<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR178402_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Waalwijk 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 31-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Waalwijk 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/024</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Waalwijk 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Waalwijk</vet></al><al>De raad van de gemeente Waalwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 20 maart 2012;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76 m van
                        de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet door de
                        gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente; </al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente
                        Waalwijk 2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die
                                    geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs en school voor voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht</al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordeningheeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    vergoeding van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid
                                    van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al>a de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al><al> 1 nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie;</al><al> 2 uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al> 3 gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al> 4 verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al><al> 5 terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1
                            tot en met 4 omschreven voorziening;</al><al> 6 inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor
                            zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                            in aanmerking is gebracht;</al><al> 7 inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al> 8 medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al><al>b aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals
                            onderscheiden in bijlage I, onderdeel 1.9;</al><al>c onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande
                            uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I, onderdeel
                            1.10;</al><al>d herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                            veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                            gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                            onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                            wanprestatie;</al><al>e herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1
                            en 2 kan een aanvraag worden ingediend voor een bekostiging van de
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>1 Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                            toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel
                            3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de bekostiging
                            een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen
                            gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. </al><lijst><li nr="2."><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A en zijn van
                                    toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder
                                    a.1, a.2, a.6, a.7 en a.8 en artikel 3.</al></li><li nr="3."><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing
                                    op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.3, a.4,
                                    a.5 en onder b, c, d en e. Ten aanzien van de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2 onder c en e worden de kosten van
                                    technische ondersteuning aanvullend vergoed, waarbij wordt
                                    uitgegaan van de werkelijke kosten van de technische
                                    ondersteuning tot een maximum van 6% van de kosten van de
                                    voorziening</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1 Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt
                            voor 15 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende
                            programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            aanvraagformulier.</al><al>2 Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt
                            het college niet in behandeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><al>1 De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten
                            behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al><al> d welke voorziening wordt aangevraagd;</al><al> e de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                            voorziening; </al><al> f de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.</al><al>2 In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                            aanvraag vergezeld van:</al><al> a een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school,
                            die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een
                            voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot
                            en met 8 en artikel 2, onder d en e; </al><al> b de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                            gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel
                            2, onder a, onderdelen 1 tot en met 4;</al><al> c een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien het een
                            voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                    gebouw;</al></li><li nr="2."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout.</al><al> Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het
                                    college vastgestelde formulier “Bouwkundige opname”. </al><al> d een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                    voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                    voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid van
                                    toepassing is;</al><al> e een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                    indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding
                                    van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel
                                    27.</al></li></lijst><al>3 Het college stelt de aanvrager voor 1 maart schriftelijk op de hoogte
                            van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid.
                            De aanvrager wordt tot 1 april in de gelegenheid gesteld de ontbrekende
                            gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 1 april
                            zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al><al>4 Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking
                            heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de
                            noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                            school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de
                            datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college
                            onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van
                            het aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat ingeschreven op
                            de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een
                            week na de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                            schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                            gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                            ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                            afschrift niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is
                            verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
                            ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij
                            aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><al>1 Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
                            lichten.</al><al>2.Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een
                            voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid van
                            toepassing is, en het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                            overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft
                            in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het
                            overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen,
                            aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                            hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens
                            de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde
                            voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in
                            paragraaf 2.3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of het college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al><vet><cursief>2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht </cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III .</al></li></lijst></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                            voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als
                            bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor
                            zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste
                            lid, toereikend zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV voor de
                                            betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al>1 Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
                            bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                            opgenomen.</al><al>2 Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen
                            wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</titel></kop><al>1 De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                            bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                            twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college
                            van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking
                            doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                            overige bevoegde gezagsorganen.</al><al>2 De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijk met de
                            bekendmaking ter inzage gelegd.</al><al>2.4 Uitvoering programma</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>1 Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college
                            in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het
                            programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie
                            verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij
                            worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><al> a het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                            onderwijs;</al><al> b het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de
                            aanvrager;</al><al> c een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van
                            het beschikbaar te stellen bedrag; </al><al> d de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het
                            bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                            wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld
                            in artikel 16;</al><al> e het voor de realisering van de voorziening te volgen tijdpad
                            inclusief het moment van oplevering en ingebruikname van de
                            voorziening;</al><al> f de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt dat
                            op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen zoals
                            vastgesteld in het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing
                            zijn.</al><al>2 De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot
                            overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een
                            verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis
                            van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met
                            het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                            heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                            vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te
                            zijn bereikt.</al><al>3 Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde
                            lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als
                            bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip
                            waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17
                            is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>4 Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
                            lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is
                            vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt
                            aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                            aanvang zal nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><al>1 Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid is
                            bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de
                            aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
                            bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
                            tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                            instemming in bij het college.</al><al>2 Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over
                            de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het
                            tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder
                            mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie
                            weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht
                            instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt
                            de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het
                            college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                            begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                            binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
                            aanvrager.</al><al>3 Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                            eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert
                            ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de
                            vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd.
