<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>179696_13</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR/UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-07</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2016-03-29</dcterms:issued><dcterms:alternative>CAR/UWO en lokale regelingen Veenendaal</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>N.v.t.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de
                                            gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te
                                            zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht is aangegaan; </al></li><li nr="b"><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat
                                            door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;
                                        </al></li><li nr="c"><al><vet> pensioenwet:</vet>de Algemene burgerlijke
                                            pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;
                                        </al></li><li nr="d"><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                            pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
                                        </al></li><li nr="e"><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang
                                            van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende
                                            welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;
                                        </al></li><li nr="f"><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals
                                            die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is
                                            vastgesteld; </al></li><li nr="g"><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                            volgens de aanstelling; </al></li><li nr="h"><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de
                                            arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een
                                            bepaalde week is vastgesteld; </al></li><li nr="i"><al> vervallen;</al></li><li nr="j"><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis
                                            herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                                            feestdagen; </al></li><li nr="k"><al><vet>dienstverband: </vet>een aanstelling voor bepaalde
                                            of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l"><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar,
                                            voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in
                                            dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur
                                            per week; </al></li><li nr="m"><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid
                                            moet verrichten; </al></li><li nr="n"><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde
                                            tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid
                                            moet worden verricht; </al></li><li nr="o"><al><vet> uurloon: </vet>1/156 gedeelte van het - zo nodig
                                            naar een volledig dienstverband herberekende - salaris
                                            van de ambtenaar per maand; </al></li><li nr="p"><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling
                                            voor de sector gemeenten; </al></li><li nr="r"><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s"><al><vet> functioneringstoelage:</vet> een toelage die aan
                                            de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone
                                            bekwaamheid, geschiktheid en ijver;</al></li><li nr="t"><al><vet>waarnemingstoelage:</vet> een vergoeding die wordt
                                            toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe
                                            door of namens het college verstrekte opdracht volledig
                                            een andere functie waarneemt, indien voor die functie
                                            een hogere schaal geldt dan voor de eigen functie; </al></li><li nr="u"><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                            Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering; </al></li><li nr="w"><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in
                                            de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de
                                            WAO; </al></li><li nr="y"><al><vet> WIA:</vet>Wet werk en inkomen naar
                                            arbeidsvermogen; </al></li><li nr="z"><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                            arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa"><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en
                                            duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="bb"><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc"><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering
                                            gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="dd"><al><vet> WAJONG:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            voor jong gehandicapten; </al></li><li nr="ee"><al><vet> WAZ:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al><vet>Wazo:</vet>Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg"><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur
                                            Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; </al></li><li nr="hh"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een
                                            uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde
                                            lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
                                        </al></li><li nr="ii"><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van
                                            de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj"><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk"><al><vet> FPU-regeling:</vet> regeling flexibel pensioen en
                                            uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale
                                            Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; </al></li><li nr="ll"><al><vet> FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:
                                            </vet>het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede
                                            lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en
                                            onderwijspersoneel; </al></li><li nr="mm"><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband
                                            waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de
                                            formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een
                                            deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder
                                            dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder
                                            dan 36 uur per week </al></li><li nr="nn"><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo"><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering
                                            krachtens de ZW; </al></li><li nr="pp"><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                                            Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van
                                            de wet SUWI. </al></li><li nr="qq"><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de
                                            salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar
                                            evenredigheid van diens formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr"><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van
                                            hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de
                                            functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage
                                            onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de
                                            toelage beschikbaarheidsdienst, de
                                            inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de
                                            garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de
                                            medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari
                                            2016 tot de bezoldiging gerekend. </al></li><li nr="ss"><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een
                                            functie hoort; </al></li><li nr="tt"><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een
                                            salarisschaal; </al></li><li nr="uu"><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als
                                            opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv"><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar,
                                            geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                            ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met
                                            de overleden ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                    bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a"><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                                            openbaar onderwijs;</al></li><li nr="b"><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting
                                            van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn
                                            in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                            onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c"><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                            zodanig;</al></li><li nr="d"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de
                                            Gemeentewet; </al></li><li nr="e"><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                            benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                            belastingen;</al></li><li nr="f"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h"><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale
                                            werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met
                                            uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de
                                            gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                            artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i"><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder
                                            “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                    afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                    georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                    vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist
                                    van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                    gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:0:1 Rechtspositieregeling voor de buitengewoon
                                    ambtenaar van de burgerlijke stand</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 1:2, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Rechtspositieregeling voor de
                                buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
                                Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2a Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie
                                    of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                    stage-overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                    uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17
                                    en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de
                                    stagiair.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met
                                    de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van
                                    de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                    begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                    Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan degene die daarom verzoekt een
                                    werkervaringsplaats aanbieden op basis van een
                                    werkervaringsovereenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing,
                                    met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en
                                    17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                    werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                    periode van maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                    medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal
                                    staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van
                                    het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de
                                    banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die
                                    op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                                    hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het
                                    wettelijk minimumloon kan verdienen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet
                                    banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                                    percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde
                                    percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon,
                                    dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk
                                    minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    levensloopbijdrage. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a,
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op
                                    artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de
                                    loonwaarde en de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                                    loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het
                                    college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop
                                    gebaseerde toelagen en vergoedingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de
                                    hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van
                                    een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                    hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                    hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                    regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                                    tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen
                                    van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                                    werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3 Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                    vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand
                                    bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts
                                    toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die
                                    rechtstoestand niet is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                    regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                    ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                    uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                    eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                    secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                    aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3a Toepassing</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en
                                de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                                indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a"><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                        bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                        functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b"><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                        vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                                    deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in
                                    het vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a"><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn
                                            toegelaten tot het LOGA met het college voor
                                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten;</al></li><li nr="b"><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen
                                            van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn
                                            bij de onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c"><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2:1 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><al>De regeling als bedoeld in artikel 1:4:2 is voor iedereen
                                toegankelijk via de applicatie Arbeidsvoorwaarden Veenendaal.
                                Ambtenaren die op hun werkplek niet de beschikking hebben over een
                                computer kunnen hiervoor de computer van hun leidinggevende
                                raadplegen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de
                                    voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld
                                    ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling
                                    of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te
                                    leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk
                                    toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                    bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze
                                    behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het
                                hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan
                                voor te dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang
                                van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om
                                tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel
                                gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:6 Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                                    gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke
                                    aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                                    alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de
                                    salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In
                                    de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming
                                    zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                                    functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor
                                    georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge
                                    bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even
                                    genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij
                                    het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                    toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst
                                    die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij
                                    de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren
                                    kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in
                                    verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de
                                    inrichting van de werkzaamheden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt
                                bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                    uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de
                                    gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege
                                    aangesteld in algemene dienst van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het
                                    belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden.
                                    Een passende functie is een functie die de ambtenaar
                                    redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                    omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan
                                    worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht,
                                    is de ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a"><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden
                                            te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar
                                            te nemen;</al></li><li nr="b"><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor
                                            hem vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c"><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                            vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde
                                            tijd periodiek verrichten van deze
                                            beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                            aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld
                                            zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden
                                            zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de
                                            schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                                    persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                    werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd,
                                    geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden
                                    terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd
                                    van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig
                                    mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                                    geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                                    na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                    bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat
                                    hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het
                                    verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid
                                    van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid
                                    bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat
                                    betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag
                                    als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke
                                    gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000
                                    kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze
                                    verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet
                                    arbeid vreemdelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                                    bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                    bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                    worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een
                                    geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie,
                                    waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig
                                    onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe
                                    aangewezen door het college. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3:1:1 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><al>De functie waarvoor overeenkomstig artikel 2:3, eerste lid, door de
                                gemeente Veenendaal een aanstellingskeuring verplicht wordt gesteld
                                zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Chauffeur</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                    bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten
                                    hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de
                                    tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang
                                    van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                    elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6
                                    maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar
                                    opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een
                                    ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht
                                    bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten
                                    aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten
                                    worden elkaars opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf
                                    de dag waarop:</al><lijst><li nr="a"><al> de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
                                            tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben
                                            opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze
                                            tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b"><al> meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                            maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal
                                    opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de
                                    aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die
                                    zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                    leeftijd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                    bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a"><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel
                                            a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.
                                            1993, 635);</al></li><li nr="b"><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c"><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                            aangesteld:</al><lijst><li nr="I"><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                  tijd;</al></li><li nr="II"><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III"><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                  karakter; </al></li><li nr="IV"><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                                  wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                                  vorming;</al></li><li nr="V"><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI"><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het
                                                  kader van een door de overheid getroffen regeling,
                                                  die het karakter draagt door een tijdelijke
                                                  tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                                  bevorderen van personen, die behoren tot één of
                                                  meer bepaalde groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII"><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                    ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van
                                    de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2 Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                    personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                    aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich
                                    daartegen verzet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering
                                    krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Door het college kan met een persoon slechts een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor
                                    het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en
                                    omvang wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in
                                    tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor
                                    bepaalde tijd is gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5
                                zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                                minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling
                                van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren
                                vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende
                                kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden
                                        voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht
                                        rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de
                                        oproepkracht aan te bieden;</al></li><li nr="b"><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden -
                                        na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c"><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                        kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de
                                        omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te
                                        geven;</al></li><li nr="d"><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                        vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                        verricht;</al></li><li nr="e"><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                        oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                        respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                        kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder
                                        de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                        gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                        vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                        twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich
                                        schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f"><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                        heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten
                                        minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen,
                                        en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te
                                        zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als
                                        grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel
                                        8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                    afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                                    oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage,
                                    worden uitgedrukt in een bedrag per uur. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                                    ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de
                                    uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten
                                    gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip
                                    waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in
                                    bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het
                                    arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van
                                    het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat
                                    een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                                    oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:6 Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing
                                indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode
                                van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste
                                aanstelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te
                                    verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden
                                    tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                    arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon
                                    met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar
                                    die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per
                                    week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende
                                            een vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="2"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 ,
                                            tweede lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6"><al> de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel
                                            3:18a , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                                    het college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                                    over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de
                                    arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                                    bespreking voorgelegd aan de OR.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                        en uitkeringen</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                    gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                    functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                    basis van een functiewaarderingssysteem. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1:0:2 Regeling functiebeschrijven en
                                    –waarderen</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 3:1, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Regeling functiebeschrijven en
                                –waarderen van de gemeente Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                    en uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                    salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig
                                    dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de
                                    ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
                                    arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en
                                    de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling
                                    anders is bepaald. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Salaris</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                    van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid
                                    en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van
                                    een periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij
                                    al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van
                                    opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris
                                    overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de
                                    functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3:0:1 Uitvoeringsregels beloning </titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in Hoofdstuk 3, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Uitvoeringsregels beloning van
                                de gemeente Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4 Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                    periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog
                                            niet bereikt; </al></li><li nr="c"><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn
                                            aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging
                                            of zijn promotie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke
                                    salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                    salarisverhoging toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                    college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                    verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                    salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                    hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een
                                    grond aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                    instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                    schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in
                                    een functie met een lager maximumsalaris, met een
                                    overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie
                                    met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige
                                    aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal
                                    plan of sociaal statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7 Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Salaristoelagen</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed
                                    of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties
                                    heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft
                                    bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                    voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan
                                    deze opnieuw worden toegekend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                    toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als
                                    schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in
                                    het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                    personeel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                    vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te
                                    nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode
                                    van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling
                                    geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de
                                    toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
                                    ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij
                                    de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn
                                    ingedeeld. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                    werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                    uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de
                                    volgende tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="-"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en
                                            tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="-"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en
                                            tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde
                                            lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een
                                    week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur
                                    in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                    uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding
                                    (artikel 3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                    werktijden en die door het college is aangewezen om te werken
                                    buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op
                                    een buitendagvenstertoelage. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte
                                            uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en
                                            vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zaterdag; </al></li><li nr="-"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel
                                            4:5, derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                    beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                    beschikbaarheidsdienst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag
                                    tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op
                                    zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:15 Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage
                                    onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of
                                    de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd,
                                    heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="-"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee
                                            maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten
                                            én</al></li><li nr="-"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een
                                            bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn
                                            salaris.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk
                                            9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="-"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen
                                            in een sociaal plan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                    afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede
                                    jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen
                                    bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                    onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het
                                    gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij
                                    een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is
                                    verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de
                                    salarisverhoging. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                        bijzondere prestaties</al></li><li><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                        ongeval in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens
                                    werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel
                                    15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een
                                    anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding
                                    indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in
                                    voldoende omvang verricht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                    regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                    overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                    wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige
                                    dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het
                                            overwerk, </al></li><li nr="b"><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter
                                            hoogte van het volgende percentage van het uurloon van
                                            de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag
                                                  (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00
                                                  en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag
                                                  volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag,
                                                  woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en
                                                  24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00
                                                  uur.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                    vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor
                                    zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof
                                    verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                    lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                    bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                    uurloon conform het tweede lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden
                                    van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                    opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                    overwerkvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage
                                    van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris
                                    op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                    minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit
                                    bedrag naar rato vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                    ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij
                                    25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst
                                    wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij
                                    het ABP aangesloten werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                    maandsalaris over de maand van jubileren, plus de
                                    vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand
                                    toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst
                                    bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                                    jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende
                                    salaristoelagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van
                                    ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een
                                    evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste
                                    maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                                    maatgevende maand aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                    bijzondere prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende
                                    salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                    partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige
                                    kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal
                                    het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en
                                    de toegekende salaristoelagen</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                    voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan
                                    de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                    rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan
                                    wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.
                                    Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering
                                    verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de
                                    vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over
                                    de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                    overlijden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                    uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking
                                    van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft
                                    verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid
                                    genoemde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                    lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                    meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of
                                    Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn
                                    Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een
                                    tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar in de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                                    heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                    salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het
                                    bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of
                                    ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten
                                    naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                    december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst
                                    treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                    de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) </titel></kop><structuurtekst><al></al><al> (gereserveerd) </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Overgangsrecht </titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li nr="-"><al>Overgangsrecht hoofdstuk 3</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31
                                        december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de
                                        voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</al></li><li nr="2"><al>Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
                                        uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met
                                        uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de
                                        Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.</al></li><li nr="3"><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden <noot id="FN740781_1"><noot.al>Bruto blijft bruto, netto blijft
                                                netto.</noot.al></noot> die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                        toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling,
                                        vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in
                                        dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet
                                        in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="4"><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn
                                        opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog
                                        bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in
                                        hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014
                                        (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor
                                        elke medewerker die het betreft bepaald:</al><lijst><li nr="a"><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang
                                                geldende regels voor toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b"><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe
                                                systematiek.</al></li></lijst><al> Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 2. </al></li><li nr="5"><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
                                        toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                        loonontwikkelingen.</al></li><li nr="6"><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="7"><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
                                        een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.
                                    </al></li><li nr="8"><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                        jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                        afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
                                        jaar.</al></li><li nr="9"><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
                                        eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
                                        uitgekeerd. </al></li><li nr="10"><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
                                        de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="11"><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft
                                        geen effect. </al></li><li nr="12"><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                        betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="13"><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
                                        op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
                                        bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
                                        afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
                                        vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
                                        31 december 2020) recht zouden hebben op een
                                        ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                        vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
                                        de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
                                        hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
                                        de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
                                        vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </titel></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                                    dagvenster.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00
                                    en 22:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                    kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de
                                    planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                    uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a"><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                            ambtenaar en het college;</al></li><li nr="b"><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet
                                            blijven; </al></li><li nr="c"><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                            week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                            wordt afgeweken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                    over de werktijden aangepast worden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                    werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.
                                </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                    ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden
                                    leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden
                                    de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het
                                    college het erover eens zijn dat overschrijding van de
                                    arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de
                                    omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De
                                    ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding
                                    ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                    wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de
                                    uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                    buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                    vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                    werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                    college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                    werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die
                                    situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de
                                    bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                                    hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                    incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                    werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt
                                    zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het
                                    college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                                    ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter
                                    hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in
                                    artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken
                                    over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid
                                    om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                    gemotiveerd kan afwijken. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                    ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede
                                    lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster
                                    gelden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:0:1 Werktijdenregeling</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 4:2, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Werktijdenregeling van de
                                gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                    week. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt
                                    het college deze vast in een rooster. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels
                                    in acht genomen: </al><lijst><li nr="a"><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                            bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b"><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                            vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een
                                            ORT wordt ontweken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                    tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                    hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                    zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor
                                    hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat
                                    hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                                    arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van
                                    arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
                                    Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de
                                    dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen
                                    in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                    zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke,
                                    regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door
                                    het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst
                                    van de gemeente is gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                    kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat
                                    of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij
                                    een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:7 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in
                                    dienstroosters</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in
                                        dienstroosters</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
                                </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid
                                    van dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er
                                    zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid </titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet>het voor 1 april
                                            2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                            verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b"><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde
                                                verloftegoed:</vet> het omzetten van het opgebouwde
                                            verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
                                            bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van
                                            uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                                    door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                    mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                    voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd
                                    wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en
                                    wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                    levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                    wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in
                                    een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan
                                    worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar
                                    opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of
                                    aan dit verzoek kan worden voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                    gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar
                                    kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.
                                    Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van
                                    een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                                    verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde
                                    verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of
                                    8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                                    aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen
                                    opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                                    tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                    ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                    ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                    afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                    wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond
                                    van het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                    nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                    8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                    ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                    gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                    college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                    uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende
                                    uurloon van de ambtenaar. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan bij het college voor <cursief>15
                                    december</cursief> een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalanderjaar de duur van de vakantie – als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid – te verminderen in ruil voor een vergoeding
                                als bedoeld in het vijfde lid.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid en op
                                grond van artikel 4:3, eerste lid, onderdeel a, derde
                                aandachtsstreepje– minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is
                                aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per
                                week, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                                minimum.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72
                                uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar
                                waarop het verzoek betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:2:1:1 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan bij het college voor <cursief>15
                                    december</cursief> een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een
                                vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal
                                72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer
                                verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met
                                de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het
                                kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:2:1:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen, indien de ambtenaar hierom
                                verzoekt, afwijken van de in het eerste lid van artikel 4a:1:1:1 en
                                4a:2:1:1 genoemde uiterste inleverdatum.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen,
                                    eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als
                                    bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in
                                    artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1,
                                    verlagen voor door het college vastgestelde
                                    bestedingsmogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                    bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.
                                </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Seniorenmaartregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5a Vervallen </titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6:1 Recht op vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                                    6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven
                                    aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2 Duur vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144
                                    uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                                    ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de
                                    arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                                    volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om
                                    te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                                    36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                                    als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1 Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het
                                    college algemene regels met betrekking tot de duur van de
                                    vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld
                                    voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week,
                                    wordt naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten
                                    aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren
                                    voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van
                                    volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide,
                                    waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde
                                    algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4
                                    uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en
                                    3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige
                                    uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13
                                    genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                                    ambtenaar rust. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                    bijzondere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1:1 Vakantieverlof gemeente Veenendaal</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De duur van het in artikel 6:2 genoemde vakantieverlof wordt
                                vermeerderd met 7,2 uur indien de ambtenaar is ingedeeld in een
                                salarisschaal hoger dan 8, vermeld in bijlage II en IIa. Als
                                maatstaf ter berekening geldt de schaal waarin de ambtenaar op 1
                                januari van het kalenderjaar is ingedeeld, of, ingeval van
                                indiensttreding in de loop van het jaar, de schaal op het tijdstip
                                van indiensttreding. Voor medewerkers die vanaf 1 januari 2003 nieuw
                                in dienst treden vervalt deze vermeerdering van het vakantieverlof. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De duur van het in artikel 6:2 genoemde vakantieverlof wordt
                                vermeerderd in het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd
                                bereikt van:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>18 jaar en jonger</al></entry><entry colname="col2"><al>met</al></entry><entry colname="col3"><al>21,6 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met</al></entry><entry colname="col3"><al>14,4 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met</al></entry><entry colname="col3"><al>7,2 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30 tot 40 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>met</al></entry><entry colname="col3"><al>7,2 uur</al></entry></row><row><entry namest="col1"><al>40 tot 45 jaar</al></entry><entry namest="col2"><al>met</al></entry><entry namest="col3"><al>14,4 uur</al></entry></row><row><entry namest="col1"><al>45 tot 50 jaar</al></entry><entry namest="col2"><al>met</al></entry><entry namest="col3"><al>21,6 uur</al></entry></row><row><entry namest="col1"><al>50 tot 55 jaar</al></entry><entry namest="col2"><al>met</al></entry><entry namest="col3"><al>28,8 uur</al></entry></row><row><entry namest="col1"><al>55 tot 60 jaar</al></entry><entry namest="col2"><al>met</al></entry><entry namest="col3"><al>36,0 uur</al></entry></row><row><entry namest="col1"><al>60 jaar en ouder</al></entry><entry namest="col2"><al>met</al></entry><entry namest="col3"><al>43,2 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                                    ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien
                                    werkdagen, aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                    voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het
                                    eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De
                                    ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen
                                    op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele
                                    achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid
                                    3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en
                                    aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                                    worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de
                                    vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het
                                    bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing
                                    wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                                    ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met
                                    de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                                    of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar
                                    rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                                    het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn
                                    functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar
                                    evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                                    een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet
                                    toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en
                                            bevalling;</al></li><li nr="b"><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend
                                    op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk
                                    zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                    van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die
                                    dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                    met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt
                                    een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het
                                    uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                    vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens
                                    dienstbelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                    kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt
                                    hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                                    eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede
                                    volgende kalenderjaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat
                                    de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten
                                    buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan
                                    door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten
                                    deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:5 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                    redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                    gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                    gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren
                                    van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van
                                    het aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                                    vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem
                                    vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                    niet is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                            schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;
                                            of</al></li><li nr="c"><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan
                                            voor eerste oefening,</al></li></lijst><al> wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar
                                    verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de
                                    andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als
                                    bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten
                                    vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen
                                    aantal uren. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                    worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar
                                    aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend,
                                    op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                                    verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer
                                    vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                                    krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een
                                    desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is
                                    beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke
                                aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een
                                vergoeding worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                    gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na
                                    het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat
                                    tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is
                                    geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege
                                    dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                    gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                    college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na
                                het einde van dat kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke
                                    maand waarover hij als zodanig salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de
                                    loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt
                                    ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                                    vakantietoelage over die maand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de
                                    ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende
                                    salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten
                                    minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor
                                    ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij
                                    het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid
                                    wordt verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden,
                                    beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
                                    In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling
                                    ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                                            niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke
                                            dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9
                                            van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                            anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                            werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin
                                            van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                            dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden
                                            heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk
                                            is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                            vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst
                                            of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren
                                            militaire dienst ontvangt en het bedrag aan
                                            vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben
                                            ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                            toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend
                                            op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                            bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de
                                    tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit
                                    hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing
                                    wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of
                                    schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                    nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft
                                    gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                    verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                    ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde
                                    lid, toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                    wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar is verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt aan
                                de ambtenaar door het college verlof met behoud van het genot van
                                bezoldiging verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>bij ernstige ziekte van de echtgenoot of geregistreerd
                                        partner, ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders,
                                        kinderen, pleegkinderen, stief- en aangehuwde kinderen;
                                    </al></li><li nr="b"><al>bij zijn huwelijk of geregistreerd partnerschap zoveel
                                        verlof dat de ambtenaar over een aaneengesloten periode van
                                        twee dagen de vrije beschikking heeft;</al></li><li nr="c"><al>bij verhuizing zoveel verlof als nodig is om eenmaal per
                                        jaar de vrije beschikking te hebben over een aaneengesloten
                                        periode van twee dagen;</al></li><li nr="d"><al>gedurende één werkdag, indien deze samenvalt met de dag van
                                        het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en
                                        aanverwanten in de eerste graad.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Behoudens in dringende gevallen moet verlof ten minste 24 uren
                                tevoren worden aangevraagd bij het bestuursorgaan dat bevoegd is dat
                                verlof te verlenen. Indien de ambtenaar die niet vooraf een aanvraag
                                daartoe heeft gedaan ten genoegen van bedoelde autoriteit aantoont
                                dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad en dat er voor zijn
                                afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze geacht verlof met
                                behoud van bezoldiging te hebben genoten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                    zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet
                                    aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                    ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                    opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                    kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                    vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak
                                    op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de
                                    omvang van het langdurend zorgverlof. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling
                                    genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                    betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het
                                    volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1"><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel
                                                  (ACOP); </al></li><li nr="2"><al>de Christelijke Centrale van overheids- en
                                                  onderwijs Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3"><al>de Centrale van middelbare en hogere
                                                  functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven
                                                  en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Verenigingen van ambtenaren:</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten
                                            bij de onder a genoemde centrales van
                                            overheidspersoneel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                            verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                            verenigingen betreft welke ook andere groepen van
                                            ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het
                                            bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                            groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van
                                            het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                            afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande
                                            dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of
                                            gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot
                                            een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                            verleend; </al></li><li nr="b"><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien
                                            hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                            bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de
                                            bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen
                                            indien hij lid is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c"><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                            centrale organisatie waarbij de vereniging van de
                                            ambtenaar is aangesloten, indien hij als
                                            vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                            vergadering deelneemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a"><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                            overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder
                                            a of door een daarbij aangesloten vereniging is
                                            aangewezen.</al><lijst><li nr="-"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                  activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                  die daarbij aangesloten vereniging,
                                                  onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                                  apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen
                                                  van deze centrale van overheidspersoneel en/of de
                                                  daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen,
                                                  het geheel voor ten hoogste 216 uren per
                                                  kalenderjaar; </al></li><li nr="-"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur
                                                  per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                  medewerkers en ten hoogste 100 voor een
                                                  organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="-"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste
                                                  50 uur per jaar voor een organisatie met minder
                                                  dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor
                                                  een organisatie met meer dan 400 medewerkers met
                                                  dien verstande dat per vakcentrale per organisatie
                                                  verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                                  arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van
                                            ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke
                                            door of ten behoeve van de leden van die vereniging van
                                            ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten
                                            hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                    de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan
                                    ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien
                                    verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend
                                    aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                            overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a,
                                            nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                            rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. </al></li><li nr="b"><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd
                                            in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is
                                            van een sector of sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                    aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                    bedoeld in het eerste lid, onder b. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend
                                    voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede
                                    voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
                                    Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt
                                    eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van
                                    de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                                    regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het
                                    tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                    gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                                    uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op
                                    grond van de Waz. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                                    voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                    betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar
                                    evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever
                                    en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                    waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                    Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                                    mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929,
                                    aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                                    artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                    inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                    vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                    boven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere
                                    regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van
                                het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                                verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in
                                artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor
                                maximaal één jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                    bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                    onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                    functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet
                                in mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het gemeente personeel heeft op de volgende dagen vrijaf:</al><lijst><li nr="-"><al>goede Vrijdag de gehele dag;</al></li><li nr="-"><al>5 mei (bevrijdingsdag) de gehele dag.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Sollicitatieverlof:</al><lijst><li nr="a"><al>extra verlof voor sollicitatie wordt voor ten hoogste 5
                                        dagen per kalenderjaar verleend; </al></li><li nr="b"><al>dit verlof wordt op de gebruikelijke wijze via de
                                        verlofkaart onder vermelding van dat verlof
                                        aangevraagd;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar die in een kalenderjaar reeds vijf dagen extra
                                        verlof voor sollicitatie heeft genoten en die in datzelfde
                                        jaar nog verder extra verlof voor sollicitatie wenst te
                                        ontvangen, dient hiervoor een verzoek in bij burgemeester en
                                        wethouders.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Maatschappelijk verlof:</al><lijst><li nr="a"><al>maatschappelijk verlof is verlof met behoud van bezoldiging
                                        voor het verrichten van onbetaalde activiteiten die de
                                        sociale samenhang van onze maatschappij bevorderen. Hierbij
                                        kan alleen maatschappelijk verlof worden verleend indien de
                                        aanwezigheid voor het welslagen van een activiteit dringend
                                        gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is;</al></li><li nr="b"><al>het verlof kan, op verzoek van de ambtenaar, worden verleend
                                        met een maximum van vijf werkdagen (a 7,2 uur) per
                                        activiteit en voor ten hoogste tien werkdagen (a 7,2 uur)
                                        per kalenderjaar. Het verlof wordt verleend voor zover, naar
                                        het oordeel van de leidinggevende, de werkzaamheden dit
                                        toelaten en de activiteiten niet overwegend op de privé
                                        sfeer van de ambtenaar zijn gericht. </al></li><li nr="c"><al>de aanvraag om bedoeld verlof moet ten minste twee maanden
                                        voordat de activiteit plaatsvindt ingediend worden bij
                                        burgemeester en wethouders. Indiening dient te geschieden
                                        door de instantie waarvoor de ambtenaar de onbetaalde
                                        activiteit(en) verricht.</al><al>Activiteiten die de sociale samenhang bevorderen zijn in
                                        ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>Als vrijwilliger een bijdrage leveren aan het
                                                organiseren of begeleiden van maatschappelijke
                                                stages voor leerlingen/jongeren;</al></li><li nr="-"><al>Als vrijwilliger een bijdrage leveren aan het leiden
                                                of organiseren van reizen of kampen voor jongeren,
                                                ouderen, gehandicapten of zieken;</al></li><li nr="-"><al>Vrijwilligerswerkzaamheden in het kader van jeugd-
                                                en ouderenwerk.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                    ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij
                                    dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                    arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                                    percentage van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                                    het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid
                                    verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een
                                    verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te
                                    nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
                                    verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot
                                    gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:2 Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                    op betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de
                                    meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt
                                    gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te
                                    genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                    geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van
                                    het ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                    ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                    salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt
                                    uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van
                                    artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                    bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a"><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband
                                            bij een andere gemeente; </al></li><li nr="b"><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                            uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                            werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar
                                            ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                            geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem
                                            liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                            wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie
                                    aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het
                                    ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                                    heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                    verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik
                                    maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met
                                    het in het eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                                    bepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a:1 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                    grond van het eerste lid recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot
                                    uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                    een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld
                                    of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie-
                                    of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond
                                    van het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                    gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                    wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                    te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                    artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de
                                    gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                                    gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te
                                    verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste
                                    18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                    maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                    maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                    arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                    gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                    wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen
                                    twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                    schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                                    hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof
                                    intrekken. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                    tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                    hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                    heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                    tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                    verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                    geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                    onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                    uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                    (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                                    gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                                    betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14
                                    kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                                    kalenderdag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                                    volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                                    ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                                    wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6a De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling
                                        als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                        1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn
                                    ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964
                                    aan deelname stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:5 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de
                                    inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                    genoemde bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:6 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de
                                volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al>het salaris;</al></li><li nr="b"><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e"><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, heeft recht op
                                    een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in
                                    een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage
                                    bedraagt bij een volledig dienstverband minimaal €400. Bij een
                                    deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                                    levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die
                                    zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht
                                    hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5%
                                    indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                    maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                    levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De
                                    levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden,
                                    indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt
                                    de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in
                                    het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in
                                    artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                                    Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                    daarnaast:</al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c"><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</titel></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                                opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                                hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
                                deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de
                                melding moet plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:10 Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in
                                hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie
                                paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Definities</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:1 Definities</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de
                                            krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend,
                                            tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                                            geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
                                            gevergd;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkzaamheden in het kader van de
                                                reïntegratie:</vet> loonvormende arbeid, die
                                            specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel
                                            passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                            het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde
                                            lid;</al></li><li nr="c"><al><vet>scholing in het kader van de
                                            reïntegratie:</vet>scholing die gericht is op terugkeer
                                            in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken
                                            zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                                            artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d"><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                            arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                            overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                  bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                  worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de
                                                  aard van de opgedragen werkzaamheden of de
                                                  bijzondere omstandigheden waarin deze
                                                  werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar
                                            is te wijten; </al></li><li nr="e"><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                            stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden
                                            en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                            verdienen;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbodienst:</vet>een dienst als bedoeld in artikel
                                            17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g"><al><vet>inactieve:</vet>de oud-ambtenaar met een
                                            WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke
                                            uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of
                                            wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                            uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h"><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een
                                            uitkering functioneel leeftijdsontslag,
                                            ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die
                                            direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                                            dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en
                                        geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                        ambtenaar</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                                deskundige(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                    begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                    door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n),
                                    overeenkomstig door het college te stellen regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                    ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a"><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                            aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                            gezondheidstoestand van de ambtenaar; </al></li><li nr="b"><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig
                                            geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van
                                            zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor
                                            medische oorzaken zijn aan te wijzen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                                    het eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van
                                    een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de
                                    ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbodienst de belangen
                                    van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                    dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van
                                    zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het
                                    college buiten dienst gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                    plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                    lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                    wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt
                                    belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval
                                    is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor
                                    de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk
                                    gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                    bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking
                                    te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang
                                    van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van
                                    het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                    arbeidsgeschiktheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                    schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij
                                        seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en
                                        door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                        toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende
                                    salaristoelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                    stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die
                                    ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                    gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                    doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                    maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste
                                    maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                    maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op
                                    doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                    gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop
                                    hij: </al><lijst><li nr="a"><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b"><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c"><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                            verricht;</al></li><li nr="d"><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                                    recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en
                                    door de dienst.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende
                                    ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid,
                                    passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn
                                    reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                                    reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft
                                    recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft
                                    ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en
                                    de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste lid.
                                </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                                    minimumloon, berekend naar rato van zijn formele
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van
                                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7,
                                    ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode,
                                    bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                    worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld
                                    indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
                                    een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                    genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de
                                    ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te
                                    vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en
                                    vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                    herplaatst in een andere functie. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                    terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt
                                    of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het
                                    eerste lid, het volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel
                                    en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><al> De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat
                                de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij
                                zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door
                                    de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                    IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst, een aanvullende uitkering verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                    ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                    nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of
                                    IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende
                                    bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van
                                    de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald
                                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn
                                    ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                    van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in
                                            het eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te
                                    stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering
                                    of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement
                                    van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                    ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel
                                    van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                    behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                    voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                                overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning,
                                ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader
                                te worden uitgewerkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in
                                een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    toepassing van artikel 2:7a</titel></kop><al> De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                        informatieverstrekking bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                        reïntegratie</al></li><li><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:9 Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
                                    maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
                                    redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                    ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is
                                    zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                                    arbeid of passende arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                                    verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen
                                    passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                                    inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de
                                    openbare dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de
                                    ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25,
                                    tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                                    medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                                    bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                    opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
                                    gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen
                                    omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de
                                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
                                    nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                    informatieverstrekking bij ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                    ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften
                                            en mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld
                                            in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c"><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                            bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie
                                    te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel
                                    7:1 te verrichten en hij door het college of een andere
                                    werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij
                                    verplicht die arbeid te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch
                                    onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                    vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                    beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a"><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b"><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                            onder a;</al></li><li nr="c"><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d"><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder
                                            geneeskundige behandeling te stellen of te blijven
                                            stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften
                                            hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien
                                            verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen
                                            van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard
                                            zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="e"><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f"><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in
                                            het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel
                                            in het belang van het behoud, het herstel of de
                                            bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g"><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie
                                            kan worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen
                                    van medisch onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                        artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                        ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van
                                        zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan
                                        op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                                        worden gemaakt;</al></li><li nr="b"><al>ndien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                        halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                        geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar
                                        hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
                                        heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge
                                        waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn
                                        functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                        onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
                                        dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot
                                            het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                            arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                            komen;</al></li><li nr="b"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten
                                            onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige
                                            behandeling te stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                            voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                            uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                            ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d"><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                            schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e"><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                            onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts
                                            niet kan plaatshebben; </al></li><li nr="f"><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                            arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden
                                            verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang
                                            van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college
                                            daartoe toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g"><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die
                                            hij heeft in verband met het verrichten van door de
                                            arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk
                                            geachte arbeid voor zichzelf of derden; </al></li><li nr="h"><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de
                                            arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst
                                            bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij
                                            hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende
                                            reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i"><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                                            verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van
                                            dit hoofdstuk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond
                                    van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                    van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                    bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair
                                    gestraft wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door
                                            hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                            voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn
                                            om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende
                                            arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b"><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                            bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c"><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten,
                                            waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid,
                                            verplicht is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                                    plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                    toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen
                                    7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan
                                    de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                    bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                    artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging
                                    alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond
                                    van de second opinion die hij conform artikel 32, van de wet
                                    SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de
                                    ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                    ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a"><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke
                                            duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling; </al></li><li nr="b"><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van
                                            proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling;</al></li><li nr="c"><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke
                                            detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een
                                            wijziging van de aanstelling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in
                                    artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door
                                    definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt
                                    plaats door wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                    arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                    periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de
                                    ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                                    restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar
                                    minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12
                                    maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid,
                                    dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn
                                    restverdiencapaciteit of meer benut.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                                    onder een andere functie mede verstaan het verrichten van
                                    dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                    informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                    zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                    functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                    daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate
                                    waarin de hervatting kan geschieden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                    gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                    vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig
                                    verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit
                                passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                reïntegratie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen
                                    van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht
                                    advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van
                                    zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van
                                    herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor
                                    derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in
                                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens
                                    artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                    gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                    hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                    toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                        WIA</al></li><li><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                        Pensioenreglement</al></li><li><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op
                                    een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de
                                    ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te
                                    wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen
                                    ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel
                                    rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                    ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                    ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                                    zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing
                                    van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                                    ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het
                                    meerdere aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht
                                heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                7:3, recht heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                    WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering
                                    tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of
                                    een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een
                                    IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met volledige,
                                    maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                                    minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of
                                    WGAuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering
                                    uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die
                                    uitkering naar rato van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering
                                    gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling
                                    wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen
                                    de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                                    geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                    artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                    aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                    dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                    uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten
                                    voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het
                                    bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de WGA- of IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                    Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar
                                in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21,
                                recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                                Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht
                                heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op
                                grond van de WIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Ziektekosten</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                                postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel
                                18 van de Zorgverzekeringswet</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25b Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 Overige bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                    december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op
                                    grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum
                                    voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze
                                    luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de
                                    ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang
                                    waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                                    hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te
                                    betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering
                                    krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede
                                    lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                    naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht
                                    op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare
                                    arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is
                                    om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder
                                    gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn
                                    krachten en bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van
                                    aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden
                                    100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar
                                    genoot in de oorspronkelijke functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                    ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is
                                    herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op
                                    WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op
                                    of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken
                                    die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien
                                    hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij
                                    opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan,
                                    wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het
                                    bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                            leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en
                                    7:22 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals
                                    die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i270812"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die
                                    op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i270813"></illustratie></plaatje> , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel
                                    7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet
                                    worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met
                                    ingang van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="1 januari 2006" type="tekst" id="i270814"></illustratie></plaatje> . </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid
                                    vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006
                                    wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis
                                    van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel
                                    7:18:1 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1
                                    zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i270815"></illustratie></plaatje> , van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28a Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel
                                    7:16 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i270816"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28b Overgangsartikel</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008" type="tekst" id="i270817"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                    indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen
                                    wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                                    ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan
                                    drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is
                                    ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                                    eerste lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                                    aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te
                                    brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een
                                    beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat
                                    de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de
                                    disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de
                                    dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                    hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid
                                    afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde
                                    leeftijd </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na
                                    het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is
                                    getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of
                                    arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid 3 wordt
                                    beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                                    Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een
                                    opzegtermijn van 13 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing
                                    van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                    dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                    dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                    arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen
                                    uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld
                                    plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg
                                gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna
                                wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                    indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten
                                    van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e
                                    maand na de eerste ziektedag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                    verlengd: </al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                                    plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a"><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van
                                            36 maanden;</al></li><li nr="b"><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken
                                            de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende
                                            arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de
                                    resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op
                                    grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de
                                    33e maand na de eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van
                                    zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking
                                    genomen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                                    zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                    ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan
                                    worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid,
                                    onderdeel a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst
                                    passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde
                                    lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag
                                    van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het
                                    bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende
                                    en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn
                                    functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden
                                    indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                            mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in
                                            staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                                            verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te
                                            verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid
                                            stelt;</al></li><li nr="c"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d"><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                                    in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking
                                    hebbend advies van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                                    ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                    grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                        aanvaarding van de functie geldt;</al></li><li nr="b"><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in
                                        de functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c"><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d"><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e"><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="f"><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen
                                        verwijt kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een
                                ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het
                                ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop
                                de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden
                                    ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende
                                    onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk
                                    genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge
                                artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het
                                ontslagbesluit vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie
                                in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                                tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien
                                hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van
                                het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol
                                ontslag verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    tijdelijke urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                                    van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het
                                    dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een
                                    aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht
                                    voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                    aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                    rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de
                                    urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke
                                    urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                    aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                                    kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                    aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
                                    is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft,
                                    ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de
                                    urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                    niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel
                                    2:4 zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                                    een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid,
                                    kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden
                                    genoemd in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde
                                    lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft
                                            geduurd;</al></li><li nr="b"><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch
                                            korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c"><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                            geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                    mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van
                                    zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag
                                verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                    vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>wet:</vet>Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b"><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                            bedoeld in de wet; </al></li><li nr="c"><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in
                                            artikel 1, tweede lid, van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a"><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een
                                            kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;
                                        </al></li><li nr="b"><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c"><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in
                                            artikel 15 van de wet; </al></li><li nr="d"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                            de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het
                                    feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als
                                    bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                                    aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                                    vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                                    centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de
                                    organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                    doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                    daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan
                                    ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de
                                    betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                                    heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
                                    toepassing op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar
                                    door het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                            onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van
                                            de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b"><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen
                                            van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c"><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                            misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d"><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door
                                            het belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                            ingaat;</al></li><li nr="b"><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid
                                            bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de
                                            schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c"><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van
                                            de schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor
                                    een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn
                                    van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren
                                    bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het
                                    bepaalde in het derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde
                                    datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of
                                    gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het
                                    derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de
                                    doorbetaling geheel gestaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                    uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar
                                    in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op
                                    hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief
                                    de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien
                                    de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf
                                    wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden
                                    alsnog tot uitbetaling wordt besloten. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op
                                    de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk
                                    ontslag niet volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                    vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                                    gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag
                                    dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                    onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop
                                    het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door
                                    de dienst </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen
                                    arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i270818"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar
                                    die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn
                                    de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i270819"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                    8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i270820"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of
                                artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 november 2008" type="tekst" id="i270821"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Vervallen</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9a:0:0:0</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9b:0:0:0</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn
                            in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9c:0:0:0</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar...</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9d:0:0:0</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9e:0:0:0</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                            artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit
                                            een betrekking:</al><lijst><li nr="1"><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2"><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                  aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                  niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                  tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                            artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend,
                                            tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel
                                            8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                                    bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat
                                    het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze
                                    regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of
                                    door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor
                                    pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor
                                            de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8,
                                            derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                    wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                    regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de
                                    betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage,
                                    bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                                    eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op
                                    die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van
                                    de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht
                                    op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat,
                                    tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a"><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen
                                            wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
                                            leeftijd;</al></li><li nr="b"><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                            bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
                                    recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen
                                    vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het
                                    wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                    afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                    recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten
                                    van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                    betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                    hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld
                                    ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                                    de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van
                                    artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het
                                    tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag
                                    waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge
                                    artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste
                                    lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                                    wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat
                                    gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                    waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="-"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                                            en</al></li><li nr="-"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                            jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van: </al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met
                                    een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                    aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het
                                    tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid; of</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                    langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing
                                    de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is
                                    begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig
                                    de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                    vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c"><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een
                                            duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                    voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van
                                    wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
                                    en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de
                                    duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze
                                    regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld
                                    op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
                                    toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in
                                    aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur
                                    van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                                    uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het
                                    volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene
                                    die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig
                                    voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt
                                    indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het
                                    ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn
                                    waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                                    verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij
                                    de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats
                                    in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                    vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                    betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                    pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                    blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                    verlenging, buiten aanmerking</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                    artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                            eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                    vervolgwachtgeld een jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
                                    lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet
                                    aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                    onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                                    vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                                    tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn
                                    wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend
                                    ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het
                                    tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                                    datum. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                                    artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                    voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of
                                    b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                    toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                                    beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                    wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                    vervolgwachtgeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie
                                    maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de
                                    daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en
                                    vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet
                                    van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages,
                                    genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het
                                    bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag
                                    van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien
                                    hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is
                                    ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar
                                    de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                                    berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                    pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                    tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid,
                                    gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                                    lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die
                                    verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de
                                    bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:12 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                    recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                    voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem
                                    door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval
                                    worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking
                                    of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                    vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                    ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend,
                                    dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene
                                    geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van
                                    het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:14 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij
                                elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een
                                op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding
                                in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden
                                toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:15 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                    waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                    gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                    vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                    bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                                    wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid,
                                    niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de
                                    betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld
                                    doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de
                                    zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het
                                    eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen
                                    met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit
                                    de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
                                    worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op
                                    zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                                    verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                    niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                    de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                                    inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                                    oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    wachtgeld is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of
                                    indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet
                                    het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                                    oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                                    zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid
                                    of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende
                                    wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                                    het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen
                                    van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:17 Verlenging</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij
                                het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het
                                wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige
                                betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is
                                verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de
                                artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                                toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:18 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                    bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                                    in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van
                                    diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:19 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                    onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt
                                    gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                                    wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde
                                    uitkeringen te boven gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:20 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt
                                    naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van
                                    wachtgeld werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                    wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:21 Afkoop</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene
                                een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of
                                ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                            eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                            onvolledig doet; </al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                            tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet
                                            nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt
                                            kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid
                                            zijn gesteld; </al></li><li nr="e"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven; </al></li><li nr="f"><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                    eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                    waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane
                                    inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid,
                                    aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager
                                    wachtgeld wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                    behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                    noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                    vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                                    behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid
                                    of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de
                                    openbare dienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b"><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c"><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                            derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat
                                            haar op de door het arbeidsbureau dan wel de
                                            buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde
                                            tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d"><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                            arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                            arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                            oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                            instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk,
                                            dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert
                                            dergelijk werk te aanvaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede
                                    lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de
                                    hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
                                    aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel
                                    10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                    echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de
                                    uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                    natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen.
                                    Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten
                                    behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen
                                    van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde
                                    van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast,
                                    bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan
                                    het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is
                                    de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                                    naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de
                                    uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot
                                    laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                    voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus
                                    1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                    vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze
                                    luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld
                                    tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering
                                    tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld
                                    als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de
                                    duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                    verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31
                                    december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                    verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                    overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                    wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                    termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk
                                    aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit
                                    meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit
                                    wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                                    arbeidsvermogen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                                uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                                10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:29 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                    december 2000.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                            werkloosheid</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van
                                een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van,
                                8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van
                                artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering:</vet>uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>grondslag:</vet>het gemiddelde van het salaris, de
                                        toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht
                                        (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden
                                        direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of
                                        de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met
                                        de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. Deze wordt
                                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
                                        gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c"><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en
                                        gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing
                                        hebben verklaard;</al></li><li nr="d"><al><vet>boventalligheid:</vet>de situatie dat een ambtenaar
                                        wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na
                                        de reorganisatie;</al></li><li nr="e"><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop
                                        van de werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f"><al><vet>werkloosheid:</vet>werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        bij de gemeente;</al></li><li nr="g"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet>uitkering op grond van de
                                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                        aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                    overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                    college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                    Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze
                                    lokale afspraken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                        8:8</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                    treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                                    door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                    inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag
                                    uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond
                                    van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                        gemeente</al></li><li><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                        levensloop</al></li><li><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</titel></kop><al> Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>re-integratiefase: </vet>de fase voorafgaand aan
                                        ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
                                        afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de
                                        re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen
                                        en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                        werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de ambtenaar te bevorderen; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                    recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond
                                    van artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending
                                    of overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                    dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt.
                                    Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de
                                    datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag
                                    plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                                    re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
                                    van: </al><lijst><li nr="a"><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c"><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor
                                    de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het
                                    aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie
                                    binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                    artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                    re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                                    lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende
                                    uitkering en een na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                    gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                    tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van
                                    de oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                    nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                    afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                    maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                    mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    6:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                    tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a"><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                            arbeidsduur; en</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof
                                            levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke
                                            levensloopregeling; en</al></li><li nr="c"><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten
                                            worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                            bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                    voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                    ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                    tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                    maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan
                                    op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door
                                    het college gehoord. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                    re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                    verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                    afspraken over: </al><lijst><li nr="-"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                            neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="-"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke
                                            scholing, het begin van die scholing, het einde van die
                                            scholing, de betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="-"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de
                                    kosten voor de verschillende activiteiten uit het
                                    re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                                    re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor
                                    rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij
                                    boventalligheid</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Toelichting</vet></al><al>In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen
                                opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li></lijst></li><li><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                                werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar
                                        werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van
                                                werk naar werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                            werk-trajecten</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                                boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar
                                heeft bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                                werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college
                                besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel
                                10d:22.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                                passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar
                                van een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit
                                tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                    onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                    gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                    regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de
                                    datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is
                                    uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                    werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                    werk-contract op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                    voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                    afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="-"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding
                                            en de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="-"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van
                                            werk naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="-"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                            beschikbare budget;</al></li><li nr="-"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn
                                            gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="-"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                            sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht
                                            op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd
                                            bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
                                        </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke
                                            flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel
                                            17:7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen
                                    tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten
                                    aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college
                                    een afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                    werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                                wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd.
                                Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd.
                                Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek
                                of ontslag om een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                    plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                    gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de
                                    gemeente weigert. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging
                                    van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de
                                    ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                    werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in
                                    het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag
                                    volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is
                                    beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is
                                    van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een
                                    aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                    sinds de start ervan niet met een positief resultaat is
                                    afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit
                                    aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder
                                    geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in
                                    acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het
                                    advies. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet
                                    op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
                                    voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen
                                    afzienbare termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                    niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                    college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                    stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden
                                    niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op
                                    grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                    toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                    functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het
                                    vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                    vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                    werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke
                                    en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer
                                    worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk
                                    naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het
                                    college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar
                                    werk-traject is verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                    werk-contract </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien één van beide partijen van mening is dat de andere
                                    partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het
                                    Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere
                                    partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht
                                    gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in
                                    het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het
                                    Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere
                                    partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het
                                    contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere
                                    partij kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                    wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                    waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan
                                    als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging
                                    herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                    tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
                                    ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                    werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit
                                    artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil
                                    voorleggen aan de paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1 </lidnr><al> Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                    desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                    bepalingen in deze paragraaf. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                    artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil
                                    een bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                    bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                                    vastgelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                            re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid
                                            niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b"><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk
                                            naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
                                            en</al></li><li nr="c"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk
                                            ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is
                                    dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                    aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                                    van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij
                                    ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                    uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag
                                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal
                                    uren dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 20%; </al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 10%; </al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van €
                                            6.560,= 20%;</al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                    rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                    afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:28 Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                    evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                    sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                    na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere
                                    regels op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                                    recht op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                            werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b"><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan
                                            de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
                                            hoogte van zijn na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                                    het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                    werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                    heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                    voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                    bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren
                                    dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                                    of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de
                                    grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet
                                    overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                                    uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a"><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b"><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                                        van 50 jaar </al></li><li nr="c"><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                    eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
                                    waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties
                                worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering.
                                Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft
                                om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op
                                de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:35 Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                    uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                    geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                    voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van
                                    minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><structuurtekst><al></al><lijst><li><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                        definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                        arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                    definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en
                                    die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16,
                                    derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
                                    definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht
                                    op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid
                                    heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door
                                    UWV definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                    ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                    grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van
                                    artikel 7:16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                    totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
                                    nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                    mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                    van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke
                                uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                        gemeentelijke sector en</al></li><li nr="b"><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan
                                        (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12
                                        -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
                                        gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de
                                        leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor
                                        de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de
                            ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Uitkeringsregeling ontslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                    ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een
                                            betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl
                                            die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan
                                            wel is geschied in een betrekking van kennelijk
                                            tijdelijke aard;</al></li><li nr="b"><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                            regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat
                                            ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan
                                            eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat
                                            ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                            8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                    verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat
                                    hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die
                                    door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk
                                    van standplaats moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd
                                    die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van
                                    de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8,
                                            vierde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                    uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling
                                    zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was
                                    verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel
                                    6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in
                                    artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                    bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de
                                    dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:6 Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden,
                                    bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van
                                    de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan
                                    de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste
                                            26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                            11:7;</al></li><li nr="b"><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten
                                            minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                            ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het
                                            bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding
                                            geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                            toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
                                    perioden waarin de betrokkene ten gevolge van
                                    arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te
                                    verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
                                    werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
                                    bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de
                                    perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                                    aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
                                    dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
                                    meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
                                    in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
                                    aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                    weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                    ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
                                    vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer
                                    niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of
                                    derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag
                                    waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats
                                    heeft plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                            WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                            van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht
                                            heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                            regeling;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de
                                            leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d"><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                            wijten;</al></li><li nr="e"><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college
                                            geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                            werkloosheid;</al></li><li nr="f"><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                            heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat
                                            hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die
                                            mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
                                            verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
                                            voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                            aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht
                                    op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college beslist over de toekenning van uitkering op
                                    aanvraag door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                                    het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of;</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de
                                            duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                            arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij
                                            een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van:</al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en; </al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
                                            worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in
                                            verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                            drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                            perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                            voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen,
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt,
                                    indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens
                                    voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld
                                    in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de
                                    uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal
                                    maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de
                                    uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                    hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd
                                    van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn
                                    leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft
                                    bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de
                                    termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende
                                    een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:9 Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                    artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    die uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
                                            11:7, eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                            vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                    vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                    toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
                                    indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen
                                    binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een
                                    jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                                    heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                    toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                    uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                    vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                    maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                    bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67%
                                    van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                    worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met
                                    3 procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:12 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien
                                hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college
                                een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen
                                vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing
                                worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:13 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                                    toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                                    samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het
                                    bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals
                                    bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt
                                    een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23,
                                    eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                    gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde
                                    en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement,
                                    worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend.
