artikel 26 van de wet
                                opgeschort tot de dag waarop de beslissing als bedoeld in artikel 23
                                van de wet is genomen, doch uiterlijk tot de dag waarop de
                                beslistermijn van artikel 4 van deze verordening is verlopen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming eveneens indien de ouder en
                                indien van toepassing de partner niet voldoen aan devoorwaarde
                                bedoeld in artikel 8. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Ingangsdatum tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is genomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op de - in het eerste lid genoemde - datum nog geen kinderopvang
                                plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend metingang van de datum
                                waarop kinderopvang zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Periode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Omvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vergoeding eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voorzover voor de ouder enl of de partner ondanks de
                                tegemoetkomingen die zij op grond van de wet reeds kunnen ontvangen
                                een eigen bijdrage voor kinderopvang te betalen overblijft, kan het
                                college besluiten ook deze eigen bijdrage te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt vooraf beleidsregels vast omtrent de wijze waarop
                                het uitvoering geeft aan het vorige lid. Het college kanook bepalen
                                geen uitvoering te geven aan het vorige lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor de toepassing van het eerste lid een subsidie
                                plafond in de zin van artikel 4:25 Algemene wet bestuursrecht
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Een besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten bevat in
                            ieder geval de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                            waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend. Voor het overige bepaalt het
                            college de inhoud van de </al><al>beschikking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betaalt de tegemoetkoming uit in de vorm van een
                                maandelijks voorschot. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze en de
                                hoogte van bevoorschotting. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de voorschotten tussentijds wijzigen, verhogen of
                                intrekken indien uit inlichtingen of onderzoek gegevens bekend
                                worden waaruit redelijkerwijs mag worden geconcludeerd dat de
                                tegemoetkoming in afwijking van het besluit tot verlening zal worden
                                vastgesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Opschorting</titel></kop><al>Het college schort de bevoorschotting op indien: </al><lijst><li nr="a."><al>bij het college het redelijke vermoeden rijst dat de ouder en of
                                    de partner onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt
                                    als gevolg waarvan hun recht op een tegemoetkoming of de hoogte
                                    daarvan niet langer kan worden vastgesteld; </al></li><li nr="b."><al>blijkt dat feitelijk geen gebruik (meer) gemaakt wordt van
                                    kinderopvang; </al></li><li nr="c."><al>door de ouder en of partner feitelijk geen gebruik (meer)
                                    gemaakt wordt van een voorziening, gericht op
                                    arbeidsinschakeling, indien dit een voorwaarde voor het
                                    verkrijgen van de tegemoetkoming is; </al></li><li nr="d."><al>de ouder en of partner de akte van cessie als bedoeld in artikel
                                    8 intrekken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Vaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag tot vaststelling van de
                                tegemoetkoming geschiedt met behulp van een door het college
                                vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de ouder niet heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste
                                lid, kan het college de tegemoetkoming na verloop van vier weken na
                                afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer het college het voorschot tussentijds heeft ingetrokken
                                eindigt de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend op de dag
                                van de bekendmaking van het besluit tot intrekking, tenzij het
                                college in zijn besluit tot intrekking anders heeft aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer het college na intrekking van het voorschot aanleiding ziet
                                verlof te vragen als bedoeld in artikel 700, Wetboek van Burgerlijke
                                Rechtsvordering, kan de vaststelling van de tegemoetkoming zoveel
                                eerder plaatsvinden als nodig is om aan de door de
                                voorzieningenrechter ex artikel 700, derde lid Wetboek van
                                Burgerlijke Rechtsvordering opgelegde voorwaarden te voldoen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verrekening en terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na de vaststelling van de tegemoetkoming nog een bedrag te
                                betalen resteert wordt dit overeenkomstig de vaststelling binnen
                                acht weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na de vaststelling van de tegemoetkoming blijkt dat meer
                                voorschot is verleend dan waarop recht bestaat, wordt het aldus ten
                                onrechte betaalde bedrag teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan - op verzoek van de ouder en/of de partner - geheei
                                of gedeeltelijk afzien van terugvordering indien daartoedringende