                            Bij een naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten
                            en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                            aanmerking.</al><al>4 De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de
                            toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                            voorschriften en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                            omstandigheden kunnen achterwege blijven, als dat naar het oordeel van
                            het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                            programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan
                            de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15.</al><al>5 De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting
                            blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening
                            als bedoeld in artikel 4, derde lid.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
                            uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde
                            termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al><al>6 Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in
                            artikel 4, derde lid heeft ingestemd, moet de aanvrager met inachtneming
                            van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                            lid, aan het college overleggen de aan de aanvrager uitgebrachte
                            offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                            binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat
                            definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de
                            voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                            nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze
                            beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling
                            van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling
                            bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid
                            of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een
                            aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in
                            termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt
                            dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de
                            financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                            programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>1 De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                            aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling
                            van het programma een bouwopdracht heeft verleend dan wel een koop-,
                            huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan
                            niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de
                            eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de
                            aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                            werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste
                            volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                            erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de
                            duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                            aankoop.</al><al>2 De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van
                            de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
                            bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen
                            en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                            tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid, bij het
                            college heeft ingediend.</al><al>3 Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging
                            van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het
                            besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste
                            lid wordt verlengd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die
                            gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan
                            worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een
                            door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al><al>De in dit hoofdstuk geregelde aanvraagprocedure is, met uitzondering van
                            artikel 20, lid 1 onder a., b. en c., ook van toepassing voor aanvragen
                            om vergoeding van bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een
                            gebruiksvergunning. Bij de aanvraag om vergoeding van bouwkundige
                            aanpassingen ter verkrijging van een gebruiksvergunning versterkt de
                            aanvrager een rapport waaruit onomstotelijk blijkt dat op basis van wet-
                            of regelgeving de voorziening noodzakelijk is en dat deze voorziening
                            terstond getroffen dient te worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al>1 De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel
                            7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende
                            gegevens te verstrekken:</al><al> a een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de
                            huisvesting spoedeisend maken;</al><al> b de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                            aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al><al> c een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school,
                            die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een
                            voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot
                            en met 8 en artikel 2 onder d en e;</al><al> d een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een
                            voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid.</al><al>2 Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                            bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                            datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                            aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende
                            gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen
                            bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens
                            niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt,
                            besluit het college de aanvraag niet te behandelen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld
                                door het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
                                stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
                                een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
                                worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><al>1 De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft
                            vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang
                            van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op
                            het primair onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij
                            deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking
                            tot:</al><al> a de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al><al> b de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al><al> c de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage
                            III.</al><al>2 De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                            voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                            omvatten.</al><al>3 Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in
                            bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                            gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                            betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid. Bij de beschikking stelt
                            het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend,
                            dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en
                            voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn
                            toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het
                            college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                            erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
                            waarbij een bekostiging is toegewezen, treedt het college zo spoedig
                            mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig van
                            toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in
                            artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>1 Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een
                            bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                            erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden
                            aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de
                            inhoud van een bouwopdracht, dan wel een koop-, huur- of
                            erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al>2 De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van
                            de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan
                            de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken
                            voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                            heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn.</al><al>3 Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op
                            totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                            verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de
                            aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                            afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum,
                            met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                            vervaldatum kan vallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>1 Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                            plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                            aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding indienen bij het
                            college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                            aanbesteding van die voorziening. </al><al>2 De aanvraag wordt gedaan voor 15 februari van het jaar voorafgaand aan
                            het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt gebruik
                            gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al>3 De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><al> a de naam en het adres van de aanvrager;</al><al> b de dagtekening;</al><al> c de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging wordt
                            gewenst;</al><al> d de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie
                            van de voorziening;</al><al> e het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al><al> f een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                            die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al><al> g een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                            blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                            gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                            vastgestelde formulier “Bouwkundige opname”; </al><al>4 Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                            lid, deelt het college dit voor 1 maart schriftelijk mee aan de
                            aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 1 april de gegevens aan
                            te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><al>1 Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                            overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel is het