                                    De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag
                                    waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door
                                    betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte
                                    tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij
                                    betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
                                    In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                    verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                    uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen
                                    al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                                    vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering
                                    de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of
                                    indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het
                                    gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken,
                                    verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor
                                    zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                                    verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke
                                    of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene,
                                    bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of
                                    geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van
                                    drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                                    geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel
                                    minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan
                                    geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                    of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner
                                    was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van
                                    een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond
                                    van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor
                                    zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                                    gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                                    heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                                    en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die
                                    termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt
                                    hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering
                                    een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                                    betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse
                                    werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                                    regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:18 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                                eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering
                                wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in
                                de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:19 Afkoop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op
                                uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                    uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
                                    de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a
                                    of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7,
                                    eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid
                                    eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid
                                    opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
                                    waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
                                    betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                                    aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld
                                    of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                    werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="b"><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben
                                            van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
                                            dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                            dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                            dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                            bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
                                    uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig
                                    werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                            ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder
                                            a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b"><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                    betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld
                                    met gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
                                    zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
                                    toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
                                    als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering
                                    als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de
                                    betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                    aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende
                                    lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
                                    het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is
                                    ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:21 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient
                                    binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als
                                    werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te
                                    leggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht
                                    zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college
                                    in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                    strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron
                                    van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:22 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                    uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak
                                    van diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:23 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de
                                    onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:24 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn,
                                waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling
                                toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:25 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                    boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                    uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                    uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:26 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                            bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat
                                            dan wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                            artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                            zonder toestemming van het college gedurende de tijd,
                                            waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde
                                            leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                            op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                            instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                            doen verlengen;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21,
                                            vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem
                                            hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt,
                                            dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te
                                            nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid,
                                            zijn gesteld;</al></li><li nr="f"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven;</al></li><li nr="g"><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren,
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te
                                            verlenen;</al></li><li nr="h"><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                            vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                    eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij
                                    het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                    arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt
                                    gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                                    arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat
                                    hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert
                                    dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het
                                    gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren
                                    gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het
                                    verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of
                                    uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van
                                    het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                                    verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om
                                    werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                            volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65
                                            jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de
                                            betrokkene is overleden;</al></li><li nr="c"><al>indien het recht op uitkering geheel wordt
                                            afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste
                                    lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de
                                    hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere
                                voorschriften geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991,
                                    worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1
                                    augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                                    de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus
                                    1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze
                                    luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                    artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze
                                    luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging
                                    van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel
                                    13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige
                                    daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van
                                    de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                                    zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op
                                    een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin,
                                    met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt
                                    herberekend op grond van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze
                                    uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:32 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op
                                    31 december 2000. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11a Suppletie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid
                                            in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b"><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een
                                            periodieke uitkering, toegekend op grond van
                                            arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig
                                            dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                            WAO;</al></li><li nr="d"><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                            artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                            ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                            vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                            tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                                            is, met uitzondering van degene die zijn resterende
                                            verdienvermogen volledig benut in een of meer
                                            aangehouden betrekkingen;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in
                                            artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene
                                            ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                            11a:6;</al></li><li nr="g"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op
                                            de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing
                                            van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid,
                                            van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd
                                            met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10
                                            van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP,
                                            en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                            strekkende tot betaling van de premie van een door of
                                            voor de betrokkene afgesloten particuliere
                                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede
                                            lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                            Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h"><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                            dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                            ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                            toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het
                                            inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie
                                            wordt ontleend;</al></li><li nr="i"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                            uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die
                                            voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan
                                    hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                    bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                    ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen
                                    van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                                    samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin
                                    van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede
                                    gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan:
                                    alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een
                                        mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht
                                        kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
                                        betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:6 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De suppletie bedraagt een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens
                                    aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                    bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b"><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden
                                            70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:7 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                    artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum
                                    dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft
                                    geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode
                                    verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum
                                    en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden
                                    onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te
                                    beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht
                                    heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van
                                    24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                    elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:8 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                    suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een
                                    Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                    ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen
                                    in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                    bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                                    dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                                    WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de
                                    eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                    waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de
                                    feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene recht heeft op een
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan
                                    een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum,
                                    gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht
                                    voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een
                                    verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het
                                    bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt,
                                    uitsluitend het bedrag van die verhoging van die
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het
                                    bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                    hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als
                                    overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                    uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend
                                    aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                                    van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                    desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                    individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt
                                    tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan
                                    het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze
                                    van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                    overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:9 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
                                    bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in
                                    verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                            aangezegd;</al></li><li nr="b"><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de
                                            betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in
                                            onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor
                                            zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag
                                            inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de
                                            betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere
                                            inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van
                                            een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                            het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                    betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:10 Suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien,
                                als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                                betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                                heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b"><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c"><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                        wel;</al></li><li nr="d"><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:11 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan
                                    wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een
                                    bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie
                                    van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a"><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                            partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de
                                            andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden
                                            leefde;</al></li><li nr="b"><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                            minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c"><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen
                                            aan degenen ten aanzien van wie de overledene
                                            grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
                                            wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                    echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde
                                    personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een
                                    gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
                                    tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                    bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid,
                                    kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen
                                    gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
                                    bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
                                    andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                    mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                    nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                    werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                    uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die
                                    naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                                    uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op
                                    suppletie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                    bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk
                                    uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die
                                    suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de
                                    suppletie in de regel per maand achteraf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                    binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet
                                    meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid
                                    vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend
                                    onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent
                                    het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of
                                    omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
                                    11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                    redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                    indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                                    beschouwd als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij
                                    die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die
                                    regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te
                                    nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat
                                    deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het
                                    bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft
                                    volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op
                                    suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                    tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                    gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de
                                    in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is
                                    verplicht daarvan mededeling te doen aan het
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen
                                    van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                    bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al>de wijze waarop de controle van betrokkene
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="b"><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                            suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit
                                    de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld
                                    als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van
                                    de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die
                                    datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is
                                    verstreken, heeft recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                                    een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                    van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="18" colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="18" colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="18" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="19" colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="19" colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="19" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="20" colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="20" colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="20" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="21" colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="21" colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="21" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="22" colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="22" colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="22" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="23" colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="23" colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="23" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="24" colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="24" colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="24" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="25" colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="25" colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="25" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="26" colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="26" colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="26" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="27" colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="27" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="27" colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="28" colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="28" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="28" colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="29" colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="29" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="29" colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="30" colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="30" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="30" colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="31" colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="31" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="31" colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="32" colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="32" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="32" colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="33" colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="33" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="33" colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="34" colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="34" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="34" colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="35" colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="35" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="35" colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="36" colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="36" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="36" colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="37" colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="37" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="37" colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="38" colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="38" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="38" colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="39" colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="39" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="39" colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="40" colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="40" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="40" colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="41" colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="41" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="41" colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="42" colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="42" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="42" colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="43" colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="43" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="43" colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="44" colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="44" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="44" colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="45" colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="45" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="45" colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="46" colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="46" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="46" colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="47" colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="47" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="47" colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="48" colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="48" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="48" colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="49" colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="49" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="49" colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="50" colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="50" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="50" colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="51" colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="51" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="51" colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="52" colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="52" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="52" colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="53" colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="53" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="53" colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="54" colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="54" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="54" colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="55" colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="55" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="55" colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="56" colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="56" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="56" colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="57" colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="57" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="57" colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="58" colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="58" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="58" colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7,
                                    11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid
                                    tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                                    overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op
                                    suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                                    met dien verstande dat voor de vaststelling van de
                                    berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het
                                    dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de
                                    WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                                    eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                    herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar
                                    beneden afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                                januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer
                                onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19,
                                eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
                                mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het
                                pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de
                                mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op
                                grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent,
                                binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene,
                                geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39,
                                vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in
                                paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat,
                                wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                                vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch
                                niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007
                                    op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de
                                    ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                                    WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1
                                    januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig
                                    arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                    grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                            commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b"><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                            collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers
                                            die werkzaam zijn op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c"><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                            groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                            overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke
                                            zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College
                                            voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is
                                    samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                                    en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene
                                    Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke
                                    Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de
                                    Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid,
                                    onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de
                                    bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                    respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting
                                    hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel
                                    namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als
                                    vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien
                                    deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet
                                    vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                                    FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de
                                    bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1
                                    juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met
                                    de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                    toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen
                                    worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd
                                    overleg besproken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                    verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer
                                    voldoende representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn
                                    midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers
                                    aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van
                                    de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden
                                    lid van het college te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld
                                    in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                    aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de
                                    organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden
                                    tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een
                                    zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                                    organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling
                                    wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:2 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie,
                                    bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf
                                    van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar
                                    aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie
                                    is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                    organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de
                                    organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn
                                    aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is
                                    ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een
                                    opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:3 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                    vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                    commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                    college verder personeel voor het secretariaat ter
                                    beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                    Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan
                                    de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling
                                    aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                    dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                    overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt,
                                    het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor
                                    georganiseerd overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                    verandering te brengen in de inrichting van enig
                                    dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten
                                    daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in
                                    artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in
                                    de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast
                                    betreffende:</al><lijst><li nr="a"><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg
                                            als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b"><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                            betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c"><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig
                                    lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in
                                    artikel 12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van
                                    algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met
                                    inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                                    personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                                    overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA
                                    tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                    Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een
                                    bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                    overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Invoering of wijziging van aangelegenheden van algemeen belang voor
                                de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                                volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt niet
                                plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met tenminste
                                de helft van de centrales van overheidspersoneel die aan het
                                plaatselijk Georganiseerd Overleg deelnemen. Voor aangelegenheden
                                waarover de uiteindelijke beslissing tot de competentie van de
                                gemeenteraad behoort, betreft de strekking van deze overeenstemming
                                het door B&amp;W aan de raad voor te leggen voorstel. Uitgesloten
                                zijn onderwerpen die in het landelijk protocol zijn uitgesloten als
                                mede in het centraal overleg overeengekomen maatregelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de
                                    organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste
                                    lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                    bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent
                                    een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de
                                    raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies
                                    ter besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van
                                    voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen
                                    van de vertegenwoordigde organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                    haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                    behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                    subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door
                                    degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter
                                    beschikking staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt
                                    op door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                                    drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van
                                    redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst
                                    van het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren,
                                    ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel
                                    mogelijk de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer
                                    de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee
                                    of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                                    plaatshebben indien ten minste de helft van de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                    vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                    onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een
                                    binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke
                                    vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                                    behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</titel></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te
                                maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze
                                stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende
                                vergadering aan de orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                    vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                    deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                    bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                    organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de
                                    agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke
                                    behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te
                                    onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                    omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                    geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten
                                    opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover
                                    de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</titel></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo
                                dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door
                                hem te bepalen tijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                    vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één
                                    stem uit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                    bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                    buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem
                                    van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt
                                    bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie,
                                    waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht
                                    als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van
                                    het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie
                                    niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                                    stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt
                                    uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging
                                    geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                    vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                    aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</titel></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                                notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                                gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11,
                                anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</titel></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de
                                vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en
                                12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn
                                aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7
                                en 12:3:8 wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                        genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b"><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts
                                van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in
                                artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend
                                de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel
                                    12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden
                                    gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen,
                                    wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over
                                    de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of
                                    een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van
                                    voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van
                                    de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van
                                    het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid
                                    van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1,
                                    derde en vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                                    overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in
                                    artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel
                                    12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                                    wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                                    voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten
                                    minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                                    vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                                    bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat
                                    het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
                                    overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en
                                    de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                    eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                    advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                                    wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg
                                    en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b"><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg
                                            omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                                college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen
                                    zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1
                                    januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                    ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel
                                    dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                    regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement
                                    vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in
                                    neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg
                                    plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid
                                    hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid,
                                    10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid,
                                    11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede
                                    lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                                dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                                januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                                verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per
                                31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                                uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari
                                1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en
                                11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari
                                1997.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de
                                ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de
                                benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het
                                (maximum) aantal zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                                onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht
                                een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun
                                onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in
                                artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15:1 Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te
                                vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar
                                betaamt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a:0:1 Regeling integriteitsverklaring</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1a, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Regeling integriteitsverklaring
                                van de gemeente Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                                    diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                                namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a"><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                        gemeentedienst;</al></li><li nr="b"><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                        vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a"><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                        beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                        verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van
                                        het college;</al></li><li nr="b"><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen
                                    van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren,
                                    werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is
                                    hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                    mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit
                                    orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de
                                    nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                    verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                                    verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                    eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                    bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en
                                    directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van
                                    andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter
                                    bescherming van de integriteit van de openbare dienst
                                    openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een
                                    functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                    belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                    koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college,
                                    op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële
                                    belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten,
                                    die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan
                                    met de functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in
                                    het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                    effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de
                                    openbare dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                    nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                    dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van
                                    de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en
                                    leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:9 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot
                                en met 15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere
                                    werkgever</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    particulier werkgever een staking is uitgebroken of een
                                    uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of
                                    uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het
                                    verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het
                                    oordeel van het college zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
                                    wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens
                                    het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                    wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                    veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                    veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond
                                    van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het
                                    kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding
                                    en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar
                                    de ramp of crisis plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen,
                                    is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen
                                    aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid
                                    aangeduide taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                    slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                    zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                    vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze
                                    aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                    daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                                    is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en
                                    ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                    aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven
                                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige
                                    voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en
                                    geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort
                                    uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                    bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de
                                    handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                    ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                    afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                    gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                    aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:14 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het
                                    college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een
                                    beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn
                                    functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de
                                    uitoefening daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de
                                    ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn
                                    functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover
                                    deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht
                                    wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze
                                    waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                                    verbeterd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie
                                    de door het college voor die functie of voor bepaalde
                                    werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                    onderscheidingstekenen te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                    uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door
                                    of namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                                    insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst
                                    uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die
                                    niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot
                                    het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend.
                                    Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen
                                    tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan
                                    verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                    betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in
                                    het eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17 Standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de
                                    verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats
                                    te gaan wonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het
                                    met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar
                                    gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid
                                    bepaalde nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                    dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake
                                    van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften
                                    die daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                    plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder
                                    zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                                kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het
                                verblijf aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft
                                    met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                    krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft
                                    geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor
                                    zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                                    staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat
                                    hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het
                                    gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige
                                    ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                    situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven
                                    aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door
                                    of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                    betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
                                    onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                    overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                    functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:21 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding
                                    en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed
                                    welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge
                                    van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet
                                    bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem
                                    toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten
                                    gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                            grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per
                                            jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer
                                            een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                            belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23:1 Uitvoeringsregeling
                                    schadevergoeding</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:23, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Uitvoeringsregeling
                                schadevergoeding van de gemeente Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken,
                                indien en voor zover hem daartoe door of namens het college
                                toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde
                                voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</titel></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                                schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor
                                het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of
                                enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen.
                                De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs
                                verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij
                                dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen
                                niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met
                                behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan
                                inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en
                                vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke
                                    bepalingen</titel></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                                kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                                voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt
                                gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de
                                gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                                kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke
                                    organisatie</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                                plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                                commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                                vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                                genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten
                                wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke
                                organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2 Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met
                                    vermoedens van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                    vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                    regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                    ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente
                                    benadeeld worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:0:1 Regeling Melding Vermoeden Misstand </titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Regeling Melding Vermoeden
                                Misstand van de gemeente Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                                    zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                    herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                    maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                    tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair
                                    worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                                    als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in
                                    gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de
                                    volgende disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                            vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                            lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes
                                            uren met een maximum van drie uren per dag en met dien
                                            verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op
                                            zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                            feestdagen; </al></li><li nr="c"><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het
                                            aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                            kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d"><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het
                                            salaris per jaar;</al></li><li nr="e"><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                            bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                            maand;</al></li><li nr="f"><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering
                                            van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen,
                                            een herwaardering van de functie daaronder begrepen,
                                            voor ten hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g"><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van
                                            de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan
                                            de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is
                                            verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste
                                            5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee
                                            jaren; </al></li><li nr="h"><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een
                                            ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of
                                            onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van
                                            salaris en de toegekende salaristoelage(n); </al></li><li nr="i"><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met
                                            gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden
                                    opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i,
                                    alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door
                                    het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de
                                    laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet
                                    ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                    gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn
                                    niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor
                                    de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
                                    plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                                    eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:3 Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                    schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                    overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger.
                                    De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet
                                    later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan
                                    van deze termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen
                                    36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt
                                    getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats
                                    heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de
                                    ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                                    mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een
                                    afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar
                                    uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman
                                    in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke
                                    rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde
                                    feiten betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:4 Verantwoording</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                                schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:5 Verantwoording</titel></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                                uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij
                                bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
                                bevolen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor
                                    zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor
                                    diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de
                                    ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van
                                    werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                    loopbaanbeleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het
                                    verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid
                                    en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                    organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen
                                    het gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                    500.-. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                    opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt
                                    aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                    loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan
                                    dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het
                                    bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                                    ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                    loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                    scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op
                                    de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                                    arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen
                                    of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn
                                    gericht op een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget
                                    worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar
                                    waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar
                                    het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om
                                    daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit
                                    wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na
                                    verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet
                                    volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen
                                    het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan
                                    de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste
                                    kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat
                                    kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per
                                    drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen
                                    in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van
                                    het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door
                                    het college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het
                                    persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en
                                    activiteiten worden door het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele
                                    verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
                                    ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                    voeren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende
                                    onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                            redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                            worden;</al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
                                        </al></li><li nr="-"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                            worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie
                                            door de ambtenaar; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                            binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                            studie; </al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op
                                loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of
                                externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</titel></kop><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:7 Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                                beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                                Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>18 Verplaatsingskosten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar
                                            in de zin van de CAR;</al></li><li nr="b"><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te
                                            wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de
                                            gemeente;</al></li><li nr="c"><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name
                                            genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                                            werkzaamheden verricht; </al></li><li nr="d"><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde
                                            partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                            pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de
                                            echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij
                                            samenwonen;</al></li><li nr="e"><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en
                                            voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van
                                            eigen meubilair en stoffering, een en ander ter
                                            beoordeling van het bevoegde gezag;</al></li><li nr="f"><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van het
                                            salaris per maand inclusief eventuele salaristoelage(n),
                                            dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel
                                            niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op
                                            het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op
                                            de vakantieuitkering en in voorkomende gevallen
                                            vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1"><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens
                                                  hoofdstuk 10 of 11 of een genoten
                                                  werkloosheidsuitkering krachtens de WW en
                                                  eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2"><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk
                                                  12 van het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g"><al><vet>berekeningstijdstip:</vet></al><lijst><li><al>1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al></li><li><al> 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum
                                                  dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum
                                                  van ingang van de functievervulling; </al></li><li><al>3e bij het overlijden of ontslag van de
                                                  betrokkene, de datum waarop de laatste
                                                  salarisbetaling heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="h"><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen
                                            onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                            betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i"><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming
                                            in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een
                                            verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of
                                            ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en
                                            pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet
                                            heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j"><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan
                                            de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn
                                            functie aangewezen woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                    bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming
                                    in verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is
                                    verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op
                                    verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten
                                    feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing
                                    wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking
                                    naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een
                                    van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op
                                    verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die
                                    in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                    verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                    verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                    bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders
                                    dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een
                                    dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een
                                    ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht
                                    op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als
                                    gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en
                                    het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning
                                    is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                    overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding
                                    in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer
                                    bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing
                                    binnen het woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2
                                en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft
                                plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen
                                is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of
                                de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en
                                            van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden
                                            naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van
                                            het in- en uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b"><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de
                                            noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van €
                                            310,51 per maand met dien verstande dat de
                                            tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                            verleend;</al></li><li nr="c"><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                            voortvloeiende kosten, met een maximum van €
                                            6.209,70.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                    huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders
                                    is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                    berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een
                                    maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten
                                    woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in
                                    het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                    echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de
                                    zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te
                                    verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de
                                    berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een
                                    deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking
                                    bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een
                                    tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis
                                    vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De
                                    tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                    tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                    Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan
                                    voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend
                                    van 3% van de berekeningsbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen,
                                    zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
                                    pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding
                                    van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de
                                    plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                                    aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                                    verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
                                    oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan
                                    reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
                                    betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension
                                    in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens
                                    een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de
                                    reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                    naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat
                                    redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
                                    spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in
                                    aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
                                    bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en
                                    als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
                                    tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid
                                    worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het
                                    tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het
                                    bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:6:1 Uitvoeringsregeling reiskostenvergoeding
                                    woon-werkverkeer</titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 18:1:6, vindt u bij het
                                onderdeel aanvullende regelingen de Uitvoeringsregeling
                                reiskostenvergoeding woon-werkverkeer van de gemeente
                                Veenendaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7:1 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De tegemoetkoming in reiskosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
                                eerste en vierde lid, is gebaseerd op de kosten van een
                                jaartrajectabonnement 2e klas. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling geen
                                openbaar vervoer aanwezig is, of om praktische redenen geen gebruik
                                kan worden gemaakt van het openbaar vervoer, en men gebruik maakt
                                van de eigen auto, dan wordt het bedrag van de tegemoetkoming in de
                                reiskosten gebaseerd op € 130,00 vermenigvuldigd met een breuk,
                                waarbij de noemer 40 is en de teller de daadwerkelijke afstand
                                tussen de woonplaats en de standplaats bedraagt. De teller is
                                maximaal 40. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het bedrag van de tegemoetkoming in de reiskosten genoemd in het
                                tweede lid, zal vanaf 1 januari 2009 jaarlijks worden aangepast aan
                                de procentuele prijsstijging die in de begroting van de gemeente
                                Veenendaal is opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel
                                    18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk
                                    met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen
                                    60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet
                                    uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde
                                    pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor
                                    het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is
                                    gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en
                                    wel naar het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en
                                    pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7
                                    en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes
                                    maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek
                                    van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                    bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand
                                    gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem
                                    zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die
                                    kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                    vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                    inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming
                                    verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor
                                    de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen
                                    zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag
                                    opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    onder b.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:12 Voorschot</titel></kop><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                                tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of
                                krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele
                                gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet
                                of niet naar redelijkheid voorzien.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                                    brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. aspirant manschap a </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,20</al></entry><entry colname="col4"><al>19,07</al></entry><entry colname="col5"><al>12,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                  Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,72</al></entry><entry colname="col4"><al>22,03</al></entry><entry colname="col5"><al>14,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>330,00</al></entry><entry colname="col3"><al>13,00</al></entry><entry colname="col4"><al>24,38</al></entry><entry colname="col5"><al>16,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>495,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,28</al></entry><entry colname="col4"><al>30,61</al></entry><entry colname="col5"><al>20,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>3902,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,02</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5603,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>56,03</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7.commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8335,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>62,52</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                    gemeentelijke brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                  hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap A</al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,34</al></entry><entry colname="col4"><al>19,40</al></entry><entry colname="col5"><al>12,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                  Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner
                                                  gevaarlijke stoffen</al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,94</al></entry><entry colname="col4"><al>22,48</al></entry><entry colname="col5"><al>14,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5
                                                  jaar manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                  specialisaties uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>334,00</al></entry><entry colname="col3"><al>13,23</al></entry><entry colname="col4"><al>24,77</al></entry><entry colname="col5"><al>16,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. bevelvoerder</al></entry><entry colname="col2"><al>503,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,56</al></entry><entry colname="col4"><al>31,08</al></entry><entry colname="col5"><al>20,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. officier van dienst</al></entry><entry colname="col2"><al>3977,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,77</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6 hoofdofficier van dienst, adviseur
                                                  gevaarlijke stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5704,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,04</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7.commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8491,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>63,64</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de
                                zeer beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de
                                vergoedingen tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement
                                worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari
                                1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                                brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de
                                Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de
                                regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin
                                van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel
                                getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december 1979
                                al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in
                                dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                                overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                                overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen
                                die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen
                                ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt
                                bijlage 11.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19a Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een
                            instelling voor kunsteducatie</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</titel></kop><structuurtekst><al></al><al><vet>Vervallen hoofdstuk</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner
                                verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont
                                en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke
                                huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring,
                                ingericht volgens door het college nader te stellen regels.
                                Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden
                                aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                                overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                                levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet
                                tevens worden gelezen "levenspartner".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari
                                    1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de
                                    bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel
                                    gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                    ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                                    vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanvullende regelingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Aanvullende regelingen gemeente Veenendaal</titel></kop><lijst><li><al>BABS</al></li><li><al>Dienstvoertuigen</al></li><li><al>Functiebeschrijven en -waarderen</al></li><li><al>Integriteitsverklaring</al></li><li><al>Klokkenluiders</al></li><li><al>Maaltijdvergoeding</al></li><li><al>Ongewenste omgangsvormen</al></li><li><al>Pensioengratificatie</al></li><li><al>Piketregeling</al></li><li><al>Reis- en verblijfskosten (vergoeding)</al></li><li><al>Schadevergoeding</al></li><li><al>Sociaal plan</al></li><li><al>Sociaal Statuut</al></li><li><al>Taakafbakening GO/OR</al></li><li><al>Uitvoeringsregels beloning</al></li><li><al>Vrije keuze budget</al></li><li><al>Werktijdenregeling</al></li><li><al>Woon-werkverkeer (vergoeding)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de
                                    burgerlijke stand</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Aanstelling</al></li><li><al>Artikel 3 Bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 4 Spaarloon</al></li><li><al>Artikel 5 Fiets-prive</al></li><li><al>Artikel 6 Ambtsjubileumgratificatie</al></li><li><al>Artikel 7 Pensioengratificatie</al></li><li><al>Artikel 8 Aanspraken bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 9 Ontslag en schorsing</al></li><li><al>Artikel 10 Overige rechten en plichten</al></li><li><al>Artikel 11 Plichtsverzuim</al></li><li><al>Artikel 12 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 13 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Artikel 14 Inwerkingtreding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>buitengewoon ambtenaar:</vet> de bezoldigd buitengewoon
                                        ambtenaar van de burgerlijke stand zoals bedoeld in artikel
                                        16 Boek 1 BW die regelmatig worden ingezet voor het sluiten
                                        van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.</al></li><li nr="b"><al><vet>CAR/UWO:</vet> de Collectieve
                                        arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst van de
                                        gemeente Veenendaal.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Aanstelling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst voor een periode van 1
                                jaar. Bij goed functioneren volgt een tijdelijke aanstelling voor de
                                duur van 4 jaar. Na deze periode kan de tijdelijke aanstelling met
                                dezelfde periode (herhaaldelijk) worden verlengd. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De aanstelling voor bepaalde tijd bedoeld in het eerste lid eindigt
                                van rechtswege.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De aanstelling eindigt in ieder geval per 1 januari van het jaar
                                volgende op het jaar waarin de buitengewoon ambtenaar van de
                                burgerlijke stand de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Bezoldiging</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De buitengewoon ambtenaar ontvangt een salaris in de vorm van een
                                vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap
                                gelijk aan viermaal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van
                                schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met het
                                percentage van de vakantietoelage van artikel 6:3, tweede lid, van
                                de CAR/UWO. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met het
                                percentage van de eindejaarsuitkering van artikel 3:18a van de
                                CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Spaarloon</vet></tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Fiets-prive</vet></tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Ambtsjubileumgratificatie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De buitengewoon ambtenaar ontvangt een ambtsjubileumgratificatie
                                conform artikel 3:19 van de CAR/UWO. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt in
                                afwijking van artikel 3:19 van de CAR/UWO uitsluitend verstaan de
                                diensttijd doorgebracht bij de gemeente Veenendaal als buitengewoon
                                ambtenaar.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van artikel 3:19 van de CAR/UWO wordt onder
                                bezoldiging verstaan: het gemiddelde van het totaal aan vergoedingen
                                bedoeld in artikel 3 die de buitengewoon ambtenaar in de laatste 12
                                maanden voorafgaand aan de datum van een ambtsjubileum gemiddeld
                                heeft ontvangen.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Pensioengratificatie</vet></tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Aanspraken bij ziekte</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar jonger dan 65 jaar zijn de
                                artikel 7:1 tot en met 7:3 (definities, begeleiding en recht op
                                bezoldiging bij ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en
                                sancties) en 7:19 tot en met 7:21 (samenloop met uitkering) van de
                                CAR/UWO van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan:
                                het gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 3,
                                over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van
                                ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar. Voor zover de
                                ambtenaar op deze datum zijn betrekking nog geen 12 maanden heeft
                                vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand
                                is toegekend over de periode waarin hij in dienst is.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van
                                ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar verstaan: de dag waarop
                                de ambtenaar is aangewezen om een huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap te voltrekken, waarvoor hij wegens ziekte is
                                verhinderd.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Ontslag en schorsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op
                                verzoek), 8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:3 (wegens
                                reorganisatie), 8:4, 8:5 en 8:5a (wegens arbeidsongeschiktheid), 8:6
                                (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7 en 8:8 (overige
                                ontslaggronden) 8:11 (wegens FPU), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en
                                tussentijds ontslag uit tijdelijke aanstelling) 8:13 (als
                                disciplinaire straf) van de CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig
                                artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Overige rechten en plichten</vet></tussenkop><al>De artikelen 3:21 (reis- en verblijfkosten) 15:1, 15:1b tot en met
                                15:1g (verplichtingen rond integriteit), 15:1:12 (vergoeding van
                                schade), 15:1:15 (beoordeling van de ambtenaar), 15:1:16 (uniform of
                                dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden arbeidsterrein), 15:1:20
                                (infectieziekten), 15:1:23 tot en met 15:1:25 (vergoeden van schade)
                                en 15:2 en 15:2:0:1 van de CAR/UWO zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Plichtsverzuim</vet></tussenkop><al>De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet
                                nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan
                                disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de
                                CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, kan het college een
                                bijzondere voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling
                                voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de
                                gemeente Veenendaal.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2007.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Aanstelling</al></li><li><al>Artikel 3 Bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 4 Spaarloon</al></li><li><al>Artikel 5 Fiets-prive</al></li><li><al>Artikel 6 Ambtsjubileumgratificatie</al></li><li><al>Artikel 7 Pensioengratificatie</al></li><li><al>Artikel 8 Aanspraken bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 9 Ontslag en schorsing</al></li><li><al>Artikel 10 Overige rechten en plichten</al></li><li><al>Artikel 11 Plichtsverzuim</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1</vet></tussenkop><al>Deze rechtspositieregeling is van toepassing op de buitengewoon
                                ambtenaar burgerlijke stand (babs) als deze regelmatig wordt ingezet
                                voor het sluiten van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
                                Onder regelmatig wordt verstaan: gedurende een aantal jaren
                                gemiddeld 12 huwelijken/partnerschappen op jaarbasis sluiten.</al><al>Personen die incidenteel zijn benoemd tot buitengewoon ambtenaar
                                burgerlijk stand (meestal gaat het hier om een ‘eretaak”: een goede
                                kennis/familielid/vriend wordt voor één bepaald huwelijk, gevraagd
                                als babs op te treden) vallen niet onze deze
                                rechtspositieregeling.</al><al>Wel onder deze regeling vallen: </al><lijst><li nr="1"><al>Externe personen die zijn benoemd tot buitengewoon ambtenaar
                                        voor het regelmatig afsluiten van
                                        huwelijken/partnerschappen.</al></li><li nr="2"><al> Ambtelijke medewerkers van de gemeente Veenendaal, die
                                        naast hun hoofdfunctie, tevens benoemd zijn tot buitengewoon
                                        ambtenaar burgerlijke stand en regelmatig
                                        huwelijken/partnerschappen afsluiten.</al></li></lijst><al>De onder 2. genoemde ambtelijke medewerkers hebben te maken met twee
                                aanstellingen: een aanstelling in de hoofdfunctie en een aanstelling
                                als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Als de
                                medewerker werkzaam is in zijn hoofdfunctie bij de gemeente, dan is
                                de CAR/UWO van toepassing. Als de medewerker functioneert in de
                                hoedanigheid van ambtenaar burgerlijke stand is de CAR/UWO niet van
                                toepassing. De onderhavige rechtspositieregeling is dan van
                                toepassing.</al><al>De babs is een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Omdat de
                                CAR/UWO niet op hem van toepassing is dient een afzonderlijke
                                rechtspositieregeling te gelden (art. 125 Ambtenarenwet). Doorgaans
                                is de functie van babs een nevenfunctie, die in omvang sterk kan
                                variëren.</al><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al>De babs wordt aangesteld door het college van burgemeester en
                                wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1:artikel 16).</al><al>De aanstelling kan opnieuw tijdelijk verleend worden. De
                                flexwetbepaling geldt niet omdat noch de CAR/UWO, noch het
                                Burgerlijk Wetboek (7:615 BW) van toepassing is.</al><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><al>Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere
                                regels voor bezoldiging moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze
                                regeling voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap
                                wordt een vergoeding uitbetaald waarin de vakantietoelage en
                                eindejaarsuitkering zijn verdisconteerd. De berekeningsystematiek is
                                dezelfde als die in de CAR/UWO, dat wil zeggen dat de
                                vakantietoelage wordt gebaseerd op de bezoldiging en de
                                eindejaarsuitkering op het salaris. </al><tussenkop><vet>Artikel 4</vet></tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5</vet></tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al>De ambtsjubileumgratificatie op grond van artikel 3:19 e.v. wordt
                                hier van toepassing verklaard op de babs. Hierbij wordt wel een
                                andere definitie gegeven aan diensttijd en bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop><vet>Artikel 8</vet></tussenkop><al>De regeling verklaart de CAR/UWO op het punt van doorbetaling
                                bezoldiging bij ziekte van toepassing op de babs jonger dan 65 jaar.
                                Achtergrond hiervan is het dwingende karakter van de sociale
                                wetgeving die zieke werknemers (voor zover jonger dan 65 jaar)
                                rechten en plichten toekent. Artikel 76a van de Ziektewet geeft de
                                persoon “krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden tot het
                                verrichten van arbeid” bij ziekte het recht op 104 weken (of zolang
                                het dienstverband nog duurt) doorbetaling van 70% van de bezoldiging
                                of, indien de bezoldiging op een andere wijze dan naar tijdruimte
                                vasgesteld wordt, de gemiddelde bezoldiging die betrokkene, wanneer
                                hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen
                                verdienen. De CAR/UWO geeft aanspraak op een hoger
                                doorbetalingspercentage dan 70%.</al><al>Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald (conform de
                                Ziektewet) welke dag als eerste ziektedag geldt. Het is niet de
                                bedoeling dat de babs direct bij aanvang van het ziekteverzuim
                                bezoldiging krijgt doorbetaald, maar pas vanaf het tijdstip dat hij
                                een huwelijk zou sluiten als hij niet ziek was geweest.</al><al>De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot
                                werken door te geven; in artikel 10 van deze regeling is artikel
                                15:1d van de CAR/UWO op de babs van toepassing verklaard. Ook het
                                artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol) van de CAR/UWO is van toepassing
                                verklaard op de babs.</al><al>Naast het recht op doorbetaling van bezoldiging staat de
                                verplichting van werkgever en werknemer (jonger dan 65 jaar) zich in
                                te spannen tot reïntegratie in het arbeidsproces. In de praktijk
                                wordt deze verplichting niet altijd als wenselijk beschouwd. De babs
                                is op grond van het Burgerlijk Wetboek immers uitsluitend benoemd
                                tot het verrichten van de formaliteiten rondom en sluiting van het
                                huwelijk/geregistreerd partnerschap.</al><al>Bovendien heeft de babs in de regel een hoofdfunctie waar van uit
                                reïntegratieverplichtingen bestaan. In de praktijk zal bezien moeten
                                worden hoe arbodienstverleners en het UWV omgaan met de verplichting
                                tot reïntegratie van de gemeente ten aanzien van een zieke
                                babs.</al><tussenkop><vet>Artikel 9</vet></tussenkop><al>De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van
                                burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16).
                                Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag
                                en uitkering nadere regels worden getroffen. Er wordt een
                                limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de babs,
                                onder verwijzing naar de CAR/UWO. Opgemerkt wordt dat ontslag na
                                ouderdomspensioen niet verplicht is. Artikel 8:2 tweede lid en 8:2a
                                bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in dienst te houden dan
                                wel te nemen. Het dienstverband met een gepensioneerde is op grond
                                van artikel 8:2a eenvoudig te beëindigen. Na ontslag is er geen
                                sprake van een ontslaguitkering (bovenwettelijk). Wel is de WW van
                                toepassing op de babs, als hij tenminste voldoet aan de wettelijke
                                voorwaarden. Schorsing is in artikel 8:15:1 van de CAR/UWO geregeld
                                en kan om uiteenlopende redenen plaatsvinden. </al><tussenkop><vet>Artikel 10</vet></tussenkop><al>De rechten en plichten van hoofdstuk 15 van de CAR/UWO worden hier
                                voor een groot gedeelte ook op de babs van toepassing verklaard.
                                Voor de inhoud van de artikelen wordt verwezen naar de CAR/UWO.
                                Enkele opmerkingen hierover: De eed of belofte is niet van
                                toepassing verklaard op de babs omdat eedaflegging reeds op grond
                                van het BW verplicht is. De personeelsbeoordeling is van toepassing
                                omdat dat in de ontslaggrond ‘onbekwaamheid/ongeschiktheid anders
                                dan’ aan de orde kan zijn. Een beoordeling kan bij toepassing van
                                die ontslaggrond van belang zijn, evenals bij een weigering om
                                opnieuw een aanstelling te verlenen. De vergoeding van kosten bij
                                dienstreizen is van toepassing verklaard. De reguliere bepalingen
                                over schadevergoeding door en aan de ambtenaar zijn van toepassing
                                verklaard. In het algemeen kan gezegd worden dat de gemeente
                                aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en zorgplicht heeft
                                ten aanzien van de ondergeschikten zelf. </al><tussenkop><vet>Artikel 11</vet></tussenkop><al>Bij het niet nakomen van verplichtingen of bij plichtsverzuim kunnen
                                disciplinaire maatregelen worden genomen tegen de buitengewoon
                                ambtenaar, die uiteenlopen van een schriftelijke berisping tot
                                ontslag. Hierbij is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 16 van de
                                CAR/UWO. In dit hoofdstuk is ook de strafprocedure geregeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling dienstvoertuigen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al></li><li><al>Artikel 2 Dienstvoertuig</al></li><li><al>Artikel 3 Voorwaarden beschikbaarstelling</al></li><li><al>Artikel 4 Sancties</al></li><li><al>Artikel 5 Gebruik</al></li><li><al>Artikel 6 Onderhoud</al></li><li><al>Artikel 7 Toezicht en controle</al></li><li><al>Artikel 8 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 9 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Gebruiksovereenkomst dienstvoertuig</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>functionaris:</vet>personen aan wie op basis van deze
                                        regeling een dienstvoertuig ter beschikking is gesteld.</al></li><li nr="b"><al><vet>dienstvoertuig:</vet>een voertuig dat eigendom is van
                                        gemeente Veenendaal of die door gemeente Veenendaal is
                                        gehuurd dan wel geleased en die valt onder de ‘regeling
                                        privé-gebruik auto van de werkgever’ van de
                                        Belastingdienst.</al></li><li nr="c"><al><vet>privé-gebruik:</vet>het gebruik van een dienstvoertuig
                                        dat niet zakelijk is (gebruik voor privé-doeleinden).</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Dienstvoertuig</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de uitoefening van bepaalde werkzaamheden kan aan
                                functionarissen een dienstvoertuig in bruikleen ter beschikking
                                worden gesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De in deze regeling genoemde dienstvoertuigen blijven te allen tijde
                                eigendom van gemeente Veenendaal en zijn direct terug te
                                vorderen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Voorwaarden
                                beschikbaarstelling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het dienstvoertuig wordt op naam van de werkgever ter beschikking
                                gesteld aan de functionaris (of groep functionarissen) op basis van
                                de noodzakelijkheid voor de functie uit te voeren taken of
                                werkzaamheden. Het is de functionaris derhalve verboden:</al><lijst><li nr="-"><al>het dienstvoertuig voor privé-gebruik te gebruiken;</al></li><li nr="-"><al>het dienstvoertuig uit te lenen of ter beschikking te
                                        stellen aan derden;</al></li><li nr="-"><al>het dienstvoertuig te vervreemden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De functionaris dient voor de beschikbaarstelling een
                                gebruikersovereenkomst te ondertekenen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De functionaris dient een sluitende rittenregistratie conform de
                                eisen van de Belastingdienst bij te houden.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De functionaris is verplicht bij overtreding van het verbod op
                                privé-gebruik de werkgever hiervan op de hoogte te brengen.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Sancties</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Overtreding van artikel 3 van deze regeling, wordt aangemerkt als
                                plichtsverzuim in de zin van hoofdstuk 16 van de CAR/UWO.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de functionaris het dienstvoertuig voor meer dan 500
                                kilometers privé heeft gebruikt, zal de werkgever de eventuele
                                fiscale consequenties (bijv. naheffingsaanslag en boete) verhalen op
                                de functionaris.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Gebruik</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien het dienstvoertuig niet wordt gebruikt dient deze gestald te
                                worden op een door de leidinggevende aangewezen locatie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Functionarissen die piket- of beschikbaarheidsdienst draaien mogen
                                het dienstvoertuig met toestemming van de leidinggevende mee naar
                                huis nemen, ook als de medewerker woonachtig is buiten de gemeente.
                                De gereden kilometers tijdens de wachtdienst worden, bij het voldoen
                                aan de fiscale voorwaarden, als zakelijke kilometers beschouwd. In
                                dit kader is de functionaris verplicht binnen een redelijke afstand
                                van zijn/haar woonplaats te blijven.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Kosten die worden gemaakt als gevolg van onoordeelkundig gebruik en
                                verkeersovertredingen worden verhaald op de functionaris die het
                                dienstvoertuig volgens de registratie op het moment van constatering
                                heeft gebruikt. Tevens kan voornoemd gedrag worden aangemerkt als
                                plichtsverzuim in de zin van hoofdstuk 16 van de UWO.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De functionaris dient onverwijld aan de gemeente Veenendaal mede te
                                delen wanneer hem de rijbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, is
                                ontzegd en wanneer er sprake is van verlies van één of meer delen
                                van het kentekenbewijs.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Onderhoud</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het is de functionaris nooit toegestaan zelf aanpassingen aan te
                                brengen op of in het dienstvoertuig.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onderhoud, reparaties, verzekeringen, belastingen en brandstof
                                worden door of namens en op kosten van gemeente Veenendaal
                                verricht.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het is niet toegestaan het dienstvoertuig ter reparatie aan te
                                bieden aan derden. Alle onderhoud en reparatie vindt uitsluitend
                                plaats bij door gemeente Veenendaal aan te wijzen bedrijven.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Toezicht en controle</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het betreffende afdelingshoofd is verantwoordelijk voor toezicht en
                                controle op het gebruik van dienstvoertuigen conform de bepalingen
                                in deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De functionaris moet de gemeente Veenendaal te allen tijde in staat
                                stellen het dienstvoertuig te inspecteren.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien zich situaties voordoen waarin deze regeling niet voorziet of
                                bij een geschil over de uitvoering beslist het college van
                                Burgemeester en Wethouders.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werkgever behoudt zich het recht deze regeling te wijzigen indien
                                er wijzigingen optreden in de fiscale wetgeving.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009 en kan
                                worden aangehaald als: "Regeling dienstvoertuigen gemeente
                                Veenendaal".</al><tussenkop><vet>Gebruiksovereenkomst dienstvoertuig</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksovereenkomst dienstvoertuig</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Regeling functiebeschrijven en –waarderen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Algemene bepalingen</al></li><li><al>Artikel 2 Functieprofiel</al></li><li><al>Artikel 3 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 4 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 5 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 6 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 7 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 8 Functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 9 Inpassing in functieboek Veenendaal</al></li><li><al>Artikel 10 Zienswijzeprocedure</al></li><li><al>Artikel 11 Bezwarenprocedure</al></li><li><al>Artikel 12 Periodieke actualisatie functieboek en
                                        inpassingen</al></li><li><al>Artikel 13 Periodieke actualisatie functieboek en
                                        inpassingen</al></li><li><al>Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 15 Inwerkingtreding</al></li><li><al>Artikel 16 Citeertitel</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> de ambtenaar in de zin van de CAR van
                                        de gemeente Veenendaal; </al></li><li nr="b"><al><vet>CAR/UWO:</vet> collectieve arbeidsvoorwaardenregeling
                                        respectievelijk uitwerkingsovereenkomst voor de sector
                                        gemeenten; </al></li><li nr="c"><al><vet> college:</vet> het college van burgemeester en
                                        wethouders </al></li><li nr="d"><al><vet> generieke functie:</vet> het geheel van werkzaamheden
                                        dat uit de vastgelegde doelstelling en taken van de gemeente
                                        is af te leiden en dat door één of meerdere medewerker(s) is
                                        te verrichten; </al></li><li nr="e"><al><vet> functieprofiel:</vet> het op geordende wijze op een
                                        voorgeschreven formulier inhoudelijk weergeven van de
                                        functie; </al></li><li nr="f"><al><vet>functiewaarderingssysteem:</vet> het in de bijlage I
                                        opgenomen functiewaarderingssysteem (Fuwaleeuw CVC);</al></li><li nr="g"><al><vet> functiewaardering:</vet> het op basis van de
                                        vastgestelde functieprofiel met behulp van het
                                        functiewaarderingssysteem vaststellen van de salarisschaal
                                        die aan de functie is verbonden; </al></li><li nr="h"><al><vet> adviseur:</vet> een in- of externe
                                        functiewaarderingsdeskundige; </al></li><li nr="i"><al><vet> projectgroep:</vet> de projectgroep begeleidt het
                                        proces m.b.t. de totstandkoming van het generieke
                                        functieboek. De projectgroep bestaat uit: de projectleider
                                        van de gemeente Veenendaal en de adviseur, een
                                        vertegenwoordiger vanuit de OR en een vertegenwoordiger
                                        vanuit de directie; </al></li><li nr="j"><al><vet> conversietabel:</vet> een tabel die een koppeling legt
                                        tussen de resultaten van de waardering en de
                                        salarisschalen;</al></li><li nr="k"><al><vet> functieboek:</vet> het geheel van functieprofielen en
                                        waarderingen binnen de gemeente Veenendaal. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Functieprofiel</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De adviseur stelt na overleg met de leidinggevenden de generieke
                                functieprofielen op.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De generieke functieprofielen worden ter bespreking aan de
                                leidinggevenden en de projectgroep voorgelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De generieke functieprofielen worden, na aanpassing, ter bespreking
                                per functiefamilie aan (een vertegenwoordiging van) het personeel
                                voorgelegd (klankbordgroepen). De OR wordt gevraagd voordracht te
                                doen voor de bemensing van de klankbordgroepen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De projectgroep en de leidinggevenden bespreken de resultaten vanuit
                                de klankbordgroepen. De functieprofielen worden op basis hiervan
                                bijgesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De generieke functieprofielen worden ter besluitvorming voorgelegd
                                aan het college, met inachtneming van de resultaten vanuit de
                                klankbordgroepen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De resultaten van de klankbordgroepen en van de besluitvorming
                                worden ter informatie schriftelijk teruggekoppeld aan alle
                                medewerkers.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Functiewaardering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De adviseur voorziet de functie aan de hand van het functieprofiel
                                en het functiewaarderingssysteem van een gemotiveerd
                                waarderingsadvies.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De waarderingsadviezen worden voorgelegd aan de in artikel 4
                                bedoelde toetsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Functiewaardering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Er is een toetsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De toetsingscommissie bestaat uit 3 leden:</al><lijst><li nr="a"><al>één lid op voordracht van het bestuursorgaan, niet zijnde
                                        een bestuurder van de gemeente Veenendaal; </al></li><li nr="b"><al> één lid op voordracht van de organisaties van
                                        overheidspersoneel vertegenwoordigd in de Commissie voor
                                        Georganiseerd Overleg, niet werkzaam bij of voor de gemeente
                                        Veenendaal of vaste adviseur van de werknemersdelegatie in
                                        de Commissie voor Georganiseerd Overleg; </al></li><li nr="c"><al>één voorzitter op voordracht van de onder a en b genoemde
                                        leden. </al></li></lijst><al>De leden van de toetsingscommissie worden benoemd door het
                                college.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Aan de toetsingscommissie wordt door het college een secretaris
                                toegevoegd. De secretaris heeft geen stemrecht.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De projectleider is aanwezig bij de vergaderingen van de
                                toetsingscommissie. De projectleider laat zich bijstaan door de
                                adviseur.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Functiewaardering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het in artikel 3 bedoelde waarderingsadvies wordt door de adviseur
                                toegelicht aan de toetsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Nadat de adviseur de toelichting op het waarderingsadvies heeft
                                gegeven, doet de toetsingscommissie zijn eindadvies schriftelijk aan
                                het college toekomen.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Functiewaardering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De adviseur en de toetsingscommissie stellen een concept
                                conversietabel op.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De conversietabel wordt ter informatie voorgelegd aan de
                                directie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De conversietabel wordt voorlopig vastgesteld door het college.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het college legt de conversietabel ter overeenstemming voor aan het
                                GO.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De projectleider is bij de bespreking van de conversietabel met het
                                GO aanwezig om toelichting te geven.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Functiewaardering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vergaderingen van de toetsingscommissie zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De leden van de commissie, secretaris, projectleider en adviseur
                                zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen uit de stukken of
                                beraadslagingen bekend is geworden.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Functiewaardering</vet></tussenkop><al>Het college stelt de waardering en de conversietabel vast.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Inpassing in functieboek
                                Veenendaal</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De adviseur doet een voorstel voor inpassing van een medewerker in
                                een functie die beschreven is in een generiek functieprofiel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De inpassingsvoorstellen zoals bedoeld in het eerste lid worden door
                                de projectleider ter bespreking voorgelegd aan de directie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De directie biedt de inpassingsvoorstellen ter vaststelling aan het
                                college aan.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het college stelt de inpassingsvoorstellen vast.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Het inpassingsvoorstel wordt aan de medewerker, als voorgenomen
                                besluit, schriftelijk bekend gemaakt door het college. Het
                                functieprofiel en het motiveringsformulier worden bijgevoegd.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Zienswijzeprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De medewerker kan zijn bedenkingen binnen 14 dagen na ontvangst van
                                het inpassingsvoorstel schriftelijk kenbaar maken aan het
                                college.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De medewerker die hiertoe een verzoek heeft ingediend, zal binnen
                                één kalendermaand na ontvangst van zijn bedenkingen worden
                                gehoord.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien tegen een inpassingsvoorstel geen of niet binnen de gestelde
                                termijn bedenkingen zijn ingediend, dan wordt het inpassingsvoorstel
                                geacht definitief te zijn vastgesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het definitieve besluit tot inpassing wordt aan de medewerker
                                schriftelijk kenbaar gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Op verzoek van de medewerker kan van de termijn van 14 dagen,
                                genoemd in artikel 10 eerste lid, worden afgeweken.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Bezwarenprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Binnen zes weken na de dag waarop het definitieve besluit tot
                                inpassing bekendgemaakt is gemaakt kan de medewerker schriftelijk en
                                gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen de inpassing bij het
                                college.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Over het ingediende bezwaarschrift wint het college advies in bij de
                                bezwarencommissie personele –en organisatieaangelegenheden.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De werkwijze en de termijnen van de bezwarencommissie vinden plaats
                                conform het daarvoor gestelde in de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Periodieke actualisatie functieboek en
                                    inpassingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Minimaal één keer per drie jaar geeft het college opdracht aan de
                                directie om de inhoud van het generiek functieboek op actualiteit te
                                toetsen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het functieboek wordt alleen dan gewijzigd:</al><lijst><li nr="a"><al> Voor nieuwe functies en/of functiefamilies en/of
                                        bandbreedtes welke duurzaam moeten worden vervuld en welke
                                        naar het oordeel van de directie niet op basis van het dan
                                        geldende functieboek kunnen worden vervuld. </al></li><li nr="b"><al>Bij wijziging van functies en/of functiefamilies en/of
                                        bandbreedtes naar aanleiding van een organisatiewijziging.