                                redenen bestaan. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van ouder en partner</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming of die leiden tot intrekking van de
                                tegemoetkoming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de Minister de artikelen in de Wet kinderopvang. die gaan
                                over sociaal-medisch geïndiceerden -één van de beoogde gemeentelijke
                                doelgroepen uit de Wet kinderopvang- niet in werking laat treden,
                                kan het college een bijdrage voor kinderopvang beschikbaar stellen
                                als er sprake is van een sociaal-medische indicatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast omtrent de vaststelling van een
                                sociaal-medische indicatie en de hoogte van de gemeentelijke
                                bijdrage. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>In werking treding en bekendmaking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking 3 dagen na haar
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treedt paragraaf 2 van deze
                                verordening in werking op het moment, dat artikel 23 van de
                                Wetkinderopvang in werking treedt. Vanaf dat moment vervalt de
                                overgangsbepaling in artikel 21.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening zal worden bekendgemaakt door het plaatsen van de
                                verordening in het Kompas.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kinderopvang Oostzaan
                            2004 </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 25 oktober 2004 </ondertekening><ondertekening>voorzitter, griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KINDEROPVANG OOSTZAAN 2004</titel></kop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING </tussenkop><al/><al>Inleiding </al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term 'tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)'. </al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben
                    betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                    tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht.
                    De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht), te weten: </al><al>een aanspraak op financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het
                    oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht die regels stelt over subsidies is van toepassing op de
                    tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de
                    kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang; </al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al/><al>De gemeente Oostzaan beschikt over een algemene subsidieverordening. De vraag is
                    dan aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang en de
                    algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                    subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang. Deze verordening is zo opgezet dat deze geheel los staat van de
                    algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene subsidieverordening
                    niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt
                    dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene regeling. </al><al/><al><vet>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen</vet></al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al/><al><cursief>Bepalingen </cursief>om <cursief>de beheersbaarheid van de
                        gemeentelijke uitgaven te bevorderen </cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    'open-einde regeling'. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente. </al><al/><al>Om gemeenten in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de verstrekking
                    van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de verordening de
                    volgende bepalingen opgenomen: </al><al><cursief>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders die geen
                        eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven te betalen, wordt aan
                        beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald dat bij deze groep
                        ouders de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang
                        per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs
                        noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken.
                    </cursief></al><al/><al><cursief>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                        gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                        waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is
                        genomen. </cursief></al><al><cursief>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                        kinderopvang plaatsvindt.</cursief></al><al><cursief>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse
                        voorschotten.</cursief></al><al><cursief>De verordening biedt voldoende bevoegdheden tot handhaving,
                        teneinde</cursief><cursief>misbruik en oneigenlijk gebruik van de regeling zoveel mogelijk te
                        beperken en eventueel toch optredende schade daarvan zoveel mogelijk te
                        herstellen.</cursief></al><al/><tussenkop>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalendetjaar </tussenkop><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van een
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij de wijze waarop de betalingen door
                    de Belastingdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk
                    jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                    gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                    tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat). </al><al/><tussenkop>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen </tussenkop><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Algemene wet bestuursrecht De eerste stap is de