                            bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al><al>2 Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                            bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de
                            aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld
                            in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en vierde lid zijn
                            daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><al>1 Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11, tweede
                            lid, een beslissing op de aanvraag.</al><al>2 De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><al> a er voldoende middelen voor de bekostiging van de bouwvoorbereiding
                            beschikbaar zijn;</al><al> b de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al><al> c er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                            van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht </al><al>3 Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk
                            bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in
                            termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op
                            een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                            jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan
                            voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de
                            daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. </al><al>4 Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                            aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van
                            de voorziening op enig toekomstig programma. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw
                            of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><al>a er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school
                            berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het
                            bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19
                            voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;</al><al>b het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                            huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik in de
                            behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al><al>c er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere
                            school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                            beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                            instelling gangbare berekeningswijze; </al><al>d er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al><al>e er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op
                                        basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                        gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                        vastgesteld op basis van bijlage III, deel A. blijkt dat er
                                        ten minste een aantal vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III,
                                        deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar
                                        gevestigde school of scholen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, indien de som van het
                                        aantal klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed
                                        minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, indien de som van de
                                        berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren
                                        lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><al>1 Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik
                            indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde
                            medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een
                            andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                            scholen. </al><al>2 Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                            gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die
                            scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. </al><al>3 Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al><al> a als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij
                            een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van
                            doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere
                            oplossing biedt;</al><al> b vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van
                            dezelfde richting is gehuisvest en</al><al> c vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst
                            gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                            vordering plaatsvindt.</al><al>4 Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                            gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het
                            derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1 Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
                            leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
                            daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd
                            wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                            overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 10.</al><al>2 Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in
                            artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering
                            aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan
                            worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                            geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al><al>3 Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het
                            kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 29, voert het college
                            daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan
                            gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                            bestemd. </al><al>4 Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het
                            college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag
                            waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat
                            bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de
                            vordering te hebben.</al><al>5 De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de tweede
                            en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><al> a de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                            gevorderd;</al><al> b een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                            gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                            oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al><al> c een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                            heeft;</al><al> d een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd
                            wordt;</al><al> e de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                            medegebruik.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg
                            een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot
                            overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag dat
                            voor elke groep bij meer dan zes groepen door het ministerie van OCW
                            beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van
                            eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien sprake is van leegstand
                            van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1 Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het
                            bevoegd gezag. </al><al>2 In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><al> a voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al><al> b of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs
                            aan de in het gebouw gevestigde school;</al><al> c welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                            medegebruik ondervindt;</al><al> d wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke
                            vergoeding voor het medegebruik is;</al><al> e de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                            nemen.</al><al>3 Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste
                            lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot
                            medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot
                            afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover
                            het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling
                            de beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag
                            in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                            vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                            afgezien.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><al>1 Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                            toestemming voor de verhuur aan het college.</al><al>2 Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                            aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te verhuren
                            ruimte. </al><al>3 Het college verleent geen toestemming indien:</al><al> a de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen
                            daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs;</al><al> b de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><al>1 Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                            voor de huisvesting van een school wordt het gebruik ervan zo spoedig
                            mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het
                            college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum
                            zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een
                            geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al><al>2 Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                            achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste
                            lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort,
                            wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van
                            onderhoud opgemaakt.</al><al>3 De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na
                            overleg met het bevoegd gezag.</al><al>4 Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                            gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                            deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of
                            welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het
                            overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                            handelwijze gevolgd wordt.</al><al>5 Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                            naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                    jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar
                                    een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de
                                    gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                    onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor
                                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
                                            vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het
                                            bevoegd gezag van de school.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                            slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                            capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                            klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al><lijst><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij
                                    uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                    vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel.