                                        Dit naar het oordeel van de directie. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de functie opnieuw beschreven moet worden, zijn de bepalingen
                                van deze regeling van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Periodieke actualisatie functieboek en
                                    inpassingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Eén keer per jaar toetst de leidinggevende de inpassingen op
                                actualiteit.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Er kunnen nadere regels worden opgesteld waarin wordt bepaald in
                                welke gevallen en volgens welke criteria een nieuwe inpassing
                                noodzakelijk is.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de inhoud van een functie binnen een onderdeel van de
                                organisatie wijzigt en de functie opnieuw ingepast moet worden in
                                het generieke functieboek, zijn de bepalingen van deze regeling van
                                overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Overgangs- en
                                slotbepalingen</vet></tussenkop><al>In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet, beslist het college.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2010. De
                                Regeling functiebeschrijven en –waarderen 2009- wordt met ingang van
                                dezelfde datum ingetrokken.</al><tussenkop><vet>Artikel 16 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling functiebeschrijven
                                en -waarderen 2010".</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling integriteitsverklaring</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 2 Tijdstip</al></li><li><al>Artikel 3 Procedure</al></li><li><al>Artikel 4 Inhoud van de integriteitsverklaring</al></li><li><al>Artikel 5 Vaststelling</al></li><li><al>Artikel 6 Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></tussenkop><al>De integriteitsverklaring wordt afgelegd door de ambtenaar als
                                bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a van de CAR/UWO die
                                nieuw in dienst treedt bij de gemeente Veenendaal of van wie de
                                aanstelling wijzigt. </al><tussenkop><vet>Artikel 2 Tijdstip</vet></tussenkop><al>Vóór de datum van indiensttreding tekent de ambtenaar de
                                integriteitsverklaring (schriftelijke verklaring). Tijdens de
                                introductiebijeenkomsten wordt de integriteitsverklaring nogmaals
                                mondeling afgelegd ten overstaan van de gemeentesecretaris of diens
                                plaatsvervanger.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Procedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ondertekening van de integriteitsverklaring is een van de
                                formaliteiten bij indiensttreding (juridische betekenis);</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Tijdens de introductiebijeenkomsten vindt er een ceremonie plaats,
                                waarin gewezen wordt op de bijzondere verantwoordelijkheid van de
                                gemeente en waarin de bijzondere positie van de ambtenaren en de
                                waarde en inhoud van de eed of belofte worden toegelicht. De
                                integriteitsverklaring wordt duidelijk voorgelezen door de
                                gemeentesecretaris of diens plaatsvervanger. De ambtenaar steekt
                                vervolgens de voorste vingers van zijn rechterhand aaneengesloten op
                                en spreekt de volgende woorden uit: “Zo waarlijk helpe mij God
                                almachtig” of “Dit verklaar en beloof ik” (symbolische betekenis). </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Inhoud van de
                                integriteitsverklaring</vet></tussenkop><al>De tekst van de integriteitsverklaring luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1"><al>“Ik zweer/verklaar, dat ik voor het verkrijgen van deze
                                        dienstbetrekking aan niemand iets heb gegeven of beloofd
                                        noch zal geven of beloven.</al></li><li nr="2"><al>Ik zweer/beloof, dat ik van niemand enige belofte, gunst of
                                        geschenk zal aannemen om in mijn dienstbetrekking iets te
                                        doen of na te laten.</al></li><li nr="3"><al>Ik zweer/beloof, dat ik mijn plicht nauwgezet en ijverig zal
                                        vervullen en de mij verstrekte opdrachten naar beste
                                        vermogen zal volbrengen.</al></li><li nr="4"><al>Ik zweer/beloof, dat ik zaken, waarvan ik door mijn ambt
                                        kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of
                                        waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet
                                        zal openbaren aan anderen, dan aan hen, aan wie ik volgens
                                        de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben. Zo
                                        waarlijk helpe mij God almachtig of dit verklaar en beloof
                                        ik “. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5 Vaststelling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De integriteitsverklaring wordt in tweevoud ondertekend door de
                                ambtenaar.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een exemplaar van de getekende integriteitsverklaring wordt bewaard
                                in het personeelsdossier van de ambtenaar; het andere exemplaar is
                                voor de ambtenaar die de integriteitsverklaring heeft afgelegd.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2007.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling maaltijdvergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Vergoeding maaltijdvergoeding</al></li><li><al>Artikel 2 Declareren</al></li><li><al>Artikel 3 Overige bepalingen</al></li><li><al>Artikel 4 Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Vergoeding
                                maaltijdvergoeding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>onder de standaard regeling van de werktijden valt en die
                                        tengevolge van werken buiten het dagvenster (maandag tot en
                                        met vrijdag tussen 7.00 en 22.00 uur);</al></li><li nr="b"><al> onder de bijzondere regeling van de werktijden valt en die
                                        tengevolge van werken na 18.00 uur (maandag tot en met
                                        vrijdag) of tengevolge van werken op zaterdag of zondag
                                    </al></li></lijst><al>naar het oordeel van zijn leidinggevende, geen avondmaaltijd kan
                                eten op de voor hem gebruikelijke plaats en tijdstip worden de
                                kosten voor het gebruik van een avondmaaltijd elders vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vergoeding van een avondmaaltijd bedraagt maximaal de
                                dinercomponent als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Reisregeling
                                binnenland (zie bijlage VII).</al><tussenkop><vet>Artikel 2 Declareren</vet></tussenkop><al>De uitbetaling van de maaltijdvergoeding geschiedt op
                                declaratiebasis aan de hand van een door de direct leidinggevende
                                goedgekeurd en ondertekend declaratieformulier. Dit formulier dient
                                zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval vóór de 6e van de maand
                                volgend op de maand waarin de maaltijd is gebruikt, te zijn
                                ingediend bij de salarisadministratie. </al><tussenkop><vet>Artikel 3 Overige bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De regeling is niet van toepassing indien een andere regeling in
                                vergoeding van deze kosten voorziet.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet, of niet in redelijkheid,
                                voorziet zijn burgemeester en wethouders bevoegd een voorziening te
                                treffen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>In bijzondere situaties kan de leidinggevende, na advies van P&amp;O
                                en in afwijking van artikel 1, ook in andere situaties aan
                                functies/ambtenaren een maaltijdvergoeding toekennen.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De bestaande regeling “Regeling maaltijdvergoeding bij overwerk”
                                wordt ingetrokken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                                terug tot en met 1 januari 2015.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling maaltijdvergoeding
                                gemeente Veenendaal”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Definities</al></li><li><al>Artikel 2 Reikwijdte regeling</al></li><li><al>Artikel 3 Vertrouwenspersoon</al></li><li><al>Artikel 4 Vertrouwenspersoon</al></li><li><al>Artikel 5 Vertrouwenspersoon</al></li><li><al>Artikel 6 De klachtencommissie</al></li><li><al>Artikel 7 De klachtencommissie</al></li><li><al>Artikel 8 De klachtencommissie</al></li><li><al>Artikel 9 De klachtenprocedure</al></li><li><al>Artikel 10 De klachtenprocedure</al></li><li><al>Artikel 11 De klachtenprocedure</al></li><li><al>Artikel 12 De klachtenprocedure</al></li><li><al>Artikel 13 De klachtenprocedure</al></li><li><al>Artikel 14 Slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 15 Slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 16 Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Definities</vet></tussenkop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1"><al><vet>ongewenste omgangsvormen:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>handelingen /uitlatingen/ gedragingen in de
                                                werksfeer, die tot doel of gevolg hebben dat de
                                                werkprestaties van een persoon worden aangetast en/
                                                of een intimiderende, vijandige of onaangename
                                                werkomgeving wordt gecreëerd; </al></li><li nr="b"><al>seksuele intimidatie als bedoeld in artikel 3, lid 3
                                                ARBO wet. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>medewerker:</vet> Een ieder die werkzaamheden verricht
                                        of heeft verricht voor de gemeente, ongeacht de aard van het
                                        dienstverband.</al></li><li nr="3"><al><vet>vertrouwenspersoon:</vet> de persoon als bedoeld in
                                        artikel 3 van deze regeling.</al></li><li nr="4"><al><vet>commissie:</vet> de klachtencommissie als bedoeld in
                                        artikel 6 van deze regeling.</al></li><li nr="5"><al><vet>klager:</vet> degene die zich wegens ongewenste
                                        omgangsvormen wendt tot de vertrouwenspersoon of een klacht
                                        indient bij de klachtencommissie.</al></li><li nr="6"><al><vet>aangeklaagde(n):</vet> degene(n) tegen wie de klacht
                                        wegens ongewenste omgangsvormen is gericht.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Reikwijdte regeling</vet></tussenkop><al>De medewerker die zich slachtoffer acht van ongewenste omgangsvormen
                                kan zich wenden tot de vertrouwenspersoon en/ of een klacht indienen
                                bij de klachtencommissie.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Vertrouwenspersoon</vet></tussenkop><al>Burgemeester en wethouders wijzen één of meerdere
                                vertrouwenspersonen aan. Deze vertrouwenspersonen zijn deskundig op
                                het gebied van klachten ten aanzien van ongewenste omgangsvormen. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Vertrouwenspersoon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a"><al>de eerste opvang van klager;</al></li><li nr="b"><al>het bijstaan, begeleiden en adviseren van klager;</al></li><li nr="c"><al>in overleg met klager komen tot aanpak van de
                                        problemen;</al></li><li nr="d"><al>het ondersteunen van klager bij het indienen van een klacht
                                        bij de klachtencommissie of indien het een strafbaar feit
                                        betreft (o.a. aanranding, verkrachting, mishandeling) bij
                                        het doen van aangifte bij de politie.</al></li><li nr="e"><al>het signaleren van mogelijke knelpunten in het beleid</al></li><li nr="f"><al>het voeren van een evaluatiegesprek</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon verricht geen handelingen ter uitvoering van
                                zijn taak dan met toestemming van klager. Dit wordt schriftelijk
                                overeengekomen en vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon handelt binnen 10 weken namens B&amp;W de
                                klacht af, mits geen verlenging heeft plaats gevonden</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Tevens attendeert de vertrouwenspersoon op de mogelijkheid tot het
                                indienen van een klacht bij een externe klachteninstantie indien de
                                klager niet tevreden is over de afhandeling van een klacht.Voor de
                                gemeente Veenendaal is dit de Nationale ombudsman (Art 9:12 lid 2
                                Awb) </al><tussenkop><vet>Artikel 5 Vertrouwenspersoon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon houdt een registratie bij van alle bij hem
                                ingediende meldingen van ongewenste omgangsvormen en de afdoening
                                ervan. Slechts de vertrouwenspersoon heeft inzage in deze
                                registratie. De stukken behorend bij een melding worden drie jaar na
                                afdoening vernietigd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon kan de leidinggevende gevraagd en ongevraagd
                                adviseren op het gebied van preventie en bestrijding van ongewenste
                                omgangsvormen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vertrouwenspersoon verschaft aan de coördinator van de algemene
                                klachtenverordening voor 31 januari een anoniem overzicht van de
                                binnengekomen meldingen en de afdoening van de klachten in het
                                voorgaande jaar.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 De klachtencommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Er is een regionale klachtencommissie ongewenste omgangsvormen
                                ingesteld door of namens burgemeester en wethouders van de
                                gemeenten, die bij deze commissie zijn aangesloten</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De commissie bestaat uit drie leden waaronder de voorzitter. Voor
                                ieder van de leden wordt een plaatsvervanger benoemd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De commissie bestaat uit mannen zowel als vrouwen en is verder
                                zodanig samengesteld, dat daarin gedragsdeskundigheid, deskundigheid
                                op het gebied van ongewenste omgangsvormen en juridische
                                deskundigheid aanwezig zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Burgemeester en wethouders van de gemeenten die bij de commissie
                                zijn aangesloten benoemen de leden van de commissie op voordracht
                                van de regiokring voor een termijn van vier jaar. Herbenoeming is
                                mogelijk.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De commissie wordt desgewenst bijgestaan door een ambtelijk
                                secretaris. De ambtelijk secretaris en zijn plaatsvervanger worden
                                op voordracht van de regiokring benoemd door of namens burgemeester
                                en wethouders van de gemeenten die bij de commissie zijn
                                aangesloten.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Per gemeente treedt het hoofd Personeel &amp; Organisatie op als
                                contactpersoon voor de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> De commissie beslist met meerderheid van stemmen.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de commissie komen
                                voor rekening van de gemeente waar de klacht speelt.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 De klachtencommissie</vet></tussenkop><al>De commissie heeft tot taak:</al><lijst><li nr="a"><al>te beoordelen of een klacht ontvankelijk, is met
                                        inachtneming van de uitzonderingsgronden vermeld in art 9:8
                                        Awb, en daarover advies uit te brengen aan burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="b"><al>een onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de
                                        klacht en burgemeester en wethouders daarover te
                                        adviseren;</al></li><li nr="c"><al>burgemeester en wethouders gevraagd of ongevraagd te
                                        adviseren over het treffen van tijdelijke voorzieningen
                                        gedurende het onderzoek naar de klacht;</al></li><li nr="d"><al>burgemeester en wethouders te adviseren over maatregelen die
                                        naar aanleiding van het onderzoek naar de klacht getroffen
                                        dienen te worden;</al></li><li nr="e"><al>op verzoek van een aangesloten gemeente advies uit te
                                        brengen op het gebied van preventie en bestrijding van
                                        ongewenste omgangsvormen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 8 De klachtencommissie</vet></tussenkop><al>De commissie is bevoegd om ter uitvoering van haar taken:</al><lijst><li nr="a"><al>getuigen en andere betrokkenen te horen, met inachtneming
                                        van art 9:10 Awb</al></li><li nr="b"><al>deskundigen te raadplegen;</al></li><li nr="c"><al>bij de gemeente waar de klacht speelt alle noodzakelijk
                                        informatie op te vragen;</al></li><li nr="d"><al>geheimhouding op te leggen aan degenen die in het kader van
                                        het onderzoek worden gehoord c.q. zijn geïnformeerd.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 9 De klachtenprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De medewerker die zich het slachtoffer acht van ongewenste
                                omgangsvormen kan een klacht indienen bij de voorzitter van de
                                klachtencommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een klacht kan worden ingediend tot één jaar na de gebeurtenis,
                                waarop de klacht betrekking heeft conform artikel 9:8 lid 1 sub b
                                Awb.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De klacht wordt schriftelijk, gemotiveerd en voorzien van een
                                dagtekening ingediend met vermelding van de persoon tegen wie de
                                klacht is gericht en een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de
                                gebeurtenissen die aanleiding zijn voor de klacht.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 De klachtenprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Klager krijgt binnen zeven dagen bericht van ontvangst van de
                                klacht en een exemplaar van deze klachtenregeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De commissie bericht klager binnen twee weken na ontvangst of de
                                klacht ontvankelijk is en in behandeling wordt genomen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Indien de klacht in behandeling wordt genomen doet de commissie
                                daarvan eveneens mededeling aan aangeklaagde. Daarbij wordt een
                                afschrift van de klacht en de daarbij behorende stukken meegezonden
                                conform art. 9:9 Awb.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Indien de klacht in behandeling wordt genomen stelt de commissie de
                                contactpersoon van de gemeente per direct vertrouwelijk op de hoogte
                                van de klacht.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 De klachtenprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie hoort klager en aangeklaagde afzonderlijk.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De zittingen van de commissie zijn besloten.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Van de hoorzittingen van de commissie wordt een verslag gemaakt,
                                dat voor akkoord / commentaar wordt voorgelegd aan degene die is
                                gehoord.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 De klachtenprocedure</vet></tussenkop><al>Na afronding van het onderzoek stelt de commissie een proces dossier
                                samen van alle stukken die bij de uitkomsten van het onderzoek
                                zullen worden betrokken. Dit dossier wordt persoonlijk uitgereikt
                                aan of aangetekend gezonden naar klager en aangeklaagde. Zij worden
                                daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren. Het procesdossier
                                wordt door de commissie beheerd conform de wet op de privacy.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 De klachtenprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De commissie brengt binnen twee maanden nadat de klacht is
                                ingediend advies uit aan burgemeester en wethouders. Deze termijn
                                kan worden verlengd met max. vier weken (art. 9:11 Abw)</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het advies bevat een verslag van het door de commissie verrichte
                                onderzoek, de uitkomst van dat onderzoek, de gronden waarop het
                                advies rust en indien de klacht gegrond wordt verklaard een advies
                                over te treffen maatregelen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Een afschrift van het advies wordt door de commissie naar klager en
                                aangeklaagde gestuurd.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De secretaris van de commissie houdt een registratie bij van de bij
                                de commissie ingediende klachten en de afhandeling daarvan. Slechts
                                de leden van de commissie hebben inzage in deze registratie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De op een klacht betrekking hebbende stukken worden drie jaar na
                                afhandeling van de klacht vernietigd.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al>Voor het overige waarin deze regeling niet voorziet is de Algemene
                                klachtenverordening van de gemeente Veenendaal van toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 16 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 november 2002 en kan worden
                                aangehaald als de "Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen
                                gemeente Veenendaal".</al></artikel><artikel><kop><titel>Piketregeling Crisisbeheersing </titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 2 Aanwijzing piketmedewerkers</al></li><li><al>Artikel 3 Piketdienstperiode</al></li><li><al>Artikel 4 Opkomstplicht hard piket</al></li><li><al>Artikel 5 Financiële vergoeding voor beschikbaarheid en
                                        bereikbaarheid</al></li><li><al>Artikel 6 Financiële vergoeding voor daadwerkelijke
                                        inzet</al></li><li><al>Artikel 7 Declaratie van vergoedingen</al></li><li><al>Artikel 8 Piketrooster</al></li><li><al>Artikel 9 Leiding en rechtspositie</al></li><li><al>Artikel 10 Aansprakelijkheid</al></li><li><al>Artikel 11 Overmacht</al></li><li><al>Artikel 12 Geheimhouding</al></li><li><al>Artikel 13 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 14 Mandaatregeling</al></li><li><al>Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel</al></li><li><al>Bijlage 1: Overzicht functionarissen regionale
                                        crisisbeheersing VRU</al></li><li><al>Bijlage 2: Overzicht functionarissen intergemeentelijke
                                        crisisbeheersing</al></li><li><al>Bijlage 3: Overzicht functionarissen gemeentelijke
                                        crisisbeheersing</al></li><li><al>Bijlage 4: Organogram Handboek Bevolkingszorg (GC2.0)</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><al>In deze regeling en de daarop berustende bepalingen en besluiten
                                wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Ambtenaar:</vet> De medewerker die door het College van
                                        Burgemeester en Wethouders is aangesteld, waarop de
                                        verplichting rust ter beschikking te houden voor inzet bij
                                        rampenbestrijding en crisismanagement voor de gemeente
                                        Veenendaal, voor een andere gemeente in Nederland of voor de
                                        Veiligheidsregio Utrecht.</al></li><li nr="b"><al><vet> Incident:</vet> Een verstoring van de openbare orde en
                                        veiligheid of een (dreigende) ramp of zwaar ongeval als
                                        bedoeld in de Wet Rampen en Zware Ongevallen en waarvoor bij
                                        de bestrijding ervan personeel en/of materieel van de
                                        gemeentelijke organisatie dan wel van de operationele
                                        diensten nodig is. </al></li><li nr="c"><al><vet>Getroffen gemeente:</vet> De gemeente op wier
                                        grondgebied het incident zich voordoet. </al></li><li nr="d"><al><vet>Dienstverlenende gemeente:</vet> De gemeente die de
                                        medewerker beschikbaar stelt ten behoeve van de getroffen
                                        gemeente. </al></li><li nr="e"><al><vet>Piketdienst:</vet> Het bereikbaar en beschikbaar zijn
                                        voor werkzaamheden ten behoeve van de rampenbestrijding en
                                        crisismanagement. </al></li><li nr="f"><al><vet>Piketdienstperiode:</vet> Een aaneengesloten periode
                                        van één week, waarbij de ambtenaar met hard piket verplicht
                                        is bereikbaar en beschikbaar te zijn om na oproep zo spoedig
                                        mogelijk de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de
                                        functie.</al></li><li nr="g"><al><vet>Piketvorm:</vet> De vorm van het piket, zijnde hard
                                        piket of zacht piket. </al></li><li nr="h"><al><vet>Hard piket:</vet> Piketsoort waarbij de ambtenaar
                                        verplicht is bereikbaar en beschikbaar te zijn voor
                                        werkzaamheden ten behoeve van de rampenbestrijding en
                                        crisismanagement. Wanneer de ambtenaar daartoe opgeroepen
                                        wordt, moet hij tot inzet overgaan binnen de vastgestelde
                                        opkomsttijd. </al></li><li nr="i"><al><vet>Zacht piket:</vet> Piketsoort waarbij de ambtenaar niet
                                        verplicht is bereikbaar en beschikbaar te zijn voor
                                        werkzaamheden ten behoeve van de rampenbestrijding en
                                        crisismanagement (kanspiket). Wanneer de ambtenaar wel
                                        bereikt wordt, kan deze om eigen moverende redenen afzien
                                        van inzet. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Aanwijzing piketmedewerkers</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De gemeentesecretaris wijst de ambtenaren aan die zijn belast met
                                een of meerdere functies binnen de gemeentelijke, intergemeentelijke
                                of regionale crisisbeheersing. De gemeentesecretaris bepaalt daarbij
                                de piketvorm en, bij hard piket, de bijbehorende piketvergoeding,
                                zoals bedoeld in artikel 5 van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aanwijzing geschiedt uitsluitend indien de ambtenaar voldoet aan de
                                voor deze functie noodzakelijke en door de respectievelijke colleges
                                van de deelnemende gemeenten vastgestelde functionele eisen en
                                persoonlijke competenties.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De aangewezen ambtenaar is verplicht deel te nemen aan de
                                piketdienst.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De gemeentesecretaris kan, indien hiervoor gegronde redenen aanwezig
                                zijn, een ambtenaar ontheffen van de verplichting tot deelneming aan
                                de piketdiensten.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Piketdienstperiode</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al>Bij iedere piketfunctie geldt de specifieke piketdienstperiode,
                                zoals deze in de functiebeschrijving is vastgesteld.</al><tussenkop><vet> Lid 2 </vet></tussenkop><al> Indien voor een gemeentelijk piket geen piketdienstperiode is
                                vastgesteld, geldt een algemene piketdienstperiode van één week,
                                beginnend op maandag 12:00 tot de daarop volgende maandag 12:00 en
                                loopt op werkdagen vanaf 17.00 uur tot 09.00 uur en in het weekend
                                en op feestdagen de hele dag.</al><tussenkop><vet> Lid 3 </vet></tussenkop><al>Voor intergemeentelijke of regionale piketfuncties wordt de
                                piketdienstperiode vastgesteld in overleg met de andere deelnemende
                                gemeenten dan wel de Veiligheidsregio Utrecht.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Opkomstplicht hard piket</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Van de ambtenaar wordt verlangd, dat hij of zij na alarmering direct
                                met de werkzaamheden start en binnen de bij dit functietype
                                vastgestelde opkomsttijd na alarmering op de plaats waar de
                                werkzaamheden verricht dienen te worden c.q. incident aanwezig kan
                                zijn. Indien bij een functietype geen opkomsttijd is vastgesteld,
                                bedraagt deze 90 minuten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar draagt een mobiele telefoon bij zich, waarop hij
                                gealarmeerd kan worden. De gemeentesecretaris kan bepalen dat de
                                ambtenaar ook een tablet-pc bij zich moet dragen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Lid 1 en 2 van dit artikel zijn niet van toepassing op een ambtenaar
                                met zacht piket.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Financiële vergoeding voor beschikbaarheid en
                                    bereikbaarheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al>De ambtenaar op wie een zacht piket rust, heeft <vet>geen</vet>
                                aanspraak op een vergoeding op basis van dit artikel. Op deze
                                ambtenaar kan wel een andere (consignatie-) regeling uit de
                                dagelijkse organisatie van toepassing zijn. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar op wie een hard piket rust, ontvangt een vergoeding op
                                basis van dit artikel voor het bereikbaar en beschikbaar zijn. De
                                vergoeding wordt in geld gegeven.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Per piketdag, die op een reguliere werkdagen valt, worden 16 uren
                                vergoed. Per piketdag, die op een zaterdag, zondag, nieuwjaarsdag,
                                tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, de beide
                                kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd
                                en iedere andere dag die daarboven door het college als vrije dag
                                wordt aangewezen, worden 24 uren vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris
                                van de aangewezen salarisschaal voor elk uur, waarin de ambtenaar
                                zich ter beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op
                                zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                                pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                                koning wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het
                                college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                                uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren
                                vielen op andere dagen.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Voor een functie, waarbij een opkomstplicht geldt en met een lage
                                opkomsttijd of met een verhoogde kans op alarmering en/of langdurige
                                inzet tijdens een crisis, bedraagt de salarisschaal, zoals bedoeld
                                in lid 4 van dit artikel, schaal 10 regel 11. Deze functie wordt
                                aangeduid met “hard piket type 1”.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Voor overige functies, waarbij een opkomstplicht geldt, bedraagt de
                                salarisschaal, zoals bedoeld in lid 4 van dit artikel, schaal 10
                                regel 1. Deze functie wordt aangeduid met “hard piket type 2”.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De gemeentesecretaris bepaalt per type functie binnen de
                                gemeentelijke, intergemeentelijke of regionale crisisbeheersing of
                                er sprake is van “hard piket type 1”, van “hard piket type 2” of van
                                “zacht piket”.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar wegens reorganisatie of op medische gronden van
                                de verplichting tot het verrichten van piketdienst wordt ontheven,
                                ontvangt hij een afbouwtoelage, indien hij voorafgaand aan de
                                ontheffing tenminste vijf jaar een piketdienst heeft verricht. Deze
                                toelage bedraagt gedurende 6 maanden 75%, daarna 6 maanden 50% en
                                daarna 6 maanden 25% van de gemiddelde wachtdienstvergoeding per
                                maand over het voorafgaande jaar. Indien de ambtenaar op het moment
                                van ontheffing 60 jaar is of ouder is de uitkering 100% tot het
                                einde van het dienstverband.</al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al> De medewerker die op grond van deze regeling bereikbaar en / of
                                inzetbaar dient te zijn, heeft recht op 7,2 uren extra verlof per
                                kalenderjaar.De medewerker die wordt aangewezen om op grond van deze
                                regeling tenminste op 60 dagen van een kalenderjaar bereikbaar en /
                                of inzetbaar te zijn, heeft recht op 14,4 uren extra verlof per
                                kalenderjaar.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Financiële vergoeding voor daadwerkelijke
                                    inzet</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Bij een daadwerkelijke inzet van de ambtenaar, met hard piket of
                                zacht piket, ontvangt hij een buitendagvenstervergoeding voor
                                werkzaamheden, die worden verricht in het kader van de piketdienst.
                                Deze inzetvergoeding wordt gebaseerd op de salarisschaal behorend
                                bij zijn reguliere functie binnen de dagelijkse organisatie en wordt
                                verhoogd met het van toepassing zijnde toeslagpercentage
                                buitendagvenstervergoeding. CAR-UWO artikel 3:12 is hierbij van
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De duur van de feitelijke inzet wordt bepaald door het verschil
                                tussen het tijdstip van oproep en het tijdstip waarop de
                                werkzaamheden worden beëindigd, vermeerderd met de tijd die nodig is
                                om terug te keren naar het huisadres. De in dit lid bedoelde duur
                                bedraagt per oproep minimaal 30 minuten.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het feitelijke aantal kilometers, gemaakt ten behoeve van de
                                werkzaamheden in het kader van de piketdienst, wordt vergoed conform
                                de reguliere reiskostenregeling van de dienstverlenende
                                gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Declaratie van vergoedingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vergoedingen, zoals bedoeld in artikel 5 en 6 van deze regeling,
                                worden gedeclareerd bij de afdeling P&amp;O van de eigen
                                gemeente.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De piketvergoeding, zoals bedoeld in artikel 5, wordt alleen
                                toegekend bij het daadwerkelijk vervullen van een piketweek. Bij
                                ziekte- of zwangerschapsverlof wordt geen vergoeding toegekend. Bij
                                tussentijdse overname van de piketweek door een andere ambtenaar
                                wordt de piketvergoeding naar evenredigheid verdeeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien een ambtenaar van de eigen gemeente wordt ingezet ten dienste
                                van een andere gemeente, wordt de inzetvergoeding, zoals bedoeld in
                                artikel 6, doorberekend aan de getroffen gemeente, tenzij anders is
                                overeengekomen.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Piketrooster</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De gemeentelijke piketregelingen worden ingevuld door een door de
                                gemeentesecretaris te bepalen aantal ambtenaren op basis van een
                                vastgesteld gelijkwaardig rooster.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De piketdienstperiodes worden per kalenderjaar ingeroosterd waarbij
                                elke ambtenaar in principe een gelijk aantal piketdiensten krijgt
                                toebedeeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor piketfuncties op district of regionaal niveau wordt het aantal
                                ambtenaren en het piketrooster vastgesteld in overleg met de andere
                                deelnemende gemeenten dan wel de Veiligheidsregio Utrecht.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Leiding en rechtspositie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die op grond van de intergemeentelijke piketregeling
                                werkzaamheden uitvoert valt onder leiding van het college van de
                                gemeente waar de inzet plaatsvindt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft
                                de formele werkgever van de desbetreffende ambtenaar en de
                                rechtspositie van die gemeente blijft, ook voor onderhavige
                                werkzaamheden in het kader van de Wet Veiligheidsregio’s, van
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Aansprakelijkheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De gemeente laat haar WA-verzekering tevens van toepassing zijn
                                voor schade die het gevolg is van, voortvloeit uit of verband houdt
                                met het handelen of nalaten van de ambtenaar tijdens of in verband
                                met de uitoefening van zijn werkzaamheden op het grondgebied van de
                                gemeente waar de inzet plaats vindt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De gemeente vrijwaart de ambtenaar voor alle aanspraken van derden
                                in verband met handelingen, waaronder begrepen enig nalaten van de
                                ambtenaar in het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden voor
                                de gemeente waar de inzet plaats vindt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De ambtenaar is niet aansprakelijk voor schade die hij mocht
                                veroorzaken aan de getroffen gemeente of aan derden bij de
                                uitoefening van de werkzaamheden, tenzij de schade een gevolg is van
                                bewuste roekeloosheid.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Overmacht</vet></tussenkop><tussenkop><vet> Lid 1 </vet></tussenkop><al>Indien de dienstverlenende gemeente of de medewerker door overmacht
                                niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, wordt dit noch deze
                                gemeente noch de medewerker toegerekend.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onder overmacht wordt, naast hetgeen beschreven in artikel 6:75 BW,
                                mede het volgende verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al> Abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die
                                        onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich er op
                                        beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle
                                        voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden, of; </al></li><li nr="-"><al>transportmoeilijkheden of -belemmeringen van welke aard dan
                                        ook, waardoor het vervoer naar de calamiteit of plaats van
                                        inzet toe wordt gehinderd of belemmerd. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 12 Geheimhouding</vet></tussenkop><al>Alle partijen zullen geheimhouding in acht nemen ten aanzien van
                                alle informatie, welke hen bekend is en waarvan zij de
                                vertrouwelijkheid hadden kunnen, dan wel moeten begrijpen.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>De gemeentesecretaris kan, voor zover nodig, in individuele gevallen
                                en ten aanzien van een door hen aangewezen groep van
                                functionarissen, in afwijking van de bij of krachtens deze regeling
                                gestelde regels besluiten, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                aanleiding geven.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Mandaatregeling</vet></tussenkop><al>De in deze piketregeling aan de gemeentesecretaris opgedragen taken
                                kunnen ook vervuld worden door de directeur bedrijfsvoering van de
                                gemeente, of een door de gemeentesecretaris aan te wijzen
                                afdelingsmanager.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Inwerkingtreding en
                                citeertitel</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                2014.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Alle overige gemeentelijke piketregelingen ten behoeve van de
                                gemeentelijke crisisbeheersing en rampenbestrijding worden
                                ingetrokken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Dit besluit kan worden aangehaald als: “Piketregeling
                                Crisisbeheersing Veenendaal 2014”.</al><tussenkop><vet>Bijlage 1: Overzicht functionarissen regionale
                                    crisisbeheersing VRU</vet></tussenkop><al><cursief>(In deze bijlage zijn de functies voor de regionale
                                    crisisbeheersing opgenomen, zoals bedoeld in het “Handboek
                                    Bevolkingszorg - Regionale Crisisbeheersing 2.0” van de
                                    Veiligheidsregio Utrecht.)</cursief></al><al>Op grond van artikel 2 en artikel 5 lid 7 van de Piketregeling
                                Crisisbeheersing Veenendaal 2014 wijst de gemeentesecretaris de
                                volgende functionarissen en bijbehorende soort piketvorm aan:</al><tussenkop><vet><cursief>Overzicht regionale
                                    functionarissen</cursief></vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2"><al>piketvorm</al></entry><entry colname="col3"><al>opmerking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>procesbewaker GBT </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>informatiemanager GBT/RBT </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>strategisch adviseur bevolkingszorg RBT</al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al>betreft de gemeentesecretaris of zijn
                                                  vervanger</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>strategisch adviseur crisiscommunicatie
                                                  GBT/RBT</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>communicatieadviseur COPI </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd sectie bevolkingszorg ROT </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al>Voorheen: “algemeen commandant bevolkingszorg”
                                                </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>procesbewaker sectie bevolkingszorg ROT</al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>communicatieadviseur ROT </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>procesbewaker crisiscommunicatie ROT </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorzitter team bevolkingszorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd actiecentrum communicatie </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd publieke zorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd preparatie nafase </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>informatiemanager team bevolkingszorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>medewerker publieke zorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>teamleider preparatie nafase </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>medewerker preparatie nafase </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>omgevingsanalyst AC-Communicatie </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>regionaal liaison VRU in het SIS</al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Bijlage 2: Overzicht functionarissen intergemeentelijke
                                    crisisbeheersing</vet></tussenkop><al><cursief>(In deze bijlage zijn de functies voor de
                                    intergemeentelijke crisisbeheersing opgenomen. Daarbij is zoveel
                                    mogelijk aangesloten bij het “Handboek Bevolkingszorg -
                                    Regionale Crisisbeheersing 2.0” van de Veiligheidsregio
                                    Utrecht.) </cursief></al><al>Op grond van artikel 2 en artikel 5 lid 7 van de Piketregeling
                                Crisisbeheersing Veenendaal 2014 wijst de gemeentesecretaris de
                                volgende functionarissen en bijbehorende soort piketvorm aan: </al><tussenkop><vet><cursief>Overzicht functionarissen piket voor district
                                        Heuvelrug</cursief></vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2"><al>soort piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Opmerking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>officier van dienst bevolkingszorg (COPI) </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 1</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet><cursief>Overzicht functionarissen landelijk piket voor
                                        Slachtofferinformatiesystematiek
                                (SIS)</cursief></vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2"><al>soort piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Opmerking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>teamleider SIS (landelijke taken) </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 1</al></entry><entry colname="col3"><al>Standplaats Driebergen tbv. Landelijke taken
                                                  SIS</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>Bijlage 3: Overzicht functionarissen gemeentelijke
                                    crisisbeheersing</vet></tussenkop><al><cursief>(In deze bijlage zijn de functies voor de gemeentelijke
                                    crisisbeheersing opgenomen. Daarbij is zoveel mogelijk
                                    aangesloten bij het “Handboek Bevolkingszorg - Regionale
                                    Crisisbeheersing 2.0” van de Veiligheidsregio Utrecht.)
                                </cursief></al><al>Op grond van artikel 2 en artikel 5 lid 7 van de Piketregeling
                                Crisisbeheersing Veenendaal 2014 wijst de gemeentesecretaris de
                                volgende functionarissen en bijbehorende soort piketvorm aan: </al><tussenkop><vet><cursief>Overzicht lokale functionarissen (gemeentelijk
                                        piket)</cursief></vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2"><al>soort piket</al></entry><entry colname="col3"><al>opmerking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>teamleider publieke zorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al>Lokale functie conform Handboek Bevolkingszorg
                                                  GC2.0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>liaison gemeente ROT </al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>strategisch adviseur bevolkingszorg GBT</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Dagelijkse organisatie, betreft de
                                                  gemeentesecretaris</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanspreekpunt communicatie 24/7 voor GBT en AC
                                                  crisiscommunicatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Dagelijkse organisatie (MDL/COM), valt onder
                                                  reguliere consignatiereg.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd ondersteuning (team bevolkingszorg)</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Dagelijkse organisatie (DVL), valt onder
                                                  reguliere consignatieregeling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>medewerker omgevingszorg (niet-acute fase)</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al>Dagelijkse organisatie, betreft bouwzaken en
                                                  milieu </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitvoerend personeel AC crisiscommunicatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitvoerend personeel AC publieke zorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitvoerend personeel AC preparatie nafase</al></entry><entry colname="col2"><al>Zacht piket</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet><cursief>Overzicht lokale functionarissen voor de
                                        overgangsperiode tot 1 mei
                                2015(*)</cursief></vet></tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Functie</al></entry><entry colname="col2"><al>soort piket</al></entry><entry colname="col3"><al>opmerking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>hoofd AC CRIB </al></entry><entry colname="col2"><al>Hard piket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al>Tot 1 mei 2015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>milieu inspecteur (omgevingszorg acute fase)
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>Hardpiket type 2</al></entry><entry colname="col3"><al>Tot 1 mei 2015</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>(*) In dit overzicht zijn de functies voor de gemeentelijke
                                crisisbeheersing opgenomen, die ter overbrugging van de
                                invoeringsperiode (vanaf 1 mei 2014) naar het “Handboek
                                Bevolkingszorg Gemeentelijke Crisisbeheersing 2.0” van de
                                Veiligheidsregio Utrecht vooralsnog worden gecontinueerd. Dit
                                betreft het voorlopig in stand houden van het CRIB omdat het nu nog
                                niet duidelijk is of en hoe/wanneer de VRU zal aansluiten op het
                                landelijke SIS en de gemeentelijke taken mbt registratie blijven
                                bestaan. Dit betreft ook het piket milieu &amp; bouwzaken omdat nog
                                niet duidelijk is of en hoe de ODRU voor de gemeente Veenendaal deze
                                taken regionaal zal kunnen overnemen. Voor 1 mei 2015 wordt bekeken
                                of deze functies al dan niet in gewijzigde vorm worden gehandhaafd
                                of worden opgeheven. Daar alle voorgaande gemeentelijke
                                piketregelingen ten behoeve van de gemeentelijke rampenbestrijding
                                en crisisbeheersing zijn ingetrokken, is de nieuwe Piketregeling
                                Crisisbeheersing Veenendaal per 1 mei 2014 ook op deze functies van
                                toepassing. </al><tussenkop><vet>Bijlage 4: Organogram Handboek Bevolkingszorg
                                    (GC2.0)</vet></tussenkop><al>Organogram functionarissen Bevolkingszorg op basis van het “Handboek
                                Bevolkingszorg - Regionale Crisisbeheersing 2.0” van de
                                Veiligheidsregio Utrecht.</al><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto12" type="foto" id="i270823"></illustratie></plaatje></al></artikel><artikel><kop><titel>Vergoedingsregeling reis-en verblijfkosten</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al></li><li><al>Artikel 2 Begin en einde der dienstreizen</al></li><li><al>Artikel 3 Openbaar vervoer</al></li><li><al>Artikel 4 Eigen vervoer</al></li><li><al>Artikel 5 Gebruik motorrijtuig</al></li><li><al>Artikel 6 Verblijfskosten</al></li><li><al>Artikel 7 Reisdeclaraties</al></li><li><al>Artikel 8 Saldering vergoeding voor woon-werkverkeer met
                                        vergoeding voor overige zakelijke kilometers</al></li><li><al>Artikel 9 Slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10 Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> degene op wie de CAR/UWO van
                                        toepassing is;</al></li><li nr="b"><al><vet>dienstreis:</vet> een reis, in het belang van de dienst
                                        en in opdracht van het bevoegd gezag in of buiten
                                        Veenendaal;</al></li><li nr="c"><al><vet>woonplaats:</vet> de gemeente waar de ambtenaar in het
                                        persoonsregister is opgenomen.</al></li><li nr="d"><al><vet>plaats van tewerkstelling:</vet> het gebouw waar en
                                        waaruit de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden
                                        verricht;</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Begin en einde der
                                dienstreizen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor de vergoeding van reis-en verblijfkosten geldt in principe dat
                                de plaats van tewerkstelling het begin- en eindpunt is van de
                                dienstreis.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> In afwijking van het in lid 1 bepaalde kan de woonplaats van de
                                ambtenaar of een andere plaats als beginpunt respectievelijk
                                eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt, tenzij op de heenreis
                                onderscheidenlijk de terugreis de plaats van tewerkstelling op de
                                snelste route ligt.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Openbaar vervoer</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de ambtenaar voor een dienstreis gebruik maakt van het
                                openbaar vervoer worden de reiskosten na overlegging van de
                                bewijsstukken vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In afwijking van het in lid 1 bepaalde worden de kosten van de
                                aanschaf van een OV-chipkaart niet vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Declareren met de OV-chipkaart is mogelijk middels het opvragen van
                                een reis-en transactieoverzicht en deze bij te voegen bij het
                                declaratieformulier.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van
                                het 2e klasse tarief.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Indien naar het oordeel van de direct leidinggevende het
                                dienstbelang er mee is gebaat dat tijdens een dienstreis naast
                                openbaar vervoer tevens gebruik wordt gemaakt van een (trein)taxi,
                                worden de aan dat (trein)taxigebruik verbonden kosten - onder
                                overlegging van een bewijsstuk - volledig vergoed.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Eigen vervoer</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de ambtenaar voor een dienstreis gebruik maakt van een eigen
                                motorvoertuig ontvangt hij en tegemoetkoming in de kosten ten
                                bedrage van € 0,28 per kilometer.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Eventuele tol- veer- en parkeergelden worden geacht begrepen te
                                zijn in het van toepassing zijnde kilometerbedrag. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> In afwijking van het in lid 2 bepaalde is de direct leidinggevende
                                bevoegd om parkeergelden wel toe te kennen indien het reizen met het
                                eigen vervoer voordeliger is dan reizen met het openbaar vervoer en
                                er voor de werkgever geen (financiële) nadelen aan verbonden
                                zijn.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Bij bepaling van afstanden wordt gebruik gemaakt van een programma
                                dat zoekt op postcode en huisnummer.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Gebruik motorrijtuig</vet></tussenkop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan het eigen motorvoertuig te
                                gebruiken voor dienstreizen, indien hij een deugdelijke wettelijke
                                aansprakelijksverzekering heeft afgesloten.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Verblijfskosten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor
                                maaltijden worden na overlegging van de bewijsstukken vergoed
                                volgens het bepaalde in de volgende leden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Geen aanspraak op vergoedingen wegens verblijfkosten bestaat voor
                                een dienstreis korter dan vier uur en voor een dienstreis binnen de
                                plaats van tewerkstelling.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De vergoeding voor maaltijden is gelijk aan de werkelijk gemaakte
                                kosten tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de vergoeding voor een
                                maaltijd ingevolge het Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk voor
                                de sector rijkspersoneel/ c.q. de Reisregeling binnenland (zie
                                bijlage VII).</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De aantoonbare kosten van overnachting worden alleen vergoed als de
                                dienstreis niet in één dagreis kan worden volbracht, één en ander
                                ter beoordeling van het sectorhoofd die opdracht heeft gegeven tot
                                de dienstreis. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Reisdeclaraties</vet></tussenkop><al>De uitbetaling van reis- en/of verblijfkosten geschiedt op
                                declaratiebasis aan de hand van een de direct leidinggevende
                                goedgekeurd en ondertekend declaratieformulier. Dit formulier dient
                                zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval vóór de 6e van de maand
                                volgende op de maand waarin de dienstreis heeft plaatsgevonden, te
                                zijn ingediend bij de salarisadministratie.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Saldering vergoeding voor woon-werkverkeer met
                                    vergoeding voor overige zakelijke kilometers</vet></tussenkop><al>Voorzover de reiskostenvergoedingen ter zake van dienstreizen in het
                                kalenderjaar of in een loontijdvak bovenmatig zijn, strekken ze mede
                                tot vergoeding van reiskosten ter zake van het woon-werkverkeer die
                                de gemeente Veenendaal in zoverre nog wel aanvullend belastingvrij
                                kan vergoeden. De saldering vindt uiterlijk plaats in de eerste
                                maand na het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft.
                                Ingeval de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar is
                                geëindigd, vindt saldering uiterlijk plaats in de kalendermaand
                                volgend op de kalendermaand waarin de dienstbetrekking is
                                geëindigd.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al>De in deze regeling genoemde bedragen zullen jaarlijks worden
                                aangepast conform wijzigingen in de fiscale regelgeving.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Slotbepalingen</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007 en kan worden
                                aangehaald als de "Vergoedingsregeling reis-en verblijfkosten
                                gemeente Veenendaal".</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitvoeringsregeling schadevergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al></li><li><al>Artikel 2 Vergoeden schade</al></li><li><al>Artikel 3 Onvoorziene gevallen</al></li><li><al>Artikel 4 Inwerkingtreding</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>Ambtenaar:</vet>De ambtenaar in de zin van artikel 1:1
                                        lid 1 sub a en artikel 1:2 lid 1 sub d van de CAR/UWO
                                        gemeente Veenendaal. </al></li><li nr="b"><al><vet>Goederen:</vet>Kleding en uitrusting als genoemd in
                                        artikel 15:1:23 lid 1 van de CAR/UWO gemeente
                                        Veenendaal.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Vergoeden schade</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De schade aan goederen moet het gevolg zijn van de uitoefening van
                                de dienstbetrekking. De schade moet buiten de schuld of nalatigheid
                                van de ambtenaar worden geleden en niet het gevolg zijn van normale
                                slijtage. De direct leidinggevende van de ambtenaar dient dit te
                                bevestigen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar moet de nieuwwaarde van de goederen aantonen (indien
                                mogelijk door overlegging van de (originele) aankoopbon).</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De nieuwwaarde van de goederen wordt vergoed met inachtneming van
                                een aftrek van de waarde ten gevolge van waardevermindering door
                                afschrijving van de goederen. Voor de afschrijving wordt rekening
                                gehouden met een afschrijvingspercentage van 30% per jaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Goederen die niet ouder zijn dan 3 maanden worden volledig vergoed
                                (tegen nieuwwaarde).</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De schade wordt alleen vergoed als reparatie van de goederen niet
                                mogelijk dan wel economisch gezien niet verantwoord is (vast te
                                stellen door deskundige).</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien reparatie van de goederen, zoals genoemd in het vorige lid,
                                mogelijk is worden de reparatiekosten, na overlegging van de
                                factuur, vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Schade toegebracht aan goederen, die niet aan waardevermindering
                                onderhevig zijn, wordt volledig vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al>Schade aan goederen die op derden te verhalen is wordt vergoed tot
                                het aanvullende bedrag waarvoor geen schadevergoeding wordt
                                toegekend.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Onvoorziene gevallen</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid
                                voorziet kunnen burgemeester en wethouders een bijzondere
                                voorziening treffen.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de “Uitvoeringsregeling
                                schadevergoeding gemeente Veenendaal “.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 juni 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel>Sociaal plan</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Inleiding</al></li><li><al>1 Algemene bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 1 Doel van het Sociaal plan</al></li><li><al>Artikel 2 Werkingssfeer van het Sociaal plan</al></li><li><al>Artikel 3 Uitgangspunt geen gedwongen ontslag</al></li><li><al>Artikel 4 Begripsomschrijvingen</al></li><li><al>Artikel 5 Processtappen en communicatie</al></li><li><al>Artikel 6 Processtappen en implementatieplan</al></li><li><al>Artikel 7 Processtappen voor het aanwijzen van
                                                mobiliteitskandidaten/re-integratiekandidaten
                                                (opname in mobiliteitspool)</al></li><li><al>Artikel 8 De adviescommissie</al></li></lijst></li><li><al>2 Mobiliteit</al><lijst><li><al>Artikel 9 Aanmelding van een
                                                mobiliteitskandidaat</al></li><li><al>Artikel 10 Uitvoeringsfase mobiliteitskandidaat</al></li><li><al>Artikel 11 Mobiliteitscommissie</al></li><li><al>Artikel 12 Geschiktheid voor vacature</al></li><li><al>Artikel 13 Proefperiode</al></li><li><al>Artikel 14 Detachering</al></li><li><al>Artikel 15 Bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 16 Nazorg</al></li></lijst></li><li><al>3 Flankerend beleid</al><lijst><li><al>Artikel 17 Doel flankerend beleid</al></li><li><al>Artikel 18 Mobiliteitspremie bij werk naar werk</al></li><li><al>Artikel 19 (Onbetaald) verlof</al></li><li><al>Artikel 20 Individuele gevallen/eigen voorstel</al></li></lijst></li><li><al>4 Re-integratie ex artikel 10d CAR/UWO</al><lijst><li><al>Artikel 21 Ontslag na beëindiging
                                                re-integratietermijn</al></li></lijst></li><li><al>5 Overige bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 22 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 23 Openbreekclausule</al></li><li><al>Artikel 24 Slotbepalingen</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Inleiding</vet></tussenkop><al> De bedoeling is om in de periode van 2012- 2015 de beoogde
                                personele bezuinigingen en organisatiewijzigingen naar aanleiding
                                van de taakstelling op de bedrijfsvoering te realiseren. Samen
                                bouwen we vanuit goed werkgeverschap aan een inspirerende
                                werkomgeving en een toekomstbestendige organisatie, met een product-
                                en dienstenpakket dat aansluit op onze terugtredende rol en
                                toenemende externe gerichtheid. Door optimaal gebruik te maken van
                                ieders talenten wordt deze doelstelling behaald.</al><tussenkop><vet>1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1 Doel van het Sociaal plan</vet></tussenkop><al> Dit Sociaal plan heeft tot doel de uitgangspunten vast te stellen,
                                waar nodig aanvullende rechtspositionele waarborgen te geven en
                                nadere regels te stellen die nodig zijn om de personele gevolgen met
                                betrekking tot de taakstelling bedrijfsvoering 2012 tot en met 2015
                                op sociaal verantwoorde wijze te doen verlopen. Over de betreffende
                                maatregelen ten aanzien van de taakstelling bedrijfsvoering 2012 tot
                                en met 2015 is op 10 september 2012 een voorgenomen en op 29 oktober
                                2012 een definitief besluit genomen.</al><tussenkop><vet>Artikel 2 Werkingssfeer van het Sociaal
                                plan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Dit Sociaal plan vindt zijn basis in artikel 2:3, lid 2 van het
                                Sociaal statuut gemeente Veenendaal d.d. 22 februari 2001.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Dit Sociaal plan is een aanvulling en/of afwijking op het Sociaal
                                statuut gemeente Veenendaal d.d. 22 februari 2001.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Dit Sociaal plan is van toepassing op medewerkers voor wie de
                                organisatiewijzigingen en bezuinigingen naar aanleiding van de
                                taakstelling op de bedrijfsvoering 2012-2015 rechtspositionele
                                gevolgen kunnen hebben.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Uitgangspunt voor dit Sociaal plan is de CAR/UWO (Collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten en de
                                Uitwerkingsovereenkomst) gemeente Veenendaal zoals deze nu luidt of
                                in de toekomst komt te luiden. Indien een wijziging van de CAR/UWO
                                een wijziging in het Sociaal plan noodzakelijk maakt zullen
                                werkgever en vakbonden hierover in overleg treden.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Uitgangspunt geen gedwongen
                                ontslag</vet></tussenkop><al> De inzet van de gemeente Veenendaal is er op gericht om gedwongen
                                ontslag als gevolg van reorganisatie ingevolge artikel 8:3 van de
                                CAR/UWO naar aanleiding van deze
                                organisatiewijzigingen/bezuinigingen op de bedrijfsvoering te
                                voorkomen. In dit geval is ontslag op grond van artikel 8:3 alleen
                                mogelijk als hierover met het GO nader overleg heeft plaatsgevonden.
                                De partijen gaan bij de uitvoering van dit sociaal plan uit van de
                                positieve medewerking van alle betrokkenen (werkgever, vakbonden en
                                medewerkers) om in goed overleg en met passende inzet tot reële
                                oplossingen te komen.</al><al>De directie ziet er op toe dat de verantwoordelijke
                                afdelingsmanagers het Sociaal plan zorgvuldig toepassen en
                                uitvoeren. De adviescommissie (artikel 4:1 Sociaal statuut) vervult
                                een belangrijke adviserende en toetsende rol.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><al> In dit Sociaal plan wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Geschikte functie:</vet>een functie die niet valt onder
                                        het begrip passende functie, maar die de medewerker bereid
                                        is te vervullen;</al></li><li nr="b"><al><vet>Passende functie:</vet>een functie van gelijkwaardig
                                        werk- en denkniveau, die de medewerker redelijkerwijs in
                                        verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor
                                        hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een
                                        passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau of
                                        maximaal twee schalen lager of hoger dan de oude
                                        functie.</al></li><li nr="c"><al><vet> Opheffing van taken:</vet>het door een
                                        organisatiewijziging of bezuiniging wegvallen van een deel
                                        van de feitelijke werkzaamheden die tot een functie behoren
                                        zoals besproken en vastgelegd in een recent gehouden
                                        afsprakengesprek;</al></li><li nr="d"><al><vet>Opheffing van de functie:</vet>het uiteen vallen van
                                        het samenstel van werkzaamheden of het althans voor een
                                        belangrijk deel (minimaal 18 uur per week) wegvallen van de
                                        feitelijke werkzaamheden waaruit de functie bestaat en die
                                        zijn vastgelegd in een recent gehouden
                                        afsprakengesprek;</al></li><li nr="e"><al><vet> Mobiliteitstermijn:</vet>de periode tussen 2012 en
                                        2015 waarin de medewerker wordt aangemerkt als
                                        mobiliteitskandidaat;</al></li><li nr="f"><al><vet>Mobiliteitsadviseur:</vet>ondersteuner bij de invulling
                                        en uitvoering van een begeleidingstraject van werk naar
                                        werk;</al></li><li nr="g"><al><vet> Re-integratietermijn:</vet>periode van twee jaar op
                                        grond van hoofdstuk 10d:6 CAR/UWO die start op het
                                        effectueringsmoment;</al></li><li nr="h"><al><vet>Effectueringmoment:</vet>de datum waarop de
                                        organisatiewijziging of bezuiniging wordt geëffectueerd
                                        (jaarlijks per 1 januari) en de mobiliteitskandidaat,
                                        re-integratiekandidaat wordt;</al></li><li nr="i"><al><vet> Re-integratiekandidaten:</vet>medewerkers voor wie het
                                        effectueringmoment is bereikt en die vallen onder de werking
                                        van hoofdstuk 10d CAR/UWO;</al></li><li nr="j"><al><vet> Mobiliteitskandidaten:</vet>medewerkers voor wie het
                                        effectueringmoment nog niet is bereikt maar die wel in
                                        kennis zijn gesteld van het feit dat zij op het
                                        effectueringmoment re-integratiekandidaat zullen zijn;</al></li><li nr="k"><al><vet>Reorganisatieontslag:</vet>ontslag volgens artikel 8:3
                                        CAR/UWO;</al></li><li nr="l"><al><vet>Adviescommissie:</vet>de commissie volgens artikel 4:1
                                        van het Sociaal statuut gemeente Veenendaal;</al></li><li nr="m"><al><vet> Afspiegelingsbeginsel:</vet>de medewerkers naar
                                        evenredigheid per taakgebied onderverdelen naar de
                                        leeftijdsgroepen 15-35, 36-50, 51- 65;</al></li><li nr="n"><al><vet> Anciënniteitbeginsel:</vet>een methode waarbij
                                        selectie van een medewerker plaatsvindt op basis van het
                                        kortste dienstverband;</al></li><li nr="o"><al><vet>Afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                            anciënniteitbeginsel:</vet>het bepalen van de
                                        selectievolgorde voor het aanwijzen tot
                                        re-integratiekandidaat;</al></li><li nr="p"><al><vet> Flankerend beleid:</vet>mobiliteitsbevorderende
                                        maatregelen voor mobiliteits- en
                                        re-integratiekandidaten.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 5 Processtappen en
                                communicatie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De directie draagt er zorg voor dat de Ondernemingsraad, de
                                vakbonden en de (potentieel) betrokken medewerkers vroegtijdig
                                worden geïnformeerd en betrokken bij de organisatiewijziging of
                                bezuiniging.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het voornemen tot inkrimpen van de organisatie
                                (organisatiewijziging) zoals aangegeven in het voorgaande lid wordt
                                conform artikel 25 van de Wet op de Ondernemingsraden ter advisering
                                voorgelegd aan de Ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Processtappen en
                                implementatieplan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De directie stelt op advies van de afdelingsmanagers een voorlopig
                                implementatieplan vast waarin is aangegeven welke
                                formatie/functies/taken/medewerkers een organisatiewijziging of
                                bezuiniging treft. Voor medewerkers waarvan de taken voor minder dan
                                18 uur wegvallen, vindt een herverdeling van taken plaats. Deze
                                medewerkers blijven werkzaam binnen de bestaande afdeling en krijgen
                                andere taken toebedeeld zodra er een geschikte/passende functie (en
                                formatieruimte) aanwezig is c.q. ontstaat.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De afdelingsmanager informeert de medewerkers mondeling die zijn
                                opgenomen in het voorlopige implementatieplan. Dit wordt
                                schriftelijk door de directie bevestigd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Medewerkers kunnen een bedenking indienen tegen de plaatsing in het
                                voorlopige implementatieplan.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Na ontvangst van het advies van de adviescommissie over de
                                bedenkingen besluit de directie tot plaatsing van de medewerkers in
                                het implementatieplan.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Het besluit en het advies van de adviescommissie worden
                                schriftelijk aan de medewerker bekendgemaakt. In de motivering van
                                het besluit wordt ingegaan op eventuele bedenkingen die door de
                                medewerker zijn ingediend.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De medewerker wordt in het besluit geïnformeerd over de
                                mogelijkheid bezwaar te maken tegen plaatsing conform het
                                implementatieplan.</al><tussenkop><vet>Artikel 7 Processtappen voor het aanwijzen van
                                    mobiliteitskandidaten/re-integratiekandidaten (opname in
                                    mobiliteitspool)</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Op grond van afspiegeling- en anciënniteitbeginsel wordt door de
                                directie bepaald wie op het effectueringmoment
                                re-integratiekandidaat wordt (medewerkers waarvan de taken wegvallen
                                van minder dan 18 uur, worden geen re-integratiekandidaat). De
                                opname als re-integratiekandidaat dient zo plaats te vinden dat de
                                leeftijdsopbouw binnen de gemarkeerde groep met het zelfde
                                taakgebied vóór en ná de inkrimping verhoudingsgewijs zoveel
                                mogelijk gelijk is. Vervolgens wordt binnen elke leeftijdsgroep de
                                medewerker met het kortste dienstverband bij de gemeente Veenendaal
                                als eerste aangemerkt als re-integratiekandidaat. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het effectueringmoment bepaalt het moment dat de betrokken
                                medewerker re-integratiekandidaat wordt. Op dat moment is conform
                                artikel 10d:35 van de CAR/UWO van toepassing. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Tot het effectueringmoment is de betrokken medewerker
                                mobiliteitskandidaat.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De medewerkers die op grond van het eerste en tweede lid als
                                mobiliteitskandidaat worden aangewezen worden opgenomen in de
                                mobiliteitspool. Deze medewerkers worden hierover mondeling
                                geïnformeerd door de afdelingsmanager. Deze mondelinge mededeling
                                wordt schriftelijk door de directie bevestigd. In dit
                                aanwijzingsbesluit staat: datum aanwijzing, voornemen en opzet
                                mobiliteits- en re-integratietraject, plicht aanvaarden passende
                                functie en de mogelijkheid van bezwaar.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Zolang de medewerker in de mobiliteitspool zit of
                                re-integratiekandidaat is, blijft de aanstelling ongewijzigd. De
                                mobiliteitskandidaten/re-integratiekandidaten blijven tot aan de
                                definitieve plaatsing in personele en formatieve zin onder de
                                verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke afdelingsmanager
                                vallen.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De afdelingsmanager maakt afspraken met de medewerker over de uit
                                te voeren werkzaamheden, gedurende de tijd dat deze medewerker
                                mobiliteitskandidaat c.q. re-integratiekandidaat is.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 De adviescommissie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor de toepassing van dit Sociaal plan wordt door de werkgever een
                                commissie ingesteld conform artikel 4:1 van het Sociaal statuut
                                gemeente Veenendaal 2001. Gezien de aard van de organisatiewijziging
                                wordt deze commissie adviescommissie genoemd en geen
                                herplaatsingscommissie.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De commissie bestaat uit één lid aangewezen door de werkgever, één
                                lid gezamenlijk aangewezen door Georganiseerd Overleg en een door
                                deze beide leden aangewezen gezamenlijke voorzitter. Deze commissie
                                wordt ondersteund door een secretariaat aan te wijzen door de
                                werkgever, dat voor de uitvoering van de werkzaamheden alleen
                                verantwoording is verschuldigd aan de voorzitter van de
                                commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De commissie heeft tot taak advies uit te brengen aan de directie
                                over:</al><lijst><li nr="-"><al>Het door de directie vastgestelde implementatieplan waarin
                                        is aangegeven welke formatie/functies/taken/medewerkers het
                                        betreft en het effectueringmoment is aangeven.</al></li><li nr="-"><al> De bedenkingen die door medewerkers zijn ingediend tegen
                                        opname in het implementatieplan c.q. aanwijzing als
                                        mobiliteitskandidaat/re-integratiekandidaat. </al></li></lijst><tussenkop><vet>2 Mobiliteit</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 9 Aanmelding van een
                                mobiliteitskandidaat</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De afdelingsmanagers blijven in personele zin verantwoordelijk voor
                                de mobiliteits- en re-integratiekandidaten. Dit betekent dat de
                                afdelingsmanager bepaalt welke werkzaamheden tijdens de mobiliteits-
                                en re-integratietermijn worden uitgevoerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor de mobiliteitskandidaten geldt dat binnen een maand na
                                aanwijzing een intake plaatsvindt door de mobiliteitsadviseur. De
                                kandidaat krijgt hiervoor een schriftelijke uitnodiging. In dit
                                gesprek wordt besproken welke voorkeuren er bij de medewerker leven
                                bij herplaatsing in een passende of geschikte functie of externe
                                mobiliteit. Aan de orde komt de motivatie, de (loopbaan)wensen en de
                                scholing.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De medewerker stelt binnen drie maanden na aanwijzing in overleg
                                met de mobiliteitsadviseur een portfolio (uitgebreid CV waarin de
                                medewerker onderbouwt wat zijn unieke pakket van kwaliteiten en
                                ambities zijn) op. Deze informatie wordt door de mobiliteitsadviseur
                                verzameld in een trajectplan. Zowel de intake als het trajectplan
                                wordt op schrift gesteld en aan de kandidaat en de afdelingsmanager
                                verstrekt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> In het trajectplan staat wat de doelstellingen zijn, welke
                                instrumenten door de medewerker ingezet kunnen worden, wat de
                                doorlooptijd is en wat het gewenste eindresultaat is.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Het trajectplan wordt voorgelegd aan de mobiliteitskandidaat. Die
                                kan feedback geven en het voor akkoord terugsturen. De
                                afdelingsmanager ontvangt een afschrift.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> Alle mobiliteitskandidaten ontvangen op basis van een door de
                                afdelingsmanager goedgekeurd trajectplan een mobiliteitsbudget van
                                gemiddeld € 7.500,-.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> In het geval van bijzondere afspraken (zoals duur van de
                                mobiliteitsperiode, (loopbaan-) begeleiding, scholing, uitvoering
                                van tijdelijke werkzaamheden en eventuele aanpassing van
                                arbeidsvoorwaarden enz.), worden deze in een separate brief aan de
                                mobiliteitskandidaat bevestigd.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> Als de mobiliteitskandidaat tijdens de mobiliteitsperiode ziek
                                wordt, loopt de periode van mobiliteit gewoon door.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Uitvoeringsfase
                                mobiliteitskandidaat</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In deze fase gaat de mobiliteitskandidaat m.b.v. de
                                mobiliteitsadviseur aan de slag volgens de afspraken die in het
                                trajectplan zijn gemaakt en vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De mobiliteitsadviseur stelt maandelijks een overzicht op van
                                vacatures bij de gemeente Veenendaal en omliggende gemeenten en
                                bedrijven en stuurt dit toe aan de mobiliteits- en
                                re-integratiekandidaten. Een afschrift wordt gezonden aan de
                                afdelingsmanagers.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Met steun van de mobiliteitsadviseur onderzoekt de
                                mobiliteitskandidaat of er sprake is van een functie die aansluit
                                bij de kennis en vaardigheden van de kandidaat en of er sprake is
                                van een passende/geschikte functie.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De mobiliteitsadviseur beoordeelt in samenspraak met de
                                mobiliteitscommissie welke mobiliteitskandidaat kan worden geplaatst
                                op een vacature.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De mobiliteitskandidaat heeft een voorrangspositie bij interne
                                vacatures.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al> De voorrangspositie bij interne vacatures is als volgt:</al><lijst><li nr="1"><al> de re-integratiekandidaat,</al></li><li nr="2"><al> de verplichte mobiliteitskandidaat,</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> De mobiliteitskandidaat krijgt de ruimte om het mobiliteitsbudget
                                te besteden in overleg met de mobiliteitsadviseur op basis van het
                                trajectplan.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Mobiliteitscommissie</vet></tussenkop><al> Het selectie- en plaatsingsproces ligt in handen van een
                                mobiliteitscommissie.De mobiliteitscommissie bestaat uit twee
                                afdelingsmanagers en de mobiliteitsadviseurs. De twee
                                afdelingsmanagers zijn de afdelingsmanager P&amp;O en een
                                afdelingsmanager zonder mobiliteitskandidaten. De commissie
                                adviseert de directeur bedrijfsvoering. De vergaderingen van de
                                mobiliteitscommissie worden voorbereid door de mobiliteitsadviseurs.
                                De afdelingsmanager P&amp;O is voorzitter. De afdelingsmanager die
                                een vacature heeft is als informant aanwezig bij de vergadering.
