<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR18351_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Zevenaar 2009.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-12-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 6 januari
                2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Zevenaar 2009.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 100 van de Wet op de expertisecentra,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 5 van de Gemeentewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van de Algemene Wet Bestuursrecht;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-12-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>+ bijlagen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Zevenaar 2009.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
                                </al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertise centra en de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere
                                    school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw
                                    dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; </al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="d."><lijst><li nr="o"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al></li><li nr="o"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="o"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1,2 en 5 van de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs. </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of
                                    artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening; </al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening; </al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening; </al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 26 van deze
                                    verordening heeft ingediend; </al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding; </al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is; </al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is; </al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
                                </al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren; </al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening; </al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs; </al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs; </al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid
                                    van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid
                                    van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van
                                    de Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs. </al></li><li nr="u."><al>deskundige: een functionaris die door zijn opleiding of ervaring
                                    door het college gekwalificeerd wordt geacht de bouwkundige en
                                    onderhoudsstaat van schoolgebouwen te kunnen beoordelen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie; </al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest; </al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;
                                        </al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school; </al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening; </al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht; </al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I; </al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I; </al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie; </al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden; </al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al> Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1 en a2,
                            voor zover het een uitbreiding van meer dan drie lokalen betreft, kan
                            een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a1, a2, a6, a7, a8 en art. 3.. Deel B
                                van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in
                                artikel 2, onder a3, a4 a5, b, c, d en f. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;
                                        </al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd; </al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot en met 8
                                            en artikel 2, onder d, e en f; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1
                                            tot en met 4; </al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit’: 1)
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw; 2) uit onderhoud aan een gebouw van een school
                                            voor basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs, of; 3) uit herstel van een
                                            constructiefout; </al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is; </al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 28. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien e vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    van de opgave niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin
                                    is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al> Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 26 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader
                                        toe te lichten. </al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in
                                        artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en
                                        het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                        overgelegde begroting van de kosten dient te worden
                                        aangepast. Het college geeft in het voorstel tot
                                        vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht
                                        als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de
                                        redenen , aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                        is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het
                                        college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                        geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde voorziening
                                        wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in
                                        paragraaf 2.3. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. </al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        1 oktober. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                        weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór 1 oktober hun
                                        zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
                                        college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in
                                        kennis. </al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen. </al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of het college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. </al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid. </al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg. </al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        drie weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                        bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                        bedragen per onderwijssoort of per voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><al>1.De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
                                van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra
                                en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringgronden van
                                toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.
                                Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria
                                als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad bij de vaststelling van het programma af
                                        te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                        bijlage V. </al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld; </al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin; </al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen. </al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                        college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                                        overige bevoegde gezagsorganen. </al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bouwheerschap</titel></kop><al>Het bevoegd gezag treedt op als bouwheer, tenzij het bevoegd gezag
                                met het college anders overeenkomt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over: </al><lijst><li nr="a."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                                begroting door de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
                                            </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                                toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede
                                                aan de toetsing in verband met wettelijke
                                                voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                                bedoeld in artikel 17; </al></li><li nr="d."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over de besteding van de beschikbaar te stellen
                                                middelen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen. </al></li><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het
                                        college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen
                                        vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de
                                        aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt
                                        met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                        schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de
                                        inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming
                                        of geen overeenstemming te zijn bereikt. </al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        17, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 18 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="5."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 16, derde
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college. </al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                        college over de instemming met de bouwplannen en de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten,
                                        wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen
                                        en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de
                                        beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en
                                        het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen
                                        twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking. </al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of
                                        er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 16. </al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin. De beslissing van het college als bedoeld in
                                        het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van
                                        het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het
                                        tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 16,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 17, tweede
                                lid of artikel 17, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend
                                        op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                        verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober
                                        daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste
                                        volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt
                                        de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
                                        het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                        opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten
                                        zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst
                                        vermeldt de datum van de aankoop. </al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend. </al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 1 oktober op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.