                    beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de
                    ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de
                    tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is voorwaardelijk omdat op
                    het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager
                    daadwerkelijk en voor de hele periode gebruik zal maken van kinderopvang en zich
                    aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter
                    schept de subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt achteraf vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de
                    gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindercentrum of gastouderbureau op te vragen. </al><al/><al><vet>Aanwijzen van eigen doelgroeppen</vet></al><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                    gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze criteria
                    zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen. Gemeenten hebben
                    bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkoming
                        <cursief>dus </cursief>geen beleidsvrijheid. </al><al/><al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn
                    benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                    tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Het verdient aanbeveling om de
                    tegemoetkomingen aan eigen doelgroepen in deze verordening te regelen en niet in
                    een aparte verordening. Dit voorkomt versnippering van regelgeving en bovendien
                    worden de procedurele bepaiingen in deze verordening automatisch ook van
                    toepassing op de tegemoetkomingen die de gemeente aan eigen doelgroepen
                    verstrekt. </al><al/><al>In deze verordening is in artikel 14 aan het college een beperkte bevoegdheid
                    gegeven om een gemeentelijke doelgroep in het leven te roepen. (zie hiervoor de
                    artikelsgewijze toelichting.) </al><al/><tussenkop><onderstreept><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></onderstreept></tussenkop><al/><tussenkop>Considerans </tussenkop><al>De eerste tegemoetkomingen voor kinderopvang moeten al in januari 2005 geregeld
                    zijn. Dit betekent dat vanaf 1 oktober 2004 aanvragen moeten kunnen worden
                    behandeld. Op dat moment is de Wet kinderopvang naar alle waarschijnlijkheid nog
                    niet van kracht Om deze wet meteen vanaf het begin goed uit te kunnen voeren is
                    het - uit een oogpunt van rechtszekerheid en uitvoerbaarheid - noodzakelijk dat
                    de daarop te baseren verordening al op of kort voor 1 oktober 2004 van kracht
                    is. Daarom wordt in de considerans van de verordening mede verwezen naar artikel
                    149 van de Gemeentewet. Dit artikel geeft de Raad de bevoegdheid de
                    verordeningen vast te stellen die de raad noodzakelijk acht. </al><al/><al>Artikel 25 van de Wet Kinderopvang geeft de Raad de opdracht om bij verordening
                    regels vast te stellen omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                    moeten betrekking hebben op de verlening, de voorschotverlening en de
                    vaststelling van de tegemoetkoming. </al><al/><al><vet> Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><tussenkop>Artikel 1 Conformiteit aan de wet </tussenkop><al>Artikel 1 is opgenomen om boven iedere mogelijke twijfel te verheffen dat het
                    begrippenkader van deze verordening naadloos aansluit bij dat van de Wet
                    kinderopvang. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Begripsbepalingen </tussenkop><al>In dit artikel zijn enkele begrippen opgenomen die niet in de wet zelf
                    gedefinieerd zijn. </al><al/><al><vet> Hoofdstuk 2 Vaststellen sociaal medische indicatie </vet></al><al/><tussenkop>Artikel 3 Te verstrekken gegevens </tussenkop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning
                    van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden
                    ingediend. De besluiten over de toekenning van een sociaalmedische indicatie en
                    de verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in een
                    beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht worden
                    genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaalmedische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een tegemoetkoming. </al><al/><tussenkop> Artikel 4 Beslistermijn </tussenkop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met de
                    tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een 'onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid' (artikel 23, derde lid,
                    Wet kinderopvang). Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen,
                    verdient het aanbeveling dat de gemeente 'harde' afspraken maakt met de
                    adviserende organisaties over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht.
                    Echter de gemeente heeft de snelheid van werken van deze externe adviseur in
                    individuele gevallen uiteindelijk niet in de hand. Daarom is in het derde lid de
                    opschorting van de besiistermijn voor de duur van het adviestraject opgenomen. </al><al/><al><cursief> Artikel 5 Inhoud van de beschikking</cursief></al><al>Het besiuit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en
                    beroep kan worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                    sociaal medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven
                    hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Hel besluit over de
                    noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag
                    voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit de
                    geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze verplichting staat in het
                    vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het kan gaan om een geldigheidsduur
                    voor een beperkte termijn, maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd.
