<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR177976_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Tytsjerksteradiel 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-05-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Actief, 30-05-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop (Stb 2010, 145 en 146) en het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2020-2533</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2020-2534</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Tytsjerksteradiel 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Tytsjerksteradiel;</al><al>overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                                voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van
                                brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en
                                al hetgeen daarmee verband houdt;</al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is de bestaande verordening aan te passen in
                                verband met de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 en het per
                                die datum vervallen van het Besluit brandveilig gebruik
                                bouwwerken;</al></li></lijst><al>gelezen het voorstel van het college van 1 mei 2012;</al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146) en het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676);</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de <vet>Brandbeveiligingsverordening Tytsjerksteradiel
                            2012</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting; een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal</al></li></lijst></li></lijst><al> worden verschaft of,</al><al>c.aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                        lichamelijk of</al><al> geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16. 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn overeenkomstig van
                            toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                            inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor jachthavens gelden voorts de eisen brandveilig gebruik als
                            opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor kampeerterreinen gelden voorts de eisen brandveilig gebruik als
                            opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29, en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van
                        het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) en dat met brandbare gewassen
                        is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                        geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                        brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel
                        64, eerste lid van de Wet Veiligheidsregio ’s gestraft met hechtenis van ten
                        hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            Brandbeveiligingsverordening 2001 , - 2008 en - 2011 en die van kracht
                            zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden
                            aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening 2011
                            is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening 2011 wordt beslist
                            met toepassing van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kampeerterreinen met meer dan 100 kampeerplaatsen / jachthavens met meer
                            dan 100 vaartuigen dienen, overeenkomstig het bepaalde in de
                            Brandbeveiligingsverordening 2008 en 2011, voor 13 februari 2014 aan de
                            voorwaarden als gesteld in of krachtens artikel 4, lid 2 en 3 te
                            voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2012 .</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 mei 2012.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra drs. E.J. ter Keurs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2012</titel></kop><tussenkop>AIgemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb op z’n vroegst in de in de loop van werking.
                    Tot die tijd zal op grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn (in Tytsjerksteradiel is dat
                    op die wettelijke basis het geval sinds 1 augustus 2011, daarvòòr vormde de
                    Brandweerwet 1985 de wettelijke basis).</al><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard.</al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn.
                    De Lex Silencio Positivo is van toepassing, d.w.z. dat de vergunning van
                    rechtswege wordt verleend als niet tijdig op de aanvraag om vergunning een
                    besluit is genomen. </al><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'.</al><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een
                    drijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te
                    bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object.</al><al>De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld dient een
                    bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit 2012 de
                    bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip
                    bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit 2012 is
                    een constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de
                    Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de
                    Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><lijst><li nr="·"><al>1) constructie,</al></li><li nr="·"><al>2) van enige omvang,</al></li><li nr="·"><al>3) met de grond verbonden,</al></li><li nr="·"><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 oktober werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de
                    jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij.</al><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld (niet-bouwwerk) kunt u
                    dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden
                    drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is aangepast aan de Dienstenrichtiijn.</al><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van artikel 65 van de Wet
                    veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                    feiten.</al><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een andere regeling op
                    dit gebied in de verordening.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel worden meerdere versies van de brandbeveiligingsverordening
                    genoemd, omdat het nodig kan zijn dat vergunningen op grond van eerdere
                    brandbeveiligingsverordeningen nog van kracht moeten zijn.</al><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al>De bekendmaking zal op de gebruikelijke wijze plaatsvinden. </al><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingsbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkingsgrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al><al/></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Tytsjerksteradiel/i103978.pdf">Bijlage 1 Brandveiliggebruik jachthavens</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Tytsjerksteradiel/i103979.pdf">Bijlage 2 Brandveiliggebruik Kampeerterreinen</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>