                                    </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;
                                            </al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting
                                                niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                                vast te stellen programma; </al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                                6 tot en met 8 en artikel 2 onder d, e en f; </al></li><li nr="d."><al>een begroting (incl. offertes) van de kosten gemoeid
                                                met de uitvoering indien het een voorziening betreft
                                                als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        drie weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen drie
                                        weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het
                                        college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                        gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn
                                        heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen twaalf weken nadat de aanvullende
                                        gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.
                                        Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de
                                        aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college. </al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen twaalf weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de
                                        regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;
                                            </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld
                                                in bijlage III. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten. </al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                        bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen
                                        voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
                                        geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 22,
                                        eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                        college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over
                                        de wijze van uitvoering. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats
                                        van de termijn, genoemd in artikel 17, tweede lid, eerste
                                        volzin, een termijn van drie weken geldt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 23, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde
                                        in artikel 19, eerste lid van overeenkomstige toepassing.
                                    </al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn. </al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college
                                        een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag voor
                                    bekostiging van de bouwvoorbereiding in te dienen bij het
                                    college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment
                                    van aanbesteding van die voorziening. </al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier. </al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                            wordt gewenst; </al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                            gewenste locatie van de voorziening; </al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                            voorziening; </al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten; </al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                            vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                            vervanging van een bestaand gebouw; </al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste
                                            lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is
                                            aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15
                                    maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7,
                                    derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige
                                    artikel, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt voor bekostiging van
                                    bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de
                                    aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met
                                    het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10,
                                    tweede, derde en vierde lid zijn daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11,
                                    tweede lid, een beslissing over de aanvraag. </al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten
                                            van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; </al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                            vaststaat; </al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                            gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                            aanmerking kan worden gebracht. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                    welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                    bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden
                                    gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                    aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                                    ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager
                                    en het college maken afspraken over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag. </al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 20 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien; </al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;
                                    </al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;
                                    </al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                                onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal
                                                vierkante meters bruto-vloeroppervervlakte zoals
                                                berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                                capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis
                                                van bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste een
                                                aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter
                                                grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                                drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                                school of scholen; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                                                Bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                                zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel A
                                                blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                                bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op
                                                basis van het lesrooster of lesroosters voor het
                                                lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                                binnen het overschot aan vierkante meters bruto
                                                vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting
                                                van de onderwijsruimten. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op
                                                basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting
                                                van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het
                                                bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                                schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; </al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet
                                                onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen
                                                genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan
                                                40 oplevert. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit. </al></li><li nr="3."><al><cursief>Het college gaat niet over tot vordering ten
                                            behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de
                                            leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik
                                            dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een
                                            peuterspeelzaal</cursief>.</al></li><li nr="4."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het vierde lid opgenomen volgorde afwijken.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10. </al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben. </al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 20, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. </al></li><li nr="4."><al>Binnen twee weken na het overleg als bedoeld in het vorige
                                        lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering
                                        te hebben. </al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd; </al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                                onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                                                klokuren dat gevorderd wordt; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft; </al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt; </al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 31; </al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag. </al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt; </al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school; </al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt; </al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is; </al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in
                                        het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft
                                        geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die
                                        afspraken. Voor zover het overleg niet tot overeenstemming
                                        heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het
                                        college over de punten. Indien het bevoegd gezag in het
                                        overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                        vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                        bedoeld worden afgezien. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college. </al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de
                                        te verhuren ruimte. </al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen de toestemming indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                                voortgezet onderwijs of; </al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag
                                    nodig is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik
                                    van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch
                                    uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het
                                    bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals
                                    vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake
                                    een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.
                                </al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft
                                    plaatsgevonden, een staat van onderhoud opgemaakt. </al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag. </al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt. </al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of – ruimten
                                            waarin het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 20, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is. </al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></li></lijst><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering
                            het volgende in acht: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte; </al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;
                                        </al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt; </al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid
                                            voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt,
                                            wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van
                                            het bevoegd gezag van de school. Het college neemt het
                                            aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts
                                            op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor
                                            nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is
                                            gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden in de gelegenheid gesteld binnen
                                    drie weken schriftelijk te reageren op het voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het tweede lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het vijfde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd. </al></li><li nr="7."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 23 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 33, vierde lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Schouw schoolgebouwen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Eens in de twee jaar geeft het college een deskundige opdracht
                                    de staat van het onderhoud van alle gebouwen voor het
                                    basisonderwijs op te maken.</al></li><li nr="2."><al>Na ontvangst van de staat van onderhoud stuurt het college
                                    terstond een afschrift naar de bevoegde gezagsorganen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV , deel A opgenomen prijsindexen en
                            systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Zevenaar 2009.