                    In het indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. </al><al/><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit
                    advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                    afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte
                    advies, zal het college de redenen voor de afwijking moeten motiveren (artikel
                    4:20 Algemene wet bestuursrecht). De motiveringverplichting geldt met name voor
                    het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend
                    besluit neemt. </al><al/><tussenkop> Artikel 6 Weigeringsgronden </tussenkop><al>Dit artikel bevat drie weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft aan
                    dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie
                    een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere
                    bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in
                    de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de
                    kosten van kinderopvang wegens een sociaal medische noodzaak. </al><al>De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich. </al><al>De weigeringsgrond onder c is opgenomen om te voorkomen dat het college
                    gedwongen wordt een toekennend besluit te nemen zonder deugdelijk onderzoek en
                    advies. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Aanvraag van de tegemoetkoming</vet></al><tussenkop> Artikel 7 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag </tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid. Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht). </al><al/><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingjaar wordt verstrekt
                    (artikel 12 verordening) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Een
                    verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren
                    of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een vertaging van
                    de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang
                    hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk
                    mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid Wet kinderopvang en
                    artikel 16, eerste lid). </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Verlening</vet></al><al/><tussenkop> Artikel 8 Voorwaardelijke verlening </tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om als voorwaarde voor de verlening van de
                    tegemoetkoming te eisen dat het recht op de betaling wordt overgedragen aan de
                    gekozen kinderopvanginstelling. De Wet kinderopvang bevat zelf niet de
                    mogelijkheid voor een dergelijke voorwaarde, maar de bevoegdheid tot het
                    opleggen van een dergelijke voorwaarde kan worden afgeleid uit artikel 4:38 van
                    de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel biedt dan het wettelijk voorschrift
                    krachtens welke de voorwaarde kan worden gesteld. </al><al>Overigens is het denkbaar dat de in Zaanstad geregistreerde kindercentra en
                    gastouderbureaus alleen een overeenkomst tot kinderopvang willen aangaan als de
                    betreffende ouders en hun partners bereid zijn akkoord te gaan met overdracht
                    van de gemeentelijke bijdragen. </al><al>Deze bepaling draagt eraan bij dat de verstrekte tegemoetkoming ook
                    daadwerkelijk voor de beoogde kinderopvang wordt gebruikt. </al><al>De met de Wet kinderopvang beoogde vraaggestuurde financiering van de
                    kinderopvang komt met deze bepaling niet in gevaar. Het zijn immers nog steeds
                    de ouders die een kindercentrum of gastoudertbureau uitzoeken. </al><al/><tussenkop> Artikel 9 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming </tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in vertband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste vier weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd. </al><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken voor 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen. </al><al>Het derde lid is opgenomen om zeker te zijn dat de beslistermijn voor het
                    verlenen van een tegemoetkoming nooit korter is dan de beslistermijn voor het
                    beoordelen van een eventuele sociaal- medische indicatie. </al><al/><tussenkop> Artikel 10 weigeringsgronden </tussenkop><al>Naast de weigeringsgronden opgenomen in dit artikel zijn uiteraard ook de
                    weigeringsgronden opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het
                    gaat dan met name om artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht. Het tweede lid van
                    deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een eventueel krachtens artikel 8
                    opgelegde voorwaarde in de praktijk een dode letter blijft. </al><al/><tussenkop> Artikel 11 Ingangsdatum tegemoetkoming </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk </al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op net
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben. </al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt. </al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst
                    genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artike/4:1 en 4:2 Algemene
                    wet bestuursrecht. </al><al>Dit betekent dat een aanvraag: </al><lijst><li nr="1."><al>schriftelijk moet worden ingediend: </al></li><li nr="2."><al>moet zijn ondertekend; </al></li><li nr="3."><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten; </al></li><li nr="4."><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door
                    het college in ontvangst is genomen. </al><al/><tussenkop> Artikel 12 Periode </tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reintegratietraject voor een
                    bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming
                    te koppelen aan de duur van het reintegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al><al/><tussenkop> Artikel 13 Omvang </tussenkop><al>Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een
                    gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zelf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband </al><al>met de combinatie van arbeid en zorg. Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is
                    de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt
                    de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het
                    zogeheten 'Koakopje', zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid,
                    onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen
                    bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders
                    die wel een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang
                    moeten betalen en de hoogte van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag
                    naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de
                    groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel
                    kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht
                    te kunnen combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang van de
                    kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal
                    ook rekening moeten worden gehouden met omstandigheden als een handicap of
                    chronische ziekte van de ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie
                    meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het kind. In tegenstelling
                    tot kinderopvang op grond van sociaalmedische indicatie op grond van artikel 23
                    Wet kinderopvang, is het niet verplicht voor deze beoordeling advies aan te
                    vragen. </al><al/><al>Het is aan te bevelen dat het college in beleidsregels neerlegt hoe het wil
                    omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel
                    mogelijk geobjectiveerd. </al><al/><al><cursief> Artikel 14 Vergoeding eigen bijdrage</cursief></al><al>Omtrent de exacte en totale hoogte van de tegemoetkomingen die ouders en hun
                    partners van het rijk, de gemeenten en het UVW kunnen krijgen bestaat op dit
                    moment nog onzekerheid, omdat deze tegemoetkomingen deels in een nog te
                    publiceren ministeriële regeling moeten worden uitgewerkt. De mogelijkheid
                    bestaat dat ook voor ouders met een inkomen op minimumniveau een eigen bijdrage
                    te betalen resteert. Met deze bepaling wordt de mogelijkheid geboden om, indien
                    daarvoor budgettaire ruimte is, deze ouders tegemoet te komen. Om snel in te
                    kunnen spelen op de veranderingen in de behoeften en de geldstromen is het aan
                    het college opgedragen om - al dan niet - van deze mogelijkheid gebruik te
                    maken. </al><al/><al>Het college zal, als het van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, exact
                    moeten bepalen voor welke doelgroepen en tot welk bedrag aan ondersteuning.