                                    In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                    gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                    voorstel tot inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst><al><vet>8. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Huisvestingsvoorzieningen voortgezet onderwijs</titel></kop><al>Voor de huisvestingsvoorzieningen van de op het grondgebied van de
                            gemeente gehuisveste scholen voor voortgezet onderwijs gelden de op
                            grond van artikel 76v van de Wet op het voortgezet onderwijs tussen de
                            schoolbesturen en de gemeente gesloten
                            doordecentralisatieovereenkomsten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in door het college te beoordelen uitzonderlijke
                            gevallen ten aanzien van de huisvestingsaangelegenheden, ten gunste van
                            de scholen afwijken van de bepalingen in deze verordening, na
                            overeenstemming met de overige schoolbesturen en onder voorwaarde, dat
                            de afwijking financieel past binnen het budget voor de
                            onderwijshuisvesting van de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de bekostiging van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen prijsindexen en systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al>1 De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            huisvestingsvoorzieningen onderwijs gemeente Waalwijk 2012.</al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2012.</al><al>3 Met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Verordening
                            huisvestingsvoorzieningen onderwijs Waalwijk 2009 zoals deze is
                            vastgesteld in de raadsvergadering van 8 oktober 2009. Op de vóór 1 mei
                            2012 ingediende aanvragen zijn de bepalingen uit de Verordening
                            huisvestingsvoorzieningen onderwijs Waalwijk 2009 nog van toepassing.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 26 april 2012</al><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>G.H.Kocken drs A.M.P. Kleijngeld</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet> Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen
                    </vet>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de
                    nadere voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening
                    voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                    aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al></li></lijst><al><vet>DEEL A Lesgebouwen </vet><vet>1 School voor basisonderwijs
                    </vet>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college. <vet>1.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak
                    van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw </vet>De noodzaak van vervangende bouw blijkt
                    uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.
                        <vet>1.3 Uitbreiding </vet><vet>1.3.1 Uitbreiding algemeen
                    </vet>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><al>a.het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat
                    de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al><al>b1.het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>b2.het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>b3.het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en </al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al><vet>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal
                    </vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>het feit dat evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                            het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                            verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                            genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage
                            III, deel A, inpandig een speellokaal is te maken.</al></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </vet>De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet>De noodzaak van
                    verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al><vet>1.6 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2012 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt. </al><al><vet>1.9 Aanpassing </vet>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li></lijst><al><vet>Ad a </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs,
                    terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                    te verwezenlijken zijn. <vet>Ad b </vet>De noodzaak voor een
                    integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het
                    feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan
                    of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij
                    de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor
                    het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. </al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal binnen
                    300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot
                    de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het
                    inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter
                    beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist
                    alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. <vet>Ad d</vet>De noodzaak
                    voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de
                    geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet worden
                    opgeheven. </al><al>Voor wat betreft de bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een
                    gebruiksvergunning geldt dat de aanpassing betrekking moet hebben op de
                    activiteiten die vallen onder bijlage I, Deel A, onderdeel 1.10 én om
                    activiteiten waarvoor door het ministerie van OCW binnen de jaarlijks te
                    publiceren groepsafhankelijke programma’s van eisen aan de schoolbesturen geen
                    vergoeding beschikbaar wordt gesteld. </al><al><vet>Ad e</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. <vet>Ad f</vet>De noodzaak voor deze
                    activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar
                    waarvoor vanwege de handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is.