                                </al></li><li nr="2."><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente Zevenaar
                                    zoals vastgesteld door de raad op 21 december 2005</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december
                                    2009. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar,</al><al>gehouden op 25 november 2009.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>1.1<vet> Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) het
                            feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al><al>1.2<vet> Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging); </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of 2) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                            Bij medegebruik wordt een termijn van maximaal vier jaar
                            aangehouden.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college; </al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie; </al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al>1.3<vet> Uitbreiding</vet></al><al>1.3.1<vet>Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en; </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan
                            (kunnen) worden verwacht of 2) het feit dat de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of 3) het feit
                            dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat
                            er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten
                            jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal </tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten; </al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl </al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en </al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken. </al><al>1.4<vet> Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of 2) het feit dat het huidige gebouw
                            voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl </al></li><li nr="b."><al>1) de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) de te
                            huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; </al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al><al>1.5<vet> Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl </al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                        </al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al><al>1.6<vet> Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al>1.7<vet> Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet><vet>en
                        meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit
                    dater sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij
                    sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en
                    voor zo’n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                    meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal
                    basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al>1.8<vet> Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capacitiet van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt. </al><al>1.9<vet>Aanpassing</vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;
                        </al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs; </al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving; </al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en </al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen; </al></li><li nr="g."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen. </al></li></lijst><tussenkop>Ad a </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><tussenkop>Ad b </tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen
                    leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen
                    een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig
                    is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen
                    of zes- tot twaalfjarigen.</al><tussenkop>Ad c </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                    uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college , op grond van bijlage IV,
                    deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is..</al><tussenkop>Ad d </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad e </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indienzij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende tenminste 15 jaren voldoende leerlingen om de school in stand te
                    kunnen houden, kunnen worden verwacht.</al><tussenkop>Ad g </tussenkop><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en </al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en </al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en </al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al><al>1.10<vet>Onderhoud</vet></al></li></lijst><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                            en </al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed. </al><al>1.11<vet>Herstel van constructiefouten</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12<vet>Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>2<vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>2.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) het
                            feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al><al>2.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur); </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of 2) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college; </al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie; </al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al>2.3<vet>Uitbreiding</vet></al><al>2.3.1<vet>Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of 2) het feit dat de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of 3) het feit dat de
                            laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat er
                            leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten
                            jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren. </al><al>2.3.2<vet>Uitbreiding met een speellokaal</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten; </al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl </al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en,
                        </al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijke aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgelegd op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al><al>2.4<vet> Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                            voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of 2) het feit dat
                            het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
                            terwijl </al></li><li nr="b."><al>1) de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) de te
                            huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; </al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al><al>2.5<vet> Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl </al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                        </al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al><al>2.6<vet> Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D</al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><tussenkop>2.8 Medegebruik </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B,, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing </tussenkop><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten; </al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw; </al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs); </al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving; </al></li><li nr="f."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en </al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen. </al></li></lijst><tussenkop>Ad a </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn. </al><tussenkop>Ad b </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal leerlingen
                    zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat
                    binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw niet
                    is ingericht voor het desbetreffende onderwijs. </al><tussenkop>Ad c </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><tussenkop>Ad d </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad f </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><tussenkop>Ad g </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><tussenkop>2.10 Onderhoud </tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is. Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                            school nodig zijn; en </al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik elders. </al></li></lijst><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>3<vet> School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college. </al><al>3.1<vet> Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b."><al>1) het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) het
                            feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al><al>3.2<vet> Vervangende bouw </vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging); </al></li><li nr="b."><al>1) de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2) de te
                            huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college; </al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie; </al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al>3.3<vet> Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al><al>3.4 <vet>Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of 2) het huidige gebouw, gelet op het
                            gestelde onder 3.2 onder a, voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                            komt, terwijl </al></li><li nr="b."><al>1) de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
                            2) de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; </al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw. </al><al>3.5<vet> Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl </al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                        </al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al><al>3.6<vet> Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al>3.7<vet> Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit (incl.