                    Krachtens deze bepaling kan het college ook een subsidieplafond vaststellen. Het
                    is vereist dat een eventueel subsidieplafond bekend gemaakt wordt, voordat op
                    daarmee samenhangende aanvragen wordt beslist. Bij de vaststelling van het
                    subsidieplafond dient het college eveneens te bepalen hoe het beschikbare
                    subsidiebedrag wordt verdeeld. Het meest voor de hand ligt dat het beschikbare
                    bedrag wordt verdeeld over de aanvragen op volgorde van binnenkomst van de
                    aanvragen. (Wie het eerst komt die het eerst maalt.) </al><al/><al>In de redactie van dit artikel staat dat het moet gaan om een eigen bijdrage die
                    resteert nadat alle vergoedingen die ouders <cursief>enJof </cursief>partners
                    kunnen krijgen in aanmerking zijn genomen. Dit betekent dus dat ouders en
                    partners die niet volledig gebruik maken van de bestaande mogelijkheden voor
                    vergoeding nooit via enige regeling op basis van artikel 14 gecompenseerd kunnen
                    worden voor hun verzuim. De vraag of de ouders en partners hiervan enig verwijt
                    gemaakt kan worden speelt daarbij geen enkele rol. </al><al/><al><cursief> Artikel 15 Inhoud van de beschikking</cursief></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><cursief> Artikel 16 Bevoorschotting</cursief></al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele tegemoetkomingjaar betreft) De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan
                    de ouder. De ouder kan, al dan niet op voorwaarde van de gemeente <cursief>enJof
                    </cursief>op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Verder kan het college regels
                    geven over de hoogte van de voorschotbedragen. Het ligt voor de hand dat deze
                    bedragen gerelateerd worden aan de redelijkerwijs te verwachten vaststelling van
                    de tegemoetkoming. </al><al>Het derde lid geeft het college een ruime bevoegdheid om de bevoorschotting aan
                    te passen op basis van tussentijds bekend wordende feiten en omstandigheden. </al><al/><tussenkop> Artikel 17 Opschorting </tussenkop><al>De artikelen 4:48, 4:49 en 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht geven een
                    algemene wettelijke basis voor het opschorten van de betaling van subsidie-
                    voorschotten. Dit artikel van de verordening spitst de bevoegdheid tot
                    opschorting toe op de tegemoetkoming kinderopvang. </al><al>Ingeval van een redelijk vermoeden van schending van de inlichtingen plicht kan
                    er worden overgegaan tot schorsing van de betalingen, onder gelijktijdige
                    verzending van een brief met vragen en een hersteltermijn aan de ouder en/of
                    partner. Wanneer hierop geen of geen adequaat antwoord komt kan op grond van
                    artikel 16, derde lid van de verordening het voorschot geheel worden
                    ingetrokken. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Vaststelling</vet></al><al/><tussenkop> Artikel 18 Vaststelling van de tegemoetkoming </tussenkop><al>Op grand van artikel 4:47, onderdeel a, Algemene wet bestuursrecht kan het
                    college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen.