                                Deze afdelingsmanager maakt geen onderdeel uit van de
                                mobiliteitscommissie.Taken commissie:</al><lijst><li nr="-"><al> Beoordelen en vaststellen of de vacature geschikt is voor
                                        mobiliteitskandidaten of dat de mobiliteitskandidaten binnen
                                        6 tot 12 maanden geschikt te maken zijn (door scholing en of
                                        coaching on the job of anderszins). De periode van 6 tot 12
                                        maanden is afhankelijk van het functieniveau, uitgaande van
                                        adequate functie-invulling, omstandigheden op de betreffende
                                        afdeling e.d.;</al></li><li nr="-"><al>Beoordelen of de voorrangspositie van de
                                        mobiliteitskandidaten van toepassing is en indien er
                                        meerdere geschikte kandidaten zijn de meest geschikte
                                        kandidaat voordragen;</al></li><li nr="-"><al>Vaststellen van eventuele voorwaarden die verbonden zijn aan
                                        het benoemen van de mobiliteitskandidaat op een vacature
                                        (zoals proefperiode, detachering, terugkeergarantie,
                                        assessment, voorwaarden ten aanzien van scholing of
                                        verbeterpunten);</al></li><li nr="-"><al>Oplossen van eventuele onduidelijkheden/geschillen naar
                                        aanleiding van een plaatsing;</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden per kandidaat welke functies zijn aangeboden en
                                        motiveren waarom geen plaatsing tot stand is gekomen;</al></li><li nr="-"><al>Anoniem verslag doen aan de directie en het
                                        managementoverleg van de activiteiten van de
                                        mobiliteitscommissie en de resultaten die geboekt zijn.</al></li></lijst><al>De mobiliteitscommissie komt op basis van nut en noodzaak elke week
                                voorafgaand aan het managementoverleg bij elkaar.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Geschiktheid voor vacature</vet></tussenkop><al> Een functie is passend voor een mobiliteitskandidaat als de functie
                                van een gelijkwaardig werk- en denkniveau is. Hierbij wordt tevens
                                rekening gehouden met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en
                                vooruitzichten. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde
                                functieniveau of maximaal twee schalen lager of hoger dan de oude
                                functie. Een functie kan ook geschikt zijn indien een
                                mobiliteitskandidaat binnen 6 tot 12 maanden geschikt te maken is
                                (door scholing en of coaching on the job of anderszins) voor de
                                functie. Uitgangspunt is dat na deze periode de functie adequaat kan
                                worden ingevuld. De periode van 6 tot 12 maanden is afhankelijk van
                                onder meer functieniveau, omstandigheden op de betreffende afdeling
                                en wordt door de mobiliteitscommissie vastgesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Proefperiode</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Mobiliteitskandidaten kunnen bij de vervulling van een vacature
                                gedurende maximaal 6 maanden bij wijze van proef worden geplaatst in
                                een functie, met de bedoeling dat zowel de kandidaat als de afdeling
                                zich een oordeel kunnen vormen over de passendheid van de functie
                                (en afdeling) voor de mobiliteitskandidaat.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Mobiliteitskandidaten blijven tot aan de definitieve plaatsing
                                onder de verantwoordelijkheid van de oorspronkelijke
                                afdelingsmanager vallen. De mobiliteitsadviseur zorgt voor de
                                informatievoorziening aan de mobiliteitscommissie en de
                                mobiliteitskandidaat.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De ontvangende afdelingsmanager heeft, bij aanvang en gedurende de
                                overeengekomen proefperiode, altijd een afspraken-, functionerings-
                                en/of beoordelingsgesprek met de medewerker waarna een definitieve
                                benoeming of afwijzing plaatsvindt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De kosten van een proefperiode komen voor de eerste 3 maanden ten
                                laste van het frictiebudget en de daar op volgende 3 maanden zijn
                                voor rekening van de ontvangende afdelingsmanager.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> De definitieve aanstelling in de nieuwe functie, c.q. ontheffing
                                uit de oude functie, vindt plaats na afloop van de
                                proefperiode.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Detachering</vet></tussenkop><al> Detachering (als tijdelijke oplossing) kan worden ingezet als
                                aanvullend instrument gericht op mobiliteit buiten de organisatie.
                                Bij detachering vindt vergoeding van reiskosten plaats en
                                loonsuppletie tot een jaar na het einde van de
                                re-integratietermijn.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Bezoldiging</vet></tussenkop><tussenkop><onderstreept>a. Tijdens de
                                    mobiliteitsperiode:</onderstreept></tussenkop><al> Uitgangspunt is dat de hoogte van de bezoldiging en/of toelagen
                                ongewijzigd blijft gedurende de mobiliteitstermijn.</al><tussenkop><onderstreept>b. In de nieuwe functie binnen/buiten de
                                    gemeente Veenendaal:</onderstreept></tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Uitgangspunt is de bezoldiging behorend bij de nieuwe
                                        functie.</al></li><li nr="2"><al> Een mobiliteitskandidaat die wordt overgeplaatst naar een
                                        ander functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt
                                        recht op het salaris(perspectief), zoals die golden in de
                                        oude functie.</al></li><li nr="3"><al> Een mobiliteitskandidaat waarvoor binnen de gemeentelijke
                                        organisatie geen passende of geschikte functie is gevonden,
                                        een functie accepteert buiten de gemeentelijke organisatie,
                                        vult de werkgever de bezoldiging gedurende drie jaar aan tot
                                        het niveau van de bezoldiging die de ambtenaar genoot direct
                                        voorafgaand aan het ontslag. De mobiliteitskandidaat die een
                                        functie accepteert met een kleinere betrekkingsomvang
                                        ontvangt gedurende drie jaar een aanvulling van zijn
                                        bezoldiging naar rato.</al></li><li nr="4"><al> Een mobiliteitskandidaat die een andere betrekking buiten
                                        de organisatie aanvaardt / vrijwillig vertrekt, wordt in de
                                        gelegenheid gesteld een studie waarvoor krachtens hoofdstuk
                                        17 van de CAR/UWO vergoedingen zijn toegekend, af te ronden.
                                        Op betrokkene rust geen terugbetalingsverplichting indien
                                        hij de studie staakt, in het geval dat het gezien de
                                        veranderde aard van de nieuwe werkzaamheden geen zin heeft
                                        de studie voort te zetten.</al></li><li nr="5"><al> Afspraken hierover worden opgenomen in het
                                        benoemingsbesluit.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 16 Nazorg</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De mobiliteitsadviseur heeft na een periode van 2 tot 3 maanden na
                                plaatsing nog een gesprek met de kandidaat om te reflecteren op het
                                adviestraject. Hoe is de mobiliteitskandidaat verder gegaan? Loopt
                                alles naar wens? Loopt de kandidaat in de uitvoering van zijn plan
                                tegen belemmeringen aan waarbij de mobiliteitsadviseur adviserend
                                kan optreden? Is de kandidaat in een nieuwe baan aan de slag gegaan?
                                Hoe verloopt het in de nieuwe baan?</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De leden van het GO worden over de voortgang en de resultaten van de
                                mobiliteit en re-integratie van de mobiliteitskandidaten
                                /re-integratiekandidaten geïnformeerd (monitoring).</al><tussenkop><vet>3 Flankerend beleid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 17 Doel flankerend beleid</vet></tussenkop><al> Alhoewel de focus van dit Sociaal plan ligt op het aanbieden van
                                passend/geschikt werk aan
                                mobiliteitskandidaten/re-integratiekandidaten in de eigen
                                organisatie (interne mobiliteit) zijn in de volgende artikelen een
                                aantal voorzieningen getroffen die de drempel voor indiensttreding
                                bij een andere werkgever (externe mobiliteit) verlagen.</al><tussenkop><vet>Artikel 18 Mobiliteitspremie bij werk naar
                                werk</vet></tussenkop><al> Voor de kandidaten bij wie de mobiliteitstermijn gelijk is aan de
                                re-integratietermijn geldt dat als zij binnen 12 maanden na het
                                effectueringmoment een andere functie buiten de organisatie
                                aanvaarden, zij een mobiliteitspremie ontvangen van zes
                                maandsalarissen bruto.Als een mobiliteitskandidaat 12 maanden voor
                                het effectueringmoment een functie buiten de organisatie aanvaardt,
                                ontvangt de mobiliteitskandidaat een mobiliteitspremie van zes
                                maandsalarissen bruto.De re-integratiekandidaat die een vaste
                                functie buiten de organisatie binnen 12 maanden na het
                                effectueringmoment aanvaardt, ontvangt een mobiliteitspremie van
                                drie maandsalarissen bruto.</al><tussenkop><vet>Artikel 19 (Onbetaald) verlof</vet></tussenkop><al> Als de mobiliteitskandidaat/re-integratiekandidaat (tijdelijk)
                                activiteiten wil ontplooien geheel of gedeeltelijk binnen werktijd
                                die de kansen op de arbeidsmarkt vergroten c.q. leiden tot een
                                verbeterd perspectief dan is het mogelijk dat hiervoor onbetaald
                                verlof word verleend.De directie toetst een dergelijk voorstel op
                                voornoemde uitgangspunten en beoordeeld of het mogelijk is binnen de
                                vigerende situatie en rechtspositionele regelingen.De eventuele
                                kosten voor het afdragen van pensioenpremies komen volledig voor
                                rekening van de werkgever.</al><tussenkop><vet>Artikel 20 Individuele gevallen/eigen
                                voorstel</vet></tussenkop><al> De directie kan in individuele gevallen een voorziening treffen met
                                een medewerker die de externe mobiliteit bevordert c.q. realiseert.
                                De mobiliteitskandidaat/re-integratiekandidaat kan een eigen
                                voorstel doen aan de directie dat bijdraagt aan zijn externe
                                mobiliteit c.q. deze realiseert. Dit voorstel wordt door de directie
                                getoetst op haalbaarheid en effectiviteit en of het past binnen de
                                rechtspositionele kaders.</al><tussenkop><vet>4 Re-integratie ex artikel 10d CAR/UWO</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 21 Ontslag na beëindiging
                                    re-integratietermijn</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De mobiliteitstermijn in het kader van dit Sociaal plan loopt tot
                                aan het effectueringmoment.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Na afloop van de mobiliteitstermijn start de re-integratietermijn
                                op grond van artikel 10d:6 CAR/UWO en duurt twee jaar. Na 21 maanden
                                wordt op basis van hoofdstuk 10d CAR/UWO ontslag aangezegd.
                                Voorafgaand hierop vindt overleg met het Georganiseerd Overleg
                                plaats.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Tijdens de re-integratietermijn rust op de werkgever de
                                inspanningsverplichting om medewerkers van werk naar werk te
                                begeleiden. Hiervoor stelt de werkgever eveneens de
                                mobiliteitsinstrumenten en flankerende maatregelen ter
                                beschikking.</al><tussenkop><vet>5 Overige bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 22 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin dit Sociaal plan niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, uitsluitend ter beoordeling van de werkgever, zal de
                                werkgever een voor de medewerker gunstige beslissing nemen.</al><tussenkop><vet>Artikel 23 Openbreekclausule</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin dit Sociaal plan in collectieve gevallen niet of
                                niet naar billijkheid voorziet, ter beoordeling aan de werkgever als
                                aan de bij dit Sociaal plan betrokken vakbonden, kunnen werkgever en
                                de betreffende vakbonden, een aanvulling op het Sociaal plan
                                maken.</al><tussenkop><vet>Artikel 24 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Daar waar de mannelijke persoon gehanteerd is, kan eveneens de
                                vrouwelijke persoon gelezen worden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Deze regeling kan worden aangehaald als “<vet>Sociaal plan gemeente
                                    Veenendaal 2012-2015</vet>”</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Dit plan treedt in werking met ingang van 1 januari 2013 en duurt
                                tot en met 31 december 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Sociaal Statuut</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 1:1 Definities</al></li><li><al>Artikel 1:2 Werkingsfeer</al></li><li><al>Artikel 1:3 Bevoegdheid tot het nemen van het
                                                besluit tot organisatiewijziging</al></li><li><al>Artikel 1:4 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten
                                                betreffende individuele ambtenaren</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 2:1 Onderzoek naar organisatiewijziging</al></li><li><al>Artikel 2:2 Extern advies</al></li><li><al>Artikel 2:3 Overleg over de personele gevolgen en
                                                maatregelen</al></li><li><al>Artikel 2:4 Advies ondernemingsraad over
                                                organisatiewijziging</al></li><li><al>Artikel 2:5 Taakverdeling tussen ondernemingsraad en
                                                georganiseerd overleg</al></li><li><al>Artikel 2:6 Kennisgeving en uitvoering besluit</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten</al><lijst><li><al>Artikel 3:1 Werkingsfeer hoofdstuk</al></li><li><al>Artikel 3:2 Werkgelegenheid bij interne
                                                verplaatsing</al></li><li><al>Artikel 3:3 Voorkeursvolgorde bij herplaatsing</al></li><li><al>Artikel 3:4 Uitgangspunten herplaatsing</al></li><li><al>Artikel 3:5 Belangstellingsregistratie</al></li><li><al>Artikel 3:6 Geen passende of geschikte functie</al></li><li><al>Artikel 3:7 Salaris garantie</al></li><li><al>Artikel 3:8 Funtiegebonden toelage</al></li><li><al>Artikel 3:9 Persoonsgebonden toelage</al></li><li><al>Artikel 3:10 Studiefaciliteiten</al></li><li><al>Artikel 3:11 Aanvullende scholing</al></li><li><al>Artikel 3:12 Functie buiten de gemeentelijke
                                                organisatie</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 4 Herplaatsingsprocedure</al><lijst><li><al>Artikel 4:1 Herplaatsingsprocedure</al></li><li><al>Artikel 4:2 Advies over herplaatsing</al></li><li><al>Artikel 4:3 Bedenkingen tegen het voorstel</al></li><li><al>Artikel 4:4 Herplaatingsbesluiten</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 5 Privatisering en taakoverheveling</al><lijst><li><al>Artikel 5:1 Werkingsfeer hoofdstuk</al></li><li><al>Artikel 5:2 Werkgelegenheid</al></li><li><al>Artikel 5:3 Geen passende of geschikte baan</al></li><li><al>Artikel 5:4 Sociaal plan</al></li></lijst></li><li><al>Hoofdstuk 6 Slot</al><lijst><li><al>Artikel 6:1 Hardheidsclausule</al></li><li><al>Artikel 6:2 Citeertitel</al></li><li><al>Artikel 6:3 Inwerkingtreding</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1:1 Definities</vet></tussenkop><al>In dit sociaal statuut wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel
                                        1:1, eerste lid, onderdeel a van de CAR; </al></li><li nr="b"><al><vet>werkgever:</vet> de gemeente Veenendaal; </al></li><li nr="c"><al><vet>organisatiewijziging:</vet> een belangrijke inkrimping
                                        of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een
                                        onderdeel daarvan) of een belangrijke wijziging van de
                                        laatst vastgestelde organisatiestructuur van de gemeente (of
                                        een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en
                                        die personele gevolgen met zich meebrengt; </al></li><li nr="d"><al><vet>privatisering:</vet> organisatiewijziging die het
                                        gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de
                                        organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke)
                                        rechtspersoon of de overdracht van een deel van de
                                        organisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij; </al></li><li nr="e"><al><vet>publiekrechtelijke taakoverheveling:</vet>
                                        organisatiewijziging die het gevolg is van de overheveling
                                        van een deel van de organisatie naar een ander
                                        publiekrechtelijk orgaan;</al></li><li nr="f"><al><vet>personele gevolgen:</vet> gevolgen voor de functie in
                                        die zin dat sprake is van een substantiële verandering,
                                        plaatsing in een andere functie of verandering in de
                                        rechtspositie van de betrokken ambtenaren;</al></li><li nr="g"><al><vet>salaris:</vet> het voor de ambtenaar geldende bedrag
                                        van de aan de ambtenaar toegekende schaal als bedoeld in
                                        artikel 3:1 van de CAR;</al></li><li nr="h"><al><vet>salarisperspectief:</vet> de opeenvolgende
                                        salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van de
                                        functieschaal van de ambtenaar en eventueel schriftelijk
                                        vastgelegde extra individuele salarisafspraken;</al></li><li nr="i"><al><vet>bezoldiging:</vet> het salaris, vermeerderd met het
                                        bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en
                                        toelagen, niet zijnde onkostenvergoedingen;</al></li><li nr="j"><al><vet>toelage:</vet> de toelage waarmee het salaris wordt
                                        vermeerderd ingevolge de bezoldigingsregeling van de
                                        gemeente Veenendaal;</al></li><li nr="k"><al><vet>functie:</vet> het samenstel van opgedragen
                                        werkzaamheden waar de ambtenaar feitelijk mee is
                                        belast;</al></li><li nr="l"><al><vet>passende functie:</vet> een functie van gelijkwaardig
                                        werk- en denkniveau, die de ambtenaar redelijkerwijs in
                                        verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor
                                        hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een
                                        passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau of
                                        maximaal één niveau lager zijn dan de oude functie;</al></li><li nr="m"><al><vet>geschikte:</vet> een functie die niet valt onder het
                                        begrip passende functie, maar die de ambtenaar bereid is te
                                        vervullen;</al></li><li nr="n"><al><vet> boventallig verklaring:</vet>hiervan is sprake indien
                                        een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de
                                        formatie na de reorganisatie;</al></li><li nr="o"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor
                                        de sector gemeenten;</al></li><li nr="p"><al><vet>Georganiseerd overleg:</vet> de commissie voor
                                        georganiseerd overleg zoals bedoeld in artikel 12:1 van de
                                        CAR;</al></li><li nr="q"><al><vet>Ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                        bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden
                                        (WOR); </al></li><li nr="r"><al><vet>Sociaal plan:</vet> nadere afspraken, gebaseerd op en
                                        aanvullend op dit sociaal statuut, met betrekking tot de
                                        personele gevolgen van een organisatiewijziging;</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1:2 Werkingsfeer</vet></tussenkop><al>Dit sociaal statuut is van toepassing op organisatiewijzigingen
                                conform de definitie in artikel 1:1 in de gemeentelijke organisatie,
                                niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een
                                gemeentelijke herindeling.</al><tussenkop><vet>Artikel 1:3 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit
                                    tot organisatiewijziging</vet></tussenkop><al>Het college is bevoegd tot het nemen van besluiten over de wijziging
                                van de ambtelijke organisatie.</al><tussenkop><vet>Artikel 1:4 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten
                                    betreffende individuele ambtenaren</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het nemen
                                van besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en
                                ontslag van ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet anders is
                                bepaald.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2:1 Onderzoek naar
                                organisatiewijziging</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Als de werkgever voornemens is de mogelijkheid en wenselijkheid van
                                een organisatiewijziging te onderzoeken, worden de ondernemingsraad
                                en de betrokken ambtenaren hier in een vroeg stadium van op de
                                hoogte gesteld.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het tijdstip van kennisgeving is dusdanig, dat de ondernemingsraad
                                zijn mening over het onderzoek kenbaar kan maken. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De ambtenaren en de ondernemingsraad worden zo veel mogelijk
                                betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Bovendien worden zij,
                                indien mogelijk, tussentijds op de hoogte gehouden van de
                                vorderingen van het onderzoek.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De schriftelijke eindrapportage van het onderzoek wordt ter
                                kennisneming toegezonden aan de ondernemingsraad en het
                                georganiseerd overleg.</al><tussenkop><vet>Artikel 2:2 Extern advies</vet></tussenkop><al>Indien de werkgever voornemens is om over de wenselijkheid van de
                                organisatiewijziging extern advies te vragen, wordt de
                                ondernemingsraad om advies gevraagd over het verstrekken en
                                formuleren van de adviesopdracht, conform artikel 25 van de
                                WOR.</al><tussenkop><vet>Artikel 2:3 Overleg over de personele gevolgen en
                                    maatregelen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de
                                organisatiewijziging, wordt in het georganiseerd overleg, overleg
                                gevoerd over de personele gevolgen van het besluit en de naar
                                aanleiding daarvan te nemen maatregelen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Als het georganiseerd overleg van mening is dat de
                                organisatiewijziging zodanig ingrijpende personele gevolgen met zich
                                meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt,
                                wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Over dit sociaal
                                plan moet in het georganiseerd overleg overeenstemming worden
                                bereikt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De leden van het georganiseerd overleg kunnen tussentijds bijeen
                                worden geroepen dan wel schriftelijk worden geraadpleegd, wanneer de
                                omstandigheden een versnelde procedure vereisen.</al><tussenkop><vet>Artikel 2:4 Advies ondernemingsraad over
                                    organisatiewijziging</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de
                                organisatiewijziging, wordt de ondernemingsraad schriftelijk om
                                advies gevraagd, conform artikel 25 van de WOR. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het
                                voorgenomen besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele
                                maatregelen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het nog van
                                wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.</al><tussenkop><vet>Artikel 2:5 Taakverdeling tussen ondernemingsraad en
                                    georganiseerd overleg</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van de medezeggenschap van ambtenaren en vakcentrales
                                geldt het algemene uitgangspunt dat onderwerpen die gedurende het
                                proces van organisatiewijziging aan bod komen, primair door één
                                orgaan, in de regel de Ondernemingsraad worden behandeld.</al><tussenkop><vet>Artikel 2:6 Kennisgeving en uitvoering
                                besluit</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als er een definitief besluit is genomen tot wijziging van de
                                organisatie, wordt dit besluit zo spoedig moegelijk meegedeeld aan
                                het georganiseerd overleg, de ondernemingsraad en de betrokken
                                ambtenaren. Daarbij wordt tevens ingegaan op de personele gevolgen
                                van het besluit.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Als in het besluit wordt afgeweken van het advies van de
                                ondernemingsraad, zal deze afwijking duidelijk worden gemotiveerd.
                                De uitvoering van het besluit tot organisatiewijziging wordt in dit
                                geval uitgesteld tot op zijn vroegst een maand nadat de
                                ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld, conform
                                artikel 25, lid 6 van de WOR.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 3 Algemene uitgangspunten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 3:1 Werkingsfeer hoofdstuk</vet></tussenkop><al>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op interne
                                organisatiewijzigingen, niet zijnde privatiseringen en
                                publiekrechtelijke taakoverhevelingen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:2 Werkgelegenheid bij interne
                                    verplaatsing</vet></tussenkop><al>De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om te voorkomen dat
                                de bij de organisatiewijziging betrokken ambtenaren onvrijwillig
                                werkloos raken. </al><tussenkop><vet>Artikel 3:3 Voorkeursvolgorde bij
                                herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werkgever hanteert, bij het nemen van besluiten ten aanzien van
                                de ambtenaren die betrokken zijn bij de organisatiewijziging, de
                                volgende voorkeursvolgorde:</al><lijst><li nr="a"><al> de ambtenaar blijft zijn eigen, ongewijzigde functie
                                        vervullen;</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een passende functie
                                        binnen de gemeentelijke organisatie</al></li><li nr="c"><al> de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een geschikte functie
                                        binnen de gemeentelijke organisatie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Herplaatsingsbesluiten als bedoeld in het eerste lid onder b en c
                                worden genomen met inachtneming van de herplaatsingsprocedure, zoals
                                beschreven in hoofdstuk 4.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:4 Uitgangspunten
                                herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Bij het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid
                                wordt, met de volgende gegevens rekening gehouden:</al><lijst><li nr="a"><al> De geschiktheid van de ambtenaar voor een functie, zoals
                                        die blijkt uit opleidings- en ervaringsgegevens,
                                        beoordelingsgesprekken en eventuele
                                        geschiktheidstesten;</al></li><li nr="b"><al> De voorkeur van de ambtenaar voor bepaalde functies;</al></li><li nr="c"><al> De diensttijd van de ambtenaar bij de gemeente
                                        Veenendaal;</al></li><li nr="d"><al> De leeftijd van de ambtenaar;</al></li><li nr="e"><al> Het type dienstverband van de ambtenaar</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar volgens artikel 3:3, lid 1, punt b en c is verplicht
                                om mee te werken aan gesprekken en testen die nodig zijn voor het
                                verzamelen van gegevens als genoemd in het eerste lid onder a. De
                                kosten van eventuele tests zijn voor rekening van de werkgever.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:5 Belangstellingsregistratie</vet></tussenkop><al>Voordat herplaatsingsbesluiten als bedoeld in artikel 3:3, eerste
                                lid onder 2 en 3, worden genomen, wordt de betrokken ambtenaar in de
                                gelegenheid gesteld zijn voorkeur voor maximaal drie functies
                                kenbaar te maken.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:6 Geen passende of geschikte
                                functie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de werkgever er niet in slaagt om de ambtenaar een passende
                                dan wel geschikte functie aan te bieden binnen de gemeentelijke
                                organisatie, neemt de werkgever een besluit tot
                                boventalligverklaring.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Voor de boventallig verklaarde ambtenaar gelden de bepalingen uit
                                hoofdstuk 10d paragraaf 5 van de CAR.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> In aanvulling op het toepassingsbereik van hoofdstuk 10d paragraaf
                                5 CAR wordt in het Sociaal Plan (in overleg met het leden van het
                                georganiseerd overleg) bepaald wat de duur van een Van werk naar
                                werk-traject is van een boventallig verklaarde ambtenaar die sinds
                                maximaal 2 jaar een vast dienstverband heeft. </al><tussenkop><vet>Artikel 3:7 Salaris garantie</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen
                                de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op het salaris en het
                                salarisperspectief, zoals die voor hem golden in de oude
                                functie.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:8 Funtiegebonden toelage</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie
                                binnen de gemeentelijke organisatie vervallen de functiegebonden
                                toelagen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Aan de ambtenaar, wiens bezoldiging als gevolg van het vervallen van
                                de functiegebonden toelagen een blijvende verlaging ondergaat, wordt
                                een aflopende compensatie toegekend indien:</al><lijst><li nr="a"><al> De blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de
                                        bezoldiging; </al></li><li nr="b"><al> De ambtenaar deze toelagen gedurende ten minste twee jaren
                                        zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Deze compensatie kent het volgende verloop:</al><lijst><li nr="1"><al> Het eerste jaar na de overplaatsing ontvangt de ambtenaar
                                        100% van de daling van de bezoldiging, die het gevolg is van
                                        het vervallen van de toelagen;</al></li><li nr="2"><al> Het tweede jaar na de overplaatsing ontvangt de ambtenaar
                                        75% van de daling van de bezoldiging, die het gevolg is van
                                        het vervallen van de toelagen</al></li><li nr="3"><al> Het derde jaar na de overplaatsing ontvangt de ambtenaar
                                        50% van de daling van de bezoldiging, die het gevolg is van
                                        het vervallen van de toelagen; </al></li><li nr="4"><al> Het vierde jaar na de overplaatsing ontvangt de ambtenaar
                                        25% van de daling van de bezoldiging, die het gevolg is van
                                        het vervallen van de toelagen </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3:9 Persoonsgebonden toelage</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen
                                de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op zijn persoonsgebonden
                                toelagen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:10 Studiefaciliteiten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen
                                de gemeentelijke organisatie, behoudt de rechten die hem op grond
                                van Hoofdstuk 17 van de CAR zijn toegekend, indien hij de studie
                                voortzet.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen
                                de gemeentelijke organisatie en die in overleg met zijn nieuwe
                                leidinggevende besluit te stoppen met zijn studie, wordt ontheven
                                van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de Hoofdstuk
                                17 van de CAR.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:11 Aanvullende scholing</vet></tussenkop><al>De werkgever onderzoekt of het nodig is de ambtenaar, die is
                                overgeplaatst naar een passende of geschikte functie binnen de
                                gemeentelijke organisatie, bij of om te scholen voor het vervullen
                                van zijn nieuwe functie. De kosten van de scholing zijn voor
                                rekening van de gemeente.</al><tussenkop><vet>Artikel 3:12 Functie buiten de gemeentelijke
                                    organisatie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar, waarvoor in de herplaatsingsprocedure geen
                                passende of geschikte functie is gevonden, een functie accepteert
                                buiten de gemeentelijke organisatie, wordt hem eervol ontslag
                                verleend.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid ontslag wordt
                                verleend, wordt ontheven van eventuele terugbetalingsverplichtingen
                                die voortvloeien uit de studiefaciliteitenregeling, de
                                verhuiskostenregeling en de regeling betaald ouderschapsverlof.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid een functie van
                                ten minste een gelijke betrekkingsomvang accepteert buiten de
                                gemeentelijke organisatie, vult de werkgever de bezoldiging
                                gedurende drie jaar aan tot het niveau van de bezoldiging die de
                                ambtenaar genoot direct voorafgaand aan het ontslag. De ambtenaar
                                die een functie accepteert met een kleinere betrekkingsomvang
                                ontvangt gedurende drie jaar een aanvulling van zijn bezoldiging
                                naar rato. </al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4 Herplaatsingsprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4:1 Herplaatsingsprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een
                                herplaatsingscommissie in het leven roepen, die als taak heeft om de
                                benodigde gegevens te verzamelen en om het college van burgemeester
                                en wethouders te adviseren over de te nemen
                                herplaatsingsbesluiten.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het college van burgemeester en wethouders beslist over de
                                samenstelling van de herplaatsingscommissie, na overleg in het
                                georganiseerd overleg.</al><tussenkop><vet>Artikel 4:2 Advies over herplaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De herplaatsingscommissie verzamelt alle volgens haar benodigde
                                gegevens en adviseert op basis van deze gegevens het college van
                                burgemeester en wethouders over de herplaatsing van de betrokken
                                ambtenaren.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders informeert de ambtenaar
                                schriftelijk over het advies van de herplaatsingscommissie over zijn
                                herplaatsing, respectievelijk over het advies van de commissie om
                                hem vooralsnog geen passende of geschikte functie aan te bieden. </al><tussenkop><vet>Artikel 4:3 Bedenkingen tegen het
                                voorstel</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de ambtenaar bedenkingen heeft tegen het advies van de
                                commissie over zijn herplaatsing, respectievelijk tegen het advies
                                van de commissie om hem vooralsnog geen passende of geschikte
                                functie aan te bieden, kan hij deze binnen 14 dagen schriftelijk
                                indienen bij het college van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar kan verzoeken om mondeling te worden gehoord door (een
                                vertegenwoordiging van ) het college van burgemeester en wethouders.
                                De ambtenaar die hiertoe een verzoek indient, zal binnen 14 dagen
                                worden gehoord. Van de hoorzitting wordt schriftelijk verslag
                                opgemaakt.</al><tussenkop><vet>Artikel 4:4 Herplaatingsbesluiten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders neemt het besluit tot
                                herplaatsing van de betrokken ambtenaar. De ambtenaar wordt zo
                                spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van dit besluit.
                                In de motivering van het besluit wordt ingegaan op eventuele
                                bedenkingen die door de ambtenaar zijn ingediend.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar voor wie in de herplaatsingsprocedure geen passende of
                                geschikte functie is gevonden, wordt zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk van dit besluit tot boventalligverklaring in kennis
                                gesteld. In de motivering van het besluit wordt ingegaan op
                                eventuele bedenkingen die door de ambtenaar zijn ingediend. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> De ambtenaar kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de besluiten
                                zoals bedoeld in het eerste en twee lid, conform de Algemene wet
                                bestuursrecht. </al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 5 Privatisering en
                                taakoverheveling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 5:1 Werkingsfeer hoofdstuk</vet></tussenkop><al>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op privatiseringen en
                                publiekrechtelijke taakoverhevelingen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5:2 Werkgelegenheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om er voor te
                                zorgen dat de werkgelegenheid van de bij de privatisering of
                                overheveling van taken betrokken ambtenaren behouden blijft. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werkgever treedt met de betrokken privaatrechtelijke of
                                publiekrechtelijke instantie in overleg over de overname van de
                                ambtenaren van het desbetreffende organisatieonderdeel. Gemaakte
                                afspraken worden schriftelijk vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor de werkgever een besluit neemt over de overgang van een
                                ambtenaar naar de betrokken privaatrechtelijke of publiekrechtelijk
                                instantie, biedt hij de betrokkene de gelegenheid om zijn
                                belangstelling kenbaar te maken voor passende functies die op dat
                                moment vacant zijn of op korte termijn vacant worden in de
                                gemeentelijke organisatie. De ambtenaar zal als interne kandidaat in
                                de selectieprocedure worden betrokken.</al><tussenkop><vet>Artikel 5:3 Geen passende of geschikte
                                baan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de werkgever er niet in slaagt om de ambtenaar een passende
                                dan wel geschikte functie aan te bieden binnen de gemeentelijke
                                organisatie, neemt de werkgever een besluit tot
                                boventalligverklaring.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de boventallig verklaarde ambtenaar gelden de bepalingen uit
                                hoofdstuk 10d paragraaf 5 van de CAR.</al><tussenkop><vet>Artikel 5:4 Sociaal plan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Als het georganiseerd overleg van mening is dat de privatisering of
                                taakoverheveling zodanig ingrijpende personele gevolgen met zich
                                meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt,
                                wordt door de werkgever een sociaal plan gemaakt. Dit plan regelt de
                                overplaatsingsprocedure (inclusief de ontslag- en
                                aanstellingsprocedure van het over te plaatsen personeel) en bevat
                                rechtspositionele bepalingen. Over dit sociaal plan moet
                                overeenstemming worden bereikt in het georganiseerd overleg.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Indien uit de vergelijking blijkt dat het totaalpakket van
                                arbeidsvoorwaarden (bestaande uit in ieder geval salaris,
                                uitkeringen en toelagen, (pre)pensioen, vakantie,
                                ziektekostenregeling en werkloosheidsuitkering) bij de nieuwe
                                werkgever minder is dan het totaalpakket bij de gemeentelijke
                                werkgever, worden in het sociaal plan nadere afspraken gemaakt over
                                afbouw, behoud of compensatie van aanspraken.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het sociaal plan bevat in ieder geval de volgende garanties:</al><lijst><li nr="a"><al> Netto-nettogarantie van het salaris en het
                                        salarisperspectief;</al></li><li nr="b"><al>Ambtenaren die een vaste aanstelling hebben, krijgen bij de
                                        nieuwe werkgever een vaste aanstelling dan wel een
                                        arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder proeftijd.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Hoofdstuk 6 Slot</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 6:1 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin toepassing van het sociaal statuut zou leiden tot
                                een onbillijke situatie voor een ambtenaar, kan het college van
                                burgemeester en wethouders van het statuut afwijken in een voor de
                                ambtenaar gunstige zin.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> In gevallen waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het
                                college van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop><vet>Artikel 6:2 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "sociaal statuut van de
                                gemeente Veenendaal". </al><tussenkop><vet>Artikel 6:3 Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Dit sociaal statuut treedt in werking met ingang van de datum van
                                ondertekening van dit besluit, waardoor het sociaal statuut
                                vastgesteld op 22 februari 2001 komt te vervallen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Convenant taakafbakening GO en OR</titel></kop><al>De commissie voor het Georganiseerd Overleg (GO) van de gemeente
                                Veenendaal en de Ondernemingsraad (OR) van de gemeente Veenendaal;
                                Overwegende dat het dienstig is om de verhouding en de taakverdeling
                                tussen het Georganiseerd Overleg en de Ondernemingsraad nader af te
                                bakenen; Gelet op het bepaalde in de Wet op de Ondernemingsraden
                                (WOR); </al><al>Komen als volgt overeen: </al><lijst><li nr="I"><al>Met het Georganiseerd Overleg wordt -voor zover nodig en
                                        actueel- overleg gevoerd over CAR/UWO-gerelateerde kwesties
                                        (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en
                                        Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten).
                                        Voorbeelden van een aantal onderwerpen zijn:</al><lijst><li nr="o"><al>Functiewaarderingsreglement en conversietabel; </al></li><li nr="o"><al>Uitwerking Bezoldigingsverordening en flexibele
                                                beloning; </al></li><li nr="o"><al>Sociaal Statuut/Sociaal Plan/flankerende maatregelen
                                                bij reorganisaties en
                                                verzelfstandiging/privatisering;</al></li><li nr="o"><al>Overlegverordening, -protocol en –verhoudingen.
                                            </al></li></lijst><al>Bovendien wordt eenmaal per jaar met de bestuurders van de
                                        aangesloten vakcentrales overleg gevoerd over
                                        werkgelegenheidsontwikkelingen (bijvoorbeeld op basis van
                                        het Sociaal Jaarverslag) en de hoofdlijnen van het
                                        P&amp;O-beleid.</al></li><li nr="II"><al>Aan de Ondernemingsraad wordt instemming c.q. advies
                                        gevraagd over onderwerpen, zoals genoemd in de Wet op de
                                        Ondernemingsraden (WOR: met name de artikelen 25 en 27).
                                        Voorbeelden van dergelijke onderwerpen zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>Werktijden- en vakantieregeling;</al></li><li nr="-"><al>Aanstellingsvoorwaarden van personeel niet vallend
                                                onder de CAR/UWO;</al></li><li nr="-"><al>Functiewaarderingssysteem;</al></li><li nr="-"><al>Aanstelling- en ontslagbeleid;</al></li><li nr="-"><al>ARBO- en milieubeleid en de uitvoering daarvan,
                                                waaronder aanpak ziekteverzuim, werkdruk,
                                                werkoverleg, voorkomen en bestrijden seksuele
                                                intimidatie, agressie en geweld op het werk;</al></li><li nr="-"><al>Ontwikkeling en uitvoering van het P&amp;O beleid,
                                                zoals werving en selectie (incl. voorkeursbeleid
                                                allochtonen, gehandicapten en vrouwen) en
                                                introductie nieuw personeel;</al></li><li nr="-"><al>Mobiliteitsbeleid, loopbaanbegeleiding en
                                                opleidingsbeleid;</al></li><li nr="-"><al>Beoordelingssystematiek;</al></li><li nr="-"><al>Reorganisaties en de toetsing daarvan aan de hand
                                                van het Sociaal Statuut;</al></li><li nr="-"><al>- Sociaal- en ARBO-jaarverslag. </al></li></lijst><al>Samengevat gaat het hier vooral om de
                                        uitvoeringsmodaliteiten en de personeels-kostenvergoedingen. </al><al>Met de OR wordt ten minste 2 maal per jaar overleg gevoerd
                                        over de algemene gang van zaken van de organisatie (artikel
                                        24, WOR). </al></li><li nr="III"><al>In die gevallen waarbij onderwerpen, zoals onder punt I
                                        genoemd, betrekking hebben op de organisatie, dan wordt het
                                        GO in vergadering bijeengeroepen ten behoeve van dat
                                        specifieke onderwerp. </al></li><li nr="IV"><al>Het convenant zal twee jaar na de datum van overeenkomst
                                        worden geëvalueerd, of zoveel eerder als de ontwikkeling
                                        m.b.t. de CAR/UWO daartoe aanleiding geeft. </al></li></lijst><al>Aldus overeengekomen te Veenendaal op 12 maart 2003.</al></artikel><artikel><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1 Landelijke ontwikkeling m.b.t.
                                    medezeggenschap</vet></tussenkop><al>Sinds de invoering van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) bij
                                gemeenten is er discussie over de taakverdeling tussen de commissie
                                voor het Georganiseerd Overleg (GO) en de Ondernemingsraad (OR). Dit
                                geldt vooral voor gemeenten die bij de UWO (Uitwerkingsovereenkomst
                                voor de sector gemeenten) zijn aangesloten, aangezien daar de vraag
                                gelegen is over welke onderwerpen overleg met het GO moet
                                plaatsvinden, waar het overgrote deel van de arbeidsvoorwaarden
                                bindend is vastgelegd in de CAR (Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten) en de UWO.
                                Aanleiding tot het opstellen van een convenant wordt vooral gevormd
                                door de zeggenschap die beide organen wensen ten aanzien van de
                                wijze waarop reorganisaties worden uitgevoerd. Het GO is veelal
                                betrokken bij de opstelling van het Sociaal Statuut/Sociaal Plan,
                                terwijl de OR in het kader van de WOR adviesrecht heeft t.a.v. de
                                uitvoeringsaspecten van de reorganisaties (artikel 25). Het op grote
                                lijnen in kaart brengen van de gebieden, waarop medezeggenschap door
                                het GO en de OR een rol speelt kan in de rolafbakening behulpzaam
                                zijn. </al><tussenkop><vet>Lid 2 Onderwerpen voor het Georganiseerd
                                overleg</vet></tussenkop><al>In hoofdzaak bestaat de CAR/UWO uit bindende regelingen voor de
                                sector gemeenten en een deel uit modellen, die binnen de sector nog
                                niet algemeen bindend zijn verklaard. Overleg met het GO heeft
                                derhalve alleen zin als het gaat over de lokale invulling van de
                                (nog) niet bindend verklaarde CAR/UWO-onderdelen. Het GO heeft in
                                deze kwesties een taak m.b.t. de totstandkoming van de regelingen,
                                terwijl de OR toeziet op de wijze waarop dergelijke regelingen in de
                                praktijk worden uitgevoerd. </al><tussenkop><vet>Lid 3 Onderwerpen voor de Ondernemingsraad
                                </vet></tussenkop><al>Taken en bevoegdheden van de ondernemingsraad zijn vastgelegd in de
                                WOR. De ondernemingsraad is binnen de gemeente Veenendaal het
                                formele medezeggenschapsorgaan en voert als vertegenwoordiging van
                                het personeel overleg met de WOR-bestuurder (gemeentesecretaris)
                                over onderwerpen, zoals genoemd in de artikelen 25 (adviesrecht) en
                                27 (instemmingsrecht) van de WOR. De hiervoor bedoelde onderwerpen
                                zijn limitatief. Belangrijk is om te onderstrepen dat het overleg
                                over de primaire arbeidsvoorwaarden is voorbehouden aan de
                                vakorganisaties. Bijvoorbeeld: niet de hoogte van de beloning is aan
                                het instemmingsrecht van de OR onderworpen maar wel de systematiek
                                aan de hand waarvan de beloning wordt vastgesteld (artikel 27, lid
                                1, sub c: WOR).</al><tussenkop><vet>Lid 4 Intentie</vet></tussenkop><al> Met dit convenant wordt gestreefd naar een zo helder mogelijke
                                taakverdeling tussen het GO en de OR. Doel is en blijft om de
                                belangenbehartiging en de onderlinge communicatie daarover zo goed
                                en efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Uitvoeringsregels beloning </titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Begrippen</al></li><li><al>Vaststelling salaris (art. 3:3 CAR)</al></li><li><al>Inpassing in hogere schaal (art. 3:6 CAR)</al></li><li><al>Bevordering van aanloopschaal naar functieschaal</al></li><li><al>Inschaling bij promotie</al></li><li><al>Inschaling bij functiewaardering (in functie die hoger is
                                        ingeschaald)</al></li><li><al>Inschaling bij functiewaardering (in functie die lager is
                                        ingeschaald)</al></li><li><al>Periodieke verhoging</al></li><li><al>Geen periodieke verhoging</al></li><li><al>Meer mogelijkheden voor een extra beloning</al></li><li><al>Beloning coördinerende taken (module teamcoördinatie)</al></li><li><al>Loondoorbetaling bij ziekte</al></li><li><al>Betaling van de toelage onregelmatige dienst bij ziekte en
                                        vakantie (van toepassing op medewerkers die onder de
                                        bijzondere regeling van de werktijden vallen)</al></li><li><al>Hoogte toelage beschikbaarheidsdienst</al></li></lijst><al>In 2016 is hoofdstuk 3 (salaris en vergoedingen) van de CAR volledig
                                herzien. Deze herziening heeft als doel vereenvoudiging,
                                harmonisering en modernisering van toekennen van salarissen en/of
                                vergoedingen. Veel zaken die voor 2016 lokaal geregeld waren zijn
                                opgenomen in de CAR/UWO, waardoor hoofdstuk 3 een standaardkarakter
                                heeft gekregen. Dit betekent dat afwijkingen ten nadele of ten
                                gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Toch moeten er naast
                                hoofdstuk 3 een aantal (uitvoerings)regels apart lokaal beschreven
                                en vastgesteld worden. </al><al>Deze uitvoeringsregels gelden voor medewerkers die bij de gemeente
                                Veenendaal in algemene dienst zijn aangesteld of in dienst zijn
                                volgens een arbeidsovereenkomst (art 1:1 lid 1 sub a CAR). </al><tussenkop><vet>Begrippen</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al><vet>De aanloopschaal:</vet>de salarisschaal, die direct aan
                                        de functieschaal vooraf gaat.</al></li><li nr="b"><al><vet>De functieschaal:</vet>de salarisschaal die bij een
                                        functie hoort.</al></li><li nr="c"><al><vet>Periodieke verhoging:</vet>verhoging van het
                                        maandbedrag in een salarisschaal, zoals opgenomen in de
                                        bijlage van hoofdstuk 3 CAR. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Vaststelling salaris </vet></tussenkop><al><vet>(art. 3:3 CAR)</vet></al><al>Alle functies binnen de gemeente Veenendaal zijn gewaardeerd volgens
                                een functiewaarderingssysteem. We werken met generieke functies en
                                functiefamilies. De salarisschaal waarin de functie is ingepast heet
                                de functieschaal. </al><al>Bij aanstelling of wijziging van functie wordt een medewerker
                                ingeschaald in de functieschaal. Voldoet hij/zij nog niet aan alle
                                eisen voor de functie, zoals opleiding, ervaring en bekwaamheid dan
                                kan hij/zij in de aanloopschaal worden aangesteld. </al><al>Als een medewerker is benoemd in twee of meer functies, die apart
                                zijn beschreven en gewaardeerd, wordt hij/zij voor elke van die
                                functies, naar rato van de betrekking ingeschaald en beloond. </al><tussenkop><vet>Inpassing in hogere schaal</vet></tussenkop><al><vet>(art. 3:6 CAR)</vet></al><al>Er zijn meerdere manieren waarop een medewerker bevorderd kan
                                worden.</al><lijst><li nr="1"><al> De medewerker wordt bevorderd van de aanloop- naar de
                                        functieschaal;</al></li><li nr="2"><al> De medewerker solliciteert op een functie en aan deze
                                        functie is een hoger generiek profiel gekoppeld (art 3:6
                                        CAR);</al></li><li nr="3"><al> De functie waaraan de medewerker is gekoppeld wijzigt
                                        inhoudelijk waardoor deze aan een hoger generiek profiel
                                        wordt gekoppeld (art 3:6 CAR);</al></li><li nr="4"><al> De functie waaraan de medewerker is gekoppeld wijzigt niet,
                                        maar wordt hoger ingeschaald/ingedeeld bij de invoering van
                                        een nieuw functiewaarderingssysteem.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Bevordering van aanloopschaal naar
                                functieschaal</vet></tussenkop><al>In principe brengt een medewerker één jaar in de aanloopschaal door.
                                Na dit jaar wordt hij/zij bij volledig voldoen aan de functie-eisen
                                bevorderd naar de functieschaal, tenzij het functioneren aanleiding
                                geeft de bevordering uit te stellen met een jaar. Aan zowel de
                                bevordering als de verlenging ligt een personeelsbeoordeling ten
                                grondslag. </al><al>Bij bevordering wordt de 75%-regel toegepast. Dit betekent dat bij
                                inpassing in de functieschaal de medewerker er tenminste 75% van een
                                reguliere periodiek in de oude schaal op vooruit gaat (met als
                                maximum inpassing in de hoogste anciënniteit van de nieuwe schaal). </al><tussenkop><vet>Inschaling bij promotie</vet></tussenkop><al>Als een medewerker van functie wijzigt en aan deze functie is een
                                hoger generiek profiel gekoppeld dan worden er door manager en
                                medewerker afspraken gemaakt over de inschaling.</al><tussenkop><vet>Inschaling bij functiewaardering (in functie die hoger
                                    is ingeschaald)</vet></tussenkop><al>Als door functiewaardering de functie van de medewerker hoger wordt
                                ingeschaald, en hij/zij was al voor de functiewaardering in een
                                functieschaal geplaatst dan wordt hij/zij direct in de nieuwe
                                functieschaal geplaatst. Was hij/zij voor functiewaardering in de
                                aanloopschaal geplaatst dan wordt hij/zij direct in de nieuwe
                                aanloopschaal geplaatst. Qua salarisinpassing gaat de medewerker in
                                beide gevallen horizontaal over. Dit geldt ook voor verhogingen als
                                gevolg van een wijziging in het takenpakket (functieonderhoud). </al><tussenkop><vet>Inschaling bij functiewaardering (in functie die lager
                                    is ingeschaald)</vet></tussenkop><al>Als de functie van een medewerker als gevolg van een
                                functiewaarderingsronde lager wordt hergewaardeerd, dan heeft
                                hij/zij recht op een garantietoelage. De hoogte van de
                                garantietoelage is gebaseerd op de oude inschaling van de functie. </al><tussenkop><vet>Periodieke verhoging</vet></tussenkop><al>Jaarlijks per 1 januari krijgt de medewerker er één periodiek bij,
                                tot het maximum van de functieschaal is bereikt, indien
                                hij/zij:</al><lijst><li nr="-"><al>voldoende functioneert, </al></li><li nr="-"><al> het maximum van de functieschaal- nog niet heeft
                                        bereikt;</al></li></lijst><al>In afwijking van de “gewone” periodieke verhoging kan de medewerker
                                een extra periodiek toegekend krijgen (art 3:4 lid 3 CAR/UWO). Deze
                                periodieke verhoging is structureel. </al><al>Ook als de medewerker langdurig ziek is, en voor zijn/haar ziekte
                                voldeed aan de voorwaarde voor de toekenning van een periodiek, dan
                                behoudt hij/zij het recht op de toekenning van een periodieke
                                verhoging (art 7:8:2 CAR/UWO).</al><tussenkop><vet>Geen periodieke verhoging</vet></tussenkop><lijst><li nr="1"><al> Indien de medewerker onvoldoende functioneert (hetgeen
                                        blijkt uit een personeelsbeoordeling);</al></li><li nr="2"><al> Indien de medewerker één jaar of langer onbetaald verlof
                                        heeft;</al></li><li nr="3"><al> Indien de medewerker geschorst is omdat;</al><lijst><li nr="a"><al> Hij/zij een disciplinaire straf heeft kregen
                                                en/of;</al></li><li nr="b"><al> Er een strafrechtelijke vervolging tegen hem/haar
                                                is ingesteld of;</al></li><li nr="c"><al> Er een voornemen tot onvoorwaardelijk ontslag tegen
                                                hem/haar loopt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Meer mogelijkheden voor een extra
                                beloning</vet></tussenkop><al>De mogelijkheden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Functioneringstoelage (art 3:8 CAR)</al></li><li nr="-"><al>Arbeidsmarkttoelage (art 3:9 CAR)</al></li><li nr="-"><al> Waarnemingstoelage (art 3:10 CAR)</al></li><li nr="-"><al> Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                        prestaties (art 3:20 CAR).</al></li></lijst><al>Deze extra beloningen zijn allemaal tijdelijk en/of eenmalig. De
                                mogelijkheden en voorwaarden om deze toelage te krijgen of toe te
                                kennen staan in hoofdstuk 3 uitgewerkt. </al><tussenkop><vet>Beloning coördinerende taken (module
                                    teamcoördinatie)</vet></tussenkop><al>De extra honorering voor de (duur van de) coördinerende taken wordt
                                gerealiseerd door middel van een aangepaste inschaling: ophoging van
                                het salaris van de medewerker met een hele schaal. Bij beëindiging
                                van de coördinerende taken wordt de medewerker opnieuw ingeschaald
                                in zijn basis generieke functie. </al><tussenkop><vet>Loondoorbetaling bij ziekte</vet></tussenkop><al>De loondoorbetaling is geregeld in artikel 7:3 van de CAR. Bij
                                ziekte heeft de medewerker 6 maanden recht op volledige doorbetaling
                                van het loon. Na deze 6 maanden ontvangt de medewerker 90% van de
                                salaris. 12 maanden na de eerste ziektedag betaalt de werkgever nog
                                75% salaris door. Is de medewerker langer dan 24 maanden ziek dan
                                ontvangt hij/zij nog 70% van het salaris.</al><al>Als de medewerker inmiddels gekort wordt omdat hij/zij langdurig
                                ziek is krijgt hij/zij wel volledige salaris betaald over de uren
                                waarop:</al><lijst><li nr="-"><al> Hij/zij arbeid verricht;</al></li><li nr="-"><al>Hij/zij passende arbeid verricht;</al></li><li nr="-"><al> Hij/zij werkzaamheden in het kader van re-integratie
                                        verricht;</al></li><li nr="-"><al>Hij/zij scholing volgt in het kader van re-integratie.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Betaling van de toelage onregelmatige dienst bij ziekte
                                    en vakantie (van toepassing op medewerkers die onder de
                                    bijzondere regeling van de werktijden vallen)</vet></tussenkop><al>Medewerkers die onregelmatig werken en die een vaste of maandelijks
                                een toelage onregelmatige dienst (verder tod) ontvangen hebben bij
                                ziekte recht op de doorbetaling van de tod gebaseerd op de tod van
                                de 3 maanden voor de 1e ziektedag. </al><al>De korting zoals deze bij langdurige ziekte geldt voor het salaris,
                                geldt ook voor de tod. </al><al>De tod wordt ook doorbetaald tijdens vakantie.</al><tussenkop><vet>Hoogte toelage beschikbaarheidsdienst</vet></tussenkop><al>In de CAR (art. 3:13) is de hoogte van de toelage voor
                                bereikbaarheidsdienst geregeld. Deze toelage is toepassing als een
                                medewerker zich beschikbaar moet houden voor werk buiten de voor
                                hem/haar geldende werktijden. </al><al>Voor het zogenaamde ‘crisispiket’ mag worden afgeweken van de
                                artikelen 3:13 CAR (toelage beschikbaarheidsdienst) en 3:18 CAR
                                (overwerkvergoeding) in die zin dat de bestaande Piketregeling
                                Crisisbeheersing gemeente Veenendaal (verder Piketregeling) mag
                                worden gehandhaafd. Medewerkers die bereikbaarheidsdienst draaien op
                                grond van de Piketregeling ontvangen een hogere toelage, de hoogte
                                van de toelage is beschreven in de Piketregeling. </al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling Melding Vermoeden Misstand </titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 2 Bescherming van de melder </al></li><li><al>Artikel 3 De vertrouwenspersoon</al></li><li><al>Artikel 4 Het externe meldpunt</al></li></lijst></li><li><al>2. Interne meldingsprocedure</al><lijst><li><al>Artikel 5 Melding</al></li><li><al>Artikel 6 Melding door een ex-ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7 Informeren van het bevoegd gezag</al></li><li><al>Artikel 8 Ontvangstbevestiging door het bevoegd
                                                gezag</al></li><li><al>Artikel 9 Onderzoek door het bevoegd gezag</al></li><li><al>Artikel 10 Standpunt en kennisgeving door het
                                                bevoegd gezag</al></li></lijst></li><li><al>3. Externe meldingsprocedure</al><lijst><li><al>Artikel 11 Melding bij het externe meldpunt</al></li><li><al>Artikel 12 Ontvangstbevestiging</al></li><li><al>Artikel 13 Niet ontvankelijkheid</al></li><li><al>Artikel 14 Onderzoek door het externe meldpunt</al></li><li><al>Artikel 15 Advies en kennisgeving door het externe
                                                meldpunt</al></li><li><al>Artikel 16 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding
                                                van het advies van het externe meldpunt</al></li><li><al>Artikel 17 Jaarverslag</al></li></lijst></li><li><al>4. Slotbepalingen</al><lijst><li><al>Artikel 18 Intrekking en Inwerkingtreding</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet> ambtenaar:</vet> een ieder die werkzaam is of is
                                        geweest bij de gemeente Veenendaal op grond van een
                                        aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                        recht. </al></li><li nr="b"><al><vet> bevoegd gezag:</vet> het College van Burgemeester en
                                        Wethouders, dagelijks bestuur of directie; </al></li><li nr="c"><al><vet>vermoeden van een misstand:</vet> een vermoeden
                                        van</al><lijst><li nr="-"><al> schending van wettelijke voorschriften of
                                                beleidsregels; </al></li><li nr="-"><al> een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het
                                                milieu; </al></li><li nr="-"><al> een onbehoorlijke wijze van functioneren die een
                                                gevaar vormt voor het goed functioneren van de
                                                openbare dienst; </al></li></lijst></li><li nr="d"><al><vet> melder:</vet> de ambtenaar die een vermoeden van een
                                        misstand meldt overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling.
                                    </al></li><li nr="e"><al><vet> melding:</vet>de melding van een vermoeden van een
                                        misstand door de melder; </al></li><li nr="f"><al><vet> vertrouwenspersoon:</vet> de functionaris als zodanig
                                        benoemd door het bevoegd gezag; </al></li><li nr="g"><al><vet>extern meldpunt:</vet> de Onderzoeksraad Integriteit
                                        Overheid (OIO). </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt degene die anders dan op
                                basis van een ambtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar
                                burgerlijk recht werkzaam is binnen de gemeente Veenendaal
                                gelijkgesteld met een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onder
                                a.</al><tussenkop><vet>Artikel 2 Bescherming van de melder </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt
                                de identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming, dat
                                zijn in ieder geval de leidinggevende, de vertrouwenspersoon en het
                                externe meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De ambtenaar zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een
                                misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie.
                                Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>het verlenen van ongevraagd ontslag; </al></li><li nr="b"><al> het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd;
                                    </al></li><li nr="c"><al> het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in
                                        een vaste aanstelling; </al></li><li nr="d"><al> de opgelegde benoeming in een andere functie; </al></li><li nr="e"><al> het treffen van disciplinaire maatregelen; </al></li><li nr="f"><al> het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of
                                        toekenning van vergoedingen; </al></li><li nr="g"><al> het onthouden van promotiekansen; </al></li><li nr="h"><al> het afwijzen van een verlofaanvraag, </al></li></lijst><al>voor zover dit redelijkerwijs verband houdt met de door de melder
                                gedane melding van een vermoeden van een misstand.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins
                                bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de
                                melding ondervindt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel geldt ook voor de
                                ambtenaar die te goeder trouw een vermoeden van een misstand in een
                                andere organisatie dan die van de gemeente Veenendaal, volgens de in
                                die organisatie geldende regels, bij die organisatie heeft gemeld.