                    inpandige aanpassingen) van de school. Bij fusie van scholen kan er alleen
                    sprake zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het
                    aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. </al><al>3.8<vet> Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a. </al><al>3.9<vet>Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage
                    waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>1.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>1.3<vet>Uitbreiding</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>1.4<vet> Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of 2) het feit dat het huidige gebouw voor vervanging,
                            conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en </al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw. </al><al>1.5<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al>1.6<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt. </al><al>1.7<vet>Eerste inrichting meubilair</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt. </al><al>1.8<vet>Medegebruik</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al>1.9<vet>Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; </al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte; </al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. </al></li></lijst><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. </al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><tussenkop>Ad 3 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn. </al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad 5 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al>1.10<vet>Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is. </al><al>1.11<vet>Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al>1.12<vet>Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al>2<vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>2.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2
                            kmhemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10
                            groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 kmhemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5
                            km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen
                            speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                            dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                            gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>2.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 kmhemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs,
                            2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 kmhemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5
                            km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen
                            speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                            dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                            gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>2.3<vet> Uitbreiding</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2
                            kmhemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10
                            groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 kmhemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5
                            kmhemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                            groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al><al>2.4<vet>Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst
                            voor bekostiging in aanmerking brengt of 2) het feit dat het huidige
                            gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder a, in
                            aanmerking komt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2
                            kmhemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10
                            groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5
                            kmhemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                            groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en </al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw. </al><al>2.5<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al>2.6<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt. </al><al>2.7<vet>Eerste inrichting meubilair</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt. </al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt. </al><al>2.8<vet>Medegebruik</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al>2.9<vet>Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; </al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte; </al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. </al></li></lijst><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn. </al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn. </al><tussenkop>Ad 3 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn. </al><tussenkop>Ad 4 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven. </al><tussenkop>Ad 5 </tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. </al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al>2.10<vet>Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs'; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is. </al><al>2.11<vet>Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al>2.12<vet>Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw </tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000
                            meterhemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw </tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000
                            meterhemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><tussenkop>3.3 Uitbreiding </tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1) het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of 2) het feit dat het huidige gebouw voor vervanging,
                            conform het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en </al></li><li nr="d."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><tussenkop>3.5 Terrein </tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs </tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al></li></lijst><tussenkop>3.7 Medegebruik </tussenkop><tussenkop>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte </tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><tussenkop>3.7.2 Huur van een sportterrein </tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en </al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag. </al></li></lijst><tussenkop>3.8 Herstel constructiefouten </tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in </tussenkop><tussenkop>geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>I-1 </tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Onderhoud PO' </tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud: </al><lijst><li nr="·"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al></li><li nr="·"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen brandtrap. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen erfscheiding. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al></li><li nr="·"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatie-activiteit). </al></li><li nr="·"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit).
                        </al></li><li nr="·"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al></li><li nr="·"><al>Vervangen boeiboorden. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage I is voor de
                    voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognosetermijn moet
                    worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende
                    voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen
                    met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen
                    blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijn prognose. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden; </al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; </al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied; </al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte; </al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad; </al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en </al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven. </al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. </al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. </al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over
                    de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                    die tot het voedingsgebied worden gerekend. </al><al>Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen
                    over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze
                    levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Montferland</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al></li><li nr="·"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al></li><li nr="·"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al></li><li nr="·"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                    B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'. </al><tussenkop>Basisschool </tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak. De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de
                    capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling meegenomen.
                    Indien een speellokaal aanwezig is en de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2., wordt op het bruto
                    vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat
                    het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is
                    in de regel het grootste gebouw. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of
                    meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw.