                    Voorzover het betreft het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet
                    mogelijk te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het
                    volledige onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                    kan worden gegeven. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is. <vet>1.10 Onderhoud </vet>De
                    voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al><al>Vervangen brandtrap. </al><al>Vervangen erfscheiding. </al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al><al>Vervangen buitenkozijnen en – deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale verwarming.</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al>Vervangen boeiboorden. </al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al> permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingengeen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik
                            elders. </al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. <vet>1.11 Herstel van
                        constructiefouten </vet>De noodzaak van herstel van constructiefouten
                    blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om
                    (herstel van) een constructiefout. <vet>1.12 Vervanging of herstel van schade
                        aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden </vet>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit
                    het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het
                    desbetreffende gebouw wordt gehinderd. <vet>DEEL B Voorzieningen voor
                        lichamelijke oefening </vet><vet>1 School voor basisonderwijs
                        </vet><vet>1.1 Nieuwbouw </vet>De noodzaak van nieuwbouw blijkt
                    uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw </vet>De noodzaak van vervangende bouw blijkt
                    uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.3 Uitbreiding </vet>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte
                    blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet>De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al><vet>1.5 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de
                    nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
                        <vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet>De noodzaak van
                    eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair </vet>De noodzaak van eerste
                    inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>1.8 Medegebruik </vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit
                    dat het door het college vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is
                    en waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen
                    plaats is. <vet>1.9 Aanpassing </vet>De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1 </vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                    wasgelegenheden zijn. <vet>Ad 2 </vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat
                    er geen twee kleedruimten zijn. <vet>Ad 3 </vet>De noodzaak blijkt uit het
                    feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het
                    basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling
                    van het college, te verwezenlijken zijn. <vet>Ad 4 </vet>De noodzaak voor
                    deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende
                    wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn
                    moet worden opgeheven. </al><al>Voor wat betreft de bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een
                    gebruiksvergunning geldt dat de aanpassing betrekking moet hebben op de
                    activiteiten die vallen onder bijlage I, Deel B, onderdeel 1.10 én om
                    activiteiten waarvoor door het ministerie van OCW binnen de jaarlijks te
                    publiceren groepsafhankelijke programma’s van eisen aan de schoolbesturen geen
                    vergoeding beschikbaar wordt gesteld. </al><al><vet>Ad 5 </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien
                    zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is. <vet>1.10 Onderhoud </vet>De
                    voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al><al>Vervangen brandtrap. </al><al>Vervangen erfscheiding. </al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al><al>Vervangen buitenkozijnen en – deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale verwarming.</al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al>Vervangen boeiboorden. </al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al> permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingengeen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik
                            elders. </al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. </al><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten </vet>De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. </al><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet>De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. </al></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses
                    </vet>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school
                    als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en
                    artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste
                    vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage I is
                    voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke
                    prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor
                    (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl
                    voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het
                    gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. </al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs
                    kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden
                    volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden
                    gerekend. Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en
                    berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.
                    Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan
                    een prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college
                    vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal
                    onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening
                    overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Waalwijk.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling </titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet><vet>1 School voor basisonderwijs
                        en speciale school voor basisonderwijs </vet>De capaciteit van de
                    gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                    capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten
                    behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden. <vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en
                        nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met een permanente of
                        tijdelijke bouwaard </vet>De brutovloeroppervlakte (verder aan te
                    duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het
                    gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.
                        <cursief>Basisschool </cursief>De capaciteit van een gebouw voor
                    een basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De
                    capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                    tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al> Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling meegenomen.