                                De bescherming geldt alleen als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie
                                        samenwerkt of heeft samengewerkt; </al></li><li nr="-"><al> uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de
                                        vermoede misstand; </al></li><li nr="-"><al> het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn
                                        leidinggevende heeft gemeld; </al></li><li nr="-"><al> zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze
                                        melding met hem of haar zijn gemaakt door het bevoegd gezag.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>De ambtenaar heeft recht op juridische bijstand wanneer hij als
                                gevolg van het te goede trouw melden van een vermoeden van een
                                misstand nadelige gevolgen ondervindt in zijn rechtspositie, tijdens
                                en/of na het volgen van deze regeling. Deze juridische bijstand
                                wordt gefinancierd door de gemeente Veenendaal.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 De vertrouwenspersoon</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon heeft tot taak de melder te adviseren.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon maakt jaarlijks een geanonimiseerd verslag van
                                de aard en de omvang van het aantal interne meldingen. Dit verslag
                                wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd en
                                openbaar gemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De vertrouwenspersoon geniet bescherming overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 2, tweede tot en met het vijfde lid, tegen benadeling van
                                zijn rechtspositie als gevolg van de hem bij deze regeling
                                toebedeelde taken.</al><tussenkop><vet>Artikel 4 Het externe meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag wijst als extern meldpunt aan de Onderzoeksraad
                                Integriteit Overheid.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft tot taak een door de
                                melder gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het
                                bevoegd gezag daarover te adviseren.</al><tussenkop><vet>2. Interne meldingsprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 5 Melding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij de
                                vertrouwenspersoon of, indien daartoe aanleiding bestaat,
                                rechtstreeks bij het externe meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van
                                aangifte van een strafbaar feit onverlet.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Melding door een
                                ex-ambtenaar</vet></tussenkop><al>De ex-ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden doet
                                dit binnen een periode van twaalf maanden na zijn ontslag of
                                beëindiging van zijn werkzaamheden voor de gemeente Veenendaal bij
                                een vertrouwenspersoon. Hij kan alleen een melding van een vermoeden
                                van een misstand doen als hij in de hoedanigheid van ambtenaar
                                kennis heeft gekregen van het vermoeden. </al><tussenkop><vet>Artikel 7 Informeren van het bevoegd
                                gezag</vet></tussenkop><al>De leidinggevende of de vertrouwenspersoon bij wie een melding is
                                gedaan draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag onverwijld op de
                                hoogte wordt gesteld van de melding en van de datum waarop de
                                melding ontvangen is. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Ontvangstbevestiging door het bevoegd
                                    gezag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag zendt aan de melder of de vertrouwenspersoon bij
                                wie het vermoeden van een misstand is gemeld een
                                ontvangstbevestiging. In het laatste geval stuurt de
                                vertrouwenspersoon de ontvangstbevestiging door aan de melder. De
                                ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een misstand en
                                de datum waarop de melder het vermoeden heeft gemeld.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag informeert de persoon of personen op wie een
                                melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor het
                                onderzoeksbelang kan worden geschaad.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de identiteit van de melder die
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 of 6 een melding heeft
                                gedaan, niet verder bekend wordt dan noodzakelijk is voor de
                                behandeling van de melding.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Onderzoek door het bevoegd
                                gezag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag stelt na ontvangst van de melding onverwijld een
                                onderzoek in.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk
                                betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan een deskundige raadplegen.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Standpunt en kennisgeving door het bevoegd
                                    gezag</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon bij wie
                                de melding is gedaan binnen tien weken na ontvangst van de melding
                                schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt omtrent het gemelde
                                vermoeden van een misstand.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien niet binnen tien weken een standpunt kan worden gegeven
                                worden de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is
                                gedaan voordat deze termijn is verstreken daarvan door middel van
                                een kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld.
                                Het bevoegd gezag kan het advies met ten hoogste vier weken
                                verdagen.</al><tussenkop><vet>3. Externe meldingsprocedure</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 11 Melding bij het externe
                                meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De melder kan zijn vermoeden van een misstand binnen redelijke
                                termijn melden bij het externe meldpunt, indien:</al><lijst><li nr="a"><al> hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel
                                        10;</al></li><li nr="b"><al> hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijnen
                                        bedoeld in artikel 10. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien zwaarwegende belangen de toepassing van de interne
                                meldingsprocedure in de weg staan, kan de melder het vermoeden van
                                een misstand rechtstreeks melden bij het externe meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De melding bij het externe meldpunt bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a"><al> naam en adres van de melder; </al></li><li nr="b"><al> de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is
                                        geweest; </al></li><li nr="c"><al> de organisatie waarop de melding betrekking heeft; </al></li><li nr="d"><al> de omschrijving van de misstand die wordt vermoed; </al></li><li nr="e"><al>de reden van melding aan het externe meldpunt. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 12 Ontvangstbevestiging</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een
                                vermoeden van een misstand aan de melder.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag op de
                                hoogte wordt gesteld van de melding bij het meldpunt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt informeert de persoon of personen op wie een
                                melding betrekking heeft over de melding bij het externe meldpunt,
                                tenzij het onderzoeksbelang hierdoor kan worden geschaad.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Niet ontvankelijkheid</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al> er geen sprake is van een misstand of van een misstand van
                                        voldoende gewicht; </al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar niet aantoont dat hij het vermoeden eerst
                                        intern aan de orde heeft gesteld volgens deze regeling,
                                        tenzij zwaarwegende belangen toepassing van de interne
                                        procedure in de weg staan; </al></li><li nr="c"><al> de ambtenaar het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld
                                        volgens deze regeling, maar de termijn waarbinnen het
                                        bevoegd gezag een inhoudelijk standpunt omtrent het
                                        vermoeden van een misstand dient te geven, nog niet
                                        verstreken is; </al></li><li nr="d"><al> geen sprake is van een ambtenaar zoals bedoeld in deze
                                        regeling; </al></li><li nr="e"><al>de melding niet binnen redelijke termijn is ontvangen nadat
                                        de ambtenaar op de hoogte is gesteld van het standpunt van
                                        het bevoegd gezag. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de melding niet ontvankelijk is, stelt het externe meldpunt
                                de melder of vertrouwenspersoon en het bevoegd gezag hiervan binnen
                                vier weken op de hoogte.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Onderzoek door het externe
                                meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Wanneer de melding ontvankelijk is, kan het meldpunt indien dit voor
                                de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is een onderzoek
                                instellen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ten behoeve van het onderzoek genoemd in het eerste lid is het
                                externe meldpunt gerechtigd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen
                                in te winnen die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het
                                bevoegd gezag verschaft het externe meldpunt alle inlichtingen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt kan een deskundige raadplegen.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte
                                informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter
                                kennisneming van het externe meldpunt dient te blijven, wordt dit
                                aan het externe meldpunt meegedeeld. Het externe meldpunt beveiligt
                                informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door
                                onbevoegden.</al><tussenkop><vet>Artikel 15 Advies en kennisgeving door het externe
                                    meldpunt</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt legt binnen acht weken na ontvangst van de
                                melding zijn bevindingen neer in een advies aan het bevoegd gezag.
                                Het externe meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de
                                melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien niet binnen acht weken een advies kan worden gegeven worden
                                de melder of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan
                                alsmede het bevoegd gezag voordat deze termijn is verstreken daarvan
                                door middel van een kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd op de
                                hoogte gesteld. Het externe meldpunt kan het advies met ten hoogste
                                vier weken verdagen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het advies wordt, in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van
                                het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het externe
                                meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke
                                bepalingen, door het externe meldpunt openbaar gemaakt op een wijze
                                die het externe meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen
                                zich hiertegen verzetten.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Het externe meldpunt maakt zijn advies niet openbaar voordat het
                                standpunt van het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 16 van deze
                                regeling, is ontvangen, of er twee weken zijn verstreken sinds het
                                advies is gegeven.</al><tussenkop><vet>Artikel 16 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding van
                                    het advies van het externe meldpunt </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het
                                advies het externe meldpunt schriftelijk op de hoogte van zijn
                                standpunt en de eventuele consequenties die het daaraan
                                verbindt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Het externe meldpunt zal het standpunt van het bevoegd gezag aan de
                                melder doen toekomen. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Een van het advies afwijkend standpunt wordt gemotiveerd.</al><tussenkop><vet>Artikel 17 Jaarverslag </vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Jaarlijks wordt door het externe meldpunt een verslag
                                opgemaakt.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van
                                de ter zake wettelijke bepalingen gemeld:</al><lijst><li nr="a"><al>het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van
                                        een misstand; </al></li><li nr="b"><al> het aantal meldingen dat niet heeft geleid tot een
                                        onderzoek; </al></li><li nr="c"><al> het aantal onderzoeken dat het externe meldpunt heeft
                                        verricht; </al></li><li nr="d"><al> het aantal adviezen en de aard van de adviezen dat het
                                        externe meldpunt heeft uitgebracht. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Dit jaarverslag wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad
                                gestuurd en openbaar gemaakt.</al><tussenkop><vet>4. Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 18 Intrekking en
                                Inwerkingtreding</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De regeling klokkenluiders van de gemeente Veenendaal wordt
                                ingetrokken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                                terug tot en met 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Werktijdenregeling</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al></li><li><al>Artikel 2 Arbeidsduur en werktijden</al></li><li><al>Artikel 3 Inwerkingtreding en citeertitel</al></li><li><al>Bijlage</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al><vet>Medewerker:</vet> alle medewerkers die in dienst zijn
                                        bij de gemeente Veenendaal.</al></li><li nr="b"><al><vet> Tijd- en plaatsonafhankelijk werken</vet>: medewerkers
                                        bepalen zelf op vrijwillige basis, in overleg met de
                                        leidinggevende, hoe, waar, wanneer en met wie ze werken aan
                                        resultaten. Voor medewerkers die onder de bijzondere
                                        regeling vallen is tijd- en/of plaatsonafhankelijk werken
                                        niet, niet goed of onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
                                    </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2 Arbeidsduur en werktijden</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> In de CAR/UWO is de maximale arbeidsduur van 1824 uur per jaar
                                vastgelegd, dit is inclusief Goede Vrijdag en verlof op
                                Bevrijdingsdag. Dat geeft ruimte om de gemiddelde 36-urige werkweek
                                flexibel in te vullen in het tijd- en plaatsonafhankelijk te
                                werken.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werktijd wordt vastgesteld op maandag tot en met vrijdag van
                                07.00 – 22.00 uur.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al> Leidinggevende en medewerker maken een standaard werkpatroon met
                                individuele afspraken over inzet en bereikbaarheid voor de invulling
                                van de werktijden, waar de medewerker flexibel mee om kan gaan en
                                waarbij het organisatiebelang leidend is.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Elke leidinggevende draagt zorg voor een adequate en verantwoorde
                                bezetting van zijn of haar afdeling/team. Per team of afdeling
                                worden nadere afspraken gemaakt. Uitgangspunt is maximale onderling
                                bereikbaarheid en afstemming voor de burger.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Het standaard werkpatroon voor de invulling van de werktijden is
                                leidend bij het opnemen van verlof, het registreren van zieke en het
                                toepassen van bijzonder verlof.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Indien wekelijks meeruren worden gewerkt dan de formele arbeidsduur,
                                kan dit op een later tijdstip worden gecompenseerd. Medewerker maakt
                                met leidinggevende zodanige afspraken zodat het aantal meeruren aan
                                het einde van het jaar naar 0 is terug gebracht. Lukt dit niet en
                                blijkt dat dit niet kan, dan wordt bij hoge uitzondering de
                                overschrijding van de meeruren vastgesteld en worden deze uren
                                uitbetaald. Maakt de medewerker geen keuze dan worden deze uren
                                omgezet in vakantieverlof.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al> De medewerker registreert zijn/haar werktijden en verlof in een
                                systeem voor tijdschrijven.</al><tussenkop><vet>Lid 8</vet></tussenkop><al> Het gemeentehuis is geopend voor medewerkers van maandag tot en met
                                donderdag van 07.00 uur tot 22.00 uur en vrijdag van 07.00 uur tot
                                20.00 uur. </al><tussenkop><vet>Lid 9</vet></tussenkop><al> De leidinggevende kan voor individuele medewerkers of groepen
                                medewerkers vaste aanvang- en eindtijden vaststellen om tot een
                                adequate dienstverlening te komen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Inwerkingtreding en
                                citeertitel</vet></tussenkop><al>Het besluit treedt in werking per 1 januari 2014. De regeling kan
                                worden aangehaald als Werktijdenregeling gemeente Veenendaal. </al><tussenkop><vet>Bijlage</vet></tussenkop><al>De volgende functies vallen onder de bijzondere werktijdenregeling: </al><al><vet>V&amp;H/handhaving</vet> Buitengewoon Opsporingsambtenaren </al><al><vet>Facilitaire Zaken</vet>Medewerkers facilitaire dienstverlening </al><al><vet>KCC</vet> Alle medewerkers van KCC </al><al><vet>PD</vet> Sociaal rechercheur </al></artikel><artikel><kop><titel>Uitvoeringsregeling reiskostenvergoeding
                                    woon-werkverkeer</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Artikel 1</al></li><li><al>Artikel 2</al></li><li><al>Artikel 3</al></li><li><al>Artikel 4</al></li><li><al>Artikel 5</al></li><li><al>Artikel 6</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 1 </vet></tussenkop><al>Aan de ambtenaar die woonachtig is verder dan 10 kilometer van de
                                standplaats (of verder dan 10 kilometer van de standplaats gaat
                                wonen) en aan wie geen verhuisplicht is opgelegd, kan een onbelaste
                                reiskostenvergoeding woon-werkverkeer worden verstrekt.</al><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Indien de ambtenaar gebruik maakt van het openbaar vervoer wordt
                                een jaartrajectabonnement 2e klas vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling geen
                                openbaar vervoer aanwezig is, of om praktische redenen geen gebruik
                                kan worden gemaakt van het openbaar vervoer, en men gebruik maakt
                                van een vervoermiddel, dan wordt het bedrag van de tegemoetkoming in
                                de reiskosten gebaseerd op € 130,- vermenigvuldigd met een breuk,
                                waarbij de noemer 40 is en de teller de daadwerkelijke afstand
                                tussen de woonplaats en de standplaats bedraagt. De teller is
                                maximaal 40.</al><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al>Het bedrag van de tegemoetkoming in de reiskosten genoemd in artikel
                                1, tweede lid, zal vanaf 1 januari 2009 jaarlijks worden aangepast
                                aan de procentuele prijsstijging die in de begroting van de gemeente
                                Veenendaal is opgenomen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><al> Indien ten gevolge van wijziging van woonplaats de dagelijks af te
                                leggen afstand tussen woon- en plaats van tewerkstelling kleiner of
                                groter wordt, zal het aantal kilometers opnieuw worden bepaald en de
                                vergoeding aan de uitkomst daarvan worden aangepast.</al><tussenkop><vet>Artikel 4</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor het heen en weer reizen tussen woning en plaats van
                                tewerkstelling met de eigen auto heeft de ambtenaar gedurende 11
                                maanden per jaar recht op een tegemoetkoming in de reiskosten als
                                bedoeld in artikel 1, tweede lid. De hoogte van de tegemoetkoming
                                wordt op 1 januari van het kalenderjaar vastgesteld, en, ingeval van
                                indiensttreding in de loop van het jaar, op het tijdstip van
                                indiensttreding. De tegemoetkoming wordt maandelijks
                                uitbetaald.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar op minder dan 5 dagen per week heen en weer
                                reist tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling met de
                                eigen auto, wordt het bedrag van de tegemoetkoming als bedoeld in
                                artikel 1, tweede lid, vastgesteld naar rato van het aantal dagen
                                dat de ambtenaar per week reist.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                                minder zou bedragen dan € 5 per maand wordt deze niet
                                uitbetaald.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Bij afwezigheid wegens ziekte wordt de tegemoetkoming als bedoeld in
                                artikel 1, tweede lid, doorbetaald tot de eerste dag van de tweede
                                maand, volgende op de maand waarin de ambtenaar ziek is
                                geworden.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Bij onderbreking van de ziekteperiode van minder dan 5
                                aaneengesloten arbeidsdagen telt de in lid 4 genoemde termijn gewoon
                                door.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Bij afwezigheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, voltijds
                                ouderschapsverlof, buitengewoon verlof en onbetaald verlof wordt de
                                tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, doorbetaald tot
                                de eerste dag van de eerste maand, volgend op de maand dat de
                                ambtenaar met verlof is gegaan.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>Bij uitdiensttreding wordt de vergoeding als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, met ingang van de eerste dag van de eerste maand volgend
                                op de maand dat de ambtenaar uit dienst is gegaan, naar
                                evenredigheid verminderd en met het nettoloon verrekend.</al><tussenkop><vet>Artikel 5</vet></tussenkop><al>Voorzover de reiskostenvergoedingen ter zake van het
                                woon-werkverkeer in het kalenderjaar of in een loontijdvak
                                bovenmatig zijn, strekken ze mede tot vergoeding van reiskosten ter
                                zake van dienstreizen die de gemeente Veenendaal in zoverre nog wel
                                aanvullend belastingvrij kan vergoeden. De saldering vindt uiterlijk
                                plaats in de eerste maand na het kalenderjaar waarop de vergoeding
                                betrekking heeft. Ingeval de dienstbetrekking in de loop van het
                                kalenderjaar is geëindigd, vindt saldering uiterlijk plaats in de
                                kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de dienstbetrekking
                                is geëindigd. </al><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al>De noodzakelijk te maken reiskosten die een sollicitant moet maken
                                worden vergoed op basis van de kosten van openbaar vervoer. Indien
                                de sollicitant gebruik maakt van de eigen auto dan worden de
                                reiskosten vergoed tegen een kilometerprijs van € 0,09.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting CAR-UWO</titel></kop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a een
                    begripsomschrijving van de term ‘ambtenaar’, zoals deze voor de toepassing van
                    de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                    gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip
                    ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de woorden ‘door of vanwege de
                    gemeente’.</al><al>Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is de CAR/
                    UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd door de
                    Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                    burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van
                    15 juni 1994, Stb. 462).</al><al>De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO of de Ambtenarenwet.
                    Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers en in het Rechtspositiebesluit wethouders (KB
                    van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er tussen de wethouder en de gemeente geen
                    gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake van een
                    dienstbetrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1 januari
                    1996 is vervallen en vervangen door een privaat pensioenreglement, blijft
                    niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                    bijvoorbeeld de vaststelling van voor pensioengeldige tijd in het kader van de
                    wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur per
                    week kan afwijken van de formele arbeidsduur per week. </al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledige betrekking heeft
                    een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze berekening zijn
                    meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                    zaterdag of zondag vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat
                    zij periodiek op een zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7
                    dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld
                    per jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                    pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als volgt:
                    365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836
                    uren. </al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv. bevrijdingsdag,
                    Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas,
                    carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de plaatselijke kermis etc.)
                    moeten deze, op overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit
                    lid genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                    met 7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en
                    7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                    zijnde een zaterdag of zondag. </al><al>Een volledige betrekking heeft een formele arbeidsduur van 36 uur per week. De
                    feitelijke arbeidsduur per week kan daarvan afwijken. </al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm van
                    werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk. Indien de
                    werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                    bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> Als gevolg van de invoering van de
                    36-urige werkweek wordt het uurloon gewijzigd van 1/165 gedeelte van het salaris
                    naar 1/156 gedeelte van het salaris. De berekening hiervoor luidt als volgt: 36
                    x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het onderwijzend
                    personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is onder andere geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in
                    de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bijzonder onderwijs
                    is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                    CAR/UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                    werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend personeel
                    is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als
                    het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een
                    schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR/UWO onverkort van
                    toepassing. </al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet>Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de
                    burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het
                    CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                    werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
                    nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van
                    de burgerlijke stand. </al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren
                    die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast met de heffing en
                    invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
                    CAR/UWO niet als ambtenaar beschouwd. </al><al><vet><cursief>onderdeel f en g</cursief></vet>Gemeenten kunnen voor de
                    uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een toezichthouder is
                    volgens artikel 5:11 van de Awb: 'Een persoon, bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens enig wettelijk voorschrift'. Er zijn toezichthouders zonder
                    opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze
                    laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOA-akte verleend. </al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR/UWO de
                    mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens
                    wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                    toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                    kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid inhuren via
                    particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar. </al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR/UWO krijgen gemeenten de
                    mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als
                    onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR/UWO op hen van toepassing wordt.
                    Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                    functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                    hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde
                    dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en
                    APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst
                    in de circulaire van het ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal
                    Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                    december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk
                    5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk
                    5402271/506/CBK. </al><al><cursief><vet>Onderdeel h</vet></cursief>Veelal laten gemeenten de Wet sociale
                    werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten
                    kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te
                    voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen.
                    In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze
                    mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op grond van onderdeel h,
                    eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd van de toepassing van de
                    CAR/UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen
                    ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR/UWO. </al><al> Uitzondering op de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het
                    kader van begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR/UWO. Deze uitzondering is
                    geregeld in het tweede (en laatste zinsdeel) van onderdeel h. </al><al><vet>onderdeel i </vet>Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                    arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                    directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding
                    van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                    doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd
                    door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle
                    bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de
                    sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en
                    daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
                    toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                    bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen
                    worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR/UWO dient er
                    overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of
                    met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                    bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR/UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                    de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in
                    hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer
                    is wel ambtenaar in de zin van de CAR/UWO.</al><tussenkop>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</tussenkop><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                    werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het
                    kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat
                    geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en
                    opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                    ervaring centraal en niet het verdienen van geld <noot id="FN688204_1"><noot.al>CRvB 17 juli 1990, RSV 1990/345.</noot.al></noot>. Dit neemt niet weg dat er wel een redelijke onkostenvergoeding wordt
                    betaald. Wat een redelijke onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers
                    wordt lokaal in overleg met het bevoegde medezeggenschapsorgaan vastgesteld. </al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen
                    op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als
                    wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de
                    praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de
                    werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen
                    leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere
                    mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de
                    CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                    (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires
                    en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire
                    als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1</al><tussenkop>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</tussenkop><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en quotum
                    arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een WSW-indicatie; (2)
                    Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een WIW-baan of ID-baan; (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen en die door beperkingen niet het
                    wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de instroom van deze doelgroepen te
                    bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk om het salaris af te stemmen op de
                    verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze mogelijkheid is beperkt tot de
                    ambtenaren die onder de wettelijke omschrijving vallen van de doelgroepen (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met
                    arbeidsvermogen.</al><lijst><li nr="1"><al>De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                            verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In salarisschaal A is het
                            salaris bij periodiek 0 het wettelijk minimumloon en is het salaris bij
                            periodiek 11 120% van het wettelijk minimumloon. De bedragen in schaal A
                            worden, in plaats van op de salarisontwikkeling in de Cao Gemeenten,
                            geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar
                            op 1 januari bijgesteld. De actuele schaalbedragen worden na goedkeuring
                            door het LOGA gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1:3 Toepassing (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                    bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren. Voor
                    het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een collegebesluit
                    nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de rechtspositie van
                    ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie ambtenaren van de werking
                    van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale georganiseerd overleg aan de
                    orde te zijn geweest. Vervolgens kan een collegebesluit niet genomen worden dan
                    nadat partijen in het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA)
                    van dit voornemen in kennis zijn gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat
                    op grote schaal groepen werknemers van de werking van de CAR/UWO worden
                    uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk afbreuk worden gedaan aan de bindende
                    werking van de CAR/UWO. Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet
                    wenselijk is (een groep) ambtenaren van de werking van de CAR/UWO – of gedeelten
                    daarvan – uit te zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de
                    bedoeling dat een afvaardiging van het LOGA in contact treedt met het lokale
                    bestuur om de motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens
                    kunnen LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan.
                    Ingeval het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang
                    zetten, die ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt
                    verklaard.</al><tussenkop>Artikel 1:3a Toepassing (T)</tussenkop><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a"><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                            griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b"><al>het maakt duidelijk dat de CAR/UWO van toepassing is op de griffier en
                            diens ambtenaren;</al></li><li nr="c"><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                            rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR/UWO op de griffier en de
                    griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                    begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de memorie
                    van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                    rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige
                    gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de algemene afspraken
                    die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel
                    voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002
                    geadviseerd om de lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige
                    wijzigingen daarin van toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van
                    rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad.
                    In de CAR/UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over
                    het college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                    griffie dient dus voor ‘het college’ te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                    wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de
                    gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de CAR/UWO
                    en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het
                    college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het college op
                    zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn
                    ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en
                    ontslag leent zich in het kader van het dualisme minder goed voor
                    delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                    diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                    wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                    verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                    beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten
                    tot aanvaarding van een andere betrekking, het beoordelen, het verplichten tot
                    het volgen van een opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en
                    het vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit
                    dient bepaald te worden welke bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd
                    worden, en dus niet gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te
                    worden wie namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                    uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd
                    worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                    raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al><tussenkop>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</tussenkop><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht worden
                    aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen.
                    Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald verlof, de
                    bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                    bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                    netwerk.</al><al>Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                    ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                    heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                    rechtspositieregeling.</al><al>Noot van Driessen:Het softwarepakket RAP van Driessen HRM is bij uitstek een
                    geschikt medium om uw personeel te informeren over wijzigingen in uw
                    arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor de
                    lokale (uitvoerings)regels.</al><tussenkop>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</tussenkop><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is het
                    bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en de
                    griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                    dragen.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking (T)</tussenkop><al>Bij het berekenen van de nieuwe deeltijdbetrekking als gevolg van de invoering
                    van de adv maar ook bij het berekenen van verlof zullen uren uitgerekend worden
                    tot meerdere decimalen achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5
                    moeten uren aan het einde van de berekening worden afgerond tot op twee
                    decimalen achter de komma. Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen
                    ontstaan die ongewenste salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis
                    kan het hierbij gaan om tientallen euro's.</al><al>Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met vier wordt afgerond
                    naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                    wijken. Dit betekent onder andere dat de termijn van 24 maanden niet van
                    toepassing is. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe
                    dat de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden
                    bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van de
                    salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden opgenomen
                    die inhouden dat degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken
                    worden gemaakt, niet behoort tot de kring van rechthebbenden op de
                    bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                    dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn bereikt
                    in het georganiseerd overleg over de criteria aan de hand waarvan de functies
                    worden aangewezen en over de functies zelf.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                    tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard
                    onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn aangewezen. Deze
                    mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in gemeentelijke dienst
                    gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de beperkte
                    ontslaggronden uit hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke
                    werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard
                    dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling te
                    worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te verrichten
                    prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient te worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</tussenkop><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                    college, worden benoemd door het college. De griffier en de griffiemedewerkers
                    worden benoemd door de gemeenteraad.</al><tussenkop>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al> Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst
                    in het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993,
                    635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                    alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst
                    hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van deze
                    omzetting.</al><tussenkop>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                    functie passend is. </al><al>Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit worden beschouwd. Uit de
                    besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar
                    rekening is gehouden. </al><al>Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere
                    betrekking. Het dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus
                    niet om of naar het oordeel van het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is,
                    maar of er gemeten met objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake
                    is.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is
                    een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De
                    voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven
                    zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in tegenstelling tot het
                    bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel
                    van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of
                    het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                    beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                    persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit
                    niet op.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                    aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van artikel
                    8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en
                    8:7, onderdeel a, kunnen omgaan.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                    werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B, dan
                    moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen hepatitis B
                    aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval
                    dat vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt
                    tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan dat hij enkele
                    malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich
                    te laten inenten.</al><al>Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie Iatrogene Hepatitis
                    B, Postbus 16119, 2500 BC Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar uitzondering.
                    Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring
                    op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de vervulling van de
                    betrekking bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                    worden gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen,
                    die sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de overheid van toepassing
                    is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg met
                    de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in
                    een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt opgesteld, waarin
                    criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt of voor een functie en
                    aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van
                    artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden
                    instemmingsrecht omtrent deze regeling.</al><al>De lijst van functies die uit deze lijst voortvloeit hoeft in dat geval niet aan
                    de OR te worden voorgelegd. Wanneer er voor gekozen wordt om niet eerst een
                    regeling te ontwerpen, maar direct een lijst op te stellen, heeft de OR
                    instemmingsrecht wat betreft deze lijst.</al><al>Het verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring
                    geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met betrekking tot
                    dergelijke functies al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel
                    uitmaakt van de sollicitatieprocedure. Het ligt voor de hand dat de
                    aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de geneeskundigen van de Arbo-dienst
                    waarbij de gemeente is aangesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                    tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                    onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                    opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                    bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond
                    genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de
                    aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd
                    ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te
                    noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van
                    beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen
                    bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden
                    gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een
                    vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als
                    gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en
                    zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014,216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de
                    materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4
                    komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De
                    reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale
                    aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is
                    vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling
                    bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis verloren. Een
                    aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een eenmalig
                    project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en waarvoor van de
                    gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de kennis in huis
                    heeft. Onder het huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds ‘op
                    proef’ worden aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                    eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                    waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                    kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                    artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                    beroepsbegeleidende leerweg (BBL).</al><al>Het met ingang van 1 juli 2015 geldende vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke
                    gevolgen van opeenvolgende dienstverbanden die een medewerker heeft met
                    verschillende werkgevers (zoals uitzendbureaus, payroll bedrijven of
                    detacheringsbureaus), waarbij deze medewerker binnen dezelfde organisatie
                    feitelijk of in hoofdzaak dezelfde werkzaamheden blijft verrichten, voor
                    rekening komen van de (opvolgende) werkgever bij overschrijding van de grenzen
                    genoemd in het tweede of derde lid. E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande
                    detachering in dezelfde functie - geen betrekking op de situatie waarin een
                    ambtenaar bij gemeente A uit dienst gaat om vervolgens bij gemeente B in dienst
                    te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De Wet
                    van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese
                    Gemeenteschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                    arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels terzake.
                    In deze wet wordt bepaald dat de overheidswerkgever verplicht is de werknemer
                    een schriftelijke opgave te doen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                            bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="-"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                            aanspraak;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen
                            ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                            regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover. Het
                    derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat
                    wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de werknemer wordt
                    medegedeeld.</al><al>De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het algemeen een
                    aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                    functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                    aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                    aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                    namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie ook
                    artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid,
                    onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor deze
                    categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR niet van
                    toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de
                    rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><tussenkop>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                    tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                    uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever geen
                    onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in tijdelijke
                    dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is
                    (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de
                    vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in
                    vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt
                    de medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk
                    verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening
                    wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden. </al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in artikel
                    125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van toepassing op
                    arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de Ambtenarenwet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met wie de gemeente een
                    tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met 2:4:2
                    van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel
                    2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer dat het bij
                    de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest van een
                    opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een
                    combinatie daarvan.</al><tussenkop>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</tussenkop><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                    minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal
                    bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe kunnen leiden
                    dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te
                    worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de
                    dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald.
                    Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is
                    gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994,
                    kenmerk ARZ/403483.</al><tussenkop>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                    werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                    artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de andere
                    essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken tot een
                    arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen
                    rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat ingeval de
                    oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te
                    geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond
                    van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het
                    aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een oproep kan
                    weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van
                    vrijblijvendheid.</al><tussenkop>Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht
                    (T)</tussenkop><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per
                    maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als
                    de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing
                    is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                    loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                    opgenomen.De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het
                    inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al><tussenkop>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>Indien op of na 1 juli 2015 een nieuwe aanstelling van kracht wordt met een
                    tussenpoos ten opzichte van de voorgaande aanstelling van 6 maanden of korter,
                    telt de voorgaande aanstelling mee in de keten volgens het nieuwe artikel 2:4.
                    Het oude artikel 2:4 (inclusief de tussenpoos van 3 maanden) blijft van
                    toepassing op aanstellingen die zijn ingegaan voor 1 juli 2015.</al><tussenkop>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>De Wet flexibel werken (Stb. 2015, 245 en latere wijzigingen
                    in Stb. 2015, 376 en Stb. 2015, 274) is de opvolger van de Wet aanpassing
                    arbeidsduur. De wet is direct van toepassing op medewerkers (ambtenaren en
                    arbeidscontractanten) van de gemeente. Als de ambtenaar een verzoek indient zal
                    dit verzoek moeten worden afgehandeld met inachtneming van de (procedurele)
                    bepalingen uit de Wet flexibel werken.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden moet
                    de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft
                    voorbeelden van situaties die – afhankelijk van het soort verzoek – vallen onder
                    de noemer zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als een ambtenaar een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats
                    (thuiswerken/plaats onafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen
                    door het college. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de
                    arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In de Wet flexibel werken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten
                    aanzien van de aanpassing van de arbeidsduur van de ambtenaar die de
                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de AOW-gerechtigde
                    leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet flexibel werken geen
                    recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren, maar hij kan op grond van
                    deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van de arbeidsplaats of (spreiding
                    van de) werktijden.</al><tussenkop>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen
                    periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal
                    40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                    waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                    verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                    structureel op 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week blijft liggen.
                    Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar waarin de uitbreiding
                    zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat dus om een tijdelijke
                    uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde
                    periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                    betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de betrekkingsomvang na de
                    bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene derhalve een
                    volledige betrekking en wordt hij geen deeltijder. </al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toeslagen, premies,
                    inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                    loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                    eindejaarsuitkering en vakantie-aanspraken evenredig worden aangepast gedurende
                    de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur kunnen niet
                    gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden gekocht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Artikel 2:7a is bindend en komt als zodanig niet ter discussie in de OR. Wel
                    moet een plan dat ten grondslag ligt aan de uitvoering van
                    uitbreidingsmogelijkheid naar 40 uur in de OR worden besproken. Hierop is
                    wettelijk gezien noch het adviesrecht, noch het instemmingsrecht van de OR van
                    toepassing. De bespreking van het uitvoeringsplan met de OR is echter van méér
                    dan procedurele aard. </al><tussenkop>Preambule</tussenkop><al> In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA
                    afspraken gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in werking
                    is getreden op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen waartoe het LOGA
                    heeft besloten zijn:Het integreren van de lokale bezoldigingsverordening in
                    hoofdstuk 3 van de CAR; Het niet langer hanteren van het begrip bezoldiging;
                    enHet laten vervallen van gedetailleerde aanwijzingen voor de uitvoering.</al><al>In het nieuwe begrip ‘salaristoelagen’ worden de toelagen opgesomd, die samen
                    met het salaris tot 1 januari 2016 de oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de
                    introductie van ‘salaristoelagen’, kon afscheid worden genomen van het begrip
                    ‘bezoldiging’, zonder dat de daaraan verbonden rechten en verplichtingen teniet
                    zijn gegaan.De begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel
                    1:1 nader omschreven.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten
                    nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3 bevat
                    een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien van die
                    onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het college iets
                    ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om de zogenaamde
                    ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal niveau afgesproken
                    ‘bandbreedte’.Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14, 3:15, 3:20 en 3:22) heeft
                    het college de vrijheid om de betreffende arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te
                    passen (de ambtenaar kan er dus niet zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat
                    het geval is, op welke wijze dat gebeurt.Daarnaast bevat dit hoofdstuk
                    ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten
                    aanzien van de bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte
                    afgesproken, die op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld
                    in artikel 3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze
                    maximaal 10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar
                    wordt toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                    functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                    beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van de
                    ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                    betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                    beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                    beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven de
                    instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                    functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                    beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een functiewaarderingssysteem.
                    In die organisaties waarin naast of in plaats van ‘functies’ wordt gesproken
                    over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig een functiewaarderingssysteem
                    beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1 april
                    1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van toepassing was,
                    zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe structuur.</al><tussenkop>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                    uitkeringen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                    worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                    psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen
                    7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van
                    arbeidsongeschiktheid. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering
                    van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop
                    het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden
                    uitgewerkt.Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen;
                    bijvoorbeeld op junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om drie
                    te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal.Uitgangspunt is dat
                    de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit
                    echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs
                    op het minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan
                    hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                    functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is
                    bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de
                    functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in deze
                    aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de
                    functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat
                    de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld.</al><al>Zodra dit het geval is dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de
                    functie geldende functieschaal.</al><tussenkop>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen
                    van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het
                    functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van
                    periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van
                    de OR. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                    toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                    blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                    artikel 3:8 en 3:20.</al><tussenkop>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt
                    tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene
                    die op het moment van herwaardering de functie vervult. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een bijbehorend
                    lager salaris heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de aow-gerechtigde
                    leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang, geen gevolgen
                    voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3:5 van het
                    Pensioenreglement.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie
                    boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt
                    is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan of –statuut voorziet in de
                    mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager
                    maximumsalaris en een evenredige aanpassing van zijn salaris.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</tussenkop><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie,
                    als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3 lid 2) naar
                    de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling kan op
                    werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende beloningsbeleid als
                    uitgangspunt dient.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</tussenkop><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                    regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien de
                    doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze ook open
                    voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn gekomen.</al><tussenkop>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                    functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                    voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                    functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                    functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3:4
                    lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20.Deze toelage heeft altijd een
                    tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris en
                    de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te vervallen
                    (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van herwaardering hoger
                    wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de functioneringstoelage.De
                    functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20 (beloning
                    uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om
                    tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend
                    functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in
                    tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die
                    structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het
                    maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de
                    toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere
                    keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop
                    de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit
                    expliciet worden vermeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                    maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of
                    op jaarbasis).</al><tussenkop>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                    gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de
                    arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat
                    in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning
                    aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het
                    college besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, één maal per jaar
                    uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de
                    arbeidsmarkttoelage aansluiten worden toegekend voor een nieuwe periode van
                    maximaal 3 jaar. </al><tussenkop>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen van
                    de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee rekening
                    is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie. Voorbeeld van een
                    dergelijke situatie is de adjunct directeur die de directeur vervangt tijdens
                    vakantie en kortdurende afwezigheid. </al><al><vet>Lid 2 + 3</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de functie
                    dat wordt waargenomen – op het zelfde niveau wordt beloond als het geval zou
                    zijn geweest indien hij/zij bij bevordering in de waar te nemen functie zou zijn
                    aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage moet de betrokken
                    ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels – fictief – worden
                    ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt waargenomen. Het
                    verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar wordt als
                    waarnemingstoelage uitgekeerd. In het beloningsbeleid kan de toepassing van deze
                    bepaling nader worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 3:10:0:1</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Ingevolge dit lid ontvangt de ambtenaar die een andere betrekking 'volledig'
                    waarneemt een vergoeding indien voor die betrekking een hogere schaal geldt. Het
                    is vaak moeilijk vast te stellen of een waarneming 'volledig' is. In de praktijk
                    verdient het aanbeveling om met een globale benadering te volstaan. Echter: zie
                    ook het vijfde lid van dit artikel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> De waarnemingstoelage bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode
                    van waarneming. Niet alle ambtenaren die krachtens een daartoe door burgemeester
                    en wethouders verstrekte opdracht een betrekking waarnemen waarvoor een hogere
                    schaal geldt, kunnen aanspraak maken op een waarnemingstoelage. Vanaf een
                    bepaalde salarisschaal moet de waarneming ten minste 20 volle werkdagen, in zes
                    aaneengesloten weken, hebben geduurd. Burgemeester en wethouders dienen een
                    besluit te nemen voor wèlke salarisschaal dit geldt. In de praktijk is dit vaak
                    vanaf schaal 9.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> Een bijzondere regeling kan bijvoorbeeld gelden voor de functie van waarnemend
                    hoofd. Uit de aard van de functie volgt dat de persoon die deze functie vervult,
                    het hoofd vervangt bij afwezigheid. In voorkomend geval ontvangt het waarnemend
                    hoofd uit dit voorbeeld geen waarnemingstoelage.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de ambtenaar de
                    functie niet volledig waarneemt. Burgemeester en wethouders kunnen voor een
                    dergelijke situatie een vergoeding toekennen. </al><tussenkop>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere
                    regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m 4:7). Voor deze
                    ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige
                    dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig
                    zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen(gehele etmaal) én
                    op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur. </al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                    gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden
                    toegekend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                    arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                    definitie van ‘overwerk’.</al><tussenkop>Artikel 3:11:0:1</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum komt in aanmerking de al of
                    niet aansluitende tijd, doorgebracht in een betrekking bij de overheid (voltijd
                    en/of deeltijd). Het maakt daarbij niet uit of het een aanstelling of een
                    arbeidsovereenkomst is. De nadere vaststelling van het begrip 'overheid' kan
                    geschieden in de vorm van een regeling. In de praktijk zoeken veel gemeenten
                    aansluiting bij de terzake geldende rijksregeling, zoals opgenomen in de
                    ministeriële regeling van 9 november 1989, Stcrt. 223. De tijd doorgebracht als
                    vrijwilliger bij de brandweer telt dan bijvoorbeeld niet mee, evenmin
                    onbezoldigde baantjes of stages. Militaire diensttijd telt wèl mee.</al><al>Overigens is een ambtsjubileumgratificatie niet in alle gevallen onbelast; het
                    is derhalve raadzaam dit bij de Belastingdienst te controleren.</al><al>NB: er zijn lokale regelingen waarin een ambtsjubileumgratificatie bij een 12
                    1/2-jarig overheidsdienstverband wordt toegekend. Een dergelijke uitkering is
                    altijd belast.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al> Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80% of
                    meer en bij ontslag wegens pré-VUT en FPU, voor zover dit volledig ontslag
                    betreft. Van deze ontslaggronden is alleen ontslag op grond van artikel 8:4
                    gedeeltelijk mogelijk. Alleen in deze situatie kan het dus voorkomen dat een
                    proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet worden naar rato van het
                    aantal uren waarvoor ontslag is verleend.</al><tussenkop>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</tussenkop><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                    buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te
                            verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                            buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te
                            verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3:13.
                            Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om
                            daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn
                            beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over
                            de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                    uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                    gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De
                    uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in
                    vakantieverlof.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </tussenkop><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor de
                    ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht
                    geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><lijst><li nr="-"><al>afgebakende periodes, </al></li><li nr="-"><al> buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al></li><li nr="-"><al> waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep
                            werkzaamheden te verrichten.</al></li></lijst><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd
                    rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden
                    of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die
                    ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een
                    beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij
                    gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor
                    onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet
                    ook regels voor de beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van
                    de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                    worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies is
                    de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene
                    omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de
                    zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht
                    om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet
                    noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in
                    voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden
                    verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens
                    deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden heeft
                    verricht, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                            ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het
                            dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel
                            3:12. </al></li><li nr="-"><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                            heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                            overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                    toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                    functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                    salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                    salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                    overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en
                    niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of vormen
                    van variabele beloning. </al><tussenkop>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                    gerekend. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                    cumuleert.</al><tussenkop>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</tussenkop><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de
                    bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de
                    werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                    Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar
                    op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de op die
                    woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><tussenkop>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van
                    dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een eindejaarsuitkering betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn geweest. </al><tussenkop>Artikel 3:19 Ambtsjubileum (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de al
                    dan niet aansluitende tijd – in voltijd en/of deeltijd – doorgebracht in een
                    dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. Het is niet
                    noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar destijds ook zelf ABP-deelnemer is
                    geweest. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt niet mee,
                    evenals onbetaalde baantjes, werkervaringsovereenkomsten of stages. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldend salaris en
                    de salaristoelagen naar rato over de maand waarin het jubileum valt. De ophoging
                    met 8 % betreft de vakantietoelage die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging
                    werd gerekend maar sindsdien is opgenomen in het IKB. Een
                    ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd;
                    aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te gaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80%
                    of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en kan het
                    dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet
                    worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend.</al><tussenkop>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college
                    bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige)
                    inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen
                    van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en
                    tot gevolg hebben dat de ambtenaar sneller het maximum van de salarisschaal
                    bereikt.Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een
                    blijvend beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die er vanuit gaat na
                    verloop van tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8
                    en 3:20 gaat het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en
                    incidentele beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend
                    kunnen worden toegekend.Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag
                    in meerdere termijnen uit te keren.</al><tussenkop>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</tussenkop><al>Dit artikel laat onverlet dat binnen de daarin aangegeven begrenzing van de
                    vergoeding OV (2e klasse), voor vergoeding van de overige kosten de
                    ‘Reisregeling binnenland’(BZK) wordt toegepast.</al><tussenkop>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                    door de dienst (T)</tussenkop><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                    overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met het IKB en de
                    salaristoelagen, waarbij de 12 kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort
                    o.g.v. artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op hoogte van deze
                    overlijdensuitkering.Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook
                    bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode.</al><tussenkop>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                    ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december is de
                    peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge tegemoetkoming
                    in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het salaris van de
                    ambtenaar in die maand vergeleken met het in december geldende bedrag van het
                    maximum van schaal 6. Is het salaris van de ambtenaar in december meer dan het
                    maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris
                    van de ambtenaar in december gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6,
                    dan ontvangt hij de hoge tegemoetkoming.</al><tussenkop>Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</tussenkop><tussenkop><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en
                            afbouwtoelagen</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                    naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de
                    betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris
                    of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen,
                    niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met
                    andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in
                    de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                    overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                    2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                    voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden
                    bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                    blijven.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                            overeengekomen einddatum</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond
                    omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag
                    en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld,
                    maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de
                    toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de
                    einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald
                    schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                    gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt
                    aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage
                    gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de
                    TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in
                    een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde
                    einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde
                    einddatum.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>3.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk
                    3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>4.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de <onderstreept>grondslag van de
                        vakantietoelage</onderstreept> meer beloningselementen (inclusief
                    emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                    het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij
                    gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te
                    vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                    nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan
                    het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is.
                    Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de
                    tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom
                    afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                    compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband
                    ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten
                    toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd
                    achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is
                    een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld
                    een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat
                    deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of
                    toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En
                    niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen
                    bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is
                    dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan
                    onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is
                    gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het
                    nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag
                    dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt
                    daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de
                    berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA
                    afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt
                    gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat
                    de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op
                    basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend
                    met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                    hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de
                    ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                    ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                    overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt
                    geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden
                    toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe
                    medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele
                    kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                    alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het
                    oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat
                    die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige
                    ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk
                    of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                    refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                    bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                    medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de
                    TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                    overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd
                    dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze
                    vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker
                    en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het
                    om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                    werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>5.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                    verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen
                    ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                    een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (- Euro 200) = Euro
                    100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is
                    geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                    of levensloopbijdrage.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>6.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                    medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                    promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet
                    verrekend met de TOR van de medewerker. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>7.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                    uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                    omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                    uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                    afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat
                    als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                    enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                    gemaakt.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>8.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                    het bedrag naar rato verlaagd.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>10.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR
                    daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>11.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                    behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt
                    verhoogd. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>12.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Zie punt 8.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>13.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de
                    afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze
                    ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook
                    dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                    relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de
                    gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op
                    individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende
                    artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet dat
                    ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in overleg
                    met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden die recht
                    doen aan de lokale situatie .Voorbeelden daarvan zijn bloktijden, openingstijden
                    van het kantoorpand etc. </al><tussenkop>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</tussenkop><al> LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering
                    van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De
                    standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering.
                    Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft
                    bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn
                    van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de
                    gezagsverhouding die de relatie werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar
                    heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag
                    werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op
                    een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar
                    verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit
                    bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de
                    standaardregeling. Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap.
                    De leidinggevende geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote
                    professionele verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een belangrijke
                    rol; zij monitort of het proces rondom het individueel vaststellen van de
                    werktijden goed verloopt binnen de organisatie en past binnen de kaders van de
                    werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR
                    verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle
                    medewerkers van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de
                    werktijden, onder de bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor
                    onbepaalde tijd. </al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                    zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                    roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                    toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld door
                    het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder. </al><al>Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                    beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                    vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                    deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                    werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                    roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de bijzondere
                    regeling van de werktijden vallen. Indien de gemeente gebruik maakt van een
                    systeem van zelfroostering, waardoor medewerkers zeggenschap krijgen over hun
                    werktijden, dan geldt ook voor deze medewerkers de standaardregeling. De
                    bijzondere regeling is uitsluitend van toepassing op medewerkers die (vrijwel)
                    geen zeggenschap hebben over hun werktijden. </al><tussenkop>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet><cursief></cursief> De standaardregeling heeft als
                    uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken maakt over
                    invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
                    standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt
                    opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de
                    ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de
                    “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de
                    medewerker. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed
                    ambtenaar betaamt moeten invullen. </al><al><vet>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </vet></al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                    afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                    werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                    ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                    uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast, maar
                    dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt
                    de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk dat binnen een
                    afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen
                    indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet tot goede
                    afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de
                    toelichting op lid 12. </al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                    werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                    ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                    ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan
                    te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat
                    ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per
                    jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De
                    ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
                    vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn leidinggevende
                    stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval
                    aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband.
                    Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren
                    uitbetaald tegen de vergoeding. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                    werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                    buitendagvenstervergoeding tegenover. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken
                    maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid
                    heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in
                    het elfde lid. </al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid
                    leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op
                    andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het
                    dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn
                    leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn
                    en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar
                    werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte
                    van de laagste buitendagvenstervergoeding. </al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                    medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe
                    dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                    problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR
                    verbetervoorstellen doen aan het college. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                    werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster
                    zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband
                    gedoeld op uren/dagen waarvoor geen onregelmatigheidstoelage verstrekt wordt. Op
                    grond van de regels over de ort en werktijden zoals deze golden op 31 december
                    2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de ambtenaar op zaterdag voor ten hoogste
                    drie uren in te roosteren zonder aanspraak op een ort. Als de gemeente op 31
                    december 2013 een werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die in
                    overeenstemming met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere
                    dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014. </al><tussenkop>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe
                    zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig
                    vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om
                    medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk
                    te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen
                    overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de
                    bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig
                    vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 </vet></al><al> Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                    verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de
                    kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe
                    moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de
                    wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                    vijfde lid van dit artikel. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                    gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag. Voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op bijvoorbeeld tweede
                    paasdag geldt dat - op grond van artikel 3:2:1, vijfde lid, onder b, van de UWO
                    - deze feestdag gelijk wordt gesteld aan een zondag. Voor een
                    berekeningsvoorbeeld van de overwerkvergoeding wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,
                    maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële
                    lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                    arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding
                    op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het
                    derde lid is aangegeven De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval
                    afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op een carnavalsmaandag
                    hetgeen in artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO is geregeld ten
                    aanzien van een "gewone" maandag. </al><tussenkop>Artikel 4a:1:1:1</tussenkop><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de elementen
                    van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1 maakt het mogelijk om
                    vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2 maakt het mogelijk om extra
                    vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een lokale regeling
                    te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. In dit artikel is
                    geregeld dat de ambtenaar vóór 1 november (of vóór een andere datum als dit op
                    lokaal niveau is vastgesteld) een verzoek kan indienen bij burgemeester en
                    wethouders tot het verkopen van vakantie-uren in het daarop volgende
                    kalenderjaar (eerste lid). Dit betekent dat de ambtenaar in 1999 een verzoek
                    moet indienen om in het kalenderjaar 2000 feitelijk uren te kunnen verkopen. Het
                    maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht, is geregeld in de leden
                    twee en drie. Als burgemeester en wethouders het verzoek toewijzen (vierde lid),
                    dan krijgt de ambtenaar een vergoeding voor de verminderde vakantie-uren ter
                    hoogte van zijn salaris per uur, tenzij op lokaal niveau anders is
                    overeengekomen (eerste en vijfde lid).</al><tussenkop><vet>Lid 2 en 3</vet></tussenkop><al> Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur. Bij een
                    volledige betrekking moet na verkoop van vakantie-uren en na aftrek van de
                    vakantie-uren die worden ingezet in het kader van de verlofspaarmogelijkheid
                    (artikel 4:3), 144 verlofuren resteren (tweede lid).Het minimum aantal uren is
                    ontleend aan artikel 634 van boek 7, titel 10 van het BW, waarin is bepaald dat
                    de werknemer ten minste recht heeft op vier maal de overeengekomen arbeidsduur
                    per week. Bij een volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x 36 uur =144
                    uur. Hoewel formeel het BW niet van toepassing is, hebben LOGA-partijen
                    afgesproken op dit punt het BW te volgen. Bij een volledige formele arbeidsduur
                    is het aantal vakantie-uren op grond van artikel 6:2, eerste lid, 158,4 uren per
                    kalenderjaar. Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 kan dit aantal
                    uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door in een
                    kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar. Op deze wijze
                    wordt het aantal vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en kan maximaal 64,8 uur
                    worden verkocht. Het verkopen van het maximale aantal vakantie-uren (72 uur) is
                    uitsluitend mogelijk voor werknemers die verlofuren van het vorige jaar hebben
                    meegenomen. Verder is het mogelijk om op grond van artikel 3:2:1 verlofuren die
                    het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te zetten in vakantie-uren.
                    Overigens is dit omzetten niet onbeperkt. De som van het aantal uren op grond
                    van artikel 3:2:1, tweede lid, en het aantal uren op grond van artikel 6:2,
                    tweede lid is maximaal 50,4 uren. Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren
                    naar rato van de deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de seniorenmaatregel
                    gebruikmaken geldt hetzelfde principe (zie ook artikel 6:2:1, zesde lid).</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al> De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo’n belang is in ieder geval
                    sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c"><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe geen
                            ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                    voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op het totale gebruik
                    van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van artikel 28 van de Wet op de
                    ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de naleving bevordert van de
                    voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van
                    arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al> Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur een
                    vergoeding van een (bruto) uursalaris bovenop zijn normale (bruto) salaris. Dit
                    is zijn eigen uursalaris, tenzij lokaal anders is overeengekomen. Hiermee
                    veranderen enkele berekeningsgrondslagen voor premieheffing en loon- en
                    inkomstenbelasting. De grondslagen voor OP/NP/IP/FPU en IZA veranderen niet. De
                    grondslagen voor WAO-premie, pseudo-premie WW en loon- en inkomstenbelasting
                    worden verhoogd. De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering, oudersdomspensioen,
                    nabestaandenpensioen, invaliditeitspensioen en FPU blijven onveranderd. De
                    uitkeringen (WAO, WW, ZW) en suppletie worden hoger.</al><tussenkop>Artikel 4a:2:1:1</tussenkop><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel kan
                    de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een werknemer met een formele
                    arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72 vakantie-uren in een kalenderjaar kopen.
                    Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening geschiedt door middel van
                    inhouding van een geldbedrag. Conform hetgeen bij artikel 4a:1 is opgemerkt
                    veranderen de grondslagen voor OP/NP/IP/FPU en IZA niet. Door het kopen van
                    vakantie-uren worden de grondslagen voor loon en- inkomstenbelasting en de
                    grondslagen voor WAO-premie en pseudo-premie WW lager. In tegenstelling tot bij
                    het verkopen van uren blijven de uitkeringen (WAO, WW, ZW) en suppletie
                    onveranderd. De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering, oudersdomspensioen,
                    nabestaandenpensioen, invaliditeitspensioen en FPU blijven ook onveranderd.</al><tussenkop>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                    vakantietoelage of urenvergoeding (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit lid biedt de mogelijkheid om de bezoldiging, eindejaarsuitkering,
                    vakantie-uitkering of de vergoeding voor extra te werken uren te verlagen in
                    ruil voor andere bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de
                    bestedingsmogelijkheden o.a. een fietsregeling, de vakbondscontributie of een
                    vergoeding voor de kosten van woonwerkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel
                    opleveren voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In
                    ieder geval wordt door deze bepaling aan één van de voorwaarden van de
                    belastingdienst voldaan. Voorwaarde is namelijk dat er een basis in de
                    arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor het inleveren van bezoldiging,
                    eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en vergoeding voor de verkoop van
                    vakantie-uren. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling, de
                    vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van woonwerkverkeer) kunnen
                    de voorschriften en de voorwaarden worden vastgelegd, rekening houdend met de
                    fiscale randvoorwaarden.De lokale bezoldigingsverordening mag een dergelijke
                    tijdelijke verlaging van de bezoldiging niet in de weg staan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de ambtenaar
                    wordt verleend. Anders dan hetgeen in het BW is bepaald, vervallen de aanspraken
                    op niet opgenomen vakantiedagen niet. </al><al>Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de algemene regels
                    met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel 6:2:1, eerste lid) ook
                    aangeven welke gedragslijnen worden gehanteerd wanneer het vakantieverlof van
                    enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid om niet-genoten
                    verlofuren door te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot die gevallen
                    zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In het geval dat
                    het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie verzet en hierdoor de
                    vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is toegekend, wordt de
                    niet-genoten vakantie zo veel mogelijk in het eerstvolgend kalenderjaar verleend
                    (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is verleend op gronden
                    genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of herhalingsoefening
                    militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe toegekend in het
                    volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over het tijdstip van
                    opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2.</al><al>Indien de ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7,2 uur per dag, zal
                    het verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                    genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij voor
                    42 uren is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                    verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                    waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts
                    met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                    uur, de ambtenaar bijvoorbeeld slechts weinig verlofuren resteert, kan het de
                    ambtenaar worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke
                    arbeidsduur van minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren
                    over minder dan vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan
                    creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                    aantal aspecten van de organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks
                    recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen
                    viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een
                    36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij
                    een volledige betrekking) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836
                    uur. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als maximum.
                    Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk aantal extra
                    vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november (tenzij anders
                    geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek
                    geldt. Niet voor niets is hiervoor de zelfde formulering gekozen als in de
                    artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel 4a:2, eerste lid (het verzoek tot verkoop
                    dan wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het cafetariamodel
                    ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de verzoeken
                    rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al></li><li nr="-"><al>verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al></li><li nr="-"><al>koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                    bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel
                    roostertechnische aard.</al><al>Verder is het ook mogelijk om verlofuren die op grond van artikel 3:2:1 het
                    gevolg zijn van de vergoeding van overwerk om te zetten in vakantie-uren.