                    Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk
                    zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van
                    het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals
                    hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                    vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                    college, het college anders beslist. </al><tussenkop>1.4 Terrein </tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>1.5 Inventaris </tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten </tussenkop><al><vet>1.6.1 </vet><vet> Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een
                    gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren. </al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><tussenkop>1.6.3 Inventaris </tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele,
                    maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'. </al><al>De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in de bruto-vloeroppervlakte van
                    het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de
                    capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld. </al><al>Indien een speellokaal aanwezig is én de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2. sub a en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m² in mindering gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en heirvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto-vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard. </tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere
                    dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                    rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                    vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde
                    als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
                    Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist. </al><tussenkop>2.4 Terrein </tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>2.5 Inventaris </tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten </tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte </tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren. </al><tussenkop>2.6.2 Terrein </tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><tussenkop>2.6.3 Inventaris </tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over: </al><lijst><li nr="·"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen; </al></li><li nr="·"><al>het aantal specifieke ruimten; </al></li><li nr="·"><al>het aantal werkplaatsen; </al></li><li nr="·"><al>het aantal gymnastieklokalen. </al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard </tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
                    Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al>3.2<vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens
                    vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. </al><al>3.3<vet>Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al>3.4<vet>Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris. </al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten </tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte </tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur. </al><al>3.5.2<vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al>3.5.3<vet>Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><al>1.1<vet> Lesgebouwen</vet></al><tussenkop>Basisschool </tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T = toeslag in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters </al><al>G = gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="·"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="·"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0% van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="·"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m².</al><al>1.2<vet> Gymnastiekruimten</vet></al><tussenkop>Basisschool </tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per
                    gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool,wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. </al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. </al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. </al><al>2<vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>2.1<vet> Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters</al><al>V = vaste voet in m² bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m² behalve voor vso-zmlk. Voor vso-zmlk is de vaste voet
                    250 m². Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing </al><al>f = factor (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaand
                    tabel</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>SO</al></entry><entry colname="col3"><al>VSO</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>·Slechthorende kinderen (SH)</al><al>·Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al><al>·Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>·Langdurig zieke kineren (LZ)</al><al>·Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>·Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>·Dove kinderen (DO)</al><al>·Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al><al>·Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>·Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>·tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N= 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N= 2 geldt 57,5,, voor SO-MG met N= 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N= 3 geldt 57,5.</al><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vast voet,
                    slecht eenmaal van toepassing. </al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten van een SOVSO-school of een SO-school
                    waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijke vastgestelde
                    ruimtebehoefte worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m².</al><al>2.2<vet> Gymnastiekruimten</vet></al><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal
                    gymgroepen wordt bepaald op basis van de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                    uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen is
                    afhankelijk van het aantal leerlingen.. </al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. </al><al>3<vet> School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>3.1<vet> Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component; </al></li><li nr="2."><al>een vaste voet. </al></li></lijst><tussenkop>ad 1 Een leerlinggebonden component </tussenkop><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt. </al><tussenkop>ad 2 Een vaste voet </tussenkop><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen
                    per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de
                    vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector
                    geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de
                    instelling. Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM
                    voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                    didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                    leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De
                    leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle
                    gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een
                    onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten
                    wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor
                    het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing
                    de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs
                    worden bepaald. </al><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO= leerwegondersteunend onderwijs GLW =
                    gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="63*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is. </al><al>3.2<vet> Gymnastiekruimten</vet></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. </al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW =
                    gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning </tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor (speciaal) basisonderwijs </tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal
                    vierkante meter bruto-vloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B
                    van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                    gebouw, dan wel ingebruikneming dan wel medegebruik wordt bepaald aan de hand
                    van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="·"><al>55 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="·"><al>40 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="·"><al>50 m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m² bvo.</al><al>1.2<vet> Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair
                    wordt bepaald door de omvang in m² bruto vloer-oppervlakte van de goedgekeurde
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    welvoor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/ leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>1.3<vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. <vet>2 </vet><vet> School voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs</vet><vet>2.1 Voor blijvend of tijdelijk
                        gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel
                    vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meters
                    bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien aaneengesloten zal blijven bestaan.
                    Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    genoemde ruimtebehoefte tenminste vier aaneengesloten jaren en korter dan
                    vijftien jaar zal blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel
                    ingebruikneming dan wel medegebruik, wordt bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de
                    ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage. Het verschil moet
                    tenminste 50 m² bruto-vloeroppervlakte bedragen</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien aaneengesloten zal blijven bestaan.