                    Indien een speellokaal aanwezig is en de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I deel A, paragraaf 1.3.2 wordt op het bruto vloeroppervlak
                    90 m2 in mindering gebracht. <vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente
                        of tijdelijke bouwaard </vet>Voor het bepalen van de capaciteit van
                    dislocaties voor basisscholen geldt het gestelde onder 1.1. </al><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet>De vaststelling van
                    de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                    gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                    leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een
                    hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. <vet>1.4 Terrein </vet>Onder terrein dient te worden
                    verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt
                    het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                        <vet>1.5</vet><vet>Inventaris </vet>Voor de inventaris is het
                    uitgangspunt dat op 1 januari 2012 alle scholen voor basisonderwijs in de
                    gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto
                    vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang
                    van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten </vet><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte
                    </vet>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs
                    bedraagt 40 klokuren. </al><al><vet>1.6.2 Terrein </vet>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                    vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd. <vet>1.6.3 Inventaris </vet>De inventaris
                    aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte </tussenkop><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet><vet> 1.1 Lesgebouwen
                        </vet><cursief>Basisschool</cursief>Voor een
                    basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters.</al><al> , en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters en</al><al>G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="§"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="§"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="§"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruim-tebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al>R = 250 + 7.35 * L., waarbij</al><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante </al><al>meters en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose </al><al> betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een addittionele ruimtebehoefte van 90 m2. </al><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten </vet><cursief>Basisschool
                    </cursief>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het
                    aantal formatieplaatsen, zoals bepaald in de beleidsregelvoor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs. Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan
                    van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</al><al> Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. </al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond. </al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. </al><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning </vet> De bepaling
                    van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op
                    basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast
                    te stellen. <vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs </vet><vet>1.1
                        Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet>De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening: </al><lijst><li nr="§"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="§"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal blijven bestaan. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="§"><al>uitbreiding, dan wel </al></li><li nr="§"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al></li><li nr="§"><al>ingebruikneming dan wel </al></li><li nr="§"><al>medegebruik </al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. </al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="§"><al>55 m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="§"><al>40 m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. </al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m2 bvo.</al><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen </vet>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. <vet>1.3
                        Gymnastiekruimten </vet>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de
                    realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen 1 School
                    voor basisonderwijs </tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speellokaal van een speciale school voor basisonderwijs geldt
                            een minimum netto oppervlakte van 84 m2.</al></li></lijst><tussenkop>2 Gymnastiekruimten </tussenkop><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><tussenkop>III-1 overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs' </tussenkop><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor het basisonderwijs volgens NEN 2580, met de volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="§"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="§"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="§"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV Financiële normering </titel></kop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze
                    vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2)
                    respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de
                    uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste
                    voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende
                    genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering
                    gebracht. </al><al>Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2012 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 2, Indexering.</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet>In dit hoofdstuk zijn genormeerde
                    bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet>De financiële normering
                    voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).
                        <cursief>Kosten voor terreinen </cursief>Er is geen genormeerd
                    bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het bouwrijpe
                    terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch
                    eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden
                    aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het
                    programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het,
                    ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde
                    oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen. <cursief>Bouwkosten </cursief>De bouwkosten omvatten de
                    bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein.
                    De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal
                    m<sup>2 </sup> en een bedrag per m<sup>2 </sup>voor de overige
                    m<sup>2 </sup>bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een
                    basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 721.164,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.234,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.168.504,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.292,28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 110.870,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats </cursief>Indien vervangende nieuwbouw
                    plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende terrein daarna worden
                    hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen,
                    is gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2 </sup> bvo, afhankelijk van het type
                    huisvesting dat gesloopt dient te worden. De vergoeding voor zowel een
                    basisschool als een school voor speciaal basisonderwijs wordt bepaald op basis
                    van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34,33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet>Voor uitbreiding van de
                    huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2 brutovloeroppervlakte is
                    onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient
                    te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente
                    bouwaard) (paragraaf 1.1). <cursief>Kosten voor terrein </cursief>Er
                    is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van
                    het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).