                    Overigens is dit omzetten niet onbeperkt. De som van het aantal uren op grond
                    van artikel 3:2:1, tweede lid, en het aantal uren op grond van artikel 6:2,
                    tweede lid is maximaal 50,4 uren.</al><al>Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                    deeltijdfactor.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid is
                    in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:2:1 Nadere regels (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                    rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij vormt de formele arbeidsduur
                    op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur overeenkomstig de aanstelling. De minimale
                    duur van de vakantie voor ambtenaren met een volledige betrekking is vastgelegd
                    in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een formele
                    arbeidsduur van 24 uur per week het aantal verlofuren ten minste 24/36 x 158,4 =
                    105,6 uur per kalenderjaar bedraagt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Door middel van een lokale regeling voorziet het college ten aanzien van (een
                    groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte
                    diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide. Per extra verlofdag dient het
                    basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden vermeerderd. Een werknemer
                    met bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop
                    het basisverlof van ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Bij een deeltijder
                    wordt het extra aantal verlofdagen naar rato vastgesteld.</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is het lokale
                    overleg geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen voor nieuw indiensttredend
                    personeel te laten vervallen. Ook in het geval dat iemand de ene gemeentelijke
                    werkgever verruilt voor een andere gemeentelijke werkgever vervallen deze
                    leeftijdverlofdagen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen werken en
                    ambtenaren die zich buiten de voor hun betrekking vastgestelde werktijden ter
                    beschikking houden, aanspraak hebben op extra verlof. Voorwaarde hierbij is wel
                    dat het onregelmatige arbeidspatroon van de ambtenaar dan wel de evengenoemde
                    plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in belangrijke mate geldt.</al><tussenkop>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit aan de ambtenaar
                    geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de ambtenaar
                    redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op de hoogte
                    wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 6:2:2:1</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit aan de ambtenaar
                    geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de ambtenaar
                    redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op de hoogte
                    wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te nemen. </al><tussenkop>Artikel 6:2:3:1</tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Dit artikellid bepaalt de duur van de vakantie indien de ambtenaar in de loop
                    van een kalenderjaar wordt aangesteld of ontslagen. Bij deze berekening dient te
                    worden uitgegaan van de volle maanden gedurende welke de ambtenaar zijn
                    betrekking vervult. Een werknemer die bijvoorbeeld op 15 maart in dienst treedt,
                    heeft derhalve 9/12 x 158,4 = 118,8 uur vakantieverlof.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Dit artikellid richt zich op ambtenaren die niet gedurende het gehele jaar een
                    betrekking vervullen, bijvoorbeeld ten gevolge van non-activiteit, onbetaald
                    verlof of schorsing. Vermindering van de duur van de vakantie vindt plaats over
                    het lopende kalenderjaar en eventueel over een volgend kalenderjaar. Ingeval van
                    ziekte en militaire dienst geldt lid 3 van dit artikel.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling of
                    ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, geen
                    vermindering wordt toegepast gedurende de laatste zes maanden van de periode van
                    afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas na afloop van de
                    periode van afwezigheid worden vastgesteld.</al><al>Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd
                    wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen (ofwel voor 45% of meer
                    arbeidsgeschikt), dan vindt de vermindering niet plaats. Indien betrokkene
                    gebruikmaakt van een seniorenregeling, moet dit percentage genomen worden van de
                    werktijd zoals die voor hem geldt na toepassing van de seniorenregeling. Dit
                    betekent dat voor een zieke senior wordt uitgegaan van de
                    seniorenarbeidsduur.</al><al>Tijdvakken gedurende welke hieraan wordt voldaan, blijven derhalve buiten
                    beschouwing voor de vermindering. Bovendien wordt bepaald dat de periode van zes
                    maanden opnieuw gaat tellen na een periode van volledig herstel gedurende ten
                    minste vier weken.</al><al>Geadviseerd wordt om de beperking van de vakantieopbouw tijdens ziekte omwille
                    van de eenvoud zodanig toe te passen dat deze vermindering wordt uitgedrukt in
                    maanden. Enkele voorbeelden ter illustratie:</al><lijst><li nr="-"><al>indien betrokkene zeven maanden volledig ziek is, vindt er gedurende zes
                            maanden vakantieopbouw plaats, 1/12 van het aantal verlofuren wordt
                            gekort; </al></li><li nr="-"><al>bij een ziekte van vijf maanden, gevolgd door een periode van vijf
                            maanden gedurende welke sprake is van de arbeidsgeschiktheid van 50%,
                            vindt gedurende de gehele periode de volledige vakantieopbouw plaats;
                        </al></li><li nr="-"><al>indien de ziekte negen maanden duurt waarbij gedurende twee maanden
                            sprake is van arbeidsongeschiktheid van 50%, wordt het aantal
                            vakantiedagen met 1/12 gekort; </al></li><li nr="-"><al>bij een ziekte van twee maanden, gevolgd door een periode van volledig
                            herstel gedurende vijf weken waarna een periode van ziekte volgt van
                            zeven maanden, wordt het aantal vakantiedagen met 1/12 gekort. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Indien een ambtenaar wegens ziekte slechts gedeeltelijk werkt, bijvoorbeeld voor
                    halve dagen, en hij in deze periode vakantiedagen wil opnemen, dan gelden deze
                    dagen als volle vakantiedagen, met andere woorden: er dient dan het aantal uren
                    van zijn vakantietegoed te worden afgeschreven alsof de ambtenaar volledig
                    werkt.</al><al>Onder het gedeeltelijk hervatten van werk wordt niet het werken op
                    therapeutische basis verstaan. Therapeutisch werk wordt namelijk gelijkgesteld
                    met ziekte. Indien betrokkene bij therapeutisch werk vakantie wil opnemen, dan
                    behoeft derhalve geen verlof van de verlofkaart te worden afgeschreven.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een
                    vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een
                    volledige betrekking herberekend - salaris van de ambtenaar per maand (artikel
                    1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de schaal
                    welke aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast
                    bedrag geldt, dit bedrag (zie artikel 3:1, tweede lid onder b CAR).</al><al>Op de vergoeding worden alleen loonbelasting en sociale premies ingehouden, dus
                    geen IZA- of ABP-premie.</al><tussenkop>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                    redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                    dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                    verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                    verjaard.</al><tussenkop>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                    vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten
                    vakantie-uren als niet verleend worden beschouwd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                    vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade.</al><al>Bij geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                    vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets waar
                    geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in een
                    volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen
                    van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de situatie niet of
                    niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met
                    inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid 3.</al><al>Deze bepaling geeft overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlof-uren te
                    schrappen (met uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                    doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                    bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame uitwerking
                    zal hebben.</al><al>Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen aantonen,
                    bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de behandelend of controlerend
                    arts, dat hij gedurende die periode nog niet genezen was en dat er uit medisch
                    oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat er een
                    heilzame uitwerking werd verwacht.</al><al>Er wordt tijdens deze periode geen verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de
                    ambtenaar namelijk ziekteverlof gedurende welke niet nog eens verlof uit andere
                    hoofde kan worden opgenomen.</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                    verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3, vierde lid.</al><al>Indien het aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren
                    slechts een gering aantal betreft - het college dient dan in een besluit te
                    bepalen hoeveel - kan een verzoek tot overboeking achterwege blijven. Het
                    overboeken geschiedt dan automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren
                    dat dit aantal verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het
                    spreekt vanzelf dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg
                    dient te worden gevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt tijdens
                    zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen van een
                    verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp betrekking
                    hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden.
                    Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende
                    dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van het op
                    grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een
                    ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 187,2 uren vakantieverlof kan, wanneer op
                    zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend
                    kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij op
                    verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende
                    verlofuren worden vervolgens naar het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><tussenkop>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het
                    wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof
                    in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn
                    van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld
                    omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet.
                    Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel
                    een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een
                    loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan
                    hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de
                    ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een
                    onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</tussenkop><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt,
                    wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan hoe
                    dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een duidelijk
                    onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen “vervallen” en
                    “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt het recht op verlof
                    onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een termijn. De
                    uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid. Bij verjaring
                    komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het verstrijken van de termijn,
                    maar kan dit door middel van een schriftelijke verklaring van de rechthebbende
                    medewerker worden ‘gestuit’. De strekking van deze verklaring moet zijn dat
                    betrokkene de beschikking wil houden over het verlof dat dreigt te verjaren. Het
                    gevolg van stuiten is dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en de
                    medewerker zijn aanspraak op het verlof behoudt. Dit laatste wil overigens niet
                    zeggen dat hij er ook altijd over kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel
                    6:2:6, derde lid, UWO.</al><tussenkop>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op vakantietoelage
                    gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak heeft op bezoldiging
                    (bijvoorbeeld tijdens een periode van non-activiteit). Voor de berekening van
                    een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand gesteld op 30
                    dagen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand wordt
                    berekend over de in die maand geldende bezoldiging. De omschrijving van het
                    begrip bezoldiging in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, leidt ertoe dat ook
                    over de in de bezoldigingsregeling genoemde toelagen vakantietoelage berekend
                    dient worden. Een onkostenvergoeding wordt niet gerekend tot de toelagen. De
                    minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per maand.</al><tussenkop>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van de bezoldiging wordt
                    ingehouden in geval van een disciplinaire maatregel of een schorsing, over deze
                    periode geen vakantietoeslag wordt uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit
                    expliciet bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval,
                    dan ontvangt betrokkene een vakantietoeslag over dat deel van de bezoldiging dat
                    niet is ingehouden.</al><tussenkop>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                    2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de
                    Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen om betaald werk te
                    combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                    vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kort verzuimverlof, zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg, kraamverlof,
                    ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Wazo zijn niet
                    opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                    toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                    aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende aanspraken
                    bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling
                    uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Bij die
                    gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties op grond waarvan
                    calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend, verruimd. Daarbij
                    gaat het om de introductie van het criterium ‘onvoorzienbaarheid’ en de
                    toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd
                    te plannen arts- of ziekenhuisbezoek – of de noodzakelijke begeleiding daarbij –
                    als reden voor het toekennen van verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en
                    kraamverlof is geregeld in de artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief>Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo
                    geregeld dat het kraamverlof kan worden uitgebreid met drie dagen, door een
                    ‘voorschot’ te nemen op het (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en
                    ander is geregeld in artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><tussenkop>Artikel 6:4:1:1</tussenkop><al>In het eerste lid wordt een tweetal situaties genoemd waarin buitengewoon verlof
                    verleend wordt door het college. Een verzoek om buitengewoon verlof op grond van
                    dit artikel kan geweigerd worden indien de belangen van de dienst zich daartegen
                    verzetten. Bij niet in dit artikel geregelde gevallen kan artikel 6:4:5
                    toegepast worden.</al><tussenkop><cursief>Sub a</cursief></tussenkop><al>Onder ‘ernstige ziekte’ moet worden verstaan ziekte in een terminaal
                    stadium.</al><tussenkop><cursief>Sub b</cursief></tussenkop><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                    voltrokken.</al><tussenkop>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo).Voor een
                    inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het langdurend
                    zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014, 565).
                    Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en langdurend
                    zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de eerste en
                    tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving. Behalve in
                    het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook langdurend zorgverlof
                    worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging bij ziekte of
                    hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:9 tot
                    en met 5:16 Wazo.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                    geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn
                    bezoldiging over de uren dat hij langdurend zorgverlof geniet.</al><al><vet>Lid 2 tot en met 7</vet></al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                    vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                    langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                    zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op
                    zijn volledige bezoldiging, wordt de vermindering van de duur van de vakantie
                    beëindigd en vindt de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de
                    volledige bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                    aangelegenheden.</al><al>Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de eigen of een andere
                    organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de voorvergadering en de vergadering zelf.
                    Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de
                    vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                    zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                    uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                    verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de lokale
                    omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in
                    de vakorganisaties actieve leden etc. Een nadere regeling kan bijvoorbeeld
                    voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof wordt geweigerd op
                    grond van het dienstbelang.</al><tussenkop>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg. Voor een
                    inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het kortdurend zorgverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014, 565), waarbij de kring
                    van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan worden opgenomen is
                    verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad, huisgenoten en andere
                    personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de
                    artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16 Wazo.</al><al><cursief>Samenloop met andere verlofvormen</cursief> De wetgever heeft het
                    noodzakelijk geacht om een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse
                    verlofvormen. Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de
                    voorwaarden voor calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend
                    zorgverlof. In dat geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om
                    voor calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof verleend wordt met behoud van
                    de volledige bezoldiging. In artikel 5:8 Wazo is daarom bepaald dat indien zowel
                    is voldaan aan de voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als aan de
                    voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het calamiteitenverlof na één dag
                    eindigt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledige betrekking ten
                    hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de
                    ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a verruimd is naar maximaal
                    40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                    ambtenaar met een betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week, naar
                    evenredigheid wordt verminderd.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft voor
                    rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de werkgever
                    komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de inlevering
                    van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om het verlof op een
                    later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de
                    verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                    gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                    maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                    overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt geen
                    pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders, gedeputeerden of
                    hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn benoemd een pensioen
                    op op basis van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (Appa). De vut- en
                    AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter, op grond van de Pensioenovereenkomst
                    blijft de verdeling van het verhaal ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten
                    van het werkgeversdeel, maar hij kan het werknemersdeel wel verhalen op de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet toereikend
                    blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om het overlijden
                    van een verwant te verwerken (rouwverlof). </al><al>Het verlof kan met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging worden
                    verleend. Wanneer er sprake is van een gedeeltelijke doorbetaling van de
                    bezoldiging kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit
                    de levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a. </al><tussenkop>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                    zoals bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                    6:10, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Voor een
                    inleidende toelichting op de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting op artikel
                    6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het ouderschapsverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565). Daarbij zijn
                    zowel de eis dat men een jaar in dienst van de werkgever moet zijn, als de
                    regels met betrekking tot de wijze waarop het verlof kan worden opgenomen, komen
                    te vervallen. Een andere belangrijke wijziging betreft het recht om – behoudens
                    een zwaarwegend dienstbelang aan de kant van de werkgever – een eenmaal
                    toegekend recht op ouderschapsverlof te onderbreken of op te schorten (artikel
                    6:6 lid 2 Wazo).</al><al>Het ouderschapsverlof is geregeld in de artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo.</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op
                    grond van de Wazo, recht heeft op een gedeeltelijke doorbetaling van zijn
                    bezoldiging over ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. Deze
                    regeling geldt voor die gemeenten waarin lokaal een regeling betaald
                    ouderschapsverlof vastgesteld is of wordt.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                    ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, heeft
                    recht op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging over dit verlof,
                    gedurende ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. De doorbetaling
                    bedraagt het in het tweede lid aangegeven percentage van de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                    aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                    (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                    zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek wordt
                    gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten ouderschapsverlof op een
                    later moment kan worden opgenomen, zolang aan de voorwaarden daarvan wordt
                    voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het college niet eerder gevolg te
                    worden gegeven dan vier weken na het verzoek.</al><tussenkop>Artikel 6:5:1 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</tussenkop><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                    ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt wel
                    het recht op ouderschapsverlof volgens de Waz, doch zonder doorbetaling van de
                    bezoldiging. Voor het ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn de
                    bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 van overeenkomstige
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 6:5:3 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                    overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                    bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                    arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene
                    tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis),
                    van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis
                    x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                    verlofaanspraak op jaarbasis).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De opbouw van de vakantietoelage tijdens ouderschapsverlof vindt plaats op basis
                    van de bezoldiging, die tijdens het ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Bij
                    betaald ouderschapsverlof wordt dus gedeeltelijk vakantietoelage opgebouwd. Bij
                    onbetaald ouderschapsverlof wordt geen vakantietoelage opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De terugbetaling van de bezoldiging betreft de bezoldiging die is betaald over
                    de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof heeft genoten. Dit geldt
                    alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1 (ontslag op verzoek) en artikel 8:13
                    (ontslag als disciplinaire straf).</al><al>Als een ambtenaar het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor
                    de toepassing van artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als
                    een afzonderlijk deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld.
                    Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft
                    van zijn betrekking. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                    ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Op 1-05-2002
                    wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                    niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de tweede
                    periode van ouderschapsverlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                    indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                    bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                    buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                    veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering wordt
                    verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft
                    gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door
                    geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
                    Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                    terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Onder het aanvaarden van een betrekking voor minder uren dan hij direct
                    voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek
                    om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit worden
                    vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander
                    is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen voor
                    de helft van zijn betrekking. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn
                    feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze
                    ambtenaar wordt bezoldigd volgens schaal 8.De ambtenaar verzoekt binnen drie
                    maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                    werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                    Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, de
                    bezoldiging die hij genoot over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof
                    gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld betekent dit dat betrokkene over
                    zes uur bezoldiging dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50%
                    bezoldiging.Indien er ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week
                    en de aanstelling wordt binnen drie maanden na afloop van het ouderschapsverlof
                    op verzoek van betrokkene met zes uur verminderd, geldt dat de bezoldiging die
                    hij genoot over de vier uur ouderschapsverlof terugbetaald dient te worden; dus
                    4 uur x 26 weken x 50% bezoldiging.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof gaat
                    genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                    terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                    genoemd.</al><tussenkop>Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al>Deze overgangsregeling is bedoeld voor ambtenaren die op 31 december 2005 ten
                    minste één jaar in dienst zijn van de gemeente en die op die datum één of meer
                    kinderen hebben die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen
                    ouderschapsverlof genoten is. De overgangsregeling is inhoudelijk een
                    voortzetting van de regeling zoals die gold op 31 december 2005. De ambtenaar
                    die gebruikmaakt van de overgangsregeling betaald ouderschapsverlof komt in
                    principe ook in aanmerking voor de fiscale tegemoetkoming van de
                    Belastingdienst. De ambtenaar ontvangt dan over de uren dat hij betaald
                    ouderschapsverlof geniet het percentage van de bezoldiging zoals bepaald in het
                    tweede en derde lid minus de daaraan gekoppelde ouderschapsverlofkorting waarop
                    de ambtenaar aanspraak kan maken bij de Belastingdienst. Of hij dit maximale
                    bedrag daadwerkelijk krijgt, doet niet ter zake.</al><tussenkop>Artikel 6:6 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                    (Wazo).Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari
                    2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname van de baby
                    het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van de moeder het
                    resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder kan het
                    bevallingsverlof na de 6e week na de bevalling gespreid worden opgenomen. Het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de artikelen 3:1 t/m 3:1a,
                    3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
                    mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                    doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van de volledige
                    bezoldiging. Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de periode van het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een uitkering (artikel 3:7 lid 1
                    Wazo). De hoogte van de uitkering in geval van zwangerschap en bevalling
                    bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een vastgesteld
                    maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag van deze uitkering wordt in mindering
                    gebracht op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar recht heeft.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof de
                    bezoldiging door te betalen. De vrouwelijke ambtenaar moet tijdig aan de
                    werkgever de informatie overleggen die de werkgever nodig heeft voor het
                    ontvangen van de uitkering op grond van de Wazo (artikel 3:11 Wazo).Als vanwege
                    schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt verstrekt kan dit geheel
                    of gedeeltelijk in mindering worden gebracht op de bezoldiging. Er wordt dan een
                    fictieve uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om
                    verrekening van de bezoldiging met de uitkering wegens zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is de ambtenaar verplicht mee te
                    werken aan de uitbetaling van de Wazo-uitkering door het UWV aan de
                    gemeentelijke werkgever.</al><al><cursief>Ziekte voor zwangerschapsverlof</cursief> Er kan sprake zijn van een
                    situatie dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde periode voor ingang van haar
                    zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                    gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                    zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien
                    van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan
                    betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt dan van tevoren was gekozen.
                    De periode van het bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake of
                    een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte
                    wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel dat de
                    vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><tussenkop>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo).
                    Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het adoptie- en
                    pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014,
                    565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden opgenomen binnen
                    een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in
                    de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 4</vet></al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de uitkering
                    aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de
                    datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid
                    2). De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever en de werkgever
                    betaalt de volledige bezoldiging door. De ambtenaar verleent op verzoek van de
                    werkgever alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen
                    van de uitkering ter zake het adoptie- en pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar
                    geen volledige medewerking verleent ten aanzien van de aanvraag van de uitkering
                    kan dit leiden tot een korting op de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                    termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht bestaat
                    op doorbetaling van de volledige bezoldiging niet op. Dit betekent dat indien
                    een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte adoptie- en pleegzorgverlof geniet,
                    het verlof onderdeel uitmaakt van de termijn van 6 maanden.</al><al><cursief>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</cursief> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel
                    recht heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als
                    op een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor
                    adoptie of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband
                    met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                    uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                    verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                    Wazo).</al><tussenkop>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                    levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en maximaal
                    18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de
                    sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor
                    ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de
                    vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt
                    dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van hoofdstuk 6a
                    CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn
                    levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname van het levenslooptegoed
                    wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                    aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan
                    te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals
                    die worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit
                    artikellid mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het
                    toekennen van verlof dat korter dan een maand duurt. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                    beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag
                    voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald
                    verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot
                    uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                    toegekend. </al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                    daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het verzoek
                    zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld
                    roostertechnische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen
                    in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de
                    belangen van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                    wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                    verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen
                    is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen nadeel
                    ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar. </al><al><vet>Lid 9</vet></al><al> Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie
                    jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd als een
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit
                    argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                    zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                    maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake indien
                    toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="b"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof
                    geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. </al><al>Omdat een eventuele maandelijkse uitkering van het levenslooptegoed van artikel
                    6a:9 CAR niet kan worden aangemerkt als salaris noch als bezoldiging vindt over
                    de opgenomen uren van onbetaald verlof ook geen opbouw van de vakantietoelage,
                    levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering plaats. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook
                    gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een
                    verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg
                    voor de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten
                    van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is
                    immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                    arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een
                    uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer
                    het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een
                    vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                    verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                    situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                    betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt zorg
                    voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele
                    periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                    van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de ambtenaar
                    enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij verlof van maximaal drie
                    maanden door het college betaald. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato
                    vastgesteld. De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is
                    geregeld in het pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de
                    premieverdeling tussen het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven
                    in welke mate pensioen wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en
                    hoe het college de premie moet verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1"><al>Pensioen opbouwen</al><al><cursief> Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</cursief> Bij
                            onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende de gehele
                            verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen sprake van verlof
                            is (artikel 3:4, eerste lid, van het pensioenreglement). De ambtenaar
                            blijft dus ongewijzigd pensioen opbouwen.</al><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70% van het
                                    inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof
                                    was gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het inkomen dat
                                    zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan.
                                    Dit is alleen in het eerste jaar. Daarna stopt de opbouw. De
                                    ambtenaar heeft dan wel de keuze om nog pensioen op te bouwen op
                                    basis van een individueel vastgestelde premie.</al></li><li nr="-"><al> Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het inkomen
                                    dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was
                                    gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op de
                                    levensloopuitkering die de medewerker geniet. Ook in deze
                                    situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan kiezen voor
                                    voortzetting van pensioenopbouw op basis van een individuele
                                    premie. Dit is bepaald in artikel 16.6 van het
                                    pensioenreglement.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Premieafdracht pensioen</al><al>Als een ambtenaar onbetaald verlof opneemt (ongeacht of het wordt
                            gefinancierd door levenloop) voor een periode korter dan drie maanden
                            dan blijft de premieafdracht ongewijzigd. Het college betaalt dus 70%
                            van de premie en de ambtenaar 30% (voor de FPU-premie geldt
                            50%-50%).</al><al>Als de ambtenaar onbetaald verlof wil opnemen voor langer dan drie
                            maanden betaalt hij vanaf de eerste verlofdag de volledige
                            pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het verlof financiert met
                            levenloop dan stopt de pensioenopbouw op basis van de doorsneepremie van
                            het ABP na één jaar. De ambtenaar kan ervoor kiezen om de opbouw voort
                            te zetten. Hij betaalt dan zelf de volledige individuele premie.</al><al> Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet met levensloop dan
                            loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis van de
                            doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige premie
                            zelf.</al><al> Voor de pensioenvormen ANW, AAOP (arbeidsongeschiktheidspensioen) en
                            FPU (VUTfondsbijdrage) vindt geen opbouw plaats. Er moet wel premie
                            worden afgedragen. Met die premie worden de uitkeringen gefinancierd van
                            (ex)-deelnemers van het ABP die recht hebben op die uitkering. Hieraan
                            kunnen de premiebetalers geen rechten ontlenen.</al></li><li nr="3"><al>Verhalen premie</al><al>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet op een van de volgende
                            manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof houdt het college daar de door de ambtenaar
                                    verschuldigde pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="-"><al> Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen
                                    op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de
                                    gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet verzekerd
                    voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode geen loon en
                    daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer
                    ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                    Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden
                    duurt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee weken. Op
                    grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn
                    dienstbetrekking niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                    ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                    gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                    wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                    voorafgaand aan pensionering wordt genoten. </al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet stopt
                    bij ziekte. </al><al>Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof de dag dat de
                    ambtenaar zijn arbeid weer zou kunnen gaan vervullen na de periode van verlof
                    als hij niet ziek zou zijn geweest. </al><tussenkop>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                    recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                    karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                    samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                    verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel
                    6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                    bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                    grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                    opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                    werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de ambtenaar
                    die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van artikel 6:6 CAR de
                    volledige bezoldiging doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><tussenkop> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 6a De gemeentelijke
                        levensloopregeling.</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in
                    artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid
                    en zorg is per 1 januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling
                    loonbelasting 2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere
                    uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven.
                    Daarin is onder meer verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk
                    vastgelegde levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door
                    het LOGA uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in
                    artikel 6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een
                    werkgeversbijdrage die de ambtenaar kan sparen in het kader van de gemeentelijke
                    levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in de
                    CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de levensloopregeling
                    rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen
                    die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn of aanvullende
                    afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede
                    komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een
                    globaal overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                    bovenstaande wettelijke regelingen. </al><al><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief> Het doel van de wettelijke
                    levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om op individuele
                    basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om eerder met
                    pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald verlof te financieren.
                    Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De voorziening kan bestaan uit een
                    saldo op een bankrekening of een afgesloten levensloopverzekering. </al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen in
                    de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens
                    niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever zal toestemming
                    voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de bestaande
                    rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen
                    inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR/UWO is
                    opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op
                    onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                    verlof opgenomen.</al><al><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief> De hoogte van het levenslooptegoed
                    is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag maximaal 210% van zijn
                    bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is bereikt mag de werknemer
                    jaarlijks maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon dat in dat jaar door hem
                    wordt verdiend. Zelfs als het tegoed daardoor in de loop van het jaar uitstijgt
                    boven 210% van het bruto jaarloon. Bepalend is de hoogte van het
                    levenslooptegoed per 1 januari. </al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling
                    en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn
                    levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en behaalde
                    vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in
                    jaar x-/-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen
                    binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3.000 (12% * € 25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt het
                    levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000
                    (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon
                    zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen
                    meer sparen. Ook niet als hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen – totdat het levenslooptegoed weer lager is
                    dan het maximum – geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                    periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de waarde
                    van de levensloopverzekering.</al><al>Let op: uitzondering in het geval van demotie Als in het voorafgaande
                    kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden mag op grond van de
                    wet bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van het niet verminderde
                    salaris worden uitgegaan, mits die salarisvermindering het gevolg is van het
                    aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager
                    gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor de
                    ingangsdatum van het pensioen. Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband
                    na het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de
                    omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                    pensioendatum ligt. </al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende spaarperiode</cursief> De
                    werkgever houdt bij deelname van de werknemer aan de levensloopregeling maximaal
                    12% in op het brutoloon van de werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever
                    gestort op een geblokkeerde levenslooprekening of levensloopverzekering naar
                    keuze en op naam van de ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing
                    (loonbelasting en premies volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de
                    levensloopregeling is namelijk de omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat
                    over de bedragen die worden gespaard geen loonheffing verschuldigd is en dat
                    heffing pas plaatsvindt op het moment dat deze bijdragen tot uitkering komen.
                    Ook is over deze bedragen geen inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage
                    verschuldigd zoals bedoeld in artikel 41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen
                    zijn wel de gebruikelijke premies werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende verlofperiode</cursief>
                    Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden gebruikt om eerder met pensioen te
                    gaan of om periodes van onbetaald verlof te financieren. Op dat moment maakt de
                    instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht het tegoed (periodiek)
                    over naar de werkgever. De werkgever houdt de verschuldigde loonheffing en de
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in en maakt het resterende tegoed
                    (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever is op grond van de wet verplicht
                    de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                    heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                    bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht op
                    een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting
                    moet door de werkgever in mindering worden gebracht op de verschuldigde
                    loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag dat wordt opgenomen van
                    het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de korting bij opname
                    van verlof.</al><tussenkop>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                    pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                    levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling hij
                    de levenslooprekening (of –verzekering) wil onderbrengen.</al><al>Onder levenslooptegoed valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in
                    zijn ambtelijke dienstbetrekking opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed
                    opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige. </al><tussenkop>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college kan de deelname
                    enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die zijn gesteld in
                    artikel 6a:4 CAR. </al><al>Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de ambtenaar deelnemen aan
                    de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de deelname wordt beëindigd op grond
                    van artikel 6a:8 CAR. Het college heeft wel de wettelijke mogelijkheid om
                    inhoudingen op het loon ten behoeve van de levensloopregeling te corrigeren als
                    blijkt dat de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                    overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van artikel
                    7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per jaar
                    melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het college
                    of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                    levenslooptegoed heeft opgebouwd. </al><al>Indien de ambtenaar meerdere dienstbetrekkingen tegelijkertijd vervult, hoeft
                    hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij andere inhoudingsplichtigen
                    niet door te geven aan het college. </al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is
                    opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het
                    levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                    ziektekostenbijdrage op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in
                    beginsel ook indien de werknemer niet meer in dienst is bij deze
                    inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstbetrekking
                    aanvaardt, wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                    werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is
                    slechts anders indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                            werkgever; of,</al></li><li nr="-"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                            inhoudingsplichtige bij wie de werknemer op dat moment in
                            dienstbetrekking staat. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in
                            dienst is bij een andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                    binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor
                    hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer aan de
                    levensloopregeling van meerdere werkgevers tegelijk deelneemt, geldt de 210%
                    grens per dienstbetrekking.</al><al>Voorbeeld 1 Ambtenaar X heeft bij werkgever A een levenslooptegoed opgebouwd van
                    € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuwe
                    dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel aan de
                    levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig ten
                    aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                    uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie
                    artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof
                    meer verlenen.</al><al>Voorbeeld 2 Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuwe
                    dienstbetrekking bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de nieuwe werkgever
                    deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van € 30.000 wordt nu
                    geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is inhoudingsplichtig ten
                    aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het totale levenslooptegoed
                    van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het levenslooptegoed kan blijven
                    staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling waar het is opgebouwd.</al><al>Voorbeeld 3 Ambtenaar X gaat naast zijn dienstbetrekking met werkgever B een
                    tweede dienstbetrekking aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever gaat de
                    ambtenaar deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al
                    inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft
                    werkgever C geen rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                    werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al>Voorbeeld 4 Ambtenaar X neemt deel aan zowel de levensloopregeling van werkgever
                    B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B bedraagt € 15.000, zijn inkomen
                    bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide werkgevers moeten ieder kalenderjaar
                    toetsen of het maximum is bereikt om te bepalen of de werknemer nog mag sparen
                    in het betreffende kalenderjaar. Bij werkgever B bedraagt het levenslooptegoed
                    op 1 januari € 30.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon zijnde €
                    15.000. Daarom mag X in het aankomende kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen
                    binnen de levensloopregeling bij werkgever B. Bij werkgever C heeft de ambtenaar
                    nog geen levenslooptegoed opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in
                    het aankomende kalenderjaar 12% van € 20.000 sparen binnen de
                    levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling na
                    afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                    ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het college
                    moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens
                    blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                    inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ambtenaar bij
                    meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een levensloopregeling. </al><tussenkop>Artikel 6a:5 Inleg (T)</tussenkop><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                    sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de
                    jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstbetrekkingen naast elkaar heeft,
                    geldt het maximum per dienstbetrekking. Het wettelijke maximum van 12% geldt
                    niet voor de ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet
                    de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                    overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                    maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn uitbetaald. </al><tussenkop>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</tussenkop><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking van
                    de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale loon vallen
                    als bron aangewezen. </al><al>Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde voor 1 april 2006
                    kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak met de ambtenaar tot
                    het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt omgezet in een
                    geldbedrag.</al><tussenkop>Artikel 6a:7 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van
                    tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel 6a:3 CAR).
                    De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een melden dat hij
                    wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    in ieder geval beëindigd wordt. </al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                    ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn dienstverband
                    eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                    die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed
                    contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding van de verschuldigde
                    loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit vroegere
                    dienstbetrekking). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed te besteden
                    aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale ruimte
                    is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die de
                    instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht. </al><tussenkop>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</tussenkop><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een periode
                    van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente wordt in die
                    situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of onverwachte
                    afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in de Wet op de
                    Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                    college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek) uitkeren
                    aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering bij verlof
                    wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage,
                    pensioenpremies en eventuele andere inhoudingen ingehouden.De ambtenaar meldt
                    het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel
                    van) zijn levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn
                    die geldt voor de aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR).
                    De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                    onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts
                    tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof
                    wordt toegekend.De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                    het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de ambtenaar
                    samen daarvoor toestemming hebben verleend.Aan de hoeveelheid levenslooptegoed
                    die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen
                    bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan
                    de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000
                    verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan levenslooptegoed opnemen
                    voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening
                    worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt
                    deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog
                    maar € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen.Het laatstgenoten loon is het
                    reguliere loon dat voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd
                    ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                    algemene salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                    laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden
                    met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige.De opname van het
                    levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als bezoldiging. Daarom behoort de
                    opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van de
                    vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR.
                    Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                    uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals bedoeld in artikel 3:1,
                    lid 2, sub b CAR.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn geen
                    verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                    levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw van
                    extra pensioen. </al><tussenkop>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder hoofdstuk
                    9 en 9b.</al><al>Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                    leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op grond van
                    artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel FLO-ontslag wordt
                    verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht
                    personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn gemaakt, hebben zij
                    geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="-"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij
                            een ambulancedienst; en</al></li><li nr="-"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het college
                            krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="-"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft vervuld, op
                            grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                            2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                    hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de ambtenaar
                    die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was
                    bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel onder hoofdstuk
                    6a.</al><tussenkop>Artikel 6a:11 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 7:1 Definities (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief> Sub a</cursief>De definitie van passende arbeid komt overeen met de
                    definitie die sinds de invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel
                    658a van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.</al><al>In zijn algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet geval
                    aan de hand van de omstandigheden te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat
                    het bij passende arbeid moet gaan om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar
                    kan worden opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de
                    gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, de bezoldiging en hetgeen waartoe
                    de ambtenaar nog in staat is. Hierbij geldt dat naarmate de
                    arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van de te
                    verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij
                    concessies doet met betrekking tot de door hem te verrichten werkzaamheden, als
                    reïntegratie in de eigen functie niet tot de mogelijkheden behoort. Dit leidt
                    ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet als passend moet worden
                    aangemerkt, op een later moment -door wijziging van de omstandigheden- wel als
                    passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
                    of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden
                    verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en
                    ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar
                    tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                    belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook overigens in
                    redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens
                    arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
                    meer tot de reële mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet
                    in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                    overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid
                    noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
                    ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden
                    arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip
                    passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al> De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste instantie
                    ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te
                    kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag
                    worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij
                    voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                    daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                    vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze
                    mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat wanneer
                    de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede lid, onder b, de
                    bezoldiging niet uit te betalen, de bezoldiging alsnog aan de ambtenaar moet
                    worden uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion ingevolge
                    artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                    gesteld.</al><al>Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de werkgever –
                    als de ambtenaar ziek is – te zoeken naar passende arbeid (artikel 7:9).
                    Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer deze
                    wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                    weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub b</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden
                    verricht met oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die
                    uren ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van
                    zijn bezoldiging. Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                    arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                    afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                    deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. Bij het maken
                    van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het
                    aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de
                    aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                    wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden
                    aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering
                    van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden
                    te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub c</cursief> De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met
                    het oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel
                    7:3, zesde lid, onder d, over deze uren recht op de doorbetaling van zijn
                    volledige bezoldiging. Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk maakt
                    dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                    verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een
                    passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de
                    ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door
                    een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De
                    afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden
                    (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                    ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te
                    sanctioneren.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel 7:24a,
                    7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                    arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de ambtenaar
                    die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                    praktische opleiding of vorming.</al><tussenkop>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat
                    betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in de
                    artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                    UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                    UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><al>Voor alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</tussenkop><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich bij de
                    begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te
                    verrichten te laten bijstaan door een deskundige die gecertificeerd is op het
                    terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of een arbo-dienst. Dit houdt
                    onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                    reintegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde deskundige of de
                    arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een probleemanalyse en een
                    advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte
                    opgesteld moet zijn.</al><tussenkop>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan een
                    geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                    bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt voor
                    de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid geniet. Het
                    kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                    functie een medische oorzaak heeft.</al><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de ambtenaar verplicht zich aan een
                    dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel 7:13:2 is de sanctie neergelegd
                    indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen aan een dergelijk
                    onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    De brochure ‘Slim omgaan met subsidies voor arbeidsgehandicapten’ van het
                    A+Ofonds geeft hierover uitgebreide informatie.</al><tussenkop>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt
                    aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is
                    gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld
                    moet een verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                    ziekte. Onder het begrip ‘ongeschiktheid tot werken’ verstaat de Centrale Raad
                    het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
                    verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert de Centrale
                    Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad,
                    sprake zijn van een ‘de gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig
                    gebeuren’. </al><al><vet>Lid 1, 2, 3 en 4</vet></al><al> In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime van
                    de hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de
                    eerste ziektedag wordt de bezoldiging gedurende zes maanden volledig
                    doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende maand tot en met de
                    twaalfde maand recht op 90% van zijn bezoldiging. Na twaalf maanden van ziekte
                    heeft de ambtenaar recht op 75% van zijn bezoldiging. Na 24 maanden van ziekte
                    heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn
                    dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4,
                    die de hoogte van de doorbetaling van de bezoldiging bepalen tijdens ziekte zijn
                    hier niet van toepassing. In artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op de
                    doorbetaling van haar volledige bezoldiging. Dit geldt ook als de ambtenaar ziek
                    is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft met andere woorden voorrang boven de financiële
                    aanspraken die gelden tijdens ziekte. </al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                    ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof en daarna.</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een zieke
                    ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot 2018 is
                    deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar niet
                    ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In 2018 wordt
                    de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt de
                    loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in
                    het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                    onderdelen a, b en c. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak
                    bestaan op de gehele bezoldiging.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste 50%
                    van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader
                    van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in het zesde lid,
                    heeft recht op een bonus van 5%, berekend over de bezoldiging waarop hij recht
                    heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100% over de
                    gewerkte uren en uren van scholing in het kader van de reïntegratie een extra
                    reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een ambtenaar heeft in het eerste
                    ziektejaar geen recht op de bonus. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al> Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari
                    2005, vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke
                    behandeling tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het begin
                    van de zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de
                    zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag
                    worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                    het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die
                    zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging
                    van haar bezoldiging. Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom
                    strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld
                    dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld
                    in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer
                    duurt voordat de bezoldiging van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt. </al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster is met ingang van 1 februari 2006
                    ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei 2006 (zij is dan
                    3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens zwangerschapsklachten
                    (minder dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006
                    (1 maand ziek). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor 4 maanden uit wegens
                    een hernia (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van de samentelregeling
                    uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er minder dan 4 weken
                    van herstel tussenligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster dan met ingang van 1
                    september 2006 (dan zijn in totaal – de korte periodes van herstel niet
                    meegerekend – 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90% van haar
                    bezoldiging. De periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode
                    van de hoogte van de loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand
                    zwangerschapsgerelateerd ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar bezoldiging
                    met ingang van 1 oktober 2006 naar 90% bijgesteld. </al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in
                    het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na
                    3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van
                    het tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar bezoldiging
                    tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De periode van de
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de periode waarover de
                    hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge artikel 29a van de
                    Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van
                    haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van bezoldiging bij ziekte met het
                    ziekengeld geregeld.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al> Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg dat
                    ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het
                    verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                    ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit
                    op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet redelijkerwijs
                    worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze perioden
                    samengeteld. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat de bezoldiging op 15 juli
                    2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari 2006) wordt teruggebracht naar
                    90%. Op 15 januari 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75 %
                    en per 15 januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer
                    ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 26 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen
                    van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging op 26
                    oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt teruggebracht naar 90%.
                    Op 26 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75% en per
                    26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de bezoldiging begint te
                    lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006) de
                    bezoldiging wordt teruggebracht tot 90%. Op 19 juli 2007 wordt de bezoldiging
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20
                    augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij
                    is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    terugbrengen van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging
                    op 21 oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na 1 januari 2006) wordt
                    teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens
                    teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het
                    terugbrengen van de bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari
                    2007 (dit is 6 maanden na 21 augustus 2006) de bezoldiging wordt teruggebracht
                    tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar
                    75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al> Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in een
                    andere betrekking door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel
                    7:16, tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de
                    aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze
                    aanstelling beginnen de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al> Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                    bezoldiging nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan
                    uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten
                    bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het tussentijds
                    stopzetten van de bezoldiging.</al><al><vet>Lid 14</vet></al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op de
                    bezoldiging niet redelijk is en besluiten tot doorbetaling van de volledige
                    bezoldiging. Deze afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een
                    zodanige gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens
                    objectieve medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt,
                    kan advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de
                    ambtenaar levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar
                    loopt.</al><tussenkop>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                    arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                    dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                    IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                    percentage van de bezoldiging, genoten in het jaar voorafgaand aan het ontslag.
                    De percentages zijn afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. </al><tussenkop>Artikel 7:6 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</tussenkop><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                    overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning in een
                    lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het ligt voor de hand om dit in de
                    lokale bezoldigingsverordening te regelen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</tussenkop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                    artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van
                    het onderwerp ligt het voor de hand om hiervoor de lokale
                    bezoldigingsverordening te gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                    artikel 2:7a (T)</tussenkop><al> Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40 uur
                    werkt, kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor (maximaal)
                    40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing is. Na afloop
                    van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren
                    voor de formele arbeidsduur van 36 uur. Na afloop van deze periode wordt de
                    bezoldiging ook teruggebracht naar een bezoldiging voor 36 uur.</al><tussenkop>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van werkzaamheden
                    in het kader van de reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het
                    kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onder b en c,
                    worden begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan
                    wel plaatsing in een passende functie. </al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de werkgever
                    de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de
                    ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten (eerste spoor). Als bij
                    de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet de werkgever
                    (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De
                    tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek 7,
                    titel 10 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het is mogelijk dat de werkgever en de werknemer van mening verschillen over de
                    aanwezigheid van passende arbeid. Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de
                    werkgever UWV kan verzoeken een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te
                    geven over de aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de
                    werkgever in staat is te verrichten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen voor
                    werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                    opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment dat
                    sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen
                    op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                    worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van aanpak zijn
                    opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het kader van het
                    herstel van de ambtenaar getroffen worden. </al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten
                    worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken
                    van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                    bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                    verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van
                    dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002, Lbr.
                    02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte
                    elementen maken daar onderdeel van uit.</al><tussenkop>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de bezoldiging. Dit
                    is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><tussenkop>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde
                    ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de ambtenaar
                    gelden.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                    onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te
                    verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om hiermee
                    uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering
                    poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het
                    eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie
                    artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken aan het
                    reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                    reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven
                    moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie
                    worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                    sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                    neergelegd in artikel 7:14 (inhouding bezoldiging) en artikel 8:5a (ontslag
                    binnen dan wel na 24 maanden na de eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke
                    grond niet aanvaarden van passende arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV kan
                    verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de
                    aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten.</al><tussenkop>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</tussenkop><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege de
                    bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te
                    kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht, deelt
                    de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het college. </al><al>Op overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                    onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag
                    van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><tussenkop>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</tussenkop><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling van
                    de bezoldiging. Het gaat hierbij om situaties waarin al vrij snel na de eerste
                    ziektedag bekend is dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van de betrekking
                            opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar
                            is;</al></li><li nr="-"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                            waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                            omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de
                            verklaring dat tegen de vervulling van de betrekking geen medische
                            bezwaren bestaan, niet afgegeven zou zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld kunnen
                    worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de
                    eerste dag van ziekte geen recht op doorbetaling van de bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</tussenkop><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de
                    verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies
                    die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. </al><al>De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in
                    dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de
                    situatie weer hersteld is, wordt de betaling van de bezoldiging weer
                    gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in
                    artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van
                    artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te
                    verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de
                    ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat
                    gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de
                    doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar
                    nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of zich niet houdt aan
                    voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als van het gedrag van de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van
                    zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De
                    gemeente moet zich voor het besluit om de bezoldiging te staken dus vergewissen
                    van de geestestoestand van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie weer
                    hersteld is, wordt de betaling van de bezoldiging weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                    ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                    verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het
                            verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader van de
                            reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c)
                            die door het college gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="-"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en </al></li><li nr="-"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                    verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit
                    is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het verzuimprotocol
                    als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16
                    gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de
                    ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt deel uit
                    van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de sanctie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                    voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                    passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                    totstandkoming, evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan van aanpak,
                    kan bestraft worden met inhouding van de bezoldiging. Daarnaast bestaat ook de
                    mogelijkheid van bestraffing met ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden
                    na de eerste ziektedag (artikel 8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                    evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op
                    het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die sinds
                    de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7,
                    titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                    imperatief: de doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt wanneer de
                    ambtenaar het beschreven gedrag betoont.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als van het gedrag van de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen
                    verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt
                    doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De gemeente moet zich voor het
                    besluit om de bezoldiging te staken dus vergewissen van de geestestoestand van
                    de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid de op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 of
                    7:14 niet-uitbetaalde bezoldiging aan anderen dan aan de ambtenaar te betalen.
                    Het kan hierbij gaan om betalingen die aan familieleden worden gedaan. </al><al>Ingevolge het tweede lid wordt de niet-uitbetaalde bezoldiging alsnog uitbetaald
                    wanneer de ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion door het UWV in
                    het gelijk gesteld wordt. </al><tussenkop>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet
                    verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief
                    worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel.
                    Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden
                    voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de
                    ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende
                    arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en 4. </al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van
                    lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer
                    zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                    (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="1"><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude betrekking gehandhaafd
                            blijft, maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt
                            opgedragen;</al></li><li nr="2"><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                            gewijzigd; de oude betrekking van de ambtenaar komt te vervallen en deze
                            krijgt een nieuwe betrekking in passende arbeid.</al></li></lijst><al><cursief> ad 1</cursief> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral
                    voordoen in die gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a"><al>terugkeer in de oude betrekking nog mogelijk wordt geacht en de
                            ambtenaar bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b"><al>(volledige) terugkeer in de oude betrekking niet mogelijk wordt geacht
                            en de ambtenaar tijdelijk een andere betrekking vervult, bijvoorbeeld
                            bij wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al> Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                    aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de
                    ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook
                    is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in zijn eigenlijke functie. Over de
                    uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij recht op de
                    doorbetaling van zijn bezoldiging (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al><cursief>ad 2</cursief>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een
                    uitkering ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de
                    wachttijd voor een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn
                    de zieke medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende
                    functie, zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht
                    heeft op een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn
                    nieuwe functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een wijziging van
                    de aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte zijn
                    verstreken.</al><al> In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                    opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar
                    definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee
                    voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1"><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie </al></li><li nr="2"><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit van
                            de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                            arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a"><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b"><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                    arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al> De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                    herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie onder
                    1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de
                    aanstelling de bezoldiging van de ambtenaar wordt aangepast aan het niveau en de
                    omvang van de nieuwe betrekking. Dit is mogelijk op grond van artikel 3:1,
                    achtste lid. </al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere betrekking door
                    middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de
                    wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in
                    deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen.
                    Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van de
                    bezoldiging altijd uitgegaan van de bezoldiging die geldt voor die nieuwe
                    betrekking. </al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten
                    aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur
                    van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar
                    worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                    verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet tot de
                    mogelijkheden behoort. </al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de bezoldiging te staken, wanneer de
                    ambtenaar zonder deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de
                    beoordeling van de 'deugdelijkheid' van de weigeringgrond zal worden meegewogen
                    of de arbeid wel voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het
                    zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan binnen
                    24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel
                    8:5a biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na
                    1 juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het
                    geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde
                    ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                    restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan,
                    ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7 van hoofdstuk 10d). </al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                    ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een functie
                    gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker
                    definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag.
                    Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden
                    als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie gevonden
                    is voor de volledige restverdiencapaciteit. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het
                    derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten
                    minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van
                    de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn
                    in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder
                    dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te
                    ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde
                    ziektejaar binnen de gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan
                    formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van
                    de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente
                    een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit. </al><al><cursief>Situationele arbeidsongeschiktheid</cursief>In het geval de ambtenaar
                    situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van
                    verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid
                    wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij
                    bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze
                    arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                    waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen.
                    Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van
                    artikel 7:14 en kan de bezoldiging gestaakt worden. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn
                    van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                    van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                    door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start
                    in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12
                    maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken
                    door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen. </al><al><cursief>Ad a </cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                    uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                    melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de
                    wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering
                    gaat dan pas later in. </al><al><cursief>Ad b</cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie
                    van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als belanghebbende een
                    kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het
                    resterend verdienvermogen genoemd worden. </al><tussenkop>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</tussenkop><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp het in
                    mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het
                    kader van de reïntegratie op de bezoldiging nader regelen. Dat betekent dat voor
                    UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of
                    werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging inhoudelijk in
                    artikel 7:18:1 volledig is uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar
                    geen nadere regels aan dit UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten
                    nadere uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor
                    zover noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking (T)</tussenkop><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                    herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld
                    bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in mindering gebracht
                    worden op de bezoldiging waarop hij ingevolge artikel 7:3 aanspraak op heeft.
                    Deze verrekening vindt als volgt plaats. In overleg met de ambtenaar wordt
                    vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan de betreffende werkzaamheden. Op basis
                    hiervan wordt de hoogte van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3,
                    vastgesteld. De inkomsten die de ambtenaar verwerft, worden op de bezoldiging in
                    mindering gebracht. </al><tussenkop>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkeringg (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is dat
                    er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op
                    een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel
                    een uitzondering gemaakt voor de volgende categorie‘n werknemers in actieve
                    dienst:</al><lijst><li nr="-"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="-"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun betrekking te
                            vervullen;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf
                            jaren na aanvang van de dienstbetrekking ongeschikt worden hun
                            betrekking te vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                    krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                    mindering gebracht wordt op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar op
                    grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW indien:</al><lijst><li nr="a"><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz (dus voor de ingang van
                            het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b"><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz, doch die uitkering nog
                            niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
                            haar arbeid Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                            zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke
                            bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek (ongeacht of deze
                            ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het verlof op basis
                            van de Waz in vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                            weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar gedurende veertien weken recht op een Waz-uitkering;</al></li><li nr="c"><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
                            lid, van de Waz is geëindigd (dus na de afloop van het
                            bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de
                            daaraan voorafgaande zwangerschap. </al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                    verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste lid
                    gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW-uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100% van het
                    dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een
                    uitkering hebben. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                    ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete
                    wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                    lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden
                    opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de vermindering. Sancties en boetes in
                    het kader van de ZW worden dus niet gecompenseerd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Om verrekening van de bezoldiging met de ZW-uitkering praktisch mogelijk te
                    maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering cederen aan de gemeentelijke
                    werkgever.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                    Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                    ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                    bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                    meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 (voor ziektegevallen
                    van voor 1 januari 2004 moet hier 18 maanden gelezen worden) maanden na de
                    eerste ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW) op
                    grond van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een uitkering.
                    Wanneer dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te
                    vragen. Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering
                    gebracht op de bezoldiging, waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel
                    7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een medewerker dubbele inkomsten
                    ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten wordt deze op grond van de
                    CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te vragen. Het is echter wel
                    mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit. Eventuele kortingen op de
                    WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht op de doorbetaling van de
                    bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a"><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat
                            artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b"><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op
                            bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA;</al></li><li nr="c"><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                            lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>ad a Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de
                    duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. </al><al>ad b In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de WIA-wachttijd op
                    verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. </al><al>ad c Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet een reïntegratieverslag worden
                    ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond
                    zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen
                    heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende welke de werkgever het loon
                    moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een verlenging van de
                    WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt
                    afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                    sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA pas op
                    een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op de door te betalen
                    bezoldiging na 104 weken ziekte geen WGA- of IVA-uitkering in mindering worden
                    gebracht. Dit betekent dat de werkgever feitelijk na 104 weken ziekte een
                    zwaardere financiële last draagt. In het geval genoemd onder b hiervoor is
                    sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor werkgever én werknemer gunstig
                    zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer krijgt dan niet te maken met
                    een uitkering op grond van de WIA; de werkgever heeft als voordeel dat de
                    Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het feit dat een medewerker een
                    uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen a en c hiervoor kan dit
                    worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor het niet naleven van de
                    reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                    mindering wordt gebracht op de doorbetaling van bezoldiging.</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de door
                    te betalen bezoldiging indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde
                    betrekking. In het geval de betrokkene ondertussen definitief herplaatst is in
                    een andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de
                    WGA-uitkering, voor zover die voortvloeit uit die oude betrekking, niet in
                    mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met
                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter
                    hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de doorbetaling
                    van de bezoldiging, waarop op grond van artikel 7:3 recht bestaat, heeft de
                    ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA- of WGA-uitkering. Dit is
                    het geval na 24 maanden van ziekte, waarna recht op doorbetaling van 70% van de
                    bezoldiging bestaat. </al><al>Niet altijd zal er sprake van zijn dat de door te betalen bezoldiging lager is
                    dan de IVA- of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame
                    arbeidsongeschiktheid. Hiervan is geen sprake iemand eerder voor een
                    IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte wachttijd op grond van artikel 23,
                    zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de IVA-uitkering is al mogelijk vanaf
                    13 weken na de eerste ziektedag. Op dat moment (na 13 weken) is er zelfs nog
                    sprake van 100% loondoorbetaling. Op dat moment vindt dus wel volledige
                    verrekening van de uitkering met de loondoorbetaling plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                    zieke ambtenaar die meer dan één baan heeft. Indien betrokkene voor beide
                    betrekkingen arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond van de
                    WIA worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op doorbetaling van
                    bezoldiging voor één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van
                    de uitkering ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband houdt met
                    de arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato van de bezoldiging
                    uit de beide betrekkingen te worden bepaald. </al><al><vet>Lid 3 t/m 5</vet></al><al> In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                    uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte
                    wordt uitgegaan van een WGA- of een IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat
                    verwijtbaar is aan betrokkene. Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane
                    meerlasten kunnen worden afgewenteld op de werkgever die immers een hoger bedrag
                    aan bezoldiging dient door te betalen ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of
                    niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene te verwijten is. Omdat dit
                    gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in
                    dergelijke gevallen toch een korting op de bezoldiging toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</tussenkop><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond van
                    het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de
                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><tussenkop>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari 2001
                    ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor
                    ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt ná 31
                    januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in
                    verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts
                    bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als
                    een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt, moet
                    gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft bestaan en
                    dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven
                    gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW vallen,
                    komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van
                    hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd betaald. Lid 2 van
                    artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><tussenkop>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd arbeidsongeschikt
                    raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden - en derhalve werkloos
                    wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 2001 aanspraak maken op
                    een WW-uitkering. Derhalve is de garantie-uitkering overbodig geworden voor
                    nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van het eerste
                    lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd. De algemene
                    opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen gelden voor de
                    uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn
                    in een nieuwe betrekking wordt afgeschat en zijn toegenomen
                    restverdiencapaciteit niet volledig kan benutten, omdat hem geen aanvullende
                    werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op grond
                    van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een wijziging
                    van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet gepaard met
                    ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit
                    ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                    arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het niet
                    mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare arbeid. Omdat
                    geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering
                    gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst kunnen worden wel
                    recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte wordt afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden
                    aangeboden (en waardoor de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt),
                    vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                    situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                    suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze
                    gevallen van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die meewerkt aan
                    reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                    worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                    WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief>Een ambtenaar met een bezoldiging van € 2.500,-
                    wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999 wordt hem een WAO-uitkering
                    toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14
                    maanden, op 1 maart 1999, wordt hij definitief herplaatst in een betrekking
                    waarin hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut. De bezoldiging in de
                    nieuwe betrekking bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                    (HPT).</al><al>Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                    arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De werkgever
                    is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te bieden, waardoor
                    de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt
                    de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                    verlies van zijn herplaatsingstoelage.Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                    inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>bezoldiging uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                    garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze garantie-uitkering
                    volledige pensioenopbouw plaats.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat, nadat
                    hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde
                    voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen aanvullende
                    arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                    toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                    herplaatsingstoelage verliest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van de
                    termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de begindatum van
                    de ziekte in de oorspronkelijke betrekking. Verder is de hoogte van de
                    garantie-uitkering gebaseerd op de bezoldiging in de oorspronkelijke
                    betrekking.Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou de betrokkene met
                    ingang van 1 januari 2000 recht krijgt op een garantie-uitkering, tot uiterlijk
                    7,5 jaar na aanvang ziekte in de oorspronkelijke betrekking (1 januari 1998),
                    dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de
                    oorspronkelijke bezoldiging van € 2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1
                    oktober 2002. In de periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering
                    € 1.750,- (70% van € 2.500,-).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering de bezoldiging uit de betrekking
                    waarin de ambtenaar is herplaatst, de WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen
                    en de herplaatsingstoelage in mindering worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten
                    verworven op of na de datum dat de ambtenaar is afgeschat worden op de
                    garantie-uitkering in mindering gebracht.Toegepast op de bovenstaande situatie
                    zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>·</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli
                                        2005</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de
                    volgende situatie (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt
                    weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige
                    restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden
                    (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                                        2002</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="4" colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="4" colname="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="4" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="5" colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="5" colname="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="5" colname="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert, verloren
                    laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De
                    sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de ambtenaar uit deze
                    gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar
                    bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar
                    weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering gebracht
                    op de garantie-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met
                    ingang van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende ziektegevallen
                    van op of na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de artikelen terugwerken tot
                    1 januari 2004. Er wordt door middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt
                    in twee groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1
                    januari 2004, hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die
                    golden op 31 december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1
                    januari 2004 valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige
                    bepalingen.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beeindiging van de
                    verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een
                    uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor deze groep
                    medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet op definitieve
                    herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte is
                    verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een WAO-uitkering met de
                    loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met vier
                    van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of na 1
                    januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag
                    lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3,
                    vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest
                    van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een nieuwe
                    ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde geldt voor de
                    zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is herplaatst
                    op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31
                    december 2005 ). Als de medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek
                    wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                    2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag lag op
                    1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel
                    7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht op doorbetaling
                    van 90% van zijn bezoldiging. Met ingang van 1 maart 2006 is de ambtenaar 12
                    maanden ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3, derde lid, recht op
                    doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages van
                    de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                    bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van de
                    bezoldiging).</al><tussenkop>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet een
                    derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                    onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag
                    nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de
                    werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met
                    de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                    periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke
                    duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar
                    geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend
                    voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te worden. </al><al>Het verzoek om ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien een
                    ambtenaar op een dergelijk verzoek wenst terug te komen, en het college heeft
                    nog niet beslist, dan kan de betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke
                    mededeling dat men het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te
                    beschouwen. </al><al>Indien echter het college reeds een ontslagbesluit hebben genomen, is het
                    college niet verplicht op dat besluit terug te komen. Het college heeft wel die
                    bevoegdheid. Een en ander kan afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de
                    stand van zaken in de vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar
                    het verzoek intrekt. Het belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de
                    organisatie afgewogen te worden. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                    verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou
                    moeten worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek tussen
                    één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de medewerker niet
                    koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever niet aan drie
                    maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever.