                    Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    genoemde ruimtebehoefte tenminste vier aaneengesloten jaren en korter dan
                    vijftien jaar zal blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90 m².</al><al>2.2<vet>Overige voor blijvend gebruik dan wel tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld in ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en mebuliair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw
                    of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door e
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                    het gebouw, onderwijsleerpakket/ leer-en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>2.3 </vet><vet> Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen
                    bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. De omvang van
                    de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de
                    goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van
                    een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                    herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. <vet>3 School voor
                        voortgezet onderwijs</vet><vet>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening nieuwbouw<cursief>,
                    </cursief>danwelvervangendenieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt
                    bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruiknemingwordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruikwordt bepaald door het verschil tussen de
                    ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende
                    teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde
                    capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster
                    kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald.
                    Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.
                        <cursief>(Hierop volgende paragraaf is vervallen.)</cursief></al><al><vet>3.2 </vet><vet> Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw<cursief>, </cursief>wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van
                    het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al><vet>3.3 </vet><vet> Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van de voor blijvend, dan wel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het
                        terrein<cursief>,</cursief> wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk
                    oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of
                    krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair<cursief>,</cursief> is gekoppeld aan de omvang van
                    de toegekende voorziening in de huisvesting. </al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.
                        <cursief>(Hierop volgende paragraag is vervallen.)</cursief></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandighedenwordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. <vet>3.4
                        </vet><vet> Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw,
                    dan wel vervangende nieuwbouw<cursief>,</cursief> wordt bepaald aan de hand van
                    het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage. De
                    omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing, dan wel uitbreiding van het terrein
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de <cursief>eerste
                    </cursief>aanschaf van het meubilair<cursief>,</cursief> in geval van
                    ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de
                    noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan
                    waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden<cursief>, </cursief>wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop wordt het aantal
                    in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A,
                    paragraaf 3.5.1). </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322. </al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><lijst><li nr="·"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met een minimum van 600 m² netto; streven is echter 1000
                            mª minimum per basisschool; </al></li><li nr="·"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m²; </al></li><li nr="·"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m² voor een speellokaal. </al></li></lijst><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><lijst><li nr="·"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met een minimum van 600 m² netto; streven is echter
                            minimum 1000 mª per school;</al></li><li nr="·"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m²; </al></li><li nr="·"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte 8 m² netto. </al></li></lijst><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs </tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4 Gymnastiekruimten </tussenkop><lijst><li nr="·"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al></li><li nr="·"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><tussenkop>III-1 </tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs' </tussenkop><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal basisonderwijs volgens NEN 2580,
                    met de volgende aantekening: </al><lijst><li nr="·"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend; </al></li><li nr="·"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="·"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><tussenkop>III-2 </tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs' </tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW. De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de
                    bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare'
                    binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de
                    buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. Tot de
                    bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="·"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau; </al></li><li nr="·"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2. </al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="·"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.