                    Ambtshalve vaststellen houdt in dat hel college op eigen initialief de
                    tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen
                    van de tegemoetkoming bij het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindercentrum of
                    gastouderbureau op te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen
                    van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                    basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van
                    een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
                        </al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid van artikel 4:46 Algemene wet bestuursrecht luidt: 'Voor zover het
                    bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de
                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid
                    niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de
                    subsidie niet in aanmerking genomen'. </al><al/><al>Het vierde lid van deze bepaling geeft aan wanneer het college op zijn vroegst
                    de tegemoetkoming kan vaststellen. Het vijfde en het zesde lid vervroegen het
                    moment waarop de tegemoetkoming kan worden vastgesteld voor die gevallen waarin
                    dat uit een oogpunt van bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                    regeling vereist is. Het zesde lid biedt de mogelijkheid om ingeval van de
                    ontdekking van fraude het hele proces van vaststelling en terugvordering zodanig
                    te versnellen, dat een succesvolle terugvordering in combinatie met het leggen
                    van conservatoir beslag mogelijk wordt. </al><al/><tussenkop>Artikel 19 Verrekening en terugvordering </tussenkop><al>Dit artikel regelt in het eerste lid de uitbetaling door de gemeente van enig
                    nog te betalen deel van de tegemoetkoming. </al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat alle ten onrechte verleende tegemoetkomingen
                    moeten worden teruggevorderd. Van deze plicht tot terugvordering kan op verzoek
                    van de belanghebbende worden afgezien indien daartoe dringende redenen bestaan.
                    Het ligt op de weg van de betreffende ouder of partner om deze dringende redenen
                    te stellen en voldoende te onderbouwen. </al><al>De terugvordering is overigens verder geregeld in artikel 38 van de wet. Het
                    tweede lid van dit artikel verklaart de artikelen 58 tot en met 60 van de Wet
                    werk en bijstand van overeenkomstige toepassing op de terugvordering van
                    gemeentelijke tegemoetkomingen kinderopvang. Dat betekent dat bij beschikking
                    tot terugvordering besloten moet worden en dat een dergelijke beschikking een
                    executoriale titel oplevert Krachtens een beschikking tot terugvordering kan dus
                    ook beslag gelegd worden, op dezelfde wijze als dat voor bijstand kan. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Verplichtingen van ouder en partner</vet></al><al/><tussenkop> Artikel 20 Inlichtingenplicht </tussenkop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt deze
                    verplichting hier herhaald </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                    kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: 'De houder verstrekt
                    desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en
                    inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van belang
                    zijn. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot </al></li></lijst><al>gemeentelijke doelgroep). </al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</vet></al><al/><tussenkop> Artikel 21 overgangsbepaling </tussenkop><al>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal artikel 23 van de Wet
                    kinderopvang voorlopig niet in werking laten treden i.v.m. de overgang van een
                    aantal taken van de Regionale Indicatie Organen naar een centraal orgaan. Het
                    gemeentelijk beleid is ervan uitgegaan, dat ouders of kinderen met een
                    sociaal-medische indicatie gebruik moeten kunnen maken van kinderopvang als dat
                    de meest passende oplossing zou zijn. In deze overgangsbepaling wordt het
                    college van BenW de mogelijkheid geboden een bijdrage te verlenen voor dit doel.
                    De voorwaarden dienen nader 1e worden uitgewerkt. </al><al/><tussenkop> Artikel 22 inwerkingtreding en bekendmaking </tussenkop><al>Zoals in de toelichting op de considerans reeds is betoogd is het vereist dat
                    deze verordening zo snel mogelijk, doch uiterlijk op 1 oktober as, in werking is
                    getreden, zodat de belanghebbende ouders en hun partners, de
                    kinderopvanginstellingen en de uitvoering zich tijdig op de invoering van de
                    nieuwe wet kunnen voorbereiden, Daarom wordt voorgesteld deze verordening
                    versneld in werking te laten treden, </al><al/><tussenkop> Artikel 23 citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>