                    Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                    worden afgewogen. </al><al>Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn per de eerste dag
                    van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen plaatsvinden.</al><al>Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder weg gaat,
                    handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn betrekking nauwgezet
                    te vervullen (artikel 3:1:1, vierde lid).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                    vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig
                    is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze
                    procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het bereiken
                    van de AOWgerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt wordt
                    hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is
                    betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te verlenen op grond van
                    artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan ook
                    sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het tweede
                    geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de AOW-leeftijd, is er
                    geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de ambtenaar kiezen om
                    vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is geregeld in artikel 16.1
                    van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                    premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                    werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet
                    langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                    Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd. In het
                    navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Continuering dienstverband (artikel 8:2 CAR)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuw dienstverband (artikel 2:4 CAR, met toepassing 8:2,
                                        lid 2)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van
                                        ambtenaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOWgerechtigde
                                        leeftijd bereikt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Eventueel vrijwillig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie voor de voorwaardelijke inkoop</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WIA</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer noodzakelijk
                    om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn ABP-pensioen vanaf
                    60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag tegenover staat. Het
                    ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor bovenbeschreven situatie.
                    Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus naast elkaar bestaan.</al><tussenkop>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst zijn van
                    de gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de AOW-gerechtigde leeftijd
                    jaar in dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van artikel 2:4.
                    De tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn aanstelling
                    of arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, lid 3, na het bereiken
                    van de AOW-gerechtigde leeftijd is voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de
                    wens van een van de partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018 dat
                    de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte kan worden
                    ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de AOW-gerechtigde
                    leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort. De termijn van 13
                    weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de
                    betrekking, wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel danwel
                    wegens een verminderde behoefte aan arbeidskrachten.</al><al>De opgenomen zinsnede ‘of van andere dienstonderdelen’ impliceert dat ontslag in
                    principe ook mogelijk is bij een reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan
                    dat waar de ambtenaar werkzaam is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd
                    is met de redelijkheid, zal ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het
                    ontslag moet immers zijn de overbodigheid en niet slechts het feit van de
                    reorganisatie.</al><al>Uit de jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van een
                    betrekking of tot reorganisatie zakelijke motieven ten grondslag dienen te
                    liggen en niet de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te
                    creëren.</al><al>Indien niet duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een
                    voorkomend geval gehanteerd moet worden, heeft men in principe de vrije keus,
                    mits rekening is gehouden met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                    gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal statuut. Op
                    het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de functie van
                    betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de
                    betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie, kan het ontslagbesluit
                    genomen worden. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de vijf
                    beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond van
                    lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen terugkeren.
                    Als ook geen andere passende functie beschikbaar is, kan het ontslagbesluit
                    worden genomen. </al><al>Als er geen sociaal plan is, kan het ontslagbesluit worden genomen, zodra
                    duidelijk is dat de functie van de medewerker of de functies van een kleine
                    groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat de betrokken
                    medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk is dat er ook
                    geen andere passende functie beschikbaar is. </al><al>Ingeval hoofdstuk 10d van toepassing is, vindt, nadat het ontslagbesluit genomen
                    is, intern en extern een onderzoek plaats naar een andere functie voor de
                    medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens de re-integratiefase op grond
                    van hoofdstuk 10d. </al><al>Na ontslag kan op grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en
                    nawettelijke uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                    worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.
                    Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het
                    ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><al>In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in artikel
                    127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatieontslag als eerst
                    afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben
                    bereikt. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt,
                    dan wordt als eerste afscheid genomen van de ambtenaren met de kortste
                    diensttijd. Welke jaren meetellen als diensttijd is onderdeel van het
                    reorganisatieplan.</al><tussenkop>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                    plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die termijn
                    wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de
                    situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar: </al><lijst><li nr="1"><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                            arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2"><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                            100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering. </al></li></lijst><al> Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                    wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid. Het
                    college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA.
                    Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                    aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever
                    kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                    schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                    ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                    verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                    onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in zijn
                    ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    betrekking en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                    voorhanden is (zie lid 2). </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15
                    maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                    april 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden
                    ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006.
                    Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden. </al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008
                    (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen. </al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al> In lid 10 is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van
                    twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA.</al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a"><al> In artikel 24 lid 1 van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                            van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. </al></li><li nr="b"><al> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                            reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                            werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen
                            of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de
                            termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De
                            termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk
                            gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is
                            neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA. </al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de
                            ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                            artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van
                            zijn bezoldiging.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts
                    plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte
                    buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                    wel binnen de genoemde termijnen worden verleend. </al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig
                    ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder
                    dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die
                    minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                    ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er binnen de
                    gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende functie voorhanden
                    is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7:16,
                    derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst. </al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer
                    voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid. Het college
                    betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze
                    voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag
                    van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep. </al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in overleg
                    met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV
                    (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis
                    voor het oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                    gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In week 91
                    stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het
                    reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de
                    werkgever en de ambtenaar. </al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest
                    wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder b). Indien de
                    reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn beoordeeld, volgt
                    de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de arbeidsgeschiktheid
                    van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel van de
                    WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is aan de
                    voorwaarden die zijn genoemd in lid 2. </al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                    Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                    arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit
                    moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze meest recente
                    WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV
                    ontvangen wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                    maatregel in zijn ontslagbesluit. </al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    betrekking en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                    voorhanden is (zie lid 2). </al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief>In artikel 7:16 zijn
                    specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar. </al><al><vet>Lid 3, 4 en 5</vet></al><al> UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een
                    WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard,
                    wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                    herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan
                    gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van
                    de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente
                    herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                    herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot
                    mindere herplaatsingsmogelijkheden. </al><al>Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het tweede lid, en er dus 36
                    maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een mogelijkheid is om de ambtenaar
                    te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na ingang ziekte (dus 3 maanden
                    voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36 maanden) op de hoogte gesteld van
                    het feit dat de ontslagprocedure in gang is gezet. Deze melding is dus niet aan
                    de orde als de ambtenaar gedurende het derde ziektejaar wordt herplaatst op
                    grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt op grond van het tiende lid van
                    dit artikel. </al><al>Dit laat overigens onverlet dat de WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet
                    plaatsvinden.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al> Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al>Voorbeeld I Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009
                    herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek wordt. De
                    periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2 weken na 1
                    januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IIEen medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009
                    herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek wordt. De
                    periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27 april 2009)
                    kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld III Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008
                    herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof.
                    Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter
                    ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden
                    ontslagen.</al><al>Voorbeeld IV Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 1 mei 2009 gaat
                    zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2009. Op 22 augustus
                    2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek. Er
                    zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid ADe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde
                    oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2009 als
                    eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent
                    dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36 maanden + 16 weken na 1 januari
                    2009) kan worden ontslagen.</al><al>Mogelijkheid BDe ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een
                    andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus
                    2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                    betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012 (dit is 36 maanden na 22
                    augustus 2009) kan worden ontslagen. </al><al>Voorbeeld V Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart
                    2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2008
                    (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij
                    weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde ziekte
                    heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36 maanden + 16 weken na 27 april 2008)
                    kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al> In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte
                    loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd
                    voor een uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen. <cursief>Ad
                    a</cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de
                    eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op. <cursief>Ad b
                    </cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op
                    verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. Deze
                    verlenging schort de periode van 36 maanden op. </al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    bezoldiging. </al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                    mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                    deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve
                    herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><lijst><li nr="-"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                            zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de
                            restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="-"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                            aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                            vervuld.</al></li></lijst><al> Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst plaatsvinden.
                    Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 8:5 bepaalt dat
                    in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Artikel 8:5a betekent dat een ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is zijn
                    betrekking te vervullen, ook binnen 24 maanden na de eerste ziektedag kan worden
                    ontslagen, wanneer hij niet meewerkt aan zijn reïntegratie. Concreet uitgewerkt
                    gaat het erom dat zowel binnen als na 24 maanden ontslag gegeven kan worden,
                    indien de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>zich zonder goede reden niet houdt aan redelijke voorschriften en
                            maatregelen (zoals het verrichten van werkzaamheden in het kader van de
                            reïntegratie en het volgen van scholing in het kader van de reïntegratie
                            als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdeel b en c) die hem in het
                            kader van zijn reïntegratie worden opgedragen;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden passende arbeid bij de eigen werkgever dan wel een
                            andere werkgever weigert te aanvaarden;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden niet meewerkt aan de opstelling, evaluatie en
                            bijstelling van het plan van aanpak;</al></li><li nr="-"><al>zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA indient.</al></li></lijst><al>Deze – ultieme – sanctie is gelijk aan de sanctie die sinds de inwerkingtreding
                    van de Wet verbetering poortwachter in artikel 670b, boek 7, titel 10, van het
                    Burgerlijk Wetboek is opgenomen.</al><al>Als de ambtenaar zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA indient,
                    kan de claimbeoordeling voor de WIA niet plaatsvinden en kan de werkgever het
                    resultaat van deze claimbeoordeling niet bij het ontslagbesluit betrekken,
                    terwijl dit verplicht is op grond van artikel 8:4 en 8:5. Als dit de reden is
                    dat geen ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 kan plaatsvinden, mag het
                    college de ambtenaar ontslag verlenen op grond van artikel 8:5a.</al><al>Gedurende het gehele periode van ziekte moet de ambtenaar passende arbeid
                    aanvaarden. Gedurende de gehele periode gaat het hierbij om een functie, waarin
                    de ambtenaar tijdelijk herplaatst kan worden. In het derde ziektejaar kan
                    definitieve herplaatsing alleen plaatsvinden als de arbeid voldoet aan de
                    voorwaarden, genoemd in artikel 7:16, derde of vierde lid. Daarna gelden deze
                    specifieke voorwaarden voor definitieve herplaatsing niet meer. </al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt echter dat de ambtenaar, in ieder
                    geval tijdelijk, passende arbeid moet aanvaarden. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Alvorens tot ontslag over te gaan, moet het UWV toetsen of van de situatie als
                    hiervoor bedoeld sprake is.</al><tussenkop>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                    wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed
                    vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden,
                    niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                    worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als ‘past niet in het team’ zijn niet
                    voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een bepaald gedrag tot
                    gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te zijn tussen dat gedrag
                    en de door de ambtenaar uit te oefenen betrekking. Overigens kan, ondanks
                    gebleken ongeschiktheid, naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                    ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren van de
                    betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in omstandigheden tot het ontstaan
                    en voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                    bijvoorbeeld gedurende langere tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te
                    doen blijken, dan kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen
                    voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er
                    op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                    getolereerd.</al><al>In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en onbekwaamheid vaak
                    moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter vermijden. Zoals reeds vermeld
                    verwacht de administratieve rechter een dossier (beoordelingen,
                    gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen, brieven met klachten;
                    alles wat als bewijs kan dienen).</al><al>De ongeschiktheid mag haar oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten
                    of gebreken. Of dat al dan niet het geval is, kan soms alleen maar worden
                    vastgesteld via een voorafgaand medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek
                    moet een gerede aanleiding zijn.</al><al>(Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid hoofdstuk 10:d).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag.</al><tussenkop>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Deze bepaling vindt zelden toepassing.
                    Het is moeilijk aan te geven wanneer een vereiste alleen bij het aanvaarden van
                    de betrekking geldt. De geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de
                    verklaring omtrent gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van.
                    Een voorbeeld van een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor
                    een chauffeur. Het is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk
                    zijn rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit artikel
                    wordt gegeven. Ontslag kán worden gegeven, getoetst kán dus worden of een
                    ontslagbesluit in redelijkheid kon worden genomen.</al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onder ‘zwagerschap’ wordt hier
                    ‘aanverwantschap’ bedoeld die door huwelijk ontstaat. Het woord ‘aangaan’ duidt
                    op een actieve betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de
                    verboden aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag.</al><al>Over deze ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend.</al><al><cursief><vet>Onderdeel c</vet></cursief>Ook hierover zijn geen gevallen uit de
                    praktijk bekend. </al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al><cursief><vet>Onderdeel d</vet></cursief>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze
                    ontslaggrond wordt in de praktijk niet gebruikt.</al><al><vet><cursief>Onderdeel e</cursief></vet>Ook een voorwaardelijke veroordeling
                    tot vrijheidsstraf valt in principe onder deze bepaling.</al><al>Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op zijn plaats zijn maar er mag geen
                    sprake zijn van een automatisme. Het is geen strafontslag. Er moet een
                    zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden; volgens de Centrale raad van
                    beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot ontslag van ambtenaren in het
                    algemeen. In een dergelijke afweging van belangen moeten bijvoorbeeld naast de
                    ernst van het begane misdrijf worden betrokken het verband van dat misdrijf met
                    het ambtenaarschap van betrokkene en met de aard van zijn werkzaamheden, de
                    wijze waarop hij in zijn betrekking heeft gefunctioneerd en met name de vraag
                    of, en zo ja welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan voortzetting van het
                    dienstverband, hetzij in de oude betrekking, voor zover die na het ondergaan van
                    de straf nog bestaat, hetzij in een andere betrekking.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f</cursief></vet>Ontslag kan worden verleend als tijdens
                    de medische keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens
                    zijn verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene
                    niet zou zijn aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest.
                    Van een en ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden
                    gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig verschillende
                    persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar
                    moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk
                    blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen samenwerken
                    (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan
                    is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten minste
                    in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de gerezen
                    moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt
                    wel met een ander zal kunnen samenwerken.</al><al> De raad kan ten aanzien van het te voeren financiële beleid bij de uitoefening
                    van de werkgeverstaak bij de begroting aan het college een budgettaire ruimte
                    toekennen om aan medewerkers waarvan om bijzondere redenen de aanstelling wordt
                    beëindigd een uitkering te verstrekken. De raad kan daarover ook
                    beleidsafspraken maken. Immers, ook in het dualistisch stelsel is het
                    vaststellen van een uitkering die afwijkt van de normale aanspraken of een
                    vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad invloed zal moeten kunnen
                    uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening gerapporteerd over de feitelijke
                    consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad. Het
                    college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel 8:8.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. </al><al> In ‘lichtere’ gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen gemaakte
                    beleidsafspraken, zal het college tot de afweging kunnen komen dat het niet
                    nodig is de raad te informeren. De concrete invulling van de inlichtingenplicht
                    zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke omstandigheden. Raad en college
                    kunnen daarover zelf afspraken maken. Indien het nodig zou kunnen zijn om de
                    raad te informeren over het voorgenomen besluit, dient dit tijdig kenbaar
                    gemaakt te worden door middel van een voorbehoud. </al><tussenkop>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                    non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar die na
                    afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om een
                    passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende functie
                    binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><tussenkop>Artikel 8:10 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling
                    voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt
                    dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene blijft op de datum
                    waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna feitelijk zijn werk
                    verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld
                    voor een gelijke periode. Na afloop van deze periode kan de aanstelling wederom
                    van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit
                    artikel 2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 24
                    maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde
                    geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit
                    is in het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al> Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond voor
                    het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen te
                    vervallen. </al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                    bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn, zonder
                    dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                    urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake
                    van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                    voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                    bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een
                    urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                    verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd moet wel een grond
                    worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de reden
                    van beëindiging is.</al><al> Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4 in
                    de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 36 maanden overschreden
                    of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding aangegaan, dan geldt
                    deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al> Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                    10a.</al><tussenkop>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag verleend kan worden
                    op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan
                    uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12.
                    Wanneer de einddatum reeds genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af
                    te wachten en de tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een
                    eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                    worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><tussenkop>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</tussenkop><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd.
                    Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van ‘maanden’: dit
                    hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                    geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt
                    aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt niet verder
                    dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn oordeel in
                    overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire
                    straf in overeenstemming is met de ernst van het geconstateerde
                    plichtsverzuim.</al><al>UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op grond van
                    artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering op
                    grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><tussenkop>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                    -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden
                    opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                    ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                    bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                    rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit artikellid is
                    overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt
                    op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van de WOR.</al><al>Alhoewel in de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel 8:8
                    de mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen
                    genoemd. De in artikel 8:14, tweede lid, aangegeven ontslagbescherming brengt
                    met zich dat er slechts van ontslagbescherming sprake is in het geval er een
                    causaal verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd.
                    Als er geen verband is tussen het ‘OR-werk’ en het ontslag, is ontslag op een
                    van de gronden zoals genoemd in de CAR, wèl mogelijk.</al><al>De bescherming tegen benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd
                    wetsartikel, is weer wèl van toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke
                    aanstelling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond van
                    het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998,
                    107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                    (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de ontslagbescherming
                    voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en overeenkomstige leden van
                    OR-commissies ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                    (ambtelijke) secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                    WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                    ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                    vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming
                    voor de ambtelijk secretaris. Het eerste lid van artikel 21 WOR, ter zake van
                    benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><tussenkop>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de organisatie
                    de gelegenheid te geven eventuele interne onderzoeken te (doen) houden, of om
                    rust binnen de organisatie te krijgen. Het besluit om een ambtenaar van zijn
                    werkplek te verwijderen dient te berusten op een behoorlijke afweging van de
                    daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                    1994/195). De hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing
                    zoals bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf.</al><al>Een besluit tot schorsing is een besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar
                    dient derhalve vooraf gehoord te worden.</al><al>In onderdeel d wordt gesproken over ‘het belang van de dienst’: de rechter zal
                    zich hierover een oordeel moeten vormen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit geformuleerd.
                    De woorden in onderdeel c – ‘zo nauwkeurig mogelijke aanduiding’ – impliceren
                    reeds dat een exact aangeven van de duur van de schorsing vaak niet mogelijk is.
                    De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd. De schorsing kan uiteraard
                    door ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                    ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen. Zo zal hij dus
                    bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de schorsing te houden
                    geneeskundig onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet gewerkt
                    wordt, er geen bezoldiging wordt uitbetaald: hiervoor is een apart besluit
                    nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, de bezoldiging
                    normaal wordt doorbetaald. De ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te
                    verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>Er kan géén inhouding van de bezoldiging plaatsvinden wanneer er sprake is van
                    een schorsing op grond van het dienstbelang.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag
                    is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar
                    behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioen- en
                    ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>In principe dient bij de inhouding van bezoldiging te worden aangesloten bij
                    titel II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een zodanige inhouding op de
                    bezoldiging toe te passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat
                    overeenkomt met 90% van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Tijdens de schorsing kan de niet-ingehouden bezoldiging aan anderen worden
                    uitbetaald. Onder ‘anderen’ dienen in dit verband te worden verstaan de personen
                    die door de ambtenaar geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                    ontslag. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit zijn
                    uitvoeringshandelingen. Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid
                    geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder
                    geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                    dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                    ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="-"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en
                            ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit
                            slechts op verzoek van betrokkene);</al></li><li nr="-"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="-"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="-"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering,
                            een pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al></li><li nr="-"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb; betrokkene kan
                            binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8:16:1 Vervallen (T)</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur
                    (T)</tussenkop><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag.</al><al>Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van artikel 7:16 kan sprake zijn
                    van vermindering van de omvang van de betrekking. In deze situatie is echter een
                    formeel gedeeltelijk ontslag niet toegestaan, maar dient de vermindering van de
                    omvang van de betrekking te worden vormgegeven door middel van een wijziging van
                    de aanstelling. Dit omdat bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie
                    krachtens hoofdstuk 11a. Conform de oorspronkelijke doelstelling van de
                    suppletieregeling heeft een ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in
                    het geheel niet herplaatst kan worden bij zijn werkgever en derhalve volledig
                    ontslagen is.</al><tussenkop>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag lag
                    voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een
                    uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden
                    op 30 juni 2006, is op hen van toepassing. </al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van
                    de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                    een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR/UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                    van toepassing. </al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of artikel
                    8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                    verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Vervallen hoofdstuk</tussenkop><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal. </al><tussenkop>Hoofdstuk 9a</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9b</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9d</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9e</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene wet bestuursrecht noodzaakt
                    tot de invoering van de term betrokkene) zodanig omschreven dat dit begrip erin
                    voorziet dat alle gevallen waarbij wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één
                    artikel in het hoofdstuk wachtgeld bij elkaar staan.</al><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene recht op wachtgeld
                    die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan betrokkene kenbaar is
                    gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te verlenen wegens
                    reorganisatie danwel wegens arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van het hoofdstuk wachtgeld de
                    tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het ambtenaarschap in de zin
                    van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de tijd waaraan ingevolge het
                    bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding ambtenaarschap in de zin van de
                    pensioenwet (Stcrt. 1994, 98) bovengenoemd ambtenaarschap niet is verbonden. Het
                    gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als seizoenswerker of als
                    deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden
                    aangeduid.</al><al>In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer
                    dan een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze tijd
                    doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van langer dan
                    een jaar, telt – op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a – wel
                    mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft van ten minste tien
                    jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd
                    wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60).</al><al>Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de
                    vaststelling van wachtgeldaanspraken. Ook deze hoofdregel kent weer
                    uitzonderingen. Deze diensttijd telt namelijk wel weer mee bij de beoordeling of
                    betrokkene aan tien dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en
                    diensttijd op de ontslagdatum meer bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook
                    nogmaals mee wanneer de betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het
                    moment dat betrokkene wachtgelder was (in het kader van de bijzondere
                    verlenging, artikel 10:8, derde lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt
                    dan wel in mindering gebracht op de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van wachtgeldaanspraken.
                    Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de opbouw van ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen.</al><tussenkop>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij het
                    begrip dienstbetrekking uit de WW. Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en
                    6 van de WW wordt bereikt dat de reikwijdte van het begrip dienstbetrekking
                    gelijk is aan die ingevolge de WW.</al><tussenkop>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Sinds de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de
                    mogelijkheid van samenloop van een WAO-uitkering (tot 1 januari 1996 een
                    invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan
                    80% en een wachtgeld. In een situatie van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is
                    immers tevens sprake van werkloosheid, voor zover betrokken ambtenaar zijn
                    restcapaciteit niet kan benutten.</al><al>Hierdoor wordt de kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld bestaat. In
                    onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een
                    WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                    Betrokkene is in dat geval volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet
                    in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op
                    wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan
                    worden (zie hoofdstuk 11a).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                    ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                    percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                    wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                    eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou eindigen indien
                    het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. Hierbij geldt echter een
                    uitzondering.</al><al><cursief><vet>Onderdeel a</vet></cursief>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt
                    dat de duur van het wachtgeld vanaf de datum van de afschatting wordt berekend
                    op basis van de WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het
                    arbeidsverleden dient daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid,
                    onderdeel a, tevens te worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld
                    naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt
                    dat ingeval van afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder
                    uitkering ontvangt dan een verzekerde in de zin van de WW.</al><al><cursief><vet>Onderdeel b</vet></cursief>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt
                    dat voor de berekening van de duur van het wachtgeld vanaf de datum van
                    afschatting op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum op
                    grond waarvan het recht op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel
                    10:8 wordt dus in die zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de
                    oorspronkelijke ontslagdatum. De duur van het wachtgeld vanaf de datum van
                    afschatting wordt uiteindelijk vastgesteld volgens de berekeningswijze die de
                    langste duur oplevert.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op wachtgeld
                    gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur van het
                    wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden) suppletie.
                    Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op basis van de
                    omvang van de diensttijd.</al><al>Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de aanspraak op suppletie is
                    geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou eindigen indien het met ingang
                    van de ontslagdatum zou zijn toegekend. De hoogte van dit wachtgeld wordt
                    vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf de oorspronkelijke
                    ontslagdatum.</al><tussenkop>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode van
                    5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in
                    dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest, komen in
                    aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de zogenaamde
                    ‘arbeidsverleden-eis’, een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                    (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5
                    jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering – met
                    een duur die meer dan zes maanden bedraagt – in aanmerking te komen. Voor het
                    recht op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                    betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken ten
                    minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1 januari 1998,
                    de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                    overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke
                    regelingen op te nemen. Een uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk
                    voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                    Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                    ‘arbeidsverleden-eis’ behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld in
                    aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de omvang van
                    het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><tussenkop>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen, op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van
                    het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk vastgesteld op basis
                    van de berekeningswijze die de langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft
                    de duur van het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de
                    formulering van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                    bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis van de som
                    van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                    mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                    uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd
                    op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd wordt
                    uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van de diensttijd is
                    minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe
                    tot maximaal 78%.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt op welke wijze de diensttijd die bij een eerder toegekend
                    wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt
                    voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals
                    in aanmerking genomen bij de vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval
                    betrokkene de dienstbetrekking waaruit ontslag volgde aanvaardde terwijl
                    aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                    wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur, berekend op
                    basis van de omvang van de diensttijd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd en
                    diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar is
                    doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na afloop van de
                    wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                    bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar
                    voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de ontslagdatum
                    geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na afloop van de
                    basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is
                    geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan
                    vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden voordoen,
                    namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de ontslagdatum jonger
                    is dan 23 jaar.</al><al><vet>Leden 5 en 6</vet></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op een
                    vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 jaar.
                    Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt vastgesteld op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze
                    duurberekening en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder
                    bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een vervolgwachtgeld
                    met een duur die korter is dan de gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit
                    dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van
                    de omvang van de diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                    hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                    vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op basis
                    van de omvang van het arbeidsverleden.</al><al>Het volgende voorbeeld dient als toelichting.</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel 10:7basisduur
                    verlengde duur vervolgwachtgeld</al><al>berekeningswijze van de wachtgeldduur op basis van artikel
                    10:8vervolgwachtgeld</al><tussenkop>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                    procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de ‘Procentenwet’ (wet
                    van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3 procentpunten
                    worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70%
                    bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                    blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet van een concreet
                    beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake zullen de percentages met
                    hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. </al><al>Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten minste het bedrag aan ouderdomspensioen
                    dat op de ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis
                    van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                    verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                    ouderdomspensioen wanneer dat lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die
                    bijvoorbeeld 20 pensioenjaren heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de
                    verlenging 40% van zijn bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal
                    1,75%).</al><tussenkop>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                    gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging.
                    Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit een
                    deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het vervolgwachtgeld met
                    een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                    minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en wordt het
                    vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag aan
                    minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet. Dit geldt
                    ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke organisatie
                    levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de verplichting
                    passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens onduidelijkheden op. Degenen
                    van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke betrekking wordt omgezet in een private
                    betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                    betrekking te aanvaarden. Een vergelijkbaar regime is overigens in de private
                    sector zeer gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                    werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn
                    passende arbeid te aanvaarden.</al><tussenkop>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</tussenkop><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke
                    wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding. Daarbij komt dat
                    vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een WAO-uitkering ontstaat. Het
                    eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen werkzaamheden
                    kan verrichten en de wachtgelder die weer beter is als gevolg waarvan betrokkene
                    weer werkzaam kan zijn, verplicht is het college daarvan op de hoogte te
                    stellen. In de praktijk zal het de afdeling zijn die de wachtgelden uitvoert
                    (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat geval geïnformeerd dient te
                    worden.</al><al>Bij het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot de geneeskundige
                    begeleiding bij ziekte kan worden aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7
                    van de UWO (voor zover de gemeente daarbij is aangesloten).</al><al>Het derde lid regelt de verplichting van een wachtgelder om een WAO-uitkering
                    aan te vragen. In het vierde en vijfde lid zijn sancties opgenomen, ingeval de
                    wachtgelder verwijtbaar verzuimt een WAO-conforme uitkering aan te vragen.</al><tussenkop>Artikel 10:15 Vermindering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Bij de wijze van verrekening van
                    neveninkomsten wordt het uitgangspunt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau
                    van de bezoldiging behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen
                    zonder dat er gekort wordt op het wachtgeld, voor zover het gezamenlijke bedrag
                    aan wachtgeld en neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven
                    gaat. Het wachtgeld wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de
                    einddatum van het wachtgeld blijft ongewijzigd.</al><al>Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een loondervingsuitkering, worden op
                    dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang voor een gemeente die een wachtgeld
                    uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die elders weer gaat werken. De inkomsten
                    uit arbeid, alsmede de uitkering die daar mogelijk uit voorkomt, worden
                    verrekend op bovengenoemde wijze.</al><al>Hoofdregel is dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag voorafgaand
                    aan de ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening van
                    neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                    vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien
                    zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers
                    toe leiden dat het ‘vrije’ bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend zonder
                    dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt. Het totale bedrag aan
                    wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het
                    bedrag van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie die
                    zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de
                    wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                    arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                    ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld
                    met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                    vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene, die
                    arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld werd als
                    wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt zijn voor de
                    oorspronkelijke betrekking waarin men werkzaam was.</al><al>Uitgangspunt bij de verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat deze
                    inkomsten eerst in de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de
                    oorspronkelijke bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de som van het
                    oorspronkelijk toegekende wachtgeld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan
                    niet aangevuld met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer
                    bedraagt dan de oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het
                    eerste wachtgeld werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende
                    wachtgeld verminderd met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering
                    nog een bedrag aan overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende
                    (tweede) ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                    verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van samenloop
                    van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat geval dienen
                    twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge het
                    pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op
                    elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer
                    verrekend, en nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                    betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering
                    worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het
                    wachtgeld volledig wordt weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten
                    uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht op het
                    invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering en neveninkomsten meer bedraagt dat de
                    berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 10:17 Verlenging (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd aan de
                    toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden na het
                    ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente die het
                    wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar verlengd. Tijdens
                    het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en
                    worden de inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt
                    betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die
                    waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt
                    toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie
                    jaar.</al><al>De ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever ‘gestraft’ wordt met
                    relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven
                    ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan
                    aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de
                    vraag voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><tussenkop>Artikel 10:18 Opschorting (T)</tussenkop><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum –
                    waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003
                    aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging – wordt de uitvoering van
                    dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de
                    datum dat de ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><tussenkop>Artikel 10:19 Samenloop (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en
                    een uitkering op grond van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan
                    niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld
                    verminderd met een percentage, afhankelijk van de mate van
                    arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van de
                    ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op
                    grond van de WAO, danwel een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met
                    een invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                    namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                    deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is van de
                    mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven. Het
                    resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                    werkloosheid.</al><al>Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan uitkering op grond
                    van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme uitkering, al dan niet
                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld nooit
                    meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan wachtgeld dat ontvangen zou zijn,
                    wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als dat wel het geval is
                    (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen), wordt het
                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht. Het hanteren van
                    de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al degenen aan wie een
                    wachtgeld is toegekend gelijk behandeld worden. De inkomenspositie van de
                    ontslagen ambtenaar met aanspraak op wachtgeld is hierdoor gelijk aan de positie
                    van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze bovengrens dat
                    ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er
                    een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht, in
                    de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of
                    wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><tussenkop>Artikel 10:21 Afkoop (T)</tussenkop><al>Het college kan een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te kopen, honoreren.
                    Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld. Indien wordt
                    overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te honoreren, is het raadzaam
                    vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen. De raad moet immers een krediet
                    beschikbaar stellen.</al><tussenkop>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel waarmee
                    het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kunnen worden, de
                    bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,-
                    werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene
                    weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                    worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld gekort worden
                    met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,-) de bezoldig wordt met € 900,-
                    overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld verminderd.</al><tussenkop>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het feit
                    dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In
                    dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van
                    artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                    aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage
                    wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds toegekende recht op
                    wachtgeld.</al><al>Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een dienstbetrekking als
                    wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid
                    naar een geringer percentage dan 80%, voorziet artikel 10:19 daarin. Wanneer in
                    een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend, is artikel 10:15, tweede
                    lid, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                    ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                    ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer de
                    Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de WW-bodem
                    ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                    wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><tussenkop>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in een
                    overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om
                    degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1 augustus 1991
                    tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht op een
                    overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon. Dit
                    bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur
                    bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de overgangsuitkering op 31 december
                    1995.</al><tussenkop>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In dit
                    artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de
                    wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><tussenkop>Vervallen hoofdstuk</tussenkop><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal. </al><tussenkop> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                    werkloosheid (T)</tussenkop><al><vet>Algemene toelichting voor hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en
                        voorzieningen bij werkloosheid.</vet></al><al>Dit het hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden
                    gevolgd bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast
                    bevat het hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de
                    toen bestaande bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij boventalligheid
                    aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag wegens
                    andere gronden (artikel 8:8); re-integratie en ontslag op grond van
                    onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); re-integratie en ontslag wegens
                    reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                    werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7,
                    8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke (uitkerings)rechten. </al><tussenkop>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en ontslagen
                    zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                    en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als medewerkers worden
                    ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als medewerkers zijn
                    ontslagen).</al><tussenkop>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al>Ad b grondslag: Vóór 1 januari 2016 werd hier het voor hoofdstuk 10d afwijkende
                    bezoldigingsbegrip gedefinieerd. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde
                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 is dit gewijzigd in ‘grondslag’ en is daar voor
                    de medewerkers die toen in dienst waren de toelage overgangsrecht hoofdstuk 3
                    (TOR) aan toegevoegd.</al><al>Ad g werkloosheidsuitkering: Wanneer ambtenaren na ingang van de
                    werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook
                    deze baan weer eindigt, kan er op grond van de WW sprake zijn van een herleving
                    van het recht op uitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                    werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op dit herleefde recht op
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</tussenkop><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                    hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door middel
                    van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het voorkomen van
                    werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende afspraken gemaakt mogen
                    worden ten opzichte van de basisaanpak in dit hoofdstuk, mits deze aanpak
                    gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvullingen mogelijk: aanvullingen met
                    betrekking tot onderwerpen die niet geregeld zijn in dit hoofdstuk en
                    aanvullingen die tot een verruiming leiden van de afspraken in dit hoofdstuk.
                    Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare afspraak
                    geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d, bespreken college
                    en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van het lokale beleid zal
                    worden overgegaan. </al><tussenkop>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
                    (T)</tussenkop><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen wordt op
                    grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud
                    een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond het
                    ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat
                    redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de hand.
                    Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk
                    het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van
                    faciliteiten (financieel of anderszins) om de re-integratie te stimuleren zal
                    daarom vaak onderdeel uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet
                    te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als
                    voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6,
                    afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                    uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag
                    gemaakt zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het doel van de re-integratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst nog
                    de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst
                    ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de
                    duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer
                    voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het
                    ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van
                    het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de mogelijkheden genoemd, op grond
                    waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de reintegratiefase kan
                    eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het
                    ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde
                    is.</al><al> Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de re-integratiefase
                    verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                    worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder
                    ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum. </al><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de
                    noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6 voldaan
                    is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit
                    het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of
                    onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende
                    is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de
                    intreding van de re-integratiefase niet op.</al><tussenkop>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijdbetrekking eindigt de re-integratiefase.
                    Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn oud-medewerkers een
                    plicht om de re-integratie in de arbeid te bevorderen. Zolang de re-integratie
                    nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige opheffing van de
                    werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht van de gemeente
                    bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het
                    re-integratieplan voort te zetten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tijdens de re-integratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die
                    van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het
                    college vastgesteld en vastgelegd in het re-integratieplan. Dit kunnen onder
                    meer afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en
                    outplacementtraject (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt
                    aan de gemaakte afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende
                    sollicitaties verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6 eerder in dan pas na
                    afloop van de re-integratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                    proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van
                    het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de
                    re-integratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de
                    redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden
                    op grond van artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                    disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                    waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7, de nieuwe
                    ontslagdatum is opgenomen.</al><al>Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond van artikel 8:6 ook zijn
                    welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden functie. Als de ambtenaar
                    een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet accepteert, kan eveneens vóór
                    het aflopen van de reintegratietermijn ontslag plaatsvinden op grond van artikel
                    8:6. Naarmate de re-integratiefase langer duurt, mag een bredere oriëntatie op
                    arbeid verwacht worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de
                    omstandigheden van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een
                    functie moet aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen
                    lager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Eerdere beëindiging van de re-integratiefase leidt tot het vervallen van het
                    recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet
                    het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</al><tussenkop>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente
                    (T)</tussenkop><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                    re-integratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en
                    de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit het
                    re-integratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                    re-integratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                    oorspronkelijke re-integratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd
                    wordt de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en
                    billijkheid mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan
                    zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW
                    pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen,
                    wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging
                    van de re-integratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar tijdens
                    die fase aan zijn re-integratie blijft werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                    re-integratiefase, wanneer de ambtenaar de re-integratiefase niet volledig heeft
                    kunnen benutten aan re-integratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit
                    kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het
                    voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de reintegratiefase aan
                    zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen met
                    een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd. </al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de re-integratiefase niet meer
                    aan de voorwaarde dat aan re-integratie gewerkt moet worden, dan wordt de
                    verlenging gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in. Door
                    aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari 2012
                    minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen
                    volgens deze regeling. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de
                    aanstelling of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer
                    tijdens de verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de
                    re-integratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken,
                    wordt voor het aflopen van de verlengde re-integratiefase het ontslag verleend
                    op grond van artikel 8:6.</al><tussenkop>Artikel 10d:10 Re-integratieplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de re-integratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt
                    onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder
                    opbouwde. Wanneer hij tijdens de re-integratiefase geen werkzaamheden verricht,
                    betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die
                    in het kader van het re-integratieplan zijn afgesproken.</al><al> Als bij de start van de re-integratiefase al duidelijk is dat direct na de
                    beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het re-integratieplan
                    uit het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze
                    functie gaat bekleden. Het re-integratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te
                    worden. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het re-integratieplan, zodra
                    duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 8:6 en
                    daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                    ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide partijen kan
                    echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op
                    het voorkomen van werkloosheid vergroten. </al><al>Het re-integratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                    re-integratiefase zijn opgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                    re-integratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                    voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder
                    gaan dan op grond van re-integratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet
                    de volledige kosten vergoedt). </al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente
                    niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=,
                    kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt
                    aan de activiteiten uit het re-integratieplan.</al><tussenkop>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</tussenkop><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die een
                    dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit licht
                    wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><tussenkop>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</tussenkop><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                    werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor beide
                    partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid intreedt,
                    de periode van twee jaar begint te lopen.</al><tussenkop>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </tussenkop><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar werk-traject
                    geregeld.De start is het onderzoek naar wensen en mogelijkheden en
                    arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek wordt afgerond
                    binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar werk-traject. De
                    startdatum is de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is
                    getreden. Het onderzoek kan eerder opgestart worden, als al is voorzien dat
                    boventalligheid aan de orde zal komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek
                    eerder aanvangt, sneller met de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans
                    van slagen toeneemt.Bij het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur
                    worden ingeschakeld. Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf
                    in dienst is, mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als
                    loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                    professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders ofwel
                    aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring heeft.</al><tussenkop>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</tussenkop><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat is
                    uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het contract bevat
                    de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het vinden van nieuw werk.
                    Het contract is maatwerk en zal per individu verschillen. Het is van belang
                    concreet alle van belang zijnde afspraken op te nemen. In het artikel is een
                    niet-limitatieve opsomming hiervan opgenomen. Gedurende de looptijd van het
                    contract is de ambtenaar boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij
                    gedurende de Van werk naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom
                    ook afspraken te worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                    (T)</tussenkop><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken wordt
                    neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van belang is dat
                    goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen. Het verloop van het
                    Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven tot een verschil in
                    opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt voorgelegd (zie artikel
                    10d:24). De dossiervorming moet dan op orde zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                    zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt werk
                    kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</tussenkop><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk binnen of
                    buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van het Van werk
                    naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van
                    artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar werk-contract vast welke
                    functies passend dan wel geschikt zijn. Als de ambtenaar een dergelijke functie
                    weigert, eindigt het Van werk naar werk-contract. Afhankelijk van de duur van
                    het Van werk naar werk-traject mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht
                    worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden
                    van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet
                    aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                    vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft. Hiermee
                    wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat het voor
                    de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook
                    uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                    contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan. In
                    beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de
                    werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</tussenkop><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21 maanden
                    geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies uit te brengen
                    over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te kunnen uitbrengen,
                    heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de evaluatieverslagen, en
                    zonodig in andere relevante correspondentie. De loopbaanadviseur moet overwegen
                    of een vervolgtraject een zinvolle stap is, die de kans op ander werk evident
                    doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen binnen de organisatie en de
                    arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij relevant. De loopbaanadviseur adviseert
                    het college; het college hoeft dit advies niet te volgen.</al><tussenkop>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
                    (T)</tussenkop><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                    beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                    ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. Dat is alleen anders als het
                    college het advies van de loopbaanadviseur tot verlenging volgt.</al><tussenkop>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                    Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de loopbaanadviseur
                    zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële kans op een andere
                    functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in kwestie- kan leiden tot
                    verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de werkgever. Er kan maar een
                    keer worden verlengd. Het traject wordt definitief beëindigd op de datum waarop
                    het verlengde contract afloopt. Na afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op
                    grond van artikel 8:3.</al><tussenkop>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                    werk-contract (T)</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                    werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                    optreden.</al><al>Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de afspraken
                    is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht. Als een
                    gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de partij die
                    vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in het contract stelt de ander
                    hiervan schriftelijk in kennis.Voor de gemeente kan dit leiden tot beëindiging
                    van het contract en een ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19 bij
                    tussentijdse beëindiging.Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen dat
                    het Van werk naar werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het gebrek
                    is opgetreden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat een
                    loopbaancoach afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben
                    plaatsgevonden. Deze worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook
                    in deze fase werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt,
                    kan de paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De commissie
                    is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie hebben kunnen
                    de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een reglement vaststellen
                    waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                    vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld reglement opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, sub a</vet></al><al>Wanneer de re-integratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet
                    heeft gehouden aan de afspraken die in het re-integratieplan zijn neergelegd,
                    vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub b</vet></al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                    zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar werk-contract
                    zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub c</vet></al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                    werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                    bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                    vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                    aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan
                    tegelijk aan, na de vakantie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                    werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                    sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                    informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter
                    bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en ter
                    controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:28).</al><tussenkop>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:2 is de bezoldiging gedefinieerd. De hoogte van de uitkering is
                    gedurende de twee fases verschillend. De genoemde bedragen zijn feitelijke
                    bezoldigingsbedragen. Hiermee wordt dus niet de voltijdsbezoldiging bedoeld, die
                    omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een
                    medewerker die met een functie voor 30 uur per week een bezoldiging van €
                    5.500,= ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een aanvullende uitkering van
                    30% van deze bezoldiging en gedurende de tweede fase een aanvullende uitkering
                    van 20% van deze bezoldiging. De zinsnede “naar rato van het aantal uren dat de
                    ambtenaar werkloos is” houdt in dat indien iemand een arbeidsduur had van 36
                    uur, waaruit hij voor 18 uur is ontslagen hij een aanvullende uitkering ontvangt
                    van 10%, respectievelijk 20% of 30% maal 18/36. Als deze persoon vervolgens een
                    baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij een aanvullende uitkering van
                    10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 van zijn bezoldiging. </al><tussenkop>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                    datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                    beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende
                    uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang
                    van de WW-uitkering </al><tussenkop>Artikel 10d:28 Sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden
                    een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3
                    maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld
                    6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                    Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels
                    gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te
                    komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het
                    recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is
                    afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie
                    die door UWV is opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de WW-uitkering
                    eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief>Omdat de
                    werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering, wanneer
                    de werkloosheidsuitkering herleeft. Omdat de duur van de aanvullende uitkering
                    van één jaar gekoppeld is aan de dag van ontslag, geldt de herleving van de
                    eerste fase van de aanvullende uitkering alleen wanneer de
                    werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de ingangsdatum van
                    ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de periode, waarin geen
                    werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de resterende tijd van de
                    werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid,
                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid,
                    als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om
                    een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                    gemeente.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering
                    zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl; zoeken op
                    poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de
                    na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en het door de gemeente te voeren
                    sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                    alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                    omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                    schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid. </al><tussenkop>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is, zijn
                    na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De na-wettelijke
                    uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie van
                    20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van minder
                    dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering
                    (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                    verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af te
                    leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken). In
                    artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet overleggen die
                    van belang zijn voor het bepalen van het recht op nawettelijke uitkering.
                    Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en arbeidsovereenkomsten. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient dat
                    hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen, waaruit
                    voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering nooit meer kan
                    bedragen dan 90% van de oude bezoldiging.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De
                    na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt
                    tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee
                    resteert een werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij € 1500,=
                    verdienen. Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,=
                    bedragen. Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                    2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is € 1800,=.
                    Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een na-wettelijke
                    uitkering van € 400,=.</al><tussenkop>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                    gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><tussenkop>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of meer
                    dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest. Als door
                    werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of minder dan de
                    helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en
                    eindigt de na-wettelijke uitkering. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                    wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking
                    getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de
                    ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar
                    die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of
                    8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</tussenkop><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college kan
                    echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de na-wettelijke
                    uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de hoogte van het
                    afkoopbedrag. </al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag, vallen
                    partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de na-wettelijke
                    uitkering. </al><tussenkop>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                    herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                    ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                    waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                    is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                    organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel 8:5
                    plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid
                    heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien,
                    een bijzondere uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="-"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                            dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="-"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering overeenkomt
                    met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli
                    2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten
                    gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de
                    aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in het tweede lid, is
                    opgenomen.Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op een
                    re-integratiefase of een Van werk naar werk-traject. Mocht daarna sprake zijn
                    van werkloosheid, dan geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na
                    afloop van de WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit
                    overgangsrecht is overeengekomen.</al><al>De overgangsuitkering eindigt op de eerste van de maand volgend op die waarin
                    betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt (artikel 10d:33). </al><tussenkop>Hoofdstuk 10e Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>De omschrijving dat aan de ambtenaar
                    ontslag moet zijn verleend, impliceert dat het einde van een tijdelijke
                    urenuitbreiding geen recht geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake van
                    ontslag. Dit is anders wanneer deze urenuitbreiding, die in de vorm van een
                    brief kan worden meegedeeld, de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na
                    afloop van deze aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering toe te
                    kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel
                    de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een betrekking te
                    aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de Centrale raad van beroep
                    die uitwijst dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                    te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch
                    noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding
                    een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen
                    invloed kunnen uitoefenen.</al><tussenkop>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is aan
                    de zogenaamde toegangseis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag dient
                    betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als werknemer
                    in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet
                    mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten
                    minste op n dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren. Deze toegangseis,
                    afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1 maart 1995 verzwaard, maar die
                    verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 2000 niet overgenomen in dit
                    hoofdstuk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij het
                    vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om
                    werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om
                    werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                    waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                    gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht voorafgaand aan
                    indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                    waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan, moge
                    het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                    vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                    betrokkene een tweede deeltijdbaan vervullen van 16 uur voor de duur van drie
                    maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de
                    termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in
                    deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt
                    in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee. Deze tijd telt
                    uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de toegangseis voldaan is op het
                    tijdstip dat de deeltijdbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen dus
                    slechts eenmaal mee.</al><tussenkop>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                    werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                    hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het om
                    de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van
                    hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><tussenkop>Artikel 11:18 Samenloop (T)</tussenkop><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar, ter
                    hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                    betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij de
                    oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><tussenkop>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van
                    degene aan wie uitsluitend een uitkering voor de periode van zes maanden is
                    toegekend. In afwijking van het reguliere systeem van de verrekening van
                    neveninkomsten, geldt in dit geval dat het recht op uitkering vervalt en
                    herleeft in de situatie dat spoedig opnieuw werkloosheid optreedt nadat
                    betrokkene bijvoorbeeld als uitzendkracht heeft gewerkt. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met ingang
                    van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor de
                    resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw werkloosheid
                    ontstaat. Van belang is dat het begrip beëindiging van de werkloosheid zodanig
                    is omschreven dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst
                    van beindiging van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van
                    een maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij eenzelfde
                    werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit ontslag volgde.
                    Dit betekent dat gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een
                    uitkering een tijdelijke betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering
                    worden verrekend. Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee
                    wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                    herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van de
                    uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                    werkloosheid.</al><tussenkop>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet>Artikel 11a:1 bevat de
                    definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip ‘arbeidsongeschiktheidsuitkering’ is in deze suppletieregeling
                    elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid
                    bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-uitkering, de uitkering op grond van de
                    WAZ en de uitkering op grond van de WAJONG. Ook uitkeringen van buitenlandse
                    mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                    vallen.</al><al><cursief><vet>Sub d</vet></cursief>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt
                    gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking
                    bij een gemeente op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid
                    wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                    zijn in de zin van de WAO.</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende verdienvermogen
                    volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek
                    van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond
                    van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene
                    één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus
                    altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is
                    echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                    dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder
                    dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens
                    recht op suppletie. Met de omschrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is,
                    bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te
                    geven dan die van het ambtenaarschap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde
                    op 31 december 1995.</al><al><cursief><vet>Sub g en h</vet></cursief>Het dagloon in de zin van de suppletie
                    is het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO met een bepaalde correctie.
                    Allereerst wordt het dagloon in de zin van de WAO vermeerderd met het bedrag aan
                    pensioenbijdrageverhaal.</al><al>Daarnaast wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten
                    verzekerd zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de
                    werkgeversbijdrage in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het
                    ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de
                    werkgever dient van het WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de
                    berekeningsgrondslag van de suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de
                    berekeningsgrondslag van het vroegere herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten
                    bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                    ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, is het niet nodig om
                    bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de suppletie, het
                    ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de tegemoetkoming
                    van de werkgever in een particuliere ziektekostenverzekering van betrokkene. In
                    deze gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin van de WAO
                    reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al><cursief><vet>Sub h</vet></cursief>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking
                    genomen voor zover het toegerekend kan worden aan de betrekking waaruit
                    betrokkene met recht op suppletie is ontslagen. In tegenstelling tot de
                    WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is het recht op suppletie immers aan
                    die enkele betrekking gekoppeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 11a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en de
                    ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                    van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                    personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde
                    grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel 8:5, tweede
                    lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24
                    maanden.</al><al>De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel 11a:6. Zoals
                    bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale uitkeringsduur 66 maanden, te
                    rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na ommekomst van de
                    maximale uitkeringsduur eindigt het recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden
                    zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Vergelijk
                    artikel 11a:5, onderdeel a.</al><tussenkop>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt
                    een verplichtingen en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van
                    dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                    bestuursorgaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip ‘passende arbeid’ in de zin
                    van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede
                    gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in dit lid
                    gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van
                    het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek
                    te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die ongeschikt is voor
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe onderzoekt de werkgever
                    eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                    arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van
                    het eerste ziektejaar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in
                    een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat de betrokkene op
                    het moment dat het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan, reeds
                    een jaar lang verplicht is geweest aangeboden gangbare arbeid te
                    accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                    betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet
                    verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde uitbreiding van
                    het begrip ‘passende arbeid’ zou de ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een
                    betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden
                    is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                    ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te houden voor de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende arbeid
                    in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele weigering van
                    gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                    suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve
                    betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wijze
                    sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel danwel
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur
                    worden beperkt.</al><tussenkop>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op suppletie
                    ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond van artikel
                    11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het eerstgenoemde geval
                    nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie worden overgegaan, zodra
                    de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                    voordoet en er op dat moment nog suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                    11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                    systematiek van de WAO (conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                    arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                    verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                    arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere klasse,
                    zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                    onredelijk geacht.</al><al>Wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de huidige
                    situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer de
                    herplaatsingstoelage wordt be‘indigd. Die vangnetfunctie wordt nu voortgezet in
                    artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><tussenkop>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</tussenkop><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De ‘klok’
                    van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden
                    onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft
                    plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een
                    latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in
                    mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene
                    geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode
                    80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn
                    ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                    was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen op een
                    moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen
                    recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog
                    op 70% van die berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot
                    uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de
                    betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake
                    van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer
                    wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van werkloosheid en
                    arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering
                    gebracht op het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                    Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en
                    voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                    TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                    expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                    suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                    betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                    Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie,
                    worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer
                    inkomsten gaat genereren uit die ‘oude’ inkomstenbronnen dan ligt het in de rede
                    dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                    in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 11a:9.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op het
                    ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                    verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake
                    waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                    arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient dat
                    meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het
                    bedrag van de suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</tussenkop><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                    verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid,
                    opgenomen anticumulatieregeling.</al><al>Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80% onderscheidenlijk
                    70% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt
                    door middel van arbeid of bedrijf inkomsten te verwerven, heft hij zijn
                    (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft
                    doordat hij zijn resterend verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op
                    een herplaatsingstoelage van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zolang hij die
                    herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht op suppletie niet meer tot
                    uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer hij zijn werkloosheid
                    gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te
                    gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel op de volgende
                    wijze:</al><al>(berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                    ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van de
                    suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan
                    zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is
                    het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de
                    plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                    genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</tussenkop><al>Een vermindering in het niveau van de onderlinge wettelijke en/of
                    bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                    suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie.Dit effect is echter
                    ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen
                    wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom vastgelegd dat
                    sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of bovenwettelijke uitkeringen
                    niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie.In geval van sancties worden de
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen voor de toepassing van de artikelen
                    11a:8 en 11a:9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><tussenkop>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Dit geldt ook voor de artikelen 11a:13, 11a:14 en 11a:15.</al><tussenkop>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</tussenkop><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                    eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een doelmatige
                    controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit soort regels zijn
                    regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het bestuursorgaan dient
                    te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA,
                    alsmede met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel
                    hersteld dient te melden. Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook
                    regels worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de
                    ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                    december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin
                    van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van het
                    door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een
                    nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                    en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om het
                    herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                    converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft hoogte,
                    duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid opgenomen tabel
                    betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder
                    andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar
                    staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100%
                    is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden
                    50% was.</al><tussenkop>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari 1996
                    de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken of
                    langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van
                    algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                    procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële
                    regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is vastgesteld op ten
                    minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de suppletieregeling is bepaald dat
                    voor degene die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte, dat ‘geconverteerde’ dagloon zal gelden als
                    berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval dat hij binnen een periode
                    van zes maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg treden
                    indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als
                    gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse
                    wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke
                    wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                    algemeen neerwaartse wijzigingen.</al><al>Voor het geval dat overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een
                    periode van zes maanden na de datum van publikatie in het Staatsblad van de
                    maatregel, houdende die algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt het volgende. In
                    dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigingen effectief ten aanzien van
                    de suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                    inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder.</al><tussenkop>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                    bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP.</al><al>Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij na ontslag
                    wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht op een WW-uitkering
                    en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk 10a.</al><tussenkop>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O. niet
                    alleen bevoegd is voor alle ambtenaren, maar evenzeer voor de mensen die
                    werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. </al><al>Het al dan niet representatief zijn is een beslissing die op lokaal niveau
                    genomen wordt. Op deze wijze kan rekening gehouden worden met lokale
                    organisaties van ambtenaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het - in
                    afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling - mogelijk maakt om
                    de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998 zitting
                    hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten deelnemen.
                    Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de
                    stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                    vertegenwoordigde personeelsleden.</al><tussenkop>Artikel 12:1:1 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                    personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk dat naast deze
                    vertegenwoordiger van de werkgever een tweede collegelid wordt toegevoegd. In
                    artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren worden
                    bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om die organisatie tot het overleg
                    toe te laten. Het gaat hier om de representativiteit van de organisatie. Voor de
                    bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te geven. Het kan, behalve van
                    lokale omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van hun
                    organisatiegraad.</al><tussenkop>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele zin
                    zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt dan
                    bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te geven.
                    Een dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen worden
                    afgesproken.</al><tussenkop>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als secretaris
                    aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is belast. Het valt af
                    te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die immers de voorzitter is
                    van het overleg met de ondernemingsraad. Het is beter om die rollen te
                    scheiden.</al><al>De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde informeel
                    of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg voorbereidt.</al><tussenkop>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                    gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in het
                    LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken, volstaat een mededeling
                    van de wijziging.</al><al>Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III bij CAR en UWO)
                    geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO niet ter kennis van de centrales
                    behoeven te worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                    ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste instantie,
                    conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de ondernemingsraad worden
                    voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het gemeentebestuur een besluit
                    heeft genomen, komt het GO in beeld. Het GO spreekt zich uit over de personele
                    gevolgen van het besluit. Als regel zijn die gevolgen neergelegd in een sociaal
                    statuut. Het toezicht op de uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak
                    voor de ondernemingsraad.</al><al>Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg dat het bevoegd gezag er
                    verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te informeren over zijn
                    voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de ondernemingsraad elkaar
                    beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen. Dat kan de kwaliteit van het
                    proces en het draagvlak van de besluiten alleen maar vergroten.</al><tussenkop>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                    besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                    spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-)niveau
                    en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te
                    vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie).