                        </al></li><li nr="·"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend. </al></li><li nr="·"><al>- Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Financiële normering</titel></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten; </al></li><li nr="·"><al>deel C: bepaling medegebruiktarief. </al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen </tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m²) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al><al>Al in deze bijlage genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs </tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1); </al></li><li nr="·"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); </al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4);
                        </al></li><li nr="·"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en </al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6). </al></li></lijst><tussenkop>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve
                    van de vergoedingen voor 2007. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                    juli 2007 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2008 (2,75 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,5 % voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </tussenkop><al>1.1<vet> Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="·"><al>kosten voor terrein; </al></li><li nr="·"><al>bouwkosten; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw; </al></li><li nr="·"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs, toeslag voor een
                            speellokaal. </al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><tussenkop>Kosten voor terreinen </tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten van het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten </tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantal m², en een bedrag per m² voor de overige vierkante
                    meter bruto-vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding
                    voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m²
                                        bvo.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 736.297,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.260,01</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo,
                                        waarin niet inbegrepen een eventueel speellokaal.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.193.024.30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet inbegrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.319,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.196,52</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden. De vergoeding voor zowel een basisschool als een
                    speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35,05</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.2<vet> Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1). </al><al><vet>Kosten voor terrein</vet> Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter
                    opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de
                    bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al><vet>Bouwkosten</vet> De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw,
                    alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². Met deze
                    vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.823,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 60 tot 115 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.882,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.436,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.881,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 73.921,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.464,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m²
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.269,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 237.669,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al>1.3<vet> Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.930,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.953,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.030,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen </tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m² . In deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                    toeslag voor herstel in inrichting van terreinen. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.569,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.713,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.079,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen </tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al>1.4<vet> Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><tussenkop>Basisschool </tussenkop><al>De bedragen voor eerste inrichting onderwijsleerpakket (OLP) en meubilair
                    tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen
                    bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij
                    uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.311,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 72.796,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124,18</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwjisleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.643,04</al><al>1.5<vet> Aanpassing</vet></al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van werkelijke kosten).</al><al>1.6<vet> Gymnastiek</vet></al><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.035,26 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.568,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.462,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.143,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding </tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m². Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m² of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m². Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school
                    voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 179.837,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.616,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.969,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.715,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.072,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.086,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.736,85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.671,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair </tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 45.966,89.</al><al>2<vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1); </al></li><li nr="·"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3); </al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                            en </al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5). </al></li></lijst><tussenkop>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve
                    van de vergoedingen voor 2008. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                    juli 2007 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2008 (2,75 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,5 % voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</tussenkop><al>2.1<vet> Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="·"><al>kosten voor terrein; </al></li><li nr="·"><al>bouwkosten; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, en in het geval van nieuwbouw van
                    een nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële
                    normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><tussenkop>Kosten voor terreinen </tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten </tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo.en
                    een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III
                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.148.092,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.311,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>152.089,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie </tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.260,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding
                    zoals hieronder opgenomen is gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo,
                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29,31</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.2<vet> Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><tussenkop>Kosten voor terreinen </tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Bouwkosten </tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage
                    III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.462,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 66.950,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.467,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m²
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.196,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 237.669,28</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag liftinstallatie </tussenkop><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133.732,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats. </tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard). </al><al>2.3<vet> Tijdelijke voorziening</vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie </tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    als eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende berichten:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="82*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 43.948,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.698,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.009,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorziening </tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="82*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.898,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.932,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.067,42</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1). </al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen </tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten.</al><al>2.4<vet> Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De bedrag voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO -zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 122.655,83</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 214,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO -mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.423,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 277,48</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.643,04</al><al>2.5<vet>Gymnastiek</vet></al><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 7074.035,26 (op het schoolterrein)
                    en € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG-
                    of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en
                    doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van € 77.646,93. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra
                    ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere
                    toeslag (tussen haakjes vermeld). De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.568,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 19.630,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.462,48</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 27.186,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.143,12</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 39.125,48</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding </tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 179.837,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.616,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.969,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.715,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.072,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.086,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.736,85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.671,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair </tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.325,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.662,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 53.818,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.353,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 55.283,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.963,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3<vet> School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2); </al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en
                        </al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4). </al></li></lijst><tussenkop>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve
                    van de vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1
                    juli 2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005 (-3,82 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,07 % voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding </tussenkop><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). De
                    financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="·"><al>kosten van terreinen; </al></li><li nr="·"><al>bouwkosten. </al></li></lijst><tussenkop>Kosten van terreinen </tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. </al><tussenkop>Bouwkosten </tussenkop><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. </al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. </al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=25002</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>1.796,23</al></entry><entry colname="col3"><al>1.066,00</al></entry><entry colname="col4"><al>1.040,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.754,39</al></entry><entry colname="col3"><al>1.419,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.419,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.130,37</al></entry><entry colname="col3"><al>1.795,14</al></entry><entry colname="col4"><al>1.795,14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="·"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al></li><li nr="·"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren. </al></li></lijst><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="·"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek; </al></li><li nr="·"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al></li><li nr="·"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al></li><li nr="·"><al>landbouw: groen-praktijk; </al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening
                                        (in euro) &lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>113.337,88</al></entry><entry colname="col3"><al>113.337,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>222.473,69</al></entry><entry colname="col3"><al>310.624,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>41.136,13</al></entry><entry colname="col3"><al>41.136,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><tussenkop>Aanvullende normkosten</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. </al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de
                    omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden
                    berekend aan de hand van de volgende formules: </al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.303,95</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.517,48</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 29,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.927,14</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 52,47</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.034,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.262,63</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.991,75</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 31,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,25 per m2
                    terrein. </al><tussenkop>3.2 Tijdelijke voorziening </tussenkop><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; </al></li><li nr="·"><al>huur van tijdelijke lokalen. </al></li></lijst><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen </tussenkop><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: </al><al>€ 571,58 * A + € 39.296,98 </al><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.