                        <cursief>Bouwkosten </cursief>De bouwkosten omvatten de bouwkosten
                    van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het
                    schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2 </sup>. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="73*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.607,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag uitbreidingen 55-115 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 70.404,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.406,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                    bouwaard). </al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="73*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.602,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 72.401,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.434,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126.612,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 232.784,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening </vet>De hierna genoemde bedragen zijn
                    afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds
                    nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en
                    anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt
                    ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van
                    een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan
                    uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein
                    kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de
                    beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf
                    1.1). <cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie </cursief>De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    en een bedrag per m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten,
                    de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="72*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.069,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 – 80 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.379,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.009,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
                    </cursief>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen,</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een specials school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo
                                        of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.085,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding 40 – 80 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.390,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.057,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
                    </cursief>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw
                    ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                    noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op
                    basis van werkelijke kosten. <vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair </vet><cursief>Basisschool </cursief>Het bedrag
                    voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een
                    basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. De hierna opgenomen bedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m<sup>2</sup>. Bij
                    uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.910,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.311,23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133,58</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                    7.146,25.</al><al><vet>1.5 Aanpassing </vet>Alle aanpassingen, met uitzondering
                    van bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een gebruiksvergunning, worden
                    vergoed op basis van werkelijke kosten. </al><al>Bouwkundige aanpassingen ter verkrijging van een gebruiksvergunning worden
                    vergoed op basis van 50% van de werkelijke kosten.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiek Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 758.126,59 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 773.460,15 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="39*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.248,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.021,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.523,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding </cursief>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte
                    wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine
                    gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of
                    minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2.
                    Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor een basisschool
                    er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 176.141,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 214.123,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.826,66</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.536,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 11.824,16</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.776,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.331,20</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.164,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>OLP/meubilair </cursief>De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 49.448,86.</al><al><vet>2 Indexering </vet><vet>Werkelijke prijsontwikkeling
                    </vet>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                    prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar
                    alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over
                    de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande
                    jaar. Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2005 = 100”
                    over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn,
                    worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede
                    kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </vet>Naast
                    de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt
                    vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk
                    prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om
                    de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van
                    vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. Voor de
                    voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt
                    op de derde dinsdag in september. </al><tussenkop>3 Europese aanbesteding</tussenkop><al>Voor de opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn
                    van de Europese Unie (200418/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="a."><al>200.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten;</al></li><li nr="b."><al>5.000.0000 euro excl. BTW voor werken. </al><al><vet>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                                voorzieningen</vet><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet>
                            Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen
                            aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b
                            en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht
                            gerangschikt in volgorde van prioriteit. Ten eerste vindt de
                            rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van
                                    bijlage III op te heffen; </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                                    handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;
                                </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de
                                    wet gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor
                                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
                                    onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen
                                    van het onderwijs. </al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet> Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste
                            inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing
                            noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van
                            lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende
                            terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor
                            onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van
                            een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw
                            en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke
                            aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen
                            om een tekort aan capaciteit op te heffen. <vet>Ad 2</vet> Vervangende
                            bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw
                            inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                            onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                            schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                            tweede hoofdprioriteit. <vet>Ad 3</vet> Aanpassingen van gebouwen voor
                            primair onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van
                            lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder
                            hoofdprioriteit 3. <vet>Ad 4</vet> Invulling van hoofdprioriteit 4 zal
                            afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor
                            gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen
                            van meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is. </al><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                                subprioriteiten</vet> Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit
                            op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt
                            voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4,
                            de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte
                            heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in
                            aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                            opnieuw toegepast. Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                            vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten
                            vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het
                            gebouw. Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen,
                            fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein. </al><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten
                                als bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor
                                plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                    herschikking van schoolgebouwen; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                    herschikking van schoolgebouwen en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al></li></lijst><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                                adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het
                                programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                    de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal
                                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel
                                    7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt
                                    toegekend; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                                    vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het
                                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                    de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij
                                    volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid
                                    2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij
                                    volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid
                                    2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend. </al></li></lijst><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te
                                voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen
                                waaronder aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding
                                betreffen' komt voor plaatsing op het programma in
                            aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de
                                    wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens
                                    het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                                    is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat
                                    niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                                    bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in
                                    artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een
                                    vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de
                                    wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens
                                    het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                                    is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet
                                    voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                                    conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                                    onder c, de minste is; en </al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet
                                    voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                                    conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                                    onder c, de minste is. </al></li></lijst><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                                gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                                bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de
                                eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op het
                                programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van
                                    onderwijskundige vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast
                                    wordt waarbij het aantal groepen leerlingen het hoogst is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij
                                    het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                                    beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor
                                    vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage
                                    leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                                    hoogst is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte
                                    in gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen
                                    waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                                    omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en
                                </al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer
                                    algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste
                                    gebouw het hoogst is.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>