                    Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                    aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op LOGA-niveau
                    gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich daarentegen niet
                    voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                    ‘lokale domein’: in de commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats
                    te vinden.</al><al>Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over individuele
                    kwesties wordt gesproken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de ‘UWO-gemeenten’
                    opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                    overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de ‘niet-UWO-gemeenten’
                    dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling zijn
                    in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een ‘niet-UWO-gemeente’ dient over
                    deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O.
                    dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                    de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><tussenkop>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige formulering
                    van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering voor het
                    overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan
                    het begrip “gevoelen” uit het artikel. In de LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr.
                    94/152, is aangegeven dat, wanneer het in de gemeente van toepassing zijnde
                    overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit gehandhaafd kan worden.
                    Waar het overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet
                    bevredigend functioneert, is aan de gemeenten in de genoemde LOGA-brief een
                    keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die respectievelijk een brede (voorkeur
                    van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor Arbeidszaken)
                    invulling aan het vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: ‘invoering of wijziging van aangelegenheden van
                    algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt
                    niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                    overheidspersoneel’.</al><al>Formulering 2 luidt: ‘Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke
                    verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele
                    ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel’.</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 ‘de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd’ wel onder
                    het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet.</al><al>Concreet betekent dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de
                    inrichting van het personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                    personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                    overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze regelingen
                    voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren.</al><al>In formulering 1 vallen de onderwerpen als zodanig onder het
                    overeenstemmingsvereiste, en natuurlijk de regelingen die daaruit
                    voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de
                    griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de gemeenteraad worden
                    genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Alleen in de
                    situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan het college,
                    is het college het bevoegde orgaan.</al><tussenkop>Artikel 12:2:1:1</tussenkop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige formulering
                    van het overeenstemmingsvereiste. De gemeente wordt daarom een keuze voorgelegd
                    uit twee formuleringen, die respectievelijk een brede (de voorkeur van de
                    vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor Arbeidszaken)
                    invulling aan het vereiste geven. Formulering 1 luidt als volgt: ‘nvoering of
                    wijziging van aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van
                    ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                    personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel’. Formulering
                    2 luidt: ‘Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke
                    verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele
                    ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel’. Het
                    verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 ‘de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd’ wel onder
                    het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet. Concreet betekent
                    dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de inrichting van het
                    personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                    personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                    overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze regelingen
                    voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren. In formulering 1
                    vallen de onderwerpen als zodanig onder het overeenstemmingsvereiste, en
                    natuurlijk de regelingen die daaruit voortvloeien. Besluiten en voorstellen van
                    of aan de raad betreffen aangelegenheden van algemeen belang die specifiek de
                    rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.</al><tussenkop>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang die
                    specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.
                    De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen
                    en deelnemen aan de besprekingen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen. Besluiten
                    moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden.
                    Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te komen, moeten
                    partijen terug naar hun achterban.</al><tussenkop>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                    teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan
                    was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle GO's
                    opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen
                    besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering
                    niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen
                    de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt voorzien worden.
                    Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin besluitvorming plaatsvinden.
                    Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de
                    andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><tussenkop>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om de
                    raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met
                    name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of financiële
                    kaders.</al><tussenkop>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                    bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor
                    het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze bepaling
                    noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                    enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in
                    de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de andere
                    organisaties gezamenlijk.</al><tussenkop>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>Bij de advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa 400
                    gemeenten aangemeld. De Lokale advies- en arbitragecommissie (LAAC) is te
                    bereiken via het secretariaat van het College voor Arbeidszaken, Postbus 30435,
                    2500 GK Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en arbitragecommissie
                    wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken, gehoord het
                    Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De andere helft
                    wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</tussenkop><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO-)uitkeringen wordt uitgebreid met de
                    eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997
                    betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd. Deze
                    ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de
                    berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)uitkeringen met deze uitkering wordt
                    uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997
                    toegekende wachtgelden en (FLO-)uitkeringen.</al><tussenkop>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de Ondernemingsraden
                    wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden
                    (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en commissieleden redelijkerwijs nodig
                    hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en
                    OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                    combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is.
                    Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien
                    noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de
                    organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is
                    met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                    individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                    afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt. </al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                    (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het
                    convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                    achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                    verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve
                    arbeidsvoorwaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling van
                    arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel 2 van de
                    WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar
                    met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het belang van een goede
                    toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><tussenkop>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                    heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding
                    ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel 16:1:1, lid 2, de
                    definitie.</al><al>De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van het begrip
                    ‘plichtsverzuim’, zodat hier verwezen kan worden naar de toelichting bij artikel
                    16:1:1.</al><tussenkop>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidwerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben
                    naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed heringevoerd of een
                    nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of belofte of een
                    integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is,
                    zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van integriteitaspecten
                    hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan dient het moment de
                    nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de
                    ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed
                    wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en plaats.</al><tussenkop>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
                    (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr.44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr.44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De term ‘nevenwerkzaamheden’ dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                    verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van
                    een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder, vennoot of
                    aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en
                    onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                    normale diensttijd worden verricht.</al><al>Een gedane melding dient getoetst te worden aan het tot de ambtenaar gerichte
                    verbod, dat in het derde lid is geformuleerd. De ambtenaar zal zich een oordeel
                    moeten vormen over de vraag of door een nevenwerkzaamheid de goede
                    functievervulling of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover
                    deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid is
                    verzekerd.</al><al>De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich niet goed verdraagt met de
                    ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden tot het opleggen van een
                    verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden gemaakt dat de
                    mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins zich niet meer voordoet.
                    Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp geeft
                    eenzelfde richting aan.</al><al>De registratie van nevenwerkzaamheden kan op verschillende wijzen worden
                    ingericht. In elk geval dient de registratie te voldoen aan de regels die
                    gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties en de op deze wet
                    gebaseerde verordening, voorzover deze in de gemeente is vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over de openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid,
                    zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                    gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies die daarmee
                    op één lijn staan maar in het gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming
                    hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van
                    ‘andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                    integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden
                    noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de functies waaraan het
                    plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking
                    komen de stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een
                    projectorganisatie, concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van
                    de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al></li><li nr="-"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                            nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                            verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al></li><li nr="-"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de
                            uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke datum
                    de nevenwerkzaamheid wordt verricht.De openbaarmaking kan geschieden door ter
                    inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven
                    voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al><tussenkop>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over het melden van financiële
                    belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen waarin risico bestaat op
                    financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                    Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed,
                    bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen. Het college dient
                    ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in een functie (dan wel feitelijke
                    werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op financiële
                    belangenverstrengeling is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht
                    worden aan ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                    sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                    aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en adviesopdrachten.
                    Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich
                    bij het nemen van functionele beslissingen te laten leiden door niet-functionele
                    belangen zoals een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van
                    een bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                    van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit
                    hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of
                    kunnen beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                    moeten krijgen. Zij hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te
                    gebruiken of lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                    inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere risico’s
                    zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige
                    informatie.</al><al><vet>Lid 2 en lid 3</vet></al><al> Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                    regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><lijst><li nr="-"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="-"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden. </al></li><li nr="-"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van de
                            persoonlijke levenssfeer. </al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd wordt.
                        </al></li><li nr="-"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                            het financiële belang of het bezit van (of de transactie in) effecten.
                        </al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt dat
                    het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde
                    belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van de
                    ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor deze
                    beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden
                    hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                    voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in zijn
                    functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële belangen. Dat
                    vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk
                    bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een financieel belang
                    toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het
                    concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                    uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het
                    financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever
                    op basis van de verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op
                    financiële belangenverstrengeling of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient
                    eerst naar de minst ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden
                    aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een
                    dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel
                    belang af te stoten.</al><tussenkop>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel 15:1:11,
                    tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding en toezicht
                    van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                    plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig.
                    Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                    werkgever van desbetreffende ambenaar en de rechtspositie van die gemeente
                    blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</tussenkop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                    schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen. Bij elk schadegeval zal daarover
                    door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de vraag of
                    de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij geheel op hem
                    kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                    volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit
                    artikel grijpen. In elke organisatie komen ‘bedrijfsongevalletjes’ voor die
                    inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te
                    rekenen, maar de woorden ‘schuld’ en ‘nalatigheid’ wijzen er toch wel op dat het
                    moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><tussenkop>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</tussenkop><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of uitgeeft,
                    bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële waarden beheert. Het
                    betreft hier dus niet alleen degenen die ontvangersfuncties bekleden op grond
                    van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat
                    de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                    verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><tussenkop>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</tussenkop><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                    instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27,
                    eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een collegebesluit
                    worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren
                    die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins regelmatig in contact treden met
                    burgers, in een korte broek op de werkplek te verschijnen.</al><tussenkop>Artikel 15:1:17 Standplaats (T)</tussenkop><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                    wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij het
                    Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
                    vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers het volgende
                    individuele grondrecht van elke burger - dus ook van die burger die in een
                    arbeidsrelatie tot de overheid staat - geformuleerd: ‘een ieder die zich wettig
                    op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt, heeft het recht
                    zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen’.
                    Op dit grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van hetzelfde Protocol
                    slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de daarin op te leggen
                    beperkingen ‘in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s
                    lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde,
                    ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of
                    ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’.</al><al>De beperking op het individuele grondrecht is neergelegd in artikel 15:1:17. Een
                    relevante uitspraak in dit verband is de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 20 april 1990 (TAR 1990, nr. 139). In deze zaak is geoordeeld dat de
                    relevante verdragsartikelen verdragspartijen niet verbieden aan de vervulling
                    van een ambtelijke betrekking te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van
                    zijn werkplek dient te wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de
                    woonomgeving in een functionele relatie tot die betrekking staat. Aan die
                    voorwaarde is volgens de Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit
                    woongebied zodanig zijn vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat,
                    wanneer de ambtenaar buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling van zijn
                    functie te zeer in het gedrang komt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen
                    wanneer de reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met
                    de aard van zijn functie niet snel genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn.
                    Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd
                    interne zaken of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich in
                    een gemeente kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</tussenkop><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                    goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een
                    bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers- of
                    conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting met
                    zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld
                    zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                    gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                    ‘dienstwoning’ genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van het
                    dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de huurovereenkomst.
                    In die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><tussenkop>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de vervulling
                    van zijn betrekking. Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het
                    directe gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet
                    een zodanig verband zijn met de betrekking, dat de schade zich niet zou hebben
                    voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                    werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag
                    rekening worden gehouden met normale slijtage. Voorkomen moet worden dat de
                    ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval zou zijn wanneer als
                    schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed
                    deze waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen zal geen
                    schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling
                    of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet
                    nodig zijn voor de uitoefening van de functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade aan
                    een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze
                    bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken
                    van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                    geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan
                    de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan no-claimkorting. Er is
                    bewust voor gekozen af te zien van de verplichting voor de ambtenaar een
                    all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                    redelijkheid kan worden opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 15:1:24 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                    toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik.
                    Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten dat de gemaakte
                    kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto worden vergoed. De
                    juridische basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde
                    verbonden aan de toestemming de eigen auto te gebruiken ten behoeve van
                    dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van een all-riskverzekering worden
                    verbonden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</tussenkop><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen. </al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van kosten.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. </al><tussenkop>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</tussenkop><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar
                    de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de
                    plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf te
                    voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de zin
                    van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                    (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                    Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                    vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat
                    daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2 buitengewoon
                    verlof kunnen genieten.</al><al>De zorgplicht is te vergelijken met die voor de ondernemingsraadsleden,
                    opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden. Omdat
                    zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn dan andere werknemers, is
                    deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen. Daardoor wordt gewaarborgd
                    dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen optreden zolang zij door hun
                    vakorganisatie daarvoor een aanwijzing hebben gekregen. Het gaat daarbij om
                    benadeling in promotiekansen, verslechtering van werkomstandigheden, gedwongen
                    overplaatsing, schorsing vanwege vakbondsactiviteiten en het niet verlengen van
                    een aanstelling/arbeidsovereenkomst. De feitelijke handelwijze van de gemeente
                    moet gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten
                    niet zou vervullen. De werknemer die zich desondanks benadeeld voelt, kan zich
                    wenden tot de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank
                    (aanstelling) of de kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><tussenkop>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de vaststelling
                    van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad kan het college
                    ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake van de
                    meldingen.</al><tussenkop>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</tussenkop><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen. Deze
                    zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                    bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                    leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij in
                    rechte kunnen worden aangetoond. Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                    betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid
                    speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil
                    overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                    spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                    dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een dergelijke
                    sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag ongedaan wordt
                    gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen
                    worden verweten. In dit verband speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel
                    bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed
                    ambtenaar betaamt.</al><tussenkop>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                    straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag. In
                    dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat over de
                    schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden opgemerkt
                    dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag
                    overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal kan worden
                    opgelegd.</al><al>Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen. De op te leggen straf
                    dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim. Het besluit een straf
                    toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2, eerste lid, is een besluit
                    ingevolge de Awb.</al><al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf op te leggen.
                    De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er dient rekening te worden gehouden met
                    de belangen van de organisatie en die van de ambtenaar. Ook de termijn
                    waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient redelijk te zijn. Wanneer een
                    ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft gefraudeerd met het
                    tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat betrokkene strafontslag
                    wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een afgesproken tijdstip
                    zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan een voorwaarde is
                    voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk uitvoeringsbesluit is
                    een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de betreffende ambtenaar
                    vooraf gehoord dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 16:1:3 Verantwoording (T)</tussenkop><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                    strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld. Betrokkene dient allereerst
                    te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het gaat hier
                    immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij naar
                    verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op
                    gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft
                    verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking van de
                    hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8).</al><al>Dit horen kan pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan
                    niet later gebeuren dan na 12 dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling
                    waarin het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf wordt
                    aangekondigd.</al><tussenkop>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al> Lid 1 regelt de hoogte van het individuele budget. Het budget is niet naar rato
                    van omvang dienstverband of naar rato van aantal maanden dienstverband als
                    iemand in de loop van het jaar in dienst komt. Op het moment een medewerker in
                    de tweede helft van een kalenderjaar in dienst komt, is het verstandig om bij
                    aanstelling meteen afspraken te maken over het individueel loopbaanbudget in dat
                    kalenderjaar. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In lid 2 is bepaald dat wanneer er een opleidings- en/of loopbaanbeleid is
                    vastgesteld in de gemeente dat vergelijkbare en gelijkwaardige mogelijkheden en
                    rechten biedt als het voorgestelde loopbaanbudget, dit beleid niet vervangen
                    hoeft te worden door het loopbaanbudget. Zulks ter beoordeling van de
                    Ondernemingsraad.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is vastgelegd dat het individueel loopbaanbudget ingezet moet
                    worden voor individuele opleiding- en ontwikkelingswensen die gericht zijn op
                    het verbeteren van de eigen inzetbaarheid en arbeidsmarktpotentie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Om te voorkomen dat medewerkers die in de loop van het jaar in dienst treden dit
                    budget niet meer kunnen besteden en het budget komt te vervallen na verloop van
                    het kalenderjaar, is het van belang dat de leidinggevende dit onderwerp in een
                    vroegtijdig stadium aan de orde stelt.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Lid 7 biedt de mogelijkheid om het individueel loopbaanbudget maximaal drie jaar
                    te sparen. In het persoonlijk ontwikkelingsgesprek worden hierover afspraken
                    gemaakt: deze worden in het persoonlijk opleidingsplan vastgelegd. Het is niet
                    mogelijk om over de geldigheidsduur van dit artikel heen te sparen. Sparen omdat
                    er niet over gesproken is en er dus geen afspraken zijn gemaakt wordt door de
                    LOGA partijen als ongewenst gezien.</al><tussenkop>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en van
                    de ontwikkeling van de kennis en vaardigheden van de medewerker. In (een
                    aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan worden tevens de afspraken
                    rondom het individueel loopbaanbudget vastgelegd. Vorm en inhoud zijn in
                    beginsel vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan uit een korte
                    feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een meer uitgebreide
                    afspraak over - door beide partijen - te ondernemen ontwikkelingsactiviteiten in
                    brede zin. Ook kan het accent liggen op activiteiten die alleen de medewerker
                    zal ondernemen of op inspanningen die beide partijen zich zullen getroosten. Ook
                    de mate waarin het initiatief voor het doen van voorstellen voor de inhoud van
                    het persoonlijk ontwikkelingsplan bij de medewerker dan wel bij de
                    leidinggevende ligt, kan van geval tot geval uiteenlopen. Essentieel is dat het
                    persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk wordt vastgesteld door leidinggevende
                    en medewerker. Bij ontbreken van overeenstemming is uiteindelijk de beslissing
                    van de leidinggevende namens de werkgever een voor beroep vatbaar besluit. Bij
                    dit laatste dient bedacht te worden dat het in het algemeen niet of nauwelijks
                    denkbaar is, dat de werkgever meer aan opleidingsinspanningen van de medewerker
                    kan eisen dan waartoe deze bereid is, afgezien van de opleidingen die krachtens
                    artikel 15:1:26 in het kader van een goede functie-uitoefening noodzakelijk zijn
                    te achten. Een besluit dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen in de
                    omgekeerde situatie kunnen voorkomen: de medewerker wil meer dan de werkgever
                    wil of kan toestaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                    worden vastgesteld. De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen
                    in onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een bepaalde periode
                    geen reden is voor bijzondere inspanningen of afspraken. Het is in de praktijk
                    ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een gesprek plaatsvindt
                    tussen leidinggevende en medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de
                    ontwikkeling van kennis en vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De
                    voortgang van de eerdere afspraken kan aan de orde komen. Het vastleggen van de
                    afspraken in een dergelijk gesprek kan worden gezien als een nieuw persoonlijk
                    ontwikkelingsplan. Het ligt in de rede dat deze gesprekken in het kader van het
                    functioneringsgesprek en/of beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk
                    is dat niet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                    gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het gemeentelijk
                    opleidingsplan. De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te
                    stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het hier niet
                    gaar om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De individuele medewerker
                    heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij kan er ook niet
                    direct rechten aan ontlenen of tegen in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er
                    om vragen en heeft conform de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht met
                    het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele gemeente tegelijk worden
                    vastgesteld, maar uiteraard is het ook mogelijk, en in veel situaties zelfs meer
                    voor de handliggend, dat het per sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld.
                    Ook de frequentie waarmee het wordt vastgesteld kan verschillen. Behalve
                    inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen waarmee het beoogde
                    profiel van de organisatie als geheel of het betrokken onderdeel kan worden
                    bereikt, kan het opleidingsplan ook budgettaire en organisatorische
                    randvoorwaarden bevatten. Ook kan in het opleidingsplan worden geformuleerd of
                    en zo ja tot welke grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in
                    het kader van goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee te werken
                    aan opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers
                    dienen en maar ten dele het directe dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                    ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan worden
                    volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan er wellicht wel
                    enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                    rechten van medewerkers. Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil
                    gemaakt tussen een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke
                    afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                    werkgever verleend. Verlof met behoud van bezoldiging, maar ook andere vormen
                    van medewerking door de werkgever worden vastgelegd. Te denken valt aan
                    afspraken over de inroostering van werktijden, inzet op een bepaald project dat
                    directe relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen
                    van technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd hoeveel verlof
                    noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen dienen te bepalen wat
                    het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te houden. Uiteraard mag er een
                    beroep op de betrokken medewerker worden gedaan om ook eigen tijd in de
                    ontwikkeling van zijn loopbaan te investeren, maar andersom is het redelijk dat
                    de werkgever rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en de zwaarte van
                    de studie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de concrete
                    keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden gevolgd, de
                    voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden uitgevoerd, wat
                    de consequenties zijn van tussentijdse complicaties zoals voortijdige
                    beëindiging of onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja
                    welke afspraken er over eventuele terugbetaling van de vergoeding worden
                    vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan daarbij worden betrokken
                    wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire belang de kosten zijn gemaakt
                    en wat de reden en termijn is van het ontslag. Aard en omvang van de te maken
                    kosten worden in redelijkheid vastgesteld. Doorgaans zal de kostenkwestie al bij
                    de keuze van de opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om de kosten
                    van de opleiding zelf, de kosten van studiemateriaal en de kosten van reizen en
                    eventueel verblijf. Voor de verdere activiteiten die worden afgesproken is
                    moeilijk eenduidig een indicatie te geven van de relevante kosten.</al><tussenkop>Artikel 17:7 Flankerend beleid (T) </tussenkop><al>Hierbij kan worden gedacht aan reis- en verhuiskosten, suppletie van salaris bij
                    aanvaarden van een lager betaalde functie, voorziening voor pensioenlacunes,
                    stimuleringspremie bij vrijwillig ontslag etc. </al><tussenkop>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit artikel zijn de verschillende begrippen gedefinieerd. Bij de definitie
                    van het begrip ‘eigen huishouding voeren’ is de eis opgenomen dat het gaat om
                    het zelfstandig bewonen van woonruimte. Iemand die bij zijn ouders inwoont komt
                    dus niet in aanmerking voor een volledige verhuiskostenvergoeding.</al><al>De twee inkomsten die bij sub f vermeld worden, worden slechts meegenomen bij de
                    berekeningsbasis voorzover zij naast de bezoldiging worden genoten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 18
                    niet van toepassing is op de oproepkracht.</al><al>Klik hier voor de Verplaatsingskostenregeling 1989</al><tussenkop>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten voor
                    ambtenaren die in verband met een verplaatsing of indiensttreding moeten
                    verhuizen. Zie ook de toelichting bij artikel 15:1:17.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de hoogte is van
                    de terugbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                    tegemoetkoming in de verhuiskosten als een werknemer die vanwege dienstbelang
                    dient te verhuizen naar een huur- of koopwoning. Zie artikel 15:1:18.</al><tussenkop>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden vergoed; dit is
                    expliciet geregeld. Het inpakken van andere goederen door de transporteur dient
                    door de betrokkene zelf te worden betaald.</al><al>De bedragen voor transportkosten en dubbele woonkosten worden vastgesteld op
                    basis van de werkelijk gemaakte kosten. Het maakt niet uit of de dubbele
                    woonkosten betrekking hebben op huishuur, hypotheeklasten of beide.</al><al>Het bedrag voor de andere kosten (onderdeel C) beoogt niet kostendekkend te
                    zijn.</al><al>De Belastingdienst hanteert maxima voor de bedragen die fiscaal onbelast kunnen
                    worden toegekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend, woonruimte
                    bewoont met eigen inboedel en stoffering komt in aanmerking voor de vergoeding.
                    Het is aan te nemen dat een kamerbewoner lagere verhuiskosten maakt dan iemand
                    die een groot huis achterlaat. Daarom is er een differentiatie naar het aantal
                    achter te laten kamers. Dit voorkomt dat de gemeente gaat meebetalen aan de
                    inrichting van een groter huis. De differentiatie naar bezoldiging is gebaseerd
                    op de gedachte dat er tussen de waarde van de inboedel en het inkomen een zekere
                    relatie bestaat.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken, wordt voor beide
                    personen de berekeningsbasis vastgesteld. De tegemoetkoming wordt vervolgens
                    toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis. Voor deeltijders wordt de
                    berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking
                    (tenzij die deeltijder tevens een andere betrekking heeft die eveneens aanspraak
                    geeft op een vergoeding).</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding voerde, en dus een
                    nieuwe inrichting moet kopen, zich op kosten van de gemeente gaat inrichten, is
                    geregeld dat hij niet voor een vergoeding in aanmerking komt. In bijzondere
                    omstandigheden kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de
                    situatie dat een werknemer tijdelijk elders wordt geplaatst en dus tijdelijk
                    andere woonruimte moet betrekken.</al><tussenkop>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in aanmerking voor
                    een tegemoetkoming in de reiskosten.</al><al>Omdat de reiskosten voor verhuisplichtigen relatief hoog kunnen zijn, is het van
                    belang om in het oog te houden of er wel voldoende inspanningen worden verricht
                    om aan de verhuisverplichting te voldoen. De tegemoetkoming in de reis- en
                    pensionkosten komt automatisch te vervallen als de werknemer niet binnen twee
                    jaar na het ontstaan van de verhuisverplichting is verhuisd (zie art. 18:1:4).
                    De verplichting om te verhuizen blijft overigens wel bestaan.</al><tussenkop>Artikel 18:1:7 Vervallen (T)</tussenkop><al>(Vervallen)</al><tussenkop>Artikel 18:1:9 Pensionkosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is niet zonder
                    meer te zeggen; dit zal regionaal en per seizoen kunnen verschillen.</al><tussenkop>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene wel genoeg
                    inspanningen verricht om snel te verhuizen (opdat onnodige kosten worden
                    voorkomen).</al><tussenkop>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te hanteren: bij
                    overschrijding van de termijnen zal het namelijk niet altijd meer mogelijk zijn
                    de aanvraag respectievelijk de bedragen te toetsen. Vanzelfsprekend dient de
                    werknemer over deze termijnen te worden geïnformeerd. Het niet voldoen aan de
                    voorwaarden leidt tot het vervallen van de aanspraken op vergoeding.</al><tussenkop>Artikel 18:1:13 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van uitzondering van
                    de gestelde regels af te wijken, zowel in individuele gevallen als voor groepen
                    van personen. Bijvoorbeeld bij ingrijpende reorganisaties en daarmee gepaard
                    gaande verplaatsingen kan op grond van dit artikel een aanvullend sociaal beleid
                    gevoerd worden.</al><tussenkop>Vervallen hoofdstuk</tussenkop><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal. </al><tussenkop>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                    hulpverlening (T) </tussenkop><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers.</al><tussenkop>Vervallen hoofdstuk</tussenkop><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal. </al><tussenkop>Vervallen hoofdstuk</tussenkop><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de gemeente Veenendaal. </al><tussenkop>Hoofdstuk 20 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                    levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt
                    onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld
                    aan een echtgeno(o)t(e). </al><al>Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen
                            met betrekking tot</al><lijst><li nr="a"><al>aanspraken op bezoldiging tijdens militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>het verlof met behoud van bezoldiging wegens persoonlijke of
                                    familieomstandigheden;</al></li><li nr="c"><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                    toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid
                                    wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                            reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt
                    bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon
                    verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><tussenkop>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IIa Schaalindeling</titel></kop><tussenkop><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015*
                        </vet></tussenkop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1448</al></entry><entry colname="col3"><al>1482</al></entry><entry colname="col4"><al>1520</al></entry><entry colname="col5"><al>1563</al></entry><entry colname="col6"><al>1608</al></entry><entry colname="col7"><al>1715</al></entry><entry colname="col8"><al>1924</al></entry><entry colname="col9"><al>2202</al></entry><entry colname="col10"><al>2444</al></entry><entry colname="col11"><al>2636</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1532</al></entry><entry colname="col4"><al>1582</al></entry><entry colname="col5"><al>1633</al></entry><entry colname="col6"><al>1685</al></entry><entry colname="col7"><al>1793</al></entry><entry colname="col8"><al>2005</al></entry><entry colname="col9"><al>2291</al></entry><entry colname="col10"><al>2548</al></entry><entry colname="col11"><al>2759</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1518</al></entry><entry colname="col3"><al>1582</al></entry><entry colname="col4"><al>1645</al></entry><entry colname="col5"><al>1702</al></entry><entry colname="col6"><al>1761</al></entry><entry colname="col7"><al>1871</al></entry><entry colname="col8"><al>2087</al></entry><entry colname="col9"><al>2381</al></entry><entry colname="col10"><al>2652</al></entry><entry colname="col11"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1554</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1708</al></entry><entry colname="col5"><al>1772</al></entry><entry colname="col6"><al>1838</al></entry><entry colname="col7"><al>1949</al></entry><entry colname="col8"><al>2167</al></entry><entry colname="col9"><al>2470</al></entry><entry colname="col10"><al>2756</al></entry><entry colname="col11"><al>3004</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1591</al></entry><entry colname="col3"><al>1681</al></entry><entry colname="col4"><al>1770</al></entry><entry colname="col5"><al>1841</al></entry><entry colname="col6"><al>1915</al></entry><entry colname="col7"><al>2028</al></entry><entry colname="col8"><al>2249</al></entry><entry colname="col9"><al>2559</al></entry><entry colname="col10"><al>2860</al></entry><entry colname="col11"><al>3127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1627</al></entry><entry colname="col3"><al>1731</al></entry><entry colname="col4"><al>1833</al></entry><entry colname="col5"><al>1911</al></entry><entry colname="col6"><al>1991</al></entry><entry colname="col7"><al>2106</al></entry><entry colname="col8"><al>2330</al></entry><entry colname="col9"><al>2648</al></entry><entry colname="col10"><al>2964</al></entry><entry colname="col11"><al>3250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1663</al></entry><entry colname="col3"><al>1780</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1981</al></entry><entry colname="col6"><al>2068</al></entry><entry colname="col7"><al>2183</al></entry><entry colname="col8"><al>2411</al></entry><entry colname="col9"><al>2738</al></entry><entry colname="col10"><al>3069</al></entry><entry colname="col11"><al>3372</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1699</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1958</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2145</al></entry><entry colname="col7"><al>2262</al></entry><entry colname="col8"><al>2492</al></entry><entry colname="col9"><al>2827</al></entry><entry colname="col10"><al>3173</al></entry><entry colname="col11"><al>3495</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1735</al></entry><entry colname="col3"><al>1880</al></entry><entry colname="col4"><al>2021</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2222</al></entry><entry colname="col7"><al>2340</al></entry><entry colname="col8"><al>2573</al></entry><entry colname="col9"><al>2917</al></entry><entry colname="col10"><al>3277</al></entry><entry colname="col11"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1772</al></entry><entry colname="col3"><al>1929</al></entry><entry colname="col4"><al>2084</al></entry><entry colname="col5"><al>2190</al></entry><entry colname="col6"><al>2299</al></entry><entry colname="col7"><al>2418</al></entry><entry colname="col8"><al>2654</al></entry><entry colname="col9"><al>3006</al></entry><entry colname="col10"><al>3381</al></entry><entry colname="col11"><al>3740</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1808</al></entry><entry colname="col3"><al>1979</al></entry><entry colname="col4"><al>2147</al></entry><entry colname="col5"><al>2260</al></entry><entry colname="col6"><al>2375</al></entry><entry colname="col7"><al>2496</al></entry><entry colname="col8"><al>2736</al></entry><entry colname="col9"><al>3095</al></entry><entry colname="col10"><al>3486</al></entry><entry colname="col11"><al>3862</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1844</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al>2209</al></entry><entry colname="col5"><al>2330</al></entry><entry colname="col6"><al>2452</al></entry><entry colname="col7"><al>2575</al></entry><entry colname="col8"><al>2816</al></entry><entry colname="col9"><al>3184</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3985</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2906</al></entry><entry colname="col3"><al>3158</al></entry><entry colname="col4"><al>3476</al></entry><entry colname="col5"><al>3794</al></entry><entry colname="col6"><al>4236</al></entry><entry colname="col7"><al>4500</al></entry><entry colname="col8"><al>4839</al></entry><entry colname="col9"><al>5181</al></entry><entry colname="col10"><al>5733</al></entry><entry colname="col11"><al>6355</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3032</al></entry><entry colname="col3"><al>3288</al></entry><entry colname="col4"><al>3606</al></entry><entry colname="col5"><al>3925</al></entry><entry colname="col6"><al>4364</al></entry><entry colname="col7"><al>4655</al></entry><entry colname="col8"><al>5017</al></entry><entry colname="col9"><al>5389</al></entry><entry colname="col10"><al>5958</al></entry><entry colname="col11"><al>6597</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3157</al></entry><entry colname="col3"><al>3419</al></entry><entry colname="col4"><al>3737</al></entry><entry colname="col5"><al>4054</al></entry><entry colname="col6"><al>4492</al></entry><entry colname="col7"><al>4809</al></entry><entry colname="col8"><al>5196</al></entry><entry colname="col9"><al>5597</al></entry><entry colname="col10"><al>6182</al></entry><entry colname="col11"><al>6838</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3283</al></entry><entry colname="col3"><al>3550</al></entry><entry colname="col4"><al>3867</al></entry><entry colname="col5"><al>4182</al></entry><entry colname="col6"><al>4620</al></entry><entry colname="col7"><al>4964</al></entry><entry colname="col8"><al>5375</al></entry><entry colname="col9"><al>5806</al></entry><entry colname="col10"><al>6407</al></entry><entry colname="col11"><al>7079</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry><entry colname="col3"><al>3680</al></entry><entry colname="col4"><al>3997</al></entry><entry colname="col5"><al>4310</al></entry><entry colname="col6"><al>4748</al></entry><entry colname="col7"><al>5118</al></entry><entry colname="col8"><al>5554</al></entry><entry colname="col9"><al>6014</al></entry><entry colname="col10"><al>6632</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3535</al></entry><entry colname="col3"><al>3811</al></entry><entry colname="col4"><al>4125</al></entry><entry colname="col5"><al>4438</al></entry><entry colname="col6"><al>4876</al></entry><entry colname="col7"><al>5273</al></entry><entry colname="col8"><al>5732</al></entry><entry colname="col9"><al>6222</al></entry><entry colname="col10"><al>6856</al></entry><entry colname="col11"><al>7562</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3660</al></entry><entry colname="col3"><al>3942</al></entry><entry colname="col4"><al>4254</al></entry><entry colname="col5"><al>4566</al></entry><entry colname="col6"><al>5004</al></entry><entry colname="col7"><al>5428</al></entry><entry colname="col8"><al>5911</al></entry><entry colname="col9"><al>6430</al></entry><entry colname="col10"><al>7081</al></entry><entry colname="col11"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3786</al></entry><entry colname="col3"><al>4071</al></entry><entry colname="col4"><al>4382</al></entry><entry colname="col5"><al>4694</al></entry><entry colname="col6"><al>5132</al></entry><entry colname="col7"><al>5583</al></entry><entry colname="col8"><al>6090</al></entry><entry colname="col9"><al>6638</al></entry><entry colname="col10"><al>7305</al></entry><entry colname="col11"><al>8045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3912</al></entry><entry colname="col3"><al>4199</al></entry><entry colname="col4"><al>4510</al></entry><entry colname="col5"><al>4822</al></entry><entry colname="col6"><al>5260</al></entry><entry colname="col7"><al>5738</al></entry><entry colname="col8"><al>6269</al></entry><entry colname="col9"><al>6847</al></entry><entry colname="col10"><al>7530</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4037</al></entry><entry colname="col3"><al>4327</al></entry><entry colname="col4"><al>4637</al></entry><entry colname="col5"><al>4950</al></entry><entry colname="col6"><al>5388</al></entry><entry colname="col7"><al>5892</al></entry><entry colname="col8"><al>6448</al></entry><entry colname="col9"><al>7055</al></entry><entry colname="col10"><al>7754</al></entry><entry colname="col11"><al>8528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4160</al></entry><entry colname="col3"><al>4455</al></entry><entry colname="col4"><al>4766</al></entry><entry colname="col5"><al>5078</al></entry><entry colname="col6"><al>5516</al></entry><entry colname="col7"><al>6047</al></entry><entry colname="col8"><al>6626</al></entry><entry colname="col9"><al>7263</al></entry><entry colname="col10"><al>7979</al></entry><entry colname="col11"><al>8769</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4283</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al>4894</al></entry><entry colname="col5"><al>5207</al></entry><entry colname="col6"><al>5644</al></entry><entry colname="col7"><al>6201</al></entry><entry colname="col8"><al>6805</al></entry><entry colname="col9"><al>7472</al></entry><entry colname="col10"><al>8204</al></entry><entry colname="col11"><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk
                        aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan
                        120% van het wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden
                        geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op
                        1 januari vastgesteld door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al><tussenkop><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, nieuwe
                            structuur*</vet></tussenkop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1448</al></entry><entry colname="col3"><al>1482</al></entry><entry colname="col4"><al>1520</al></entry><entry colname="col5"><al>1563</al></entry><entry colname="col6"><al>1608</al></entry><entry colname="col7"><al>1715</al></entry><entry colname="col8"><al>1924</al></entry><entry colname="col9"><al>2202</al></entry><entry colname="col10"><al>2444</al></entry><entry colname="col11"><al>2636</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1532</al></entry><entry colname="col4"><al>1582</al></entry><entry colname="col5"><al>1633</al></entry><entry colname="col6"><al>1685</al></entry><entry colname="col7"><al>1793</al></entry><entry colname="col8"><al>2005</al></entry><entry colname="col9"><al>2291</al></entry><entry colname="col10"><al>2548</al></entry><entry colname="col11"><al>2759</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1518</al></entry><entry colname="col3"><al>1582</al></entry><entry colname="col4"><al>1645</al></entry><entry colname="col5"><al>1702</al></entry><entry colname="col6"><al>1761</al></entry><entry colname="col7"><al>1871</al></entry><entry colname="col8"><al>2087</al></entry><entry colname="col9"><al>2381</al></entry><entry colname="col10"><al>2652</al></entry><entry colname="col11"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>1554</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1708</al></entry><entry colname="col5"><al>1772</al></entry><entry colname="col6"><al>1838</al></entry><entry colname="col7"><al>1949</al></entry><entry colname="col8"><al>2167</al></entry><entry colname="col9"><al>2470</al></entry><entry colname="col10"><al>2756</al></entry><entry colname="col11"><al>3004</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1591</al></entry><entry colname="col3"><al>1681</al></entry><entry colname="col4"><al>1770</al></entry><entry colname="col5"><al>1841</al></entry><entry colname="col6"><al>1915</al></entry><entry colname="col7"><al>2028</al></entry><entry colname="col8"><al>2249</al></entry><entry colname="col9"><al>2559</al></entry><entry colname="col10"><al>2860</al></entry><entry colname="col11"><al>3127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1627</al></entry><entry colname="col3"><al>1731</al></entry><entry colname="col4"><al>1833</al></entry><entry colname="col5"><al>1911</al></entry><entry colname="col6"><al>1991</al></entry><entry colname="col7"><al>2106</al></entry><entry colname="col8"><al>2330</al></entry><entry colname="col9"><al>2648</al></entry><entry colname="col10"><al>2964</al></entry><entry colname="col11"><al>3250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1663</al></entry><entry colname="col3"><al>1780</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1981</al></entry><entry colname="col6"><al>2068</al></entry><entry colname="col7"><al>2183</al></entry><entry colname="col8"><al>2411</al></entry><entry colname="col9"><al>2738</al></entry><entry colname="col10"><al>3069</al></entry><entry colname="col11"><al>3372</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1699</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1958</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2145</al></entry><entry colname="col7"><al>2262</al></entry><entry colname="col8"><al>2492</al></entry><entry colname="col9"><al>2827</al></entry><entry colname="col10"><al>3173</al></entry><entry colname="col11"><al>3495</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1735</al></entry><entry colname="col3"><al>1880</al></entry><entry colname="col4"><al>2021</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2222</al></entry><entry colname="col7"><al>2340</al></entry><entry colname="col8"><al>2573</al></entry><entry colname="col9"><al>2917</al></entry><entry colname="col10"><al>3277</al></entry><entry colname="col11"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1772</al></entry><entry colname="col3"><al>1929</al></entry><entry colname="col4"><al>2084</al></entry><entry colname="col5"><al>2190</al></entry><entry colname="col6"><al>2299</al></entry><entry colname="col7"><al>2418</al></entry><entry colname="col8"><al>2654</al></entry><entry colname="col9"><al>3006</al></entry><entry colname="col10"><al>3381</al></entry><entry colname="col11"><al>3740</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1808</al></entry><entry colname="col3"><al>1979</al></entry><entry colname="col4"><al>2147</al></entry><entry colname="col5"><al>2260</al></entry><entry colname="col6"><al>2375</al></entry><entry colname="col7"><al>2496</al></entry><entry colname="col8"><al>2736</al></entry><entry colname="col9"><al>3095</al></entry><entry colname="col10"><al>3486</al></entry><entry colname="col11"><al>3862</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1844</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al>2209</al></entry><entry colname="col5"><al>2330</al></entry><entry colname="col6"><al>2452</al></entry><entry colname="col7"><al>2575</al></entry><entry colname="col8"><al>2816</al></entry><entry colname="col9"><al>3184</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3985</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2906</al></entry><entry colname="col3"><al>3158</al></entry><entry colname="col4"><al>3476</al></entry><entry colname="col5"><al>3794</al></entry><entry colname="col6"><al>4236</al></entry><entry colname="col7"><al>4500</al></entry><entry colname="col8"><al>4839</al></entry><entry colname="col9"><al>5181</al></entry><entry colname="col10"><al>5733</al></entry><entry colname="col11"><al>6355</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3032</al></entry><entry colname="col3"><al>3288</al></entry><entry colname="col4"><al>3606</al></entry><entry colname="col5"><al>3925</al></entry><entry colname="col6"><al>4364</al></entry><entry colname="col7"><al>4655</al></entry><entry colname="col8"><al>5017</al></entry><entry colname="col9"><al>5389</al></entry><entry colname="col10"><al>5958</al></entry><entry colname="col11"><al>6597</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3157</al></entry><entry colname="col3"><al>3419</al></entry><entry colname="col4"><al>3737</al></entry><entry colname="col5"><al>4054</al></entry><entry colname="col6"><al>4492</al></entry><entry colname="col7"><al>4809</al></entry><entry colname="col8"><al>5196</al></entry><entry colname="col9"><al>5597</al></entry><entry colname="col10"><al>6182</al></entry><entry colname="col11"><al>6838</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3283</al></entry><entry colname="col3"><al>3550</al></entry><entry colname="col4"><al>3867</al></entry><entry colname="col5"><al>4182</al></entry><entry colname="col6"><al>4620</al></entry><entry colname="col7"><al>4964</al></entry><entry colname="col8"><al>5375</al></entry><entry colname="col9"><al>5806</al></entry><entry colname="col10"><al>6407</al></entry><entry colname="col11"><al>7079</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry><entry colname="col3"><al>3680</al></entry><entry colname="col4"><al>3997</al></entry><entry colname="col5"><al>4310</al></entry><entry colname="col6"><al>4748</al></entry><entry colname="col7"><al>5118</al></entry><entry colname="col8"><al>5554</al></entry><entry colname="col9"><al>6014</al></entry><entry colname="col10"><al>6632</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3535</al></entry><entry colname="col3"><al>3811</al></entry><entry colname="col4"><al>4125</al></entry><entry colname="col5"><al>4438</al></entry><entry colname="col6"><al>4876</al></entry><entry colname="col7"><al>5273</al></entry><entry colname="col8"><al>5732</al></entry><entry colname="col9"><al>6222</al></entry><entry colname="col10"><al>6856</al></entry><entry colname="col11"><al>7562</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3660</al></entry><entry colname="col3"><al>3942</al></entry><entry colname="col4"><al>4254</al></entry><entry colname="col5"><al>4566</al></entry><entry colname="col6"><al>5004</al></entry><entry colname="col7"><al>5428</al></entry><entry colname="col8"><al>5911</al></entry><entry colname="col9"><al>6430</al></entry><entry colname="col10"><al>7081</al></entry><entry colname="col11"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3786</al></entry><entry colname="col3"><al>4071</al></entry><entry colname="col4"><al>4382</al></entry><entry colname="col5"><al>4694</al></entry><entry colname="col6"><al>5132</al></entry><entry colname="col7"><al>5583</al></entry><entry colname="col8"><al>6090</al></entry><entry colname="col9"><al>6638</al></entry><entry colname="col10"><al>7305</al></entry><entry colname="col11"><al>8045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3912</al></entry><entry colname="col3"><al>4199</al></entry><entry colname="col4"><al>4510</al></entry><entry colname="col5"><al>4822</al></entry><entry colname="col6"><al>5260</al></entry><entry colname="col7"><al>5738</al></entry><entry colname="col8"><al>6269</al></entry><entry colname="col9"><al>6847</al></entry><entry colname="col10"><al>7530</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4037</al></entry><entry colname="col3"><al>4327</al></entry><entry colname="col4"><al>4637</al></entry><entry colname="col5"><al>4950</al></entry><entry colname="col6"><al>5388</al></entry><entry colname="col7"><al>5892</al></entry><entry colname="col8"><al>6448</al></entry><entry colname="col9"><al>7055</al></entry><entry colname="col10"><al>7754</al></entry><entry colname="col11"><al>8528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4160</al></entry><entry colname="col3"><al>4455</al></entry><entry colname="col4"><al>4766</al></entry><entry colname="col5"><al>5078</al></entry><entry colname="col6"><al>5516</al></entry><entry colname="col7"><al>6047</al></entry><entry colname="col8"><al>6626</al></entry><entry colname="col9"><al>7263</al></entry><entry colname="col10"><al>7979</al></entry><entry colname="col11"><al>8769</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4283</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al>4894</al></entry><entry colname="col5"><al>5207</al></entry><entry colname="col6"><al>5644</al></entry><entry colname="col7"><al>6201</al></entry><entry colname="col8"><al>6805</al></entry><entry colname="col9"><al>7472</al></entry><entry colname="col10"><al>8204</al></entry><entry colname="col11"><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk
                        aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan
                        120% van het wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden
                        geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op
                        1 januari vastgesteld door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                            gemeentelijke brandweer</titel></kop><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in hoofdstuk 19 Rechtspositieregeling
                        vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 april
                        2015.</al><al>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        per 1 april 2015.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 12:1</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV Salarisschalen kunsteducatie per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1741</al></entry><entry colname="col3"><al>1777</al></entry><entry colname="col4"><al>1814</al></entry><entry colname="col5"><al>1862</al></entry><entry colname="col6"><al>2110</al></entry><entry colname="col7"><al>2467</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1862</al></entry><entry colname="col4"><al>1917</al></entry><entry colname="col5"><al>1984</al></entry><entry colname="col6"><al>2231</al></entry><entry colname="col7"><al>2583</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>2110</al></entry><entry colname="col6"><al>2349</al></entry><entry colname="col7"><al>2706</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1814</al></entry><entry colname="col3"><al>1984</al></entry><entry colname="col4"><al>2048</al></entry><entry colname="col5"><al>2231</al></entry><entry colname="col6"><al>2467</al></entry><entry colname="col7"><al>2771</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1862</al></entry><entry colname="col3"><al>2048</al></entry><entry colname="col4"><al>2110</al></entry><entry colname="col5"><al>2291</al></entry><entry colname="col6"><al>2526</al></entry><entry colname="col7"><al>2844</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1917</al></entry><entry colname="col3"><al>2110</al></entry><entry colname="col4"><al>2172</al></entry><entry colname="col5"><al>2349</al></entry><entry colname="col6"><al>2583</al></entry><entry colname="col7"><al>2911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1984</al></entry><entry colname="col3"><al>2172</al></entry><entry colname="col4"><al>2231</al></entry><entry colname="col5"><al>2407</al></entry><entry colname="col6"><al>2644</al></entry><entry colname="col7"><al>2969</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2048</al></entry><entry colname="col3"><al>2231</al></entry><entry colname="col4"><al>2291</al></entry><entry colname="col5"><al>2467</al></entry><entry colname="col6"><al>2706</al></entry><entry colname="col7"><al>3033</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2110</al></entry><entry colname="col3"><al>2291</al></entry><entry colname="col4"><al>2349</al></entry><entry colname="col5"><al>2526</al></entry><entry colname="col6"><al>2771</al></entry><entry colname="col7"><al>3098</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2172</al></entry><entry colname="col3"><al>2349</al></entry><entry colname="col4"><al>2407</al></entry><entry colname="col5"><al>2583</al></entry><entry colname="col6"><al>2844</al></entry><entry colname="col7"><al>3159</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2231</al></entry><entry colname="col3"><al>2407</al></entry><entry colname="col4"><al>2467</al></entry><entry colname="col5"><al>2644</al></entry><entry colname="col6"><al>2911</al></entry><entry colname="col7"><al>3214</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2291</al></entry><entry colname="col3"><al>2467</al></entry><entry colname="col4"><al>2526</al></entry><entry colname="col5"><al>2706</al></entry><entry colname="col6"><al>2969</al></entry><entry colname="col7"><al>3271</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2349</al></entry><entry colname="col3"><al>2526</al></entry><entry colname="col4"><al>2583</al></entry><entry colname="col5"><al>2771</al></entry><entry colname="col6"><al>3033</al></entry><entry colname="col7"><al>3328</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2407</al></entry><entry colname="col3"><al>2583</al></entry><entry colname="col4"><al>2644</al></entry><entry colname="col5"><al>2844</al></entry><entry colname="col6"><al>3098</al></entry><entry colname="col7"><al>3385</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2644</al></entry><entry colname="col4"><al>2706</al></entry><entry colname="col5"><al>2911</al></entry><entry colname="col6"><al>3159</al></entry><entry colname="col7"><al>3449</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2771</al></entry><entry colname="col5"><al>2969</al></entry><entry colname="col6"><al>3214</al></entry><entry colname="col7"><al>3512</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2844</al></entry><entry colname="col5"><al>3033</al></entry><entry colname="col6"><al>3271</al></entry><entry colname="col7"><al>3569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2911</al></entry><entry colname="col5"><al>3098</al></entry><entry colname="col6"><al>3328</al></entry><entry colname="col7"><al>3624</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2969</al></entry><entry colname="col5"><al>3159</al></entry><entry colname="col6"><al>3385</al></entry><entry colname="col7"><al>3678</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2526</al></entry><entry colname="col3"><al>2771</al></entry><entry colname="col4"><al>3098</al></entry><entry colname="col5"><al>3328</al></entry><entry colname="col6"><al>3512</al></entry><entry colname="col7"><al>3792</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2911</al></entry><entry colname="col4"><al>3214</al></entry><entry colname="col5"><al>3512</al></entry><entry colname="col6"><al>3624</al></entry><entry colname="col7"><al>3911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>3624</al></entry><entry colname="col6"><al>3737</al></entry><entry colname="col7"><al>4037</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                            onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                                    personeel in de kunsteducatie</vet>LOGA-partijen vinden dat bij
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de
                                aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per
                                discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende
                                soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
                                    <vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet>Tot
                                1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                                onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26
                                lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari
                                2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor
                                is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen
                                aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                                deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet>In dit sjabloon
                                worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In
                                een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon
                                genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus
                                niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook
                                worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn
                                die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale
                                regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor
                                de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                                met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet>Schematisch is de opbouw van het sjabloon
                                als volgt: <plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto13" type="foto" id="i270824"></illustratie></plaatje><vet>Categorieën van werkzaamheden </vet>Dit sjabloon
                                onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2"><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld
                                worden in drie subcategorieën: </al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                                uren. </vet></cursief>Deze subcategorie
                                            <onderstreept>hangt direct samen met</onderstreept> de
                                        lesgebonden uren. </al></li><li><al><cursief><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></cursief>Deze
                                        subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.
                                    </al></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                        werkzaamheden</cursief></vet>Deze subcategorie staat los van
                                        het aantal lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet>Het gaat in deze
                                        categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                                        jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te
                                        voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                        onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen,
                                                combinatielessen, groepslessen, klassikale
                                                lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet></al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></cursief>Het gaat in deze
                                                subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline
                                                in een bepaalde verhouding tot het aantal
                                                lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type
                                                instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze
                                                uren worden ook wel “aanstellingsafhankelijke of
                                                leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten,
                                                  leerlingvolgsysteem en dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de
                                                  lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                                  presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de
                                                  leerlingen/cursisten </al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met
                                                  ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en
                                                  didactische ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="FN13554_1"><noot.al>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te
                                                  investeren in het bijhouden van
                                                  pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen
                                                  van vakliteratuur en het onderhouden van de
                                                  artistieke vaardigheden. Niettemin zijn er
                                                  situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het
                                                  onderwijzend personeelslid een
                                                  onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar
                                                  toedeling van tijd voor dergelijke werkzaamheden
                                                  geboden is.</noot.al></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk
                                                  verbonden artistieke vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2b. Algemene
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het
                                                aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                                “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft
                                                bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Personeelsvergaderingen,
                                                  afdelingsvergaderingen, sector- en
                                                  sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken,
                                                  ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                                  ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de
                                                  instelling en (indien gebruik door de werkgever
                                                  verplicht is gesteld) van het eigen
                                                  instrument/gereedschap</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om specifieke werkzaamheden die
                                                losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren
                                                worden ook wel “persoonsgebonden uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling
                                                  in relatie tot de lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                                  personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of
                                                  extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten
                                                  speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern
                                                  en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities
                                                  (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  instellingspresentaties (intern en/of extern)
                                                  </al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor
                                                  zover niet genoemd onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten,
                                                  zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een
                                                  voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden,
                                                  bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de
                                                  instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van
                                                  instrument- of materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van
                                                  de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere
                                                  activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                  vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld
                                                  beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever
                                                  toestemming heeft verleend </al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                  locaties van dezelfde instelling voor
                                                  kunsteducatie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet>Om een beeld te
                                        geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                                        tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient
                                        dit voorbeeld niet op te vatten als een door het LOGA
                                        gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden uren versus
                                        niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de
                                        hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden
                                        opgesteld.Binnen instelling X is onderwijzend personeel
                                        werkzaam in drie verschillende disciplines:</al><lijst><li nr="1"><al>Discipline A</al></li><li nr="2"><al>Discipline B</al></li><li nr="3"><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1. Lesgebonden uren </al></entry><entry colname="col3"><al>2. Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het
                                        onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom
                                        wordt er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie
                                        niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een
                                        uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing
                                        is als volgt: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry namest="col1" nameend="col5" colname="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                                  subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren
                                        over de subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is
                                        ook mogelijk om elke discipline een aparte verdeling van
                                        niet-lesgebonden uren over de subcategorieën te maken.
                                            <vet>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding
                                            per discipline</vet>Er zijn individuele omstandigheden
                                        voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan de
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                                        discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden
                                        met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het
                                                onderwijzend personeellid of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid
                                                geeft (groepslessen versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele
                                        afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per discipline
                                        is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden waaraan
                                        voldaan moet worden voordat individuele afwijking is
                                        toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden
                                        opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen
                                        tezamen met de verhouding lesgebonden versus
                                        niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de
                                        ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                                        individuele ambtenaar geldt.Voorbeeld: Voor discipline D
                                        staat in de lokale regeling dat de verhouding 70%
                                        lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de
                                        lokale regeling is ook vastgelegd dat voor discipline D een
                                        individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met
                                        minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste
                                        van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                                        uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                        uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                        regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3
                                        jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35%
                                        niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden
                                        uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan
                                        subcategorie 2a. <vet>Tot slot </vet>Te overwegen valt om
                                        een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan
                                        specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op
                                        voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden
                                        uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens
                                        niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                        vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                            kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming: consulent
                                        Functie-eisen:
                                        HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                                steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                                producten en programma’s </al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten
                                                  opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept>Informeert
                                                en adviseert (potentiële) cliënten over de
                                                mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten. Overlegt
                                                met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen
                                                en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of
                                                begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                                                daarbij. Overlegt waar nodig met externe
                                                instanties.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                                  steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft
                                                informatie en adviezen over methoden en
                                                leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en individuele
                                                begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf
                                                van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                                                leermiddelen en methodieken. Organiseert met de
                                                cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                                                evenementen. Begeleidt bij de opstelling van
                                                werkplannen. Bewaakt de afspraken met betrekking tot
                                                begroting, planning en inzet.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling
                                                  van beleid, producten en programma’s
                                                </onderstreept>Volgt en signaleert relevante
                                                ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                                                vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                                                marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw
                                                aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                opdrachtgevers en andere instanties over organisatie
                                                en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit
                                                in projectbeschrijvingen. </al></li></lijst><al><vet>2. Docent</vet></al><lijst><li nr="A"><al> Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                docentFunctie-eisen:
                                                  HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het verzorgen van de inhoud van
                                                  onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2"><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van
                                                  KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4"><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud
                                                  van onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt
                                                  het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met
                                                  leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan
                                                  de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor
                                                  les- en documentatiemateriaal.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het geven van de
                                                  onderwijsactiviteit </onderstreept>Bereidt de
                                                  activiteit voor; stemt af op het niveau van de
                                                  groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en
                                                  stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en
                                                  lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en
                                                  doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                                  vorderingen met (ouders van) deelnemers en
                                                  evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel
                                                  leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen
                                                  van en voor deelnemers.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van KV-producten en
                                                  -programma’s</onderstreept>Volgt en signaleert
                                                  relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                                                  kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan
                                                  marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                                  marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamheden</onderstreept>Woont diverse
                                                  overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing.
                                                  Levert bijdragen aan
                                                  evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                BalletbegeleiderFunctie-eisen:
                                                  MBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2"><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied</al></li><li nr="3"><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden
                                                  van lessen</onderstreept>Begeleidt klassieke
                                                  balletlessen en andere lesvormen op piano en
                                                  andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                                  improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van
                                                  de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past
                                                  gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt
                                                  andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                                  Verzorgt de instrumentale begeleiding van
                                                  uitvoeringen.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van
                                                  ontwikkelingen op het vakgebied</onderstreept>
                                                  Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.
                                                  </al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek
                                                  overleg met de docent over het afstemmen van het
                                                  spel op de oefeningen en de samenwerking tussen
                                                  docent en begeleider.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                            behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten
                            en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage VI Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Besluit van 18 juli 1973, houdende regeling van een vergoeding voor
                            kosten van een maaltijd aan ambtenaren die overwerk verrichten</titel></kop><tussenkop><vet>Besluit maaltijdvergoeding bij overwerk</vet></tussenkop><al>Klik hier voor het besluit maaltijdvergoeding bij overwerk.</al><tussenkop><vet>Reisregeling binnenland</vet></tussenkop><al>Klik hier voor de actuele reisregeling binnenland.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                            aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                            onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                            aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut.
                            Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                            diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                            epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5
                                            jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                            van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                            Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="-"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="-"><al> audiogram afname </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                            Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                            uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                            vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel
                            Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                            vorige keuring</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                            werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar
                                            voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                            brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                            gezondheidsklachten opgelopen die van invloed (kunnen)
                                            zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1 Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                            psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                            urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                            tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2 Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3 Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                            fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4 doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                            periode</al><al>5 doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                            periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                            gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6 doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen
                                            in afgelopen periode</al><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                            achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                            tonen:</al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>