                    Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. </al><tussenkop>Huur van tijdelijke lokalen </tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><tussenkop>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair </tussenkop><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk
                    van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen
                    de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de
                    hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="59*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>134,23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzoring/mode en commmercie</al></entry><entry colname="col3"><al>313,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>191,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>257,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>329,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>637,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1.218,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="·"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al></li><li nr="·"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren; </al></li><li nr="·"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken </al></li></lijst><al> Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="·"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek; </al></li><li nr="·"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al></li><li nr="·"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al></li><li nr="·"><al>landbouw: groen-praktijk; </al></li><li nr="·"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken. </al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs </tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de
                    bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke
                    kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de
                    aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. </al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.186,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.556,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.466,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal </tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de
                            gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                            wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed
                            voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
                        </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. </al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs. </al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel ‘Vergoeding per klokuur’, gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden. </al><tussenkop>Huur sportvelden </tussenkop><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 17,78 per klokuur. </al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair </tussenkop><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>54.874,44</al></entry><entry colname="col4"><al>55.795,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>42.806,23</al></entry><entry colname="col4"><al>43.726,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>18.610,15</al></entry><entry colname="col4"><al>19.530,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>12.118,92</al></entry><entry colname="col4"><al>12.118,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.398,97</al></entry><entry colname="col4"><al>1.398,97</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4<vet> Indexering</vet></al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in
                    het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                    programma bekendgemaakt. </al><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling </tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwprijzen van
                    woningen; outputindex 2000=100 (inclusief BTW)’, gepubliceerd in de
                    'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het
                    lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de
                    voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden
                    het verschil tussen het CBS-indexcijfer ‘Consumentenindex van alle
                    huishoudens’(NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar. </al><al>Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 niet
                    (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van
                    het lopende jaar én het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar
                    gehanteerd.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen voor woningen',
                    zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt
                    op de derde dinsdag in september. </al><tussenkop>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten </tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan. </al><tussenkop>Europese aanbesteding </tussenkop><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen 1993 de richtlijnen van de
                    Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen: </al><lijst><li nr="·"><al>€ 211.000,-- (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li><li nr="·"><al>€ 5.278.000,-- (exclusief BTW) voor werken. </al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing. </al><tussenkop>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag </tussenkop><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                    artikel 16, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                    wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat, tenzij het college
                    na overleg anders beslist, ten minste drie offertes gevraagd dienen te worden. </al><tussenkop>DEEL C Bepaling medegebruiktarieven </tussenkop><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is
                    gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter
                    beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen
                    voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel></kop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten </tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen; </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs. </al></li></lijst><tussenkop>Ad 1 </tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen. </al><tussenkop>Ad 2 </tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit. <vet>Ad 3</vet> Aanpassingen van gebouwen voor primair
                    onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en
                    vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.
                        <vet>Ad 4</vet> Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen
                    van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder
                    de activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.
                        <vet>2 </vet><vet> Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                        subprioriteiten</vet> Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis
                    van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige
                    hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit
                    bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                    voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                    subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast. Onder lesruimten
                    vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.
                    Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw. Onder het begrip overige ruimte vallen:
                    bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein. <vet>2.1 Binnen
                        de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op
                        basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al></li></lijst><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking: </tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend. </al></li></lijst><tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking: </tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en
                        </al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is. </al></li></lijst><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: </tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en </al></li></lijst><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard,
                    waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>